hotel new flandres

  • Pin it!

    Na & voor het spektakel


    Vorige week woensdag was in Passa Porta het debat over 'de zin en onzin van Vlaamse poëzie', naar aanleiding van de bloemlezing van Van Bastelaere, Jans en Peeters. Na alle onnodige commotie en, voor specifiek de yang-redactie ook nog eens een vervelende aanvaring met Knack-journalist Hoorne en zijn baas Karl Van den Broeck (tegen hardnekkig liegen door hen die binnen het medialandschap een zekere macht bezitten, is niets te beginnen), was de avond zelf haast weldadig theoretisch van aard. Moderator Dirk De Geest had er duidelijk voor gekozen het geblaat rond de bloemlezing terzijde te laten en concentreerde zich op de gebruikte en niet altijd even consequente criteria, op wat Vlaamse poëzie dan precies onderscheidt van andere poëzie, op het onderscheid tussen Vlaamse en Nederlandse poëzie, en had voorts aan de deelnemers gevraagd om uit de bloemlezing ieder een gedicht te kiezen dat ze de moeite waard vonden.

    Philip Hoorne had op het laatste moment — misschien nadat hij de door De Geest voorbereide vragen had gezien — afgezegd; ik vermoed ook dat hij in een debat als dit alleen wat had kunnen stamelen. Ook Barnard, wiens scheldkannonades altijd eloquent zijn, schitterde door afwezigheid. Naar buiten toe versterkt dat nog maar eens de indruk van kwaadwilligheid: als het écht over de kwestie gaat, daagt men niet op. Ook ander voetvolk van het verongelijkte deel van de dichtende natie was niet aanwezig. Misschien zat dat zich op te winden over de verkiezing van de dichter des vaderlands, een ander bijzonder verheffend gebeuren in Gedichtenland. (Als men het geharrewar over werkelijk de meest futiele zaken in aanmerking neemt, is het te begrijpen dat poëzie door het grootste deel van de bevolking wordt genegeerd: dichters blijven, nog meer dan prozaïsten (onder wie er toch ook enkelen zijn die zich niet onbetuigd laten), last hebben van het idee dat ze de wetgevers van de wereld zijn, en schijnen niet door te hebben hoe potsierlijk zoiets is).

    Het maakte in ieder geval dat in Brussel alleen Van Bastelaere en Brems Dirk De Geest op het podium vervoegden — op zich, met het oog op de geschiedenis, een pikant duo. Ooit (eind jaren tachtig, begin jaren negentig) verscheen er in yang een gepeperd 'dossier Brems', waarin onder meer een interview door Van Bastelaere en Spinoy met de hoogleraar. De beide jonge dichters zaten zich er, volgens de regels van de kunst, uitgebreid breed te maken tegenover een gezagsdrager met een, in hun ogen, natuurlijk geheel foute smaak. Een klassieke setting. Mocht er tussen beiden — VB en B — nog animositeit hebben bestaan (wat ik niet geloof), dan was er deze avond in ieder geval niets van te merken. Dat gaf dan Els Moors na afloop weer in dat het wat haar betreft slaapverwekkend was geweest. Een beetje bloed aan de muur had wel gemogen, vond ze. Ik was blij dat we daarvan gespaard waren gebleven. Het soort opwinding waar zij blijkbaar naar zoekt, vind ik nogal vermoeiend, ook al omdat de ervaring leert dat in dergelijke gevallen de meeste energie gestoken wordt in de poging de tegenstellingen zo te arrangeren (of ze nu daadwerkelijk bestaan of niet) dat 'het' publiek denkt dat er nog iets anders aan de hand is dan — in dit geval — de publicatie van een bloemlezing.

    pic_090


    Aan circus overigens binnenkort geen gebrek: ik sta kort voor een heuse tournee in het kader van Saint Amour. Als ik het programma overzie, dan lijkt me dat ik menigmaal in het holst van de nacht thuis zal komen, met moeite een paar uur kan slapen, om daarna weer richting Antwerpen te rijden om er in een bus te stappen, op weg naar Leeuwarden of Utrecht of Enschede, Kerkrade, Dilbeek of Arnhem. Dat gaat een zware wissel trekken op het gezinsleven — maar ik zie er natuurlijk in het geheel niet tegenop. Ik zie het nog steeds als de voortzetting van festiviteiten die vorig jaar april zijn begonnen en waarvan ik nu nog eens met volle teugen ga genieten.

    Het verlangen naar stilte is inmiddels weliswaar groot — zeker nu ik niet langer in de redactie zal zitten van nY. Ik merk nu pas, nu ik de maildiscussies die zich natuurlijk onverminderd tussen de redactieleden afspelen niet meer op de voet hoef te volgen, hoeveel ruimte yang altijd in mijn hoofd innam. Dat hoort ook zo als je redacteur bent. Het kwam niet zelden voor dat ik een uur of twee per dag bezig was om deel te nemen aan een op mail ontstane discussie en daarvoor ander werk terzijde schoof. Nu mijn werkzaamheden zich tot de praktische zaken beperken, scheelt dat enorm in tijd.

    kees t hart de keizer en de astroloogTussendoor lukte het om eindelijk Kees 't Harts De keizer en de astroloog uit te lezen. Een vintage Kees 't Hart, als je het mij vraagt, en meer nog dan anders een soort mentale biografie van de schrijver. Het verkondigt, tussen al het psychiatrisch (en astrologisch) jargon door, de onwil tot en onwenselijkheid van genezing. Via Keizer Wilhelm II in Doorn gaat dit boek vooral (eigenlijk; het staat nergens letterlijk) over de jonge arts Simon Vestdijk die op het eind voor de literatuur kiest. En via Vestdijk gaat het over het schrijverschap van Kees 't Hart zelf, voor wie bijvoorbeeld Vestdijks De redding van Fré Bolderhey (1948) een soort oerboek is (men vindt daarvan al de sporen in zijn De neus van Pinokkio (1990)). Het boek komt in feite uiteindelijk uit op wat Slavoj Žižek — uiteraard zwaar leunend op Lacan — 'Enjoy your symptom' noemde. Men leeft zijn ziekte, zoals men continu leeft met het verlangen naar genezing van die ziekte. Maar zonder zijn ziekte is men niets. Catharsis betekent in Kees 't Harts werk altijd verdieping van de tragedie die men zelf is. En zo is het volgens mij in alle literatuur die ertoe doet.

    Of het bij Gerhard Rühm ook zo is, staat nog te bezien. Ik kreeg afgelopen woensdag van Erik de Smedt, met wie ik en Koen van Baelen voorafgaand aan de Beschrijf-avond iets aten, een door hem vertaalde keuze uit diens gedichten en korte toneelstukken, zeer fraai uitgegeven door Zegwerk. Het gaat hier natuurlijk veel minder om de met het schrijverschap verbonden klassieke romantische noties, zag ik al; dit is conceptueel, in de Nederlandse poëzie verwant met die andere Gerard, Gerard Stigter (K. Schippers). Ik ben benieuwd hoe dat valt.

    rühm

  • Pin it!

    Oud & nieuw


    De afgelopen weken hard gewerkt op vele fronten tegelijk. In de eerste plaats het laatste nummer van yang afgewerkt — het laatste nummer voor de doorstart als nY na de fusie met Nieuwzuid. Die is nu officieel bekend gemaakt, eerst door Dirk Leyman in De Morgen, vervolgens op zijn De papieren man, maar het was al wat langer bekend dat die er aan zat te komen. Daar hebben veel opgewonden standjes zich alweer erg druk over gemaakt, uitgaande van alles wat mooi en, vooral, lelijk was. Dat yang al meer dan tien jaar — en dus meer dan 7000 pagina’s lang — heeft laten zien geen bolwerk van ‘doctrinair postmodernisme’ te zijn, maakt tegenover degenen die het blad niet lezen natuurlijk geen indruk. Dat Dirk van Bastelaere, die als opperhoofd van dat doctrinair postmodernisme wordt beschouwd, al tijdenlang binnen Nieuwzuid weinig ondernam, was misschien wat minder zichtbaar. Dat diezelfde Van Bastelaere geen deel uitmaakt van de nieuwe redactie van nY kon natuurlijk niemand weten, maar is feitelijk het geval. Wat niemand van de grote club der verongelijkten ervan weerhield over dit soort zaken alvast ruimschoots uit de nek te lullen. Tegen kwaadwilligheid is nu eenmaal niets te beginnen.

    Die redactie van nY, dat wil zeggen: ‘de dagelijkse leiding’, bestaat uit Piet Joostens, Johan Sonnenschein, Bram Ieven en Matthijs De Ridder. Dat betekent dat ook ik na 8 jaar redacteurschap met dit laatste nummer van yang uit de redactie stap. Ik blijf enkel het secretariaat doen: plak postzegels, betaal mensen uit, regel de belastingen en alle formele zaken die een rol spelen — en daarmee verdien ik een bescheiden inkomen. Maar het redacteurschap van yang leidde het afgelopen jaar al meermalen tot de overweging dat ik nieuwe redacteuren zo langzamerhand in de weg begon te zitten met plussen en minnen bij plannen, ideeën en bijdragen waar zij in de eerste plaats alleen maar enthousiast over waren. Dan moet men het stokje doorgeven, vind ik. Niet omdat een redactie het volledig eens moet zijn — dat was in yang gelukkig nooit het geval — maar omdat het meningsverschil voor mij op een zeker moment niet vruchtbaar meer was. In ieder geval hoef ik me nu niet langer schuldig te voelen wanneer ik me volledig concentreer op eigen schrijfwerk.

    HNFHet is jammer dat Hans Vandevoorde op het laatste moment nog geprobeerd heeft om yang in diskrediet te brengen. Ik blijf bij mijn eerdere opmerking: dat ik alle commotie rond de bloemlezing Hotel New Flandres niet erg goed begrijp. Ik schreef over die bloemlezing inmiddels zelf een stuk dat eerdaags in De Leeswolf verschijnt (dat was al lang geleden afgesproken). En eenmaal op schrijfsnelheid dat boekwerk nog eens doornemend (voor zover mij dat als een in Nederland opgevoede schrijver mogelijk was, want er staat veel in waarvan ik nog nooit had gehoord, of waarvan ik pas sinds Buelens’ Van Ostaijen tot heden enig besef had)VOTH — eenmaal op schrijfsnelheid, kon ik niet anders dan concluderen dat de bezwaren die ik tegen de bloemlezing heb eerder liggen op het vlak van de keuze voor paradigmawisseling als organiserend principe, dan tegen het gesuggereerde nationalisme van de samenstellers (een suggestie die ook kant noch wal raakt). Ik geloof zelfs dat de keuze voor uitsluitend Vlaamse dichters nu juist met de keuze voor die paradigmawisseling verband houdt.

    Wie vernieuwing als criterium hanteert (dus maar blijft vasthouden aan de ‘traditie van de breuk’ — een volgens mij overleefd idee), komt vanzelf uit bij de constatering die de samenstellers ook doen: dat een in Vlaanderen levende dichter zich eerder richt op coryfeeën als Claus, De Coninck of Nolens dan op Lucebert, Kopland of Kouwenaar. In Nederland ligt dat precies andersom (zozeer zelfs dat De Coninck er tijdenlang werd gerekend tot… de Kopland-school). Daar hebben de samenstellers met andere woorden zeker een punt. Maar het houdt dus nauw verband met de idee van paradigmawisseling als grondprincipe van de literatuurgeschiedschrijving — en juist daar valt mijns inziens heel veel op af te dingen. De retoriek van de vernieuwing is de laatste twee, drie decennia behoorlijk uitgehold (denk aan Pfeijffer) en sluit inmiddels nauwer aan bij marktdenken dan bij de oude geest van de avant-garde.

    Het is een punt dat ook Vandevoorde ergens in zijn stuk maakt en alleen daarom al is het jammer dat hij, om welke mij niet geheel duidelijke reden dan ook (de reden die hij geeft is echt flauwekul), besloot om zijn stuk niet te plaatsen in wat dan nY zal heten. Het stuk zoals dat nu op De Contrabas staat is het resultaat van uitvoerig overleg tussen hem en de redactie van yang. Die heeft hem uiteraard nergens iets voorgeschreven (er bestond binnen de redactie zelf totaal geen overeenstemming over Hotel New Flandres), maar ik ben veeleer geneigd te zeggen dat die hem in bescherming heeft genomen tegen een eerdere versie. Daarin laat hij zich zozeer gaan in een zekere retoriek dat hij er later zeker spijt van gekregen zou hebben — en blijkbaar dacht hij er zelf ook zo over, want in de versie die hij ijlings elders publiceerde (en die nooit door yang is geweigerd, overigens, wat daarover ook wordt beweerd) is hij een stuk genuanceerder. Of liever: dat stuk is gewoon beter dan zijn eerdere versie (en veel meer kan men zich als redactie niet wensen). Het heeft mij verbaasd en teleurgesteld dat een academicus en kenner van de poëzie als Hans Vandevoorde ineens zulke grote bezwaren had tegen de uitdieping van wat je de kwestie Hotel New Flandres kunt noemen. Misschien komt een en ander nog ter tafel op een door Het beschrijf belegde bijeenkomst op 28 januari (ondanks de aankondiging zal ikzelf daar hoogstens als lid van het publiek aanwezig zijn, niet als deelnemer aan enig panelgesprek), al kan men vrezen dat — ook al door de gepeperde site die de samenstellers van de bloemlezing zelf zijn gestart — spraakverwarring en emotie de boventoon gaan voeren. Terwijl er nadien alleen biologische wijn te verkrijgen is… Als dat geen hoofdpijnavond wordt…

    yangredactie


    Een beetje ironisch is wel dat juist nu in Vrij Nederland eindelijk het stuk over literaire tijdschriften verscheen — ingeleid door de even onvermijdelijke als altijd kortzichtige Lisa Kuitert, hoogleraar neoliberale literatuurkunde. De foto met het lichtende ei boven wat de laatste redactie van yang blijkt te zijn — op de valreep promotie. Een mooie prent wel, vind ik, gemaakt met de zelfontspanner en een redelijke camera (pogingen om met de fotograaf tot een afspraak te komen, liepen steeds spaak). In een gesprek bij VPRO’s De avonden over de kwestie kwam helaas niet helemaal tot uitdrukking dat de situatie voor de meeste Vlaamse literaire tijdschriften een totaal andere is dan voor de Nederlandse. Ik hoorde Menno Lievers (van De Revisor) op een zeker moment zeggen dat je als literair tijdschrift tot nu toe afhankelijk was van de goodwill van de uitgever om iets voor het blad te doen (in publicitaire zin bijvoorbeeld). Maar veel van de Vlaamse literaire tijdschriften zijn onafhankelijk en hebben zich georganiseerd in de vzw CeLT,screenshot_54 een stichting die voor de promotie en de distributie van de daarbij aangesloten tijdschriften veel werk verzet. De subsidiëring verloopt ook anders en, als je het vergelijkt, is de situatie voor Vlaamse literaire tijdschriften altijd nog een stuk gunstiger dan voor de Nederlandse — al zijn de problemen qua bereik natuurlijk niet werkelijk anders. De relevantie van literaire tijdschriften lijkt me nog steeds erg groot: ze bieden de garantie voor diversificatie binnen de literatuur, gaan van tobberig naar licht verteerbaar, van bladen met vooral een podiumfunctie voor nieuw, rijp en onrijp talent, naar bladen met een meer academische status. Maar wie zich overgeeft aan ‘de werkelijkheid zoals ze nu eenmaal is’ kan natuurlijk niet anders dan in literaire tijdschriften een ten onrechte nog niet uitgestorven dinosaurussoort zien.

    Hoe dat ook zij: yang zal nog worden uitgeluid, nY worden ingeluid. Piet Joostens was iets te haastig met de mededeling dat dit in de Gentse Vooruit zou plaatsvinden; dat zal nog geregeld moeten worden, en ik geloof dat de redactiesecretaris daarvoor de aangewezen persoon is…

    oorlog_is_geen_kunst_00-large

  • Pin it!

    Hotel


    HNF


    De commotie rond Hotel New Flandres neemt maar geen einde, vooral in Hollandse middens, zo valt me op. Over de vraag of Vlaanderen een apart literair systeem vormt, bekreunt men zich gewoonlijk boven de Moerdijk niet, en er wordt met veel dédain gereageerd op Vlaamse protesten wanneer een hoogleraar een literatuurgeschiedenis schrijft waaruit alle Vlamingen keurig worden geweerd (Ton Anbeek destijds). Maar o wee als die boerenkinkels daar in het zuiden de gewoonlijk door de noordelingen dichtgesmeten deur dan ook maar niet meer open doen (al eens geprobeerd een bij een Vlaamse uitgever verschenen boek in een Nederlandse boekhandel te krijgen?). Meteen moet dan het Vlaams Belang erbij gehaald worden. Zie Barnard. Zie ook Beurskens. Die laatste gaat nog wat verder op zijn weblog door ‘einzelgängers’ typerend te achten voor Vlaams taalgebruik (men zegt ‘einzelgänger’, zonder –s), en het in Nederland zeer ingeburgerde ‘een aantal die…’ op het conto van de Zuidnederlandse taalverkrachting te schrijven. Ach… Laten we zeggen dat het niveau van het Vlaamse onderwijs inderdaad wat aan het dalen is sinds men hier per se Nederland als stralend voorbeeld wil nemen voor zo ongeveer alles wat daar al decennialang verkeerd gaat — al blijft ook dan overeind dat een Vlaamse scholier die het ASO doorliep voorlopig nog steeds heel wat meer in zijn mars heeft dan een Nederlandse scholier die van een Atheneum komt. Bovendien, taalfouten als deze hebben meer te maken met het niveau van de boekverzorging bij de betreffende uitgever dan met het typisch Vlaamse ervan.

    Het is allemaal nogal overspannen, een kolfje naar de hand van sommige websites waar ressentiment voor kritiek doorgaat. Eigenlijk zouden we protest moeten aantekenen tegen elke bloemlezing die nationale poëzie niet ook onmiddellijk in een internationale context ziet. Nu lijkt het alsof er per se teruggekeerd moet worden naar de Groot Nederlandse Gedachte en daarmee de meubels gered zouden zijn. Natuurlijk is het onzinnig om bepaalde invloeden van noord op zuid en vice versa niet te verdisconteren vanwege juist de landsgrenzen, maar anderzijds: neem bijvoorbeeld de Vlaamse postmodernen, Van Bastelaere voorop. Waar in Nederland vind je een met die, eind jaren tachtig in Vlaanderen volop gevoerde discussie waarin er daadwerkelijk iets op het spel stond. Een vergelijking tussen de Maximalen en de jongens van Twist met ons legt een duidelijk verschil bloot dat zich mijns inziens alleen maar laat verklaren door juist het immense verschil tussen de literatuur van Nederland en die van Vlaanderen.

    Met het ‘pomo’-gevoel van de eersten deed de algehele vervlakking zijn intrede in de Nederlandse poëziegeschiedenis: het was een vorm van ont-ideologisering en depolitisering van de poëzie, zeer toegejuicht door de aanhangers van het ‘anything goes’. Het was het begin van de zelfgenoegzaamheid en van de veel gehoorde bewering dat de Nederlandse poëzie tot de beste van de wereld zou behoren. Dat achter het ‘anything goes’ wel degelijk selectiecriteria werkzaam bleven, er poëzie was die méér ‘anything goes’ was dan andere, werd zorgvuldig verzwegen. Het was de tijd waarin een op grond van de niet nader geëxpliciteerde luimen van de heer Komrij tot stand gekomen bloemlezing het tot canon kon schoppen, zozeer zelfs dat je als dichter alleen bestaansrecht had wanneer je daarin voorkwam. Ik bedoel: Komrij mag zijn luimen hebben, wat mij betreft, maar zijn boekwerk is niet representatief voor de Nederlandse en Vlaamse poëzie uit de afgelopen twee eeuwen.

    Kort en goed: als we eind jaren tachtig als ijkpunt nemen, dan is in die tijd de basis gelegd voor het einde van de poëzie als nog iets anders dan enkel het stadsdichterschap en de randversiering waartoe zij nu is gereduceerd. Dat de directe invloed van de poëzie op maatschappelijke gebeurtenissen in onze contreien nooit werkelijk groot is geweest, staat wel vast. Maar tot ongeveer eind jaren tachtig werd ze door dichters nog wel steeds geschreven vanuit de stellige overtuiging dat poëzie een bijdrage leverde aan, ging over onze werkelijkheid. Dat kon toen al betwijfeld worden (gelet op bewegingen als die van Zestig en Zeventig), maar met de Maximalen ging poëzie pas werkelijk alleen nog over (de geschiedenis van de) poëzie. Een nieuwe visie op de werkelijkheid hadden die jongens — maar hadden ook zij waartegen zij zich expliciet keerden — niet; ze wilden alleen maar dat de bestaande werkelijkheidsopvatting (en achteraf beschouwd valt die nog het beste te beschrijven als postmodern (de Vijftigers waren eerder postmodern dan modernistisch)) gerevitaliseerd werd. Maar tegelijkertijd spraken ze hun ongeloof in de mogelijkheid van een dergelijke revitalisering uit door hun eigen optreden te kwalificeren als louter pose.

    Het postmodernisme van Van Bastelaere en de zijnen was juist een poging af te rekenen met wat in Nederland pas na de jaren tachtig een feit werd: het soort ‘anything goes’ dat hier in Vlaanderen al enige tijd door Herman De Coninck werd vertegenwoordigd. Die zat hier op de ‘stoel van de verzoenende poëziekritiek’, zoals het heette (er zijn hier in Vlaanderen nog steeds mensen die met weemoed terugdenken aan het tijdperk De Coninck ). Poëzie moest gere-ideologiseerd worden (een lelijk woord, maar bon) wilde zij überhaupt als poëzie overleven. Het merkwaardigste blijf ik vinden dat bijvoorbeeld iemand als Van Bastelaere nooit werd aangevallen op specifiek zijn ideologie, maar altijd alleen op het feit dat hij van mening was dat poëzie ‘een wereldse inbedding’ heeft of diende te hebben. Dat hij van ‘Biedermeier-poëzie’ sprak, betekende niets anders dan dat hij de daarmee aangeduide poëzie identificeerde met een bepaalde werkelijkheidsopvatting. Dat die opvatting op zich verdedigbaar is, kwam bij de mensen die zich over Van Bastelaere opwonden nooit op. Het is niet zo moeilijk om in het optreden van Van Bastelaere, en in veel van zijn poëzie, de romantiek van de breuk te ontdekken — een koste wat het kost vasthouden aan een zekere destructiepoëtica die mij eind jaren tachtig eerlijk gezegd toch ook zijn langste tijd wel gehad leek te hebben. Alleen Jos Joosten geloofde daar nog werkelijk in — en nog, denk ik. Kritiek bleef, op zijn Adorno’s, vooral negatie — was nooit constructie. De in mijn ogen veel interessantere discussie die daaruit had kunnen voortkomen, is helaas nooit gevoerd.

    Hoe dan ook: Holland staat hier tegenover Vlaanderen als ontideologisering tegenover re-ideologisering, en als je de geschiedenis van beide landsdelen er dan bij betrekt, is het verschil nog duidelijker. Dat poëzie en werkelijkheid fel op elkaar betrokken zijn, is in een land waarin literatuur altijd deel is geweest van een emancipatiestrijd voor het Vlaams, veel duidelijker dan in een land waar men (zeker eind jaren tachtig) zo zelfgenoegzaam was geworden dat men meende dat Nederland ‘af’ was (ik heb daarover discussies gevoerd in de Gidsredactie destijds, waar ieder elan in de kiem werd gesmoord door in feite neoliberale verdedigers van het Nederland-is-af-gevoel).

    Om een lang verhaal kort te maken: het is altijd twijfelachtig wanneer Nederlanders zich in hun eigen grachtengordel opsluiten (grotendeels gebouwd door Vlamingen overigens, maar dit terzijde), of Vlamingen zich in hun eigen klei laten wegzakken — maar het is ook altijd heel goed te verdedigen. Dat Barnard misschien inmiddels tot het Vlaamse literaire systeem gerekend kan worden, net als binnen dat systeem werkzame Marokkaanse, Turkse, Afghaanse, Italiaanse, etc. dichters, lijkt me evident, maar het punt is dat door de opzet van de bloemlezing Barnard zeker niet in de vijfsterrencategorie terecht gekomen zou zijn: innoverend in de door de samenstellers bedoelde zin is het werk van Barnard niet. (Trouwens, waarom ziet niemand de ironie van dat sterrensysteem? Dat door kranten zogenaamd als service aan de lezers bedachte nivelleringsinstrument? Dát zouden deze kritische jongens serieus hebben ingezet?) Dat je vraagtekens kunt zetten bij een hiërarchie die het innoverendste werk het hoogste waardeert, geven de samenstellers zelf al aan (en ik gaf daartoe hierboven al een aanzet met mijn bedenkingen bij de romantiek van de breuk, die ook in deze bloemlezing weer volop wordt gecelebreerd). Punt is dat kritiek daarop een alternatief veronderstelt, op zijn minst een visie op literatuur die iets anders is dan het zelfgenoegzame ‘anything goes’. De kankerpitjes die zich nu zo tegen deze bloemlezing keren — en dat als vanouds weer vooral doen door persoonlijk te worden, met de focus op de persoon van Van Bastelaere (kwade genius, duivel in persoon en andere volgens het middeleeuws volkerenrecht tot stand gekomen kwalificaties; het valt nog mee dat niemand heeft gezegd dat die Van Bastelaere ‘wel kaal is hè!’) — zijn eigenlijk alleen maar begaan met hun eigen winkel, in ieder geval ofwel te lui, ofwel te zwak, of te lui én te zwak om met een welomschreven visie op poëzie te komen, op de verhouding tussen poëzie en werkelijkheid, de plaats die poëzie in de samenleving zou moeten bekleden, dat wat ze omtrent die samenleving tot uitdrukking zou moeten brengen of juist niet enzovoorts. Men zou zich voor minder van het hele genre afkeren.