engagement

  • Pin it!

    Vaessens: de korte recensie


    Vorige week dan toch nog aardig druk geweest met de correctie op de tweede versie van mijn stuk over Vaessens' Revanche van de roman (bedoeld voor nY), terwijl de eerste versie inmiddels verscheen in De Leeswolf — de 'korte' versie. Op zich is het lang geleden dat ik een recensie van 2000 woorden 'kort' kon noemen. Hoewel ik ook een (slecht onderhouden) recensiesite heb, plaats ik die Leeswolf-versie hier eerst maar eens in zijn geheel — enfin, de versie zoals ik die naar De Leeswolf stuurde, want de eindredacteur wist me te melden dat er in de al wat uitgedunde versie (geef mij 2000 woorden en ik schrijf er natuurlijk 2300) nog hier en daar wat was geschrapt, volgens hem zonder dat het kwaad kon.

    Wees niet literair


    om.vaessens2edruk_300Als Thomas Vaessens met een boek begint, moet je als lezer altijd goed opletten. Vaak begint hij met een mooie tegenstelling die ogenschijnlijk meteen glashelder maakt waar het hem om te doen is. Zelfs wie daarbij al op voorhand wat kanttekeningen zou willen maken, is meestal wel bereid om een bladzijde of wat met de auteur mee te stappen. Maar dat is gevaarlijk, want voor je het weet is wat je
    for the sake of argument dan wel even wilde accepteren, een onomstotelijk feit geworden en kost het naderhand veel moeite om de weg terug te vinden.

    Zo kreeg in zowel
    De verstoorde lezer (2001) als in het samen met Jos Joosten geschreven Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen (2003) de op coherentie en inhoudelijke fixatie gerichte lezer het hard te verduren omdat hij geen weg zou weten met de verstorende, de ‘verontrustende’ teksten van dichters als Lucebert of andere postmoderne auteurs. Hij las verkeerd, daar kwam het eigenlijk op neer. Het kost vervolgens heel wat moeite om in te zien dat het soort verstoring waar Vaessens op uit was alleen maar kan bestaan dankzij nu juist zo’n op coherentie gerichte lezer. Zonder de intentie in een literaire tekst coherentie te vinden, is het beoogde effect van de incoherentie — ‘verontrusting’ — immers nihil. Daarmee, zo moest je tegen de intentie van de auteur in wel concluderen, werd de burgerlijke, fixerende lezer uiteindelijk eigenlijk de voorwaarde voor het ‘verontrustende’ waar het Vaessens (en ook Joosten) om te doen was.

    Vaessens’ inmiddels fel bediscussieerde
    De revanche van de roman begint ook met een flinke stellingname. Literaire connaisseurs zouden ‘sinds het einde van de negentiende eeuw’, ‘steevast’, het standpunt innemen dat ‘”echte” literatuur (…) universeel en eeuwig’ zou zijn: ‘zij ontstijgt altijd de tijd en de plaats van haar ontstaan. Om het in inmiddels wel heel belegen geworden poëticale termen te zeggen: de roman is autonoom en bij voorkeur “zuiver” literair’, schrijft Vaessens. De woordkeus is hier wat ongelukkig, vooral waar ‘autonoom’ en ‘poëticaal’ in één adem worden genoemd (de zogezegd ‘autonome poëtica’ was niet per se uit — in sommige gevallen zelfs: per se niet — op de meer sociologisch bedoelde autonomie waarop Vaessens hier lijkt te doelen). Tegenover het ‘zuiver’ literaire, stelt Vaessens vervolgens, staat dan natuurlijk het ‘onzuivere’: ‘Onzuiver is de roman die zichzelf al te nadrukkelijk verbindt aan het voorbijgaande of de auteur die zich door andere dan literaire motieven laat leiden, bijvoorbeeld door “wat de gemoederen bezighoudt” en door het verlangen daarop in te spelen.’

    Daarmee hebben we in een notedop de tegenstelling die dit hele boek schraagt, inclusief de partijkeuze van de auteur zoals die tussen de regels te lezen valt. Als
    De revanche van de roman iets is, dan is het wel een poging om af te rekenen met lieden die het specifiek literaire van literatuur hoog willen houden. Ze worden afgeschilderd als, op zijn best, van de wereld vervreemde wezens die zijn blijven hangen in een wereldbeeld dat beslist niet meer van vandaag is, door Vaessens het ‘humanistisch modernisme’ genoemd.

    Dat de afkeer van deze houding door het hele boek steeds weer opduikt, wordt eigenlijk pas aan het eind van het boek verklaard. Daar heeft Vaessens het specifiek over de neerlandistiek, die het in haar Hollandse zelfgenoegzaamheid presteerde om alle ontwikkelingen die in het buitenland van belang bleken, decennialang buiten te sluiten. Derrida was aan de academies een dusdanig vies woord, dat geen student het waagde er aan te beginnen. Deconstructivisme werd afgedaan als nieuwlichterij en wie trachtte bij de betreffende fondsen geld los te kloppen voor onderzoek vanuit een postmoderne invalshoek kreeg nul op rekest. De kersverse hoogleraar Vaessens heeft hier met andere woorden iets te bewijzen, is bezig ruimte te maken voor zichzelf en zijn programma, en loopt misschien daardoor wat al te hard van stapel. Pas in 2008 zou er volgens Vaessens in Nederland een eerste studie verschenen zijn waarin literatuur (Multatuli in dit geval) vanuit postmoderne theorievorming bestudeerd werd. Ik ken er toch al één uit 1997: Michel van Nieuwstadts
    De verschrikkingen van het denken, over Menno ter Braak.

    Zoveel strijdlust is natuurlijk sympathiek; de vraag is alleen of deze in se politieke agenda de rest van zijn betoog niet al te zeer beïnvloedt. Ik heb de indruk van wel. De terloopse vermenging van poëticale en sociologische terminologie waarover ik het hierboven al had, zet zich door in de driedeling die Vaessens ons voorschotelt, een driedeling die tegelijkertijd ook een periodisering wil zijn.

    Over dat humanistisch modernisme had ik het al even. Een echte definitie krijgen we niet, maar de volgende omschrijving geeft een goed beeld van wat Vaessens er onder verstaat: ‘literatuur is een bijzondere manier van taalgebruik die dieper reikt dan gewoon taalgebruik. Zij raakt aan het universele en is daarmee boven politiek en zelfs geschiedenis verheven — een “zuiverheid” die door de modernisten als verworven-heid wordt verdedigd’. Zo’n omschrijving begrijp ik onmiddellijk en als hulpconstructie in overzichten is ze te billijken. Maar er schuilt ook iets in van de bekende olifant in de porseleinkast. Was Thomas Mann werkelijk a-politiek? Of Martinus Nijhoff? E. du Perron was het zeker niet, Ter Braak — niettegenstaande zijn
    Politicus zonder partij — al evenmin. Het ‘personalisme’ van de zogeheten Forum-generatie (naar een tijdschrift met die naam dat tussen 1932 en 1935 verscheen) is een voortdurende strijd met juist het in hun ogen al te strikt literaire van literatuur (voor Du Perron was ‘literator’ bijvoorbeeld een scheldwoord). Misschien waren zij dan geen ‘humanistisch modernisten’, ondanks het feit dat de periode waarin het dominant was voor Vaessens doorloopt tot nog enkele decennia na het einde van WO II? Of misschien waren zij niet dominant? Wat bedoelt Vaessens dan precies met dominant?

    Iets daarvan wordt al duidelijk wanneer we naar de tweede tendens kijken die Vaessens onderscheidt, die van het ‘relativistisch postmodernisme’. Hier maakt Vaessens wel expliciet een onderscheid tussen het meer poëticale (filosofische) en het sociologische niveau. Bij dat laatste gaat het om de opkomst van de cultuurindustrie, die heeft gemaakt dat alle cultuur in de greep raakte van het rendementsdenken, van wat cultuurpessimisten dan weer ‘de dictatuur van de markt’ noemen. Bij het eerste gaat het om het gedachtegoed van Foucault, Derrida, Lyotard enzovoort. De nadruk ligt hier in beide gevallen op de relativering van enerzijds de filosofische, anderzijds de culturele pretenties van het humanistisch modernisme, dat in dit deel van het boek nog sterker wordt neergezet als elitair, wereldvreemd en op een enkele plek zelfs als ‘potentieel gevaarlijk’.

    Wat Vaessens goed laat zien, is dat specifiek in het particularistische Nederland de filosofische kant van het postmodernisme niet werkelijk voet aan de grond kreeg; de culturele kant daarentegen wel. Postmodern betekende in Nederland — in tegenstelling tot in de meeste andere landen — vooral
    anything goes en werd voornamelijk gepercipieerd als de bevrijding van lastige poëticaal-filosofische discussies over literatuur. Je zou dat positief kunnen uitleggen als een wending naar het (grote) publiek, als democratisering, maar in de praktijk betekende het toch vooral de totale aanpassing aan de markt, aan een neoliberale ideologie met andere woorden.

    Juist omdat de poëticaal-filosofische kant in het grachtengordelpostmodernisme volledig werd verwaarloosd, kan Vaessens nog een derde periode — een ‘derde weg’, zoals hij schrijft — onderscheiden, door hem ‘laatpostmodern’ genoemd. Die toont grote verwantschap met wat in Vlaanderen wel het ‘ethisch postmodernisme’ wordt genoemd: met een postmodernisme dat in het ‘einde van de meta-verhalen’ eerder een probleem dan een bevrijding zag, eerder een nieuw begin dan een einde. Voor dat ‘laatpostmoderne’ zou nu de tijd aangebroken zijn, meent Vaessens. De ontwaarding van de literatuur, zowel in cultureel als in poëticaal opzicht, heeft er toe geleid dat de auteur nu weer op zoek gaat naar een rol voor literatuur in het maatschappelijk debat. In de woorden van Vaessens: ‘Nadat (...) de [ postmoderne] relativisten de [humanistische] poortwachters ernstig in diskrediet hebben gebracht’ komt er nu ‘een nieuw type literair intellectueel’ ten tonele: ‘de publiekszoeker die probeert weer een brug te slaan tussen de literatuur en haar achterban’. Om dit te illustreren bespreekt Vaessens werk van Robert Vernooij (met Kellendonk als zijlicht), Joost Zwagerman (met Arnon Grunberg als zijlicht) en Marjolijn Februari (met Charlotte Mutsaers als secondant).

    De ‘laatpostmoderne’ auteur omschrijven als een publiekszoeker is nog maar eens suggereren dat auteurs in het verleden zich om publiek en samenleving niet bekommerden. Dat blijf ik een onzinnige stellingname vinden. Zoals het wat onzinnig is om voorlopers van dat ‘laatpostmodernisme’, bijvoorbeeld een aantal auteurs rond het tijdschrift
    De XXIe Eeuw (1990-1993), te verwijten dat zij de marge zochten nadat je eerst duidelijk hebt gemaakt dat hun inzichten nu juist door de toenmalige critici begin jaren negentig nadrukkelijk werden gemarginaliseerd. Vaessens zegt het niet met zoveel woorden, maar marginaal is men volgens zijn eigen redenering eigenlijk vooral wanneer men, ondanks het evidente engagement, te veel binnen 'de literatuur' blijft. De ‘laatpostmoderne’ auteurs die wel succesvol de brug met hun achterban hebben weten te slaan, zijn zonder uitzondering auteurs die zich in de ogen van Vaessens van literaire kwesties hebben afgewend. Leon de Winter bijvoorbeeld, keerde zich van het literaire experiment af 'om zich meer en meer te gaan richten op de concrete belevingswereld van lezers van nu’, zoals Vaessens schrijft (wat dat ook moge zijn). De suggestie hier is, als steeds: hij heeft zich van het literaire afgewend. Dat De Winter zich daarmee tot een andere poëtica heeft bekend — die van het realistische verhaal — en dus in literaire opzicht wel degelijk een keuze maakt, wordt verzwegen.

    Auteurs als Zwagerman, maar ook Grunberg, danken hun ‘geëngageerdheid’ toch vooral aan wat ze buiten hun boeken om doen. De geëngageerde Zwagerman is voornamelijk columnist, in kranten en op tv; zijn romanwerk staat daarbuiten. Ook Grunberg dankt zijn imago van geëngageerde auteur aan zijn extra-literaire activiteiten en veel minder aan zijn romans. Het heeft iets geforceerds om in Tirza per se een post-9/11 boek te willen zien, zoals Vaessens doet: op de naam van de terrorist Atta na, gaat het in dat boek om hele andere zaken.

    Dit lijkt me de grootste zwakheid in het boek van Vaessens: dat hij de onbelangrijkheid van literatuur bijna geheel probeert te verklaren vanuit ontwikkelingen in de literatuur zelf. De ‘poortwachtersfunctie’ die hij, voor een groot deel heus terecht, de humanistisch modernisten verwijt, is vandaag de dag niet verdwenen, zoals hij op verschillende plaatsen in het boek lijkt te denken. Ze is domweg overgenomen door de media en door de binnen die media sterk werkzame neoliberale ideologie. Hoogst geëngageerde auteurs krijgen binnen die media alleen werkelijk een kans wanneer die media een mogelijkheid zien hen binnen een geschikt
    format aan de man te brengen (en of ze dan een literaire kluizenaar met een voorliefde voor puntkomma's zijn of een politiek activist met talent voor smeuïg proza maakt eigenlijk niet uit). Grunberg werd bij zijn debuut gezien als het wat zielige derde-generatie-holocaust-slachtoffertje waarover tv-mama’s als Sonja Barend en Hanneke Groenteman zich troostend bogen. Dat slachtoffertje heeft zich daar zelf magistraal van bevrijd, maar kreeg na de publieke bemoedering dan ook overal ruimschoots de kans om de columnist, de programmamaker, en natuurlijk ook de literator in zichzelf tot wasdom te brengen.

    Dat wil niet zeggen dat Vaessens geen punt heeft wanneer hij stelt dat de onbelangrijkheid van de literatuur vandaag de dag ook is terug te voeren op ontwikkelingen binnen die literatuur zelf. Maar zeker niet uitsluitend.
    L’art pour l’art en engagement zijn de twee polen waartussen de literatuur uit de moderne tijd zich altijd al heeft bewogen (ook in ‘humanistisch modernistische’ tijden). De autonomie die de literatuur voor zichzelf heeft opgeëist, was natuurlijk altijd voor de hele samenleving bedoeld. Of anders gezegd: de autonomie die de literatuur voor zichzelf opeiste, was niet de autonomie die ze (van die samenleving) kreeg toebedeeld. Het is onmiskenbaar Vaessens’ bedoeling literatuur weer uit die haar toebedeelde autonomie te bevrijden. Ik kan alleen maar constateren dat in de wijze waarop Vaessens dat tracht te bewerkstelligen vooral die literatuur het loodje legt.

    Na dit alles bleef er voor nY nog voldoende over om nog een tweede stuk te maken waarin ik dingen die hier noodzakelijkerwijs een beetje impliciet blijven , wat verder kon uitwerken (bijvoorbeeld dat verschil tussen de sociologische en de poëticaal-filosofische betekenis van 'autonomie') en nog wat andere accenten kon aanbrengen. Zo noemde ik naast De XXIe Eeuw ook nog de auteurs rond het tijdschrift Het Moment (1986-1988), bracht ik in herinnering dat eind jaren tachtig in Vlaanderen ook yang de draai maakte van neo-realisme naar een meer postmoderne invalshoek (naar wat Vaessens dus laatpostmodernisme noemt), en wijs ik erop dat Raster al veel langer deze weg bewandelde, maar zelf een beetje verhinderde dat men er aandacht aan schonk (enerzijds door zich zorgvuldig op het buitenland en bijna niet op de Nederlandstalige literatuur te richten, anderzijds door elke link met de Franse postmodernisten zoveel mogelijk te verzwijgen).

    Thomas


    Opmerkelijk genoeg kreeg ik van de nY-redactie onder andere het commentaar dat ik zo vreselijk mild was. En het is waar dat ik me dit keer wat minder dan anders op sleeptouw heb laten nemen door wat mijn eigen stijl me op een gegeven moment ingeeft, maar ik vraag me af of die mildheid per se betekent dat ik minder kritisch ben. Aan het gescheld op Vaessens ga ik natuurlijk niet meedoen — waar is die jongen wel niet allemaal voor uitgemaakt? Leugenaar, geloof ik. Populist natuurlijk. Riep daar iemand 'fascist'? — altijd een handzaam woordje in de zich van elke smet bevrijd wanende Hollandse kikkerpoel. Enfin, dat schiet allemaal niet op, en draagt alleen maar bij aan het discussievijandige klimaat dat intellectueel Nederland nu al decennialang beheerst. Misschien is de wijze waarop Vaessens — in mijn ogen althans — de historische werkelijkheid vertekent, wel een rechtsstreeks gevolg van die vijandigheid… Het boek zelf is inmiddels aan zijn tweede druk toe. Dat dan weer wel.