jeroen theunissen

  • Pin it!

    Stolp


    Afgelopen dinsdag in De Vooruit in Gent nog eens 'Uitgelezen' bijgewoond. Het blijft verbazen: honderden mensen die afkomen op vier talking heads die gezeten op een podium geruime tijd over drie door hen gelezen boeken praten onder leiding van een professioneel opererende gastvrouw (Fien Sabbe). Daaronder de twee vaste panelleden — Jos Geysels en Anna Luyten — en twee gasten, die meestal uit het meer populaire segment van de Vaderlandse cultuursector worden gekozen, in dit geval Roos Van Acker en Ianka Fleerackers. De toon is licht, dat is waar. Er is muziek (dit keer: Nele needs a holiday). Er is een voorlezer van dienst (dit keer Christophe Vekeman). Er is een tombola waarbij boeken gewonnen kunnen worden. Het is, kortom, amusement, maar het heeft zeker de kwaliteit die ooit het boekenprogramma van Adriaan van Dis had — en dat betekent dat het blijkbaar nog altijd te moeilijk is voor zelfs de zender voor meerwaardezoekers hier in Vlaanderen, Canvas, anders zouden die allang op deze kar zijn gesprongen. Maar goed, tv en boekenprogramma's, men moet misschien ophouden met ernaar te verlangen omdat aan de kant van de media de meerwaardezoeker stelselmatig wordt onderschat en voor een onnozelaar wordt gehouden die het niet verder bracht dan het derde middelbaar, terwijl aan de kant van de connaisseurs elk programma over boeken per definitie te oppervlakkig is.

    l_27c8562b11404be5a8f5a3dd09dab76d
    Nele Needs A Holiday

    Uiteraard blijf ook ik, in goed Vlaams, altijd een beetje op mijn honger zitten bij een programma als 'Uitgelezen'. Het zou voor mij wel wat dieper mogen gaan, en ik denk zelfs dat dat zonder risiko voor de publieksaantallen kan. Natuurlijk moet het niet 'academisch' of zoiets worden. Daar zijn andere plekken voor. Maar afgelopen dinsdag had ik de panelleden graag wat verder zien gaan in hun commentaren op De stolp van Jeroen Theunissen, een boek waarin een aantal jongeren wordt opgesloten in… welja, in een stolp dus, alwaar ze bepaalde opdrachten moeten vervullen. Big Brother derhalve, het tv-programma. Met Van Acker en Fleerackers had men twee mediamadammen uitgenodigd, waarvan de eerste destijds direct betrokken was bij het Vlaamse Big Brother, en het viel een klein beetje te verwachten dat zij het boek zouden lezen als enkel de beschrijving van het tv-gebeuren, of als een poging daartoe. En het lag dan ook voor de hand dat ze wél de ironie die in het boek zit zouden opmerken, maar niet de tragiek die JT met dit boek volgens mij aan de oppervlakte tracht te brengen.

    Het is natuurlijk een riskant onderwerp, reality-tv, juist vanwege de verleiding er vooral ironisch over te doen, het weg te lachen vanuit een superieure intellectualistische houding. Of vanwege de al te voor de hand liggende sociologische benadering van een en ander. Of nog anders, maar minstens even verradelijk: vanwege de misschien al te evidente verwijzing naar literatuur à la Goldings Lord of the Flies — iets wat al snel gebeurt wanneer je in een boek een aantal mensen samenbrengt in een van de rest van de wereld en werkelijkheid afgeschermde ruimte. En ik denk dat je je bij De stolp terecht de vraag kunt stellen in hoeverre JT al die klippen heeft weten te omzeilen, of zelfs: in hoeverre dat zijn bedoeling was. De zouteloosheid van de al te gemakkelijke ironie ligt in ieder geval steeds op de loer.

    Maar uiteindelijk is JT een schrijver voor wie die ironie niet het, dan ook meteen tamelijk vrijblijvende eindpunt is. En dat zou je — zeker als je dat als lezer op voorhand weet — alert moeten houden. De alomtegenwoordige ironisering van alles — vooral in de media — wordt door hem eigenlijk meteen geproblematiseerd in het motto dat hij aan dit boek meegaf, een motto van Johan Huizinga, vermoedelijk (zeer waarschijnlijk, ik zocht het niet op) uit Homo ludens (1938): 'De ernst kan men loochenen. Het spel niet.' Dat is een omkering van de gebruikelijke gang van zaken, waarbij immers de ironie van alle ernst en van de werkelijkheid zelf in de eerste plaats een spel maakt en waarbij dat spel zelf als relativering van die ernst geldt. Het maakt ook dat wie mocht denken dat JT met dit boek, na een eindeloze reeks commentatoren die zich al eerder over het fenomeen hebben gebogen, nog maar eens een sociologische analyse wilde plegen van het verschijnsel reality-tv, misschien toch een andere insteek moet kiezen. Alles wat je in een meer kritische of toch zo bedoelde zin over reality-tv zou kunnen zeggen in verband met de realiteitswaarde, het arrangement of de regie, de fictionalisering van wat zich voordoet als werkelijkheid, en de wijze waarop waarneming die werkelijkheid verandert en stuurt — al deze zaken zijn in De stolp de beginsituatie, het gegeven vooraf. Ze zijn niet hetgeen waarop de auteur uit was, niet hetgeen hij nog maar eens (en dan inderdaad ten overvloede) wilde aantonen.

    De stolp uit de titel is hier veeleer een metafoor voor de positie van de mens aan het begin van de 21ste eeuw — of dan toch ten minste voor de jongeren die JT in het boek opvoert. Je zou hun situatie eenvoudig kunnen samenvatten als: voor hen heeft de werkelijkheid nooit bestaan, tenzij juist als spel (als rollenspel). Degenen die het concept voor het programma bedachten, lijken ook niet zozeer uit te zijn op het betrappen van de werkelijkheid in zijn meest alledaagse verschijningsvorm, maar de stolp is bedoeld om 'een ethiek van verbondenheid en zorgzame hoop' bij de jeugd te ontwikkelen. Het hele project heeft de bedoeling de deelnemers bij te brengen dat het leven geen spel, maar 'echt' is — al gebeurt dat paradoxaal genoeg 'uiteraard op een ludieke manier', gaat het om 'edutainment' (daar heb je de ironie weer).

    Meestal begrijp ik omslagen van boeken niet. Recentelijk nog zat ik met mijn uitgever te praten over mijn nieuwe boek, juist met het oog op een te maken omslag. Dat boek is nog niet af; de tekst in de catalogus inmiddels wel al verschenen, en het omslag inmiddels dus ook al gemaakt. Ik begrijp zelf totaal niet hoe men van hetgeen ik over de roman vertelde tot het uiteindelijke omslag is gekomen. Bij De stolp is me dat wat duidelijker, moet ik zeggen. Niet eens zozeer door de afbeelding op het stofomslag, maar door de combinatie van die afbeelding en dezelfde afbeelding maar dan in negatief op het boek zelf. De afbeelding op het boek zelf krijgt zo bijna iets van een röntgenbeeld, en dat is in verband met de roman een uiterst treffende associatie.

    Stolp.stofstolp.boek

    Dat wat reality-tv nooit lukt, eerder juist verbergt: het betrappen van de werkelijkheid in zijn meest alledaagse vorm, dat lukt JT in De stolp wel, of toch veel beter, juist omdat die werkelijkheid van zijn personages al op voorhand de volledig gemediatiseerde werkelijkheid is, een werkelijkheid zonder geschiedenis, zonder tradities of overgeleverde waarheden. De personages worden 'stolpjongeren' genoemd, en ze waren dat eigenlijk al voordat het programma bestond. Het in de wereld alomtegenwoordige consumentisme beperkt zich voor hen allang niet meer alleen tot de voorhanden waren, maar strekt zich ook uit tot levenshoudingen, religieuze overtuigingen en wat dies meer zij, zaken die op gelijke hoogte staan met hobby's, grasmaaiers en het nieuwste model iPod en waarbinnen iedere keuze even arbitrair lijkt — een spel, als men wil.

    Het is precies dat wat aan sommige (de belangrijkste) personages uit deze roman de tragiek verleent die het geheel uittilt boven nog maar weer eens een boekske over Big Brother. Als hun verblijf in de stolp iets duidelijk maakt dan is het het diepe verlangen naar bevrijding van het artificiële leven dat hen gevangen houdt — bevrijding van het gevoel van onwerkelijkheid dat hun dagelijkse realiteit uitmaakt. Bevrijding van of uit de stolp, derhalve. De meesten hebben, ondanks alle aangeboden edutainment die hen wegwijs zou moeten maken, geen idee hoe dat zou kunnen. Sommigen nemen hun toevlucht tot een vorm van radicaliteit die in een enkel geval tamelijk destructief is. De stolp is zo bezien niets meer of minder dan een andere benaming voor de condition humaine. En als het daar om gaat is JT nooit frivool ironisch, maar is zijn ironie tamelijk bitter.

    Natuurlijk kun je met deze roman nog verder gaan. Je kunt, als je wilt, op meta-niveau ook de verwoording van een literatuuropvatting vinden, en ook dan kom je volgens mij uit bij het standpunt dat literatuur niet zozeer dient om (postmodern of deconstructivistisch of hoe heet) de onwerkelijkheid van alle werkelijkheid aan te tonen, maar om het verlangen te evoceren dat dit onwerkelijkheidsgevoel oproept: een verlangen naar echtheid, om het maar zo te zeggen. Dat we de werkelijkheid niet meer ongeschonden kunnen ervaren, weet ook JT; maar dat het gevoel van onwerkelijkheid dat erop volgt het eindpunt zou zijn, lijkt hij met ieder boek opnieuw te willen bestrijden. Hij is niet de zelfgenoegzame ironische cynicus of de cynische ironicus die in het bespotten van anderen zijn levensvervulling vindt. Hij blijft zoeken, al heeft ook hij geen antwoorden.

    Op 'Uitgelezen' bleef de interpretatie toch een beetje hangen op juist het niveau van de cynische ironie, vond ik, waardoor het boek in de ogen van de panelleden dan ook niet echt 'je van hét' was. Dat was jammer. Er was ook niemand die het motto erbij betrok. Dat had ongetwijfeld een ander gesprek opgeleverd, en wie weet, een andere beoordeling. Voor mij is het JT in ieder geval wel gelukt om het drama achter de beschreven gebeurtenissen voelbaar te maken, ook al scheert hij in deze kleine roman heel vaak net langs de rand. Maar dat zijn gewoonlijk niet de oninteressantste boeken.

  • Pin it!

    Presentatie nY


    nY-01


    Gisterenavond in de Domzaal van De Vooruit in Gent ('ik wil hier alleen binnen als ze ook een Slimzaal hebben', mompelde Pol Hoste) werd het eerste nummer van het nieuwe (fusie-)tijdschrift nY boven het doopvont gehouden. Ik had een halve middag doorgebracht op mijn tamelijk ontoegankelijke zolder om recente en minder recente nummers van yang tevoorschijn te halen, en vulde daarmee een vervolgens natuurlijk totaal ontilbaar geworden reiskoffer. Die had wieltjes, maar weer niet van dien aard dat ik daarmee gemakkelijk over het Gents plaveisel rijden kon (al moeten die wielen nog uitgevonden worden: die waarmee je wél makkelijk over Gents plaveisel rijdt). Het in en uit de auto tillen van het gevaarte hield een zeker gezondheidsrisico in, en in de parkeergarage onder 't Zuid reed ik, allengs wanhopiger, met de koffer heen en weer, omdat ik aanvankelijk de goed verstopte lift niet vond en vreesde dat ik, geketend aan 44 jaar Gentse tijdschriftgeschiedenis, in de catacomben de avond zou moeten doorbrengen. Met het gevaarte de trap op was uitgesloten. 'Hier heb ik niet voor getekend,' mopperde ik toen ik uiteindelijk zwetend bij De Vooruit aankwam, om daar te ontdekken dat de Domzaal op de derde verdieping lag. Gelukkig was er daar een goed zichtbare lift.

    nY-02


    Er was uiteindelijk ongeveer vijftig man aanwezig, schat ik. Matthijs de Ridder was spreekstalmeester, en hij begon met het stuk dat Dirk Leyman gisteren in De Morgen over nY schreef. Ik had die dag de tijd nog niet gehad om in de krant te kijken, maar werd gebeld door iemand van de redactie die me er op wees. Ik begreep zijn verontwaardiging wel (zoals gewoonlijk in dit soort stukken stelt de journalist in kwestie dat een blad als nY voor de marge kiest, terwijl een dergelijk blad juist in en door die bewering in de eerste plaats gemarginaliseerd wórdt), maar kon niet anders dan vaststellen dat De Morgen een halve pagina aan nY had besteed. Dat is veel meer dan vooraf verwacht kon worden. Ja, dat het om 'loden ernst' zou gaan, zoals Leyman stelde, is een kwestie van projectie op basis van vooroordelen zoals je die nu eenmaal kunt verwachten. Maar voor een blad dat zijn naam onder andere ent op een scene uit Monty Python and the Holy Grail en dat aan de yang-kant, naast alle onbetwistbare sérieux (maar wat is daar toch mis mee?) ook een zekere picareske traditie heeft — voor een dergelijk blad is het pejoratief gebruikte adjectief 'loden' toch wat onheus.

    Leyman over yang.small


    Stefan.nYHoe dan ook, MdR gebruikte het artikel als opstapje naar een drietal voordrachten, door Stefan Hertmans — de eerste in de rij — treffend omschreven als 'opa vertelt'. Wat in zijn bijdrage vooral opviel, dat was dat eind jaren tachtig, toen hij in de redactie van yang zat (in een redactie die als één van de eersten weg stuurde van het pad van het 'nieuw realisme' dat sinds de oprichting in 1963 de leidraad van het tijdschrift was geweest), de bekommernissen eigenlijk dezelfde waren als die van vele redacties daarna, of het daarbij nu om de ethisch-postmodernisten van de lichting Van Bastelaere, Spinoy ging, of om het 'mimesis'-project dat eind jaren negentig door onder meer Buelens, Bultinck en Joostens op de agenda werd geplaatst. Steeds blijkt de relatie tussen literatuur en maatschappij een bepalende factor te zijn geweest — met daarmee onlosmakelijk verbonden: de weerzin tegen de autonomisering van de literatuur, die haar reduceerde tot het gevaarloos, ge-ontideologiseerd amusement dat zij nu aleen nog maar is (en waartegen nY zich in haar mission statement nog maar eens verzet). 'De strijd om het middenveld', noemde Hertmans dat gisterenavond, en het is natuurlijk ironisch te moeten vaststellen (om het niet meteen cynisch te noemen) dat de poging om met literatuur een rol te blijven spelen in het maatschappelijk debat, juist in dat middenveld telkens maar weer 'elitair' wordt genoemd. De door literatuur aangebrachte nuances, bedenkingen en wat dies meer zij, vertegenwoordigen niet De Juiste Opvatting.

    Dat maakt dat het maken van een tijdschrift zo vaak zo vergeefs lijkt te zijn. De vraag voor wie men het eigenlijk doet stelt iedere zichzelf respecterende redactie zich van tijd tot tijd — en de antwoorden kunnen variëren van 'men doet het vooral voor zichzelf' (dixit oud-redacteur Jürgen Pieters) tot 'omdat iemand het moet doen' — er met andere worden een haast existentieel te noemen gevoel bestaat van de noodzakelijkheid van het soort reflectie waarvoor literaire tijdschriften de ruimte bieden. De kranten doen dat allang niet meer. De intellectueel is uit de publieke ruimte verdreven ten gunste van het haastwerk van journalisten die de tijd niet meer krijgen om zich in wat dan ook maar te verdiepen (zie: Nick Davies, Flat Earth News) — maar wier invloed intussen immens is. Men houdt met andere woorden (vanuit een in se morele overtuiging) vast aan de noodzaak van iets waarmee 'de rest van de wereld' allang achteloos heeft afgerekend.

    Erik.nYErik Spinoy noemde dat 'doodsdrift' — en hij heeft niet eens ongelijk. Zijn bijdrage klonk wat vermoeid, vond ik, misschien omdat hij ook aandacht besteedde aan de ontstaansgeschiedenis van freespace Nieuwzuid en zo te spreken kwam over de affaires en toestandjes waarmee het maken van tijdschriften ook vaak gepaard gaat. De felheid van de discussies binnen de yang-redactie zoals ik die heb meegemaakt, de vaak ellenlange maildiscussies die daar nog bij kwamen (Bert Bultinck, iemand met wie het goed bekvechten is, refereerde daar nog aan), heb ik zelf altijd als heel vruchtbaar ervaren, maar leidden niet tot schisma's, bloeddorst, scheidingen en wat dies meer zij. Dat is in het verleden wel anders geweest, en er komt een tijd dat je daar het nut niet meer zo van inziet. En zoals Spinoy bij een eerdere gelegenheid eens tegen me zei: hij maakte nu toch al heel lang tijdschriften, en, zoals hij dan gisterenavond weer zei: dat gaat niet zelden ten koste van je eigen werk.

    Bert B. refereerde in zijn bijdrage aan de periode waarin aanvankelijk nog Jürgen Pieters, een korte tijd Jeroen Overstijns, daarna Geert Buelens (over wie hij verder niets ging zeggen: die kreeg tegenwoordig al prijzen genoeg, grijnsde hij), Inge Arteel, Piet Joostens, hijzelf en wat later: Daniël Rovers, Sascha Bru en ik van de redactie deel uitmaakten. Het 'mimesis'-idee zoals dat binnen het toenmalige yang ontstond, bleek wonderwel aan te sluiten bij wat ik in de essaybundel De inwijkeling aan de orde had proberen te stellen, al was de werkelijke reden voor mijn toetreding van meer huishoudelijke aard: de toenmalige redactiesecretaris Tom Van de Voorde had vrij onverwacht aangekondigd er mee op te willen houden. Ik bood mijzelf aan. En belandde vervolgens ook in de redactie.

    Na B. las eerst Jeroen Theunissen voor uit zijn volgende week zaterdag te verschijnen bundel Het zit zo, en daarna was het woord aan Piet Joostens, die de 'mission statement' van nY voorlas — en na alles wat er gezegd was, kwam in dat statement de nadruk als vanzelf te liggen op de continuïteit. Als was het steeds meer van hetzelfde. Toch is dat niet zo. Wat de verschillende redacties uit de afgelopen 20 jaar van elkaar scheidt, is de samenstelling ervan, de persoonlijke inzet van een Stefan Hertmans, een Hans Vandevoorde, een Jürgen Pieters, een Geert Buelens of Bert Bultinck en de daaruit voortkomende dynamiek: de tegenstellingen, de overeenstemming, de energie. Ik denk dat de verjonging die nu in de redactie is ingezet, met Joostens als overgangsfiguur, uiteindelijk weer tot nieuwe vergezichten zal leiden — zelfs al zou men over twintig jaar vaststellen dat er ook in die periode steeds om hetzelfde gestreden is.

    Waarna ik mijn hutkoffer weer kon inpakken, iets lichter geworden nu, zij het dat de afname in gewicht teniet werd gedaan door de vanwege alcoholgebruik ingetreden spierverslapping. Men wordt uiteindelijk voor alles te oud, voor de redactie, voor het secretariaat. Misschien ook omdat men in het steeds maar weer willen verleggen en vervolgens ook verleggen van grenzen op een zeker moment op de grens stuit die men niet meer over wil (of kan) gaan?

    nY-04

  • Pin it!

    Rome


    luchter


    Het is vreemd om in het midden van de nacht wakker geschud te worden en vrijwel onmiddellijk te weten: dit is een aardbeving. Vreemd, want je maakte nog nooit een aardbeving mee. Je knipt een lichtje aan en ziet aan het plafond van je modieus ingerichte appartementje tussen het Colosseum en de San Giovanni in Laterano een wit geschilderde luster heen en weer zwaaien als een wierookvat. Nergens een scheur in de muur. Wel het huilen van je kind, ook wakker geschud. Maar omdat alles daarna terugkeert tot huis, appartementsblok, fundament en Rome, is het gemakkelijk om te troosten. En je slaapt weer in. De volgende dag een eerste schatting in de krant: rond de tweehonderd doden, een goede honderd kilometer verderop. De volgende dag ook een nieuwe aardschok en opnieuw bewegende verlichting aan het plafond, maar nu zegt het kind dat je gerust kunt doorgaan met voorlezen; het houdt wel weer op. Het houdt inderdaad weer op.

    Meer dan twintig jaar geleden voor mij — Rome. Ik twijfel tussen 1986 en 1987, vermoedelijk het laatste. Er staat me vagelijk iets van bij dat ik me door de eeuwige stad bewoog als kersverse dichter — juist mijn allereerste Contract op zak van De Bezige Bij en met werkelijk geen idee wat dat zou inhouden: dichterschap. Foto's van die gezegende staat heb ik niet in mijn bezit. Het was een ander leven dat ik al lang geleden verliet met achterlating van snapshots en ander beeldmateriaal. Alleen de foto op de achterkant van Komgrond geeft nog een idee, genomen voor één van de zuilen op het St. Pietersplein en vervolgens door de vormgeefster en mijn toenmalige levensgezellin (tevens de fotografe) nog wat bewerkt. De foto deed Anneke Brassinga met veel vrolijk gevoel voor relativering later vragen wat of dat toch was, dat witte daar onder dat openhangende eighties hawaïshirt: 'ik vroeg me af: heeft-ie een schotwond? Is het verband?' Nee, grijnsde ik, zo'n tasje voor je waardepapieren. 'Italianen, weet je wel', zei ik. Angst was een betere verklaring geweest voor deze hang alles zo dicht mogelijk op het eigen lijf te dragen, als het dat al niet is wat in het woord 'Italianen' wordt uitgedrukt.

    coverkg


    Wat me er aan doet denken: de vorige keer dat ik in Rome was sloeg de bliksem een kleine twintig meter voor mij in: helle lichtflits, vonken en het gevoel dat iemand me bij de ruggengraat had vastgehad en eens flink door elkaar had geschud.

    Meer dan tweehonderd doden, zo zagen we op tv na nog een schokje.

    Het tv-verslag van de ramp had hetzelfde bedenkelijke niveau als overal elders: men is uren 'in de lucht' met geen nieuws, totdat een politicus er handig gebruik van maakt, in de eerste plaats natuurlijk Berlusconi, met zijn 'zie het als een kampeervakantie' tegen de in tentenkampen ondergebrachte slachtoffers. Zeggen dat je maar even naar Italianen hoeft te kijken om te begrijpen waarom ze zo'n charlatan tot premier hebben gekozen, is weliswaar erg verleidelijk, maar slaat natuurlijk nergens op. Domheid en ijdelheid zijn niet specifiek voor het Italiaanse volk, maar datgene wat je soms de democratie in twijfel doet trekken. 'Democratie kon volgens Kowalski alleen maar werken als alle mensen intelligent zouden zijn en wisten waar ze het over hadden, maar de meesten waren dom en het kon ze alemaal niets schelen', zo staat er in Bernlefs laatste roman De rode droom — een parabel over het socialisme, zo zou je kunnen zeggen (ik schreef er over voor De Leeswolf), of misschien meer nog: een parabel over het individu dat het 'Er Is Geen Alternatief' te lijf blijft gaan.

    politicsoffearcoverlarge


    Over dat laatste ben ik nu aan het lezen in Frank Furedi's Politics of Fear, een boekje dat ik nog voor het hiervoor genoemde Where Have All the Intellectuals Gone? wilde lezen. In dat boekje heet het 'There Is No Alternative', afgekort tot TINA. Ik heb het nog niet uit, maar het zet alvast aan tot denken waar hij het heeft over de huidige protestbewegingen: van anti- of andersglobalisten tot de Witte Mars in België ziet hij vooral eigenbelang en angst voor de toekomst prevaleren. Hij rekent en passant ook af met de idee dat alleen links in een crisis zou verkeren; ook rechts heeft de afgelopen decennia (en dat al sinds de Tweede Wereldoorlog) geen werkelijk alternatief toekomstperspectief meer in huis. Dat is een bijna geruststellende gedachte voor iemand als ik, die bang is dat zijn eigen linksheid maar een modeverschijnsel is geweest. Al is het ontbreken van perspectief natuurlijk juist een teken van de uitputting van de politiek als geheel en van het alomtegenwoordige disengagement, waardoor we voorgoed 'frozen in the present' lijken te zijn.

    In Rome intussen werd ik gebeld door iemand van de radio. Ze hadden het idee opgevat een schaduwjury voor de komende Gouden Uil samen te stellen, die dan in het programma op de dag van de uitreiking haar voorkeur bekend zou maken. Wat een vreemd idee… Zeker gezien het feit dat ik me als jurylid, of zelfs als beoogd voorzitter van die jury, zou moeten houden aan de nominaties van de officiële jury. Daar begint het al mee. In mijn jury zouden minstens Jeroen Theunissen en David Nolens op de shortlist gestaan hebben als twee schrijvers die het afgelopen jaar werk afleverden dat ik niet door anderen geschreven zag worden.

    Bedoel ik daarmee dat er voor mij in de keuze voor de huidige jury dertien-in-een-dozijn-werk zit? Zeker niet alles, zei-hij-tactvol. Maar kijk eens, ik blijf bij mijn al eerder geformuleerde standpunten: het is déze jury die déze nominaties heeft gedaan. Een andere jury zou anderen gekozen hebben. Een schaduwjury die zich aan de reeds genomineerde werken moet houden, is dus eigenlijk een beetje potsierlijk. En omdat ik nu wat minder naïef door Rome liep dan pakweg twintig jaar geleden, vermoedde ik in deze constructie behalve een poging tot natuurlijk altijd te rechtvaardigen amusement, toch ook wat kritische bedoelingen, gezien de heisa die er rond deze nieuw samengestelde jury is geweest. Dat werd overigens ontkend. Zoals degenen die de heisa rond die jury mede veroorzaakten laatst nog ten overstaan van mij ontkenden dat het iets te maken had met de keuzes van de vorige jury, ook al was er dan — men zei het echt — voor mij wat 'collatoral damage' geweest. 'Collatoral damage'… dat zijn toch gewoon onschuldige doden, of heb ik het nu mis? Zo bezien viel het nog mee dat men het niet over 'friendly fire' had.

    In Italië liep het dodental intussen op tot 291.

  • Pin it!

    Werken in uitvoering


    De afgelopen weken een tekstproducent geweest, of me toch zo gevoeld — een met liefde gemaakte speech (hieronder), een met amecht geschreven essay (voor yang), een met veel plezier geschreven recensie (voor De Leeswolf; over Gaston Franssens Gerrit Kouwenaar en de politiek van het lezen én over de nieuwste bloemlezing uit Kouwenaars werk, Vallende stilte), vervolgens nog een, nu met villein plezier geschreven essay (voor Nieuw Zuid), tussendoor werkend aan het radioboek dat deze maand nog af moet. Intussen geïnterviewd prijsbeest in wereldstad Eeklo, en gisteren nog eens hier in Gent, in ‘De Paarse Zetel’. Voorgelezen in Den Haag op de prozaversie van ‘Dichter aan huis’, waar de bewoner van het huis waar ik te gast was me wist te vertellen dat ik eigenlijk een paar huizen verderop had zullen zitten (daar zat nu Kees ’t Hart), maar dat de bewoners van dat pand bezwaar hadden tegen al die smerige seks in mijn boek. Ik hoopte vervolgens dat Kees daar ten huize vooral de eerste pagina’s van Blauw Curaçao zou voorlezen (wat hij niet gedaan had, vertelde hij me later). Daarnaast voor het fantastisch leuke programma van Koen Fillet, zondagavond van elf tot twaalf op Radio 1, aan de hand van de door hem bedachte thema’s naar nummers gezocht en tekstjes ingesproken — iets wat ik zo vaak mogelijk wil blijven doen.

    6646-p vvi9789021434537


    Als dit zo doorgaat, blijft er van mijn heilige principe van het lummelen weinig meer over, van het ‘niets doen’, dat bestaat uit ongericht lezen van stukken romans, halve studies over de meest uiteenlopende onderwerpen waarover ik het in mijn kop heb gehaald dat ik er dringend iets van af moet weten, dit allemaal met het oog op wat er later aan de schrijftafel verricht moet worden. Meestal blijft dat residu. Stel je voor: voor Het grote uitstel ploeterde ik zelfs in het oeuvre van Hegel, waarvan gelukkig nog maar een enkel zinnetje in dat boek getuigt. En wat ik ter voorbereiding van Touchdown (toen ik nog niet wist dat het dat boek zou worden dat ik ging schrijven) allemaal over ruimtevaart heb gelezen, grenst aan het puberale. Gelukkig is het einde van een en ander in zicht, al heb ik mezelf voorgenomen om in de bibliotheek van Merelbeke, halfweg december, een soort theatrale uitvoering van Het grote uitstel te geven — hopelijk niet al te zeer van het ‘tussen de schuifdeuren’-niveau. Voorlezen, muziek, beeld, zang bij krukkig gitaarspel — en dat alles zonder technicus en met één laptopje. Hoe dat allemaal moet… En o ja, ‘De Nachten’ zijn er ook nog…

    IMG_7441


    Maar alweer enkele weken geleden, op 4 oktober, leidde ik, samen met mijn ‘vaste’ medefeestspreker Bart Van Loo (wij mochten ook al schitteren op een avond die door De Leeswolf / De Leeswelp was belegd), het nieuwe boek van Willem van Zadelhoff in, Vuur stelen. Dat deed ik ongeveer zo:

    Dames en heren,

    Misschien heeft iedereen dit: als je aan je eigen jeugd terugdenkt, hebben de herinneringen iets unieks, alsof jij de enige was die precies dit overkwam en die precies zo in de tijd stond. Nou ja, jij, en de mensen om je heen, klasgenoten, vrienden… En misschien duurt het ook wel tot de gezegende leeftijd waarop eindelijk de nostalgie intreedt, het moment waarop men besluit na jaren van schouderophalen bij alweer een uitnodiging tóch maar eens naar zo’n schoolreünie toe te gaan, het moment waarop blijkbaar programmamakers op tv ook jouw leeftijd hebben bereikt en met vertedering over Ad Visser en Toppop beginnen, over Puchs en Kreidlers, over bellbottoms en geborduurde jeans — misschien, bedoel ik, moet men de voor mensen van mijn leeftijd onwaarschijnlijke vijftig jaar naderen (een getal dat niks maar dan ook niks met ons te maken heeft) voordat men eindelijk begrijpt dat geen enkele herinnering werkelijk uniek is; voordat men eindelijk doorheeft dat men tot een
    gemeenschap behoort, met in zekere zin, ondanks alle ontzuiling en globalisering, toch gemeenschappelijke herinneringen, en zelfs gemeenschappelijke… eh… waarden, zal ik maar zeggen. Zeker voor wie in de kunst verzeild raakte — de beeldende of de literaire, dat maakt niet uit — heeft de suggestie dat we iets aan het maken zijn dat eventueel herkenbaar is, altijd de bijsmaak van verraad, zozeer is onze generatie, die van Willem, die van mij, opgegroeid met het idee dat in het contrair zijn onze vrijheid en onze waardigheid besloten liggen. Al het andere is toegeving, uitverkoop, kuddegedrag en dus, op zijn zachtst gezegd: laakbaar. Het individualisme, en de daarmee gegeven noodzaak uniek te zijn, is onze gesel en onze god — al schrijven we dat laatste woord dan natuurlijk wel met een kleine letter: uit protest, als bewijs van onze onafhankelijkheid, en misschien nog een heel klein beetje uit verlangen om, voor zover nog mogelijk, te blijven shockeren.

    Geen wonder dus dat ik in
    Vuur stelen het nodige herkende — niet zozeer in het directe verhaal dat in het boek verteld wordt, maar vooral in wat de personages drijft, in de specifieke herinneringen die worden opgehaald — herinneringen aan een toneelschool dan ook nog. Dat was toentertijd maar één stap verwijderd van zoiets als de Sociale Academie — waar, zo werd gefluisterd, studenten de hele dag in kussens lagen en elkaar aan het eind van elk semester zelf evalueerden — en het kwam ook akelig dicht in de buurt van willekeurig welke kunstacademie — waar studenten, tot weinig anders in staat, de grootste rotzooi produceerden, maar toch met vlag en wimpel slaagden omdat ‘het proces’ dat hen tot die rotzooi gebracht had zo goed was geweest. Men mislukte er met brille. Die herkenning van een wereld levert ook in Vuur stelen een pijnlijke waarheid op: dat al het gezever over onze individualistische onafhankelijkheid en kritische zin of onze kritische onafhankelijkheid en individuele zin niet eens van onszelf afkomstig was.

    Want rekent u even mee? Ik ben er niet voor om boeken geheel autobiografisch te lezen, maar het hoofdpersonage uit het boek, alsmede zijn directe tegenspeler, is, net als de auteur, geboren in 1958 en zou dit jaar vijftig worden. Dat betekent dat zij
    niet tot de mei ’68-ers behoren van wie al die linksigheid uit hun (en ook mijn) jeugd afkomstig is, alle ideeën over kritische zin, opstand tegen het gezag, het belang van het individu en alles waarmee de mei ’68-generatie, ook wel de Protestgeneratie genoemd, ons, vooral Willem en mij, heeft opgezadeld, godverdomme.

    9789085421450


    Het waren
    docenten, de hufters die verdomme betaald werden om ons te leren hoe de wereld in elkaar zat — zij waren het die dingen tegen ons zeiden als die welke in deze roman op pagina 169 staan: ‘Jullie zitten op een toneelschool,’ zeiden ze, ‘Jullie denken dat jullie toneel moeten maken.’ Maar het moge duidelijk zijn dat toneel maken wel het laatste was wat je op een toneelschool diende te doen, niet waar? Nééé, daar moesten we dringend van af, van het toneel. Zoals we in de kunstacademie van de kunst verlost moesten worden. En in literatuur van de literatuur natuurlijk. En in het algemeen moesten we van de bourgeois verlost worden, van die klaarblijkelijke onmens, die door het kapitalisme volgevreten potverteerder die overigens al enige eeuwen kunst, toneel en literatuur schraagde maar er blijkbaar het volk enkel zoet mee had gehouden. Tegen de muur ermee. Die kant moest het op, begrijpt u wel?

    En in toneel zelf moest het dan om vervreemding gaan, hè, zoals Bertold Brecht die voorstond, weet je wel. ‘Identificatie leidt tot verlamming,’ lees je elders in het boek. Nee, we moeten de toeschouwers ‘lachspiegels’ voorhouden, want dan ging je identificatie tegen, niet waar? Dan maakte je hen bewust van de fictieve constructie die elk toneel, maar dus ook het toneel van de alledaagse werkelijkheid in feite was. Snapt u ‘m? Dan kreeg die toeschouwer inzicht in hoe hij dagdagelijks bij de neus werd genomen. Door die bourgeois natuurlijk! Wat had u dan gedacht! En door de kapitalist, als dat al niet hetzelfde is. Het toneel liet hem zien dat alles toneel was en dat er, zoals bij alle toneel, door iemand aan de touwtjes werd getrokken. Voelt u ‘m? En daar moesten we dringend van af. We moesten, kortom, allemaal kleine Prometheusjes worden, begrijpt u wel?

    Prometheus: de man die het vuur van de goden stal en voor straf aan een rots in, ik meen, de Kaukasus werd geketend waar iedere dag een adelaar aan zijn lever pikte, een lever die ook iedere dag weer aangroeide. Prometheus die in de literatuur als de verpersoonlijking van het individualisme en de daarmee verbonden, daaraan inherente bevrijdingsdrang wordt gezien. Prometheus, over wie het steeds maar gaat in
    Vuur stelen — meer precies over Prometheus geboeid, een tragedie van Aischylos, uit vier, vijf eeuwen voor Christus, een tragedie die hoofdpersoon Bob Moreno vroeger op het toneel zou brengen met in de hoofdrol Hugo Maris, een latere televisiester.

    Maar Hugo Maris haakt af. Hij kan de rol niet spelen, misschien omdat hij datgene beseft waarvan dit hele boek doordrongen is: dat hij géén Prometheus is, dat het prometheïsche waarmee hij en de rest van zijn generatie is grootgeworden zelf het schoolvoorbeeld is van een toneelmatige werkelijkheid, van iets dat niet ‘echt’ lijkt, maar ‘bedacht’, iets waarin hij onmogelijk kan geloven. Er wordt in het boek geregeld aan dit gevoel van onechtheid gerefereerd, zij het zonder precies dat woord te gebruiken. Als het niet zo ironisch was, zou je moeten zeggen: de hoofdpersonen in het verhaal lijden aan vervreemding. Die maakt hen niet kritisch en zelfstandig, zoals de theorie voorschrijft, die brengt hen niet terug bij het ware zelf dat onder het ‘valse bewustzijn’ verscholen zou zitten, zoals de marxisten dat noemden, — nee, die vervreemding maakt hen daadwerkelijk ontheemd. ‘Links zijn, dat ging nog, maar de theorie…,’ zo heet het ergens. En elders: ‘Ik onderga alles’. Weer op een andere plek: ‘Voor hem was het allemaal spel. Niets nam hij serieus, ook het leven niet.’De relativering van de waarheid gaat voor deze generatie aan de formulering van waarheden vooraf; de relativiteit van elke werkelijkheid aan de ervaring ervan. Ons leven is een ‘Glasperlenspiel’, zoals de Duitse filosoof Peter Sloterdijk het ooit noemde, een theater dat we als theater doorzien, waar geen werkelijk
    Anders-zijn meer tegenover staat. Prometheus geboeid inderdaad, vastgeketend aan een verlangen naar het daadwerkelijke andere dat we tegelijkertijd menen te doorzien en zo onmogelijk maken. In die zin zijn wij niet geketend omdat we het vuur hebben gestolen, maar juist omdat het ons al op voorhand zelf ontstolen werd. Nóg een keer Sloterdijk: ‘Wir sind aufgeklärt, wir sind apathisch’.

    De nostalgie die ik voel bij het lezen van ook dit boek weer (al is het geenszins de bedoeling van dit boek om nostalgisch te zijn) is niets anders dan het paradoxale verlangen nog één keer te kunnen geloven in de waarheid van wat onze grootste fictie blijkt te zijn geweest: het, achteraf, naïeve geloof in onze toentertijd nooit betwijfelde, maar veeleer vanzelfsprekende, bijna natuurlijke kritische, zelfbewuste houding — het zalige gevoel ook dat links de plaats had ingenomen van wat in het Christendom Het Goede heette, ook al wisten wij evenmin als de gemiddelde Christen hoe of waarom. En ook omdat het verlangen naar de betere wereld die links toen voor ogen stond niemand van deze generatie onberoerd heeft gelaten — we zijn ofwel als gevolg ervan gruwelijk cynisch geworden ofwel tot snikkens toe nostalgisch, en soms, niet zelden, allebei tegelijk.

    Ook die dubbelheid zit in dit boek. Niet dat
    Vuur stelen precies hierover gaat. En zeker niet uitsluitend. Er wordt nog een heel ander verhaal verteld, maar dat kunt u gemakkelijk zelf lezen. Maar het is wel precies deze onzegbare, in zichzelf verwarde cynische nostalgie die ook aan dat verhaal zijn tragiek geeft — die de tragiek is van onze generatie, van een Prometheus zonder lucifers, een tragiek ook die we nauwelijks uitgelegd krijgen — aan anderen niet, aan onszelf nog wel het minst. Alleen in literatuur, misschien, kunnen we er iets van laten zien, en laat Willem er in dit boek iets van zien. Met een laatste paradox: de brechtiaanse vervreemding waarover het in de gesprekken in dit boek steeds gaat, wordt hier gepaard aan de inleving zoals de oude Grieken die voorstonden: het op- en ondergaan in de lotgevallen van de held van een tragedie, een identificatie voor de duur van het spel, een volledig samenvallen met de fictie zolang die duurde — waarna men gelouterd het theater verliet. Ik wens u bij lezing van dit boek hetzelfde toe.

    9789085420910


    Intussen verscheen ook de nieuwe roman van Jeroen Theunissen, ingeleid door Annelies Verbeke. Een vorm van vermoeidheid is, zo werd die avond gezegd, Jeroens beste boek tot nu toe. Een schrijver kan niet anders dan dat tegen zichzelf zeggen, maar als lezer kan ik het beamen. Ik kan het bijna niet anders dan psychologiserend benaderen, niet zozeer om aan schedellichting van de auteur te doen (daarvoor is geen enkele roman werkelijk geschikt), maar het schrikwekkende van dit boek is de terloopsheid waarmee ons volkomen ingepamperde bestaan, een zeker soort gelukkige tevredenheid, te gronde wordt gericht. Dat te gronde richten is op zich iets wat je verwacht, maar het is die terloopsheid die de destructieve tendens in zelfs de grootste burger — nee, in de burger in onszelf — op een huiveringwekkende manier voelbaar maakt. In je auto zitten en denken: nu rijd ik door, weg, geen idee waarheen, maar ik ga (en het dan niet doen, toch de afslag nemen, toch je straat indraaien met een vaag gevoel van schuld en zelfmedelijden). Het diepe verlangen naar de ander in het zelf — een fantasma waarschijnlijk, maar bij tijd en wijle reëel genoeg. Daarover gaat het boek. Onder andere.

    En, dat is het punt denk ik, daarin sluit het aan bij wat ik heb leren zien als misschien wel typisch voor mensen van Jeroens generatie (laten we zeggen: geboortejaar 1975 en later). Enfin, oppassen voor generalisaties, maar wat voor ‘mijn’ generatie geldt — ons onthand zijn, onze late woede tegen de grote bevrijders van mei ’68 die geweigerd hebben ons een wereld uit te leggen terwijl ze ons tegelijkertijd met de plicht van het idealisme opzadelde — geldt nog dubbel zo hard voor een generatie later, de generatie waarin pragmatisme allang ons hopeloze idealisme heeft afgelost. Dat pragmatisme levert een soort gelukzaligheid op, en als er al een drang is daar uit te breken, kent ze geen object. In een ‘betere wereld’ valt op voorhand niet te geloven, of in welke legitimatie voor het te gronde richten van het alledaagse bestaan dan ook maar. Er wordt niet eens de vergissing gemaakt van gestelde (eventueel revolutionaire) doelen; er is geen enkele reden. Dat maakt Een vorm van vermoeidheid gitzwart. Ik had steeds de neiging de hoofdpersoon — Horacio Gnade — elke vorm van genade te onthouden en hem af te rekenen op zijn volstrekte immorele gedrag,maar werd steeds gestuit door het besef dat hij veeleer a-moreel is.

    vvi9789021434575


    Nu wacht me eerst de nieuwe bundel van Bart Meuleman, omdat ik ziek werd. ‘als mens ben ik compleet ontgaan’, lees ik. Nee, dit wordt alweer geen vrolijke eeuw, als je het mij vraagt.