boekenbeurs

  • Pin it!

    Veld-Velter-Veldst


    nachten


    Op De Nachten in Antwerpen was het volgens de vaste bezoekers van dat evenement opvallend rustig. Ik begrijp dergelijke manifestaties sowieso niet: er gebeurt te veel tegelijk. De gelijktijdigheid van concerten en voordrachten heet cross over en dat schijnt tegenwoordig erg belangrijk te zijn. Alsof het een meerwaarde heeft dat men zich moet inspannen om een literaire voordracht te horen vanwege de bonkende bassen van een popgroep in de zaal ernaast. Cross over-festivals lijken vaak de literatuur te gebruiken ter legitimering van een bepaald ‘hoog-cultureel’ profiel dat ze zich willen aanmeten (alsof ze zelf de popmuziek te min vinden). Van een werkelijk overvloeien van het een in het ander is er natuurlijk geen sprake. De nadruk ligt ook op muziek (bekijk de foto’s die er gemaakt zijn van de beide avonden: alleen Tom Naegels vertegenwoordigt het schrijversgilde). Erg is dat niet, overigens. Maar het maakt dat De Nachten al tijden minder bijzonder zijn dan ze zich voordoen — en misschien dat het publiek (dat al jaren meer voor de muziek komt dan voor de schrijvers — al is het, vond ik, voor die schrijvers erg gul in zijn appreciatie) daarom deze keer weg bleef, want iets werkelijk groots stond er, begreep ik van kenners, niet op het programma. Zelfs Mauro Pawlowski redt dat niet in zijn eentje — want op zo’n avond is hij toch iets anders dan de gitarist van het succesvolle dEUS

    Zelf was ik, na een soort meet & greet met een aantal scholieren in het kader van De Inktaap aan het begin van de avond, pas tegen middernacht aan de beurt om mijn ‘oplossing van een wereldprobleem in 22 minuten’ in de mij slechts toegestane 12 minuten over het voetlicht te brengen. Ik zong tussendoor een beetje Van het Groenewoud en de eerste regels van het Belgisch Volkslied, dat ik, moet ik bekennen, aartslelijk vind, en ik meende aan de zaal te merken dat pas gaandeweg de ironie van het hele ding begon door te dringen — wat ook min of meer mijn bedoeling was bij het maken van het tekstje. Een beetje verwarring over de mogelijke ernst van hetgeen ik te berde bracht, mocht er wel zijn.

    Dat tekstje bezorgde me inderdaad de nodige hoofdpijn, zoals ik het (eigenlijk twee dagen) eerder in (het pas op vrijdag uitgezonden) Mezzo tegenover Ruth Joos formuleerde (de bedoeling was om op donderdag live in het programma te verschijnen, maar ik zat vast in de Brusselse tunnels — in ieder geval één wereldprobleem dat door mij niet opgelost kon worden). Zo’n idee om schrijvers wereldproblemen op te laten lossen is op zich niet onaardig, ook al gezien de claim van veel schrijvers dat literatuur in en voor onze samenleving relevant zou zijn. Maar tegelijkertijd is het weer een van die formats die je op voorhand als schrijver onteigenen. Soms is dat gezond, pakt het goed uit, komt men er als schrijver zelf verder mee — maar in dit geval was ik toch liever ‘mezelf’ gebleven. Als schrijver.

    screenshot_42


    Dat mocht in ieder geval wel in een klein zaaltje aan het begin van de avond, waar een kleine, schat ik, 60 scholieren mij als enige van de drie voor de Inktaap genomineerde auteurs voorgeschoteld kregen, dit alles begeleid door een olijk ogende presentator met een onduidelijk mutsje op die in zijn inleiding al meteen de toon zette door te stellen dat de aanwezigen nog even met die ‘vervelende literatuur’ geconfronteerd werden, maar daarna naar hartelust De Nachten mochten bezoeken. Dank u. De leerlingen zelf leken het overigens niet zo heel vervelend te vinden. Ik las een klein stukje (de eerste bladzijde van het boek) voor, zei toen met een al te vette knipoog dat ik de tweede bladzijde niet durfde te lezen, om er na nog wat vragen, natuurlijk toch toe gedwongen te worden door presentator en publiek. Eén van de vragen van de presentator was ook nog wie ik vond dat er moest winnen. Ja, wie had hij gedacht? Aan opgelegde bescheidenheid doe ik niet.

    Tussen beide optredens door bevond ik me backstage, zoals dat heet, en liep er een oude bekende tegen het lijf, werd door een cartoonist aangezien voor een uit de gevangenis ontsnapte schilder en werd nog door een duo geïnterviewd dat de website van ‘Iets met boeken’ verzorgt (de video staat er nog niet op, zag ik). Ze vroegen mij onder andere waarom ik niet op de lijst met beoogde auteurs voorkwam. Dat ik het niet weet. Ja maar, als in Vlaanderen woonachtige, prijswinnende Hollander hoorde ik toch absoluut thuis in een programma dat telkens een Vlaming én een Hollander interviewt? Misschien. Maar ik sta niet op die lijst, dus… Het was lollig en lodderig tegelijk, misschien ook omdat de interviewer de sterke indruk wekte die avond al meer gedronken te hebben dan de politie betamelijk acht — al zei hij zelf dat het verschil tussen wel en niet drinken in zijn geval nauwelijks merkbaar was.

    wouterdeprez9789085421641De dag nadien wederom de boekenbeurs, om te signeren, maar vooral ook om Wouter Deprez te interviewen. Zijn voorstelling — Eelt — zag ik een aantal weken terug, en de dag voordien had ik tijdens het wachten backstage zijn boek (met de tekst van de voorstelling) ook nog eens gelezen. Het werd een, naar mijn gevoel, prettig gesprek over vaders, vadermoord, intimiteit, moralisme, narcisme en nog wat –ismen, met steeds een zeer persoonlijke toets. Waarna ik van op de eerste rij ‘stardom’ mocht aanschouwen: de drommen mensen die een boekje lieten signeren, schoolmeisjes die Deprez papiertjes voorhielden voor een persoonlijke boodschap en een handtekening, mensen die met hem op de foto wilden. Fascinerend wel. Mooi ook, die glans in de ogen van sommigen, terwijl anderen dan weer die typisch amicale toon aansloegen die velen zich menen te kunnen permitteren tegenover iemand die ze ‘kennen’ van tv. Men moet daar toch maar mee om weten te gaan — en Deprez doet dat zonder zichtbare moeite.

    Wat ondertussen ook nog af moest, dat was de tekst voor het radioboek, dat ik op de mij gebruikelijke manier breed smerend was begonnen, me al spoedig realiserend dat het ‘boek’ niet veel meer mocht worden dan een kort verhaal, wilde het passen binnen het… format van de radioboeken. Ook dat moest de zevende ingeleverd.

    Cover.2008.3.small


    Bij dat alles zou men vergeten dat yang intussen ook nog verscheen. Het nieuwe nummer heeft een dossier dat ‘Aan de randen van de romantiek’ gedoopt werd — inmiddels wat onfris becommentarieerd door Drukselman Johan Velter, wiens pas door mij ontdekte site een voor mij onverwachte, zodanig hoge zuurtegraad heeft dat het hem als medewerker van de Gentse bibliotheek bijna tot een gevaar voor de aanwezige collectie maakt. Hij hakt nogal in op de bijdrage die Koen Van Baelen in yang over Safranski’s Romantik schreef, maar daar blijkt iets achter te zitten wat ik niet helemaal kan achterhalen — een conflict dat Velter blijkbaar heeft met De Leeswolf, waarvan Van Baelen redacteur is. Zijn bezwaren tegen het stuk worden op de site zelf in een commentaar van Erik De Smedt al grotendeels ontkracht, maar aan de enggeestigheid van een en ander doet dat weinig af. Nadat hij het artikel van Van Baelen ‘arrogant en dom’ heeft genoemd, vervolgt hij:

    Wat is hier gebeurd? Koen Van Baelen is redacteur van het tijdschrift ‘De leeswolf’. Marc Reugebrink krijgt een faveurke van ‘De leeswolf’ en dus mag de redacteur in het tijdschrift van Reugebrink publiceren. Kleine wereld? Incest? Krampachtige poging Bourdieu gelijk te geven? Niets van dit alles. Petit bourgeois, petit esprit.

    Kleine wereld inderdaad. Nog veel kleiner, meneer Velter, dan u kunt vermoeden. Koen Van Baelen leerde ik kennen tijdens een verhuizing van Rokus Hofstede, een — vind ik toch — begenadigd vertaler uit het Frans die ik (inwijkelingen onder elkaar) al langer kende. Hofstede verhuisde van het ene huis in mijn straat naar een ander huis in mijn straat. Het is een schande dat wij zo dicht bij elkaar wonen, meneer Velter, ik weet het. Maar goed, al tijdens die verhuizing, ik zwoegend onder een koffer vol kinderspeelgoed, Van Baelen worstelend met een wasrek vol lakens, vroeg de laatste aan mij of ik voor De Leeswolf niet een lezing over literaire kritiek wilde verzorgen vanwege hun tienjarig bestaan. Ik zei toe. Er werd vooraf in Antwerpen nog geluncht met de hele redactie, en tijdens die lunch liet ik vallen best voor De Leeswolf stukken te willen maken. Ik geef toe dat zoiets volstrekt ongeoorloofd is. Mijn contact bij dat blad werd, min of meer vanzelfsprekend vanwege de korte voorgeschiedenis, Koen Van Baelen. Het is bij de beesten af, inderdaad.

    Enfin, meneer Velter, hoe gaat zoiets, men leert elkaar kennen, men praat eens wat bij een paar flesjes wijn, men vindt elkaar op bepaalde punten, en tja, als dan mijn tijdschrift (ik maak dat namelijk al jaren helemaal alléén…) op een zeker moment naar een auteur voor een bepaald artikel zoekt, dan kan het heel goed zijn dat men uitkomt bij iemand die men… kent. Iemand van wie men denkt dat het misschien goed zou zijn als hij of zij zich over het onderwerp in kwestie boog. In die zin is yang al heel lang een broeinest van nepotisme, zoals alle tijdschriften dat zijn, of, als het daar om gaat, ook alle boekenbeurzen en –beursjes, zoals u wellicht weet. Wij noemen dat ‘een netwerk’ — een lelijk woord misschien, maar het dekt de lading. Zonder zoiets functioneert in de wereld van de literatuur, en trouwens ook buiten de wereld van de literatuur, niets.

    Het lijkt een goedkope omdraaiing, maar het is niet vaak dat de beschuldiging van kleingeestigheid me voort lijkt te komen uit de bewustzijnsvernauwing van iemanddie met alles en iedereen in de wereld wil afrekenen vanuit een verongelijktheid waarvan alleen hijzelf de ware oorzaken kent. Ik heb nog steeds de grootste waardering voor de bestrevingen van Druksel, ook nu de boekenbeurs met die naam verdwenen is, al vermoed ik dat het mij zeer kwalijk genomen zal worden wanneer ik bij het al te grote (avant-garde)purisme van zijn bezieler zo de nodige vraagtekens heb. Voor dergelijke puristen riekt dat onmiddellijk naar uitverkoop en ander bij een dan plotsklaps erg simplistisch wereldbeeld behorend zwart-wit denken.

    En overigens, meneer Velter, u kunt menen dat ik ‘eigenaardige opvattingen over aantallen’ heb, zoals u schrijft — het zojuist verschenen nummer van yang is echter niet 2008.4, maar 2008.3 … Laten we het wel exact houden, alstublieft.

  • Pin it!

    Boekenbeurs


    Het zou me niet meer mogen verbazen: de verslaving van de meesten aan het overbekende. Hier in Vlaanderen heerst de overtuiging dat Hollanders vrekkig zijn, en die overtuiging werd vroeger onder meer bevestigd door de gewoonte die Nederlanders hadden om op vakantie zakken aardappels, ingeblikt vlees en blikken groenten mee te zeulen naar het oord van bestemming. Met zuinigheid had dat echter minder van doen dan met het verregaande onvermogen om zich aan het werkelijk andere aan te passen — op het gebied van voedsel samen te vatten als: ‘huu, die olijfolie…’, waarbij dan met de hand vage bewegingen ter hoogte van de buikstreek werden gemaakt. Inmiddels is de pizza, zijn olijfolie en courgette in omgekeerde richting de grens overgestoken en hebben derhalve veel van hun vreemdheid verloren. Ik denk niet dat er nu nog veel (desalniettemin overbeladen) caravans zijn die volgestouwd zijn met inheems, Hollands voedsel.

    biografie_fotoMaar aan het onvermogen om zich werkelijk te verplaatsen doet dat niet veel af. Jaren geleden schreef de Nederlandse Portugees Rentes de Carvalho nog in zijn veelgekochte boek over Portugal dat Hollandse dames er rekening mee moesten houden dat de plaatselijke bevolking van Portugal niet echt zat te wachten op de monokini, en derhalve in de pronte ontbloting van borsten niet onmiddellijk een teken van emancipatie en dus beschaving zag. En er is zoiets als de all-in-formule op hete, tropische eilanden ver, ver weg, waarbij toeristen het resort waar ze verblijven nooit verlaten — een soort luxueuze versie van Center Parks, zo stel ik me voor, waar ‘alles is’.

    Op de boekenbeurs zie je hetzelfde gedrag. Onbegrijpelijk dat bij een dergelijke diversiteit aan titels, genres en wat dies meer zij, de meeste mensen in elk van de ‘niches’, zoals dat tegenwoordig schijnt te moeten heten*, telkens weer het overbekende, het tot vervelens toe herhaalde, het al overal tot in den treure uitvergrote en duizendmaal geëchode kiezen boven wat zo’n boekenbeurs eventueel aan nieuwigheden te bieden heeft. Of nee, misschien is dat niet zo onbegrijpelijk als je weet dat de media als enige doorgeefluik dat nog enige orde in de chaos lijkt te scheppen (en daarmee onherroepelijk een hiërarchie aanbrengt), zelf steeds weer afvliegen op het overbekende. Paul d’Hoore is tegenwoordig iedere avond op het journaal; reden om ook op de boekenbeurs met een camera op hem af te gaan. Aspe kent iedereen, dus laten we hem vooral voor de lens halen. Het blijft wonderlijk hoe ‘het nieuws’ altijd met het oude op de proppen komt, en hoe als het om cultuur gaat vooral datgene het nieuws haalt wat het vooral niet is.

    marcreugebrink
    © Bert, de 16-jarige Boekenbeursfotograaf.

    Ja, ik geef toe, ik heb zelf alweer een middag voor Jan Joker als signerend auteur op de boekenbeurs gezeten — mij troostend met de gedachte dat Rudi Vranckx die middag maar twee boekjes meer signeerde dan ik. Niet dat ik me daar niet op instel, maar halverwege de ‘signeersessie’ bekruipt je toch het gevoel dat je thuis had kunnen zitten werken in plaats van een Aanwezige Auteur te zijn die ook nog eens veel van het langstrekkend publiek een soort schuldgevoel geeft, zo meende ik te kunnen opmaken. Velen lopen op die typische stuurs-Vlaamse wijze langs de tafeltjes: ze kijken vooral en zeer nadrukkelijk níet. Anderen die wat argelozer zo’n gang met signerende auteurs zijn ingeslagen, kijken beschaamd naar hun tenen zodra ze je in het oog krijgen. En als na een uurtje de ballorigheid in mij weer eens de overhand krijgt en ik alle mensen begin aan te spreken die ook maar een half oog op mijn boekje hebben laten vallen, blijkt helemaal in welk lastig parket ze zich bevinden. Schuld schuld schuld. Want vaak zijn ze wel op weg om Goedele’s grote vagina boek, of hoe heet het, door de schrijfster te laten signeren, en zo’n ‘echte’ schrijver lijkt simpelweg door zijn aanwezigheid het besef aan te brengen dat zoiets misschien toch lichtjes banaal is (al zie ik niet goed waarom; een boek over vagina’s lijkt mij aan heel veel wezenlijks in het leven tegemoet te komen).

    9789002223136


    Schrijvers en schuld. Het zal iets te maken hebben met de toegenomen scholingsgraad van de totale bevolking dat meer en meer mensen die geconfronteerd worden met een schrijver, zich onmiddellijk beginnen uit te putten in verontschuldigingen. Dat ze u niet kennen. Dat ze minder lezen dan ze zouden willen. Dat het ‘eigenlijk’ een schande is. Ik mag dat graag beamen. Wie mij met een slecht geweten afkomt en met halve schuldbekentenissen, moet dan ook maar helemaal schuldig zijn. Het is een van de zeldzame momenten waarop je je realiseert dat ‘literatuur’ — als verschijnsel, als (ooit) deel van het curriculum — nog steeds een bepaald gezag vertegenwoordigt, en op dergelijke momenten mag ik daar graag van genieten, al gaat het dan om leedvermaak. Maar het vormt natuurlijk ook de achtergrond van de schrijvershaat, van de afkeer van de intellectueel in het algemeen. Iemand die anderen dóór er te zijn, ook al doet hij weinig anders dán er zijn, een slecht geweten bezorgt, krijgt niet zelden het verwijt dat hij arrogant of elitair is. Sommigen vinden het al een schandaal dat je een boek geschreven hebt. Meneer denkt zeker dat-ie beter is dan de rest, hm?

    Ondanks het feit dat ik van het gevoel beter te zijn dan anderen niet meer dan gemiddeld last heb — maar er in ieder geval niet van beschuldigd wens te worden wanneer ik de, ook door de media zelf als louter (low-culture) amusement gepresenteerde items volmaakt oninteressant zeg te vinden (als een loodgieter bij literatuur de schouders op mag halen, dan mag ik dat bij hetgeen hij in breed culturele zin belangwekkend vindt) — blijft de boekenbeurs toch een behoorlijke kwelling. Het wankele evenwicht tussen wat ik mijn romantische inborst noem en de realiteit van alledag, die aan die ‘romantiek’ geen boodschap heeft, is op zo’n boekenbeurs volledig weg. Men bevindt er zich vrijwel uitsluitend aan de kant van die ‘realiteit’, waarbinnen men dat is wat men voor zichzelf niet kan zijn: een product. Het leidt tot een afkeer van het vak als geheel.

    ‘Ga dan niet.’

    Ja, nee, maar… kijk, het is natuurlijk wel de realiteit waarbinnen ik besta. En hoezeer ik binnen die realiteit zelf hoogstens besta binnen zo’n ‘niche’, ik kan me er niet straffeloos aan onttrekken. En eigenlijk wil ik dat ook niet.

    jaguar_cfx_03_01_072004-Jaguar-XJ8-1280x960


    Intussen heeft men bedacht dat ook de schrijvers dan toch ten dele schadeloos gesteld dienen te worden voor het hen aangedane leed — en wel door elke met de auto arriverende scribent op zijn minst de voorsmaak van het ware sterrendom te geven. Men parkeert — opzettelijk ver van de Expo — in een lommerrijke omgeving zijn (in mijn geval) gedeukte auto om daar over te stappen in een van de nieuwste modellen Jaguar, compleet met een chauffeur in uniform. Die chauffeert mij gezwind richting hoofdingang van de boekenbeurs, alwaar een rode loper me de weg wijst. Er dient gezegd dat ook ‘normale’ mensen, mensen die géén auteur zijn, brutaalweg over deze rode loper binnenstappen, en het gevoel van ongehoorde luxe verdwijnt eigenlijk ook op het moment dat men het portier van de auto met een onbeschrijflijk en onwaarschijnlijk beschaafd plofje achter zich dicht hoort vallen. De toch min of meer verwachte hysterie, het flitsen van camera’s, toejuichingen, bedes om handtekeningen en ondergoed — niets van dat alles. Men is weer zichzelf met een rugzakje en een debiel kaartje om zijn nek waar op staat: ‘Signerend Auteur (+ parking)’. Men kan bij mij parkeren.

    Wel weer mooi om dan even met Jef Geeraerts in zo’n jag te zitten. Hanna en ik escorteerden hem de avond van de vooropening terug naar Gent. Hij begon meteen over cilinders (acht? twaalf? bestaat er zoiets?), vroeg aan de chauffeur of het een 4-liter was misschien, die beaamde. Hij kon ook moeiteloos een aantal modellen opnoemen. ‘Mijn vader had een garage,’ zei hij later, gezeten in een lawaaiige 2-liter diesel Citroën Berlingo met gedeukt zijportier. In zo’n vehikel doorpraten over auto’s bleek niet goed mogelijk…

    RUG200810300376_

    © Arlette Stubbe


    ______________________
    *)= Vroeger was ‘niche’ een pejoratieve term die werd gebruikt om de economische onaantrekkelijkheid van een bepaald soort boeken te omschrijven, en daarmee hun onwenselijkheid binnen het grotere geheel van de markt; tegenwoordig lijkt het woord eerder als toverwoord ingezet te worden: de ‘niches’ legitimeren marktfundamentalisten binnen het boekbedrijf om zich van hun eventuele culturele verantwoordelijkheid nu volledig ontslagen te achten. Want zijn 'niches' niet het gedroomde excuus om de huidige praktijk van verschraling en monoculturele roofbouw voort te zetten? Wie niet met de grote stroom mee kan, heeft immers zijn eigen ‘niche’? Die mag niet klagen? In een hoek getrapt, maar hé… hij heeft tenminste een hoek hè!