literatuur

  • Pin it!

    Tegen de dood

    Elias Canetti's niet aflatende strijd tegen de dood verdraagt geen keurig afgerond boek; hij duldt geen schema of systeem. Dat is dan ook meteen het eerste waarop je je moet voorbereiden: je krijgt dit boek niet uit. Het verzet zich tegen zijn einde. Je blijft lezen en herlezen, je verwonderen over de soms uiterst paradoxale of ronduit raadselachtige, poëtische notities en gedachten.

    Een recensie over Elias Canetti, Het boek tegen de dood. Met een nawoord van Peter von Matt. Vertaling: Ria van Hengel. Privé-domein nr. 285. Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2016.

    Eerder verschenen op Knack.be en De Reactor

    Lees meer...

  • Pin it!

    Vaessens: de korte recensie


    Vorige week dan toch nog aardig druk geweest met de correctie op de tweede versie van mijn stuk over Vaessens' Revanche van de roman (bedoeld voor nY), terwijl de eerste versie inmiddels verscheen in De Leeswolf — de 'korte' versie. Op zich is het lang geleden dat ik een recensie van 2000 woorden 'kort' kon noemen. Hoewel ik ook een (slecht onderhouden) recensiesite heb, plaats ik die Leeswolf-versie hier eerst maar eens in zijn geheel — enfin, de versie zoals ik die naar De Leeswolf stuurde, want de eindredacteur wist me te melden dat er in de al wat uitgedunde versie (geef mij 2000 woorden en ik schrijf er natuurlijk 2300) nog hier en daar wat was geschrapt, volgens hem zonder dat het kwaad kon.

    Wees niet literair


    om.vaessens2edruk_300Als Thomas Vaessens met een boek begint, moet je als lezer altijd goed opletten. Vaak begint hij met een mooie tegenstelling die ogenschijnlijk meteen glashelder maakt waar het hem om te doen is. Zelfs wie daarbij al op voorhand wat kanttekeningen zou willen maken, is meestal wel bereid om een bladzijde of wat met de auteur mee te stappen. Maar dat is gevaarlijk, want voor je het weet is wat je
    for the sake of argument dan wel even wilde accepteren, een onomstotelijk feit geworden en kost het naderhand veel moeite om de weg terug te vinden.

    Zo kreeg in zowel
    De verstoorde lezer (2001) als in het samen met Jos Joosten geschreven Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen (2003) de op coherentie en inhoudelijke fixatie gerichte lezer het hard te verduren omdat hij geen weg zou weten met de verstorende, de ‘verontrustende’ teksten van dichters als Lucebert of andere postmoderne auteurs. Hij las verkeerd, daar kwam het eigenlijk op neer. Het kost vervolgens heel wat moeite om in te zien dat het soort verstoring waar Vaessens op uit was alleen maar kan bestaan dankzij nu juist zo’n op coherentie gerichte lezer. Zonder de intentie in een literaire tekst coherentie te vinden, is het beoogde effect van de incoherentie — ‘verontrusting’ — immers nihil. Daarmee, zo moest je tegen de intentie van de auteur in wel concluderen, werd de burgerlijke, fixerende lezer uiteindelijk eigenlijk de voorwaarde voor het ‘verontrustende’ waar het Vaessens (en ook Joosten) om te doen was.

    Vaessens’ inmiddels fel bediscussieerde
    De revanche van de roman begint ook met een flinke stellingname. Literaire connaisseurs zouden ‘sinds het einde van de negentiende eeuw’, ‘steevast’, het standpunt innemen dat ‘”echte” literatuur (…) universeel en eeuwig’ zou zijn: ‘zij ontstijgt altijd de tijd en de plaats van haar ontstaan. Om het in inmiddels wel heel belegen geworden poëticale termen te zeggen: de roman is autonoom en bij voorkeur “zuiver” literair’, schrijft Vaessens. De woordkeus is hier wat ongelukkig, vooral waar ‘autonoom’ en ‘poëticaal’ in één adem worden genoemd (de zogezegd ‘autonome poëtica’ was niet per se uit — in sommige gevallen zelfs: per se niet — op de meer sociologisch bedoelde autonomie waarop Vaessens hier lijkt te doelen). Tegenover het ‘zuiver’ literaire, stelt Vaessens vervolgens, staat dan natuurlijk het ‘onzuivere’: ‘Onzuiver is de roman die zichzelf al te nadrukkelijk verbindt aan het voorbijgaande of de auteur die zich door andere dan literaire motieven laat leiden, bijvoorbeeld door “wat de gemoederen bezighoudt” en door het verlangen daarop in te spelen.’

    Daarmee hebben we in een notedop de tegenstelling die dit hele boek schraagt, inclusief de partijkeuze van de auteur zoals die tussen de regels te lezen valt. Als
    De revanche van de roman iets is, dan is het wel een poging om af te rekenen met lieden die het specifiek literaire van literatuur hoog willen houden. Ze worden afgeschilderd als, op zijn best, van de wereld vervreemde wezens die zijn blijven hangen in een wereldbeeld dat beslist niet meer van vandaag is, door Vaessens het ‘humanistisch modernisme’ genoemd.

    Dat de afkeer van deze houding door het hele boek steeds weer opduikt, wordt eigenlijk pas aan het eind van het boek verklaard. Daar heeft Vaessens het specifiek over de neerlandistiek, die het in haar Hollandse zelfgenoegzaamheid presteerde om alle ontwikkelingen die in het buitenland van belang bleken, decennialang buiten te sluiten. Derrida was aan de academies een dusdanig vies woord, dat geen student het waagde er aan te beginnen. Deconstructivisme werd afgedaan als nieuwlichterij en wie trachtte bij de betreffende fondsen geld los te kloppen voor onderzoek vanuit een postmoderne invalshoek kreeg nul op rekest. De kersverse hoogleraar Vaessens heeft hier met andere woorden iets te bewijzen, is bezig ruimte te maken voor zichzelf en zijn programma, en loopt misschien daardoor wat al te hard van stapel. Pas in 2008 zou er volgens Vaessens in Nederland een eerste studie verschenen zijn waarin literatuur (Multatuli in dit geval) vanuit postmoderne theorievorming bestudeerd werd. Ik ken er toch al één uit 1997: Michel van Nieuwstadts
    De verschrikkingen van het denken, over Menno ter Braak.

    Zoveel strijdlust is natuurlijk sympathiek; de vraag is alleen of deze in se politieke agenda de rest van zijn betoog niet al te zeer beïnvloedt. Ik heb de indruk van wel. De terloopse vermenging van poëticale en sociologische terminologie waarover ik het hierboven al had, zet zich door in de driedeling die Vaessens ons voorschotelt, een driedeling die tegelijkertijd ook een periodisering wil zijn.

    Over dat humanistisch modernisme had ik het al even. Een echte definitie krijgen we niet, maar de volgende omschrijving geeft een goed beeld van wat Vaessens er onder verstaat: ‘literatuur is een bijzondere manier van taalgebruik die dieper reikt dan gewoon taalgebruik. Zij raakt aan het universele en is daarmee boven politiek en zelfs geschiedenis verheven — een “zuiverheid” die door de modernisten als verworven-heid wordt verdedigd’. Zo’n omschrijving begrijp ik onmiddellijk en als hulpconstructie in overzichten is ze te billijken. Maar er schuilt ook iets in van de bekende olifant in de porseleinkast. Was Thomas Mann werkelijk a-politiek? Of Martinus Nijhoff? E. du Perron was het zeker niet, Ter Braak — niettegenstaande zijn
    Politicus zonder partij — al evenmin. Het ‘personalisme’ van de zogeheten Forum-generatie (naar een tijdschrift met die naam dat tussen 1932 en 1935 verscheen) is een voortdurende strijd met juist het in hun ogen al te strikt literaire van literatuur (voor Du Perron was ‘literator’ bijvoorbeeld een scheldwoord). Misschien waren zij dan geen ‘humanistisch modernisten’, ondanks het feit dat de periode waarin het dominant was voor Vaessens doorloopt tot nog enkele decennia na het einde van WO II? Of misschien waren zij niet dominant? Wat bedoelt Vaessens dan precies met dominant?

    Iets daarvan wordt al duidelijk wanneer we naar de tweede tendens kijken die Vaessens onderscheidt, die van het ‘relativistisch postmodernisme’. Hier maakt Vaessens wel expliciet een onderscheid tussen het meer poëticale (filosofische) en het sociologische niveau. Bij dat laatste gaat het om de opkomst van de cultuurindustrie, die heeft gemaakt dat alle cultuur in de greep raakte van het rendementsdenken, van wat cultuurpessimisten dan weer ‘de dictatuur van de markt’ noemen. Bij het eerste gaat het om het gedachtegoed van Foucault, Derrida, Lyotard enzovoort. De nadruk ligt hier in beide gevallen op de relativering van enerzijds de filosofische, anderzijds de culturele pretenties van het humanistisch modernisme, dat in dit deel van het boek nog sterker wordt neergezet als elitair, wereldvreemd en op een enkele plek zelfs als ‘potentieel gevaarlijk’.

    Wat Vaessens goed laat zien, is dat specifiek in het particularistische Nederland de filosofische kant van het postmodernisme niet werkelijk voet aan de grond kreeg; de culturele kant daarentegen wel. Postmodern betekende in Nederland — in tegenstelling tot in de meeste andere landen — vooral
    anything goes en werd voornamelijk gepercipieerd als de bevrijding van lastige poëticaal-filosofische discussies over literatuur. Je zou dat positief kunnen uitleggen als een wending naar het (grote) publiek, als democratisering, maar in de praktijk betekende het toch vooral de totale aanpassing aan de markt, aan een neoliberale ideologie met andere woorden.

    Juist omdat de poëticaal-filosofische kant in het grachtengordelpostmodernisme volledig werd verwaarloosd, kan Vaessens nog een derde periode — een ‘derde weg’, zoals hij schrijft — onderscheiden, door hem ‘laatpostmodern’ genoemd. Die toont grote verwantschap met wat in Vlaanderen wel het ‘ethisch postmodernisme’ wordt genoemd: met een postmodernisme dat in het ‘einde van de meta-verhalen’ eerder een probleem dan een bevrijding zag, eerder een nieuw begin dan een einde. Voor dat ‘laatpostmoderne’ zou nu de tijd aangebroken zijn, meent Vaessens. De ontwaarding van de literatuur, zowel in cultureel als in poëticaal opzicht, heeft er toe geleid dat de auteur nu weer op zoek gaat naar een rol voor literatuur in het maatschappelijk debat. In de woorden van Vaessens: ‘Nadat (...) de [ postmoderne] relativisten de [humanistische] poortwachters ernstig in diskrediet hebben gebracht’ komt er nu ‘een nieuw type literair intellectueel’ ten tonele: ‘de publiekszoeker die probeert weer een brug te slaan tussen de literatuur en haar achterban’. Om dit te illustreren bespreekt Vaessens werk van Robert Vernooij (met Kellendonk als zijlicht), Joost Zwagerman (met Arnon Grunberg als zijlicht) en Marjolijn Februari (met Charlotte Mutsaers als secondant).

    De ‘laatpostmoderne’ auteur omschrijven als een publiekszoeker is nog maar eens suggereren dat auteurs in het verleden zich om publiek en samenleving niet bekommerden. Dat blijf ik een onzinnige stellingname vinden. Zoals het wat onzinnig is om voorlopers van dat ‘laatpostmodernisme’, bijvoorbeeld een aantal auteurs rond het tijdschrift
    De XXIe Eeuw (1990-1993), te verwijten dat zij de marge zochten nadat je eerst duidelijk hebt gemaakt dat hun inzichten nu juist door de toenmalige critici begin jaren negentig nadrukkelijk werden gemarginaliseerd. Vaessens zegt het niet met zoveel woorden, maar marginaal is men volgens zijn eigen redenering eigenlijk vooral wanneer men, ondanks het evidente engagement, te veel binnen 'de literatuur' blijft. De ‘laatpostmoderne’ auteurs die wel succesvol de brug met hun achterban hebben weten te slaan, zijn zonder uitzondering auteurs die zich in de ogen van Vaessens van literaire kwesties hebben afgewend. Leon de Winter bijvoorbeeld, keerde zich van het literaire experiment af 'om zich meer en meer te gaan richten op de concrete belevingswereld van lezers van nu’, zoals Vaessens schrijft (wat dat ook moge zijn). De suggestie hier is, als steeds: hij heeft zich van het literaire afgewend. Dat De Winter zich daarmee tot een andere poëtica heeft bekend — die van het realistische verhaal — en dus in literaire opzicht wel degelijk een keuze maakt, wordt verzwegen.

    Auteurs als Zwagerman, maar ook Grunberg, danken hun ‘geëngageerdheid’ toch vooral aan wat ze buiten hun boeken om doen. De geëngageerde Zwagerman is voornamelijk columnist, in kranten en op tv; zijn romanwerk staat daarbuiten. Ook Grunberg dankt zijn imago van geëngageerde auteur aan zijn extra-literaire activiteiten en veel minder aan zijn romans. Het heeft iets geforceerds om in Tirza per se een post-9/11 boek te willen zien, zoals Vaessens doet: op de naam van de terrorist Atta na, gaat het in dat boek om hele andere zaken.

    Dit lijkt me de grootste zwakheid in het boek van Vaessens: dat hij de onbelangrijkheid van literatuur bijna geheel probeert te verklaren vanuit ontwikkelingen in de literatuur zelf. De ‘poortwachtersfunctie’ die hij, voor een groot deel heus terecht, de humanistisch modernisten verwijt, is vandaag de dag niet verdwenen, zoals hij op verschillende plaatsen in het boek lijkt te denken. Ze is domweg overgenomen door de media en door de binnen die media sterk werkzame neoliberale ideologie. Hoogst geëngageerde auteurs krijgen binnen die media alleen werkelijk een kans wanneer die media een mogelijkheid zien hen binnen een geschikt
    format aan de man te brengen (en of ze dan een literaire kluizenaar met een voorliefde voor puntkomma's zijn of een politiek activist met talent voor smeuïg proza maakt eigenlijk niet uit). Grunberg werd bij zijn debuut gezien als het wat zielige derde-generatie-holocaust-slachtoffertje waarover tv-mama’s als Sonja Barend en Hanneke Groenteman zich troostend bogen. Dat slachtoffertje heeft zich daar zelf magistraal van bevrijd, maar kreeg na de publieke bemoedering dan ook overal ruimschoots de kans om de columnist, de programmamaker, en natuurlijk ook de literator in zichzelf tot wasdom te brengen.

    Dat wil niet zeggen dat Vaessens geen punt heeft wanneer hij stelt dat de onbelangrijkheid van de literatuur vandaag de dag ook is terug te voeren op ontwikkelingen binnen die literatuur zelf. Maar zeker niet uitsluitend.
    L’art pour l’art en engagement zijn de twee polen waartussen de literatuur uit de moderne tijd zich altijd al heeft bewogen (ook in ‘humanistisch modernistische’ tijden). De autonomie die de literatuur voor zichzelf heeft opgeëist, was natuurlijk altijd voor de hele samenleving bedoeld. Of anders gezegd: de autonomie die de literatuur voor zichzelf opeiste, was niet de autonomie die ze (van die samenleving) kreeg toebedeeld. Het is onmiskenbaar Vaessens’ bedoeling literatuur weer uit die haar toebedeelde autonomie te bevrijden. Ik kan alleen maar constateren dat in de wijze waarop Vaessens dat tracht te bewerkstelligen vooral die literatuur het loodje legt.

    Na dit alles bleef er voor nY nog voldoende over om nog een tweede stuk te maken waarin ik dingen die hier noodzakelijkerwijs een beetje impliciet blijven , wat verder kon uitwerken (bijvoorbeeld dat verschil tussen de sociologische en de poëticaal-filosofische betekenis van 'autonomie') en nog wat andere accenten kon aanbrengen. Zo noemde ik naast De XXIe Eeuw ook nog de auteurs rond het tijdschrift Het Moment (1986-1988), bracht ik in herinnering dat eind jaren tachtig in Vlaanderen ook yang de draai maakte van neo-realisme naar een meer postmoderne invalshoek (naar wat Vaessens dus laatpostmodernisme noemt), en wijs ik erop dat Raster al veel langer deze weg bewandelde, maar zelf een beetje verhinderde dat men er aandacht aan schonk (enerzijds door zich zorgvuldig op het buitenland en bijna niet op de Nederlandstalige literatuur te richten, anderzijds door elke link met de Franse postmodernisten zoveel mogelijk te verzwijgen).

    Thomas


    Opmerkelijk genoeg kreeg ik van de nY-redactie onder andere het commentaar dat ik zo vreselijk mild was. En het is waar dat ik me dit keer wat minder dan anders op sleeptouw heb laten nemen door wat mijn eigen stijl me op een gegeven moment ingeeft, maar ik vraag me af of die mildheid per se betekent dat ik minder kritisch ben. Aan het gescheld op Vaessens ga ik natuurlijk niet meedoen — waar is die jongen wel niet allemaal voor uitgemaakt? Leugenaar, geloof ik. Populist natuurlijk. Riep daar iemand 'fascist'? — altijd een handzaam woordje in de zich van elke smet bevrijd wanende Hollandse kikkerpoel. Enfin, dat schiet allemaal niet op, en draagt alleen maar bij aan het discussievijandige klimaat dat intellectueel Nederland nu al decennialang beheerst. Misschien is de wijze waarop Vaessens — in mijn ogen althans — de historische werkelijkheid vertekent, wel een rechtsstreeks gevolg van die vijandigheid… Het boek zelf is inmiddels aan zijn tweede druk toe. Dat dan weer wel.

  • Pin it!

    Nog één keer een fly by


    P1000463.downsized


    Wat betreft De Gouden Uil is de geest nu dan uit de fles. Numerus clausus voor in te sturen boeken afgeschaft, een jury onder voorzitterschap van Guy Mortier, die, zei hij, in ieder geval de vijf genomineerde boeken zal lezen, en samengesteld uit leden die ik, op Jeroen Vullings na, moeilijk in kan schatten. Erwin Mortier zegt er dit over in een opiniestuk in diezelfde De Morgen vandaag:

    Voorzitter, voor twee jaar, wordt Guy Mortier, oervader van Humo (organisator van De Uil), en verder Eva Berghmans, chef letteren van De Standaard (media-partner van De Uil), Jeroen Vullings (redacteur van een weekblad dat onlangs zijn vaste boekenbijlage opdoekte, tevens Hollandse excuustruus van deze jury), Jeroen Maris (schrijft postzegelgrote recensietjes voor Humo, lult ook de webstek van KV Mechelen vol) en Sam de Graeve (schrijft onder meer voor De Standaard en Dag Allemaal en glundert vaak).

    Hij vervolgt:

    Natuurlijk, ook vroeger hadden sponsors, partners en organisatoren van De Uil al te directe toegang tot de jury. Het huidige gedoe met de prijs is de zoveelste episode in een al langer lopend feuilleton van herschikkingen, reglementswijzigingen, enzovoort, alle in functie van de ‘publieksvriendelijkheid’ en waarschijnlijk ook de poen. Niets nieuws onder de zon, maar deze keer bakt men het wel heel erg bruin.

    P1000463.downsized.splash1


    Ik blijf erbij dat ‘publieksvriendelijkheid’ in dezen neerkomt op Publikumsbeschimpfung: men schat zijn publiek wel heel laag in. Literatuur mag immers vooral niet voorgesteld worden als wat zij is — iets met overigens zijn eigen amusementswaarde, als het dat is wat zonodig tellen moet — maar dient te worden omgevormd in iets anders, iets wat ze misschien wel nooit zal kunnen zijn. Als de uitzending van de uitreiking van De Gouden Uil dit jaar de bedoeling had literatuur onder alle mensen te brengen, dan kan men alleen maar vaststellen dat het mislukt is. Niet eens om wie er nu wel of niet genomineerd waren, maar omdat programmamakers bij ‘cultuur’ of ‘literatuur’ dusdanig in een kramp schieten dat ze van de weeromstuit alleen nog tot debiliteiten in staat zijn. Of was er serieus iemand die dat programma echt top-tv vond?

    P1000463.downsized.splash2


    Hinderlijk bij de vaststelling dat het een kutprogramma was — al wordt dat zo niet gezegd: men spreekt uitsluitend over de ‘slechts’ 100.000 kijkers die avond, die ten dele ook alleen nog maar afstemden toen het tromgeroffel weerklonk voor de bekendmaking van de winnaar — hinderlijk bij de vaststelling dat de kosten en baten niet tegen elkaar opwogen, is dat de literatuur daar de schuld van krijgt. Niet de hersenvernauwing in de hoofden van de formatdenkers bij omroepen en productiehuizen is verantwoordelijk voor de farce, niet het idiote gegoochel met kijkcijfers, die zoiets als een niche voor literatuur binnen het grote geheel van massavertier niet eens toelaat (je zou toch maar 100.000 boeken verkopen) — nee, de literatuur zelf, de jury, die een ‘verkeerde’ winnaar koos, die zijn verantwoordelijk.

    P1000463.downsized.splash3


    Van dat laatste wil Marc Verstappen overigens niet weten. Bullshit, noemt hij de suggestie dat ik de ‘verkeerde winnaar’ zou zijn vandaag in de krant, en ik geloof dat hij het oprecht meent. Ik sprak hem dinsdagavond nog kort in de Monty in Antwerpen, vooral over mijn komende activiteit tijdens ‘De Nachten’ — en heel kort, meer terzijde over de hele heisa rond De Uil. Maar ik denk ook dat de machinerie waarvan hij onderdeel is en die hij ten dele zelf in gang houdt, zich niet laat verzoenen met wat literatuur nu eenmaal is. We gaan dat straks waarschijnlijk ook weer zien in dat boekenprogramma van de VPRO en de VRT — alle heisa die daar al rond geweest is, spreekt boekdelen, en je vraagt je af of dat niet voldoende is om te zeggen: laten we het gewoon niet doen. De televisie, om het even te veralgemenen, heeft de afgelopen decennia meer dan voldoende aangetoond dat het zijn culturele taak alleen kan vervullen wanneer dat cultuurbegrip zozeer wordt opgerekt dat ook diepzeeduiken op de Bahama’s er onder kan vallen. So be it.

    P1000463.downsized.splash4


    Ik vermoed nu dat de volgende Gouden Uil uiteindelijk zoiets moet worden als Humo’s Pop Poll — al zal die sporthal in Antwerpen daarvoor dan toch nog steeds wat te ruim zijn. Wat men moet denken van een jury waarvan de voorzitter al op voorhand eist niet meer dan de vijf genomineerde boeken te moeten lezen, weet ik niet. Of laat ik zeggen: ik weet dat natuurlijk wel. Zo’n man diskwalificeert zich alleen al door dat grenzenloze cynisme. Zoals gezegd, het inzicht van Erwin Mortier in de nieuwe juryleden heb ik niet — al vind ik de samenstelling van de jury nu niet dusdanig dat ik het argument ‘publieksvriendelijkheid’ valabel acht om de vorige jury te ontbinden. Want kijk ‘s, ‘wij’ kennen Jeroen Vullings wel, en misschien die 100.000 kijkers van de vorige uitreiking ook wel, maar niet de paar honderdduizend meer die ze willen bereiken. En Eva Berghmans? Alweer, ‘wij’… maar ‘iedereen’…? En die andere twee leden? Nooit van gehoord. Maar ik heb dan ook geen abonnement op de Humo of op De Standaard. Op het tv-hoofd van Guy Mortier na, en de nog wat grotere invloed van de belanghebbenden op de jury (een toch iets meer dan enkel gradueel verschil met de vorige jury), lijkt me er geen enkele werkelijke rechtvaardiging te zijn voor de vervanging van de vorige jury.

    P1000463.downsized.splash5


    Enfin, we gaan maar weer eens aan het werk zeker?

  • Pin it!

    Toekenning


    Alweer bijna twee weken terug schreef ik in De Morgen naar aanleiding van de dood van Solzjenitsyn het volgende:

    Solzhenitsyn


    Alles wijst erop dat Aleksandr Solzjenitsyn niet echt een groot schrijver was. De Nobelprijs (1970) kreeg hij weliswaar nog voordat zijn bekendste werk — De Goelag Archipel (1973) — verscheen, maar leek toen al meer op politieke gronden dan op grond van literaire kwaliteiten toegekend te worden. Solzjenitsyn schreef een soort houterig negentiende eeuws realisme dat het op geen stukken na haalde bij het werk van auteurs waarmee hij desondanks toch vaak werd vergeleken: Dostojewski en Tolstoi.

    Maar bij de beoordeling van Solzjenitsyn gaat het nooit om de pince-nez van de literatuur, maar altijd om het vergrootglas van de politiek. Zijn eerste novelle werd gepubliceerd in het door het politbureau gecontroleerde blad
    Noviy Mir met de uitdrukkelijke toestemming van de toenmalige partijleider Chroesjtsjov. Die kon het geschrift goed gebruiken om de misdaden van Stalin nog eens aan de kaak te stellen, en zo zichzelf te profileren. En dat De Goelag Archipel vooral een boek is dat iedereen kent maar bijna niemand volledig las (het laatste deel ervan is in Nederlandse vertaling zelfs lange tijd onvindbaar geweest, ook al zou dat in 1976 zijn gepubliceerd) — het spreekt wel voor zich. Het was van meet af aan, ook ongelezen, een historisch document dat min of meer bewees dat het communisme misdadig was.

    Niet dat die laatste beschuldiging iets nieuws was. Al in de jaren dertig viel André Gide van zijn communistische geloof nadat hij door de Sowjetautoriteiten was uitgenodigd voor een rondreis en hij met eigen ogen de praktijk van het communisme zag. In
    Retour de L'U.R.S.S. (1936) maakte hij er korte metten mee, en dat op een moment dat in de debatten tussen intellectuelen een keuze tegen het communisme bijna gelijk stond aan een keuze voor het fascisme (waarvan Gide uiteraard niets moest hebben). En Sartre en Camus kwamen met elkaar in botsing naar aanleiding van Camus’ grote reserves bij het communisme in diens L’homme révolté (1951) — met name als het ging over de noodzaak geweld te gebruiken om de revolutionaire doelstellingen te bereiken. Voor Sartre zouden een paar miljoen doden niet te veel zijn geweest voor de goede zaak.

    Dat
    De Goelag Archipel desalniettemin zoveel opzien baarde, had natuurlijk alles te maken met de Koude Oorlog. Het is er denk ik niet eens zo ver naast om te stellen dat sinds dat boek intellectueel links zijn heil elders begon te zoeken: niet langer in de aansluiting bij de een of andere politieke beweging, maar in een veel vager conglomeraat van politiekcorrecte opvattingen waarin ‘vrijheid’ en ‘mensenrechten’ de kernwoorden waren. Solzjenitsyn werd één van die verdrukte schrijvers die sindsdien door westerse intellectuelen met karrenvrachten zijn opgediept uit landen waar de vrijheid van meningsuiting niet bestond. De Breyten Breytenbachs en Václav Havels van de wereld.

    Ik wil daar niet flauw over doen (de PEN is het Amnesty International van de letteren), maar kan me tegelijkertijd niet aan de indruk onttrekken dat deze dissidenten op zijn minst ook dienden om westerse schrijvers het gevoel te geven dat er in hun eígen werk nog iets op het spel stond. De vrijheid aan deze kant van de Berlijnse Muur was immers allang uitgelopen op de willekeur van welke mening of opvatting dan ook maar. Men kon schrijven wat men wilde. En als het ging om het onrecht dat desalniettemin in onze westerse beschaving volop aanwezig bleef, voelde men zich gegijzeld door de mislukkingen uit het verleden om daar verandering in te brengen (fascisme en communisme, Pound en Bréton, Marinetti en Malraux). Dissidenten waren een pleister op die wonde; ze bevestigden niet alleen de vrijheid die we zonder hen nauwelijks nog ervoeren, maar ze leken vooral een levend bewijs van de kracht van literatuur in de samenleving.

    Die kracht heeft literatuur vandaag de dag alleen nog als ze door deze of gene politieke stroming wordt gerecupereerd, of wanneer een andere cultuur dan de onze de literatuur serieuzer neemt dan wij het zelf gewoon zijn te doen, en er banvloeken over uitspreekt of schrijvers treft met een
    fatwa. De literatuur zelf lijkt echter datgene wat haar minstens sinds de romantiek definieert — haar utopische, en daarmee potentieel politieke karakter — aan de wind prijsgegeven te hebben. Of preciezer: schrijvers definiëren hun idee over vrijheid niet langer ten opzichte van de wereld, waardoor de vrijheid ín die wereld feitelijk neerkomt op de geplogenheden van de markt. Die stelt paal en perk aan wat je als schrijver nog kunt schrijven — lees: verkocht krijgt, lees: uitgegeven krijgt. Die censureert ook. Ik ben bijna geneigd te zeggen: die creëert een gelijkvormigheid waarbij vergeleken het socialistisch realisme van Stalin nog een wonder van verscheidenheid was.

    Men moet niet overdrijven, natuurlijk. Maar de schrijverswereld zou gebaat zijn bij… laten we zeggen: vijf minuten politieke moed. Misschien kan men beginnen door Solzjenitsyn wat minder te bewieroken als dissident en hem wat meer te bestrijden als de rabiate nationalist, antidemocraat en orthodox christen die hij was. Niet om Stalin goed te praten, maar vanuit de ook politiek te begrijpen overtuiging dat Solzjenitsyn ondanks zijn slachtofferschap waarden en opvattingen vertegenwoordigde die in het verleden juist tot goelags en concentratiekampen hebben geleid.


    In: De Morgen, 9 augustus 2008

    Men moet niet overdrijven inderdaad, maar na de consternatie over wat de aanpassing van het reglement voor De Gouden Uil Literatuurprijs heette te zijn, komen we wat deze prijs betreft dan toch heel erg dicht in de buurt van de door een mediacratie gedicteerde literatuur — en daarvoor geldt wat ook Tom Naegels desgevraagd al stelde en wat voor hem al vele anderen op andere gebieden (zij het ook al op het gebied van de literatuur) vaststelden: recyclage van steeds dezelfde bekende namen, verschraling van het aanbod, monocultuur.

    Uit naam waarvan dat allemaal gebeurt, blijft altijd enigszins onduidelijk. Men heeft het over de pakweg 380 boeken die de jury afgelopen jaar moest doorworstelen, en dat dat er te veel zijn. Het is misschien één reden (al vind ik dat voor het Nederlands taalgebied, ondanks het forse aantal inzendingen, eigenlijk niet eens opgaan), maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat er nog andere motieven zijn. Dit jaar won ‘een volmaakt onbekende’ auteur de Gouden Uil, en de Libris zat het ook al niet mee: een ‘volmaakt onbekende’ mevrouw met ook nog eens een — och hemel! — verhalenbundel. Hoe zet men zoiets in de markt?

    d_hooijer_freddy_ri_126288a


    En dan, hád ik er nou nog maar als Colin Farrel uitgezien (De Pers stelde met buitengewone opmerkingsgave dat zulks niet het geval was, al vergat die krant dan weer te vermelden dat ik ook niet lijk op Brad Pitt, Jude Law, zelfs niet op George Clooney en al lang niet meer op David Bowie);foto_2598_-colin-farrell en hád D. Hooijer nu maar iets meer van een huppelkutje gehad: was het maar jong en hip en dus ook zonder de literaire zandzakjes aan de luchtballon gemakkelijk te verkopen geweest — dan was het niet eens zo erg geweest dat een… eh… misschien ‘te literaire’ (?) roman en — godbetert, het blíjft doodjammer natuurlijk — een verhalenbundel met de pot gingen lopen.

    In die zin heeft de organisatie het nog niet zo slecht gezien: de jury vormt het grootste probleem in de hele keten; die heeft de neiging literaire waardeoordelen over de gelezen boeken uit te spreken, terwijl die er in dit hele circus natuurlijk eigenlijk helemaal niet meer toe doen. Dát is eigenlijk wat de uitgevers nog eens wordt voorgehouden: stuur ons geen literatuur maar een makkelijk te vermarkten package, en laat ons dan het spél van de literatuur nog eens spelen. Het publiek, uit wier naam we dit allemaal doen, weet toch niet beter. Het gaat om de aantrekkelijkheid voor de media. In een dergelijke constellatie zou Harold Polis inderdaad mijn boek niet hebben ingezonden voor de prijs, zoals hij in de krant zei — want het is evident dat het merendeel van de schrijvers dan gewoon géén kans maakt. Ik heb dat de dag daarna ten overstaan van De Morgen een realistische inschatting van Polis genoemd. Ik ken mijn plaats.

    Intussen: ik heb gewoon een boek geschreven en tijdens het schrijven heb ik me geen moment bezig gehouden met de competitie waarin ik nadien noodgedwongen moest meespelen. Het is ook mijn schuld niet dat ik die prijs gewonnen heb, al krijg ik soms die indruk en verwijten sommigen het me zelfs openlijk. Ik weet natuurlijk ook wel dat het pleiten voor meer bewustzijn van het utopische en daarmee tegelijkertijd politieke aspect van literatuur iets is uit de achterhoede, zoniet: uit het verleden. Nog maar een paar dagen geleden in Maastricht hoorde ik iemand vertellen over een vriend die ook schreef, nu twee of misschien al drie boeken had uitgebracht maar er ernstig over nadacht er mee op te houden: hij verkocht hoogstens 1500 exemplaren. Dan kan men maar beter iets anders gaan doen. Ik weet kortom ook wel dat literatuur niet langer het stralende middelpunt van het culturele bestel is, van invloed op het debat in de publieke ruimte; en ik weet dat de suggestie in zowel kranten als in tv-programma’s als bij de organisaties achter de grote, commerciële prijzen dat literatuur nog steeds wél belangrijk zou zijn, niet meer is dan een pathetisch schaamlapje dat het grote nivelleren moet verhullen waarbij de markt gebaat is. Het cynisme tiert welig.

    Maar soms moet men niet realistisch willen zijn. Dat is: moet men de realiteit niet zo uit handen willen geven aan hen die haar toekennen. Zonder het geloof in de werkelijkheid die de literatuur zelf voortbrengt, en zonder het vertrouwen dat die werkelijkheid zich op enigerlei wijze (kritisch of juist niet) verhoudt tot de ficties waarmee onze alledaagse werkelijkheid zich tot de enige échte werkelijkheid uitroept, heeft literatuur inderdaad geen zin. Maar aan dat geloof is, lijkt me, geen gebrek. Aan de bestrijders ervan ook niet, want diversiteit en tegenspraak zijn in het huidige culturele klimaat eigenlijk ongewenst.