pieter lesaffer

  • Pin it!

    De tijd van dromen…


    Sommige zaken worden om de zoveel tijd opnieuw uitgevonden. In De Standaard van afgelopen zaterdag (20-12) lees ik een artikel van Pieter Lesaffer over de erkenning van de Nationalistische Studentenvereniging (NSV) aan de Gentse universiteit, een extreemrechtse groepering die in 1982 haar erkenning verloor na een uit de hand gelopen veldslag tussen linkse en rechtse studenten (bekend als 'the battle of the bottles'). De NSV (niet te verwarren met de Nederlandse Schildpadden Vereniging, Navigators Studenten Vereniging of de Nederlandse Sauna Vereniging), is nu door acht van de in het totaal vijftien studentenverenigingen in het Gentse die daarover gaan, officieel gerehabiliteerd. Dat wil zeggen dat ook de NSV weer aanspraak kan maken op subsidies en gratis gebruik mag maken van de lokalen van de universiteit. 'Die beslissing,' aldus Lesaffer, 'legt enkele trends bloot'.

    ResizedImage9696-9ResizedImage9695-8ResizedImage9696-1ResizedImage9696-2ResizedImage9696-7ResizedImage9696-11


    Wat volgt is een poging om die beslissing symbolisch te maken voor een meer algemene omslag in het denken van studenten. 'De tijd van dromers is voorbij', zo luidt de kop boven het artikel. Alsof wat daarmee wordt bedoeld niet allang voorbij is. Het is al minstens sinds de jaren negentig dat de tijd voor 'dromers' voorbij zou zijn. Toegegeven: dat is in Vlaanderen misschien minder evident dan daarbuiten — ondanks Couplands Generation X (1991 in vertaling verschenen), dat toch in Vlaanderen ook is gelezen en ook hier niet zonder weerklank bleef. Sinds de eerste Zwarte Zondag in 1991 was er op zijn minst de schijn van politiek engagement, niet in de laatste plaats onder studenten. Maar de vraag is of dat engagement meer betrof dan dat ene issue: het Vlaams Blok zelf. Het lijkt niet erg waarschijnlijk dat het protest tegen extreemrechts voortkwam uit een duidelijk ideologisch gemotiveerde afkeer, toch niet bij het overgrote deel van de zichzelf 'fatsoenlijk' noemende burgers en politici voor wie het cordon sanitaire zoiets werd als het vochtige toiletdoekje dat de bruine remsporen wel zou wegwassen uit de democratische onderbroek. Je kunt je zelfs afvragen of dat cordon voor het merendeel van haar supporters niet al een atavisme was: de herinnering aan een vorm van fatsoenlijkheid die ook in de reguliere, apolitiek geworden politiek allang niet meer voorhanden was — de Dutroux-affaire was toen al heel nabij.

    200px-GenerationX


    Op zich zegt het al veel dat diegenen die protesteerden tegen extreemrechts als 'dromers' worden aangeduid. Men moet er niet te veel in lezen, natuurlijk. Maar op zich gaat het hier om een diskwalificatie van mensen die 'de werkelijkheid zoals ze nu eenmaal is' niet wensen te accepteren. Door hen 'dromers' te noemen, schaart men zich al op voorhand aan de zijde van hen 'die wel beter weten'. Ik weet dat, zeker als het om politiek gaat, cynisme de lastigste klip is om te omzeilen, en er is een moment waarop protest tegen de heersende orde 'wereldvreemd' begint te worden, maar dat is nog wat anders dan de huidige situatie, waarin elke kritische kanttekening bij de dominante ideologische vooronderstellingen al op voorhand als iets buiten de orde wordt gepercipieerd — dit vaak door dezelfde lieden die zich beroepen op hun 'fatsoen' en hun 'democratische inborst' als het gaat om de verdediging van het cordon.

    "Elke studentengeneratie heeft zo zijn etiket," schrijft Lesaffer in zijn stuk. "Enkele jaren geleden bedacht marketeer Fons Van Dyck, de directeur van het merkenadviesbureau THINK/BBDO, de huidige generatie met de term 'Nieuwe Pragmatici'". Bon. Nieuwe Pragmatici. Wie waren dan precies de oude? Zoals gezegd: het pragmatisme is al sinds begin jaren negentig het kenmerk van de generaties die toen tot wasdom kwamen — al gaat het hier om een generalisering, en ken ik juist uit die generatie mensen die toch op zijn minst de botsing tussen droom en daad tot inzet van hun dagelijkse praktijk maken — mensen die je nog kunt aanspreken op hun dromerigheid, om het zo eens te zeggen, iets waartegenover ze toch minimaal een slecht geweten hebben als ze het op grond van een zeker pragmatisme verraden.

    Ik bedoel dus eigenlijk: marketeer Fons van Dyck heeft helemaal niets bedacht, maar met een handigheidje een merk gemaakt van wat elders en al eerder — door sociologen die hun werk serieus namen en bijvoorbeeld nadachten over wat een generatie precies constitueert, welke methodologische haken en ogen er zitten aan de definitie van een generatie (ik denk aan Henk Becker, De toekomst van een verloren generatie (1997)) — met meer overleg en meer gezag was gedefinieerd. En daar niet met het oog op de manipuleerbaarheid van een 'Nieuwe Pragmaticus' binnen het groter geheel van een markt die zijn spullen kwijt moet. Het komt op mij bizar over dat Lesaffer bij een spullenboer te rade gaat om een politiek en sociologisch fenomeen te verklaren, en niet bij de mensen die zich daar met meer kennis van zaken en met een totaal andere agenda over hebben gebogen. Al zegt de 'pragmaticus' in mij (die ik afwisselend 'cynisch' en 'realistisch' noem) dat je van een journalist vandaag de dag natuurlijk niet meer kunt verwachten dat hij zich wérkelijk op de hoogte stelt. Lesaffer heeft, zelf pragmaticus, geprobeerd er nog iets van te maken, van die rehabilitatie van de NSV.

    Intussen is nu juist dat het werkelijke probleem: pragmatisme veronderstelt een min of meer afgeronde werkelijkheid waarbinnen het ook daadwerkelijk werkt. Wie pragmatisch is, zet per definitie de tering naar de nering en kan dus onmogelijk kritisch zijn (dan is hij onmiddellijk een 'dromer'). Over de aard van de werkelijkheid waarbinnen iets wel of niet 'werkt', en waarbinnen men zijn handelen precies dáárop afstemt, wordt niet langer nagedacht. Enfin, noem mij gerust een dromer, maar ik blijf zoiets zorgwekkend vinden. In die zin schuilt het gevaar voor de democratie niet in zoiets als de NSV — van oudsher kweekvijver voor het Vlaams Blok / Vlaams Belang — maar in de onverschilligheid waarmee die NSV zonder de minste kanttekeningen in genade wordt aangenomen door de meeste andere studentenverenigingen, die zich daarbij waarschijnlijk op hun democratische gezindheid beroepen. Maar democratie is een georganiseerde vorm van conflict. Op die grond kan men bedenkingen hebben bij het cordon sanitaire, maar nog meer bij de geruisloze acceptatie van de NSV als nog maar eens zomaar een studentenvereniging. Men verwacht op zijn minst een nieuwe battle of the bottles, al mag het dan deze keer zonder echte flessen zijn.

    Een voetnoot dan nog, meer precies: een kanttekening bij de opmerking dat men van een journalist vandaag de dag niet kan verwachten dat hij zich wérkelijk op de hoogte stelt. Dat behoeft enige nuancering vanuit het dagelijks functioneren van een krant enerzijds, en met het oog op nuanceringen van journalisten zelf anderzijds. Wat dat eerste betreft: maar weer een verwijzing naar Davies' Flat Earth News, die stelt dat het simpele feit dat kranten vandaag de dag door eigenaren en aandeelhouders in de eerste plaats worden gezien als een medium om geld te verdienen — en niet als een medium voor nieuwsvoorziening, laat staan als een belangrijke machtsfactor binnen een democratie —, maakt dat journalisten de tijd niet meer hebben en vooral: de tijd niet meer krijgen om hun verhalen te checken, om onderzoek te doen, om zelfs maar de betrokkenen bij een bepaald voorval persoonlijk te spreken. Men vertrouwt in toenemende mate op persbureaus die wérkelijk alles de ether in slingeren en die zich niet verplicht voelen om het waarheidsgehalte van een en ander te onderzoeken. Punt is dat redacteuren en journalisten door tijdsdruk (niet in de laatste plaats veroorzaakt door inkrimping van het personeel) de mogelijkheid niet meer hebben om dergelijk onderzoek te plegen. Dixit Davies, dus.

    kai-mook


    Juist aan dat boek refereert Walter Pauli vandaag in De Morgen in de serie H2009FDPUNTEN. Hij gaat in op de hausse rond 'Kai-Mook' — de babyolifant uit de Antwerpse Zoo, die met deze boreling op dezelfde wijze als de Berlijnse Zoo met de (inmiddels al al te zeer uit de kluiten gewassen) ijsbeerbaby Knut, heeft getracht om meer volk naar de dierentuin te krijgen — en met succes. "Als bij eender welk medium — weze het de redactie van een krant, een tijdschrift, een tv- of radiozender, en niet te vergeten een nieuwssite — lekker nieuws binnenloopt dat eruit ziet als 'an offer you can't refuse' dan kunnen/willen zij dat ook niet meer weigeren', schrijft hij. "En hoe onbenulliger, hoe onschuldiger, hoe vrijblijvender, samengevat: hoe minder problematisch, hoe sneller zo'n nieuwsje Nieuws wordt."

    Het is goed dat Pauli in dit stuk nog eens laat zien hoe ook in zijn eigen krant 'nieuws' tot stand komt. Hier wordt pragmatisme (de tering naar de nering zetten: zoveel personeelsleden, zoveel persberichten, zoveel tijd om zoveel stukjes tot krantenstuk te verwerken) vanzelf cynisme. Toch vraag ik me af of er tussen 'willen' en 'kunnen' hier niet toch nog een verschil ligt. Men hoeft divertissement niet uit de krant te weren, maar men kan, lijkt mij, een en ander toch steeds in het juiste perspectief blijven plaatsen. En daarbij oog houden voor een zekere redactionele lijn (gisterenavond zag ik op de BBC de komiek Russell Howard die ten aanzien van een zekere populaire Britse krant vaststelde dat het op de voorpagina het liefst met naam en toenaam en een goed gelijkende foto pedofielen aan de schandpaal nagelt, maar natuurlijk wel even verderop in de krant de dagelijkse blote dame heeft). Het lijkt me dat Pauli hier zelf een beetje gevangen zit in wat journalistiek vandaag de dag is.

    Misschien dat hij daarom ook een kanttekening maakt bij Davies. Die zou "de rol van de kijker, of structureler, de invloed van de maatschappelijke context op de media" onvoldoende aan bod hebben laten komen in zijn boek. En daarmee zitten we dan plots weer op de lijn van 'wat-het-publiek-nu-eenmaal-wil', en van een haast negentiende eeuwse opvatting van journalistiek als enkel verslaggeving van wat in de werkelijkheid nu eenmaal voorvalt. De keerzijde van de journalistieke controle op bijvoorbeeld het politieke reilen en zeilen in een democratische samenleving is altijd geweest dat het de werkelijkheidsvoorstelling van politici als, inderdaad, maar een voorstelling van de werkelijkheid blootlegde. Journalistiek in — van oorsprong — haar zoektocht naar de waarheid achter de fenomenen heeft op grotere schaal nog dan filosofie, literatuur of kunst dat konden doen, maar wel tegelijkertijd daarmee, laten zien hoezeer iedere waarheid een constructie is die bepaalde doelen dient. In die zin is journalistiek zelf een niet onbelangrijke factor geworden in de bepaling van wat we werkelijkheid noemen. Binnen die constellatie kun je niet aankomen met 'wat-het-publiek-wil'. Het enige wat dat publiek misschien nog wil is leven én sterven voor de camera, eten en neuken, Iemand worden op de plek die nog als enige Aanwezigheid garandeert: de door de media als werkelijkheid voorgestelde ruimte. Dat is een ruimte die men heeft te accepteren wil men het gevoel hebben te bestaan, maar het is tevens een ruimte waarvan men nooit het gevoel heeft dat men die mede heeft bepaald. Kai-Mook is geen nieuws omdat wij dat per se willen, maar omdat de krant en de tv dat beestje aan ons opdringen als nieuws. De hausse was er voor het beestje zelf; de geboorteretoriek die er bij hoorde, kauwde onze reactie al maanden voor. Men had bij die geboorte natuurlijk ook een soort Gaia-vragen kunnen stellen: of dieren in gevangenschap houden wel… eh… menselijk is, en wat we zo'n olifantje aandoen met onze instantvertedering en onze klikkende camera's. Of wat het betekent wanneer we alles zo vermarkten. Maar dat zijn vragen van niet-pragmatische dromers, natuurlijk, en dat zijn meestal vervelende mensen die nooit 's een keer écht genieten.