david nolens

  • Pin it!

    Rome


    luchter


    Het is vreemd om in het midden van de nacht wakker geschud te worden en vrijwel onmiddellijk te weten: dit is een aardbeving. Vreemd, want je maakte nog nooit een aardbeving mee. Je knipt een lichtje aan en ziet aan het plafond van je modieus ingerichte appartementje tussen het Colosseum en de San Giovanni in Laterano een wit geschilderde luster heen en weer zwaaien als een wierookvat. Nergens een scheur in de muur. Wel het huilen van je kind, ook wakker geschud. Maar omdat alles daarna terugkeert tot huis, appartementsblok, fundament en Rome, is het gemakkelijk om te troosten. En je slaapt weer in. De volgende dag een eerste schatting in de krant: rond de tweehonderd doden, een goede honderd kilometer verderop. De volgende dag ook een nieuwe aardschok en opnieuw bewegende verlichting aan het plafond, maar nu zegt het kind dat je gerust kunt doorgaan met voorlezen; het houdt wel weer op. Het houdt inderdaad weer op.

    Meer dan twintig jaar geleden voor mij — Rome. Ik twijfel tussen 1986 en 1987, vermoedelijk het laatste. Er staat me vagelijk iets van bij dat ik me door de eeuwige stad bewoog als kersverse dichter — juist mijn allereerste Contract op zak van De Bezige Bij en met werkelijk geen idee wat dat zou inhouden: dichterschap. Foto's van die gezegende staat heb ik niet in mijn bezit. Het was een ander leven dat ik al lang geleden verliet met achterlating van snapshots en ander beeldmateriaal. Alleen de foto op de achterkant van Komgrond geeft nog een idee, genomen voor één van de zuilen op het St. Pietersplein en vervolgens door de vormgeefster en mijn toenmalige levensgezellin (tevens de fotografe) nog wat bewerkt. De foto deed Anneke Brassinga met veel vrolijk gevoel voor relativering later vragen wat of dat toch was, dat witte daar onder dat openhangende eighties hawaïshirt: 'ik vroeg me af: heeft-ie een schotwond? Is het verband?' Nee, grijnsde ik, zo'n tasje voor je waardepapieren. 'Italianen, weet je wel', zei ik. Angst was een betere verklaring geweest voor deze hang alles zo dicht mogelijk op het eigen lijf te dragen, als het dat al niet is wat in het woord 'Italianen' wordt uitgedrukt.

    coverkg


    Wat me er aan doet denken: de vorige keer dat ik in Rome was sloeg de bliksem een kleine twintig meter voor mij in: helle lichtflits, vonken en het gevoel dat iemand me bij de ruggengraat had vastgehad en eens flink door elkaar had geschud.

    Meer dan tweehonderd doden, zo zagen we op tv na nog een schokje.

    Het tv-verslag van de ramp had hetzelfde bedenkelijke niveau als overal elders: men is uren 'in de lucht' met geen nieuws, totdat een politicus er handig gebruik van maakt, in de eerste plaats natuurlijk Berlusconi, met zijn 'zie het als een kampeervakantie' tegen de in tentenkampen ondergebrachte slachtoffers. Zeggen dat je maar even naar Italianen hoeft te kijken om te begrijpen waarom ze zo'n charlatan tot premier hebben gekozen, is weliswaar erg verleidelijk, maar slaat natuurlijk nergens op. Domheid en ijdelheid zijn niet specifiek voor het Italiaanse volk, maar datgene wat je soms de democratie in twijfel doet trekken. 'Democratie kon volgens Kowalski alleen maar werken als alle mensen intelligent zouden zijn en wisten waar ze het over hadden, maar de meesten waren dom en het kon ze alemaal niets schelen', zo staat er in Bernlefs laatste roman De rode droom — een parabel over het socialisme, zo zou je kunnen zeggen (ik schreef er over voor De Leeswolf), of misschien meer nog: een parabel over het individu dat het 'Er Is Geen Alternatief' te lijf blijft gaan.

    politicsoffearcoverlarge


    Over dat laatste ben ik nu aan het lezen in Frank Furedi's Politics of Fear, een boekje dat ik nog voor het hiervoor genoemde Where Have All the Intellectuals Gone? wilde lezen. In dat boekje heet het 'There Is No Alternative', afgekort tot TINA. Ik heb het nog niet uit, maar het zet alvast aan tot denken waar hij het heeft over de huidige protestbewegingen: van anti- of andersglobalisten tot de Witte Mars in België ziet hij vooral eigenbelang en angst voor de toekomst prevaleren. Hij rekent en passant ook af met de idee dat alleen links in een crisis zou verkeren; ook rechts heeft de afgelopen decennia (en dat al sinds de Tweede Wereldoorlog) geen werkelijk alternatief toekomstperspectief meer in huis. Dat is een bijna geruststellende gedachte voor iemand als ik, die bang is dat zijn eigen linksheid maar een modeverschijnsel is geweest. Al is het ontbreken van perspectief natuurlijk juist een teken van de uitputting van de politiek als geheel en van het alomtegenwoordige disengagement, waardoor we voorgoed 'frozen in the present' lijken te zijn.

    In Rome intussen werd ik gebeld door iemand van de radio. Ze hadden het idee opgevat een schaduwjury voor de komende Gouden Uil samen te stellen, die dan in het programma op de dag van de uitreiking haar voorkeur bekend zou maken. Wat een vreemd idee… Zeker gezien het feit dat ik me als jurylid, of zelfs als beoogd voorzitter van die jury, zou moeten houden aan de nominaties van de officiële jury. Daar begint het al mee. In mijn jury zouden minstens Jeroen Theunissen en David Nolens op de shortlist gestaan hebben als twee schrijvers die het afgelopen jaar werk afleverden dat ik niet door anderen geschreven zag worden.

    Bedoel ik daarmee dat er voor mij in de keuze voor de huidige jury dertien-in-een-dozijn-werk zit? Zeker niet alles, zei-hij-tactvol. Maar kijk eens, ik blijf bij mijn al eerder geformuleerde standpunten: het is déze jury die déze nominaties heeft gedaan. Een andere jury zou anderen gekozen hebben. Een schaduwjury die zich aan de reeds genomineerde werken moet houden, is dus eigenlijk een beetje potsierlijk. En omdat ik nu wat minder naïef door Rome liep dan pakweg twintig jaar geleden, vermoedde ik in deze constructie behalve een poging tot natuurlijk altijd te rechtvaardigen amusement, toch ook wat kritische bedoelingen, gezien de heisa die er rond deze nieuw samengestelde jury is geweest. Dat werd overigens ontkend. Zoals degenen die de heisa rond die jury mede veroorzaakten laatst nog ten overstaan van mij ontkenden dat het iets te maken had met de keuzes van de vorige jury, ook al was er dan — men zei het echt — voor mij wat 'collatoral damage' geweest. 'Collatoral damage'… dat zijn toch gewoon onschuldige doden, of heb ik het nu mis? Zo bezien viel het nog mee dat men het niet over 'friendly fire' had.

    In Italië liep het dodental intussen op tot 291.

  • Pin it!

    Luid


    screenshot_53


    Opmerkelijk stuk van de ‘stille sterke schrijver’ David Nolens in De Morgen van vandaag: ‘Wie breekt mij de mond open?’ Hij antwoordt op een opmerking van Dirk Leyman in ‘Uitgelezen’ van, ik denk vorige week: de boekenbijlage met de lijstjes: of de stille sterke schrijvers ook eens hun mond willen roeren. Een beetje een gotspe toch, komend van een recensent die zich in zeer korte tijd tot de Petrus van ons deerlijk onttakeld letterlandje wist op te werken en dus zelf aan de poort staat. Ik heb nu alweer spijt dat ik, naar mijn gewoonte, niet aan die lijstjes heb bijgedragen. Ik had zeker David Nolens’ vrijwel onzichtbaar gebleven boek Stilte en melk voor iedereen genoemd als een van de sterkste boeken van 2008. Hoe beschreef Erik De Smedt dat ook alweer in de Leeswolf (een bijdrage die misschien aan David Nolens voorbij is gegaan, want hij noemt hem niet)? ‘Geschreven met een gedrevenheid die je zelden tegenkomt’; en: ‘een roman zoals er maar één in de tien jaar wordt geschreven’.

    Nolens_stilteenmelk


    Die spijt wordt nog groter wanneer ik me realiseer dat juist een opmerking als die van Leyman duidelijk maakt tot hoe weinig de literaire pers nog maar in staat is. Want natuurlijk is het niet aan de schrijvers om stampij te maken rond hun eigen produkten, zoals dat tegenwoordig heet. Men kan dat proberen natuurlijk, en vooral op het internet wemelt het van de websites die, niet zelden onder het mom een algemeen belang te dienen, vaak vooral de spreekbuis zijn van het minimale talent van hun bezielers. Maar dat werkt niet echt. Hoezeer de algemene kwaliteit van de boekenbijlagen er, laten we zeggen: de afgelopen tien jaar, ook fors op achteruit is gegaan, ze blijven tot nader order nog steeds bepalender dan welk persoonlijk intiatief ook. Denk bijvoorbeeld aan de succesvolle lancering van Erwin Mortier door De Morgen destijds; zonder die (soms wat beschamende, want volstrekt kritiekloze) ruggensteun (het ging veeleer om een bewuste hype) was ook hij wellicht zo’n stille, wat precieuze schrijver gebleven, wiens woede jegens de wereld grotendeels binnenskamers gebleven zou zijn — en dat laatste was toch jammer geweest (hij kan zich prachtig boos maken). In die zin had ik van de mij geboden gelegenheid gebruik moeten maken, ook al ging het dan om de in mijn ogen altijd wat debiele lijstjesmanie aan het eind van ieder jaar.

    En wat nu als David Nolens wél stampij had gemaakt, had staan rammelen aan de poorten van De Standaard en De Morgen, de redacties van Humo en Knack had bestookt? Was dat dan een garantie geweest voor aandacht, laat staan: de juiste aandacht? Zoals zo vaak bestaat er bij wat ik nu maar even in het algemeen ‘de media’ noem al op voorhand een bepaald beeld van die of die persoon — op niets gebaseerd vaak. Nolens was, al had hij uit zijn vel springend en met de broek op zijn knieën, zwaaiend met zijn geslacht en in het bezit van een megafoon de gebouwen van de diverse media bestormd — Nolens was en blijft ‘een stille schrijver’ die ‘moeilijk uit zijn woorden komt’ en nog meer onzin. ‘Niet mediageniek’, kortom. Je zou toch verwachten dat mensen die de literatuur een warm hart toedragen wat minder in de pas lopen met de in se commerciële eisen die het medium waarbinnen ze werken aan hen stelt. Recensenten zijn dienaars van de markt geworden, niet meer degenen die met enig gezag kunnen bepalen wat er op de marktplaats voor kwaliteit doorgaat.

    Recensenten zijn uiteraard onderhorig aan wat redacteuren bepalen, die zelf weer onderhorig zijn aan wat directies willen, en die hebben weer hun verantwoordelijkheid jegens eigenaren en/of aandeelhouders. Als niemand in die hiërarchie, en vooral: niemand uit de hogere echelons zich sterk maakt voor de kwaliteit van een en ander, heb je je als laagste in de voedingsketen maar te voegen naar wat men van hogerhand beslist: zo slinkt de omvang van recensies van 1000 naar 500 woorden — dat is nog goedkoper ook. Nog maar recentelijk zat ik samen met Liesbeth Van Impe, politiek redacteur van De Morgen, in de studio’s van Klara (ze had me uitgenodigd in een programma waarin zij zelf de hoofdgaste was, liever: zal zijn; het programma, Transit, wordt 2 januari uitgezonden), en had het nadien onder meer over de rampen die De Morgen nu weer boven het hoofd hangen. Wat daar nu de complete redactie overkomt (inkrimping van het personeelsbestand met bijna 35%, verhuizing naar een andere lokatie, innige samenwerking met een krant uit dezelfde Persgroep, die echter ideologisch en anderszins van een andere planeet is), is wat de krant zelf al jaren met haar boekenbijlage heeft gedaan. De kwaliteit wordt te grabbel gegooid voor een paar stuivers meer.

    51aEBedY1OL._SS500_


    We weten dat allang met zijn allen. Liesbeth Van Impe gaf me tijdens de uitzending een cadeau — een boek natuurlijk, ‘het beste nonfictieboek van het afgelopen jaar’, zei ze: Flat Earth News van Nick Davies. Ik ben er nog niet aan toegekomen er volop in te lezen, maar de eerste dertig pagina’s maken iedere scepticus nog sceptischer, iedere cynicus nog cynischer en iedere pessimist suïcidaal. Iedereen die werkzaam is in die wereld zoekt naar lichtpuntjes of voelt zich genoodzaakt op te merken dat het ‘nog wel meevalt’ — een opmerking die gewoonlijk meestal wordt gemaakt wanneer de toestand rampzalig is.

    Je ziet dat ook gebeuren als het om de literatuur gaat. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het, als altijd, wanhopig optimisme van Dirk van Weelden in zijn pamflet Literair overleven, waarin elke strohalm wordt aangegrepen om de kracht, de kennis en de rijkdom van een literatuur die, in Van Weeldens (maar ook mijn) visie weerbaar en bemoeizuchtig zou moeten zijn, te benadrukken tegenover de krachten die nu juist met een dergelijke literatuur het liefst zo snel mogelijk afrekenen. Het optimisme werkt aanstekelijker dan de zoveelste jeremiade natuurlijk, maar het kan niet verhullen dat het voortkomt uit de constatering dat in de huidige samenleving literatuur geen plaats meer lijkt te hebben, of dan toch in ieder geval de plek is kwijtgeraakt die claims op kracht, rijkdom, kennis, weerbaarheid en bemoeizucht nog enige betekenis gaf. Het niche-denken als rechtvaardiging voor marginaliteit, of de theorie van de lange staart van Chris Anderson bijvoorbeeld.

    Literair overleven_1


    Die laatste gaat uit van een model waarin er (in de VS) van slechts tien boeken een miljoen of meer exemplaren worden verkocht, van rond de vierenzestig boeken tweehonderdvijftigduizend tot een half miljoen, en dan is er een lange, lange staart waarin van steeds meer boeken steeds minder worden verkocht. ‘Zoals dat gaat in visionaire boeken van zakelijke goeroes, zet Anderson de uitersten met cartoonachtige helderheid tegen elkaar af’, schrijft Van Weelden, om hier zijn handzame samenvatting maar even te gebruiken. ‘Aan de ene kant staat de logge, stomme, oude economie, die alleen in termen van schaarste denkt en er altijd op uit is iets te bedenken wat one size fits all is en automatisch concludeert dat als iets geen hit is, het een flop is en dus zonder waarde, en dat wat niet snel populair wordt, geen kwaliteit heeft. Aan de andere kant staan de nieuwe, slimme, volgens de logica van het internet denkende ondernemers, die doorhebben hoe je in nichemarkten vraag en aanbod op een nieuwe manier aan elkaar koppelt: niet door te proberen te voorspellen wie wat zal willen kopen (via contacten met scouts, redacteuren, inkopers, verkopers, adverteerders), maar door achteraf te kijken naar het gedrag van klanten zoals dat is af te lezen aan weblogs, de uitgewisselde lijsten favorieten, de besprekingen en aanbevelingen die klanten achterlaten en het verkennen van hun eigen omgevingen en contexten op het web. (…) Flikker de tussenpersonen eruit, dat is de slogan die ondernemers volgens de lange staart in het hoofd hebben.’

    Veel meer dan een poging om literatuur als handelswaar te redden binnen een onveranderlijk als dominant geponeerd marktdenken dat zelf weer wordt aangestuurd door een welbepaalde ideologie — veel meer dan dat is dit niet (waarbij recentelijk dan ook nog eens onderzoeken opdoken die de hele theorie op de helling zetten: de staart blijkt eerder gecoupeerd te worden dan Anderson beweert). Maar juist Van Weeldens eigen omschrijving van literatuur maakt duidelijk dat haar core business nu juist die ideologische vooronderstellingen zijn. Favorieten, besprekingen en aanbevelingen van klanten hebben tot nu toe op mij maar heel weinig indruk gemaakt, juist ook omdat een willekeurige consument vrijwel nooit verder komt dan zijn eigen, uiterst subjectieve, al dan niet ontwikkelde smaak, die meestal wordt geformuleerd binnen een context die het ‘voor elk wat wils’ dwingend oplegt, en zo elke serieuze discussie uitsluit. Het leidt in die zin tot nog verdere marginalisering.

    Of het een serieus tegenwicht kan bieden, een daadwerkelijk voldragen alternatief gaat worden, staat nog te bezien, maar al sinds 2007 wordt er achter de schermen getimmerd aan een website die de lacunes die de papieren boekenbijlagen hebben gelaten, zou willen opvullen. Het is een initiatief van een aantal literaire tijdschriften uit Nederland en Vlaanderen, waaronder Parmentier, de kringen rond het voormalige Raster, DW B, yang, Nieuwzuid — niet met de bedoeling om de respectievelijke redactionele lijnen op de voorgrond te plaatsen (bijna al die tijdschriften hebben of hadden hun eigen reviewafdeling waarin men de eigen visie op literatuur kon en kan uitdragen), maar om een boekenbijlage op het net te brengen — een bijlage waarin recensies zomaar 1500 of 2000 woorden kunnen bedragen, geschreven door professionele critici uit alle windrichtingen, critici die voor een deel ook nu nog in kranten schrijven, maar daar allang niet meer kwijt kunnen wat ze er kwijt zouden willen. De voorbereidingen voor die site zijn inmiddels ver gevorderd, in het stadium van geldschieters (want de recensenten moeten, min of meer, naar behoren betaald worden) en webdesign. De Reactor, zoals het heet, zou in die zin de blijkbaar eerder aan aandeelhouders dan aan kwaliteit verplichte kranten eindelijk van al die lastige boekenbijlagen kunnen verlossen. Ik hoop in ieder geval dat het een site wordt die ik wél weer graag lees, in plaats van de boekenbijlagen bij de kranten, waarbij ik me steeds weer afvraag voor wie die nu eigenlijk zijn bedoeld.

    En het zou ook een site kunnen zijn waarop de ‘stille schrijvers’ gewoon in hun stilte mogen berusten vanuit de gedachte dat hun boeken luid genoeg spreken. Om mijn verzuim in de krant dan nog enigszins goed te maken, ook al is het dan maar hier: David Nolens’ Stilte en melk voor iedereen doet dat ruimschoots.