gouden uil

  • Pin it!

    Het geluk van de prijs

    Verschenen in: Nieuwzuid # 32, jrg 8, 2008, pp. 42-53


    Op 29 maart 2008 won ik De Gouden Uil Literatuurprijs. Het was een mooie avond. Het live tv-programma waarin de uitreiking bekend werd gemaakt was, ondanks de minutieuze voorbereiding van alle betrokkenen, een farce zonder einde, en ik prees mij gelukkig er deel van uit te maken en er zelf niet naar te hoeven kijken. Het commandoapplaudisseren was een geheel nieuwe ervaring en ik hield de juffrouw die ons tot die activiteit dwong scherp in de gaten om op het juiste moment het geëiste enthousiasme te betonen. Ik had mij voorgenomen geen spelbreker te zijn. Niet de toeschouwer die in een theaterzaal na een werkelijk abominabele voorstelling blijft zitten zonder te applaudisseren, ook al staat de rest van de zaal — meer uit gewoonte dan uit werkelijke appreciatie voor het vertoonde — recht voor een staande ovatie. Niet de lezer die zuinig reageert op wat in letterland als alweer een sensatie zonder weerga aan de man wordt gebracht. Niet de schrijver die voor het oog van de camera sombere cultuurpessimistische analyses ten beste geeft over de deplorabele staat van onze spektakelbeschaving en de pletwals van het neoliberalisme en Q.E.D en godverdomme en enzovoort. Nee, ik deed lekker mee.

    Dat viel me overigens licht. Meespelen met het spel van De Gouden Uil (of van een van de andere groot genoemde commerciële literaire prijzen van de lage landen) is eenvoudig als je zeker meent te weten dat je geen kans maakt. Dat was in een aantal scheve beschouwingen in de kwaliteitskranten van Vlaanderen op voorhand een uitgemaakte zaak. De toon van die stukken was beschuldigend. Ik had een boek geschreven. Dat boek was genomineerd voor Vlaanderens grootste literatuurprijs. Beide zaken vielen mij behoorlijk aan te rekenen. Ik was immers ‘een volmaakt onbekende schrijver’. Wat verbeeldde ik me wel? Een beetje boeken schrijven en genomineerd worden — het moest verdomme niet gekker worden! Er waren hier wetten met voeten getreden, begreep ik. En ik mocht dan ook in geen geval winnen. De toon was zuur en benepen.

    Ik beschouw mijzelf als een realist. Ik beschouw mijzelf ook als een romanticus. Ik ben realistisch genoeg om te weten dat de romanticus in het huidige tijdsgewricht het onderspit delft, maar te romantisch om me daar bij neer te leggen. Zo schrijf ik vanuit ‘een existentiële behoefte’. Ik excuseer me daarvoor. Het zou nog te vergeven zijn als die ‘existentiële behoefte’ een pose was waarmee ik op een uitgekookte manier aan het schrijverschap de glans van een innerlijke noodzaak gaf. De behoefte als handigheid, als imago. ‘Het publiek’ wil immers dat bijvoorbeeld dichters gevoelige mensen zijn die in verzen hun emoties tot uitdrukking brengen, en dat romanschrijvers het in hun boeken vooral over hun eigen leven hebben. ‘Het publiek’ eist echtheid. (Ik schrijf ‘het publiek’, maar ik bedoel natuurlijk de constructie, zeg maar gerust: fabricatie van dat ‘publiek’ in de media). Maar ik vrees dat ik het meen. Het ene boek komt uit het andere voort en de eventuele ‘urgentie’ ervan beantwoordt niet meteen aan wat de journalistiek in dezen eist, al is het prettig als het een eens een keer met het ander samenvalt. Niets beter voor een schrijver dan wanneer een van zijn boeken gemakkelijk te reduceren valt tot wat de journalistiek net op die dag tot het meest relevante item heeft verklaard.

    Dat bedoel ik met realisme. Als een journalist (en als ik schrijf ‘journalist’ bedoel ik in de eerste plaats literair journalist) Het grote uitstel reduceert tot een afrekening met mei ’68, ga ik dat niet tegenspreken — zeker niet wanneer die opmerking wordt gemaakt op een moment dat overal wordt herdacht dat veertig jaar terug jongens en meisjes in de straten van Parijs barricades opwierpen en zo de inmiddels archetypisch geworden soixante-huitard in het leven riepen. Ik ben erg meegaand.

    Dat was ik ook toen mij in de aanloop naar het tv-programma duidelijk werd dat daarin een live interview zou plaatsvinden — ‘van vier minuten’, zei presentatrice Fien Sabbe, en ze verontschuldigde zich. Zo werkt het. Vier minuten een schrijver aan het woord laten, dat is voor de formatdenkers bij een meerwaardezender als Canvas waarschijnlijk al een ontoelaatbare kwelling; ‘het publiek’ zal wegzappen. Vier minuten aan het woord zijn binnen het opgelegde format is voor een schrijver een al even grote kwelling. Breedsprakig als wij zijn, zien we ons gedwongen tot oneliners, bon mots, kruidige sententies, waarin we enerzijds onszelf en ons werk danig dienen te relativeren, terwijl we anderzijds alle romantische clichés die rond het schrijverschap hangen zorgvuldig in ere moeten houden. Inspiratie, doorleefdheid, lijden, autobiografie. De dood en de belastingen. Geen sinecure. En om nu te vermijden dat ik de loop van het programma zou verstoren door tijdens die vier minuten te beginnen aan een van die hemeltergend aarzelende, zoekende, zich nu eens in deze dan weer in die richting begevende, haperende, zichzelf continu onderbrekende meervoudig samengestelde en over zichzelf struikelende volzinnen van mij, dat alles in een poging om er eindelijk achter te komen wat het eigenlijk precies was dat ik probeerde te zeggen — om te vermijden dat mijn schriftelijke natuur hardhandig zou botsen met de mij op dat moment volledig definiërende beeldcultuur en de presentatrice zich gedwongen zou zien mij te onderbreken (omdat de tijd verstreken was, omdat niemand er nog een touw aan vast kon knopen, omdat de regisseur in haar oortje stond te foeteren, omdat de applaussergeante achter de camera’s met haar vingers veelzeggende gebaren over haar keel maakte, allemaal zaken die ik overigens al wel eens in radiostudio’s heb meegemaakt) — om dat en nog andere dingen te vermijden, vroeg ik Fien Sabbe om vantevoren alles met mij door te lopen: een gesprek van ruim een half uur ten behoeve van vier minuten min of meer soepele televisie.

    Ik herhaal dat ik van goede wil ben. Niemand is er bij gebaat als een van de gasten in zo’n live-programma tegendraads gaat doen — wat welbeschouwd alleen in live-programma’s mogelijk is. Laten we het leuk houden. Het is maar een spel. Het Spel Van De Grote Literaire Prijs. Iedereen doet mee. Burgemeester van Antwerpen is er (die mij overigens niet feliciteerde). De minister van cultuur (die mij wel feliciteerde). Enkele politici (die buiten verkiezingstijd wel willen toegeven dat ze lezen, ‘de mensen’ vergeten dat wel weer). De incrowd die in praatprogramma’s optreedt als presentator en vervolgens als gast van weer een andere presentator die ze zelf eerst als gast in hun eigen praatprogramma hebben gehad. En de literaire pers is er ook, natuurlijk — tot het uiterste gespannen of hun kritische woorden jegens deze en gene onder de genomineerden en hun duidelijke voorkeur voor die of die winnaar die avond bewaarheid zullen worden. Dat geeft gezag.

    Dat laatste woord geeft al aan dat het spel niet onbelangrijk is. De Gouden Uil Literatuurprijs, of de Libris-prijs, de VSB Poëzieprijs of de AKO Literatuurprijs bewijzen alle dat het postmoderne adagium dat al onze werkelijkheden uiteindelijk maar ficties zijn, op zijn minst voor een deel zelf naar het rijk der fabelen verwezen moet worden. Binnen de fictie van onze werkelijkheid zijn zij de belangrijkste literaire prijzen van dit moment — belangrijker dan de P.C. Hooft- of Constantijn Huygensprijs, belangrijker dan de Bordewijk- of de Paul Snoekprijs, en zelfs belangrijker dan de Prijs der Nederlandse Letteren, om er willekeurig een paar te noemen. Het is vanuit weer een andere werkelijkheidsopvatting, bijvoorbeeld vanuit mijn eigen door allerlei romantische noties over literatuur aangestuurde werkelijkheidsopvatting, eenvoudig om daar de nodige kritische kanttekeningen bij te plaatsen en bijvoorbeeld te beweren dat een Huygensprijs mij op grond van de samenstelling van de jury meer gericht lijkt te zijn op het beoordelen van zuiver literaire kwaliteit dan de AKO of De Gouden Uil, waar er bij de samenstelling van de jury toch altijd op zijn minst de verdenking bestaat dat het commerciële belang van de geldschieters boven het literaire belang van het bekroonde boek gaat. Maar de werkelijkheid waarin ik leef, heeft daar anders over beslist. Of laat ik het dan toch weer zo zeggen: de tot ‘onze’ werkelijkheid verdichte fictie heeft daar anders over beslist. Want als iemand met romantische noties kun je in die werkelijkheid alleen standhouden wanneer je je er continu van bewust bent dat de schijn van absolute waarheid die zij heeft, uiteindelijk toch maar… fictie is, een eenvoudig te doorprikken illusie (het deconstructivisme is een uitloper van de romantiek). Als je dat voor jezelf vol kunt houden én je bent er tegelijkertijd van doordrongen dat jij het spel onmogelijk kunt winnen — en je kunt dat, gezien de ongeschreven, maar wel makkelijk te reconstrueren spelregels zelfs begrijpen: ‘een volmaakt onbekende schrijver’ immers, van wie al op voorhand vaststaat dat hij niet mediageniek is (al is er geen medium dat dat ooit werkelijk op de proef stelde; het is enkel beeldvorming) — dan stijg je gemakkelijk tot Olympische hoogten: deelnemen is belangrijker dan winnen. En alles wordt dan toch nog wat het steeds bedoeld was te zijn: amusant.
    [Al dien ik daaraan toe te voegen dat het gegeven dat men voor een nominatie van De Gouden Uil blijkbaar nominatiegeld krijgt (€ 1500; ik wist dat niet), dat er een hotel geregeld was én er een afterparty in het vooruitzicht was gesteld, wel meehielpen om van een prijsuitreiking waar men zelf meent geen enkele kans te maken, een gezellig avondje uit te maken].

    coverjg8_nr32-thumbnail


    Toen Marc Kregting in 2004 Zij zijn niet van Jeremia publiceerde, een af en toe kwalijk uit de bocht vliegend pamflet over het reilen en zeilen binnen de wereld van de literaire uitgeverijen, stond daarin een aantal pijnlijke waarheden. Eén daarvan was die over de status van een auteur binnen de pikorde van een uitgeverij. Er wordt aan auteurs een A, een B of nog een andere status toegekend, zo stelde hij. De gerealiseerde verkoop is hier een belangrijke factor (een bestsellerauteur heeft vanzelfsprekend een hogere status binnen het bedrijf dan een matig verkopende, laat staan een slecht verkopende auteur), maar daarnaast is een en ander ook afhankelijk van wat Kregting de charismatische, institutionele of wereldlijke consecratie van de auteur noemde. Daarvan is sprake wanneer de auteur ‘beroepshalve huist op plateaus op weg naar “de canon”’, bijvoorbeeld recensent is of wetenschapper, of kan gelden als ‘spin in het web, inclusief een smell of succes’ [sic]. Is er van dat alles geen sprake, dan is de auteur tweederangs, ‘welk epitheton uiteraard geen verband houdt met de kwaliteit van zijn teksten.’ (Kregting 2004:p. 30-31)

    Men kan op Kregtings pamflet de nodige kritiek hebben [ik heb die destijds geformuleerd in: ‘De ficties van de werkelijkheid’; in yang, jrg. 41, nr. 3, oktober 2005, p. 433-440.], maar om mijn eigen ervaringen als B-statusauteur kan ook ik niet heen. Van mijn respectievelijke Nederlandse uitgevers kreeg ik steevast te horen dat ik een fantastisch boek had geschreven, maar noch in de catalogus, noch op een andere wijze werd er voor het fantastische, nee ‘het beste dat ik in jaren gelezen heb’-boek ook maar enige moeite gedaan. De enige keer dat ik daar werkelijk protest tegen aantekende, was toen in 1998 mijn eerste roman Wild vlees verscheen. Het was, na twee dichtbundels, mijn derde publicatie bij De Bezige Bij — een uitgeverij die eind jaren negentig nog de nodige moeite had met de overschakeling van het idealistische coöperatiemodel (ook al functioneerde dat toen al jaren niet werkelijk meer) naar het geoliede concern dat het nu lijkt te zijn. Het literaire tijdschrift Parmentier, toen onder redactie van Marc Beerens, Jos Joosten, Ellen Krutwagen en Frank Tazelaar, maakte eind 1997 een nummer over theaterteksten en in het kader daarvan werd aan regisseur Jeroen Kriek van het theatergezelschap Growing Up in Public gevraagd om een literaire tekst te bewerken tot toneelstuk. De keuze viel op het op dat moment nog niet gepubliceerde Wild vlees. De uitvoering van de door Kriek bewerkte tekst vond plaats in december 1997, en hoe ik ook bad en smeekte, de uitgeverij was niet bereid om ervoor te zorgen dat er op die dag reeds een aantal boekjes aan de kassa van de schouwburg zou liggen. ‘De geplande datum van verschijnen is maart 1998’, zo kreeg ik te horen, en dat zij als uitgeverij gehouden waren aan hun afspraken met de boekhandel. De auteur was van secundair belang.

    Toen twee jaar later Marita de Sterck bij uitgeverij Querido een jeugdboek (voor 14+) uitgaf onder de titel Wild vlees en ik daarvan nog voor publicatie lucht had gekregen, vroeg ik de uitgever of hij protest wilde aantekenen bij Querido en zelfs moeite wilde doen om uitgever en De Sterck tot een andere titel te bewegen. Ik kreeg niet zozeer nul op rekest; ik hoorde helemaal niets. Voeg daarbij dat ik in één jaar tijd met drie verschillende redacteuren te maken kreeg van wie ik aan de laatste, nadat die het typoscript van mijn essaybundel De inwijkeling had gelezen, omstandig moest uitleggen wie Frans Kellendonk ook alweer was, en het is misschien te begrijpen dat ik het bij die uitgeverij voor gezien hield. Er is een grens aan de mate van vernedering die men nu eenmaal moet doorstaan als beslist is dat men een B-auteur is.

    Bij de overstap naar Meulenhoff maakte ik me echter omtrent mijn status niet de geringste illusies — al helemaal niet omdat het eerste boek dat ik er uitgaf ongelukkigerwijs de hierboven genoemde essaybundel was, en van boeken vol literaire essays wordt, zoals bekend, nog minder verkocht dan van boekjes vol gedichten. Ik beschouwde mijzelf toen al als behoorlijk gepokt en gemazeld in de wereld van het literaire bedrijf. Ik behoor sowieso niet tot het contingent schrijvers dat de uitgever belt als thuis het toiletpapier op is, of dat verwacht na afronding van een hoofdstuk door een wulpse stagiaire in een bad vol rozenblaadjes gedaan te worden om daarna met zachte doeken te worden af- en opgewreven. Ik wist dat ik me alleen op mijzelf kon verlaten — al klinkt dat onbedoeld misschien wat al te heroïsch Hector-Malot-Remi-Alleen-op-de-wereld-achtig. Er is natuurlijk altijd een aantal concrete lezers voor wie men, zeg maar, zijn boeken schrijft — vrienden, medeauteurs, bevriende medeauteurs en zelfs critici en — godbetert — bevriende critici die het boek ‘goed’ moeten vinden en wier eventuele kritiek door mij serieus gewikt en gewogen wordt, al was het maar omdat het kritiek is die discussie mogelijk maakt. Als zo’n discussie al plaatsvindt, is dat gewoonlijk echter niet in de openbaarheid, maar in de beslotenheid van huiskamers, e-mailverkeer of telefoongesprekken. De wereld merkt er niets van.

    Het komt er op neer dat men als tot B-status veroordeeld auteur die wereld moet vergeten, wil men ooit nog weer de moed vatten een nieuw boek te schrijven. Men moet vertrouwen hebben in de relevantie van het schrijven zelf op het moment dat men er zich weer aan overgeeft, ondanks de klaarblijkelijke irrelevantie van hetgeen men daarvoor geschreven heeft in de ‘echte’ wereld daarbuiten. Men moet de romantische droom in alle hevigheid tot zich toelaten en de gevoelde noodzaak tot het schrijven van iets nieuws zorgvuldig cultiveren. Het is een oefening in metafysisch denken. Men moet geloven. En voor zover die droom als ‘existentiële noodzaak’ wordt ervaren — hoezeer men vanuit de invalshoek van een op andere vooronderstellingen gebaseerde werkelijkheid daarmee ook een patheticus wordt —, gaat het hier om een… (men aarzelt het uit te spreken)… een kwestie van leven of dood. Het gaat om zingeving.

    Laat ik het zo zeggen: tijdens het schrijven van een boek word ik door mijn eigen oordelende blik minder gehinderd dan nu, nu me dat ‘leven of dood’ toch wat overdreven lijkt, in ieder geval pathetisch, en misschien zelfs ongepast. Maar dat komt ook omdat het me tot nu toe nog steeds is gelukt om tijdens het schrijven van een boek aan de definiërende en oordelende kracht van de werkelijkheid daarbuiten te ontsnappen. In het schemerduister van mijn werkvertrek groeit het boek uit tot literatuur van de bovenste plank en kan ik niet anders dan concluderen dat ik een onbetwiste topauteur ben — in ieder geval een auteur die veel plezier beleeft aan wat hij zelf schrijft en zo tot stand brengt. Om het anders te zeggen: tot nu toe schreef ik steeds boeken die ik zelf graag las. Meer kan men van zichzelf niet verwachten. Minder ook niet, trouwens.

    Bij het verschijnen van een nieuw boek geef ik daarom altijd een bescheiden feestje en treed ik even uit mijn schaduw van B-auteur. Ik word, op zijn minst, B+. Ik vraag onverdroten of het wellicht tot de mogelijkheden behoort dat de uitgever tijdens de festiviteiten voor de bitterballen zorgt. Meestal lukt dat. Op dat feestje, waarvoor iedereen in letterland (maar vooral cultuurchefs, als belangwekkend beschouwde critici van als belangwekkend beschouwde bijlagen en anderen wier positie garant staat voor aandacht in de media) van harte namens de uitgever wordt uitgenodigd, dagen dan alleen de vrienden op, de bevriende auteurs, de — godbetert — bevriende critici. Verder niemand. De drank vloeit rijkelijk. Ik ben al spoedig mijn eigen emanatie, mijn eigen wederkeer. Een topauteur ben ik, en iedereen speelt mee.

    De realiteit herneemt de dag daarop haar rechten. Het is de realiteit waarin de omloopsnelheid van boeken zo hoog is dat de mijne na twee maanden gewoonlijk alweer uit de boekhandel zijn verdwenen omdat ze gedurende die korte tijdspanne niet meteen met duizenden of zelfs maar honderden over de toonbank zijn gegaan. Het is een werkelijkheid waarin het boek meteen zijn eerste drastische metamorfose ondergaat: van literair werk tot een aantal dure centimeters op de boekenplank van de boekhandelaar. Van de eeuwige roem van De Literatuur naar bederfelijke waar met beperkte houdbaarheidsdatum. Het is een werkelijkheid waarin het boek, als men geluk heeft, wordt gerecenseerd, al wordt het in het geval van als B-auteurs ingeschaalde schrijvers bij de grote kranten meestal toevertrouwd aan net beginnende boekbesprekers en niet aan de ‘grote namen’ van de literaire kritiek. Soms is dat een zegen, al is niemand onder de indruk wanneer, laten we zeggen, ene Herman Knoblauch de nieuwste roman van ene Marc Reugebrink een meesterwerk heeft genoemd. En al helemaal niet wanneer dat ook nog eens gebeurt in de Dedemvaartse Courant. Het is de werkelijkheid waarin men al op voorhand en ongelezen tot een bepaalde groep behoort die in de literaire pers soms in sporttermen wordt omschreven (men behoort tot de ‘koplopers’ of de ‘achtervolgers’ bijvoorbeeld) en die in de meeste gevallen overeenstemt met de A- of B-status die men binnen de uitgeverij toch al toebedeeld kreeg. Het is een werkelijkheid volgens het kastensysteem. Of toch bijna.

    Zeggen dat dit alles na het feestje de avond daarvoor een teleurstelling is, is niet juist. Dat feestje zelf is er alleen om de overgang van de innerlijke noodzaak van het schrijven naar de realiteit van de publieke overbodigheid wat te vergemakkelijken. Het is een afscheidsfeestje. En die realiteit zelf vormt ook de enige legitimatie voor de zelfglorificatie van de avond daarvoor. Ik vind die realiteit affreus, vaak moreel verwerpelijk, ik kan me er ook niet bij neerleggen en blijf haar en haar vertegenwoordigers keer op keer met hun eigen bedenkelijke vooronderstellingen achtervolgen. Maar zelfs tijdens het hoogtepunt van de festiviteiten, in mijn ogenblikken van aapachtige borsttrommelarij en van de onbedwingbare lust om aanwezig vrouwvolk flink in de culturele bilpartij te knijpen onder verwijzing naar mijn eigen onverbeterlijke, elk ongeoorloofd gedrag excuserende romantische inborst en nog allerlei andere ballorigheid van dien — zelfs dan blijf ik er steeds van doordrongen dat die realiteit nu eenmaal als zodanig bestaat. Ik vergis me zelden of nooit in mijn eigen hoedanigheid.

    Die hoedanigheid, de door mij nu eenmaal te spelen rol in het circus der ijdelheden, deed me al voor het verschijnen — nee, zelfs nog voor het afronden van Het grote uitstel mijn uitgever bellen, Meulenhoff/Manteau dit keer (ik maakte een overstap die zelfs iedere Vlaamse auteur als een slechte career move zal beschouwen (over wat Nederlanders daarvan denken, kunnen we gevoeglijk zwijgen): die van een Nederlandse (lees: Amsterdamse) naar een toch in de eerste plaats Vlaamse (Antwerpse) uitgever; maar mijn realisme — sommigen zouden zeggen: defaitisme — deed me kiezen voor een redacteur in wiens kunnen ik veel vertrouwen had en wiens eigen realisme op mij als prettig en ongecompliceerd overkwam, in plaats van voor het vernederende going through the motions van valse beloftes en verzwegen dedain). Die uitgever had het niet alleen bestaan aan het nog niet afgeschreven boek in de aanbiedingscatalogus maar liefst vier pagina’s te wijden, maar bovendien stond onder een flatterend konterfeitsel van mijzelf in rood gedrukt de tekst: ‘Doorbraak van een meesterstilist!’ Hoe in hemels- of wiens naam dan ook had hij het in zijn hoofd gekregen over een boek dat nog niet eens af was, in termen van een ‘doorbraak’ te spreken, vroeg ik — niet echt verontwaardigd overigens. Dit was immers al deel van het spel dat nu eenmaal gespeeld moet worden. Het leek me een goede grap, waarvan ik alleen maar hoopte dat hij zich niet tegen mij zou keren. Zoals ik ook, lichtelijk geschokt in mijn eigen esthetisch gevoel, het later veelbesproken omslag geheel overliet aan lieden die nu eenmaal meer verstand hadden van zaken als verkoop, uitstraling en wat dies meer zij. Maar ik geloofde niet dat schaamteloze commercialiteit en brallige, bepaald voorbarige aanprijzingen mij dit keer boven de drempel van de zichtbaarheid zouden uittillen. Wel geloofde ik, opnieuw, in mijn eigen boek. Natuurlijk.

    meesterstilist


    En toen won ik dus op 29 maart 2008 tot mijn eigen niet geringe verbijstering De Gouden Uil Literatuurprijs. Ik liet, schreef en zei men in de pers, grote namen als die van Brouwers en Van der Heijden achter mij — nee, ik had beide grootmachten verslagen zelfs (over Marjolein Februari en Frans Thomése werd beschamend genoeg niets meer gezegd). Ik had de wedstrijd gewonnen. Ik was de keizer van het fruitcorso, de schutterskoning op de voorjaarskermis, prins Carnaval… Na de scheve, onwelwillende en soms ronduit kwaadaardige stukken in de Vlaamse kwaliteitskranten naar aanleiding van mijn absoluut schandalige nominatie, was het natuurlijk niet zo verrassend om te moeten merken dat met het wegkapen van het kleinood en de centen de zuurtegraad onder de literatuurrecensenten die verkeerd gegokt hadden nog wat verder steeg. Ik schreef al dat er met de juiste voorspelling veel gezag gemoeid is. Al meteen na de bekendmaking in het justitiepaleis van Antwerpen schijnt er achter de schermen en rondom de juryleden een kleine storm van verontwaardiging losgebarsten te zijn. Het fijne weet ik er ook niet van. Het literaire bedrijf leeft van geruchten. Men zou uit het feit dat een aantal maanden later het nog zittende deel van de jury, geheel tegen de gewoonte in, ontslagen en vervangen werd misschien kunnen afleiden dat ik voor iedereen, behalve voor de jury, ‘de verkeerde winnaar’ was — iets wat in de berichtgeving over de juryvervanging regelmatig werd gesuggereerd, maar uiteraard even hard werd ontkend door de betrokkenen.

    In die zin lijkt mij het winnen van De Gouden Uil niet zoveel veranderd te hebben aan mijn eigen situatie. Ik heb door het gekrakeel achteraf niet de illusie dat ik nu automatisch ben toegevoegd aan het rijtje, eindeloos gerecycleerde ‘grote’ namen. En aan de bewering dat ik een paar van die ‘grote’ namen verslagen zou hebben, heb ik geen boodschap. Niemand van die namen vraagt om de wedstrijd waartoe men wordt gedwongen door hoe het literaire bedrijf nu eenmaal reilt en zeilt. Het is brood & spelen met de auteurs in de rol van gladiatoren — met dezelfde wreedheid en achteloosheid als in de tijd van de Romeinen. We hebben het ermee te doen. Uiteindelijk moet men als auteur bestaan binnen wat nu eenmaal het geval is, ook al bestaat men voor zichzelf in de eerste plaats als iemand die tegen dat cynisme met elk boek opnieuw ten strijde trekt.

    Wat de prijs natuurlijk wel heeft veranderd — ondanks pogingen van de organisatoren achteraf wat van de glans weg te nemen — is dat ik op zijn minst zichtbaar ben geworden als auteur. Zichtbaar voor lezers die zich, begrijpelijkerwijs bij het vele wat er verschijnt, laten leiden door wat de poortwachters van de culturele media bereid zijn zichtbaar te maken, en die derhalve van mij nog nooit hadden gehoord. Dat komt tegemoet aan wat ik als auteur natuurlijk altijd heb gewild: gelezen worden. Ook bij die wens heb ik me nooit vergist in mijn eigen hoedanigheid — ik heb me nooit aangepast aan wat volgens blufprofeten van het boekbedrijf de mensen zouden wíllen lezen. Ik zou ook niet geweten hebben hoe dat moest. Ik heb mijn ding gedaan. Er is een jury geweest die dat ‘ding’ het beste vond van de driehonderd-in-de-tachtig boeken die dat jaar waren verschenen. Er waren andere jury’s denkbaar. Andere winnaars. Ook dat behoort tot het spel. Maar het was déze jury en mijn boek.

    Met overdreven bescheidenheid heeft dit alles intussen niets te maken. U kunt gerust zijn. Met cynisme, vreemd genoeg, al evenmin. Het geluk van de prijs bestaat erin dat heel even realiteit en romantiek samenkwamen in wat een mooie, en naarmate de avond vorderde, steeds hilarischer wordende gebeurtenis was. Ik voelde me zoals op mijn eigen afscheidfeestjes bij de verschijning van een nieuw boek: een topauteur. En ik schiet nog in de lach als ik me bedenk dat ik die avond, en ook nog de volgende dag — in tv-journaals in Nederland en Vlaanderen, op internet, bij ‘De zevende dag’, op de radio en nog elders — ook door de rest van de wereld even zo werd gezien. Men zou er romantisch van worden.