thomas vaessens

  • Pin it!

    Vaessens: de korte recensie


    Vorige week dan toch nog aardig druk geweest met de correctie op de tweede versie van mijn stuk over Vaessens' Revanche van de roman (bedoeld voor nY), terwijl de eerste versie inmiddels verscheen in De Leeswolf — de 'korte' versie. Op zich is het lang geleden dat ik een recensie van 2000 woorden 'kort' kon noemen. Hoewel ik ook een (slecht onderhouden) recensiesite heb, plaats ik die Leeswolf-versie hier eerst maar eens in zijn geheel — enfin, de versie zoals ik die naar De Leeswolf stuurde, want de eindredacteur wist me te melden dat er in de al wat uitgedunde versie (geef mij 2000 woorden en ik schrijf er natuurlijk 2300) nog hier en daar wat was geschrapt, volgens hem zonder dat het kwaad kon.

    Wees niet literair


    om.vaessens2edruk_300Als Thomas Vaessens met een boek begint, moet je als lezer altijd goed opletten. Vaak begint hij met een mooie tegenstelling die ogenschijnlijk meteen glashelder maakt waar het hem om te doen is. Zelfs wie daarbij al op voorhand wat kanttekeningen zou willen maken, is meestal wel bereid om een bladzijde of wat met de auteur mee te stappen. Maar dat is gevaarlijk, want voor je het weet is wat je
    for the sake of argument dan wel even wilde accepteren, een onomstotelijk feit geworden en kost het naderhand veel moeite om de weg terug te vinden.

    Zo kreeg in zowel
    De verstoorde lezer (2001) als in het samen met Jos Joosten geschreven Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen (2003) de op coherentie en inhoudelijke fixatie gerichte lezer het hard te verduren omdat hij geen weg zou weten met de verstorende, de ‘verontrustende’ teksten van dichters als Lucebert of andere postmoderne auteurs. Hij las verkeerd, daar kwam het eigenlijk op neer. Het kost vervolgens heel wat moeite om in te zien dat het soort verstoring waar Vaessens op uit was alleen maar kan bestaan dankzij nu juist zo’n op coherentie gerichte lezer. Zonder de intentie in een literaire tekst coherentie te vinden, is het beoogde effect van de incoherentie — ‘verontrusting’ — immers nihil. Daarmee, zo moest je tegen de intentie van de auteur in wel concluderen, werd de burgerlijke, fixerende lezer uiteindelijk eigenlijk de voorwaarde voor het ‘verontrustende’ waar het Vaessens (en ook Joosten) om te doen was.

    Vaessens’ inmiddels fel bediscussieerde
    De revanche van de roman begint ook met een flinke stellingname. Literaire connaisseurs zouden ‘sinds het einde van de negentiende eeuw’, ‘steevast’, het standpunt innemen dat ‘”echte” literatuur (…) universeel en eeuwig’ zou zijn: ‘zij ontstijgt altijd de tijd en de plaats van haar ontstaan. Om het in inmiddels wel heel belegen geworden poëticale termen te zeggen: de roman is autonoom en bij voorkeur “zuiver” literair’, schrijft Vaessens. De woordkeus is hier wat ongelukkig, vooral waar ‘autonoom’ en ‘poëticaal’ in één adem worden genoemd (de zogezegd ‘autonome poëtica’ was niet per se uit — in sommige gevallen zelfs: per se niet — op de meer sociologisch bedoelde autonomie waarop Vaessens hier lijkt te doelen). Tegenover het ‘zuiver’ literaire, stelt Vaessens vervolgens, staat dan natuurlijk het ‘onzuivere’: ‘Onzuiver is de roman die zichzelf al te nadrukkelijk verbindt aan het voorbijgaande of de auteur die zich door andere dan literaire motieven laat leiden, bijvoorbeeld door “wat de gemoederen bezighoudt” en door het verlangen daarop in te spelen.’

    Daarmee hebben we in een notedop de tegenstelling die dit hele boek schraagt, inclusief de partijkeuze van de auteur zoals die tussen de regels te lezen valt. Als
    De revanche van de roman iets is, dan is het wel een poging om af te rekenen met lieden die het specifiek literaire van literatuur hoog willen houden. Ze worden afgeschilderd als, op zijn best, van de wereld vervreemde wezens die zijn blijven hangen in een wereldbeeld dat beslist niet meer van vandaag is, door Vaessens het ‘humanistisch modernisme’ genoemd.

    Dat de afkeer van deze houding door het hele boek steeds weer opduikt, wordt eigenlijk pas aan het eind van het boek verklaard. Daar heeft Vaessens het specifiek over de neerlandistiek, die het in haar Hollandse zelfgenoegzaamheid presteerde om alle ontwikkelingen die in het buitenland van belang bleken, decennialang buiten te sluiten. Derrida was aan de academies een dusdanig vies woord, dat geen student het waagde er aan te beginnen. Deconstructivisme werd afgedaan als nieuwlichterij en wie trachtte bij de betreffende fondsen geld los te kloppen voor onderzoek vanuit een postmoderne invalshoek kreeg nul op rekest. De kersverse hoogleraar Vaessens heeft hier met andere woorden iets te bewijzen, is bezig ruimte te maken voor zichzelf en zijn programma, en loopt misschien daardoor wat al te hard van stapel. Pas in 2008 zou er volgens Vaessens in Nederland een eerste studie verschenen zijn waarin literatuur (Multatuli in dit geval) vanuit postmoderne theorievorming bestudeerd werd. Ik ken er toch al één uit 1997: Michel van Nieuwstadts
    De verschrikkingen van het denken, over Menno ter Braak.

    Zoveel strijdlust is natuurlijk sympathiek; de vraag is alleen of deze in se politieke agenda de rest van zijn betoog niet al te zeer beïnvloedt. Ik heb de indruk van wel. De terloopse vermenging van poëticale en sociologische terminologie waarover ik het hierboven al had, zet zich door in de driedeling die Vaessens ons voorschotelt, een driedeling die tegelijkertijd ook een periodisering wil zijn.

    Over dat humanistisch modernisme had ik het al even. Een echte definitie krijgen we niet, maar de volgende omschrijving geeft een goed beeld van wat Vaessens er onder verstaat: ‘literatuur is een bijzondere manier van taalgebruik die dieper reikt dan gewoon taalgebruik. Zij raakt aan het universele en is daarmee boven politiek en zelfs geschiedenis verheven — een “zuiverheid” die door de modernisten als verworven-heid wordt verdedigd’. Zo’n omschrijving begrijp ik onmiddellijk en als hulpconstructie in overzichten is ze te billijken. Maar er schuilt ook iets in van de bekende olifant in de porseleinkast. Was Thomas Mann werkelijk a-politiek? Of Martinus Nijhoff? E. du Perron was het zeker niet, Ter Braak — niettegenstaande zijn
    Politicus zonder partij — al evenmin. Het ‘personalisme’ van de zogeheten Forum-generatie (naar een tijdschrift met die naam dat tussen 1932 en 1935 verscheen) is een voortdurende strijd met juist het in hun ogen al te strikt literaire van literatuur (voor Du Perron was ‘literator’ bijvoorbeeld een scheldwoord). Misschien waren zij dan geen ‘humanistisch modernisten’, ondanks het feit dat de periode waarin het dominant was voor Vaessens doorloopt tot nog enkele decennia na het einde van WO II? Of misschien waren zij niet dominant? Wat bedoelt Vaessens dan precies met dominant?

    Iets daarvan wordt al duidelijk wanneer we naar de tweede tendens kijken die Vaessens onderscheidt, die van het ‘relativistisch postmodernisme’. Hier maakt Vaessens wel expliciet een onderscheid tussen het meer poëticale (filosofische) en het sociologische niveau. Bij dat laatste gaat het om de opkomst van de cultuurindustrie, die heeft gemaakt dat alle cultuur in de greep raakte van het rendementsdenken, van wat cultuurpessimisten dan weer ‘de dictatuur van de markt’ noemen. Bij het eerste gaat het om het gedachtegoed van Foucault, Derrida, Lyotard enzovoort. De nadruk ligt hier in beide gevallen op de relativering van enerzijds de filosofische, anderzijds de culturele pretenties van het humanistisch modernisme, dat in dit deel van het boek nog sterker wordt neergezet als elitair, wereldvreemd en op een enkele plek zelfs als ‘potentieel gevaarlijk’.

    Wat Vaessens goed laat zien, is dat specifiek in het particularistische Nederland de filosofische kant van het postmodernisme niet werkelijk voet aan de grond kreeg; de culturele kant daarentegen wel. Postmodern betekende in Nederland — in tegenstelling tot in de meeste andere landen — vooral
    anything goes en werd voornamelijk gepercipieerd als de bevrijding van lastige poëticaal-filosofische discussies over literatuur. Je zou dat positief kunnen uitleggen als een wending naar het (grote) publiek, als democratisering, maar in de praktijk betekende het toch vooral de totale aanpassing aan de markt, aan een neoliberale ideologie met andere woorden.

    Juist omdat de poëticaal-filosofische kant in het grachtengordelpostmodernisme volledig werd verwaarloosd, kan Vaessens nog een derde periode — een ‘derde weg’, zoals hij schrijft — onderscheiden, door hem ‘laatpostmodern’ genoemd. Die toont grote verwantschap met wat in Vlaanderen wel het ‘ethisch postmodernisme’ wordt genoemd: met een postmodernisme dat in het ‘einde van de meta-verhalen’ eerder een probleem dan een bevrijding zag, eerder een nieuw begin dan een einde. Voor dat ‘laatpostmoderne’ zou nu de tijd aangebroken zijn, meent Vaessens. De ontwaarding van de literatuur, zowel in cultureel als in poëticaal opzicht, heeft er toe geleid dat de auteur nu weer op zoek gaat naar een rol voor literatuur in het maatschappelijk debat. In de woorden van Vaessens: ‘Nadat (...) de [ postmoderne] relativisten de [humanistische] poortwachters ernstig in diskrediet hebben gebracht’ komt er nu ‘een nieuw type literair intellectueel’ ten tonele: ‘de publiekszoeker die probeert weer een brug te slaan tussen de literatuur en haar achterban’. Om dit te illustreren bespreekt Vaessens werk van Robert Vernooij (met Kellendonk als zijlicht), Joost Zwagerman (met Arnon Grunberg als zijlicht) en Marjolijn Februari (met Charlotte Mutsaers als secondant).

    De ‘laatpostmoderne’ auteur omschrijven als een publiekszoeker is nog maar eens suggereren dat auteurs in het verleden zich om publiek en samenleving niet bekommerden. Dat blijf ik een onzinnige stellingname vinden. Zoals het wat onzinnig is om voorlopers van dat ‘laatpostmodernisme’, bijvoorbeeld een aantal auteurs rond het tijdschrift
    De XXIe Eeuw (1990-1993), te verwijten dat zij de marge zochten nadat je eerst duidelijk hebt gemaakt dat hun inzichten nu juist door de toenmalige critici begin jaren negentig nadrukkelijk werden gemarginaliseerd. Vaessens zegt het niet met zoveel woorden, maar marginaal is men volgens zijn eigen redenering eigenlijk vooral wanneer men, ondanks het evidente engagement, te veel binnen 'de literatuur' blijft. De ‘laatpostmoderne’ auteurs die wel succesvol de brug met hun achterban hebben weten te slaan, zijn zonder uitzondering auteurs die zich in de ogen van Vaessens van literaire kwesties hebben afgewend. Leon de Winter bijvoorbeeld, keerde zich van het literaire experiment af 'om zich meer en meer te gaan richten op de concrete belevingswereld van lezers van nu’, zoals Vaessens schrijft (wat dat ook moge zijn). De suggestie hier is, als steeds: hij heeft zich van het literaire afgewend. Dat De Winter zich daarmee tot een andere poëtica heeft bekend — die van het realistische verhaal — en dus in literaire opzicht wel degelijk een keuze maakt, wordt verzwegen.

    Auteurs als Zwagerman, maar ook Grunberg, danken hun ‘geëngageerdheid’ toch vooral aan wat ze buiten hun boeken om doen. De geëngageerde Zwagerman is voornamelijk columnist, in kranten en op tv; zijn romanwerk staat daarbuiten. Ook Grunberg dankt zijn imago van geëngageerde auteur aan zijn extra-literaire activiteiten en veel minder aan zijn romans. Het heeft iets geforceerds om in Tirza per se een post-9/11 boek te willen zien, zoals Vaessens doet: op de naam van de terrorist Atta na, gaat het in dat boek om hele andere zaken.

    Dit lijkt me de grootste zwakheid in het boek van Vaessens: dat hij de onbelangrijkheid van literatuur bijna geheel probeert te verklaren vanuit ontwikkelingen in de literatuur zelf. De ‘poortwachtersfunctie’ die hij, voor een groot deel heus terecht, de humanistisch modernisten verwijt, is vandaag de dag niet verdwenen, zoals hij op verschillende plaatsen in het boek lijkt te denken. Ze is domweg overgenomen door de media en door de binnen die media sterk werkzame neoliberale ideologie. Hoogst geëngageerde auteurs krijgen binnen die media alleen werkelijk een kans wanneer die media een mogelijkheid zien hen binnen een geschikt
    format aan de man te brengen (en of ze dan een literaire kluizenaar met een voorliefde voor puntkomma's zijn of een politiek activist met talent voor smeuïg proza maakt eigenlijk niet uit). Grunberg werd bij zijn debuut gezien als het wat zielige derde-generatie-holocaust-slachtoffertje waarover tv-mama’s als Sonja Barend en Hanneke Groenteman zich troostend bogen. Dat slachtoffertje heeft zich daar zelf magistraal van bevrijd, maar kreeg na de publieke bemoedering dan ook overal ruimschoots de kans om de columnist, de programmamaker, en natuurlijk ook de literator in zichzelf tot wasdom te brengen.

    Dat wil niet zeggen dat Vaessens geen punt heeft wanneer hij stelt dat de onbelangrijkheid van de literatuur vandaag de dag ook is terug te voeren op ontwikkelingen binnen die literatuur zelf. Maar zeker niet uitsluitend.
    L’art pour l’art en engagement zijn de twee polen waartussen de literatuur uit de moderne tijd zich altijd al heeft bewogen (ook in ‘humanistisch modernistische’ tijden). De autonomie die de literatuur voor zichzelf heeft opgeëist, was natuurlijk altijd voor de hele samenleving bedoeld. Of anders gezegd: de autonomie die de literatuur voor zichzelf opeiste, was niet de autonomie die ze (van die samenleving) kreeg toebedeeld. Het is onmiskenbaar Vaessens’ bedoeling literatuur weer uit die haar toebedeelde autonomie te bevrijden. Ik kan alleen maar constateren dat in de wijze waarop Vaessens dat tracht te bewerkstelligen vooral die literatuur het loodje legt.

    Na dit alles bleef er voor nY nog voldoende over om nog een tweede stuk te maken waarin ik dingen die hier noodzakelijkerwijs een beetje impliciet blijven , wat verder kon uitwerken (bijvoorbeeld dat verschil tussen de sociologische en de poëticaal-filosofische betekenis van 'autonomie') en nog wat andere accenten kon aanbrengen. Zo noemde ik naast De XXIe Eeuw ook nog de auteurs rond het tijdschrift Het Moment (1986-1988), bracht ik in herinnering dat eind jaren tachtig in Vlaanderen ook yang de draai maakte van neo-realisme naar een meer postmoderne invalshoek (naar wat Vaessens dus laatpostmodernisme noemt), en wijs ik erop dat Raster al veel langer deze weg bewandelde, maar zelf een beetje verhinderde dat men er aandacht aan schonk (enerzijds door zich zorgvuldig op het buitenland en bijna niet op de Nederlandstalige literatuur te richten, anderzijds door elke link met de Franse postmodernisten zoveel mogelijk te verzwijgen).

    Thomas


    Opmerkelijk genoeg kreeg ik van de nY-redactie onder andere het commentaar dat ik zo vreselijk mild was. En het is waar dat ik me dit keer wat minder dan anders op sleeptouw heb laten nemen door wat mijn eigen stijl me op een gegeven moment ingeeft, maar ik vraag me af of die mildheid per se betekent dat ik minder kritisch ben. Aan het gescheld op Vaessens ga ik natuurlijk niet meedoen — waar is die jongen wel niet allemaal voor uitgemaakt? Leugenaar, geloof ik. Populist natuurlijk. Riep daar iemand 'fascist'? — altijd een handzaam woordje in de zich van elke smet bevrijd wanende Hollandse kikkerpoel. Enfin, dat schiet allemaal niet op, en draagt alleen maar bij aan het discussievijandige klimaat dat intellectueel Nederland nu al decennialang beheerst. Misschien is de wijze waarop Vaessens — in mijn ogen althans — de historische werkelijkheid vertekent, wel een rechtsstreeks gevolg van die vijandigheid… Het boek zelf is inmiddels aan zijn tweede druk toe. Dat dan weer wel.

  • Pin it!

    Bruggen


    Copy(2) of om.vaessens_300


    Afgelopen week met horten en stoten Thomas Vaessens' al veelbesproken De revanche van de roman. Literatuur, autoriteit en engagement uitgelezen. Die horten en stoten hadden minder met het boek zelf te maken, dan met wat er voortdurend tussendoor kwam, zodat ik maar weer eens de redacteuren van De Leeswolf in verlegenheid bracht — want het stuk over het boek zou al vorige week klaar zijn. Mijn reputatie van notoire deadlineschender raak ik nooit meer kwijt.

    Ironisch genoeg sloot wat er tussendoor kwam goed aan bij wat Vaessens in zijn boek beschrijft — met name bij wat hij zegt over de door hem 'laatpostmodern' genoemde auteurs, 'een nieuw type intellectueel', zoals hij stelt, ‘de publiekszoeker die probeert weer een brug te slaan tussen de literatuur en haar achterban’. Hoewel wat ik de afgelopen week heb uitgehaald nauwelijks 'intellectueel' mag heten, 'publiekszoekend' was het zeker. Al bij de uitnodiging voor het programma dat Behoud de Begeerte afgelopen dinsdag in Antwerpen organiseerde, 'Op gelijnd muziekpapier', had ik gezegd dat het misschien wel aardig zou zijn wanneer ik daar 'een gedicht over Elvis' zou brengen, met meteen er achteraan het liedje waarop dat gedicht was gebaseerd (ik schreef het gedicht destijds voor de door John Schoorl en Kees 't Hart samengestelde bloemlezing Wees niet wreed. Gedichten voor Elvis). Het zou gaan over pop en literatuur, en om nou zelf ook 's een bruggetje te slaan, leek het me aardig om het verband (en het verschil) tussen beide middels de combinatie van poëzie en zang eens ten gehore te brengen. Ik zou mijzelf geen gitarist willen noemen, maar als iedereen rond een kampvuurtje zit en voldoende heeft geconsumeerd, is zelfs mijn gepingel nog wel te verdragen — en zingen, ja dat kan ik wel. Goed idee, vond men bij Behoud de Begeerte.

    image_elvis


    Goed idee, vond men ook bij radio 1, blijkbaar op de hoogte gebracht, en of ik me dan maandag met gitaar wilde melden bij de VRT-studio's. Goed idee, vond ongeveer een half uur later Klara, de klassieke zender, godbetert. Of ik maandag met gitaar… Je kunt natuurlijk de houding aannemen die een amateur past en zeggen dat dit er toch wel wat over is: een liedje spelen voor een zaaltje met hoogstens 100 mensen is nog wat anders dan hetzelfde doen voor een radiostation waarnaar tussen de 100.000 en 250.000 mensen luisteren (afhankelijk van de zender waar het over gaat). Daarbij: overal in het land zitten briljante jongens en meisjes met gouden keeltjes en een fabelachtige gitaartechniek die een voor hun zangcarrière niet noodzakelijk lichaamsdeel zouden willen geven om een keertje op de radio een liedje te mogen komen doen. In plaats daarvan zit daar dan zo'n schrijver die een kunstje kan. En dat ook nog twee keer binnen het tijdsbestek van een uur mag doen op twee verschillende zenders.

    Maar ik dacht aan Vaessens. Ik dacht 'bruggen slaan bruggen slaan bruggen slaan'. Of nee, dat dacht ik natuurlijk helemaal niet; ik dacht hoogstens: oké, als jullie het willen, dan kunnen jullie het krijgen. En dat het natuurlijk leuk blijft, zo'n kunstje. En dus zat ik afgelopen maandag eerst bij Klara, bij Kurt Van Eeghem in de studio, waar er tot mijn schrik ook een camera stond opgesteld ('Voor de website,' zei Van Eeghem, en inderdaad...) — en een half uurtje later maakte ik mijn opwachting bij radio 1. Tussendoor belde Studio Brussel dan nog, maar dit keer niet om mij te horen kwelen, maar simpelweg voor een kort gesprekje over het programma van Behoud de Begeerte. Daarna vroeg ik me vertwijfeld af of ik de uitgang nog ooit zou terugvinden, want de VRT is een zelden gezien doolhof waarin men steeds de lift naar die of die verdieping moet nemen om na door een gang te zijn gelopen dan weer een lift naar een andere verdieping te moeten nemen, 'waarna links en dan nog eens links en vraagt u het dan nog maar eens'. Maar er werken ook erg aardige mensen die met liefde de Vergilius voor je willen spelen.

    Maar laat ik eerlijk zijn: dat ik deze fratsen (een vriend mailde na het zien van de video: 'Ik heb via mijn mannetje bij Klara meteen de videoservice laten blokkeren. Sommige mensen moeten tegen zichzelf in bescherming worden genomen') in verband breng met Vaessens' boek heeft te maken met een beetje gekrenkte trots vanwege hetgeen Vaessens in dat boek op een zeker moment over juist mij beweert. Zo klein zijn we dan ook wel weer. Wat dan weer niet wegneemt dat daarachter een punt van kritiek schuilt dat mijn eigen kleinheid toch weer overstijgt, denk ik.

    Om met dat kleine te beginnen: Vaessens noemt mij op een zeker moment met veel instemming als iemand die al eind jaren tachtig, begin jaren negentig te hoop liep tegen het 'relativistisch postmodernisme' en het daarmee verbonden anything goes — als een van die auteurs die geen genoegen nam met de status van literatuur als louter amusement en die zich dus ook bij de door die literatuur zelf zo vaak geclaimde autonome status (autonoom in sociologisch opzicht) de nodige vragen stelde. Maar, zo vervolgt Vaessens (en hij herhaalt het later), uiteindelijk zou ik voor de marge gekozen hebben.

    XXIe Eeuw.klein


    Dat gevoel heb ik natuurlijk zelf helemaal niet. Wat ik eind jaren tachtig, begin jaren negentig deed, was een standpunt verdedigen dat, ondanks het zo permissief lijkende anything goes van de grachtengordel, binnen de toenmalige literaire gemeenschap ongewenst was. Als ik hier mijn gelijk zou willen halen, dan zou ik nu kunnen zeggen dat men er in Amsterdam nog niet aan toe was destijds, al klinkt me dat meteen wat al te zelfglorifiërend in de oren. Men wist niet beter dan mij neer te zetten als iemand die juist een achterhaald standpunt innam. Een beetje zoals men iemand die na de Val van de Muur nog kritiek durfde te hebben op het kapitalisme onmiddellijk neerzette als een communist (iets wat blijkbaar goed heeft gewerkt; op de uitreiking van De Inktaap viel me op dat veel jongeren het woord 'links' uitspreken alsof het om een enge ziekte of zelfs om iets misdadigs gaat). Het carnavaleske richtingloze pomo-relativisme werd als een bevrijding ervaren, en in consensusland Nederland betekende dat nu eenmaal: verplichte bevrijding. Meedoen was de boodschap.

    Enfin, hoewel ik me natuurlijk bewust was van het tegendraadse van mijn standpunt destijds, heb ik toch moeite met de suggestie dat ik daarmee voor de marge koos. Ik heb veeleer het idee dat ik gemarginaliseerd wérd, en dat die marginalisering minder te maken had met argumentatie dan met sociale mechanismen. Het provincialisme van de grachtengordel is zo diep dat het al als een affront wordt ervaren wanneer een schrijver die niet net om de hoek woont iets begint te beweren, iets wat dan ook nog eens niet aansluit bij de tot (sociale) verplichting geworden algehele permissiviteit.

    Het leidt ertoe dat de mogelijkheden om bruggen te slaan met de achterban ernstig worden beperkt. Want Vaessens mag dan in zijn boek veel kritiek hebben op de poortwachtersfunctie van de oude 'humanistisch modernisten', de gedachte dat met de opkomst van het postmodernisme — die de autoriteitsclaim van die modernisten, (als alle bestaande hiërarchieën) ernstig in vraag stelde — het publieke domein voor iedereen toegankelijk is geworden, is nogal naïef. Het zijn nu de media en de binnen die industrie werkzame vooronderstellingen die bepalen of je toegang krijgt tot de publieke ruimte — een ruimte die, ondanks de ongekende mogelijkheden van het internet, nog steeds voornamelijk door de meer klassieke media (tv, krant, en misschien nog een beetje radio) wordt gedefinieerd. En wat Vaessens, ongewild, in zijn boek laat zien, dat is dat een schrijver van literair werk binnen die media vooral aandacht krijgt, wanneer hij zich vooral niet als literator manifesteert. Joost Zwagerman is uitgegroeid tot een opiniemaker van formaat, maar eerder ondanks dan dankzij zijn literaire werk. Hij is als publieke figuur eerder een columnist dan een romanschrijver — waarmee ik bedoel dat het over het literaire van zijn bezigheden nooit gaat. Als Kees 't Hart wordt uitgenodigd bij De wereld draait door dan is dat niet om over de specifieke literaire middelen te spreken waarmee hij in De keizer en de astroloog ons een inkijkje geeft in de werkelijkheid, maar hij zit daar om over het korte armpje van Keizer Wilhelm II en andere aberraties van die man te spreken — het enige waarin de interviewer geïnteresseerd blijkt te zijn ('hij was toch wel een beetje raar hè, die keizer, ja toch? niet dan?'). Het format dicteert, en dat format zelf is weer gebonden aan vooronderstellingen over 'het' publiek dat in een zo groot mogelijke getale bereikt dient te worden.

    Of, korter: waar vroeger de veronderstelde voortreffelijkheid van bepaalde denkbeelden de legitimering vormde voor het statuut van poortwachter, daar is het nu simpelweg de zich om geen denkbeelden bekommerende markt die bepaalt of je wel of geen toegang krijgt tot de publieke ruimte. In theorie betekent dit dat ook een geschifte kommafetisjist in principe toegang tot die ruimte zou kunnen krijgen, zoals je soms wel eens hobbyisten voor de camera ziet die met enkel lucifers de Nortre Dame hebben nagebouwd. In de praktijk gebeurt dat maar zelden. En in die praktijk wordt vrijwel nooit meer de literatuur om zichzelfs wille en dus, zo ben ik dan weer in mijn ongeneselijke dwaasheid geneigd om te zeggen, als maatschappelijk relevant en ook op die maatschappij betrokken kunstvorm, over het voetlicht gebracht. De gedachte dat praten over literatuur bij uitstek praten over de werkelijkheid is, is zover zoek geraakt (en de literatuur zelf heeft daar zeker een rol in gespeeld) dat ook Vaessens blijkbaar van mening is dat de geëngageerde schrijver vooral die schrijver is die zich van het literaire heeft afgekeerd. Hij zit in studio's en verkondigt op journalistieke wijze zijn visie op de samenleving, waarbij hij zijn gezag in naam nog wel ontleent aan het nog steeds bestaande beeld van de 'schrijver als publieke intellectueel', maar in feite maar beter over zijn literaire arbeid zwijgt.

    Of hij zit in studio's en begeleidt zichzelf op de gitaar. Dat kan ook. 'Staat het kampvuur aan?' vroeg ik nog voordat ik bij Klara, plotseling met zweethandjes, aan mijn kunstje begon. Want ondanks de serieuze bedenkingen die ik heb bij hoe het er op dit moment aan toe gaat (en bij hoe Vaessens dit feitelijk lijkt te legitimeren), als men het zeldzame geluk heeft als schrijver om binnen die context hoe dan ook aan het woord te komen (als Wilhelm II-specialist, als columnist, als prijswinnaar met een zanghobby), kan men er maar beter met volle teugen van genieten. Met de wereld van de humanistisch modernist en de komst van de marktkramers is de eeuwigheid van het kunstwerk immers ook verdwenen, en men moet al serieus in God geloven om daar nog op te rekenen. Dat heeft er bij mij nog nooit ingezeten.