gouden

  • Pin it!

    Nog één keer een fly by


    P1000463.downsized


    Wat betreft De Gouden Uil is de geest nu dan uit de fles. Numerus clausus voor in te sturen boeken afgeschaft, een jury onder voorzitterschap van Guy Mortier, die, zei hij, in ieder geval de vijf genomineerde boeken zal lezen, en samengesteld uit leden die ik, op Jeroen Vullings na, moeilijk in kan schatten. Erwin Mortier zegt er dit over in een opiniestuk in diezelfde De Morgen vandaag:

    Voorzitter, voor twee jaar, wordt Guy Mortier, oervader van Humo (organisator van De Uil), en verder Eva Berghmans, chef letteren van De Standaard (media-partner van De Uil), Jeroen Vullings (redacteur van een weekblad dat onlangs zijn vaste boekenbijlage opdoekte, tevens Hollandse excuustruus van deze jury), Jeroen Maris (schrijft postzegelgrote recensietjes voor Humo, lult ook de webstek van KV Mechelen vol) en Sam de Graeve (schrijft onder meer voor De Standaard en Dag Allemaal en glundert vaak).

    Hij vervolgt:

    Natuurlijk, ook vroeger hadden sponsors, partners en organisatoren van De Uil al te directe toegang tot de jury. Het huidige gedoe met de prijs is de zoveelste episode in een al langer lopend feuilleton van herschikkingen, reglementswijzigingen, enzovoort, alle in functie van de ‘publieksvriendelijkheid’ en waarschijnlijk ook de poen. Niets nieuws onder de zon, maar deze keer bakt men het wel heel erg bruin.

    P1000463.downsized.splash1


    Ik blijf erbij dat ‘publieksvriendelijkheid’ in dezen neerkomt op Publikumsbeschimpfung: men schat zijn publiek wel heel laag in. Literatuur mag immers vooral niet voorgesteld worden als wat zij is — iets met overigens zijn eigen amusementswaarde, als het dat is wat zonodig tellen moet — maar dient te worden omgevormd in iets anders, iets wat ze misschien wel nooit zal kunnen zijn. Als de uitzending van de uitreiking van De Gouden Uil dit jaar de bedoeling had literatuur onder alle mensen te brengen, dan kan men alleen maar vaststellen dat het mislukt is. Niet eens om wie er nu wel of niet genomineerd waren, maar omdat programmamakers bij ‘cultuur’ of ‘literatuur’ dusdanig in een kramp schieten dat ze van de weeromstuit alleen nog tot debiliteiten in staat zijn. Of was er serieus iemand die dat programma echt top-tv vond?

    P1000463.downsized.splash2


    Hinderlijk bij de vaststelling dat het een kutprogramma was — al wordt dat zo niet gezegd: men spreekt uitsluitend over de ‘slechts’ 100.000 kijkers die avond, die ten dele ook alleen nog maar afstemden toen het tromgeroffel weerklonk voor de bekendmaking van de winnaar — hinderlijk bij de vaststelling dat de kosten en baten niet tegen elkaar opwogen, is dat de literatuur daar de schuld van krijgt. Niet de hersenvernauwing in de hoofden van de formatdenkers bij omroepen en productiehuizen is verantwoordelijk voor de farce, niet het idiote gegoochel met kijkcijfers, die zoiets als een niche voor literatuur binnen het grote geheel van massavertier niet eens toelaat (je zou toch maar 100.000 boeken verkopen) — nee, de literatuur zelf, de jury, die een ‘verkeerde’ winnaar koos, die zijn verantwoordelijk.

    P1000463.downsized.splash3


    Van dat laatste wil Marc Verstappen overigens niet weten. Bullshit, noemt hij de suggestie dat ik de ‘verkeerde winnaar’ zou zijn vandaag in de krant, en ik geloof dat hij het oprecht meent. Ik sprak hem dinsdagavond nog kort in de Monty in Antwerpen, vooral over mijn komende activiteit tijdens ‘De Nachten’ — en heel kort, meer terzijde over de hele heisa rond De Uil. Maar ik denk ook dat de machinerie waarvan hij onderdeel is en die hij ten dele zelf in gang houdt, zich niet laat verzoenen met wat literatuur nu eenmaal is. We gaan dat straks waarschijnlijk ook weer zien in dat boekenprogramma van de VPRO en de VRT — alle heisa die daar al rond geweest is, spreekt boekdelen, en je vraagt je af of dat niet voldoende is om te zeggen: laten we het gewoon niet doen. De televisie, om het even te veralgemenen, heeft de afgelopen decennia meer dan voldoende aangetoond dat het zijn culturele taak alleen kan vervullen wanneer dat cultuurbegrip zozeer wordt opgerekt dat ook diepzeeduiken op de Bahama’s er onder kan vallen. So be it.

    P1000463.downsized.splash4


    Ik vermoed nu dat de volgende Gouden Uil uiteindelijk zoiets moet worden als Humo’s Pop Poll — al zal die sporthal in Antwerpen daarvoor dan toch nog steeds wat te ruim zijn. Wat men moet denken van een jury waarvan de voorzitter al op voorhand eist niet meer dan de vijf genomineerde boeken te moeten lezen, weet ik niet. Of laat ik zeggen: ik weet dat natuurlijk wel. Zo’n man diskwalificeert zich alleen al door dat grenzenloze cynisme. Zoals gezegd, het inzicht van Erwin Mortier in de nieuwe juryleden heb ik niet — al vind ik de samenstelling van de jury nu niet dusdanig dat ik het argument ‘publieksvriendelijkheid’ valabel acht om de vorige jury te ontbinden. Want kijk ‘s, ‘wij’ kennen Jeroen Vullings wel, en misschien die 100.000 kijkers van de vorige uitreiking ook wel, maar niet de paar honderdduizend meer die ze willen bereiken. En Eva Berghmans? Alweer, ‘wij’… maar ‘iedereen’…? En die andere twee leden? Nooit van gehoord. Maar ik heb dan ook geen abonnement op de Humo of op De Standaard. Op het tv-hoofd van Guy Mortier na, en de nog wat grotere invloed van de belanghebbenden op de jury (een toch iets meer dan enkel gradueel verschil met de vorige jury), lijkt me er geen enkele werkelijke rechtvaardiging te zijn voor de vervanging van de vorige jury.

    P1000463.downsized.splash5


    Enfin, we gaan maar weer eens aan het werk zeker?

  • Pin it!

    Wachten op het persbericht


    Het is nog even wachten op het persbericht van morgen, maar vandaag werd duidelijk dat de hele jury van De Gouden Uil 2008 naar huis is gestuurd. Ik ben inmiddels zeer nieuwsgierig geworden naar de precieze inhoud van dat persbericht. Zullen ze onomwonden zeggen dat de keuze van de jury dit jaar niet aan de verwachtingen voldeed — daarmee min of meer bevestigend wat ik hiervoor al schreef: dat jury’s de grootste hinderpaal vormen voor de grote gelijkmaking die onder Mao’s aloude ‘laat duizend bloemen bloeien’ als summum van democratie en dienstverlening aan ‘gansch het volk’ wordt verkocht? En wat me ook interesseert: in hoeverre is dit spek naar de bek van een aantal journalisten dat al voor de uitreiking van de prijs met zekerheid wist te melden dat ik de prijs niet verdiende en dat na de bekendmaking morrend, zuur en zuinig in hun respectievelijke kranten moest melden dat ik hem toch gekregen had?

    krant


    In het bericht dat Jeroen De Preter vandaag in De Morgen schreef is er overigens van enige genoegdoening geen sprake. Uit wat hij schrijft blijkt dat ook hij van mening is dat de organisate van de Uil met schaamlapjes zwaait, al zegt hij dat dan weer niet met zoveel woorden. Maar wanneer hij een zin begint met: ‘Hetzelfde publieksgerichte (lees: marktgerichte) denken…’ — dan blijkt daaruit dat ook hij meent dat men krompraat verkoopt.

    Wél heeft hij mijn opmerkingen hieronder wat al te haastig gelezen. Hij stelt namelijk dat ik mezelf een ‘volmaakt onbekende schrijver’ heb genoemd. Dat staat er ook natuurlijk, maar het staat er tussen aanhalingstekens. Dat ik zulks was heb ik mogen vernemen uit de berichten van Dirk Leyman, die het weer uit Boekblad had. Dat zulke karakteriseringen niet neutraal zijn, en dat men er beter aan zou doen ze te vermijden, wil er bij Leyman nooit in, terwijl juist een Vlaming toch zou moeten weten wat het betekent. Als ze het in Amsterdam over ‘Vlaamse literatuur’ hebben, dan weet iedere Vlaamse auteur dat men er daarginds weinig goeds mee bedoelt. Zoals het uitgeven van je boek bij een Vlaamse literaire uitgeverij door velen (niet in de laatste plaats door Vlaamse auteurs die zich van hun ondergeschiktheid al op voorhand bewust lijken te zijn) wordt opgevat als een vorm van kamikaze.

    (Recentelijk vroeg mij nog iemand: waarom ben je eigenlijk van Meulenhoff naar Meulenhoff/Manteau gegaan? Omdat daar een redacteur zit die met me meedenkt, die me niet overlevert aan de Hollandse realiteit die ik in de afgelopen twee decennia meer dan me lief is heb leren kennen: een realiteit waarin je op grond van alles, behalve (natuurlijk!) de literaire waarde van hetgeen je geschreven hebt (men prijst je bij inlevering van het typoscript de hemel in) tot een B-auteur wordt gereduceerd (lees: een auteur waarvoor een uitgever geen stap meer wil verzetten en die alleen dient om de omzet of de productie of hoe heet het op peil te houden). Een realiteit ook waarbinnen De Gouden Uil, Vlaanderens ‘grootste literatuurprijs’ toch, echt helemaal niks voorstelt. Een op zijn manier heel erg provinciale realiteit, al staat de dorpspomp in Amsterdam en dus niet in Antwerpen of Brussel, een van de redenen waarom Vlamingen of met Vlamingen geassocieerde, laat staan: door Vlaamse uitgeverijen uitgegeven auteurs in de Nederlandse boekhandels maar weinig kans maken — uitzonderingen bevestigen hier slechts de regel.)

    Ik kan geen enkele werkelijke reden verzinnen waarom een boek als het mijne ongeschikt zou zijn voor dat zogeheten ‘grote publiek’ — een opmerking die cynische realisten uit mijn omgeving als al te naïef zullen afdoen. De lezers die ik nu (eindelijk eens) tegenkom, reageren verschillend, zoals het hoort. Er zijn er die zeggen aanvankelijk wat moeite te hebben met de ‘lange zinnen’, maar er na een bladzijde of wat geen last meer van te hebben (en dat komt dan nog meestal omdat ze het ‘spreektalige’ van die zinnen aanvankelijk niet zien en de lengte verwarren met gebeeldhouwde, hoogliteraire, intellectualistische constructies waarvoor je hard gestudeerd moet hebben om ze te begrijpen; terwijl men alleen maar in zijn eigen omgeving zijn oor te luisteren hoeft te leggen om in te zien dat er nauwelijks andere dan dit soort constructies worden gemaakt, vooral wanneer mensen (zoals de personages in het boek) iets willen beweren, meningen willen formuleren, of zogenaamd diepe inzichten). Er zijn lezers die niet tegen het geaarzel in die zinnen kunnen, terwijl dat een van de essenties van het hele boek is (ik bedoel: ook op verhaalniveau) en het bovendien verwijst naar het uitstel in de titel. Er zijn ook lezers die het een bij uitstek ‘jongensboek’ vinden en er daardoor minder door worden aangesproken. Ze hebben gelijk. Verder spreekt het mensen van mijn generatie misschien meer aan dan die van een andere generatie (herkenning; iedereen van mijn generatie blijkt in een jeugdsoos min of meer radicaal geweest te zijn, en kent en herkent de muziek die wordt aangehaald). Er zijn er ook die het niks vinden. Maar is dat bij de boeken van Brouwers anders? Bij die van Van der Heyden? Grunberg? Of bij noem-nog-eens-een-als-literair-kanon-voorgestelde-auteur?

    Ik kan geen werkelijke reden verzinnen, zeg ik. Het mag onbescheiden klinken, maar in feite is het niet meer dan logisch dat ik aan de kwaliteit van wat ik zelf maak op het moment van afronden natuurlijk niet twijfel (wat ik er later zelf van denk is een persoonlijke kwestie) — ook al staat dat los van de kwaliteit die anderen er daarna wel of niet aan toe willen kennen. Om dezelfde reden hoef ik natuurlijk niet in te stemmen met de beeldvorming omtrent mijn persoon als ‘de volmaakt onbekende schrijver’. Het was wat dat aangaat bepaald hilarisch om na de uitreiking van de prijs ergens te lezen dat ik eigenlijk niet zozeer een ‘buitenstaander’ was, maar juist een ‘insider’ — hilariteit vanwege het feit dat ik weet dat dit iets was wat de journalist in kwestie op de feestavond zelf werd gesouffleerd. ‘Insider’ ben ik dan omdat ik bijvoorbeeld gerecenseerd heb voor kranten en weekbladen, in redacties van literaire tijdschriften heb gezeten en nog steeds zit (de één volgens de journalistiek al meer ‘gezaghebbend’ dan de andere) en ook wel deel heb uitgemaakt van jury’s, van leescommissies van het Nederlands Fonds voor de Letteren, het Nederlands Productiefonds in een aantal gevallen van advies heb gediend bij het toekennen van productiesubsidies en meer van die zaken die maken dat ik zelf de nodige boter op mijn hoofd heb, om het maar zo te zeggen.

    Juist door dat laatste verbeeld ik me te weten hoe een en ander nu eenmaal zo ongeveer gaat; kom ik tot de vaststelling van die cynische realiteit die ik, net als ieder ander, heb te erkennen — en blijkens mijn opmerking dat ik (zij het dus mét aanhalingstekens) ‘een volmaakt onbekende auteur’ ben, ook wel terdege erken. Maar dat wil niet zeggen dat ik me daarbij neerleg, dat ik niet telkens opnieuw die realiteit wil onderzoeken op de vooronderstellingen en de belangen die achter bepaalde opmerkingen schuil gaan — om zo bijvoorbeeld meermalen tot de slotsom te komen dat degenen die het hardst roepen ‘het publiek’ of ‘de gewone mens’ te dienen vaak het hardst bezig zijn met het uitroeien van verscheidenheid en verschil, van alles wat het democratisch gehalte van een samenleving bepaalt.

    Het is nog te vroeg om nu al te zeggen dat vooral de literatuur zelf van deze ‘tabula rasa’ van De Gouden Uil het slachtoffer is. Het hangt er maar van af wie die meer publieksgerichte juryleden zullen worden en of een volgende jury weer net zo’n hinderpaal voor de organisatie zal zijn als de laatste klaarblijkelijk is geweest. Is het dat laatste (wat ik vurig hoop), dan zullen we nog eens tabula rasa moeten maken en nog eens, tot we eindelijk en onbeschaamd middenstanders worden en gewoon aan het begin van een jaar zeggen: het boek dat het beste verkoopt krijgt de prijs.

    P1000463.kruis


    Er zijn er nu al die menen dat de respectievelijke jury’s van De Gouden Uil of van welke Grote Prijs ook maar, hun oren te veel naar de commercie hebben laten hangen. Onder de mensen die mij feliciteerden waren er ook enkelen die meenden dat met mijn boek eindelijk weer eens Belangwekkende Literatuur was bekroond. Ik voel me gevleid, uiteraard, maar ben toch niet onmiddellijk geneigd in zo’n redenering mee te stappen. Grunbergs Tirza vond ik in 2007 niet Grunbergs beste boek (of het het beste van dat jaar was, kan ik onmogelijk beoordelen), en ik had dat jaar graag gezien dat de jury Yves Petry had genomineerd én bekroond — maar ik zat niet in de jury en bij al mijn reserve’s bij Grunbergs boek: ik zou niet, nooit en nimmer willen beweren dat het geen literatuur is. En Henk van Woerden (de man was toen al overleden; wat vond de organisatie daarvan? of was het gewoon: doden verkopen goed als ze net zijn gestorven?), Frank Westerman, Hafid Bouazza, Tom Lanoye, Jeroen Brouwers, Peter Verhelst? Allemaal literatuur, het één beter geschikt voor dat ‘grote publiek’ dan het andere, en sommigen lijken me zelfs erg ongeschikt. Maar welk voorbehoud ik ook bij het werk van deze of gene heb of maak, vanuit vooronderstellingen over wat literatuur volgens mij zou kunnen of zelfs moeten zijn en over wat literatuur vermag of juist niet vermag — dat De Gouden Uil tot nu toe dankzij de jury’s literatuur heeft bekroond lijkt me als een paal boven water te staan.

    Dat dát voor de organisatoren blijkbaar zo langzamerhand de grootste hinderpaal aan het worden is, lijkt er op te duiden dat de symbolische waarde van literatuur — het laatste wat haar nog rest in onze neoliberale samenleving — nu ook aan belang heeft ingeboet. Ze heeft blijkbaar niet langer die meerwaarde die aan platte commercie nog even de schijn van beschaving gaf.

    Om daar in mee te stappen, of juist niet: vanavond in De Monty in Antwerpen. Men zou daar hoe dan ook eigenlijk moeten zijn.

    Versvoordepers0908

  • Pin it!

    Toekenning


    Alweer bijna twee weken terug schreef ik in De Morgen naar aanleiding van de dood van Solzjenitsyn het volgende:

    Solzhenitsyn


    Alles wijst erop dat Aleksandr Solzjenitsyn niet echt een groot schrijver was. De Nobelprijs (1970) kreeg hij weliswaar nog voordat zijn bekendste werk — De Goelag Archipel (1973) — verscheen, maar leek toen al meer op politieke gronden dan op grond van literaire kwaliteiten toegekend te worden. Solzjenitsyn schreef een soort houterig negentiende eeuws realisme dat het op geen stukken na haalde bij het werk van auteurs waarmee hij desondanks toch vaak werd vergeleken: Dostojewski en Tolstoi.

    Maar bij de beoordeling van Solzjenitsyn gaat het nooit om de pince-nez van de literatuur, maar altijd om het vergrootglas van de politiek. Zijn eerste novelle werd gepubliceerd in het door het politbureau gecontroleerde blad
    Noviy Mir met de uitdrukkelijke toestemming van de toenmalige partijleider Chroesjtsjov. Die kon het geschrift goed gebruiken om de misdaden van Stalin nog eens aan de kaak te stellen, en zo zichzelf te profileren. En dat De Goelag Archipel vooral een boek is dat iedereen kent maar bijna niemand volledig las (het laatste deel ervan is in Nederlandse vertaling zelfs lange tijd onvindbaar geweest, ook al zou dat in 1976 zijn gepubliceerd) — het spreekt wel voor zich. Het was van meet af aan, ook ongelezen, een historisch document dat min of meer bewees dat het communisme misdadig was.

    Niet dat die laatste beschuldiging iets nieuws was. Al in de jaren dertig viel André Gide van zijn communistische geloof nadat hij door de Sowjetautoriteiten was uitgenodigd voor een rondreis en hij met eigen ogen de praktijk van het communisme zag. In
    Retour de L'U.R.S.S. (1936) maakte hij er korte metten mee, en dat op een moment dat in de debatten tussen intellectuelen een keuze tegen het communisme bijna gelijk stond aan een keuze voor het fascisme (waarvan Gide uiteraard niets moest hebben). En Sartre en Camus kwamen met elkaar in botsing naar aanleiding van Camus’ grote reserves bij het communisme in diens L’homme révolté (1951) — met name als het ging over de noodzaak geweld te gebruiken om de revolutionaire doelstellingen te bereiken. Voor Sartre zouden een paar miljoen doden niet te veel zijn geweest voor de goede zaak.

    Dat
    De Goelag Archipel desalniettemin zoveel opzien baarde, had natuurlijk alles te maken met de Koude Oorlog. Het is er denk ik niet eens zo ver naast om te stellen dat sinds dat boek intellectueel links zijn heil elders begon te zoeken: niet langer in de aansluiting bij de een of andere politieke beweging, maar in een veel vager conglomeraat van politiekcorrecte opvattingen waarin ‘vrijheid’ en ‘mensenrechten’ de kernwoorden waren. Solzjenitsyn werd één van die verdrukte schrijvers die sindsdien door westerse intellectuelen met karrenvrachten zijn opgediept uit landen waar de vrijheid van meningsuiting niet bestond. De Breyten Breytenbachs en Václav Havels van de wereld.

    Ik wil daar niet flauw over doen (de PEN is het Amnesty International van de letteren), maar kan me tegelijkertijd niet aan de indruk onttrekken dat deze dissidenten op zijn minst ook dienden om westerse schrijvers het gevoel te geven dat er in hun eígen werk nog iets op het spel stond. De vrijheid aan deze kant van de Berlijnse Muur was immers allang uitgelopen op de willekeur van welke mening of opvatting dan ook maar. Men kon schrijven wat men wilde. En als het ging om het onrecht dat desalniettemin in onze westerse beschaving volop aanwezig bleef, voelde men zich gegijzeld door de mislukkingen uit het verleden om daar verandering in te brengen (fascisme en communisme, Pound en Bréton, Marinetti en Malraux). Dissidenten waren een pleister op die wonde; ze bevestigden niet alleen de vrijheid die we zonder hen nauwelijks nog ervoeren, maar ze leken vooral een levend bewijs van de kracht van literatuur in de samenleving.

    Die kracht heeft literatuur vandaag de dag alleen nog als ze door deze of gene politieke stroming wordt gerecupereerd, of wanneer een andere cultuur dan de onze de literatuur serieuzer neemt dan wij het zelf gewoon zijn te doen, en er banvloeken over uitspreekt of schrijvers treft met een
    fatwa. De literatuur zelf lijkt echter datgene wat haar minstens sinds de romantiek definieert — haar utopische, en daarmee potentieel politieke karakter — aan de wind prijsgegeven te hebben. Of preciezer: schrijvers definiëren hun idee over vrijheid niet langer ten opzichte van de wereld, waardoor de vrijheid ín die wereld feitelijk neerkomt op de geplogenheden van de markt. Die stelt paal en perk aan wat je als schrijver nog kunt schrijven — lees: verkocht krijgt, lees: uitgegeven krijgt. Die censureert ook. Ik ben bijna geneigd te zeggen: die creëert een gelijkvormigheid waarbij vergeleken het socialistisch realisme van Stalin nog een wonder van verscheidenheid was.

    Men moet niet overdrijven, natuurlijk. Maar de schrijverswereld zou gebaat zijn bij… laten we zeggen: vijf minuten politieke moed. Misschien kan men beginnen door Solzjenitsyn wat minder te bewieroken als dissident en hem wat meer te bestrijden als de rabiate nationalist, antidemocraat en orthodox christen die hij was. Niet om Stalin goed te praten, maar vanuit de ook politiek te begrijpen overtuiging dat Solzjenitsyn ondanks zijn slachtofferschap waarden en opvattingen vertegenwoordigde die in het verleden juist tot goelags en concentratiekampen hebben geleid.


    In: De Morgen, 9 augustus 2008

    Men moet niet overdrijven inderdaad, maar na de consternatie over wat de aanpassing van het reglement voor De Gouden Uil Literatuurprijs heette te zijn, komen we wat deze prijs betreft dan toch heel erg dicht in de buurt van de door een mediacratie gedicteerde literatuur — en daarvoor geldt wat ook Tom Naegels desgevraagd al stelde en wat voor hem al vele anderen op andere gebieden (zij het ook al op het gebied van de literatuur) vaststelden: recyclage van steeds dezelfde bekende namen, verschraling van het aanbod, monocultuur.

    Uit naam waarvan dat allemaal gebeurt, blijft altijd enigszins onduidelijk. Men heeft het over de pakweg 380 boeken die de jury afgelopen jaar moest doorworstelen, en dat dat er te veel zijn. Het is misschien één reden (al vind ik dat voor het Nederlands taalgebied, ondanks het forse aantal inzendingen, eigenlijk niet eens opgaan), maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat er nog andere motieven zijn. Dit jaar won ‘een volmaakt onbekende’ auteur de Gouden Uil, en de Libris zat het ook al niet mee: een ‘volmaakt onbekende’ mevrouw met ook nog eens een — och hemel! — verhalenbundel. Hoe zet men zoiets in de markt?

    d_hooijer_freddy_ri_126288a


    En dan, hád ik er nou nog maar als Colin Farrel uitgezien (De Pers stelde met buitengewone opmerkingsgave dat zulks niet het geval was, al vergat die krant dan weer te vermelden dat ik ook niet lijk op Brad Pitt, Jude Law, zelfs niet op George Clooney en al lang niet meer op David Bowie);foto_2598_-colin-farrell en hád D. Hooijer nu maar iets meer van een huppelkutje gehad: was het maar jong en hip en dus ook zonder de literaire zandzakjes aan de luchtballon gemakkelijk te verkopen geweest — dan was het niet eens zo erg geweest dat een… eh… misschien ‘te literaire’ (?) roman en — godbetert, het blíjft doodjammer natuurlijk — een verhalenbundel met de pot gingen lopen.

    In die zin heeft de organisatie het nog niet zo slecht gezien: de jury vormt het grootste probleem in de hele keten; die heeft de neiging literaire waardeoordelen over de gelezen boeken uit te spreken, terwijl die er in dit hele circus natuurlijk eigenlijk helemaal niet meer toe doen. Dát is eigenlijk wat de uitgevers nog eens wordt voorgehouden: stuur ons geen literatuur maar een makkelijk te vermarkten package, en laat ons dan het spél van de literatuur nog eens spelen. Het publiek, uit wier naam we dit allemaal doen, weet toch niet beter. Het gaat om de aantrekkelijkheid voor de media. In een dergelijke constellatie zou Harold Polis inderdaad mijn boek niet hebben ingezonden voor de prijs, zoals hij in de krant zei — want het is evident dat het merendeel van de schrijvers dan gewoon géén kans maakt. Ik heb dat de dag daarna ten overstaan van De Morgen een realistische inschatting van Polis genoemd. Ik ken mijn plaats.

    Intussen: ik heb gewoon een boek geschreven en tijdens het schrijven heb ik me geen moment bezig gehouden met de competitie waarin ik nadien noodgedwongen moest meespelen. Het is ook mijn schuld niet dat ik die prijs gewonnen heb, al krijg ik soms die indruk en verwijten sommigen het me zelfs openlijk. Ik weet natuurlijk ook wel dat het pleiten voor meer bewustzijn van het utopische en daarmee tegelijkertijd politieke aspect van literatuur iets is uit de achterhoede, zoniet: uit het verleden. Nog maar een paar dagen geleden in Maastricht hoorde ik iemand vertellen over een vriend die ook schreef, nu twee of misschien al drie boeken had uitgebracht maar er ernstig over nadacht er mee op te houden: hij verkocht hoogstens 1500 exemplaren. Dan kan men maar beter iets anders gaan doen. Ik weet kortom ook wel dat literatuur niet langer het stralende middelpunt van het culturele bestel is, van invloed op het debat in de publieke ruimte; en ik weet dat de suggestie in zowel kranten als in tv-programma’s als bij de organisaties achter de grote, commerciële prijzen dat literatuur nog steeds wél belangrijk zou zijn, niet meer is dan een pathetisch schaamlapje dat het grote nivelleren moet verhullen waarbij de markt gebaat is. Het cynisme tiert welig.

    Maar soms moet men niet realistisch willen zijn. Dat is: moet men de realiteit niet zo uit handen willen geven aan hen die haar toekennen. Zonder het geloof in de werkelijkheid die de literatuur zelf voortbrengt, en zonder het vertrouwen dat die werkelijkheid zich op enigerlei wijze (kritisch of juist niet) verhoudt tot de ficties waarmee onze alledaagse werkelijkheid zich tot de enige échte werkelijkheid uitroept, heeft literatuur inderdaad geen zin. Maar aan dat geloof is, lijkt me, geen gebrek. Aan de bestrijders ervan ook niet, want diversiteit en tegenspraak zijn in het huidige culturele klimaat eigenlijk ongewenst.