literatuurkritiek

  • Pin it!

    Signalementen met recenserend karakter

    Het duurde even, maar gisteren had De Standaard het berichtje ook: de uitglijder van Daniëlle Serdijn in Opzij, die je ook gewoon een uitglijder van Opzij kunt noemen, als het al een uitglijder is. De kwestie is op diverse websites, in HP/De Tijd — het blad dat ermee op de proppen kwam — en in sommige andere kranten inmiddels uitvoerig becommentarieerd, en even, heel even leek het alsof er oprechte verontwaardiging was over dit soort praktijken.

    Die dus misschien niet eens een uitglijder zijn. 'Signalementen met een recenserend karakter', noemt Opzij-hoofdredactrice Margriet van der Linden zo'n tekstje dat Serdijn vervaardigde. Je vraagt je af wie ze tegenwoordig allemaal hoofdredacteur maken. Een signalement is in de veelheid van het (over)aanbod sowieso al normerend. Als auteur mag je tegenwoordig al heel blij zijn als je in, zo op het oog, tamelijk lukraak samengestelde lijstjes met overzichten van te verschijnen boeken voorkomt. Die lijstjes bestaan gewoonlijk uit de usual suspects (auteurs die goed liggen bij de media), aangevuld met wat hypes van het moment. Wie daar in voorkomt heeft in de komende maanden van het hyperkorte, hijgerige literaire seizoen alvast een streepje voor. Bij dergelijke lijstjes sterretjes gaan zetten, erover spreken als 'signalementen met een recenserend karakter' is domweg geen verstand hebben van de werking van je eigen medium.

    Wat het misschien wel (ik zou bijna zeggen: ten overvloede) duidelijk maakt, is dat de literaire dag- en weekbladkritiek zo goed als dood is (ik heb het dan niet over de kritiek in De Leeswolf of over de websites waar nog volop aan literatuurkritiek wordt gedaan). Misschien dat De Groene Amsterdammer nog een laatste toevluchtsoord van die specifieke dag- en weekbladkritiek mag heten, en natuurlijk zijn er hier en daar nog steeds recensenten bezig die de moeite van het lezen waard zijn — bijvoorbeeld recensenten die weigeren om hun waardering uit te drukken in het zetten van sterretjes (om vervolgens bij het nalezen van hun stuk in de krant te ontdekken dat de redactie dan maar op basis van zijn of haar stuk een inschatting heeft gemaakt van het aantal sterretjes, want ze blijken er toch gewoon onder te staan). Dat de belangen van de literaire recensent en die van het medium waarin die recensies plachten en soms nog plegen te verschijnen in de loop der jaren steeds verder uit elkaar zijn komen te liggen, is eenvoudig vast te stellen (literair (ver)nieuw(end) tegenover literair nieuws, bijvoorbeeld). Dat dit bij een aantal dag- en weekbladen ook zo zijn weerslag heeft gehad op de recrutering van nieuwe recensenten is moeilijk aan te tonen, maar laat ik zeggen dat Serdijn blijkbaar van een generatie is die zich gemakkelijker voegt naar de in se commerciële belangen van de media waarvoor ze werkt dan een generatie daarvoor. Ik weet niet of ze zelf ooit gereflecteerd heeft op de onontwarbare kluwen van belangen waarbinnen niet alleen haar signalementen met recenserend karakter, maar ook haar overige recensies functioneren. Het feit dat ze het begin van commotie zelf wegwuift door te verwijzen naar wat nu eenmaal courant is, ook al is het dan niet chic ('verdient het geen schoonheidsprijs', zoals het gebruikelijke eufemisme luidt) doet toch eerder vermoeden van niet.

    Die commotie zelf komt natuurlijk uit kringen die manmoedig een inmiddels naïeve, zij het nobele visie op literatuurkritiek staande houden — al vinden we in die kringen op menig hoofd een pakje boter (zie ondergetekende). Als we het over literaire kritiek hebben, doelen we daarmee meestal op een inmiddels eeuwenoude praktijk van betekenisgeving en kwaliteitstoekenning — precies dezelfde praktijk die bijvoorbeeld de beide letterenfondsen van de lage landen voorstaan wanneer ze hun werkbeurzen uitdelen. Het is in bepaalde kringen mode geworden om te beweren dat kwaliteit als zodanig niet bestaat — een postmodern adagium dat door neoliberale geesten die verder weinig tot niets met het postmodernistische gedachtengoed op hebben vaak wordt gebruikt om nog maar weer eens een aanval op het subsidiesysteem te openen en er de 'wetmatigheid van de markt' als enig juist beslissingscriterium tegenover te stellen (we weten al sinds Keynes dat er aan de markt weinig wetmatigs te ontdekken valt en dat het om willekeur en het meer barbaarse recht van de sterkste gaat). Maar hoe heilzaam enige postmodernistische problematisering van overgeleverde waarden en waarheden ook is, uiteindelijk is de beslissende weeffout in dat soort denken dat het veel te absolutistisch is en niet zelden leidt tot een ongezond soort verisme dat juist de afwezigheid van welke waarheid dan ook maar haast dwingend voorschrijft.

    Binnen de traditie van de literaire betekenisgeving valt er over kwaliteit wel degelijk te praten, en om daarover mee te praten is er kennis nodig van die traditie. Én het besef dat volgens een steriel absoluut waarheidsstreven kwaliteit als zodanig misschien niet bestaat, maar dat we er op heel veel vlakken in het leven (en niet alleen op het vlak van de literatuur) niet onderuit komen om aan zaken kwaliteit toe te kennen. Dat we ons daarbij (sinds het postmodernisme) bewust zijn van de vooronderstellingen op grond waarvan we dat doen en ons (misschien) moreel verplicht voelen die vooronderstellingen te expliciteren en te verdedigen tegenover die van anderen, lijkt mij een goede zaak. Het is de enige manier waarop er van 'democratisering van de kunst' sprake kan zijn — niet het 'meeste stemmen gelden' dat leidt tot smakeloze middelmaat aangestuurd door commerciële belangen waar de meesten geen zicht op hebben; maar de eigen vooronderstellingen begrijpen als een voorstel tot betekenisgeving en kwaliteitstoekenning.

    In kranten en weekbladen is daarvoor geen ruimte meer. Men is er niet in geïnteresseerd. Het hele achterliggende model waarbinnen literatuur een van de principiële beschavingsmechanismen binnen onze samenleving was, wordt hoogstens nog lippendienst bewezen — bijvoorbeeld door middel van die nog net in stand gehouden boekenbijlages, of door schrijvers als opiniemakers aan het woord te laten (zie ondergetekende). Uiteindelijk verkoopt zo'n krant die recensies niet vanwege de interessante vooronderstellingen, de sociale en politieke implicaties die ze hebben, de ideologische overwegingen die ermee gepaard gaan — allemaal zaken die van literatuur iets maken met een vanzelfsprekend maatschappelijk belang en gewicht — maar is het kwaliteitsbegrip zelf in de cultuursector van de krant afgevlakt tot louter consumentenadvies. Het is daarom dat ik in Rekto:verso een pleidooi hield voor het schrijven van positieve recensies. 'Alle boeken deze week in DSL: vijf sterren!' Veel verschil met Opzij's signalementen met recenserend karakter is er dan natuurlijk niet meer, al mag je hopen dat de stukken qua signalement net wat langer zijn dan de flaptekstblurblengte van Serdijns stukje in Opzij. Maar in ieder geval vermijd je op die manier dat iemand zich geroepen voelt 'maar' drie sterren te geven en zo van zijn signalement gewoon een negatief consumentenadvies maakt en feitelijk aan broodroof doet.

    De rest is rouw.