leeswolf

  • Pin it!

    Luid


    screenshot_53


    Opmerkelijk stuk van de ‘stille sterke schrijver’ David Nolens in De Morgen van vandaag: ‘Wie breekt mij de mond open?’ Hij antwoordt op een opmerking van Dirk Leyman in ‘Uitgelezen’ van, ik denk vorige week: de boekenbijlage met de lijstjes: of de stille sterke schrijvers ook eens hun mond willen roeren. Een beetje een gotspe toch, komend van een recensent die zich in zeer korte tijd tot de Petrus van ons deerlijk onttakeld letterlandje wist op te werken en dus zelf aan de poort staat. Ik heb nu alweer spijt dat ik, naar mijn gewoonte, niet aan die lijstjes heb bijgedragen. Ik had zeker David Nolens’ vrijwel onzichtbaar gebleven boek Stilte en melk voor iedereen genoemd als een van de sterkste boeken van 2008. Hoe beschreef Erik De Smedt dat ook alweer in de Leeswolf (een bijdrage die misschien aan David Nolens voorbij is gegaan, want hij noemt hem niet)? ‘Geschreven met een gedrevenheid die je zelden tegenkomt’; en: ‘een roman zoals er maar één in de tien jaar wordt geschreven’.

    Nolens_stilteenmelk


    Die spijt wordt nog groter wanneer ik me realiseer dat juist een opmerking als die van Leyman duidelijk maakt tot hoe weinig de literaire pers nog maar in staat is. Want natuurlijk is het niet aan de schrijvers om stampij te maken rond hun eigen produkten, zoals dat tegenwoordig heet. Men kan dat proberen natuurlijk, en vooral op het internet wemelt het van de websites die, niet zelden onder het mom een algemeen belang te dienen, vaak vooral de spreekbuis zijn van het minimale talent van hun bezielers. Maar dat werkt niet echt. Hoezeer de algemene kwaliteit van de boekenbijlagen er, laten we zeggen: de afgelopen tien jaar, ook fors op achteruit is gegaan, ze blijven tot nader order nog steeds bepalender dan welk persoonlijk intiatief ook. Denk bijvoorbeeld aan de succesvolle lancering van Erwin Mortier door De Morgen destijds; zonder die (soms wat beschamende, want volstrekt kritiekloze) ruggensteun (het ging veeleer om een bewuste hype) was ook hij wellicht zo’n stille, wat precieuze schrijver gebleven, wiens woede jegens de wereld grotendeels binnenskamers gebleven zou zijn — en dat laatste was toch jammer geweest (hij kan zich prachtig boos maken). In die zin had ik van de mij geboden gelegenheid gebruik moeten maken, ook al ging het dan om de in mijn ogen altijd wat debiele lijstjesmanie aan het eind van ieder jaar.

    En wat nu als David Nolens wél stampij had gemaakt, had staan rammelen aan de poorten van De Standaard en De Morgen, de redacties van Humo en Knack had bestookt? Was dat dan een garantie geweest voor aandacht, laat staan: de juiste aandacht? Zoals zo vaak bestaat er bij wat ik nu maar even in het algemeen ‘de media’ noem al op voorhand een bepaald beeld van die of die persoon — op niets gebaseerd vaak. Nolens was, al had hij uit zijn vel springend en met de broek op zijn knieën, zwaaiend met zijn geslacht en in het bezit van een megafoon de gebouwen van de diverse media bestormd — Nolens was en blijft ‘een stille schrijver’ die ‘moeilijk uit zijn woorden komt’ en nog meer onzin. ‘Niet mediageniek’, kortom. Je zou toch verwachten dat mensen die de literatuur een warm hart toedragen wat minder in de pas lopen met de in se commerciële eisen die het medium waarbinnen ze werken aan hen stelt. Recensenten zijn dienaars van de markt geworden, niet meer degenen die met enig gezag kunnen bepalen wat er op de marktplaats voor kwaliteit doorgaat.

    Recensenten zijn uiteraard onderhorig aan wat redacteuren bepalen, die zelf weer onderhorig zijn aan wat directies willen, en die hebben weer hun verantwoordelijkheid jegens eigenaren en/of aandeelhouders. Als niemand in die hiërarchie, en vooral: niemand uit de hogere echelons zich sterk maakt voor de kwaliteit van een en ander, heb je je als laagste in de voedingsketen maar te voegen naar wat men van hogerhand beslist: zo slinkt de omvang van recensies van 1000 naar 500 woorden — dat is nog goedkoper ook. Nog maar recentelijk zat ik samen met Liesbeth Van Impe, politiek redacteur van De Morgen, in de studio’s van Klara (ze had me uitgenodigd in een programma waarin zij zelf de hoofdgaste was, liever: zal zijn; het programma, Transit, wordt 2 januari uitgezonden), en had het nadien onder meer over de rampen die De Morgen nu weer boven het hoofd hangen. Wat daar nu de complete redactie overkomt (inkrimping van het personeelsbestand met bijna 35%, verhuizing naar een andere lokatie, innige samenwerking met een krant uit dezelfde Persgroep, die echter ideologisch en anderszins van een andere planeet is), is wat de krant zelf al jaren met haar boekenbijlage heeft gedaan. De kwaliteit wordt te grabbel gegooid voor een paar stuivers meer.

    51aEBedY1OL._SS500_


    We weten dat allang met zijn allen. Liesbeth Van Impe gaf me tijdens de uitzending een cadeau — een boek natuurlijk, ‘het beste nonfictieboek van het afgelopen jaar’, zei ze: Flat Earth News van Nick Davies. Ik ben er nog niet aan toegekomen er volop in te lezen, maar de eerste dertig pagina’s maken iedere scepticus nog sceptischer, iedere cynicus nog cynischer en iedere pessimist suïcidaal. Iedereen die werkzaam is in die wereld zoekt naar lichtpuntjes of voelt zich genoodzaakt op te merken dat het ‘nog wel meevalt’ — een opmerking die gewoonlijk meestal wordt gemaakt wanneer de toestand rampzalig is.

    Je ziet dat ook gebeuren als het om de literatuur gaat. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het, als altijd, wanhopig optimisme van Dirk van Weelden in zijn pamflet Literair overleven, waarin elke strohalm wordt aangegrepen om de kracht, de kennis en de rijkdom van een literatuur die, in Van Weeldens (maar ook mijn) visie weerbaar en bemoeizuchtig zou moeten zijn, te benadrukken tegenover de krachten die nu juist met een dergelijke literatuur het liefst zo snel mogelijk afrekenen. Het optimisme werkt aanstekelijker dan de zoveelste jeremiade natuurlijk, maar het kan niet verhullen dat het voortkomt uit de constatering dat in de huidige samenleving literatuur geen plaats meer lijkt te hebben, of dan toch in ieder geval de plek is kwijtgeraakt die claims op kracht, rijkdom, kennis, weerbaarheid en bemoeizucht nog enige betekenis gaf. Het niche-denken als rechtvaardiging voor marginaliteit, of de theorie van de lange staart van Chris Anderson bijvoorbeeld.

    Literair overleven_1


    Die laatste gaat uit van een model waarin er (in de VS) van slechts tien boeken een miljoen of meer exemplaren worden verkocht, van rond de vierenzestig boeken tweehonderdvijftigduizend tot een half miljoen, en dan is er een lange, lange staart waarin van steeds meer boeken steeds minder worden verkocht. ‘Zoals dat gaat in visionaire boeken van zakelijke goeroes, zet Anderson de uitersten met cartoonachtige helderheid tegen elkaar af’, schrijft Van Weelden, om hier zijn handzame samenvatting maar even te gebruiken. ‘Aan de ene kant staat de logge, stomme, oude economie, die alleen in termen van schaarste denkt en er altijd op uit is iets te bedenken wat one size fits all is en automatisch concludeert dat als iets geen hit is, het een flop is en dus zonder waarde, en dat wat niet snel populair wordt, geen kwaliteit heeft. Aan de andere kant staan de nieuwe, slimme, volgens de logica van het internet denkende ondernemers, die doorhebben hoe je in nichemarkten vraag en aanbod op een nieuwe manier aan elkaar koppelt: niet door te proberen te voorspellen wie wat zal willen kopen (via contacten met scouts, redacteuren, inkopers, verkopers, adverteerders), maar door achteraf te kijken naar het gedrag van klanten zoals dat is af te lezen aan weblogs, de uitgewisselde lijsten favorieten, de besprekingen en aanbevelingen die klanten achterlaten en het verkennen van hun eigen omgevingen en contexten op het web. (…) Flikker de tussenpersonen eruit, dat is de slogan die ondernemers volgens de lange staart in het hoofd hebben.’

    Veel meer dan een poging om literatuur als handelswaar te redden binnen een onveranderlijk als dominant geponeerd marktdenken dat zelf weer wordt aangestuurd door een welbepaalde ideologie — veel meer dan dat is dit niet (waarbij recentelijk dan ook nog eens onderzoeken opdoken die de hele theorie op de helling zetten: de staart blijkt eerder gecoupeerd te worden dan Anderson beweert). Maar juist Van Weeldens eigen omschrijving van literatuur maakt duidelijk dat haar core business nu juist die ideologische vooronderstellingen zijn. Favorieten, besprekingen en aanbevelingen van klanten hebben tot nu toe op mij maar heel weinig indruk gemaakt, juist ook omdat een willekeurige consument vrijwel nooit verder komt dan zijn eigen, uiterst subjectieve, al dan niet ontwikkelde smaak, die meestal wordt geformuleerd binnen een context die het ‘voor elk wat wils’ dwingend oplegt, en zo elke serieuze discussie uitsluit. Het leidt in die zin tot nog verdere marginalisering.

    Of het een serieus tegenwicht kan bieden, een daadwerkelijk voldragen alternatief gaat worden, staat nog te bezien, maar al sinds 2007 wordt er achter de schermen getimmerd aan een website die de lacunes die de papieren boekenbijlagen hebben gelaten, zou willen opvullen. Het is een initiatief van een aantal literaire tijdschriften uit Nederland en Vlaanderen, waaronder Parmentier, de kringen rond het voormalige Raster, DW B, yang, Nieuwzuid — niet met de bedoeling om de respectievelijke redactionele lijnen op de voorgrond te plaatsen (bijna al die tijdschriften hebben of hadden hun eigen reviewafdeling waarin men de eigen visie op literatuur kon en kan uitdragen), maar om een boekenbijlage op het net te brengen — een bijlage waarin recensies zomaar 1500 of 2000 woorden kunnen bedragen, geschreven door professionele critici uit alle windrichtingen, critici die voor een deel ook nu nog in kranten schrijven, maar daar allang niet meer kwijt kunnen wat ze er kwijt zouden willen. De voorbereidingen voor die site zijn inmiddels ver gevorderd, in het stadium van geldschieters (want de recensenten moeten, min of meer, naar behoren betaald worden) en webdesign. De Reactor, zoals het heet, zou in die zin de blijkbaar eerder aan aandeelhouders dan aan kwaliteit verplichte kranten eindelijk van al die lastige boekenbijlagen kunnen verlossen. Ik hoop in ieder geval dat het een site wordt die ik wél weer graag lees, in plaats van de boekenbijlagen bij de kranten, waarbij ik me steeds weer afvraag voor wie die nu eigenlijk zijn bedoeld.

    En het zou ook een site kunnen zijn waarop de ‘stille schrijvers’ gewoon in hun stilte mogen berusten vanuit de gedachte dat hun boeken luid genoeg spreken. Om mijn verzuim in de krant dan nog enigszins goed te maken, ook al is het dan maar hier: David Nolens’ Stilte en melk voor iedereen doet dat ruimschoots.

  • Pin it!

    Werken in uitvoering


    De afgelopen weken een tekstproducent geweest, of me toch zo gevoeld — een met liefde gemaakte speech (hieronder), een met amecht geschreven essay (voor yang), een met veel plezier geschreven recensie (voor De Leeswolf; over Gaston Franssens Gerrit Kouwenaar en de politiek van het lezen én over de nieuwste bloemlezing uit Kouwenaars werk, Vallende stilte), vervolgens nog een, nu met villein plezier geschreven essay (voor Nieuw Zuid), tussendoor werkend aan het radioboek dat deze maand nog af moet. Intussen geïnterviewd prijsbeest in wereldstad Eeklo, en gisteren nog eens hier in Gent, in ‘De Paarse Zetel’. Voorgelezen in Den Haag op de prozaversie van ‘Dichter aan huis’, waar de bewoner van het huis waar ik te gast was me wist te vertellen dat ik eigenlijk een paar huizen verderop had zullen zitten (daar zat nu Kees ’t Hart), maar dat de bewoners van dat pand bezwaar hadden tegen al die smerige seks in mijn boek. Ik hoopte vervolgens dat Kees daar ten huize vooral de eerste pagina’s van Blauw Curaçao zou voorlezen (wat hij niet gedaan had, vertelde hij me later). Daarnaast voor het fantastisch leuke programma van Koen Fillet, zondagavond van elf tot twaalf op Radio 1, aan de hand van de door hem bedachte thema’s naar nummers gezocht en tekstjes ingesproken — iets wat ik zo vaak mogelijk wil blijven doen.

    6646-p vvi9789021434537


    Als dit zo doorgaat, blijft er van mijn heilige principe van het lummelen weinig meer over, van het ‘niets doen’, dat bestaat uit ongericht lezen van stukken romans, halve studies over de meest uiteenlopende onderwerpen waarover ik het in mijn kop heb gehaald dat ik er dringend iets van af moet weten, dit allemaal met het oog op wat er later aan de schrijftafel verricht moet worden. Meestal blijft dat residu. Stel je voor: voor Het grote uitstel ploeterde ik zelfs in het oeuvre van Hegel, waarvan gelukkig nog maar een enkel zinnetje in dat boek getuigt. En wat ik ter voorbereiding van Touchdown (toen ik nog niet wist dat het dat boek zou worden dat ik ging schrijven) allemaal over ruimtevaart heb gelezen, grenst aan het puberale. Gelukkig is het einde van een en ander in zicht, al heb ik mezelf voorgenomen om in de bibliotheek van Merelbeke, halfweg december, een soort theatrale uitvoering van Het grote uitstel te geven — hopelijk niet al te zeer van het ‘tussen de schuifdeuren’-niveau. Voorlezen, muziek, beeld, zang bij krukkig gitaarspel — en dat alles zonder technicus en met één laptopje. Hoe dat allemaal moet… En o ja, ‘De Nachten’ zijn er ook nog…

    IMG_7441


    Maar alweer enkele weken geleden, op 4 oktober, leidde ik, samen met mijn ‘vaste’ medefeestspreker Bart Van Loo (wij mochten ook al schitteren op een avond die door De Leeswolf / De Leeswelp was belegd), het nieuwe boek van Willem van Zadelhoff in, Vuur stelen. Dat deed ik ongeveer zo:

    Dames en heren,

    Misschien heeft iedereen dit: als je aan je eigen jeugd terugdenkt, hebben de herinneringen iets unieks, alsof jij de enige was die precies dit overkwam en die precies zo in de tijd stond. Nou ja, jij, en de mensen om je heen, klasgenoten, vrienden… En misschien duurt het ook wel tot de gezegende leeftijd waarop eindelijk de nostalgie intreedt, het moment waarop men besluit na jaren van schouderophalen bij alweer een uitnodiging tóch maar eens naar zo’n schoolreünie toe te gaan, het moment waarop blijkbaar programmamakers op tv ook jouw leeftijd hebben bereikt en met vertedering over Ad Visser en Toppop beginnen, over Puchs en Kreidlers, over bellbottoms en geborduurde jeans — misschien, bedoel ik, moet men de voor mensen van mijn leeftijd onwaarschijnlijke vijftig jaar naderen (een getal dat niks maar dan ook niks met ons te maken heeft) voordat men eindelijk begrijpt dat geen enkele herinnering werkelijk uniek is; voordat men eindelijk doorheeft dat men tot een
    gemeenschap behoort, met in zekere zin, ondanks alle ontzuiling en globalisering, toch gemeenschappelijke herinneringen, en zelfs gemeenschappelijke… eh… waarden, zal ik maar zeggen. Zeker voor wie in de kunst verzeild raakte — de beeldende of de literaire, dat maakt niet uit — heeft de suggestie dat we iets aan het maken zijn dat eventueel herkenbaar is, altijd de bijsmaak van verraad, zozeer is onze generatie, die van Willem, die van mij, opgegroeid met het idee dat in het contrair zijn onze vrijheid en onze waardigheid besloten liggen. Al het andere is toegeving, uitverkoop, kuddegedrag en dus, op zijn zachtst gezegd: laakbaar. Het individualisme, en de daarmee gegeven noodzaak uniek te zijn, is onze gesel en onze god — al schrijven we dat laatste woord dan natuurlijk wel met een kleine letter: uit protest, als bewijs van onze onafhankelijkheid, en misschien nog een heel klein beetje uit verlangen om, voor zover nog mogelijk, te blijven shockeren.

    Geen wonder dus dat ik in
    Vuur stelen het nodige herkende — niet zozeer in het directe verhaal dat in het boek verteld wordt, maar vooral in wat de personages drijft, in de specifieke herinneringen die worden opgehaald — herinneringen aan een toneelschool dan ook nog. Dat was toentertijd maar één stap verwijderd van zoiets als de Sociale Academie — waar, zo werd gefluisterd, studenten de hele dag in kussens lagen en elkaar aan het eind van elk semester zelf evalueerden — en het kwam ook akelig dicht in de buurt van willekeurig welke kunstacademie — waar studenten, tot weinig anders in staat, de grootste rotzooi produceerden, maar toch met vlag en wimpel slaagden omdat ‘het proces’ dat hen tot die rotzooi gebracht had zo goed was geweest. Men mislukte er met brille. Die herkenning van een wereld levert ook in Vuur stelen een pijnlijke waarheid op: dat al het gezever over onze individualistische onafhankelijkheid en kritische zin of onze kritische onafhankelijkheid en individuele zin niet eens van onszelf afkomstig was.

    Want rekent u even mee? Ik ben er niet voor om boeken geheel autobiografisch te lezen, maar het hoofdpersonage uit het boek, alsmede zijn directe tegenspeler, is, net als de auteur, geboren in 1958 en zou dit jaar vijftig worden. Dat betekent dat zij
    niet tot de mei ’68-ers behoren van wie al die linksigheid uit hun (en ook mijn) jeugd afkomstig is, alle ideeën over kritische zin, opstand tegen het gezag, het belang van het individu en alles waarmee de mei ’68-generatie, ook wel de Protestgeneratie genoemd, ons, vooral Willem en mij, heeft opgezadeld, godverdomme.

    9789085421450


    Het waren
    docenten, de hufters die verdomme betaald werden om ons te leren hoe de wereld in elkaar zat — zij waren het die dingen tegen ons zeiden als die welke in deze roman op pagina 169 staan: ‘Jullie zitten op een toneelschool,’ zeiden ze, ‘Jullie denken dat jullie toneel moeten maken.’ Maar het moge duidelijk zijn dat toneel maken wel het laatste was wat je op een toneelschool diende te doen, niet waar? Nééé, daar moesten we dringend van af, van het toneel. Zoals we in de kunstacademie van de kunst verlost moesten worden. En in literatuur van de literatuur natuurlijk. En in het algemeen moesten we van de bourgeois verlost worden, van die klaarblijkelijke onmens, die door het kapitalisme volgevreten potverteerder die overigens al enige eeuwen kunst, toneel en literatuur schraagde maar er blijkbaar het volk enkel zoet mee had gehouden. Tegen de muur ermee. Die kant moest het op, begrijpt u wel?

    En in toneel zelf moest het dan om vervreemding gaan, hè, zoals Bertold Brecht die voorstond, weet je wel. ‘Identificatie leidt tot verlamming,’ lees je elders in het boek. Nee, we moeten de toeschouwers ‘lachspiegels’ voorhouden, want dan ging je identificatie tegen, niet waar? Dan maakte je hen bewust van de fictieve constructie die elk toneel, maar dus ook het toneel van de alledaagse werkelijkheid in feite was. Snapt u ‘m? Dan kreeg die toeschouwer inzicht in hoe hij dagdagelijks bij de neus werd genomen. Door die bourgeois natuurlijk! Wat had u dan gedacht! En door de kapitalist, als dat al niet hetzelfde is. Het toneel liet hem zien dat alles toneel was en dat er, zoals bij alle toneel, door iemand aan de touwtjes werd getrokken. Voelt u ‘m? En daar moesten we dringend van af. We moesten, kortom, allemaal kleine Prometheusjes worden, begrijpt u wel?

    Prometheus: de man die het vuur van de goden stal en voor straf aan een rots in, ik meen, de Kaukasus werd geketend waar iedere dag een adelaar aan zijn lever pikte, een lever die ook iedere dag weer aangroeide. Prometheus die in de literatuur als de verpersoonlijking van het individualisme en de daarmee verbonden, daaraan inherente bevrijdingsdrang wordt gezien. Prometheus, over wie het steeds maar gaat in
    Vuur stelen — meer precies over Prometheus geboeid, een tragedie van Aischylos, uit vier, vijf eeuwen voor Christus, een tragedie die hoofdpersoon Bob Moreno vroeger op het toneel zou brengen met in de hoofdrol Hugo Maris, een latere televisiester.

    Maar Hugo Maris haakt af. Hij kan de rol niet spelen, misschien omdat hij datgene beseft waarvan dit hele boek doordrongen is: dat hij géén Prometheus is, dat het prometheïsche waarmee hij en de rest van zijn generatie is grootgeworden zelf het schoolvoorbeeld is van een toneelmatige werkelijkheid, van iets dat niet ‘echt’ lijkt, maar ‘bedacht’, iets waarin hij onmogelijk kan geloven. Er wordt in het boek geregeld aan dit gevoel van onechtheid gerefereerd, zij het zonder precies dat woord te gebruiken. Als het niet zo ironisch was, zou je moeten zeggen: de hoofdpersonen in het verhaal lijden aan vervreemding. Die maakt hen niet kritisch en zelfstandig, zoals de theorie voorschrijft, die brengt hen niet terug bij het ware zelf dat onder het ‘valse bewustzijn’ verscholen zou zitten, zoals de marxisten dat noemden, — nee, die vervreemding maakt hen daadwerkelijk ontheemd. ‘Links zijn, dat ging nog, maar de theorie…,’ zo heet het ergens. En elders: ‘Ik onderga alles’. Weer op een andere plek: ‘Voor hem was het allemaal spel. Niets nam hij serieus, ook het leven niet.’De relativering van de waarheid gaat voor deze generatie aan de formulering van waarheden vooraf; de relativiteit van elke werkelijkheid aan de ervaring ervan. Ons leven is een ‘Glasperlenspiel’, zoals de Duitse filosoof Peter Sloterdijk het ooit noemde, een theater dat we als theater doorzien, waar geen werkelijk
    Anders-zijn meer tegenover staat. Prometheus geboeid inderdaad, vastgeketend aan een verlangen naar het daadwerkelijke andere dat we tegelijkertijd menen te doorzien en zo onmogelijk maken. In die zin zijn wij niet geketend omdat we het vuur hebben gestolen, maar juist omdat het ons al op voorhand zelf ontstolen werd. Nóg een keer Sloterdijk: ‘Wir sind aufgeklärt, wir sind apathisch’.

    De nostalgie die ik voel bij het lezen van ook dit boek weer (al is het geenszins de bedoeling van dit boek om nostalgisch te zijn) is niets anders dan het paradoxale verlangen nog één keer te kunnen geloven in de waarheid van wat onze grootste fictie blijkt te zijn geweest: het, achteraf, naïeve geloof in onze toentertijd nooit betwijfelde, maar veeleer vanzelfsprekende, bijna natuurlijke kritische, zelfbewuste houding — het zalige gevoel ook dat links de plaats had ingenomen van wat in het Christendom Het Goede heette, ook al wisten wij evenmin als de gemiddelde Christen hoe of waarom. En ook omdat het verlangen naar de betere wereld die links toen voor ogen stond niemand van deze generatie onberoerd heeft gelaten — we zijn ofwel als gevolg ervan gruwelijk cynisch geworden ofwel tot snikkens toe nostalgisch, en soms, niet zelden, allebei tegelijk.

    Ook die dubbelheid zit in dit boek. Niet dat
    Vuur stelen precies hierover gaat. En zeker niet uitsluitend. Er wordt nog een heel ander verhaal verteld, maar dat kunt u gemakkelijk zelf lezen. Maar het is wel precies deze onzegbare, in zichzelf verwarde cynische nostalgie die ook aan dat verhaal zijn tragiek geeft — die de tragiek is van onze generatie, van een Prometheus zonder lucifers, een tragiek ook die we nauwelijks uitgelegd krijgen — aan anderen niet, aan onszelf nog wel het minst. Alleen in literatuur, misschien, kunnen we er iets van laten zien, en laat Willem er in dit boek iets van zien. Met een laatste paradox: de brechtiaanse vervreemding waarover het in de gesprekken in dit boek steeds gaat, wordt hier gepaard aan de inleving zoals de oude Grieken die voorstonden: het op- en ondergaan in de lotgevallen van de held van een tragedie, een identificatie voor de duur van het spel, een volledig samenvallen met de fictie zolang die duurde — waarna men gelouterd het theater verliet. Ik wens u bij lezing van dit boek hetzelfde toe.

    9789085420910


    Intussen verscheen ook de nieuwe roman van Jeroen Theunissen, ingeleid door Annelies Verbeke. Een vorm van vermoeidheid is, zo werd die avond gezegd, Jeroens beste boek tot nu toe. Een schrijver kan niet anders dan dat tegen zichzelf zeggen, maar als lezer kan ik het beamen. Ik kan het bijna niet anders dan psychologiserend benaderen, niet zozeer om aan schedellichting van de auteur te doen (daarvoor is geen enkele roman werkelijk geschikt), maar het schrikwekkende van dit boek is de terloopsheid waarmee ons volkomen ingepamperde bestaan, een zeker soort gelukkige tevredenheid, te gronde wordt gericht. Dat te gronde richten is op zich iets wat je verwacht, maar het is die terloopsheid die de destructieve tendens in zelfs de grootste burger — nee, in de burger in onszelf — op een huiveringwekkende manier voelbaar maakt. In je auto zitten en denken: nu rijd ik door, weg, geen idee waarheen, maar ik ga (en het dan niet doen, toch de afslag nemen, toch je straat indraaien met een vaag gevoel van schuld en zelfmedelijden). Het diepe verlangen naar de ander in het zelf — een fantasma waarschijnlijk, maar bij tijd en wijle reëel genoeg. Daarover gaat het boek. Onder andere.

    En, dat is het punt denk ik, daarin sluit het aan bij wat ik heb leren zien als misschien wel typisch voor mensen van Jeroens generatie (laten we zeggen: geboortejaar 1975 en later). Enfin, oppassen voor generalisaties, maar wat voor ‘mijn’ generatie geldt — ons onthand zijn, onze late woede tegen de grote bevrijders van mei ’68 die geweigerd hebben ons een wereld uit te leggen terwijl ze ons tegelijkertijd met de plicht van het idealisme opzadelde — geldt nog dubbel zo hard voor een generatie later, de generatie waarin pragmatisme allang ons hopeloze idealisme heeft afgelost. Dat pragmatisme levert een soort gelukzaligheid op, en als er al een drang is daar uit te breken, kent ze geen object. In een ‘betere wereld’ valt op voorhand niet te geloven, of in welke legitimatie voor het te gronde richten van het alledaagse bestaan dan ook maar. Er wordt niet eens de vergissing gemaakt van gestelde (eventueel revolutionaire) doelen; er is geen enkele reden. Dat maakt Een vorm van vermoeidheid gitzwart. Ik had steeds de neiging de hoofdpersoon — Horacio Gnade — elke vorm van genade te onthouden en hem af te rekenen op zijn volstrekte immorele gedrag,maar werd steeds gestuit door het besef dat hij veeleer a-moreel is.

    vvi9789021434575


    Nu wacht me eerst de nieuwe bundel van Bart Meuleman, omdat ik ziek werd. ‘als mens ben ik compleet ontgaan’, lees ik. Nee, dit wordt alweer geen vrolijke eeuw, als je het mij vraagt.