herman de coninck

  • Pin it!

    Hotel


    HNF


    De commotie rond Hotel New Flandres neemt maar geen einde, vooral in Hollandse middens, zo valt me op. Over de vraag of Vlaanderen een apart literair systeem vormt, bekreunt men zich gewoonlijk boven de Moerdijk niet, en er wordt met veel dédain gereageerd op Vlaamse protesten wanneer een hoogleraar een literatuurgeschiedenis schrijft waaruit alle Vlamingen keurig worden geweerd (Ton Anbeek destijds). Maar o wee als die boerenkinkels daar in het zuiden de gewoonlijk door de noordelingen dichtgesmeten deur dan ook maar niet meer open doen (al eens geprobeerd een bij een Vlaamse uitgever verschenen boek in een Nederlandse boekhandel te krijgen?). Meteen moet dan het Vlaams Belang erbij gehaald worden. Zie Barnard. Zie ook Beurskens. Die laatste gaat nog wat verder op zijn weblog door ‘einzelgängers’ typerend te achten voor Vlaams taalgebruik (men zegt ‘einzelgänger’, zonder –s), en het in Nederland zeer ingeburgerde ‘een aantal die…’ op het conto van de Zuidnederlandse taalverkrachting te schrijven. Ach… Laten we zeggen dat het niveau van het Vlaamse onderwijs inderdaad wat aan het dalen is sinds men hier per se Nederland als stralend voorbeeld wil nemen voor zo ongeveer alles wat daar al decennialang verkeerd gaat — al blijft ook dan overeind dat een Vlaamse scholier die het ASO doorliep voorlopig nog steeds heel wat meer in zijn mars heeft dan een Nederlandse scholier die van een Atheneum komt. Bovendien, taalfouten als deze hebben meer te maken met het niveau van de boekverzorging bij de betreffende uitgever dan met het typisch Vlaamse ervan.

    Het is allemaal nogal overspannen, een kolfje naar de hand van sommige websites waar ressentiment voor kritiek doorgaat. Eigenlijk zouden we protest moeten aantekenen tegen elke bloemlezing die nationale poëzie niet ook onmiddellijk in een internationale context ziet. Nu lijkt het alsof er per se teruggekeerd moet worden naar de Groot Nederlandse Gedachte en daarmee de meubels gered zouden zijn. Natuurlijk is het onzinnig om bepaalde invloeden van noord op zuid en vice versa niet te verdisconteren vanwege juist de landsgrenzen, maar anderzijds: neem bijvoorbeeld de Vlaamse postmodernen, Van Bastelaere voorop. Waar in Nederland vind je een met die, eind jaren tachtig in Vlaanderen volop gevoerde discussie waarin er daadwerkelijk iets op het spel stond. Een vergelijking tussen de Maximalen en de jongens van Twist met ons legt een duidelijk verschil bloot dat zich mijns inziens alleen maar laat verklaren door juist het immense verschil tussen de literatuur van Nederland en die van Vlaanderen.

    Met het ‘pomo’-gevoel van de eersten deed de algehele vervlakking zijn intrede in de Nederlandse poëziegeschiedenis: het was een vorm van ont-ideologisering en depolitisering van de poëzie, zeer toegejuicht door de aanhangers van het ‘anything goes’. Het was het begin van de zelfgenoegzaamheid en van de veel gehoorde bewering dat de Nederlandse poëzie tot de beste van de wereld zou behoren. Dat achter het ‘anything goes’ wel degelijk selectiecriteria werkzaam bleven, er poëzie was die méér ‘anything goes’ was dan andere, werd zorgvuldig verzwegen. Het was de tijd waarin een op grond van de niet nader geëxpliciteerde luimen van de heer Komrij tot stand gekomen bloemlezing het tot canon kon schoppen, zozeer zelfs dat je als dichter alleen bestaansrecht had wanneer je daarin voorkwam. Ik bedoel: Komrij mag zijn luimen hebben, wat mij betreft, maar zijn boekwerk is niet representatief voor de Nederlandse en Vlaamse poëzie uit de afgelopen twee eeuwen.

    Kort en goed: als we eind jaren tachtig als ijkpunt nemen, dan is in die tijd de basis gelegd voor het einde van de poëzie als nog iets anders dan enkel het stadsdichterschap en de randversiering waartoe zij nu is gereduceerd. Dat de directe invloed van de poëzie op maatschappelijke gebeurtenissen in onze contreien nooit werkelijk groot is geweest, staat wel vast. Maar tot ongeveer eind jaren tachtig werd ze door dichters nog wel steeds geschreven vanuit de stellige overtuiging dat poëzie een bijdrage leverde aan, ging over onze werkelijkheid. Dat kon toen al betwijfeld worden (gelet op bewegingen als die van Zestig en Zeventig), maar met de Maximalen ging poëzie pas werkelijk alleen nog over (de geschiedenis van de) poëzie. Een nieuwe visie op de werkelijkheid hadden die jongens — maar hadden ook zij waartegen zij zich expliciet keerden — niet; ze wilden alleen maar dat de bestaande werkelijkheidsopvatting (en achteraf beschouwd valt die nog het beste te beschrijven als postmodern (de Vijftigers waren eerder postmodern dan modernistisch)) gerevitaliseerd werd. Maar tegelijkertijd spraken ze hun ongeloof in de mogelijkheid van een dergelijke revitalisering uit door hun eigen optreden te kwalificeren als louter pose.

    Het postmodernisme van Van Bastelaere en de zijnen was juist een poging af te rekenen met wat in Nederland pas na de jaren tachtig een feit werd: het soort ‘anything goes’ dat hier in Vlaanderen al enige tijd door Herman De Coninck werd vertegenwoordigd. Die zat hier op de ‘stoel van de verzoenende poëziekritiek’, zoals het heette (er zijn hier in Vlaanderen nog steeds mensen die met weemoed terugdenken aan het tijdperk De Coninck ). Poëzie moest gere-ideologiseerd worden (een lelijk woord, maar bon) wilde zij überhaupt als poëzie overleven. Het merkwaardigste blijf ik vinden dat bijvoorbeeld iemand als Van Bastelaere nooit werd aangevallen op specifiek zijn ideologie, maar altijd alleen op het feit dat hij van mening was dat poëzie ‘een wereldse inbedding’ heeft of diende te hebben. Dat hij van ‘Biedermeier-poëzie’ sprak, betekende niets anders dan dat hij de daarmee aangeduide poëzie identificeerde met een bepaalde werkelijkheidsopvatting. Dat die opvatting op zich verdedigbaar is, kwam bij de mensen die zich over Van Bastelaere opwonden nooit op. Het is niet zo moeilijk om in het optreden van Van Bastelaere, en in veel van zijn poëzie, de romantiek van de breuk te ontdekken — een koste wat het kost vasthouden aan een zekere destructiepoëtica die mij eind jaren tachtig eerlijk gezegd toch ook zijn langste tijd wel gehad leek te hebben. Alleen Jos Joosten geloofde daar nog werkelijk in — en nog, denk ik. Kritiek bleef, op zijn Adorno’s, vooral negatie — was nooit constructie. De in mijn ogen veel interessantere discussie die daaruit had kunnen voortkomen, is helaas nooit gevoerd.

    Hoe dan ook: Holland staat hier tegenover Vlaanderen als ontideologisering tegenover re-ideologisering, en als je de geschiedenis van beide landsdelen er dan bij betrekt, is het verschil nog duidelijker. Dat poëzie en werkelijkheid fel op elkaar betrokken zijn, is in een land waarin literatuur altijd deel is geweest van een emancipatiestrijd voor het Vlaams, veel duidelijker dan in een land waar men (zeker eind jaren tachtig) zo zelfgenoegzaam was geworden dat men meende dat Nederland ‘af’ was (ik heb daarover discussies gevoerd in de Gidsredactie destijds, waar ieder elan in de kiem werd gesmoord door in feite neoliberale verdedigers van het Nederland-is-af-gevoel).

    Om een lang verhaal kort te maken: het is altijd twijfelachtig wanneer Nederlanders zich in hun eigen grachtengordel opsluiten (grotendeels gebouwd door Vlamingen overigens, maar dit terzijde), of Vlamingen zich in hun eigen klei laten wegzakken — maar het is ook altijd heel goed te verdedigen. Dat Barnard misschien inmiddels tot het Vlaamse literaire systeem gerekend kan worden, net als binnen dat systeem werkzame Marokkaanse, Turkse, Afghaanse, Italiaanse, etc. dichters, lijkt me evident, maar het punt is dat door de opzet van de bloemlezing Barnard zeker niet in de vijfsterrencategorie terecht gekomen zou zijn: innoverend in de door de samenstellers bedoelde zin is het werk van Barnard niet. (Trouwens, waarom ziet niemand de ironie van dat sterrensysteem? Dat door kranten zogenaamd als service aan de lezers bedachte nivelleringsinstrument? Dát zouden deze kritische jongens serieus hebben ingezet?) Dat je vraagtekens kunt zetten bij een hiërarchie die het innoverendste werk het hoogste waardeert, geven de samenstellers zelf al aan (en ik gaf daartoe hierboven al een aanzet met mijn bedenkingen bij de romantiek van de breuk, die ook in deze bloemlezing weer volop wordt gecelebreerd). Punt is dat kritiek daarop een alternatief veronderstelt, op zijn minst een visie op literatuur die iets anders is dan het zelfgenoegzame ‘anything goes’. De kankerpitjes die zich nu zo tegen deze bloemlezing keren — en dat als vanouds weer vooral doen door persoonlijk te worden, met de focus op de persoon van Van Bastelaere (kwade genius, duivel in persoon en andere volgens het middeleeuws volkerenrecht tot stand gekomen kwalificaties; het valt nog mee dat niemand heeft gezegd dat die Van Bastelaere ‘wel kaal is hè!’) — zijn eigenlijk alleen maar begaan met hun eigen winkel, in ieder geval ofwel te lui, ofwel te zwak, of te lui én te zwak om met een welomschreven visie op poëzie te komen, op de verhouding tussen poëzie en werkelijkheid, de plaats die poëzie in de samenleving zou moeten bekleden, dat wat ze omtrent die samenleving tot uitdrukking zou moeten brengen of juist niet enzovoorts. Men zou zich voor minder van het hele genre afkeren.