stefan hertmans

  • Pin it!

    Presentatie nY


    nY-01


    Gisterenavond in de Domzaal van De Vooruit in Gent ('ik wil hier alleen binnen als ze ook een Slimzaal hebben', mompelde Pol Hoste) werd het eerste nummer van het nieuwe (fusie-)tijdschrift nY boven het doopvont gehouden. Ik had een halve middag doorgebracht op mijn tamelijk ontoegankelijke zolder om recente en minder recente nummers van yang tevoorschijn te halen, en vulde daarmee een vervolgens natuurlijk totaal ontilbaar geworden reiskoffer. Die had wieltjes, maar weer niet van dien aard dat ik daarmee gemakkelijk over het Gents plaveisel rijden kon (al moeten die wielen nog uitgevonden worden: die waarmee je wél makkelijk over Gents plaveisel rijdt). Het in en uit de auto tillen van het gevaarte hield een zeker gezondheidsrisico in, en in de parkeergarage onder 't Zuid reed ik, allengs wanhopiger, met de koffer heen en weer, omdat ik aanvankelijk de goed verstopte lift niet vond en vreesde dat ik, geketend aan 44 jaar Gentse tijdschriftgeschiedenis, in de catacomben de avond zou moeten doorbrengen. Met het gevaarte de trap op was uitgesloten. 'Hier heb ik niet voor getekend,' mopperde ik toen ik uiteindelijk zwetend bij De Vooruit aankwam, om daar te ontdekken dat de Domzaal op de derde verdieping lag. Gelukkig was er daar een goed zichtbare lift.

    nY-02


    Er was uiteindelijk ongeveer vijftig man aanwezig, schat ik. Matthijs de Ridder was spreekstalmeester, en hij begon met het stuk dat Dirk Leyman gisteren in De Morgen over nY schreef. Ik had die dag de tijd nog niet gehad om in de krant te kijken, maar werd gebeld door iemand van de redactie die me er op wees. Ik begreep zijn verontwaardiging wel (zoals gewoonlijk in dit soort stukken stelt de journalist in kwestie dat een blad als nY voor de marge kiest, terwijl een dergelijk blad juist in en door die bewering in de eerste plaats gemarginaliseerd wórdt), maar kon niet anders dan vaststellen dat De Morgen een halve pagina aan nY had besteed. Dat is veel meer dan vooraf verwacht kon worden. Ja, dat het om 'loden ernst' zou gaan, zoals Leyman stelde, is een kwestie van projectie op basis van vooroordelen zoals je die nu eenmaal kunt verwachten. Maar voor een blad dat zijn naam onder andere ent op een scene uit Monty Python and the Holy Grail en dat aan de yang-kant, naast alle onbetwistbare sérieux (maar wat is daar toch mis mee?) ook een zekere picareske traditie heeft — voor een dergelijk blad is het pejoratief gebruikte adjectief 'loden' toch wat onheus.

    Leyman over yang.small


    Stefan.nYHoe dan ook, MdR gebruikte het artikel als opstapje naar een drietal voordrachten, door Stefan Hertmans — de eerste in de rij — treffend omschreven als 'opa vertelt'. Wat in zijn bijdrage vooral opviel, dat was dat eind jaren tachtig, toen hij in de redactie van yang zat (in een redactie die als één van de eersten weg stuurde van het pad van het 'nieuw realisme' dat sinds de oprichting in 1963 de leidraad van het tijdschrift was geweest), de bekommernissen eigenlijk dezelfde waren als die van vele redacties daarna, of het daarbij nu om de ethisch-postmodernisten van de lichting Van Bastelaere, Spinoy ging, of om het 'mimesis'-project dat eind jaren negentig door onder meer Buelens, Bultinck en Joostens op de agenda werd geplaatst. Steeds blijkt de relatie tussen literatuur en maatschappij een bepalende factor te zijn geweest — met daarmee onlosmakelijk verbonden: de weerzin tegen de autonomisering van de literatuur, die haar reduceerde tot het gevaarloos, ge-ontideologiseerd amusement dat zij nu aleen nog maar is (en waartegen nY zich in haar mission statement nog maar eens verzet). 'De strijd om het middenveld', noemde Hertmans dat gisterenavond, en het is natuurlijk ironisch te moeten vaststellen (om het niet meteen cynisch te noemen) dat de poging om met literatuur een rol te blijven spelen in het maatschappelijk debat, juist in dat middenveld telkens maar weer 'elitair' wordt genoemd. De door literatuur aangebrachte nuances, bedenkingen en wat dies meer zij, vertegenwoordigen niet De Juiste Opvatting.

    Dat maakt dat het maken van een tijdschrift zo vaak zo vergeefs lijkt te zijn. De vraag voor wie men het eigenlijk doet stelt iedere zichzelf respecterende redactie zich van tijd tot tijd — en de antwoorden kunnen variëren van 'men doet het vooral voor zichzelf' (dixit oud-redacteur Jürgen Pieters) tot 'omdat iemand het moet doen' — er met andere worden een haast existentieel te noemen gevoel bestaat van de noodzakelijkheid van het soort reflectie waarvoor literaire tijdschriften de ruimte bieden. De kranten doen dat allang niet meer. De intellectueel is uit de publieke ruimte verdreven ten gunste van het haastwerk van journalisten die de tijd niet meer krijgen om zich in wat dan ook maar te verdiepen (zie: Nick Davies, Flat Earth News) — maar wier invloed intussen immens is. Men houdt met andere woorden (vanuit een in se morele overtuiging) vast aan de noodzaak van iets waarmee 'de rest van de wereld' allang achteloos heeft afgerekend.

    Erik.nYErik Spinoy noemde dat 'doodsdrift' — en hij heeft niet eens ongelijk. Zijn bijdrage klonk wat vermoeid, vond ik, misschien omdat hij ook aandacht besteedde aan de ontstaansgeschiedenis van freespace Nieuwzuid en zo te spreken kwam over de affaires en toestandjes waarmee het maken van tijdschriften ook vaak gepaard gaat. De felheid van de discussies binnen de yang-redactie zoals ik die heb meegemaakt, de vaak ellenlange maildiscussies die daar nog bij kwamen (Bert Bultinck, iemand met wie het goed bekvechten is, refereerde daar nog aan), heb ik zelf altijd als heel vruchtbaar ervaren, maar leidden niet tot schisma's, bloeddorst, scheidingen en wat dies meer zij. Dat is in het verleden wel anders geweest, en er komt een tijd dat je daar het nut niet meer zo van inziet. En zoals Spinoy bij een eerdere gelegenheid eens tegen me zei: hij maakte nu toch al heel lang tijdschriften, en, zoals hij dan gisterenavond weer zei: dat gaat niet zelden ten koste van je eigen werk.

    Bert B. refereerde in zijn bijdrage aan de periode waarin aanvankelijk nog Jürgen Pieters, een korte tijd Jeroen Overstijns, daarna Geert Buelens (over wie hij verder niets ging zeggen: die kreeg tegenwoordig al prijzen genoeg, grijnsde hij), Inge Arteel, Piet Joostens, hijzelf en wat later: Daniël Rovers, Sascha Bru en ik van de redactie deel uitmaakten. Het 'mimesis'-idee zoals dat binnen het toenmalige yang ontstond, bleek wonderwel aan te sluiten bij wat ik in de essaybundel De inwijkeling aan de orde had proberen te stellen, al was de werkelijke reden voor mijn toetreding van meer huishoudelijke aard: de toenmalige redactiesecretaris Tom Van de Voorde had vrij onverwacht aangekondigd er mee op te willen houden. Ik bood mijzelf aan. En belandde vervolgens ook in de redactie.

    Na B. las eerst Jeroen Theunissen voor uit zijn volgende week zaterdag te verschijnen bundel Het zit zo, en daarna was het woord aan Piet Joostens, die de 'mission statement' van nY voorlas — en na alles wat er gezegd was, kwam in dat statement de nadruk als vanzelf te liggen op de continuïteit. Als was het steeds meer van hetzelfde. Toch is dat niet zo. Wat de verschillende redacties uit de afgelopen 20 jaar van elkaar scheidt, is de samenstelling ervan, de persoonlijke inzet van een Stefan Hertmans, een Hans Vandevoorde, een Jürgen Pieters, een Geert Buelens of Bert Bultinck en de daaruit voortkomende dynamiek: de tegenstellingen, de overeenstemming, de energie. Ik denk dat de verjonging die nu in de redactie is ingezet, met Joostens als overgangsfiguur, uiteindelijk weer tot nieuwe vergezichten zal leiden — zelfs al zou men over twintig jaar vaststellen dat er ook in die periode steeds om hetzelfde gestreden is.

    Waarna ik mijn hutkoffer weer kon inpakken, iets lichter geworden nu, zij het dat de afname in gewicht teniet werd gedaan door de vanwege alcoholgebruik ingetreden spierverslapping. Men wordt uiteindelijk voor alles te oud, voor de redactie, voor het secretariaat. Misschien ook omdat men in het steeds maar weer willen verleggen en vervolgens ook verleggen van grenzen op een zeker moment op de grens stuit die men niet meer over wil (of kan) gaan?

    nY-04

  • Pin it!

    Zee


    16112008.1


    De commotie kon niet groter zijn, zo leek het wel, toen ik eenmaal tegen iemand van De Buren had gezegd dat ik een hartgrondige hekel aan de zee had. Het zal inderdaad wel zoiets zijn als een Zwitser die niet van bergen houdt — al denk ik dat de lage landen nog genoeg gebieden hebben waar de zee in geen velden of wegen te bekennen valt — iets wat met bergen in Zwitserland minder goed lukt. Als ik zie wat ‘de zee’ in een plaats als Oostende heeft aangericht, is er zelfs gegronde redenen om het strand tot verboden gebied te verklaren.

    leopold-ii-fotoIk was er afgelopen zondag om er mijn radioboek voor te lezen in Vrijstaat O, een zowat op het strand gebouwde lokaliteit die desalniettemin het tegendeel is van de ordinaire ‘strandtent’. Het lokaal maakt deel uit van een zuilengalerij aan weerszijden van een protserig monument voor Leopold II, en op die plek kan men zich met het badgebeuren nog enigszins verzoenen omdat men er geacht wordt te flaneren onder het genot van een sigaartje, aan de arm van hooggehakte dames die hun parasols frivool ronddraaien in hun vrije hand en zich het liefst niet in het zand wagen. Natuurlijk is die eeuw allang voorbij en ziet men, gezeten in Vrijstaat O, vooral in fluopakken gehulde joggers van een zekere leeftijd werken aan de verlaging van hun cholesterolgehalte — reden te meer om in dat etablissement zo snel mogelijk een keuken te installeren opdat men gezeten voor het raam de langssnellende trainingspakken de ogen kan uitsteken met wat in botersaus gebakken zeetongetjes.

    Niet dat ik een voorkeur heb voor een bepaald soort negentiende eeuw, en evenmin ben ik uit principe tegen moderne architectuur — maar het probleem in Oostende is natuurlijk dat vrijwel ieder gebouw de graaicultuur van projectontwikkelaars en plaatselijke overheden uitwasemt. Van architectuur is er in deze ‘koningin der badsteden’ feitelijk geen sprake meer — en ik moest denken aan een Fransman die ik ooit ergens in de buurt van Nantes op een camping tegenkwam en die bij het zien van mijn Belgische nummerplaat spontaan een tirade begon af te steken over de wijze waar ‘les Belges’ hun eigen kust naar de verdoemenis hadden geholpen. Een schandaal was het. Is het.

    438px-Oostende_Europacentrum_01


    Alleen daarom al: men zou een systeem moeten opzetten dat bij een bepaalde verwachte temperatuur en een bepaald aantal verwachte uren zonneschijn automatisch alle toegangswegen naar de Belgische kust afsluit. De volksverhuizing die op dergelijke dagen op gang komt, is mensonwaardig, als je het mij vraagt. De files beginnen op dergelijke dagen al ter hoogte van Gent. Tevens zou er een verbod moeten komen op nieuwsitems over de kust in de tv-journaals, waar immers altijd en eeuwig de middenstand, die flink heeft meegeholpen aan de verwoestijning van de Belgische kust, weer aan het woord moet komen — meestal om te klagen over De Tegenvallende Resultaten. Er klinkt altijd verongelijktheid door in de klaagzangen van ijsjesverkopers, strandstoelverhuurders, hoteluitbaters en restauranthouders als Het Publiek niet is komen opdraven in de mate waarin het verwacht — nee vereist is. Je ziet aan die smoelen dat het niet lang zal duren of ze richten zich met hun klachten tot de regering om vervolgens staatssteun te eisen.

    Om maar te zeggen: het is de onvermijdelijk met de kust verbonden ‘cultuur’ die me tegenstaat, nog even afgezien van het sterke argument van Van Ostaijens ‘sjimpansee’: er gaat écht veel te veel water in de zee. Na de eerste reserveopname afgelopen zondag (’s avonds volgde nog een opname met publiek), staande voor het raam van Vrijstaat O, kon ik alleen nog maar eens vaststellen dat de Noordzee vooral erg saai is, al probeerde iemand me nog mild te stemmen door te wijzen op de langsschuivende bootjes en door te zeggen dat op minder grauwe dagen de luchten boven zee natuurlijk erg spectaculair zijn. Dat laatste wil ik wel geloven, en weet ik natuurlijk ook uit eigen ervaring. Die luchten kunnen soms de kwaliteiten van een haard- of kampvuur aannemen, iets waarnaar men uren kan kijken. Maar ik kies dan toch liever voor zo’n vuurtje, alweer omdat de plekken aan de gehele Europese kust waar men ongehinderd naar de hemel kan staren door de neveneffecten van zowat elke kuststreek echt wel heel dun gezaaid zijn.

    Hoe dan ook, ik las Koper & As, mijn radioboek, voor tegen de achtergrond van een aan- en aanrollende zee. En tegen de achtergrond van die langssnellende trainingspakken dus, die soms voor wat extra animatie zorgden door dom naar binnen te gaan staan staren. In zijn inleiding op de voordracht, ’s avonds, van Sus Van Elzen en mijzelf stelde Dorian Van der Brempt dat de bijdragen voor de radioboeken steeds meer geschreven leken te worden met het oog op voordracht. Voor Sus Van Elzen en anderen kan ik niet spreken, alleen zeggen dat ik mijn teksten eigenlijk altijd met het oog op voordracht schrijf — zozeer zelfs dat problemen die sommigen zeggen te hebben met zinnen van mij in de meeste gevallen te herleiden zijn tot het feit dat ze die zinnen niet zien als zinnen die je moet uitspreken. Ongrammaticaliteit in mijn teksten heeft vrijwel altijd te maken met de toon van wat gezegd wordt, en nooit met de behoefte om te ontregelen. Boosheid, passie, ontroering, blijheid enzoverder zijn zaken die je in een geschreven tekst kunt benoemen (‘zei hij vrolijk’, ‘opperde zij mismoedig’), en helemaal zonder gaat het niet — maar je kunt ook proberen die gevoelens en temperaturen in de structuur van wat gezegd wordt te stoppen, in een zinsmelodie, in iets wat dan bijna een partituur wordt. In die zin is het jammer dat tekens zoals die in de muziek bestaan (de puntjes voor staccato, de boogjes voor het legato, ff voor forte, pp voor pianissimo, tekens voor crescendo en decrescendo etc.) in een literaire tekst meteen als uiterst experimenteel over zouden komen, of andere aanwijzingen (stil, fluisterend, met luide stem) te veel als toneelaanwijzingen. Maar tegelijkertijd is dat ook de uitdaging: de wetenschap dat de meeste mensen een tekst niet luidop voor zichzelf zullen gaan lezen (al doe ik het met andere auteurs wel regelmatig — en veel auteurs blijken dan opeens ontstellend saai: telkens in exact dezelfde zinsmelodie achter elkaar geschreven zinnetjes, zonder syncopen, zonder rimpeling of tegenmelodie). Weten dat mensen het meestal niet doen en dan toch zo schrijven dat het onzegbare surplus in iedere zin zijn bestemming bereikt. En natuurlijk geldt voor een tekst wat voor elke partituur geldt: de uitvoering is vrij — zowel luidop als in stilte.

    Enfin, dit kadert natuurlijk steeds binnen datgene waarvan een heleboel mensen nog steeds erg nerveus worden: dat vorm voor inhoud gaat, als het eropaan komt (dat de vorm inhoud is, zeggen de puristen). Die nervositeit heeft natuurlijk alles te maken met het misbruik dat in avant-gardistische kringen van dit principe is gemaakt — al was ook dat, historisch gesproken, noodzakelijk om een zeker bewustzijn te kweken dat de vorm de boodschap bepaalt. Je kunt je afvragen in hoeverre dat nu werkelijk is doorgedrongen, overigens. Velen merken niet eens hoezeer de toon de muziek maakt. En er bestaat ook nog zoiets als hyperbewustzijn van het gegeven zelf — en daar lijd ik dan wel eens aan. Ik weet dat ik bij sommige auteurs moet doorbijten om de saaiheid van hun zinnen op een gegeven moment te kunnen vergeten — zoals je in Burgess’ A Clockwork Orange na een pagina of 10-15 gewend bent aan het specifieke (in geen woordenboek terug te vinden) idioom dat de booswichten in dat boek onder elkaar gebruiken.

    clockwork_orange_book_cover


    Bij het Verborgen weefsel van Stefan Hertmans heb ik in ieder geval niet moeten doorbijten, al wilde ik af en toe wel iets tegen de hoofdpersoon Jelina roepen — bepaalde grofheden zelfs om haar te doen ontwaken uit een duizelende zelfreflexiviteit die het ware zoekt waar het meestal niet te vinden is — iets waar die extreme zelfreflexiviteit zelf al een symptoom van is. Tijdens het lezen over de passie en de pijn, over het verraad en de zuiverheid, kwam me vaak in de gedachten dat het hier om een vorm van automutilatie ging, zij het dan in een intellectualistische variant. Het hyperbewustzijn van de postmoderne mens die hem afsnijdt van zijn werkelijke aandriften en hem op voorhand tot toeschouwer en vooral beschouwer maakt van wat ook bij alle intellectuele luciditeit steeds het duistere blijft, niet zelden als het kwade uitgelegd. De remedie lijkt eenvoudig, en vanuit die remedie gedacht lijken alle kwellende gedachten waarmee Jelina in dit boek worstelt een vorm van superbe aanstellerij of, op zijn negentiende eeuws gezegd: hysterie — maar het punt is dat ieder nadenkend mens, in meer of mindere mate, niet aan dat hyperbewustzijn ontsnapt, zodat de veronderstelling dat er zoiets als ‘werkelijke aandriften’ bestaan zelf al uiterst problematisch wordt. De vrijheid die dat bewustzijn geschonken heeft, wordt, als alle vrijheden denk ik, duur betaald. Het tekort wordt er nooit door opgelost. En dat wordt in dit boek nog eens in al zijn scherpte aan het licht gebracht.

    VW


    Mooi in dit boek is ook dat de dichter, de essayist en de prozaïst Hertmans elkaar hier volledig vinden, waar ze in het verleden (in zijn proza) elkaar wel eens in de weg leken te zitten, vond ik toch. Men kan dit boek in zijn oeuvre nog het best vergelijken met Naar Merelbeke (1994), dat op eenzelfde manier in korte schetsen was opgebouwd en zo in de fragmenten het verhaal vertelde, en dat door die fragmenten zoveel meer wist aan te brengen dan enkel het gebeuren van het verhaal zelf. Een vergelijking brengt ook de verschillen aan het licht natuurlijk — om die kort samen te vatten: bij Naar Merelbeke zou ik het inderdaad over ‘fragmenten’ hebben; hier zijn het ‘scherven’. En waar in het eerste boek de ironie veel van het drama voor de afgrondelijkheid redt, is die hier niet meer te vinden — niet in de laatste plaats omdat ironie het middel bij uitstek is waarmee de postmodernist de afgrond in hemzelf altijd afdekt. Dat was hier niet de bedoeling. In die zin is dit een van Hertmans’ hardste boeken.

    GrondaDaarna begonnen in Paul Baeten Gronda’s al zeer bejubelde Nemen wij dan samen afscheid van de liefde. Ik heb het nog niet uit, maar ik vraag me na een bladzijde of 100 wel af of die jubel niet weer het gevolg is van onze ‘incidentencultuur’ — of is er nu werkelijk helemaal niemand die ziet dat dit de zoveelste variant is van Catcher in the Rye, met als typisch Nederlandse voorlopers Grunbergs slechtste boek, Blauwe maandagen en gelijksoortig werk van de zogenaamde generatie Nix uit de jaren negentig in Nederland (Giphart, Moens, Duyns)? Niks nieuws of bijzonders, zeker qua inhoud niet. En over stijl gesproken… Hier lijkt de persklaarmaker een aantal samengestelde zinnen gewoon in verschillende delen te hebben geknipt, komma’s in punten veranderd te hebben. Omdat het anders te moeilijk wordt. Voor u. De lezer. Die dat niet aankan. Ziet u? Ik bedoel: zoiets kan natuurlijk ook werken, maar niet als het een algemeen principe is. Maar bon, ondanks deze al wel heel erg grote voorbehouden — ik moet het nog uitlezen.