Inwijkeling - Page 5

  • Pin it!

    Käsmu week 4 (slot): vuur, laarzen en lichte wanhoop


    4A

    Feest! Nu ging ik het meemaken: de midzomerzonnewende volgens de Esten. Na dagen van stilte in het huis, kwam er plotseling volk, zoveel volk dat ik me even afvroeg waar die eigenlijk allemaal precies sliepen: twee jonge paren met kinderen, waaronder een baby. Er liep ineens een hond door het huis. Er was nog een wat ouder paar — enfin, ik vrees dat ze van mijn leeftijd waren. Wat men in de spiegel weigert te zien, ziet men dan plotseling in wat generatiegenoten blijken te zijn. Aanvankelijk was me niet helemaal duidelijk wat bij wat hoorde: welke kinderen bij welke ouders, wie eigenlijk de baasjes waren van de oude hazewind. Die hond keek aanvankelijk wat vreemd op toen ik hem in het Nederlands toesprak, maar uiteindelijk is het toegesproken worden door hondenliefhebbers ook voor honden een universele aangelegenheid. Ik ben hem goed gezind, dat is wat telt. Als ik nu met mijn huurauto de tuin in kom gereden, word ik kwispelstaartend begroet. Ik denk dat hij hoort bij het koppel zonder kinderen, bij mijn vermoedelijke generatiegenoten dus.

    Want alweer kwam het door geschutter niet werkelijk tot officiële begroetingen hier in huis, tot wat je kennismaking zou kunnen noemen. Ik, inmiddels wat kopschuw geworden door schrikreacties van eerdere tijdelijke bewoners van het huis als ik 's ochtends de aanwezigen in de keuken groette of als ik met uitgestoken hand op nieuw aangekomenen afstapte, ik glijd nu min of meer door de gang en de eetkamer, klaar om vriendelijk te glimlachen naar een ieder die mij wil opmerken, maar zonder me nog voor te stellen of zonder verder op eigen initiatief ruchtbaarheid te geven aan mijn aanwezigheid. En omgekeerd gebeurt er op dat vlak niks. Ik ben duidelijk een vreemde meneer die boven op zijn kamer zit te werken. Of ik geen last had van de kinderen, wilde de vrouw van een van de jongere koppels weten toen ik aan het koken was. Welnee. Daar had ik het bij moeten laten, bij 'welnee'. Maar ik voegde toe dat ik zelf een dochter had. Van vijf, zei ik. Dat ze hier geweest was, ging ik door. Hier in huis, probeerde ik nog. Het was al veel te veel van het goede. Om zoveel informatie had men niet gevraagd; de vraag was of ik geen last van de kinderen had, niet of ik zelf misschien kinderen had en waar die allemaal wel of niet geweest waren.

    Het klinkt alsof de mensen hier onaardig zijn. Dat zijn ze niet. Maar er zijn hier codes die ik niet beheers, en waarvoor denk ik ook een inburgeringstraject van jaren nodig is om ze enigszins te leren kennen. Toch had ik in een foldertje gelezen dat op de feestdag van de 23ste juni zelfs vreemdelingen uitgenodigd werden om deel te nemen aan de festiviteiten, om aan te schuiven bij gigantische vuren, zo stelde ik me voor, en mee te drinken van een fles vodka die rond gaat. Zoiets.

    Dus: feest! Ik keek ernaar uit. Ilvi Liive had voorspeld dat er van werken niet veel meer in huis zou komen. Dat kwam weliswaar niet heel goed uit, mocht het werkelijk zo zijn. Ik was erg lekker bezig, vond ik zelf, maar kijk, men is te gast. Als dat inhoudt dat men zich moet overgeven aan bacchanalen en wat daar zoal bij komt kijken, dan moet het maar. Ik hoorde al eerder dat Benno Barnard bij zijn vertrek uit Käsmu had geklaagd over het feit dat er hier te veel bomen staan (en te weinig mensen zijn). Ik begrijp hem volkomen, maar men moet niet denken dat wij aan de Noordzee een stelletje kwiebussen zijn. En dus zei ik tegen de man die me vertelde dat er 's avonds alvast een vuur ontstoken zou worden aan het haventje in Käsmu, dat ik daar dan zeker naar toe zou gaan. Nu ging ik het meemaken. Vuurspringende Esten. Het geheime branden in het bloed van een volk dat niet nalaat steeds te wijzen op zijn verwantschap met de vikingen. Ha! Wijn uit schedels gingen we drinken! Met bijlen op muggen mikken. Wodan aanbidden.

    Natuurlijk viel het tegen…

    Let wel, ik neem dat niemand kwalijk. Ik ben verkeerd voorgelicht, dat is alles. Ik arriveerde op het feestterrein, zal ik maar zeggen, waar een aantal als cowboys uitgedoste muzikanten stond te soundchecken en er even verderop een soort tipi van hout stond: het vuur, begreep ik. Dat leek mij veel te hoog voor vruchtbare jongelieden om overheen te springen, al viel te verwachten dat wanneer de zaak eenmaal goed in de hens was gestoken, het geheel wel langzamerhand in elkaar zou storten. Maar dat ging nog wel even duren, begreep ik, want de band begon te spelen. Meteen begon een aantal vrouwen op het drassige grasveld te dansen. Ze deden me denken aan mijn moeder toen die nog heel wat jonger was, maar in mijn toen 11-jarige jongensogen toch al veel te oud om zich zo aan te stellen. Terwijl, opnieuw, te vrezen valt dat deze vrouwen van mijn leeftijd waren.


    Ik dwaalde maar wat af naar de drijvende pontons met drie aangemeerde bootjes om wat naar de lucht te kijken, de lucht en het water, en was daar dan toch weer van onder de indruk. Ik hoorde op het steigertje zowaar nog Nederlands spreken — en dan bedoel ik dit keer: echt Hollands — en ik voelde ineens een onbedwingbare neiging gedrag te vertonen dat ik van Nederlanders meestal verafschuw, met name: Nederlanders op vakantie. Ik sprak die mensen aan, met zo'n kwinkslag waar je later voor geen goud aan herinnerd wenst te worden (en die ik hier dan ook zedig verzwijg), om het ijs meteen te breken, en het scheelde maar een haar of ik had voorgesteld dat we misschien 'effe ergens een bakkie konden doen'. Compensatiegedrag voor de onduidelijkheid in het intermenselijk verkeer hier de afgelopen maand.

    4B4C

    Terwijl ik wat met die mensen stond te babbelen, en dus in een oogwenk dingen wist waar je bij een Est waarschijnlijk jaren en jaren over doet om erachter te komen — vader, moeder (beiden afkomstig van de Veluwe) en zoon die een vrouw uit Estland getrouwd heeft, maar in Leiden woont, waar die vrouw ook haar dissertatie heeft geschreven; vader en moeder met zoon wat aan het rondtoeren terwijl de Estse schoondochter vast naar haar moeder is doorgereisd, waar zij dan de volgende dag ook naar toe zouden gaan, waarna weer terug naar Nederland; vanaf Schiphol gevlogen via Vilnius dus waarschijnlijk ook zo weer terug en je hebt toch maar weinig beenruimte in die vliegtuigen, want de vader en moeder vlogen voor de eerste keer van hun leven en dat was ze toch wel wat tegengevallen, moesten ze zeggen — terwijl ik dus zo wat stond te babbelen, hadden die onverlaten van een Esten inmiddels achter mijn rug het vuur aangestoken. Zonder plichtplegingen, zonder klaroengeschal. Zelfs de muziek van de Käsmu Cowboys (thx Wieland ;-)) was er niet voor onderbroken. Ik had ook niet de indruk dat iemand anders zich er ook maar een moment druk over had gemaakt. Er was gewoon iemand op die houtstapel afgestapt en had hem in de hens gejaagd. Ik haastte mij naar het flakkerend vuur. Ik ging daar eens goed bij staan kijken. Als enige. Dit was de bedoeling niet.

    4D

    Iets verderop ontstond er enige beroering. De Käsmu Cowboys hadden hun eerste setje erop zitten en dat was blijkbaar het moment om, dacht ik aanvankelijk, de inmiddels gevonden voorwerpen even onder ieders aandacht te brengen. Er stond een dame achter de microfoon met een zwarte rubberlaars in haar hand. Ze hield die omhoog, en ik zou toch gezworen hebben dat ze op dat moment vroeg van wie die was. Ik was dan ook wat verbaasd om meteen een man of vijftien in gejuich te zien uitbarsten. Er werden met armgebaren nog anderen bij gehaald. De vrouw bleef de laars omhoog houden, terwijl ze tegelijkertijd op een blocnootje keek. Dit leek me wat veel drukte om een gevonden voorwerp.

    Ik was dan ook getuige van het begin van een heuse wedstrijd: het fameuze rubberlaars werpen. De mannen stelden zich op instructie van de vrouw op in een rij en wachtten netjes af tot de vrouw van haar blocnootje hun naam aflas, waarna ze de rubberlaars in ontvangst namen, een aanloop namen (sommigen hadden een andere tactiek) en de laars onder luide aanmoedigingen van iedereen zover mogelijk weg gooiden. Dat een enkeling het ding in het publiek keilde dat langs de kant stond te kijken, verhoogde alleen maar de hilariteit. Iedereen werd er buitengewoon vrolijk van. Nog wat later kwamen de vrouwen ook aan bod, en ja hoor, daar had je de jongere uitgave van mijn moeder weer. Niet doen mama, wilde ik nog roepen, maar het was al te laat: een hopeloze worp. Ik schaamde me dood.

    4E

    Na afloop kregen de beide winnaars een fles, en het eerste wat ik ze zag doen, nadat beiden een korte blik op het etiket geworpen hadden, was van fles ruilen. Waarna de Käsmu Cowboys het weer overnamen. Het vuur was inmiddels serieus aan het branden. En ik vond niet alleen dat kinderen daar toch akelig dicht bij in de buurt liepen rond te hannesen zonder dat er ook maar één ouder was die zich blijkbaar zorgen maakte, maar ook dat een oudere man met bril verdacht veel in dichte nabijheid van het vuur rondjes draaide. Ik wist niet precies wat ik na het laarswerpen nog moest verwachten: de oudste van het dorp die zich in de vlammen wierp? Dit jaar was het zijn beurt? Iemand moest eraan geloven? Tradities vormen de ruggengraat van elke gemeenschap. Ik maakte me een beetje zorgen. Tegelijkertijd stond ik in bewondering voor de kundige wijze waarop deze kleine brandstapel was gemaakt, hoe die opbrandde, hoe al het afval, de gloeiende stukken hout die afbraken, allemaal keurig naar binnen vielen, in het hart van het vuur zelf. Dit ging niet instorten, dit vuur, waarna zich gloeiende stukken hout wanordelijk over het grasveld zouden verspreiden; nee dit ging koninklijk en koninklijk traag naar het gras zijgen, een vuur als een reverence.

    4F

    Inmiddels zetten de Käsmu Cowboys weer in, en toen ze In the ghetto in het Ests begonnen te zingen, had ik het wel gehad. Het leek me niet dat dit nog uit de hand ging lopen. Mijn moeder stond inmiddels bij de barbecue en leek een beetje tipsy. Ik kon het eerlijk gezegd niet meer aanzien.

    Eenmaal terug in mijn vertrekken wachtte ik nog tot diep in de nacht op laveloze huisgenoten die lallend het huis binnen kwamen wankelen, maar er was een diepe rust neergedaald over Neeme Tee 29 te Käsmu. Ook verschenen er gedurende de nacht geen zieken- of brandweerwagens, klonken er geen sirenes en waren de Cowboys door de driedubbele beglazing hier in huis alleen nog vaag te horen als wat nondescript gebonk, dat bovendien op een alleszins beschaafd uur ophield.Natuurlijk, ik bleef niet tot het eind. Ik wachtte niet tot het razende vuur een gloeiend tapijt was geworden met hier en daar een naar de lichte nachthemel ontsnappende vonk, een gloeiplek waarrond de plaatselijke jongeren, dicht tegen elkaar aan, oeroude rituelen ten uitvoer brachten, rituelen die verband hielden met de zonnewende, maar evengoed met geslachtsverkeer. En natuurlijk ging ik de volgende avond niet ook nog eens een keer naar Võsu, waar men die nacht een soortgelijk vuur zou ontsteken. Ik deed geen moeite het feest op te sporen waar het zich ongetwijfeld wel degelijk afspeelde. Ik was alweer aan het werk.

    Als romancier of als dichter heb je, ondanks alle hardnekkige cliché's die nog stammen uit de tijd van de romantiek, baat bij zogenaamde 'tuttelaars' — eerste lezers, goede vrienden die er niet voor terugschrikken je de les te lezen als je niet bij je eigen leest gebleven zou zijn, vrienden die je werk kennen en dus in staat zijn op je stoel te gaan zitten en je van advies te dienen. Martelende onzekerheid is deel van elk creatief proces. Je moet het gevoel hebben dat je iets doet wat je nog nooit eerder deed. Je kunt op niks bogen, op niks terugvallen, je staat er alleen voor. Samen met zo'n tuttelaar, als je geluk hebt. In een nachtelijk skype-gesprek met één van hen over het grootste deel van de roman dat ik hem had gestuurd, stelde ik vast dat het allemaal niks was wat ik hier had zitten doen en wat ik voordien in Gent had zitten doen. Nee, het hele boek klopte van geen kanten. Dat zei niet die vriend, maar ik maakte dat met het grootste gemak op uit wat hij wél zei, uit de twijfels die hij had bij dit in het boek en bij dat in het boek — al zei hij geregeld dat hij het nog niet helemaal helder zag. Dat maakte al niet meer uit. Ik concludeerde dat het helemaal anders moest allemaal. En zat in zak en as. Ik liet hem dat de volgende dag per mail weten. Waarna hij de nacht daarna weer via skype boos reageerde: ging ik nu op grond van wat halve opmerkingen van hem ineens van dit boek een ander boek maken? Dan zou hij in het vervolg gewoon niks meer zeggen. En dan, hoezo een ander boek maken van dit boek? Dit boek was dit boek, leek hem toch. Een ander boek moest ik zeker nog maken, vond hij, maar toch niet om deze te laten liggen. Ik vond alweer met het grootste gemak dat hij gelijk had. Hyperindividualistische kunstenaarszielen die lijden onder de martelende onzekerheid omtrent wat ze aan het doen zijn, hebben meestal totaal geen ruggengraat…

    En dus wordt er nu de laatste dagen van mijn verblijf hier als een razende geschreven. Het ongekende aantal van zowat 3000 woorden op een dag, en dan bedoel ik: woorden die blijven staan. Alsof het ineens heel gemakkelijk is, dat schrijven. Alsof het niets kost. Ik heb goede hoop dat ik hele boek nog hier afkrijg, al heb ik de voorlaatste dag, de dag voor mijn vertrek, toch nog gereserveerd voor een laatste bezoek aan het prachtige Tallinn, en voor een fatsoenlijk afscheid van Ilvi Liive en het Estonian Literature Information Centre. Nu ik een huurauto heb, hoeft immers niemand mij hier meer op te halen en naar het vliegveld te brengen. Maar hier zonder boe of bah zomaar vertrekken — nee, dat gaat niet, wat autochtone Esten daarover ook mogen denken.

    4G

    (Zie ook de blog van Het Beschrijf voor deze en andere (Jeroen Theunissen, Willem van Zadelhoff, Saskia De Coster) verslagen van schrijvers in het buitenland).

  • Pin it!

    Käsmu week 3: bussen en meisjes


    03

    De stilte na het vertrek van mijn meisjes is plotseling wel heel overweldigend. Niet alleen zijn de concerten hier tegenover afgelopen, maar buiten de verdwaalde half-Belg die ik ben is er in het schrijvershuis in Käsmu nu al dagen niemand aanwezig. Terwijl ik verwacht had dat de toestroom van nieuwe gasten al het afgelopen weekend zou beginnen. Morgen is het Võdupüha, en de dag daarna Jaanipäev, met daartussen Jaaniõhtu, ook wel: Jaanilaupäev, de nacht waarop de Esten grote vuren ontsteken, zich half blind drinken en dan over die vuren schijnen te willen gaan springen. Het zijn dagen dat Tallinn een zo goed als uitgestorven stad moet zijn. Iedereen heeft zich voor deze Sint Eve's Night (Jaaniõhtu of dus Jaanilaupäev) en St. John's Day, zoals het dan weer in het Engels heet, in de bossen teruggetrokken, op die helft van het 45.227 km2 grote land dus dat door bossen bedekt is (oerbossen zelfs, de laatste in Europa). En in de bossen, dat is onder meer hier, in Käsmu.

    03A

    Toen ik mijn beide meisjes terugbracht naar het vliegveld van Tallinn was ik dan ook niet verbaasd dat ik veel tegemoetkomend verkeer had op de weg van Sint Petersburg naar Tallinn. Daar zul je ze hebben, dacht ik, nee ik zei het luidop. En er klonk misschien wel enige opwinding door in mijn stem. Want als je te maken hebt met een zo gesloten volk als de Esten, ben je natuurlijk zeer nieuwsgierig naar de uitspattingen. Die stel ik me alvast voor als iets vulkanisch. Over vuren springen met je dronken kop — toe maar! Het carnaval in Aalst verbleekt erbij tot een verjaarspartijtje op een kleuterschool. En dan: grote vuren in een bosrijke omgeving, waar de meesten huizen van hout zijn. Ik maak me sterk dat minstens een deel van het land ieder jaar na de viering van de zonnewende opnieuw opgebouwd moet worden. En beplant. En dat er hier een brandwondencentrum is waarbij vergeleken dat in Neder-Over-Heembeek niet meer dan een polikliniekje lijkt voor mensen met een brandblaar. Het verklaart mogelijk de eindeloze hoeveelheid rookmelders in dit huis, de brandblusser op elke kamer, en zo'n deken om vlammen te doven.

    Maar voorlopig is het hier stiller dan ooit, stiller nog dan toen ik hier aankwam en het passeren van een auto al een hele belevenis vond. Je hoorde toen nog af en toe een deur slaan. Een kinderstem. Nu begint het hier zowaar… eenzaam te worden. Goed om te werken, zo zegt men dan maar omdat men aan het gevoel onbedoeld een soort kluizenaar geworden te zijn toch een zekere richting moet geven. Al begin ik caféschrijvers als Sartre een beetje beter te begrijpen — en misschien overweeg ik in een dolle bui nog wel om de auto naar Tallinn te nemen en daar in een café verder te werken aan het boek.

    Een auto ja. Ik had al voor de komst van H. en E. besloten dat ik de dagen dat ze hier waren een auto zou huren. Er was nog even de moeilijkheid hoe ik van Käsmu naar Tallinn kwam zonder nog over zo'n vehikel te beschikken. Er bleek een bus te gaan. Eén bus. De huishoudster die geen Engels spreekt, legde het me met handen en voeten uit, riep de hulp in van een hier toen nog ronddwalende Estse schrijver en wist me zo duidelijk te maken dat er om 10.35 uur een bus uit Käsmu naar Võsu vertrok. Dat Võsu kende ik al. Het is dat dorpje hier zes kilometer verderop, een vroeger kuuroord naar het schijnt, waar ze wél een winkel hebben. Ik was er inmiddels al een paar keer op een hier aanwezige fiets naar toe gebuffeld, met mijn speciaal voor de reis aangeschafte rugzak op wieltjes, heel handig op luchthavens, maar ook zonder iets erin al behoorlijk zwaar als je hem op je rug draagt. Laat staan dat je ontdekt dat ze in het supermarktje daar Argento hebben — een goed wijntje dat ik ken van bij ons uit de Colruyt. De terugtocht met wat groente en fruit, een pak melk, twee flesjes Argento, een doosje eieren en voor het gemak maar meteen twee broden was voor een notoir onsportief type als ik ben niets minder dan een poging tot het bedrijven van topsport.

    Võsu dus. De buschauffeur in Käsmu was niet meteen het meest inschikkelijke type. Ik vermoedde dat een tak van zijn familie tot de wilde zwijnen behoort. Ik stond 10 minuten voor de deur van zijn bus, terwijl hij op een stoel in de bus zat en me aanstaarde. Het miezerde een beetje. Uiteindelijk hees hij zich overeind, plofte op de bestuurdersstoel, rommelde wat met papieren, startte de motor, zette de bus in zijn eerste versnelling, keek toen nog eens met een blik vol verachting naar mij, en opende uiteindelijk dan toch de deur. Ik was de enige passagier op het ritje van 6 kilometer, dat 10 Estse kronen kostte, nog geen euro.

    03B

    Eenmaal in Võsu (om, laten we zeggen 10.45 uur) moest ik wachten tot 11.20 uur. Dan zou er een bus komen die regelrecht van Võsu naar Tallinn zou rijden. Ik liep naar een houten bushokje, waar ik niet alleen werd opgewacht door een eskader muggen, maar ook door de bloeddoorlopen, starende ogen van een drietal dronkaards, autochtone Võsuenaren leek me, of hoe zeg je dat, opgeslokt door boomgeesten, de stilte in het eigen hoofd en de holte die dat in het eigen innerlijk had geopenbaard, een leegte die met drank gevuld diende, van 's ochtends tot 's avonds, hangend in een bushokje dat op zich exemplarisch leek voor de vergane glorie van wat ooit een kuuroord was waar welgestelde mensen een teentje in de ijskoude Baltische zee doopten, stel ik me zo voor. De vergane glorie van badplaatsen en kuuroorden is vaak beter te verdragen dan de schaamteloze pronkerigheid van de huidige badplaatsen. Die vergane glorie laat zich nog omdenken tot een exclusiviteit en een vorm van haast negentiende eeuwse luxe, tot iets hoogcultureels kortom (of wat toch zo lijkt nu), iets wat in de welvarendste van de huidige badsteden is verbleekt tot de gruwelijke banaliteit van de middenstand. Het is natuurlijk de vraag of de negentiende eeuwse badsteden voor gegoede lieden (en alleen voor hen) toentertijd niet even banaal waren. Maar soms wil men zo genuanceerd niet zijn.

    Maar goed, drie drenkelingen in een bushokje in Võsu, waar overal dienstregelingen hingen (voor iedere bus één). Ik zag al snel dat 'mijn' bus, die van 11.20 uur, er niet bij hing. De neiging iets aan de bushokalcoholici te vragen was snel onderdrukt, en ik koos dus voor een houding van lijdzaam wachten — zij het ook weer niet al te lijdzaam. De muggen, groot voor Belgische begrippen, uiterst traag en dus gemakkelijk dood te slaan, maar toch te talrijk om niet hier en daar, en hier, en ook daar nog gestoken te worden — de muggen maakten dat ik maar wat heen en weer begon te lopen over wat me de hoofdweg van Võsu leek te zijn, met zowaar ook nog een bloemenwinkeltje en een winkeltje waar 'art' werd verkocht, al zag ik alleen gebreide truitjes, gebreide babymutsjes, gebreide schoenen, gebreide handschoenen en gebreide pannenlappen.

    11.20 uur naderde. Er stopte een bus. Naar Rakvere. Die was het niet.

    Ik liep nog maar eens een weggetje in. Zag iets discotheekachtigs en moest denken aan het verhaal van David Nolens, die ook in Käsmu gezeten heeft. Die was samen met een schrijversvriend die hij hier had opgedaan ooit eens naar een disco in Võsu gegaan en bleek daar in elkaar geslagen te zijn — iets waarover hij in zijn verslagje in het gastenboek hier in het schrijvershuis overigens heel luchtig doet. Ik had begrepen dat het was omdat hij en zijn vriend genadeloos waren geïdentificeerd als intellectuelen, maar Ilvi Liive zei dat het waarschijnlijk was omdat jonge mannen in deze contreien bij buitenlanders in hun dorp al snel het vermoeden hebben dat die komen om hun vrouwen te stelen. Waarschijnlijk was dat, zei Ilvi, 'omdat wij zo aantrekkelijk zijn'. Ze grinnikte. De mannen hier denken dat iedereen hun vrouwen wil wegvoeren. Ach, ik kom zelf uit een streek waar je toch ook behoorlijk scheef werd bekeken als je uit een dorp vijf kilometer verderop kwam en met een plaatselijke schone in het hooi werd aangetroffen.

    11.20 stopte er een bus. De nergens aangekondigde bus. 'Tallinn' stond erop. Er stapten drie mensen in, mij meegerekend.

    Tallinn had ik natuurlijk helemaal nog niet gezien, op wat buitenwijken na, die je als in elke min of meer grote stad (Tallinn heeft ongeveer 400.000 inwoners, dat is eenderde van de totale bevolking van Estland) het gevoel geven dat de dood nakende is. Nadat ik bij het autoverhuurbedrijf mijn auto in ontvangst had genomen en onmiddellijk aan Atte Jongstra moest denken (het is een Opel Astra namelijk, waarover in, ik dacht, De tegenhanger (2003) vaak lovende woorden worden gesproken), liep ik nog even de stad in. Een hanzestad, mooi gerestaureerd, hier en daar popperig, elders — zo bleek ons later toen we er in gezinsverband nog eens naar toe gingen — beslist mondain en als je even van de meer toeristische plekken zoals het marktplein en de direct daarrond gelegen straatjes weg bent zeer aangenaam. In een land waar er minder dan 30 mensen op een vierkante kilometer wonen (in Nederland, net iets kleiner dan Estland, zijn er dat bijna 400), zijn steden als vanzelf de grote centra waar alles zich samenbalt, en welbeschouwd heeft Estland maar vier steden: Tallinn, Narva (67.000 inwoners), een industriestad in het oosten aan de grens met Rusland, Tartu (ruim 100.000 inwoners), een universiteitsstad, en Pärnu (zo'n 45.000 inwoners), een badstad aan de zuidwestkust waar in de zomer, zegt men, de temperatuur soms mediterrane waarden bereikt.

    03C

    Lang bleef ik er die eerste keer niet. Ik wilde de stad samen met H. en E. ontdekken, en ik merk dat ik als meer ongebonden verschijning bepaald ongezellig ben voor mezelf: ik ga dan niet snel een café binnen, of ergens een hapje eten. Nee, het wachten was op de vlucht uit Brussel via Praag, op het openen van de schuifdeuren op het minivliegveldje van Tallinn. Wat twee dagen later gebeurde.

    03D 03E03F

    En nu dan weer de stilte; de laatste pagina's van een roman die inmiddels een andere titel heeft gekregen dan degene die aangekondigd staat in de catalogus van Meulenhoff / Manteau. Helemaal officieel is dat nog niet, maar terwijl ik alles nog eens doorspitte, omgooide, herschreef en en nog eens opnieuw rangschikte, zag ik dat de oorspronkelijke titel, Het vergeten huwelijk, misschien toch niet de juiste was. Het feit dat er nergens in het boek over een huwelijk gesproken wordt, zou je nog als een goede grap kunnen zien: Hoezo, Het vergeten huwelijk? Er komt helemaal geen huwelijk in voor! Ah, wel, q.e.d. Maar toch, er is iets wat beter past…

    En de meisjes veilig terug in Gent.

    (Zie ook de blog van Het Beschrijf voor deze en andere (Jeroen Theunissen, Willem van Zadelhoff, Saskia De Coster) verslagen van schrijvers in het buitenland).

  • Pin it!

    Käsmu week 2: zwerfvuil, Uncle Berny en sauna's.


    Soms zit er in een roman in wording veel zwerfvuil. Het zijn her en der achtergebleven stukjes tekst die de bedoeling hadden elders uit te groeien en uit te bloeien tot iets wat samen met andere stukken tekst een heel ander boek zou worden, moest worden, niet bleek te kunnen worden. Het blijken vooruitwijzingen naar iets wat bij nader inzien onmogelijk lijkt, belachelijk soms zelfs, nogal gewrongen vaak, of, de ergste zonde in de literatuur: totaal ongeloofwaardig.

    Kill your darlings, want onmogelijk, belachelijk, gewrongen of ongeloofwaardig, soms leidde dat toch tot mooie passages waarvan ik maar moeilijk afscheid kon nemen, waarvoor ik zelfs tijdenlang bereid was het onmogelijke, belachelijke, gewrongene en ongeloofwaardige te trotseren. Alles mag weg, maar toch niet díé passage! Terwijl dan telkens weer blijkt dat het juist die passage is die maakt dat je vele pagina's later ineens niet verder kunt. Snijden derhalve. Opruimen. Al staan er op mijn computer heel wat documenten waarin die passages toch bewaard zijn gebleven, van deze en vorige romans.

    Wat ik voor dat opruimen nodig heb, is uiterste concentratie, en het lijkt erop dat ik die hier in Käsmu heb gevonden. De hele eerste week ben ik aan het snoeien geweest, aan het wegkappen, maar ook aan het invullen van plotseling opengevallen plekken, het ophalen van steken die ik liet vallen. En gedurende die arbeid zag ik steeds duidelijker voor me oprijzen wat het geheel zou moeten worden, zou kunnen worden — niet alleen qua verhaal, maar vooral op het niveau daaronder, dat wat je op voorhand niet kon bedenken.

    Het is een mooi verhaal voor de buitenwereld: dat ik aan het begin van het schrijven niet weet (soms zeg ik: niet precies weet) waar ik uiteindelijk zal uitkomen — en het klopt tot op zekere hoogte ook. Maar om nu te zeggen dat het einde van de roman ook voor mijzelf steeds als een volslagen verrassing komt — nee. Iets over de helft is het me meestal wel duidelijk: daar moet het heen. Dan ben je er nog niet, natuurlijk, en soms moeten er nog omwegen gevonden worden. En soms, heel soms kan schrijven dan ook gewoon een vorm van huiswerk zijn: invullen van wat ingevuld moet worden. Enfin, dat is een keuze natuurlijk. Springen kan ook. Fragmentarisch werken weetjewel. Het grote voordeel van het post-postmodernisme is dat je van experiment geen afkeer hebt noch het experiment tot geloofsartikel wilt verklaren. Je gebruikt het in functie van wat je te vertellen hebt en in functie van wat vertellen in dezen betekent.

    Nee, het enige wat werkelijk een geloofsartikel is tijdens het schrijven, dat is de zich ontwikkelende wereld van de roman zelf. En dat geloof heb ik hier in Käsmu helemaal teruggevonden. En dan komt ook het plezier in het schrijven terug, plezier dat de afgelopen maanden in Gent ver te zoeken was, omdat ik steeds werd onderbroken door dit en door dat — of liever: mijzelf onderbrak en liet onderbreken. Ik vond de vrolijkheid niet terug die ik ervoer toen ik bezig was met Het grote uitstel, terwijl de omstandigheden toen verre van ideaal waren: we woonden met het hele gezin op een tweekamerappartement vanwege een verbouwing van onze woning, die toen voor de helft plat lag. Alle boeken in dozen, onbereikbaar op de enkele tientallen na die ik dacht nodig te hebben en dus mee had verhuisd naar dat appartement.

    Ach, wat ik denk nodig te hebben…

    Er staan ook hier op een plankje enkele meegezeulde boeken, die straks, als vrouw en kind een aantal dagen hier komen, alvast weer met hen mee terug kunnen. Niet meer nodig; roman nam andere afslag. Zwerfvuil.

    Ik begin te geloven dat ik om werkelijk met vrucht te schrijven, juist niet thuis moet zijn, niet in mijn werkvertrek. Terwijl ik desgevraagd altijd zal zeggen dat ik thuis het beste werk. Dat ik daar alles voorhanden heb. Ja, alles, behalve net die vrolijk stemmende concentratie die ik op een plek als Käsmu ervaar, of destijds in dat tweekamerappartement in de Burgstraat in Gent.

    Dat de rust hier de tweede week elke avond verstoord wordt door concerten op nog geen 100 meter van het schrijvershuis (men kan die tussen een uur of zeven en negen 's avonds West-Europese tijd (hier is het dan al een uur later) min of meer live — het beeld schokt nogal — volgen op http://www.kasmu.ee/veebikaamera, een webcam die er overigens het hele jaar staat en meestal niet meer in de aanbieding heeft dan enkel het uitzicht en de lucht) — dat er vanaf een uur of zeven plaatselijke tijd bonkende bassen zijn, hoempapa, charmezangers en natuurlijk folkmuziek maakt voor de concentratie inmiddels weinig verschil meer. Ik heb er tegen die tijd meestal al zo'n tien uur schrijfwerk opzitten en vermaak me met het kijken naar alle mensen die op deze muzikale fruitmand afkomen — tegelijk lichtelijk verbaasd dat het er zoveel zijn: auto's, zelfs bussen vol mensen, van alle leeftijden ook nog. In de wijde omtrek is er niets dan bos. En zelfs al zouden alle naburige dorpen uitlopen om dit mee te maken, dan nog krijg je er niet zo veel bij elkaar. Noch begrijp ik waarom al die mensen komen luisteren naar wat ik zoal van die concerten meekrijg.
    live-1

    Inmiddels wisselt de samenstelling van de bewoners van het huis met de dag — of zo lijkt het toch. Er was een schrijfster met rood haar uit een flesje — haar achternaam is Sarapuu — die ik op de dag van haar vertrek in de keuken tegenkwam en die me zei dat haar dochter samen met haar verloofde nog een paar dagen haar plaats kwamen innemen. Die verloofde was een Amerikaan die in Tallinn journalistiek doceert en die… enfin Amerikaans was. Dat betekende: vlot van de tongriem gesneden. Het eerste wat hij over zijn vriendin zei was: 'If she dyes her hair like her mother, she goes'. Verder was hij meteen in de weer met bbq en T-bone-steak en de volgende dag met iets immens van een varken dat uren in de oven moest, er regelmatig werd uitgehaald om met een nieuw laagje saus uit een flesje overgoten te worden, en dat daarna weer in aluminiumfolie terug de oven inging. Maar het duurde te lang, vond hij. Hij had zich in de buurt van het kerkje van Käsmu eens goed laten masseren en viel nu om van de slaap. Ik vroeg hem nog wat hem hier had gebracht (hij was nu zo'n tien jaar in Estland), en hij zei dat hij ooit een vacature had gezien en dat het hem destijds interessant had geleken 'to be close to the bear'. Al maakte diezelfde beer, buurland Rusland, het hem als Amerikaan nu wel heel erg moeilijk om er nog eens naar toe te gaan. Het visum was sinds het aantreden van Poetin drie keer duurder dan de vliegreis, zei hij, en dat alleen voor Amerikanen.

    De dochter Sarapuu had in mij inmiddels om niet geheel duidelijke redenen een wijnkenner gezien; ik moest de wijn proeven die ze op hun huwelijksfeest de 3de juli aanstaande willen schenken. 'We don't want to do vodka,' zei ze, 'because of uncle Berny'. Uncle Berny had in het verleden op bruiloften en partijen regelmatig voor opschudding gezorgd na het nuttigen van veel te veel van dat Russische goedje. Dat wilden ze nu toch graag voorkomen.


    02Käsmu3
    De sauna (rechts)

    Naar dat masseeradres heb ik nog gezocht. Het kan geen kwaad om eens geheel te ontspannen — en we zijn hier in een land waar de sauna een existentiële behoefte schijnt te zijn. Geen huis of er staat in de tuin een apart hokje, al dan niet opgetrokken uit met aarde overdekte golfplaten, waarin zich de sauna bevindt (ook het schrijvershuis heeft een sauna, waarvan de werking me door de Sloveense dichteres is uitgelegd, maar ik heb me nog niet in de hitte gewaagd). Maar natuurlijk vond ik nergens een bordje — enfin, een voor mij begrijpelijk bordje dat verwees naar hemelse massagepraktijken. Wel zag ik op die manier de kleine kerk van Käsmu en was ik in de gelegenheid om eens te kijken hoe de doden er hier bijliggen. Altijd een belangrijk onderdeel van mijn verblijf: kerkhofbezoek. Niet vanuit een of andere morbide belangstelling of depressieve ingesteldheid. De doden zeggen veel over de levenden. Graven zijn een soort verhalen. Namen. Gezichten ook.

    02kerk02begraafplaats

    In de buurt van het kerkje en het kerkhof staat iets wat op een kapelletje lijkt. Daar heeft Eve Kask foto's opgehangen van 'Käsmu people'. Ook die portretten hebben iets van het memento mori van een kerkhof, misschien omdat ze herinneren aan foto-overzichten van mensen die er niet meer zijn. Maar deze mensen zijn er nog. En ze zijn verbonden met deze plek, en op de een of andere manier stemt me zoiets altijd wat deemoedig. Of misschien is het geen deemoed, maar een vorm van jaloezie: die sterke verbondenheid met een plek…

    02KäsmuPeople

    Het is dat verlangen, die melancholie bijna, die wellicht maakt dat de afwezigheid van vrouw en dochter toch een beetje zeer begint te doen, zo na twee weken. Leve Skype (een Estse uitvinding overigens), die het me mogelijk maakt 's avonds mee aan tafel te zitten met de geliefden, al lukt het ons door het tijdsverschil niet echt om tegelijk het eten op tafel te zetten (mijn honger is mijn honger). Maar zelfs Skype helpt niet tegen het fysieke gemis van vrouw en kind. Integendeel. De komende week gaan ze hier een paar dagen zijn. Daar wijkt zelfs de roman voor. Wat zeg ik? Met gemak…

    02skype

    Zie ook de blog van Het Beschrijf voor deze en andere (Jeroen Theunissen, Willem van Zadelhoff, Saskia De Coster) verslagen van schrijvers in het buitenland.

  • Pin it!

    Käsmu week 1: Beren, Wolven & Esten

    Het grondpersoneel van Air Baltic op het vliegveld van Riga maakte een nerveuze indruk. Er stond een man of zeven voor de balie. Wat of er toch aan de hand was… Dat was eenvoudig genoeg: het toestel van Air Baltic kwam eerst te laat aan óp Zaventem, vertrok derhalve te laat ván Zaventem, en landde vervolgens te laat in Riga. En ik was blijkbaar één van de zeven passagiers in dat toestel die Riga niet als eindbestemming hadden en wier aansluitende vlucht inmiddels was vertrokken. Omboeken was de boodschap.

    Aan de balie voor me een tot in zijn weinige haarwortels geïrriteerde, verschrikkelijk belangrijke zakenman met Blackberry en andere mobiele randapparatuur, die de president van een of andere immense firma moest spreken in Vilnius, maar daar nu niet meer op tijd zou geraken, ondanks ook nog zijn portable fax, zijn hoogstpersoonlijke straalverbinding met elk van de 28 koninkrijken in de wereld, zijn satelliettelefoon en zaktelegraaf. Wat moesten ze nu beginnen met Michael, zoals de betreffende president blijkbaar heette. 'Can you keep him there?', vroeg hij in steenkolenengels aan iemand via zijn gsm en hij deed het op een dusdanig luide toon dat ik ernstig betwijfelde of hij wel de Belgische nationaliteit had, al kwam hij net als ik uit Brussel. Blijkbaar ging dat niet, Michael daar houden. Michael ging daar niet een beetje zitten wachten natuurlijk, president immers, van vast niet zo'n heel klein bedrijfje, ook al zat hij dan in Vilnius.

    De baliemedewerkers van Air Baltic kregen de volle laag toen niet alleen bleek dat er geen andere maatschappij vanuit Riga op Vilnius vloog, maar dat het bovendien niet zou helpen als de man de trein zou nemen of zelfs een taxi. Hij ging sowieso niet op tijd komen. In welk derdewereldland was hij hier eigenlijk terecht gekomen, wilde hij weten, en wat had hij aan grondpersoneel als dat niet eens kon zorgen dat hij op tijd in Vilnius arriveerde.

    Ik houd deze zakenman persoonlijk verantwoordelijk voor het achterblijven van mijn bagage in Riga toen ik zelf vier uur later eindelijk mijn overstap naar Talinn kon maken.

    Toen ik na hem vriendelijk glimlachend op de balie afstapte, stond het zweet de medewerkers op het voorhoofd, zodat ik besloot me niet al te druk te maken over de blijkbaar verplichte procedures die nog uit het Sowjettijdperk leken te stammen: omboeken deed je bij een blonde juffrouw, waarna je één raampje verder moest, naar een blonde jongeman die feitelijk in hetzelfde hokje op een stoel naast haar zat, om in te checken. De blonde juffrouw had mij een papiertje gegeven waarmee ik gedurende mijn verblijf op de internationale luchthaven van Riga (één gang en een kleine aanbouw) een gratis consumptie kon krijgen; de blonde jongeman zette met veel geweld twee stempels op dat papiertje. Maar gezien de gespannen zenuwen van het stel vroeg ik, voor de zekerheid sprekend in de ruimte tussen beiden in: 'My luggage will also be flown to Talinn, yes?' — normaliter een overbodige vraag, maar ik was er niet gerust op. 'Yes, yes,' zei de jongeman wapperend met zijn handen, 'of course' — en hij wees op een met de hand geschreven nummer op een frommeltje papier dat aan mijn oorspronkelijke boarding pass was geniet. Dat ging niet goed komen, wist ik toen.

    Maar wat kan men doen? Hoogstpersoonlijk met zijn koffer gaan zeulen? Hem van het ene naar het andere toestel dragen? Nee, dank u, doet u geen moeite, ik doe het zelf wel? Daar kon geen sprake van zijn. Niemand kwam het tarmac van de luchthaven op zonder een speciaal hesje. Piloten in hun onberispelijke uniform moesten eraan geloven en veranderden meteen in grondpersoneel dat evengoed verantwoordelijk had kunnen zijn voor het legen van de vuilnisbakken; stewardessen in kokette pakjes werden door dat fluo-hesje op slag soccer-mums waaraan alleen nog een stel rubberlaarzen ontbrak. En hoewel later het vliegtuig vlak bij de gate geparkeerd stond en het niet meer dan vijftig meter waren die mij en de andere passagiers scheidden van het toestel, werden we daar toch onder algehele hilariteit met een bus naartoe gebracht.

    Voor het zover was, zat ik eerst enige tijd in een bar in die ene gang van het vliegveld. Ik hield de juffrouw achter de toog het dubbel afgestempelde papiertje voor en vroeg wat ik daar zoal in ruil voor kon krijgen. Ze wierp kort een blik op het papiertje en keek vervolgens naar mij alsof ik een trotse peuter was die zijn juist gebruikte toiletpapier kwam tonen. 'That's one euro fifty,' zei ze. Ik keek haar niet-begrijpend aan. Meer dan een espressootje kon ik daar niet voor krijgen, sneerde ze. Een Lets espressootje en een glaasje rigaans water. Daar zat ik van te nippen toen er twee Finse dames bij mij aanschoven, did I mind? I didn't mind at all. Ze waren vrolijk en aan de alcohol. Ik was de leuke man in de bar van het vliegveld, het vliegveld van Riga, en ik had de indruk dat beiden hun beste beentje voorzetten, en dus deed ik dat, beleefd als ik ben, ook, met een geanimeer gesprek tot gevolg dat toch niet verder ging dan waarvandaan, waarheen en, een heel klein beetje, waarom.

    01PanoramaRigaAirport

    Op het vliegveld zelf steeg vier uur lang niets op en er landde niets. Je vroeg je wel af waarom de gemiste aansluitende vlucht per se stipt op tijd was vertrokken en niet even had gewacht; meer dan vijf minuten te laat waren we niet geweest. Uiteindelijk arriveerde er een Fokker 50 — mijn toestel naar Talinn, wist ik. Mijn Finse dames waren allang vertrokken richting Praag en ik zat inmiddels in de nieuwe aanbouw van het vliegveld bij de gate. Ik keek geïnteresseerd toe hoe eerst een schoonmaakploeg in recordtempo door het toestel ging, vervolgens de crew arriveerde. En de bagagewagentjes…

    Mijn koffer was er niet bij, zag ik. Maar helemaal zeker was ik niet.

    Dat was ik pas in Talinn zelf, toen ik andermaal Ilvi Liive, director van het Estonian Literature Centre, moest bellen om, na eerst vanuit Riga gemeld te hebben dat ik vier uur later dan gepland zou arriveren, nu mee te delen dat ik nog wat werd opgehouden bij de lege, ronddraaiende bagageband — waarna weer een balie wachtte. Ilvi kon meteen te hulp snellen met enig perfect onbegrijpelijk Ests. (Zelf spreekt ze zeer goed Nederlands, goed genoeg om zich te excuseren voor elke fout die ze maakt — wat mij overbodig lijkt).

    Ik ben geen reiziger. Ik kom graag ergens aan en blijf dan het liefst daar. Ik ben niet per se honkvast, maar wel een huismus. Verbondenheid blijft een onverwoestbaar verlangen, maar het is meestal voldoende om het gevoel te hebben dat ik in verbintenis sta met de rest van de wereld. En laten nu net alle draadjes nodig voor het opladen van de gsm en voor het opladen van de laptop in die koffer zitten. Als de batterijen leeg zijn, geen gsm, geen internet meer. Dan zwijg ik nog over het mobiele printertje dat ik speciaal voor deze gelegenheid kocht, want hoewel ik ook een e-reader heb — lezen doe ik het liefst van papier.

    Eerst word ik meegetroond naar een supermarkt, de laatste die ik in lange tijd zal zien, begrijp ik. Käsmu, de plek waar ik een maand zal verblijven, heeft geen winkel. Geen zwembad ook. Geen ziekenhuis vermoed ik. Geen politiepost of VDAB. Niets. Er is wel een winkel in Võsu, zes kilometer verderop, maar daar is minder keuze (twee stronkjes prei, een halve witte kool, een zakje wortels uit Italië, drie paprika's en een paar zakjes aardappelen liggen er in wat waarschijnlijk de groentenafdeling is, zo noteer ik bij mijn eerste bezoek; maar toegegeven: de tweede keer staat er zelfs een bakje aardbeien). We slaan in Talinn eerst nog voedsel en drank in.

    En dan begint de tocht van Talinn naar het 75 km verder oostwaarts gelegen Käsmu, scheepsbouwers- en vissersdorp, een strookje huizen op een van de schiereilanden aan de noordkust van Estland, aan de rand van een nationaal park, Lahemaa. Bos. Moeras en bos. Bomen. Veel bomen. Heel veel bomen. Als daar zijn: loofbomen. Berkenbomen. Naaldbomen ook. Dennenbomen dus. 'En beren,' zegt Ilvi, en kijkt daarbij alsof ze me voor de gek houdt. Maar nee, beren én wolven, maar, zegt ze, die zoeken de mensen gewoonlijk niet op.

    Net als de mensen zelf de mensen niet echt opzoeken, zo legt ze ook nog uit. In Estland is het het beste als je de schoorsteen van je naaste buur niet kunt zien, zegt ze. De mensen zijn hier, met andere woorden, nogal op zichzelf. Dat was me al meteen opgevallen. Mijn verhuizing van Nederland naar België heeft me ruim tien jaar geleden al heel veel bescheidenheid in de omgang bijgebracht (geen van mijn Belgische vrienden gelooft dit), maar zelfs met Belgische manieren voel ik me in Estland van meet af aan een boerse Hollander. Het kan nog meer teruggetrokken dan in mijn nieuwe vaderland, blijkbaar.

    01Käsmu4

    Dat blijkt als ik, eenmaal geïnstalleerd in mijn werkkamer met een apart slaapkamertje en een eigen douche en toilet, kennismaak met enkele andere tijdelijke bewoners van het schrijvershuis. De eerste die ik er tegenkom is Andres Ehin (1940), die hier met vrouw en kleinkind verblijft. Het schrijvershuis in Käsmu vormt in zekere zin een uitzondering op andere schrijvershuizen in Europa: schrijvers blijken hier niet te komen om te schrijven, maar om vakantie te nemen van het schrijven. Dat heb ik weer…

    Andres is beminnelijk in zijn onhandigheid. Mijn met de dag bedeesder wordende groet in de ochtend beantwoordt hij steevast met een weetje. Hij groet niet terug maar zegt bijvoorbeeld, als uit het niets, dat het Ests nogal wat scheepvaarttermen heeft die uit het Nederlands stammen. En zij zeggen 'koninkriek', terwijl in het Nederlands… 'koninkrijk', vul ik aan — yes, zegt hij. We spreken Engels met elkaar. Hij zwijgt. We zijn klaar, die dag. De volgende dag weet hij te melden dat de medische tijdschriften vol staan met de ontdekking van een medicijn dat zich, veel beter dan enig ander medicijn tot nu toe, midden in een kankercel kan positioneren en dat van daaruit de ziekte bestrijdt. Ik knik, voel een bijna onbedwingbare, maar volstrekt niet gepaste aandrang te vragen of er misschien kanker in de familie is, of dat hij eraan lijdt? Zijn vrouw? Ik zwijg. Weer een dag later verneem ik dat hier 15 kilometer vandaan iemand woont die één van de beroemdste gebieden van België bezit. Een voormalig manager van Abba, miljardair inmiddels, of toch zowat, die blijkbaar Waterloo heeft opgekocht. Ik knik. Andres knikt. Ik bedenk wat ik zoal weet. Er schiet me niets te binnen. Wij knikken. Wij trekken ons terug.

    Later in de week ontmoet ik een jonge auteur die hier ook al de hele week zit, maar die ik nergens ben tegengekomen, niet in de keuken, niet in de eetkamer, nergens. En hij is niet alleen, blijkbaar, er zijn nog anderen die ik al evenmin heb gezien. Dat terwijl iedereen hier toch zijn eigen potje dient te koken en er maar één keuken is.

    Naast mijn vertrekken op de bovenverdieping zit een Sloveense dichteres wier naam mij even ontschoten is. Zij lijkt naast mij de enige te zijn die hier is om te werken. Ze zit soms buiten om te roken. Het weer laat het toe. Ik sprak met haar, meteen dan maar over de teloorgang van het humanistische wereldbeeld, het wereldbeeld waarbinnen literatuur zo'n belangrijke rol speelt. Tegelijkertijd dacht ik: en zie ons hier zitten, in één van de vele huizen die schrijvers ter beschikking staan om zich terug te trekken uit de samenleving die ze, volgens hun eigen pretenties, of gewoon naar de aard van het werk dat ze verrichten (niemand schrijft literatuur om niet gelezen te worden) toch nog graag mede zouden willen inrichten.

    Dan klopt Andres aan. Hij is voor zijn doen enthousiast, en kijkt verbaasd naar wat hij ziet: ik achter mijn bureau, gordijnen dicht, aan het werk. Ik moet komen. Ze laten een vikingschip te water. Ik wil eigenlijk niet. Maar ik wil hem niet teleurstellen. En dus ga ik. Klederdracht, iemand die eindeloos lang in een microfoon staat te neuzelen bij een bovenmaatse roeiboot met een mast. Veel volk. Er wordt iets geroosterd. Er wordt huisvlijt verkocht: sierraden uit de vikingtijd, zo lijkt het, of het moet er toch voor doorgaan. Verder schilderijtjes van de Baltische kust, die het op de achtergrond moeiteloos van de kunst wint. Iedereen is er. Zelfs een band, die iets speelt dat het midden houdt tussen folk en rock 'n roll. Alles lijkt een kruising tussen Ingmar Bergman en Lars von Trier, in zoverre dat de feestelijkheid iets sombers en zelfs dreigends heeft. Er is niemand dronken, maar ergens vreest men de dronkenschap van dit volk.

    01Panorama
    01P1020317
    01P1020321

    Dat belooft, want op 23 juni is het hier Võidupüha, en de 24ste (toe maar!) Jaanipäev, de opmaat voor een week feest, een feest dat alles te maken heeft met de zonnewende. Men gaat vuren aansteken. Men gaat dansen. Men gaat zwaar drinken, vermoed ik. Ilvi raadde mij aan om het meeste van mijn werk toch wel tegen die tijd gedaan te hebben, want in Käsmu, zelfs in Käsmu zal het dagen onrustig zijn.

    Tot die tijd valt de stilte op. Er passeert een auto: ik hang uit mijn raam. Wat zullen we nou krijgen? Een auto! En om twee uur 's nachts lig ik in mijn bed door een halfrond raampje naar een zonsondergang te kijken die net zolang duurt tot het een zonsopgang blijkt te zijn geworden.

    O1P1020309


    Zie ook de blog van Het Beschrijf voor deze en andere (Jeroen Theunissen, Willem van Zadelhoff) verslagen van schrijvers in het buitenland.

  • Pin it!

    Eindelijk verfilmd.




  • Pin it!

    Klein geluk

    250_0_KEEP_RATIO_SCALE_CENTER_FFFFFF
    ©Belga

    'Klein geluk' — over die twee woordjes moeten we het misschien nog eens hebben nu Bernard Dewulf, ongetwijfeld tot ergernis van sommigen (Arjen Fortuin in NRC van 7 mei, Arjan Peters in de Volkskrant) en tot ontsteltenis van weer anderen (hier bijvoorbeeld of hier en hier), de Librisprijs heeft gewonnen. Dat Dewulf een auteur is die, althans in Kleine dagen, en al eerder in Loerhoek, beide voortgekomen uit zijn columns die tweedagelijks op de voorpagina van De Morgen verschenen, dit 'klein geluk' hoog op de agenda lijkt te zetten, is voor velen al voldoende om tot de slotsom te komen dat het allemaal de moeite niet waard is.

    Dat kinderen en intellectuelen een paar apart vormen, hoeft niemand mij te zeggen. Het wemelt van, vooral, 'papa'-boekjes waarin de heren scribenten niets beter weten te doen dan de ironie aanwenden om hun onbeholpenheid tegenover het eigen kroost tot uitdrukking te brengen (van Nicolaas Matsier via Jan Kuijper en Martin Bril tot Dirk Draulans). De gebruikelijke houding van een vader tegenover zijn kind — één die stamt uit vroeger tijden en die je kunt definiëren als een soort gereglementeerde afzijdigheid waarbij alleen op cruciale momenten door het vaderbeest wordt gegromd dat hij 'natuurlijk' 'best wel' van zijn kroost houdt, waarna onhandig over bolletjes wordt geaaid en op ruggetjes geklopt — die gebruikelijke houding is inmiddels allang taboe geworden. Maar tot een werkelijke herdefiniëring van het vaderschap, zoals ik al eerder stelde, is het tot op heden niet gekomen. Over de veranderde rol van de vrouw zijn bibliotheken volgeschreven, maar over wat dat precies voor de rol van de man betekent is, behoudens in de typische 'vrouwenblaadjes', nauwelijks iets verschenen.

    En dus brengen moderne vaders met een hen door de vrouwenemancipatie bijgebracht vaag schuldgevoel over hun eigen hormoonhuishouding het vaak niet verder dan wat ironisch commentaar op hun eigen gestuntel met Het Kind. Ik sluit mijzelf hier niet van uit, uiteraard. Ik verbeeld me dat ik hilarische stukjes zou kunnen schrijven over mijn geworstel met luiers en uitslag destijds, en ik heb het wel eens gedaan over mijn geworstel met het haar van mijn dochter — een niet aflatende strijd waarover ik bij dezen nog kan berichten dat het borstelen ervan nu inmiddels door mij in zoverre wordt beheerst dat het meisje niet langer met pijnkreten en verwijten de verzorging ondergaat. Zij het dat vlechten en staarten maken nog steeds zaken zijn waarvoor De Papa niet het geringste talent bezit. Hetgeen hem wordt vergeven met een ruimhartigheid die zelfs bij kleine meisjes (bijna 6 is ze) al niet helemaal vrij meer is van de hoon en spot die meer volwassen meisjes in hun stem laten doorklinken wanneer ze manlief met het kroost zien stuntelen. 'Mijn papa — man, man, man!' zo hoor ik haar bijna zeggen (waarbij 'man' al geheel op zijn Engels wordt uitgesproken). Meestal houdt ze het bij de vriendelijk bedoelde opmerking dat ik 'een klein idiootje' ben. Wat ik bevestig…

    Haar


    Kijk, dat bijvoorbeeld bovenstaande in een boekje best leuk kan zijn, grappig, hartverwarmend zelfs, ik neem het onmiddellijk aan. Ik zou nooit de vergissing begaan er iets anders in te zien dan anekdotiek van een dan ook nog heel particuliere soort — met de binnen dit genre al wat ongewone toevoeging dat het misschien minder particulier en eigen is dan ik zelf wel denk, dat het hier in feite om iets gaat wat alle mannen in een ongeveer gelijkaardige positie als ik erover zouden schrijven. In die zin moet het veeleer clichématig genoemd worden. De ironie voert de boventoon, de zelfrelativering, het jezelf neerzetten als onhandig vaderdier, met de niet zelden ijdele bijbedoeling om van die onhandigheid het waarmerk te maken van een liefde die wel niemand zal betwijfelen zeker? Het is een poging de vertederde blik waarmee — idealiter — volbloed moeders naar het gestumper van hun echtgenoten kijken alvast te verdisconteren in wat men over zijn eigen omgang het Het Kind probeert op te schrijven. Het eigen onvermogen om een meer natuurlijke omgang met het kind te hebben, één die niet per se 'bijzonder' is (zoals wij vaders allemaal erg graag willen) maar doodnormaal, wordt één grote vraag om liefde — een ijdele bezigheid kortom.

    Maar amusant om te lezen. Amusant om te schrijven ook.

    Wat nu bij Dewulf bepaald ongemakkelijk maakt, is dat die ironisering er bij hem vaak niet is. Soms ook wel. Niet alle stukjes zijn meesterwerken. Maar Dewulf is in zijn stukjes uiteindelijk met iets anders bezig dan een ironische schets geven van modern vaderschap of modern gezinsleven. Kleine dagen, Loerhoek — het zijn boeken die eerder gaan over wat dan maar weer 'het menselijk tekort' moet heten, over de dood die overal loert, als men wil, over verlies. En dat vaak zonder de vertederende glimlach van de zichzelf niet helemaal serieus nemende pater familias. Maar wie op voorhand besloten heeft dat Dewulf het alleen maar over zijn gezin heeft, en dat dan ook nog eens op alleen maar een hoogst particuliere wijze, komt er niet meer toe om dat te zien. Het 'klein geluk' gaat hier aan het lezen vooraf. En 'klein geluk' zelf, zeker binnen de Nederlandse literatuur, is al sinds de Beweging van Vijftig ernstig in diskrediet. Ook ik heb daar overigens altijd mee ingestemd, omdat ik het woordenpaar inderdaad altijd begreep als aanduiding van alleen maar particulier geschrijf (wat, in mijn terminologie, nog iets anders is dan persoonlijk geschrijf).

    In die zin is er van 'Klein geluk' geen sprake bij Dewulf, en tonen de honende commentaren die hem rond de uitreiking van de Librisprijs in verschillende Nederlandse kranten en op diverse websites ten deel zijn gevallen, vooral het partipris van de besprekers. Bij sommigen wordt ook het stilistisch vermogen van Dewulf in twijfel getrokken, en in een enkel geval wordt er zelfs afkeurend gesproken over Vlaamse wendingen. Dat laatste kunnen we gevoeglijk op het conto schrijven van de gebruikelijke Hollandse benepenheid. Zelfs de kieren en gaten in de eigen taal worden als hinderlijke tocht ervaren, in plaats van als een mogelijkheid. Zeker, ik word hier horendol van de promiscuïteit der voorzetsels, van de telkens net weer even andere benaming voor kledij (wie hier een vest aandoet, trekt zijn jas aan, die hier bovendien gewoonlijk mantel heet, en dan heb ik het nog niet over gilets, colberts en pulls, over dassen en sjaals, allemaal zaken die ze in Nederland ook kennen maar daar verwijzen naar andere kledingstukken dan hier). En uiteraard zijn er in de krant en elders meer dan voldoende daadwerkelijke barbarismen, woorden en uitdrukkingen waarvan je misschien mag zeggen dat ze 'fout' zijn. Maar de 'fouten' van Claus, van Boon, van Dewulf ook, van Lanoye — ik zou ze toch niet graag willen missen.

    Terzijde: de reacties op de Librisprijs voor Dewulf maken in ieder geval duidelijk dat én Fortuin met zijn riedeltje dat 'de Belgen beter zijn', én Rob Schouten, die in Trouw een opbloeiende liefde voor de Vlaamse literatuur vast meende te stellen vooralsnog vooral journalistieke constructies zijn waarnaar de werkelijkheid zich nog niet helemaal heeft gevoegd.

  • Pin it!

    Stolp


    Afgelopen dinsdag in De Vooruit in Gent nog eens 'Uitgelezen' bijgewoond. Het blijft verbazen: honderden mensen die afkomen op vier talking heads die gezeten op een podium geruime tijd over drie door hen gelezen boeken praten onder leiding van een professioneel opererende gastvrouw (Fien Sabbe). Daaronder de twee vaste panelleden — Jos Geysels en Anna Luyten — en twee gasten, die meestal uit het meer populaire segment van de Vaderlandse cultuursector worden gekozen, in dit geval Roos Van Acker en Ianka Fleerackers. De toon is licht, dat is waar. Er is muziek (dit keer: Nele needs a holiday). Er is een voorlezer van dienst (dit keer Christophe Vekeman). Er is een tombola waarbij boeken gewonnen kunnen worden. Het is, kortom, amusement, maar het heeft zeker de kwaliteit die ooit het boekenprogramma van Adriaan van Dis had — en dat betekent dat het blijkbaar nog altijd te moeilijk is voor zelfs de zender voor meerwaardezoekers hier in Vlaanderen, Canvas, anders zouden die allang op deze kar zijn gesprongen. Maar goed, tv en boekenprogramma's, men moet misschien ophouden met ernaar te verlangen omdat aan de kant van de media de meerwaardezoeker stelselmatig wordt onderschat en voor een onnozelaar wordt gehouden die het niet verder bracht dan het derde middelbaar, terwijl aan de kant van de connaisseurs elk programma over boeken per definitie te oppervlakkig is.

    l_27c8562b11404be5a8f5a3dd09dab76d
    Nele Needs A Holiday

    Uiteraard blijf ook ik, in goed Vlaams, altijd een beetje op mijn honger zitten bij een programma als 'Uitgelezen'. Het zou voor mij wel wat dieper mogen gaan, en ik denk zelfs dat dat zonder risiko voor de publieksaantallen kan. Natuurlijk moet het niet 'academisch' of zoiets worden. Daar zijn andere plekken voor. Maar afgelopen dinsdag had ik de panelleden graag wat verder zien gaan in hun commentaren op De stolp van Jeroen Theunissen, een boek waarin een aantal jongeren wordt opgesloten in… welja, in een stolp dus, alwaar ze bepaalde opdrachten moeten vervullen. Big Brother derhalve, het tv-programma. Met Van Acker en Fleerackers had men twee mediamadammen uitgenodigd, waarvan de eerste destijds direct betrokken was bij het Vlaamse Big Brother, en het viel een klein beetje te verwachten dat zij het boek zouden lezen als enkel de beschrijving van het tv-gebeuren, of als een poging daartoe. En het lag dan ook voor de hand dat ze wél de ironie die in het boek zit zouden opmerken, maar niet de tragiek die JT met dit boek volgens mij aan de oppervlakte tracht te brengen.

    Het is natuurlijk een riskant onderwerp, reality-tv, juist vanwege de verleiding er vooral ironisch over te doen, het weg te lachen vanuit een superieure intellectualistische houding. Of vanwege de al te voor de hand liggende sociologische benadering van een en ander. Of nog anders, maar minstens even verradelijk: vanwege de misschien al te evidente verwijzing naar literatuur à la Goldings Lord of the Flies — iets wat al snel gebeurt wanneer je in een boek een aantal mensen samenbrengt in een van de rest van de wereld en werkelijkheid afgeschermde ruimte. En ik denk dat je je bij De stolp terecht de vraag kunt stellen in hoeverre JT al die klippen heeft weten te omzeilen, of zelfs: in hoeverre dat zijn bedoeling was. De zouteloosheid van de al te gemakkelijke ironie ligt in ieder geval steeds op de loer.

    Maar uiteindelijk is JT een schrijver voor wie die ironie niet het, dan ook meteen tamelijk vrijblijvende eindpunt is. En dat zou je — zeker als je dat als lezer op voorhand weet — alert moeten houden. De alomtegenwoordige ironisering van alles — vooral in de media — wordt door hem eigenlijk meteen geproblematiseerd in het motto dat hij aan dit boek meegaf, een motto van Johan Huizinga, vermoedelijk (zeer waarschijnlijk, ik zocht het niet op) uit Homo ludens (1938): 'De ernst kan men loochenen. Het spel niet.' Dat is een omkering van de gebruikelijke gang van zaken, waarbij immers de ironie van alle ernst en van de werkelijkheid zelf in de eerste plaats een spel maakt en waarbij dat spel zelf als relativering van die ernst geldt. Het maakt ook dat wie mocht denken dat JT met dit boek, na een eindeloze reeks commentatoren die zich al eerder over het fenomeen hebben gebogen, nog maar eens een sociologische analyse wilde plegen van het verschijnsel reality-tv, misschien toch een andere insteek moet kiezen. Alles wat je in een meer kritische of toch zo bedoelde zin over reality-tv zou kunnen zeggen in verband met de realiteitswaarde, het arrangement of de regie, de fictionalisering van wat zich voordoet als werkelijkheid, en de wijze waarop waarneming die werkelijkheid verandert en stuurt — al deze zaken zijn in De stolp de beginsituatie, het gegeven vooraf. Ze zijn niet hetgeen waarop de auteur uit was, niet hetgeen hij nog maar eens (en dan inderdaad ten overvloede) wilde aantonen.

    De stolp uit de titel is hier veeleer een metafoor voor de positie van de mens aan het begin van de 21ste eeuw — of dan toch ten minste voor de jongeren die JT in het boek opvoert. Je zou hun situatie eenvoudig kunnen samenvatten als: voor hen heeft de werkelijkheid nooit bestaan, tenzij juist als spel (als rollenspel). Degenen die het concept voor het programma bedachten, lijken ook niet zozeer uit te zijn op het betrappen van de werkelijkheid in zijn meest alledaagse verschijningsvorm, maar de stolp is bedoeld om 'een ethiek van verbondenheid en zorgzame hoop' bij de jeugd te ontwikkelen. Het hele project heeft de bedoeling de deelnemers bij te brengen dat het leven geen spel, maar 'echt' is — al gebeurt dat paradoxaal genoeg 'uiteraard op een ludieke manier', gaat het om 'edutainment' (daar heb je de ironie weer).

    Meestal begrijp ik omslagen van boeken niet. Recentelijk nog zat ik met mijn uitgever te praten over mijn nieuwe boek, juist met het oog op een te maken omslag. Dat boek is nog niet af; de tekst in de catalogus inmiddels wel al verschenen, en het omslag inmiddels dus ook al gemaakt. Ik begrijp zelf totaal niet hoe men van hetgeen ik over de roman vertelde tot het uiteindelijke omslag is gekomen. Bij De stolp is me dat wat duidelijker, moet ik zeggen. Niet eens zozeer door de afbeelding op het stofomslag, maar door de combinatie van die afbeelding en dezelfde afbeelding maar dan in negatief op het boek zelf. De afbeelding op het boek zelf krijgt zo bijna iets van een röntgenbeeld, en dat is in verband met de roman een uiterst treffende associatie.

    Stolp.stofstolp.boek

    Dat wat reality-tv nooit lukt, eerder juist verbergt: het betrappen van de werkelijkheid in zijn meest alledaagse vorm, dat lukt JT in De stolp wel, of toch veel beter, juist omdat die werkelijkheid van zijn personages al op voorhand de volledig gemediatiseerde werkelijkheid is, een werkelijkheid zonder geschiedenis, zonder tradities of overgeleverde waarheden. De personages worden 'stolpjongeren' genoemd, en ze waren dat eigenlijk al voordat het programma bestond. Het in de wereld alomtegenwoordige consumentisme beperkt zich voor hen allang niet meer alleen tot de voorhanden waren, maar strekt zich ook uit tot levenshoudingen, religieuze overtuigingen en wat dies meer zij, zaken die op gelijke hoogte staan met hobby's, grasmaaiers en het nieuwste model iPod en waarbinnen iedere keuze even arbitrair lijkt — een spel, als men wil.

    Het is precies dat wat aan sommige (de belangrijkste) personages uit deze roman de tragiek verleent die het geheel uittilt boven nog maar weer eens een boekske over Big Brother. Als hun verblijf in de stolp iets duidelijk maakt dan is het het diepe verlangen naar bevrijding van het artificiële leven dat hen gevangen houdt — bevrijding van het gevoel van onwerkelijkheid dat hun dagelijkse realiteit uitmaakt. Bevrijding van of uit de stolp, derhalve. De meesten hebben, ondanks alle aangeboden edutainment die hen wegwijs zou moeten maken, geen idee hoe dat zou kunnen. Sommigen nemen hun toevlucht tot een vorm van radicaliteit die in een enkel geval tamelijk destructief is. De stolp is zo bezien niets meer of minder dan een andere benaming voor de condition humaine. En als het daar om gaat is JT nooit frivool ironisch, maar is zijn ironie tamelijk bitter.

    Natuurlijk kun je met deze roman nog verder gaan. Je kunt, als je wilt, op meta-niveau ook de verwoording van een literatuuropvatting vinden, en ook dan kom je volgens mij uit bij het standpunt dat literatuur niet zozeer dient om (postmodern of deconstructivistisch of hoe heet) de onwerkelijkheid van alle werkelijkheid aan te tonen, maar om het verlangen te evoceren dat dit onwerkelijkheidsgevoel oproept: een verlangen naar echtheid, om het maar zo te zeggen. Dat we de werkelijkheid niet meer ongeschonden kunnen ervaren, weet ook JT; maar dat het gevoel van onwerkelijkheid dat erop volgt het eindpunt zou zijn, lijkt hij met ieder boek opnieuw te willen bestrijden. Hij is niet de zelfgenoegzame ironische cynicus of de cynische ironicus die in het bespotten van anderen zijn levensvervulling vindt. Hij blijft zoeken, al heeft ook hij geen antwoorden.

    Op 'Uitgelezen' bleef de interpretatie toch een beetje hangen op juist het niveau van de cynische ironie, vond ik, waardoor het boek in de ogen van de panelleden dan ook niet echt 'je van hét' was. Dat was jammer. Er was ook niemand die het motto erbij betrok. Dat had ongetwijfeld een ander gesprek opgeleverd, en wie weet, een andere beoordeling. Voor mij is het JT in ieder geval wel gelukt om het drama achter de beschreven gebeurtenissen voelbaar te maken, ook al scheert hij in deze kleine roman heel vaak net langs de rand. Maar dat zijn gewoonlijk niet de oninteressantste boeken.

  • Pin it!

    God is dood, leve zijn verbeelding


    De Barnard-kwestie leidt tot interessante gesprekken binnenshuis. Buitenshuis hoeft men die niet proberen te voeren. De nuance ontbreekt er onmiddelijk; de bereidheid om elkaar verkeerd te begrijpen is er veel te groot omdat men zich nu eenmaal dient te onderscheiden van de ander in wat al heel snel een veel te scherp geformuleerde tegenstelling wordt en dus meestal uitloopt op zielloos geschimp en gescheld; de mogelijkheid om werkelijk serieus te zijn wordt er meestal op voorhand onmogelijk gemaakt door de beschikbare spreektijd of de beschikbare ruimte, ook al wordt aan wat er dan wel wordt gezegd en geroepen veel te veel tijd en ruimte gegeven. Maar hier thuis, en in nog andere huizen, heb ik al uitgebreid gesproken over bijvoorbeeld de paradoxen van de vrijheid van meningsuiting. Waar die als absoluut wordt voorgesteld verliest ze meteen elke betekenis. Wie het gekrakeel op internetfora volgt, weet genoeg. De vrijheid van meningsuiting neemt er de vorm aan van een darmspoeling. De verkondigde meningen worden in het licht van de als absoluut voorgestelde vrijheid betekenisloos. Vrijheid bestaat niet zonder verantwoordelijkheid, en verantwoordelijkheid begrenst.

    Het blijft een moeilijk pleidooi: het pleidooi voor begrenzing, voor enig maatgevoel, zoals Camus het al in de jaren vijftig van de vorige eeuw formuleerde. Het leidt ofwel tot het verwijt reactionair te zijn, wat in intellectuele kringen vandaag de dag nog steeds als een verraad wordt beschouwd, ofwel tot de aanklacht van elitisme, en voor iets wat niet onmiddellijk geprakt kan worden tot babyvoer voor allen is men in diezelfde kringen al even allergisch. Dat maakt spreken lastig. Dat maakt 'zur Sprache kommen' lastig. Het gevoel een eigen identiteit te hebben — hoe ook samengesteld — staat of valt met de mogelijkheid om je binnen een bepaalde cultuur uit te drukken. Zolang die cultuur doordesemd is van het laisser aller en laisser faire van de bevrijdingstheologie van '68 is het heel lastig om wérkelijk te voldoen aan wat diezelfde theologie iedereen binnen het culturele veld sinds die jaren voorschrijft: kritisch te zijn. Kritiek wordt alleen erkend als ze deconstructie is. Te zelden wordt er gekeken naar wat er met de deconstructie van andermans waarheden aan eigen waarheden wordt geconstrueerd. Terwijl kritisch zijn op de critici nu juist daarop neerkomt.

    *

    Ik heb de hele Bijbel gelezen. De hele Bijbel? De hele Bijbel. Oude Testament. Nieuwe Testament. Ik las zelfs Het Boek van Judith, De wijsheid van Salomo, Het Boek Tobia, Het Boek Jezus Sirach, De Profeet Baruch — enfin, de apocriefe boeken, opgenomen in een prachtig in leer gebonden Lutherse Bijbel uit 1907 die ik ooit voor een habbekrats op de markt kocht.

    Ik ben niet religieus opgevoed. Ik bedoel: niet. Geen kerkbezoek. Geen zondagsschool. Wel al enige verhalen. Ik herinner me dat op de openbare lagere school die ik bezocht op een zeker moment tegen ons werd gezegd dat er één uur per week godsdienstlessen gegeven zouden worden — ik vermoed meer vanuit de gedachte van algemene vorming dan vanuit een snood plan om openbaren alsnog te kerstenen —, en dat ouders van kinderen die daar bezwaar tegen hadden dat kenbaar konden maken; die kinderen konden dan in dat uurtje iets anders doen. Ik dacht dat 'wij thuis' daar wel bezwaar tegen zouden hebben. Niet omdat er ooit ook maar iets tegen religie of religieuze mensen werd gezegd, maar domweg omdat we er niet aan deden. Omdat wij socialisten waren misschien — enfin, mijn grootvader van vaderskant toch. Misschien vooral omdat ik wel eens een uurtje 'iets anders' wilde doen. Maar mijn ouders hadden niets tegen dat uurtje 'godsdienst'.

    Bijbel


    En dus luisterde ik naar verhalen over de Jacobsladder, over Jozef en zijn broers, over Mozes en de stenen tafelen. Ik maakte daar op verzoek van de godsdienstlerares tekeningen bij. Een ladder tegen een wolk geleund. Een put met een hand eruit, of wat voor een hand moest doorgaan. Tekentalent had ik niet. God was zoiets als Sinterklaas, begreep ik, en dat begreep ik op een moment dat ik zelf al niet meer in Sinterklaas geloofde. Goed en Kwaad bestonden voor mij niet op de afgrondelijke manier zoals dat bijvoorbeeld voor van huis uit gereformeerde vrienden die ik later leerde kennen wel het geval was. Goed en verkeerd — dat bestond natuurlijk wel. Maar dat had met sociale kwesties te maken, met je gedrag, niet (en zeker toen nog niet) met metafysica, niet met wat je dacht.

    Nee, ik ben niet bekeerd. Ik weet nog hoe verbaasd ik was dat mensen op basis van mijn debuutbundel meenden dat ik zeker wel héél religieus was opgevoed? Hoezo? Omdat er zoveel christelijke symboliek en verwijzingen in die bundel zaten. Dat wist ik natuurlijk wel. Dat was deel van het spel dat ik speelde met betekenissen, met bestaande culturele codes die werden ingezet om het 'onzegbare' (want daar ging het natuurlijk om) een stem te geven. En ik kon dat vrij onbevangen doen, veel meer in ieder geval dan diegenen in mijn omgeving voor wie die codes ooit een immense waarheid hadden vertegenwoordigd, één waarvan ze zich maar met moeite hadden weten te bevrijden. Dat gold in zekere zin ook voor mijn eerste roman, waar er een ingewikkeld spel wordt gespeeld met de vader en de zoon, een spel dat zich dus niet alleen op het niveau van de in het verhaal voorkomende personages bevindt, maar ook op — enfin, een 'hoger' niveau, zodat je aan De Vader en De Zoon gaat denken (met de aardigheid dat het in die roman de Zoon is die zichzelf verantwoordelijk acht voor de dood van zijn Vader (en is de mensgeworden Christus niet de opmaat voor twijfel aan God?)). Maar alweer had dat niets te maken met religie in een meer strikte, en al helemaal niet in een praktische zin.

    Nee, de Bijbel las ik stomweg omdat ik zo rond mijn negentiende — veel eerder zal het toch niet geweest zijn — pas werkelijk besefte dat ik in een christelijke cultuur opgroeide. Op de een of andere manier schokte mij dat destijds. Misschien omdat ik in die tijd even gedachteloos links was als gedachteloos a-religieus. Hoewel… Ik herinner mij de verkering met een meisje, een verkering die problematisch was omdat zij in God geloofde. Ik was het alweer vergeten, maar op een reünie een jaar of vijf terug herinnerde ze mij eraan dat dat de reden was dat het tussen haar en mij nooit wat was geworden. God stond tussen ons in, zeg maar (en hij stond er op die reünie nog steeds, merkte ik). Het zal toen toch even iets meer zijn geweest dan een hamerstuk. Maar voor het overige zal ik dat heerschap toch steeds als een allang gepasseerd station hebben beschouwd. Of liever: 'God' was voor mij een ontmaskerde waarheid zonder dat ik die ooit zelf als waarheid had ervaren. Een typisch voorbeeld van wat ik later vaak in een boutade omschreef als typerend voor mijn generatie: dat de relativiteit van waarheden voor mij en mijn generatie heel vaak al aan de formulering en beleving van die waarheden vooraf ging.

    En dus was het een schok om me te realiseren dat ik wel degelijk in een christelijke cultuur was opgegroeid, dat veel van mijn oordelen, zelfs die welke ik als intuïtief beschouwde, terug gingen op een gedachtengoed van eeuwen; dat ons idee van beschaving zijn fundament heeft in dat christelijke gedachtegoed. Ik was opgevoed, om het zo maar eens te zeggen, en blijkbaar toch niet uit het niets ontstaan. Ik was al iets voordat ik 'ik' kon zeggen. En dus vond ik het tijd om de Bijbel dan maar eens te lezen — op zijn protestants uiteraard, al wist ik dat toen nog niet. Ik bedoel: zonder priestelijk ogende uitleggers, theogoochelaars en ander duidingsbereid gespuis in carnavalskledij en zwaaiend met smakeloze koekjes en mierzoete wijn. Ik maakte mijn eigen studie wel.Sola Scriptura.

    Erg theologisch verantwoord is dat er niet aan toe gegaan, vrees ik. De Bijbel was een boek, de verhalen waren mythologie, op dezelfde hoogte als de Griekse mythen en sagen, als verhalen uit de Edda, met onderling boeiende parallellen, en op dezelfde hoogte als literatuur. Voor een ware gelovige is het misschien blasfemisch om in de Bijbel 'enkel' literatuur te zien, maar voor mij is literatuur een vorm van zingeving van het bestaan en heeft ze dus bijna een religieuze status. Bijna. Niet helemaal, en als we religie definiëren als de neiging letterlijk te nemen wat er in het ene of andere, ooit heilig verklaarde boekje staat: helemaal niet. De waarheid bestaat niet; ze vormt zich continu (u wist dit al, neem ik aan). En juist wie verhalen leest over wat mensen zijn, kunnen zijn, moeten zijn vaak, willen zijn ook, zijn geworden soms, niet kunnen zijn zelfs, niet willen, niet mogen, niet durven zijn; juist wie verhalen leest over mogelijk- en onmogelijkheden, over de feitelijkheden van ons tekort en de ficties van onze overwinning van dat tekort — in een eeuwige waarheid, in een eeuwige vergissing, in een deerlijke leugen, in een moedwillig sprookje, in een moraal of in het immorele danwel in de onmenselijkheid van het amorele — juist wie dat leest, wordt steeds weer weggelokt van de zekerheden die de waan van de dag ons voorschrijft, van de zekerheid dat wij seculier zijn bijvoorbeeld, zonder dat dat nu onmiddellijk betekent dat we niet-seculier zouden zijn. Dat laatste — niet-seculier en dus religieus zijn — zit er in mijn geval niet in. Het grote verschil tussen een werkelijk gelovige en mijzelf blijft dat hij overtuigd is van wat voor mij alleen maar een reden te meer is om te blijven twijfelen — niet alleen aan zijn gelijk, maar ook aan dat van mijzelf. En dan gaat het me niet om de puberale vraag of God bestaat, maar om wat we aan moeten met zijn verbeelding. God is dood, leve zijn verbeelding.

    *

    Ik citeerde volgende al eens eerder op deze pagina's. Maar het past hier te goed om weg te laten:

    GODVERGETEN


    Friedrich Nietzsche was zeker niet de eerste, maar hij is wel degene die met zijn uitspraak dat God dood was als aanstichter van het twintigste eeuwse, waarschijnlijk vooral West-Europese atheïsme wordt gezien. Ik heb hem altijd een sympathieke figuur gevonden, al was het maar vanwege zijn aanstellerige hoofdstuktitels in Ecce Homo: ‘Warum ich so weise bin’, ‘Warum ich so klug bin’, ‘Warum ich so gute Bücher schreibe’ — en ook vanwege dat al dan niet apocriefe, maar in ieder geval inmiddels geheel tot zijn mythologie behorende verhaal over zijn verduisterde laatste jaren, over het scharminkelige karrenpaard dat hij op een dag zag en dat hem zozeer tot tranen toe beroerde dat hij het om de hals gevallen zou zijn.

    ‘Menselijk, al te menselijk,’ zo denk ik altijd, naar één van de titels van zijn werken, en ik besef dat het verhaal van het karrenpaard bij een denker als Nietzsche dient ter geruststelling. Het lijkt de bevestiging van de onmogelijkheid van zijn eigen filosofie te zijn — u weet wel: dat van die ‘Übermensch’. Je zou zeggen: de wijze waarop de nazi’s — met de dankbare hulp van zijn zuster Elisabeth — Nietzsche’s filosofie hebben misbruikt, is als bewijs voor die onmogelijkheid al ruim voldoende. Albert Camus stelde in De mens in opstand (1951) echter dat Nietzsche’s filosofie niet gebruikt kan worden zoals dat door nazi-ideologen gedaan is, ook al is de mislezing van die filosofie misschien iets wat men ‘de filosoof met de hamer’ dan toch postuum aan mag rekenen, omdat ze al te zeer voor de hand lag. Hij had het gemakkelijk zelf kunnen voorzien. Hoe dat ook zij: Nietzsche’s filosofie eindigt niet bij zijn ‘God is dood’; ze begint er. En het is typerend dat wij — maar ook hijzelf — daarover alleen in termen van het ónmenselijke kunnen spreken, omdat het een denken veronderstelt waarin wij onszelf zoals wij ons blijkbaar het liefst zien, achter moeten laten.

    Homer J. Simpson, die andere filosoof, formuleerde het zo toen hij in de lucht boven zijn onmogelijke Springfield merkwaardige verschijnselen waarnam: ‘I wish God were still alive to see this.’ En wat te denken van de postmoderne filosofen die, als je goed kijkt, met begrippen als ‘het onpresenteerbare’, ‘le réel’ , ‘het sublieme’ of zelfs tamelijk ondubbelzinnig ‘het verhevene’ of ‘het sacrale’, nauwelijks loskomen van wat de gelovige of de mysticus (toegegeven: dat is nog een heel verschil) zich bij God voorstellen. Om het met een variant op Frank Zappa te zeggen: ‘God isn’t dead, he just smells funny.’

    Er gaapt een niet geringe kloof tussen de overtuiging in meer intellectuele kringen dat God dood is enerzijds, en zijn voortdurende aanwezigheid in zelfs de meest seculier ogende filosofieën. Is de aanslag op hem eigenlijk wel gelukt? Of verplaatst, na zijn eerste vertegenwoordiger hier op aarde, ook de Here zelf zich tegenwoordig in een kogelvrije pausmobiel?

    dyn002_original_125_181_jpeg_41804_14157effd8302d5c1387a2d4a01476c3Volgens een zich geweldig en prachtig kwaad makende Michel Onfray in zijn nieuwste boek Atheologie. De hoofdzonden van jodendom, christendom en islam is niet God verloren geraakt, maar juist de rede uit naam waarvan hij aanvankelijk werd omgebracht. Met nietsontziende, en in deze tijden haast heroïsch te noemen hoon neemt Onfray, naast de vertegenwoordigers van de drie genoemde religies zelf, diegenen op de korrel die zich impliciet of expliciet op Nietzsche beroepend, nooit begrepen hebben wat Nietzsche nu werkelijk voorstond. Ze zijn blijven hangen in een slap nihilisme dat ze nooit hebben gezien als de eerste stap in de richting van de ‘Umwertung’ waar het Nietzsche om begonnen was (zoals de feestneuzen van Mei ’68 de door hen ‘gewonnen’ vrijheid weigerden te begrijpen als de ‘verschrikkelijke vrijheid’ waarover Sartre het had).

    ‘De ontkenning van God is geen doel,’ schrijft Onfray, ‘maar een middel om te komen tot een postchristelijke of ronduit wereldlijke ethiek’. Ook aan de broodzwetsers die weliswaar God en kerk afzweren maar ‘tegelijkertijd de christelijke waarden en het onvervangbare karakter van de evangelische moraal hoogachten’ heeft Onfray een broertje dood: ‘christelijke atheïsten’ zijn het, die uiteindelijk ‘dezelfde paulinische afkeer van het lichaam’ verkondigen als de volbloed gelovige, dezelfde ‘afwijzing van lust, plezier, driften en passies.’ Hij rekent er onder andere Levinas, Bernard-Henri Lévy en Alain Finkielkraut toe.

    Onfray wil een ‘atheïstisch atheïsme’. ‘Niet God, noch de wetenschap, noch de intelligibele hemel, noch de opzet van wiskundige stellingen, noch Thomas van Aquino, noch Auguste Comte of Marx,’ zo schrijft hij. ‘Maar filosofie, rede, nut, pragmatisme en individueel en sociaal hedonisme zijn aansporingen zich te ontwikkelen op het gebied van de zuivere immanentie, in het belang van de mensen, door hen, voor hen, en niet door God, voor God.’

    Dat is mooi gebruld, maar op het gevaar af defaitistisch te klinken, vrees ik dat het op zijn best een elite veronderstelt, om niet onmiddellijk het makkelijk mis te begrijpen ‘Herrenmoral’ te gebruiken. Ik geef Onfray geen ongelijk: God moet misschien wel écht dood, net als Allah en Jahweh, uit naam van een mens die door geen enkele inperkende definitie meer wordt geamputeerd (geestelijk en lichamelijk beide). Al was het maar omdat alle stampij van door plaatjes of domweg door een bepaalde levenswijze blijkbaar tot in hun merg beledigde gelovigen door mij als een belediging van mijn eigen overtuigingen wordt ervaren — en of het daarbij nu om moslims gaat, om joden, of om christenen (die het overigens volgens de bijbel ook niet is toegestaan om af te beelden; dat we de Sixtijnse kapel platbranden...). Het op luide toon geëiste respect kan ik bij zoveel respectloosheid jegens míjn waarden niet opbrengen.

    Maar de vraag is wel of de, vanuit Onfrays perspectief bezien, leugenachtigheid geen integraal onderdeel is van het menszijn. Ons bewustzijn van de dood is, zo zei Pascal ooit, onze misère; maar ze is zeker ook onze grandeur. Dat wegsteken achter een als waarheid voorgestelde leugen van welke religie dan ook maar, kan nooit de bedoeling zijn geweest van de verhalen die door die religies worden verteld. En die men elders nog vindt: bij de Grieken, in China en Japan, bij de Inuit, in de Noorse mythologie. In de literatuur, de onze en die van anderen. Die verhalen zelf zijn de bedoeling, al was het maar omdat ze nergens, noch in heilige en zeker niet in seculiere boeken, eenduidig zijn, nergens aanleiding geven tot het soort conclusies dat er door zogeheten rechtschapen gelovigen aan wordt verbonden.

    Maar ze bieden wel, voor de duur van ons lezen, beschutting tegen een realiteit die we misschien uit de aard der zaak niet verdragen (‘Niemand kan van nature / in lijve de dood verduren,’ schreef de dichter), maar die we uit diezelfde aarde der zaak evenmin mogen verloochenen. En is het niet net die paradox die de kern uitmaakt van de verhalen in onder andere Bijbel, Torah en Koran? God is dood, leve zijn verbeelding?

    In: De Morgen, 15 maart 2006
    *

    Zo beschouwd is Barnard voor mij eigenlijk heel goed te volgen. In zijn beruchte, niet gehouden lezing, had hij, ingeklemd tussen de lijfwachten van Dewinter, onder andere dit willen zeggen, zo lees ik in Knack:

    'Het verschil tussen God en Allah is dat God niet hoeft te bestaan. De dood van God is niet perse rampzalig voor de westerse beschaving; maar de ondergang van de religie is dat naar ik meen wel: met haar sterft een wereld van verhalen en gebruiken die ons met onze voorouders verbinden. Mijn ergernis over de godloochenaars is niet dat ze God loochenen, maar dat ze hun verlichte toestand als een bevrijding uit de Joods-christelijke geschiedenis beschouwen. Of anders gezegd: ik heb geen probleem met godloochenaars, ik heb een probleem met christendomloochenaars.

    Het probleem van Barnard lag dus niet zozeer in wat hij zei — waar op details nog best iets af te dingen valt, overigens (net als op Onfrays standpunt) — maar in hoe hij het zei. De titel — 'Leve God, weg met Allah' — 'is inderdaad een provocatie,' zo stelt Barnard in Knack, 'zij het dat ik een publiek van middelbare vrijzinnigen dacht te provoceren'. Dat dat niet het geval was, was hem al voor de lezing duidelijk — anders was hij met zijn wat schriele schrijversuiterlijk niet tussen twee kleerkasten uit het staalbedrijf van Dewinter verschenen. Maar buiten dat, het toont vrij duidelijk aan welke reducties er in het hoofd van Barnard plaats vonden. Middelbare vrijzinnigen zijn voor Allah en tegen God, zo zou je kunnen zeggen, wat op zich een vergroving is van de gedachte dat de dood van God en links multiculti-denken gewoonlijk hand in hand gaan. Helemaal ongelijk heeft Barnard met die vooronderstelling niet, maar het is toch een vooronderstelling die bij hem tot een fiks vooroordeel is uitgegroeid. 'Het voordeel van een juist vooroordeel is tijdwinst', zo heeft Arjen Duinker ooit gezegd, en dat is ook weer waar natuurlijk. Maar als je boodschap uiteindelijk is dat de Verlichting, dat onze beschaving, ook in de rigoureuze ontkenning van de religie, schatplichtig is en blijft aan de Joods-christelijke traditie, dan schieten we met zo'n vooroordeel niet veel op. En dan laadt men de verdenking op zich dat men het 'zur Sprache kommen' belangrijker vindt dan wat men zegt. Op dat moment gaat het inderdaad niet meer om wat men zegt, maar om hoe men het zegt.

    Of wat er daarna is gebeurd koren is op Barnards molen, kan ik niet goed uitmaken — wat hij daarover zelf ook heeft gezegd ('De moslims die mijn lezing verhinderden, formuleerden mijn stelling nog het best van al' — dus: hoera, mij is het spreken onmogelijk gemaakt? In dat geval zou de rechterlijke beslissing om een volgende verstoring van een lezing te beboeten met 25.000 euro per geval onmiddellijk door Barnard zelf aangevochten moeten worden). Barnard heeft in zijn optreden van de laatste jaren altijd iets hysterisch, iets van de te klein uitgevallen intellectueel die net niet boven de toog uitkomt en daarom al op voorhand in de kroonluchter gaat hangen. Dat je daarmee de krant haalt, lijkt me niet zo uitzonderlijk. Dat je op die manier in die krant nog iets gezegd krijgt wat hout snijdt wel. Wat blijft van Barnards poging het klassiek linkse denken van de soixante huitards van een kritische kanttekening te voorzien, is het domme gekrakeel — niet die kritiek. Dat hij iedereen die in dit opzicht nog weer kanttekeningen bij zijn kritiek plaatst in de hoek zet van overleefde hippies helpt daarbij natuurlijk ook niet echt.

  • Pin it!

    Ficties


    'Laat de kunstenaars hun werk doen', schreef Luc Rasson gisteren in een opiniestuk in De Standaard. Het stuk was een reactie op een bijdrage van Bernard-Henry Lévy een dag eerder. Die had het over Tarantino's Inglourious Bastards en Martin Scorcese's Shutter Island en stelde dat 'het nazisme nu een nieuw speelterrein aan het worden is voor het vermaak van de stoute jongens van Hollywood'. Het principiële bezwaar tegen beide films is hun blijkbaar ontoelaatbare losheid in de omgang met de historische werkelijkheid — die bij Tarantino (diens film zag ik) misschien wel de kroon spant omdat hij Hitler in een bioscoop laat sterven in plaats van in zijn Berlijnse bunker, zoals (realiseert ook BHL zich) een andere overlevering wil (is bijvoorbeeld Der Untergang van Hirschbiegel wel historisch correct? Volgens weer andere criticasters was Hitler in die film veel 'te menselijk' neergezet…). Maar ook Scorcese maakt er een potje van wanneer hij boven de toegangspoort van Dachau het opschrift 'Arbeit macht frei' zet. Een foutje? Of moedwil? BHL weet het niet. Maar hij weet op basis van beide films in ieder geval voldoende om te stellen:

    'Zoals Berkeley's God, die zijn schepping direct vernieuwt, hebben de filmbonzen van Hollywood besloten dat zij het recht hebben om te bevelen wat echt is en wat niet. Sterker zelfs, het is een vorm van zelfbediening waarbij het ene onderwerp niet meer taboe is dan het andere. Degenen die vinden dat de werkelijkheid voortaan niets anders mag zijn dan een andere vorm van fictie, omdat verhalen de wereld draaiende houden, maken daarbij hun keuze. Kunst komt op de eerste plaats. Niet de nagedachtenis, en nog minder alles wat moreel is.'

    Untergang
    De dood van Hitler in Der Untergang


    Dit lijkt wat al te kort door de bocht. Niet zozeer omdat op de vrijheid van de kunstenaar niets valt af te dingen, zoals Rasson in zijn reactie schrijft, en al evenmin omdat BHL zichzelf hier 'een brevet van morele zuiverheid' zou toekennen, al is dat inderdaad niet zonder problemen natuurlijk. Het is te kort door de bocht omdat hier aan kunst iedere aanspraak op de werkelijkheid wordt ontzegd. Kunst en nagedachtenis worden hier tegenover elkaar geplaatst als twee elkaar volstrekt uitsluitende grootheden, terwijl juist als het op zoiets onvatbaars als de holocaust aankomt, kunst vaak nog de enige mogelijkheid is om te naderen tot wat dat geweest moet zijn. Men moet wat dat aangaat echt Jacq Vogelaars Over kampliteratuur (2006) eens bestuderen.

    Inglorious
    De dood van Hitler in Inglourious Bastards


    Dat uit elkaar spelen van nagedachtenis en kunst, van historische werkelijkheid en literatuur doet in feite ook Rasson wanneer hij zegt dat we kunstenaars hun werk moeten laten doen: spreek ze niet aan op de sociale en morele consequenties van wat ze maken. 'Inglourious Bastards is geen revisionistische film: het is een briljante artistieke fantasie', schrijft hij. Dat laat onverlet dat men aan die fantasie vragen mag stellen. Wat heeft Tarantino precies met déze fantasie willen zeggen, meer specifiek: op welke wijze is zijn film — naast tamelijk hilarisch en bij tijd en wijle op zijn Tarantino's behoorlijk irritant en kinderachtig — ook een bijdrage aan het denken over de Tweede Wereldoorlog en de holocaust? Is het misschien te ver gezocht (het is in ieder geval niet minder controversieel) om in het groepje wraakzuchtige joden dat in deze film op de meest grove wijze een slachting aanricht onder nazi's een verwijzing te zien naar de Mossad en het Israël van na de Tweede Wereldoorlog? Schuift Tarantino (het huidige) Israël en dat wat door dat land zelf niet zelden (om niet te zeggen: te pas en te onpas) wordt gebruikt om haar eigen handelen te rechtvaardigen of om kritiek op dat handelen de mond te snoeren — de holocaust — schuift Tarantino dat hier in elkaar? Er is een link te leggen tussen Inglourious Bastards en Munich van Spielberg, bijvoorbeeld, al werd in die laatste film het geweld en het oudtestamentische principe waarop Israël zich onverminderd blijft beroepen — oog om oog (je zou toch willen dat ook in hun religie die Verlosser eens op aarde kwam) —, uiteindelijk geproblematiseerd en als probleem ook gedramatiseerd in de persoonlijke worsteling van de hoofdpersonen. Daar kun je bij Tarantino lang op wachten, natuurlijk.

    Gesteld dat dit een vruchtbare piste is om te bewandelen: wat zegt Tarantino hier dan over zowel de holocaust als over de joden? Eén mogelijkheid is minstens dat de slachtoffers (de joden) niet voor hun beulen (de nazi's) onderdoen… Dat maakt bij alle ironie en hilariteit (ik zwijg nog over de referenties aan de oude western, met de joden in de rol van scalperende roodhuiden, dus in de rol van wat in dat soort films 'wilden' heetten te zijn) — dat maakt Inglourious Bastards tot een ongemakkelijke film. Níét omdat hij een loopje neemt met de historische werkelijkheid, maar omdat hij die werkelijkheid vanuit een heel ander perspectief benadert en bevraagt.

    De vraag blijft met welk doel. Maar als we kunstenaars hun werk laten doen, is dat misschien nu juist waar het om gaat: dat we ons bewust worden van de manipulaties van de feiten (zonder manipulatie kan een verhaal niet bestaan, noch fictie, noch factie). Ten aanzien van de holocaust moeten we dringend uit onze hengsels gelicht worden, al was het maar omdat mensen als BHL, of eerder al Claude Lanzmann (die om ongeveer dezelfde reden ernstige bezwaren had tegen Spielbergs Schindler's List), de historische werkelijkheid van de holocaust verheffen tot datgene wat het nooit mag worden als we ook maar enigszins gestand willen doen wat we met z'n allen (of toch bijna met z'n allen) bij elke herdenking herhalen: 'nie wieder Auschwitz'. Ze maken van de historische werkelijkheid een boventijdelijk gegeven waartoe de hele mensheid zich alleen op een bepaalde voorgeschreven manier mag verhouden: deemoed, schuldbesef, gehoorzaamheid. Men wordt geen revisionist wanneer men bij dat beeld vragen stelt — en al helemaal geen negationist. In zekere zin haalt men de werkelijkheid van de holocaust (die niet alleen historisch is, maar op zijn minst ook psychologisch) dichterbij door die los te maken van de sacrosancte context waarin hij blijkbaar alleen maar kan en mag verschijnen. En dat alles niet omdat de werkelijkheid niets anders mag zijn dan fictie, maar omdat elke fictie het in zich heeft om werkelijkheid te worden.

  • Pin it!

    Okselhaar


    Naar aanleiding van het voorgaande, schoot me ineens een stukje te binnen dat ik ooit voor De Morgen maakte — enfin… een stukje, zeg maar gerust: een immense lap tekst! Wel 1000 woorden, zomaar in een rubriekje dat wekelijks verscheen in… was het toen al 'Uitgelezen', of nog 'De Morgen Boeken'? Een stukje dat door meerdere schrijvers iedere week werd gevuld. Die rubriek is uit De Morgen allang verdwenen, nadat van de toegestane 1000 er eerst nog 750 en uiteindelijk geloof ik niet meer dan 500 woorden overbleven. Dat aantal is niet alleen te weinig om überhaupt iets zinvols te zeggen, het is zelfs te weinig om gewoon divertissement te brengen. De rubriek (die overigens sinds 1999 steeds volgens een ander thema werd ingevuld) verhuisde naar DSL, en daar mogen er 750 woorden besteed worden aan de relatie tussen actualiteit en literatuur — of: wat heeft Musils Mann ohne Eigenschaften met de staatshervorming van doen?

    Onderstaand stuk verscheen in een reeks die als algemeen opschrift 'Lost' had — een wekelijkse her-denking van wat verdwenen leek: de avant-garde, moeder de vrouw, God natuurlijk, maar dus ook, zo vond ik op een blijkbaar hete augustusdag in 2006, okselhaar:

    m1cyxrrwdnml
    zie ook: Het grote uitstel, p. 60-69, 'Herz'.


    OH OKSELHAAR...!

    In deze voor bleke intellectuelen barre tijden van zon, zee en strand, van op zijn minst gedeeltelijke ontkleding, van badmode of het flagrant ontbreken daarvan, van liederlijk, in serie geschakelde, uitgestrekte lichamen op onbewoonbare stranden aan grandioos door de ernstig vervuilende toeristenindustrie verpeste kusten — kortom: in de zomer kan de vraag ineens opkomen wat er toch in hemelsnaam met het vrouwelijk okselhaar is gebeurd.

    Er is een tijd geweest dat seks ver boven het middenrif begon, en dan doel ik niet eens op de in het oog springende vrouwelijke primaire geslachtskenmerken die afhankelijk van het niveau, het aantal genuttigde glazen en niet in de laatste plaats het gezelschap waarin men zich bevindt ‘tieten’, ‘tetten’, ‘kajoeten’, ‘een bos hout’ (of nog weer anders) danwel uiterst beschaafd ‘borsten’ of zelfs haast ondragelijk poëtisch ‘gemoed’ worden genoemd. Ik heb het dan over die altijd wat meer verborgen blijvende toefjes haar die je soms, bij een bepaalde beweging, in een wat gapende korte mouw van een zomers bloesje kort kon waarnemen, of die brutaalweg in hun okselwarmte zichtbaar werden als armen in alle onschuld werden geheven om iets aan te wijzen, of beter nog: moedwillig in de nek gelegd. Die stugge haartjes verraadden veel over wat men elders aan zou treffen, rond wat een dichter ooit zo fraai ‘het kneedbaar smeltpunt’ heeft genoemd en waar iedere échte vent (intellectueel bleek of hersenloos gebronsd) natuurlijk jacht op maakt. Okselhaar was, kortom, de schaamteloze ontbloting die desalniettemin alles te raden overliet, een verwijzing, voorafschaduwing, voorsmaak en belofte.

    Toegegeven, dit is wel een heel machistische interpretatie van wat zelfs in mijn puberteit door vrouwen veeleer als een opstandig, feministisch wapen tegen juist de hanigheid van de wereld werd ingebracht. Een mondige vrouw herkende je aan haar moedwillige okselhaar, soms ook aan beenhaar en bewust niet geëpileerde wenkbrauwen — en ik beken dat met name bij weelderig beenhaar mijn interesse fel afnam (het oksel- en beenhaar gingen een duivelspact aan dat elke nieuwsgierigheid naar de derde oksel uitsloot). Maar zelfs bij de meest mondige der vrouwen bleef het verzet tegen het scheermes van de mannelijkheid vaak beperkt tot de holte onder de armen, een welbewuste provocatie van een schoonheidsideaal.

    Overigens kan ik me eigenlijk niet zo goed voorstellen dat dit ideaal door mannen bedacht zou zijn. Zoals mannen ook niet hebben bedacht dat het gebruik van deodorant ook voor hen misschien een aanrader zou zijn, laat staan al die reukwatertjes die allang niets meer te maken hebben met hun oorsprong: bijtende en dus ontsmettende aftershave — op zich al een forse stap richting degeneratie, want welke echte vent scheert nu zijn baard af? Als de naakte oksel al ergens mee in verband wordt gebracht, dan is het toch vooral met hygiëne. En dat is over het algemeen gesproken nu niet meteen de sterkste kant van het mannelijk deel van de mensheid.

    In die zin zou juist het scheren van de oksel een daad van ongekend feminisme genoemd kunnen worden, niet alleen omdat het een huidplooi in al zijn geplooidheid aan het volle zicht prijsgeeft — waarmee, zoals bekend, alle mystiek effectief om zeep wordt gebracht — maar bovendien schijnt okselhaar vooral te dienen om het zweet vast te houden, en met dat zweet de feromonen, de geurstof die nu juist maakt dat de man zo snel mogelijk van de oksel wil afdalen naar waar het allemaal om te doen is. Je zou zeggen: de geschoren armholte is het meest effectief als men de man wat op afstand wil houden.

    Maar waarschijnlijk verraadt dit een gebrekkige kijk op het fenomeen van het feminisme zelf, dat wellicht minder tot doel had (en heeft) om mannen af te schrikken dan om de nodige kritische kanttekeningen te plaatsen bij de vrijwel volledig door mannen gedefinieerde cultuur. Een man zal wellicht de naakte oksel niet als schoonheidsideaal hebben bedacht; die oksel zelf valt heel goed te begrijpen als een gevolg van zijn wereldbeeld. Misschien ging het er vooral om een harig obstakel te plaatsen tussen de wereld en het scheermes van de bij uitstek mannelijke verlichtingsidealen van ontmaskering en ontbloting. Zo beschouwd was het okselhaar zoiets als een provocatie van het masculiene zuiverheidsdenken dat vrouwen al eeuwenlang met het odium van ‘onreinheid’ heeft opgezadeld. Een poging de rigoureuze scheiding van lichaam en geest te doorbreken.

    Als dat al zo is dan moet men vaststellen dat dit deel van de strijd toch behoorlijk mislukt is. Op het internet vindt men menig weblog waarop pubers met een mengeling van ongeduld en afschuw de komst van het eerste okselhaar afwachten, en verder wordt er vooral met afkeer over vrouwelijk okselhaar gesproken. En inmiddels niet alleen meer over dat van vrouwen; ook het mannelijk okselhaar staat in toenemende mate in een kwade reuk. Overal wordt kaalslag aanbeden, ook als het gaat om die derde oksel, waarop op weer andere sites hoogstens nog een tot een soort hitlersnorretje getrimd streepje haar valt waar te nemen, maar waar meestal het mes alles heeft verwijderd, daarmee iets ontblotend waarmee, lijkt mij, alleen pedofielen nog uit de voeten kunnen.

    Men moet natuurlijk uitkijken om niet van elke geschoren mens, elke homo rasus, een protofascist met een pornografische blik te maken: één die het in principe oncontroleerbare van zijn eigen lust zelf wil blijven regisseren. Van parfumfles tot Lactacyd femina. Voor velen zal het weinig anders zijn dan het gedachteloos volgen van een modevoorschrift en zal het bijgevolg zo’n vaart niet lopen. Het is ook ver van mij om hier mijn liefde te verklaren aan de apin als had ik een voorkeur voor totale wildgroei. De mens moet geknipt en geschoren — zoveel staat vast.

    De vraag is alleen wanneer er met het verwijderen van welke wilde haren tevens een deel van het menszijn verdwijnt. Of beter: staat de mens mét okselhaar niet voor een ander mensbeeld dan de mens zonder? En zou die mens — die toch wat dichter staat bij de eigenaardigheden van zijn eigen lichaam, lijkt mij — niet ook een andere (zoals altijd is daarmee bedoeld: een betere) wereld in petto hebben? De okselharige vrouw: zou dat niet Goedele Liekens kunnen zijn, zo vraag ik me nu af.
    In: De Morgen, 2-8-2006.


    33383f3a556d205592a16d0b773eeb12


    Wat ik met die laatste vraag precies bedoeld kan hebben, weet ik niet. Ze lijkt me te verwijzen naar de toenmalige actualiteit. Misschien had Goedele Liekens aangekondigd dat ze de wereld ging verbeteren? Nog maar eens? Net als u en ik? Ik blijf dat hoe dan ook van plan, maar ik ben dan ook te weinig metro-, macro-, micro- of retro-seksueel om mijn okselhaar te scheren.

  • Pin it!

    Moeder


    Vandaag was het onderwijzend personeel van de school van E. op een pedagogische studiedag. Ik heb de ochtend dus met mijn dochter doorgebracht, die cornflakes voor mij maakte van papiersnippers, me vroeg een banaan in kleine stukjes te snijden 'en dan op zo'n bordje en met zo'n vorkje', vervolgens buiten wilde spelen en hulp vroeg bij het openen van de zandbak, het opendraaien van het buitenkraantje dat vanwege de vorst was afgesloten en het vinden van haar 'zandbakspul' — of ik wist waar dat was? 'Weet je vader ooit waar iets is?' vroeg ik. Nee, dat was waar, hij weet nooit waar iets is. Ze fronste. 'Misschien in het tuinkot,' probeerde ik. 'Of in het plastic tuinhuisje?' In dat plastic tuinhuisje dus. 'Je mag nu wel weer naar binnen de krant lezen', zei ze.

    Enig algemeen belang heeft dit niet. Dat ik deze ochtend niet aan werken toe kwam, was voor een groot deel vrije keuze. Tussen het in ontvangst nemen van papieren cornflakes, de te verwaarlozen kleine opdrachten van huishoudelijke aard en het diep, diep nadenken over de mogelijke locatie van een emmertje met een schepje, taartvormpjes en een harkje was er in principe tijd genoeg om wat te werken. Nee, niet aan de roman. Dat vraagt een meer aaneengesloten periode van ongestoord bezig zijn. Maar ik had me nog eens kunnen buigen over de 'sneuveltekst' die mijn uitgever me als voorzet voor een catalogustekst toestuurde, ware het niet dat ik ten aanzien van dat soort tekstjes nu eenmaal altijd met de handen in het haar zit. Zo'n tekst moet namelijk gemaakt worden op een moment dat de roman nog verre van af is. Er is weliswaar een vracht aan ideeën en vooral vage gevoelens omtrent hoe een en ander tot zijn eindpunt gebracht moet worden, maar zonder dat dat alles door mij op een heldere, en vooral: aantrekkelijke manier vertaald kan worden in de kretologie die hoort bij dat andere deel van het schrijverschap dat niet zoveel met schrijven, maar bijna alles met verkopen te maken heeft. Er is een abstractieniveau voor nodig dat ik pas weet te bereiken als anderen aan het afgeschreven geheel de eerste betekenissen hebben toegekend. Ah ja, nee, natuurlijk, zo heb ik het bedoeld, dat moet bijna wel.

    Dat klinkt een beetje als wilde ik de mythe van de goddelijke inspiratie nieuw leven inblazen. Onzin natuurlijk. Ik weet wel wat ik doe, maar tegelijkertijd is er een deel dat geen benul heeft van wat het aan het doen is. Om het even mooi 'dichterlijk' te zeggen: ik schrijf, maar in dat schrijven schrijft het schrijven mij. Als het ware. Een catalogustekst vraagt om meer beschouwende kracht dan er tijdens het schrijven aan een roman bij mij voorhanden is. Vraagt afstand, en die heb ik nu nog niet.

    Maar dit alles terzijde. Men zou nog denken dat het bestaan van een schrijver niet over rozen gaat. Terwijl ik het juist over een luxe-aspect van dat bestaan wil hebben. Zo'n pedagogische studiedag op de school van je kind leidt hier ten huize vrijwel nooit tot de elders vaak wel gebruikelijke noodzaak opvang te regelen. Ik ben hier gewoon. Ja, ik vloek wel eens, maar omdat ik werkelijk niet geloof in goddelijke inspiratie heb ik nooit de neiging om een onvoorziene (en al helemaal niet een al aan het begin van het schooljaar ingeroosterde) omstandigheid als een ramp voor mijn schrijverschap of zelfs — ik ken van die gasten — voor De Literatuur In Heur Algemeenheid te beschouwen. Ik lees de kranten van die dag eens een keertje van A tot Z. Ik snijd een banaantje. Ik zwier die dochter van me eens een paar keer boven mijn hoofd rond — nu het nog kan.

    screenshot_80


    In een van die kranten vandaag: Meyrem Almaci en Tinne Van der Straeten, beiden kamerleden voor Groen! en beiden zwanger. Aanleiding voor het interview zijn echter niet zozeer zij, maar de commotie die ontstond rond het feit dat Vlaams minister Freya Van den Bossche maar liefst drie maanden zwangerschapsverlof opnam na de geboorte van haar derde kind (die, zo liet niemand na te vermelden, dan ook nog eens van een andere vader is dan haar andere kinderen — voer voor de riooljournalist). Ze heeft daar wettelijk gesproken recht op, maar toch… een minister tenslotte, een vrouw aan de top derhalve. De suggestie was (nee, het was méér dan enkel suggestie) dat zulks ongepast is. De interviewer van dienst speelt zijn rol van advocaat van de duivel met verve wanneer hij de beide dames van Groen! voorlegt dat voormalig Frans minister van justitie Rachida Dati al vijf dagen na haar bevalling weer aan de slag ging.

    Daarmee wordt al voor de derde keer in een paar dagen het moederschap op de voorgrond geplaatst. Er was eerst (maandag) een interview met de teruggekeerde Freya Van den Bossche, er is vandaag dit interview, en afgelopen weekend stond er in De Standaard een interview met Elisabeth Badinter. Met name dat laatste interview was prikkelend. Het werd afgenomen naar aanleiding van het verschijnen van een nieuw boek van Badinter, Le conflit. La femme et la mère, waarin ze waarschuwt tegen wat zij beschouwt als 'een nieuwe reactionaire wind die vrouwen terug wil hebben waar ze volgens de natuur zouden horen: thuis en zogend'.

    41SJ3bGGlxL._SS500_


    Hoe de analyse in het boek er precies uitziet, kan ik niet zeggen, maar de analyse die Badinter in het interview geeft, is niet overal even overtuigend. Zo hakt ze nogal in op de mode (iets anders kun je het niet noemen) om borstvoeding te prefereren boven flesvoeding, iets wat zelfs door de Wereldgezondheidsorganisatie wordt gepropageerd. Haar verzet hiertegen lijkt veel te maken te hebben met de suggestie dat een vrouw die borstvoeding geeft als het ware geïmmobiliseerd wordt. 'Thuis en zogend', dat betekent hier blijkbaar ook: 'zogend, dus thuis'. Ik kan maar uit een zeer beperkte ervaring putten, maar wat mij een jaar of vijf, zes geleden vooral opviel, was dat flesvoeding veel meer praktische problemen met zich meebracht dan borstvoeding. Zo'n borst, dat is niet alleen een productie-eenheid, zeg maar, maar tegelijk ook de magnetron, het 'Bain Marie' of wat men ook nodig heeft om flessenmelk op te warmen alvorens het aan zijn kind te kunnen presenteren. Niets eenvoudiger dan het openknopen van blouse of, voor mijn part, een tuinbroek om het kind aan te leggen. Geen jonge moeder ambulanter dan de moeder die de borst geeft. Het scheelt zo een flinke tas flesjes, speentjes, poedertjes en ander ongemak. Ik ken niemand die aanstoot neemt aan een vrouw die — en dat gebeurt meestal heel discreet (men moet al flink reikhalzen om iets te zien van wat in onze huidige samenleving, gezien allerlei reclames met gedeeltelijk of geheel ontkleed vrouwelijk schoon, op zich sowieso al niet meer zo verschrikkelijk uitzonderlijk is) — ik ken niemand die aanstoot neemt aan een vrouw die een kind de borst geeft. Maar misschien ligt dat aan mijn kennissen. Ik kan me ineens zomaar voorstellen dat de heren parlementariërs Van den Bossche niet meer serieus zouden nemen als ze iets zou zeggen terwijl ze tegelijkertijd haar kind voedt. Alsof een kind aan je borst je van je verstand berooft.

    Of borstvoeding voor een kind beter is dan flesvoeding? Geen idee. Er wordt daar flink op gestudeerd. Men slaat elkaar geregeld met lijvige rapporten om de oren. Ik noem borstvoeding de huidige mode. De medische wereld hangt van modes aan elkaar. Tegenwoordig heeft ieder slecht opgevoed kind automatisch ADHD — zij die het echt hebben niet te na gesproken — en in de jaren tachtig kon je niet naar de huisarts gaan of je kwam terug met de diagnose dat je leed aan hyperventilatie. Iedereen blies toen bij vrijwel elke gelegenheid in zakjes tot hij blauw zag. In de tijd dat ik werd grootgebracht was borstvoeding uit den boze, geloof ik.

    oyustman-sgrammer-rwillis-woodstock-women-american-icons


    Het lijkt me in ieder geval dat 'de moeders van de jaren zestig' waaraan Badinter in het interview refereert en van wie we een aantal op een foto afgedrukt zien ('Moeders in een bus op weg naar Woodstock', staat erbij) — het lijkt me dat die moeders zonder al te veel omhaal de borst ontblootten als het voedertijd was. Ik zie vrouwen op Woodstock gewoonweg niet met flesjes in de weer, en als er nu één generatie uit het recente verleden genoemd kan worden die 'dicht bij de natuur' pretendeerde te staan, dan is het wel de Woodstockgeneratie uit de jaren zestig.
    Okselhaar.
    Ik zeg maar wat, hè.

    hairy_woman_armpit_photo(1)


    Ik bedoel maar dat er in het interview nogal wat zaken door elkaar gehaald lijken te worden. Dat vrouwen in de jaren zestig zorgelozer zwanger waren, mag waar zijn (per slot van rekening werd er toen ook tamelijk zorgeloos gerookt). Dat die vrouwen een juiste afstand tot hun eigen kinderen bewaarden omdat zelfontplooiing voorop stond, zoals gesuggereerd wordt, vind ik dan alweer wat problematischer. Voor zover de generatie die daarna kwam haar moeders afrekende op het feit dat hun streven naar carrière in de jaren tachtig op niets was uitgelopen, een streven dat maakte dat ze te weinig aandacht voor hun kinderen gehad zouden hebben, kan het kloppen. Maar die zelfontplooiing van Badinter stopte bij die generatie bepaald niet bij enkel de carrière. Als iets de babyboomers typeert dan is het hun grenzeloos narcisme, een volstrekt uit de hand gelopen streven naar individualisme dat op geen enkele manier nog rekening wenste te houden met welke vorm van gemeenschapszin dan ook maar, en dus ook niet met de behoeften van het kind. In het onderwijs heeft dat bijvoorbeeld geleid tot het loslaten van het kind uit naam van een zelfontplooiing die in het meer traditionele onderwijs niet gewaarborgd zou zijn. Terwijl zelfontplooiing gebaat is bij het onderwijzen van de traditie. Er bestaat een prachtige Nederlandse documentaire van een vrouw die vroeger door haar naar zelfontplooiing hunkerende moeder in de Bagwhan-sekte werd getrokken en die nu de rekening graag eens zou willen vereffenen. Of dat narcisme van deze generatie zich openbaarde in het streven naar carrière of zich veeleer openbaarde in een gering verantwoordelijkheidsbesef onder de noemer 'vrijheid blijheid' — daar wil ik vanaf zijn, maar in ieder geval lijkt me wat Badinter aanprijst als verworvenheid van de jaren zestig niet per se een vooruitgang te zijn geweest (maar natuurlijk ook niet per se 'des duivels' o.i.d.).

    Ik zie ook het verband niet tussen het streven van ecologisten en de reactionaire wind die moeders weer aan de haard en de keuken wil hebben. 'Ons wordt tegenwoordig door iedereen voorgehouden dat we terug moeten naar de natuur, dat we de wetten van de natuur moeten respecteren. Het is bio hier en bio daar', zegt Badinter. Wat me hier een veel groter gevaar lijkt, dat is het populaire gebazel van de evolutionaire psychologie, het 'mannen van Mars vrouwen van Venus'-geneuzel, de semi-wetenschappelijke verhandelingen waarin onze gedragingen worden teruggevoerd op de kleinschedelige Oelieboelies uit de Voortijd die we waren. En daarom mag ik als man, gedekt door deze wetenschap, neuken wie ik wil, om daarna, gedekt door diezelfde wetenschap, bij vrouwlief thuis de door haar bereide maaltijd te nuttigen. Die immens populaire flauwekul — want het zegt even veel over wie we zijn als het feit dat we van de apen afstammen (iets wat van ons ook niet meteen weer voelbloed apen maakt) — is tien keer schadelijker dan een poging om de wegwerpluier aan banden te leggen.

    luier


    Wat niet wil zeggen dat Badinter helemaal geen punt heeft. Het moederschap staat vandaag geweldig onder druk, maar toch vooral omdat emancipatie zich altijd op vrouwen heeft gericht. Ze is altijd als een culturele opdracht aan de vrouw geformuleerd geweest, terwijl het grootste probleem is dat de lasten van het ouderschap nog steeds ongelijk verdeeld zijn. Natuurlijk is er een hele industrie die geld weet te slaan uit het schuldgevoel van vrouwen, die met semi-wetenschappelijk gebazel de aankoop van de kiem- en bacterievrije kinderslaapkamer tot morele deugd verheft. Natuurlijk bestaat er wrijving tussen de wensen van de ecologisten die bezwaren maken tegen de wegwerpluier en de omstandigheid dat men vandaag de dag om nog heel andere dan louter emancipatoire redenen als vrouw maar beter een baan heeft. Maar toch alleen als luiers enkel een vrouwenzaak zijn, als ouderschap een vrouwenzaak is — ik zou bijna zeggen: als moederschap uitsluitend een taak voor vrouwen is ('vaderschap' is immers tot op heden nog niet werkelijk opnieuw gedefinieerd).

    En dan is er nog één bedenking: de wijze waarop ouders zich vandaag de dag op hun kinderen storten, heeft minder te maken met een terugkeer naar de normen en waarden van voorheen, met een reactionaire reflex, dan juist met een zo mogelijk nog extremer consumentisme dan dat waarop het streven naar absolute vrijheid en onafhankelijkheid van Badinter en de haren toch al was uitgelopen. Het kind heeft recht op alles, moet in alles tegemoet gekomen worden, moet op zijn wenken worden bediend en wee de leerkracht die het een onvoldoende durft te geven. In die zin is er van een terugkeer naar de voor Badinter zo duistere tijden van weleer niet eens sprake: haar vrijheids- en onafhankelijkheidsdwang zet zich gewoon voort in een nog extremere vorm waarin het bevredigen van de eigen behoeften via het eigen kind de boventoon voert.

    In die zin wordt het moderne moederschap op dit moment beter verdedigd door jonge vrouwen als Meyrem Almaci, Tinne Van der Straeten en Freya Van den Bossche dan door een relict uit de jaren zestig als Badinter. Nu alleen nog wachten tot de dag aanbreekt dat daarvoor geen paginagrote interviews in de krant meer nodig zijn.

  • Pin it!

    Humaan te Brussel


    Afgelopen vrijdag in Brussel nog eens over het humanisme zitten praten…
    Wat een zin…
    Maar toch: afgelopen vrijdag, in een Grieks restaurant op de Oude Graanmarkt met kameraad P. nog maar eens zitten bomen over het humanisme. Wat of dat toch was met types als ik, zei hij, maar niet alleen types als ik, ook andere… vaders vooral. P's kritische houding tegenover dat humanisme zelf wordt door vaders altijd beantwoord met het ultieme gezagsargument dat hij wel anders zou denken als hij maar kinderen had. Dat er met de geboorte van een kind iets met, vooral, intellectuelen gebeurt waar ze niet tegen opgewassen zijn, kun je zien aan al die ontroerende boekjes over de plotsklaps erg klunzige helden van de geest, van Gebreid echtpaartje van Nicolaas Matsier tot Dagboek voor mijn dochter van Dirk Draulans, met als onbetwiste meester in het genre Bernard Dewulf (Loerhoek, Kleine dagen). Ik denk dat het iets te maken heeft met de botsing tussen onze opvoeding binnen de geest van Verlichting en individualisme en de beperking van onze eigenmachtigheid tegenover de biologie. Of, zoals het voor mij, eigenlijk al voor de geboorte van mijn dochter gold: met de verbinding tussen theorie en praktijk, tussen het vrije denken en de praktische consequenties van dat denken.

    Misschien dat ik daarom al bij het schrijven van De inwijkeling als vanzelf de zijde van Jean Améry koos tégen Foucault. In zijn intellectuele biografie Unmeisterliche Wanderjahre beschrijft Améry hoe hij na de terugkeer uit de concentratiekampen aanvankelijk de filosofie van Sartre omhelst. Midden jaren zestig maakt hij dan kennis met het structuralisme van Lévi-Strauss, Lacan, Althusser en, vooral, Foucault. Enfin, in De inwijkeling schreef ik er dit over:

    180px-Stone_BKH1


    Het in dat structuralisme verkondigde “Verblassen des Menschen zur abstrakten Entität” is op zich niet nieuw, zo stelt hij: “Wo und wann immer ein bestimmter Dichtigkeitsgrad von Interaktionen erreicht war, hat Gesellschaft sich strukturiert und hat um des Individuums willen Entindividualisierung sich vorschreiben müssen. (...) Neu und aus diesen Tagen ist allenfalls der aufgeregte und von sich selbst befriedigte Übereifer, mit dem dieser Prozeß registriert und akklamiert wird. (...) Bis zu einem gewissen Grade sind Entindividualisierung und Entdinglichung des Menschen, sind Abstraktion und strukturelle Integration der unabdingbare Preis den wir zu entrichten haben, wenn wir nicht in Armut, Schmutz und Körperschmerz leben wollen. Nur daß der gewisse Grad bald erreicht ist und unversehens überschritten wird. Es benimmt mir den Atem, wenn ich sehe, mit welch sachberauschter Genugtuung das Zurücktreten des Menschen vermerkt wird von denen, auf die es ankommt.”

    Deze nog tamelijk mild geformuleerde bedenkingen houden rechtstreeks verband met wat hij even later ook expliciet aanhaalt: dat hij ooit “Häftling hundertzwoundsiebenzig-dreivierundsechzig” was en onder dat nummer volledig was “eingegangen in die Struktur des KZ.” Het structuralisme zoals dat door Michel Foucault in diens door velen met enthousiasme gelezen boek Les mots et les choses werd beleden, is in Améry’s ogen een vorm van ontindividualisering die hij zelf aan den lijve ervaren had. Foucault — die een pagina later in Unmeisterliche Wanderjahre al heel wat minder mild wordt aangeduid als “der unangenehme Monsieur Foucault (Kahlkopf, scharfe Brille, scharfe Züge, unscharfe, aber verbal tödlich zugeschärfte Gedanken)” — wordt daarmee, niet in de laatste plaats door de aanhang die hij verwierf, “der gefährlichste GegenAufklärer, der seit den Tagen der lumières die Bühne des französischen Geistes verdunkelt und in abgründige Wirrnis gestürtzt hat,” zoals hij het formuleerde in een artikel in Die Zeit uit 1978.

    Het scheelt maar weinig of Foucault wordt hier als een voorstander van de holocaust afgeschilderd, al scheelt het dan nog net genoeg. Want in eerste instantie gaat het Améry om iets anders: om de noodzakelijke verbinding van gedachte en ervaring. Het is heel goed mogelijk dat de mens uiteindelijk niets anders is dan ideologie, zoals de structuralisten beweerden, dat hij inderdaad “teils ein Klassenvorrecht, zum anderen Teil eine aus Extrapolationen eben dieses Klassenvorrechts gewonnene Utopie” is, maar, zo stelt hij, zo heeft hij de mens nooit ervaren. “Er ist mir kein antikes Standbild, noch romantische Schwärmerei, noch expressionistischer Schrei. Er ist, der er ist. Ich begegne ihm täglich in den Straßen (...). Er hat einen Leib durch dessen Mittel er die Welt auf- und einnimmt. Sein Wohl, von dem er zu wenig hat, sein Wehe, das ihn sprachlos macht, sie sind da und dringen tiefer ein (...) als die Wörter und die Formen, les mots et les choses. Ich lande immer wieder an den Ufern der Banalität des Alltags, wo allein ich noch Wirklichkeit zu entdecken vermag.” Abstracties mogen een nog zo hoge vlucht nemen, ze moeten gebonden blijven aan de ervaring, verifieerbaar blijven. Juist op dat punt komt Améry tegen Foucault in het geweer. Foucault sprak de taal van een zich trots als ‘wetenschap’ afficherend denken, dat natuurlijk veel te voornaam was om zichzelf aan de werkelijkheid te toetsen, zo fulmineert Améry. “Es genügte ihr ‘wahr’ zu sein: da aber, was ‘wahr’ ist, nicht bestimmt werden konnte, es sei denn durch die tautologische Definition Tarskis: ‘Der Satz, der Schnee ist weiß, ist wahr, dann und nur dann, wenn der Schnee weiß ist,’ blieb von Wahrheit so wenig übrig wie von Wirklichkeit und Menschlichkeit.” Het leidt tot een “metaphernfrohe” en “lyrische Rede”. “Die Begriffe sind unzulänglich oder gar nich definiert. Funkelnde, flackernde Bilder, brüsk hingesetzte Behauptungen, von jeglicher empirischen Erdenschwere losgelöste Spekulationen werden auf herrische Weise heraufbeschworen und entwickelt, wo es ankäme auf logische Deduktionen und Hinweis auf empirische Wahrheitsprüfung,” schreef hij in het artikel in Die Zeit. “Michel Foucault hypnotisiert: er argumentiert nicht. Wer keine mediale Begabung hat und nicht so leicht einzuschläfern ist, steht hilflos vor den Toren seiner Philosophie; alle Einwände (...) werden zunichte. Der Autor und seine Adepten verwerfen sie als trivial...”

    Het gaat er hier niet om dat Améry per se vast wil houden aan het mensbeeld dat Foucault onderuitschoffelt - al is dat de eerste verdenking die op hem komt te rusten: dat hij filosofisch gesproken een reactionair is -, het gaat hem om de mens van vlees en bloed, om dat zo licht verwondbare wezen dat bij wijze van spreken in bescherming genomen moet worden tegen zijn eigen gedachten. (De inwijkeling, Amsterdam 2002, p. 178-180)


    dyn006_original_274_280_pjpeg_2535747_fd6a0f2d0bcf56c9323c0f7a1213f057


    Daarmee is de zaak natuurlijk niet afgedaan. De concentratiekampen worden vaak aangehaald als het beste bewijs voor het falen van juist het humanistisch wereldbeeld, en, zoals P. even terecht zei: dat deze neiging de zo kwetsbare mens tegen zijn eigen vermogen tot beestachtigheid te beschermen die mens tegelijkertijd wel heel erg versmalde tot enkel dat. 'Een mens is tot meer in staat', zei hij ongeveer, en daarmee doelde hij ook op het vermogen tot het goede. Ik ben wat dat betreft somberder gestemd. En misschien dat dat ook maakt dat je bij de geboorte van een kind in de eerste plaats begint in te zetten op een meer conservatieve houding: op bescherming en behoud.

    Dat ik die neiging al van meet af aan heb gehad (mijn kanttekeningen bij het postmodernisme — enfin, bij bepaalde, dominante opvattingen daarvan —, mijn verzet tegen de linkse didactiek toen ik in de jaren zeventig, tachtig aan de Nieuwe Lerarenopleiding studeerde, en zo langzamerhand ook mijn literatuuropvatting), doet niets af aan het feit dat de geboorte van mijn dochter een en ander voor mij als het ware nog eens extra heeft bevestigd. En dat het posthumanisme van iemand als P. voor mij in zekere zin altijd iets onvoorstelbaars heeft. Dat ik me geen voorstelling kan maken van iemand die zo denkt en tegelijkertijd de eventuele praktische consequenties van dergelijk denken voor zijn rekening zou kunnen of zelfs maar willen nemen. Dat het leidt of kan leiden tot een offerbereidheid waarin het eigen individu ten onder gaat, is nog tot daaraan toe; maar dat die offerbereidheid zich niet zelden uitstrekt tot ook anderen, maakt het voor mij zeer moeilijk om me er een voorstelling bij te maken.

    Mijn 'humanisme' — met de mensen die het woord gebruiken zoals christenen 'God' wil ik natuurlijk liever ook niet geassocieerd worden — mijn 'humanisme' is natuurlijk ingebed in een kapitalistische, consumentistische logica — liever: komt voort uit een Noord-West-Europese opvoeding, zoals de historisch-materialist in het Griekse restaurant tegenover mij terloops opmerkte. Dat spreek ik niet tegen. Maar soms vind ik dan weer de hele posthumanistische filosofie een vorm van luxe die alleen dankzij het kapitalisme van onze samenleving werkelijk zijn beslag kon krijgen — zeker als het gaat om de naoorlogse Franse helden van de geest. Wie zich materieel en geestelijk zozeer beschermd weet als wij, kan gemakkelijk 'gevaarlijk denken'.

    Daarmee is de kous niet af (gelukkig niet). De geboorte van een kind laat je ook kennismaken met de onomkeerbaarheid van het leven, met een absoluutheid en rücksichtslosigkeit waartegen we ons gewoonlijk beschermen — en kan in die zin ook de opmaat vormen voor een driestheid die zijn weerga niet kent. Geboorte is niet het tegendeel van sterven; het gaat in wezen om hetzelfde.

    Over conservatisme gesproken: inmiddels verscheen in De Leeswolf het stuk over Dalrymple waar ik al eerder aan refereerde:
    VERLANGEN NAAR DR JOHNSON
    Theodore Dalrymple, Profeten en charlatans. Hoe schrijvers ons de wereld laten zien. Samenstelling, inleiding en vertaling Jabik Veenbaas. 376 p. Nieuw Amsterdam Uitgevers, Amsterdam 2009.

    dyn008_original_240_375_jpeg_41804_35ee24799e6c56ca82c2edbf7a63575dEr is het afgelopen jaar in de pers en elders veel gepraat over engagement en literatuur. Daarbij lag de nadruk meestal op de tekortkomingen van de schrijvers. Hun boeken zouden niet maatschappelijk relevant zijn, of dan toch niet relevant genoeg. Ik heb het altijd een idioot verwijt gevonden. De maatschappelijke relevantie van boeken ligt in handen van hen die bepalen wat in een zekere tijd relevant mag heten en wat niet. Ik ken persoonlijk (en ook uit mijn eigen leespraktijk) bijna geen schrijvers die van mening zijn dat wat zij schrijven volstrekt irrelevant is voor anderen. Als ik kijk naar wat er zoal aan literatuur is verschenen de afgelopen decennia, valt mij iets anders op: dat de bereidheid om literatuur als op de samenleving betrokken te lezen voor het grootste deel afwezig is. Zelfs, of misschien moet ik zeggen: juist in de literatuurkritiek. Daar overheerst al geruime tijd de gedachte dat literatuur zijn relevantie voor de samenleving verloren heeft. Dat zou al het geschrijf erover tot ijdele prietpraat maken — iets wat de vertegenwoordigers van dit standpunt dan natuurlijk weer niet voor hun rekening willen nemen.

    Alleen al daarom zou je Theodore Dalrymple aan de borst willen prangen. Voor hem hebben "kunst, literatuur en ideeën diepgaande — en niet noodzakelijk gunstige — maatschappelijke consequenties", zo schrijft hij in Proleten en charlatans, een bundel essays die vertaler Jabik Veenbaas samenstelde uit onder andere Not with a Bang But a Whimper. The Politics and Culture of Decline (2008) en een aantal bijdragen aan het Amerikaanse maandblad voor literatuur en kunst- en cultuurkritiek The New Criterion. Het is niet onze gewoonte om literatuur langs bijvoorbeeld een morele maatstaf te leggen, maar Dalrymple doet het in deze verzameling essays voortdurend. Hij wil van literatuur iets leren, iets dat alleen de literatuur een mens kan bijbrengen. In een essay legt hij een filosofisch tractaat naast een toneelstuk om vervolgens te concluderen dat "filosofie (…) nooit de plaats (zal) kunnen innemen van de literatuur, die het vermogen heeft om niet alleen dingen te beweren, maar om af te dalen tot in de diepste vezels van ons wezen". Toegegeven, het gaat hier om een filosofisch tractaat van ene Owen Flanagan, dat wordt vergeleken met Le roi se meurt van Eugène Ionesco — en daarin schuilt alleen al op het eerste gezicht een bepaalde oneerlijkheid. Ik wed dat die Flanagan tegenover Konsalik nog een heel behoorlijk figuur had geslagen. Maar de bedoeling is duidelijk.

    Of het precies deze bedoeling is die heeft gemaakt dat men in intellectuele kringen Dalrymple heeft binnengehaald als een nieuwe messias, valt echter te betwijfelen. Dat lijkt toch meer te maken te hebben met wat Dalrymple zoal beweert, meer specifiek: met zijn kritiek op het reilen en zeilen van de huidige samenleving. En afgaande op die kritiek kun je dan bij Dalrymple vervolgens de vraag stellen of hij wel doet wat hij beweert te doen: literatuur lezen op haar maatschappelijke, en ook morele consequenties.

    Om met dat eerste te beginnen. Dat literatuur maatschappelijke consequenties heeft, realiseerde Dalrymple zich naar eigen zeggen voor het eerst toen hij Anthony Burgess' A Clockwork Orange las. Hij ziet in deze in 1962 verschenen roman een maatschappelijk-profetisch werk. Het boek liet zien wat er zou gebeuren als de uitwassen van de jeugdcultuur de dominante stroming in de samenleving zouden gaan vormen — iets wat nog geen decennium later inderdaad zou gebeuren en tot op de dag van vandaag het geval is. Voor de personages in de roman "zijn alle relaties met andere mensen middelen om een narcistisch, wreed, hedonistisch doel te bereiken" — precies de wereld waarin momenteel "mogelijk een derde van de Engelse bevolking verkeert", zo stelt hij. Het is een wereld, schrijft hij elders, "waarin van ieder intelligent mens verwacht werd, en waarin ieder intelligent mens van zichzelf ging verwachten, dat hij zijn eigen ziel moest vormen zonder zich te laten leiden door de wijsheid van zijn voorouders. Het gebruik moest voortaan niet worden verworpen omdat het verkeerd was (...) maar simpelweg omdat het een gebruik was, dat wil zeggen: een aanslag op de souvereiniteit van het individu over zichzelf, een soort majesteitsschennis van het ego". Het heeft geleid tot "een verhit individualisme zonder individualiteit, en massale geobsedeerdheid door het ik zonder oprecht zelfonderzoek".

    Deze laatste vaststellingen komen uit een essay over Kerouac, die op basis van zijn "tegenculturele roman" On the Road als "de heraut, zij het niet de grondlegger of de enige schepper" van deze mentaliteit wordt gezien. Waarom was Burgess een profeet en Kerouac slechts een heraut (al lijkt hij daarmee vooral 'charlatan' te bedoelen)? Profetisch was Burgess omdat de Engelse uitgave van A Clockwork Orange nog een hoofdstuk bevatte waarin de hoofdpersoon, Alex, min of meer uit eigen beweging van het zinloos geweld afziet dat voordien zijn leidraad was. Het is een hoofdstuk dat in de Amerikaanse uitgave ontbrak, zodat in die uitgave Alex, na eerst gedwongen behandeld en daarna weer hervallen te zijn in zijn oude, gewelddadige gewoontes, uiteindelijk de nietsontziende rotzak blijft die Kubrick van hem maakte in diens verfilming van het boek (een verfilming die op de Amerikaanse uitgave was gebaseerd). Het is het laatste, Engelse hoofdstuk dat Burgess voor Dalrymple verteerbaar maakt: de schrijver blijkt iemand die uiteindelijk aan de goede kant staat en die in dat laatste hoofdstuk zijn eigen morele standpunt verwoordde, in dit geval: zijn afschuw. Het is een beetje als Dostojewski die in Misdaad en straf van de volstrekte nihilist en moordenaar Raskolnikov in het laatste hoofdstuk een diepgelovige, berouwvolle christen maakt, iets waarmee het probleem waarvan Raskolnikov de verpersoonlijking was — het probleem van de moraliteit — naar mijn gevoelen toch weer werd kalltgestellt.

    Bij Kerouac ontbreekt in On the Road een dergelijke moralistische leidraad, zodat dat boek gemakkelijker kon worden wat het ook daadwerkelijk werd: een cultboek, een bijbel voor de aanhangers van de tegencultuur van de jaren zestig. Het impliciete verwijt dat Dalrymple Kerouac maakt, is eigenlijk dat de schrijver nergens boven zijn personages uitsteekt. De personages zijn niet "geïnteresseerd in dingen die buiten henzelf liggen, en zelfs in zichzelf alleen in de meest oppervlakkige, onbeduidende zin". Het leidt tot een boek vol banale, afgezaagde gedachten, semi-diepzinnigheden en leeghoofdigheid, een boek dat eerder een sociologische dan literaire betekenis heeft.

    De tegencultuur van de jaren zestig is daarmee het werkelijke onderwerp van Dalrymples kritiek geworden, en dat zal een rol spelen in zijn aantrekkelijkheid voor de inmiddels wanhopige intellectuelen die het emancipatiedenken, de bevrijdingsretoriek en het individualisme van de soixante-huitards al dan niet bewust steeds en tamelijk kritiekloos als leidraad hadden genomen. Hun vrijheidsdrang is uiteindelijk uitgelopen op weinig anders dan een allesverpletterende vrije markt en wordt duur betaald met hun volstrekte irrelevantie in het maatschappelijk debat. Bij een dergelijke wanhoop wordt iemand als Dalrymple al snel — nee, geen profeet, misschien een heraut, maar nog waarschijnlijker: een soort goeroe van wat door de dominantie van die vrijheidslievende tegencultuur vandaag de dag politiek incorrect heet te zijn.

    Want hij durft nogal, deze Theodore Dalrymple. Hij gaat tekeer tegen een aantal iconen van het modernisme als bijvoorbeeld Ezra Pound, wiens "verlangen om dichter te spelen (…) groter was dan zijn poëtisch talent". Harold Pinter legt het af tegen de zo goed als vergeten Terence Rattigan op grond van het feit dat Pinter op niets anders uit was dan "de wereld van betekenis te ontdoen". Hij vervolgt: "Het feit dat Rattigan plaats maakte voor Pinter als de dominante kracht in het Britse theater (…) vormde een uitdrukking van, onder meer, de volgende maatschappelijke trends: de verruwing van het gevoelsleven, de triomf van het irrationalisme, de scepsis jegens het vermogen van de menselijke geest om de ervaring te ordenen, het verlies van het geloof in het vermogen van de taal om betekenis te genereren, het geloof dat alleen machtsrelaties echt zijn en dat al het overige illusie is, het afglijden naar intellectuele oneerlijkheid en poseren, en de verdraagzaamheid jegens psychopathie".

    Met een dergelijke conclusie kan men twee kanten op: zeggen dat Dalrymple hier Pinter groot onrecht doet, of zeggen dat hij Pinter nu juist heel goed heeft begrepen. Zijn reactie op Pinters werk bestaat in feite uit precies het soort reflecties dat werk als dat van Pinter of andere meer moderne schrijvers oproept of zou moeten oproepen. De onmogelijkheid om te communiceren, de centrale positie van macht binnen relaties — het zijn voor mij uiterst problematische zaken die Pinter op een voor mij indringende, zelfs onontkoombare wijze aan de orde stelt, sterker dan wanneer een filosoof dat gedaan zou hebben. Dalrymple doet het voorkomen alsof Pinter een pleitbezorger is van een wereld zonder betekenis. Maar met deze zaken is het een beetje als met hordes enthousiaste existentialisten (als dat geen contradictio in terminis is) die ooit achter Sartre's vrijheidsbegrip aanholden, en vergaten dat Sartre zelf het consequent over een verschrikkelijke vrijheid had. Dalrymple verwart de meelopers met de auteur.

    Anders gezegd: bij Pinter en andere door Dalrymple verguisde moderne auteurs ligt de moraal niet in het werk, maar komt zij door het werk tot stand — in de lezer. Althans voor wie wérkelijk bereid is om literatuur op zijn morele en sociale consequenties te lezen en ook wérkelijk bereid is om van literatuur iets te leren wat de filosofie ons niet leren kan. De ironie is dat Dalrymple, ondanks de verzekering van het tegendeel, die bereidheid uiteindelijk niet heeft. We hebben hier te maken met een oer-conservatief die enkel tot de meest traditionele leeswijzen in staat is en literatuur alleen kan waarderen wanneer ze zijn vooroordelen bevestigt. Geen wonder dat hij steeds weer uitkomt bij Charles Dickens en, vooral, Dr (Samuel) Johnson (1709-1784), aan wie het laatste essay van de bundel is gewijd. "We zullen nooit meer iemand tegenkomen die alle menselijke broosheid en veerkracht in deze mate in zijn wezen omvat", zo heet het daar. Een staaltje idolatrie waarbij mij de tenen krom gaan staan.

    Het is niet dat Dalrymple geen punt heeft wanneer hij de tegencultuur uit de zestiger jaren op de korrel neemt — al schiet hij daarin dan weer ontoelaatbaar ver door. Hij schrikt er niet voor terug communisten, fascisten, islamitische fundamentalisten en, wat hij noemt, "derdewereldisten" op een lijn te zetten, zodat bij wijze van spreken het bestrijden van armoede in de wereld voor hem zoiets als de voorbode van genocide wordt. Alsof elke kritische kanttekening bij het reilen en zeilen van het ongebreidelde kapitalisme wel op terreur uit móét lopen. Er is zeker iets te zeggen voor zijn kritiek op het breken met de traditie omwille van het breken zelf (een jaren zestig-kwaaltje), maar de gedachte dat die breuk met de traditie mensen alléén maar van iets beroofd zou hebben, lijkt me veel te kort door de bocht. Hij is ook altijd drukdoende de slachtoffers te tellen van communisme en fascisme, maar wanneer iemand eens de slachtoffers van het kapitalisme en imperialisme telt, geeft hij niet thuis. Met zijn pleidooi om een halt toe te roepen aan de "ontremming" in de samenleving heb ik geen moeite; wél met de suggestie dat we terug moeten naar de tijd van Dr Johnson, toen alles nog koek en ei geweest zou zijn, wat in zijn geval soms ook betekent: toen we nog lekker 'onder elkaar' waren, niet gehinderd door de rauwe ongeschoolde meute die 's avonds de straten onveilig maakt wanneer we uit de opera komen.

    Zo beschouwd is Dalrymple's standpunt niet al te veel waard. Het is te gemakkelijk om hem af te schrijven als maar weer eens zo'n verstokte negentiende-eeuwer die niet meer met zijn tijd mee is, een vertegenwoordiger van de humanistische leescultuur die inmiddels mijlenver afstaat van de huidige realiteit. Paradoxaal genoeg leidt zijn aanpak ertoe dat literatuur inderdaad iets uit een inmiddels afgesloten verleden wordt. En als het gaat om zijn kritiek op de samenleving, is hij hoogstens een grumpy old man, uitgerangeerd door hen die na hem kwamen en vol ressentiment. Dat is een weinig vruchtbare insteek om weerwerk te bieden aan datgene wat hij zo vehement aanklaagt en dat zeer zeker een uiterst kritische benadering verdient. Maar toch niet deze.


    In: De Leeswolf 2010, jrg. 16, nr. 1, p. 45-47.

  • Pin it!

    De harde L van carnaval


    'Ik heb een zachte g, maar ook een harde l, en mocht je 't niet geloven, je zus die doet dat wel' — het blijft toch lastig, dat carnaval. De liedjes bestaan muzikaal gezien uit de werkelijk allerbanaalste hoempapa, en de teksten zijn van een dusdanig laag allooi dat alleen de voormalig Nederlandse Dichter des Vaderlands Driek van Wissen er misschien nog iets in ziet. Bovenstaand hoogstandje komt uit de koker van een copywriter van een reclamebureau en wordt vertolkt door ene Jos van Oss, die, zo meldt een site, met dit lied als zanger nu 'goed gelanceerd' zou zijn. Men vreest het ergste.

    foto_8443_jos-van-oss-is-tropical-danny-


    Carnaval en cultuur in hogere zin — het wil niet boteren. Het aardige van de carnavalskraker van Van Oss (een Nederlander) is dat het in dit lied ook een meer geografische uitwerking heeft gekregen: de Nederlandse Randstad dat zich tot centrum van de cultuur heeft verklaard tegenover de achterlijke boertjes uit het zuiden van het land (Noord-Brabant en Limburg). Carnaval is niets meer of minder dan de veruiterlijking van die achterlijkheid, en wordt 'boven de grote rivieren', zoals dat in Nederland heet, dan ook niet werkelijk gevierd. Laten we zeggen dat Van Oss tracht hier een 'spaak' in de wielen van de randstedelijke Hollander te steken: hij heeft dan wel zo'n achterlijke zachte g, maar hij heeft ook uw zuster gepakt, ziet u?

    Dat was natuurlijk waarvoor carnaval van meet af aan bedoeld was: een omkering van de gebruikelijke orde, een beregelde wanorde die voor bepaalde duur het volk de sleutel in handen gaf, als ze die maar weer netjes inleverde op Aswoensdag. Het is in die zin ook de negatie van wat we (hoog-)cultureel noemen. Cultuur bestaat bij de gratie van een zekere vormelijkheid, van het intomen en afremmen van het beestachtige dat mensen nu eenmaal in zich omdragen. Carnaval is een en al ontremming, in het besef dat de boog van de beschaving niet altijd gespannen kan staan. Men moet het volk een uitlaatklep geven, uiteraard met de bedoeling dat dat volk zich de rest van het jaar netjes gedraagt.

    Het verklaart waarom carnaval enkel in het katholieke deel van de lage landen werkelijk wordt gevierd. Beestachtigheid toestaan onder voorwaarden: dat is eeuwenlang de succesformule van het katholicisme geweest, van aflaat tot carnaval. Protestanten hebben daar natuurlijk niks mee op. Rechtlijnigheid troef. Des te problematischer wanneer een ooit streng protestants opgevoede auteur zich toch met carnaval gaat bezig houden.

    In 1930 verscheen Carnaval der burgers, een lang essay van Menno ter Braak (1902-1940). Het was een boek waarin de auteur hartstochtelijk op zoek ging naar de mogelijkheden van de ontgrenzing, van het loslaten van alle zekerheden om zo dichter bij het mysterie van het leven te komen, een mysterie dat door alle begrenzingen in het leven steeds buiten bereik blijft. Hij gebruikt daarvoor de begrippen 'burger' en 'dichter', waarbij die laatste staat voor de als bijna goddelijk-paradijselijk voorgestelde staat van totale ontgrenzing, en die eerste een haast duivelse neiging tot begrenzing vertegenwoordigt.

    Menno Ter Braak


    De zuivere dichter bestaat niet meer, zo zegt Ter Braak geheel volgens de leer van de zondeval die in de protestantse godsdienst zo'n belangrijke rol speelt. 'Burger' en 'dichter' lijken alleen even samen te vallen in de roes van het carnaval. Maar zelfs dat carnaval wordt verpest door het besef van Aswoensdag. Dat dat laatste alleen zo is voor iemand die zeer absoluut denkt en die niet om weet te gaan met de onvermijdelijkheid van het menselijk tekort, zag Ter Braak later ook wel in, al verloste dat hem niet werkelijk van zijn absolutisme.

    In essays die nog zouden volgen, vooral in Politicus zonder partij (1934), bleef hij worstelen met zijn verzet tegen begrenzing, dat van meet af aan ook was gedefinieerd als een tegenstelling tussen het verlangen van het individu en de eisen van de gemeenschap waarvan hij deel uitmaakt. In Politicus zonder partij is Ter Braak al heel wat speelser dan in zijn Carnaval, zodat het soms lijkt of hij zich toen had neergelegd bij de onmogelijkheid om ooit aan de definiërende kracht van de onderscheidingen te ontsnappen. Maar tegelijkertijd duikt op de achtergrond van dit boek nadrukkelijker dan voordien de figuur van Friedrich Nietzsche op.

    Dat krijg je dan: een protestant die zich in het carnaval stort, komt uiteindelijk uit bij de 'filosoof met de hamer', zoals Nietzsche wel wordt genoemd. De al te zachte g van zijn god wordt vervangen door de harde l in het woord 'nihilisme' en hij wil meteen alles vergruizelen. Omdat hij niet beseft dat het bij carnaval eigenlijk helemaal niet om verzet gaat, maar om overgave.

    In: De Standaard der Letteren, 12-2-2010

  • Pin it!

    Personnes


    Vooraf dient gezegd dat ik het niet bezocht, het Grand Palais in Parijs, maar toen ik gisteren in De Standaard las dat Christian Boltanski daar het kunstwerk met de titel Personnes — een installatie met een kraan en kleren die verspreid liggen over bijna 13.500 vierkante meter — vergeleek met de hel van Dante, werd ik toch weer wat onrustig. En helemaal toen ik las dat de kunstenaar meende dat het goed mogelijk was dat 'wat je hier ziet, (…) heel veel dode lichamen' waren. 'De één denkt misschien aan de Shoah, de ander aan de aardbeving in Haïti', zo voegde hij toe.

    Welja.

    Zou het ook toegestaan zijn om bij het zien van die massa over de vloer uitgespreid liggende kleren (ruim dertig ton, naar verluidt), aan zoiets als de solden, de uitverkoop, te denken? En bij die centraal opgestelde rode kraan die naar beneden komt, willekeurig enkele kledingstukken grijpt om ze vervolgens van zo'n dertig meter hoogte weer te laten vallen — mag je bij die kraan ook aan dolgedraaide huisvrouwen op koopjesjacht denken? Mag dit werk met andere woorden ook een aanklacht zijn tegen de consumptiemaatschappij? Of is die link met de Shoah en andere… eh… humanitaire rampen — is die link verplicht om aan deze verzameling lompen de kwalificatie van een kunstwerk te geven? Nog een associatie: gewoon een inkijkje in de opslagplaats van een lompenboer, een lompengaarder, -handelaar, -kramer? (Bestaat dat beroep nog?) Mag dat óók, of is men dan gewoon een lomperik?

    screenshot_78


    Ik herhaal dat ik er niet ben geweest, en voor installaties geldt wat voor veel andere kunst ook geldt: hoe monumentaler, hoe indrukwekkender. Al kan ik me in hetzelfde genre ook voorstellen dat men een piepkleine installatie maakt met wat babykleertjes op een houten snijplank, eventueel onder dezelfde titel: Personnes, wat zowel 'personen' als 'lichaam als 'iemand' als 'niemand' betekent. En dat men dan evenzeer onder de indruk is van dit beeld waarin geboorte en dood op een immers zo bijna tastbare wijze onder onze aandacht is gebracht. Babykleertjes! Snijplank!

    Ik kan er natuurlijk evenmin omheen dat een berg kleren (een berg brillen, een berg haren, een berg kunstgebitten — Boltanski heeft hier nog mogelijkheden te over) tegenwoordig onmiddellijk associaties oproept met de concentratiekampen van nazi-Duitsland, maar juist daarom is er met dit kunstwerk van Boltanski van alles mis. Hij maakt van wat al een icoon is een kunstwerk, een installatie dan ook nog, een vorm van kunst die het meestal moet hebben van het concept, van het idee. Meestal is het zo dat wie eenmaal het idee erachter heeft doorgrond, geen enkele behoefte voelt het kunstwerk nog een tweede of derde blik te gunnen. Het loopt leeg in een betekenis, die niet zelden de enige betekenis blijkt te zijn en die er in de meeste gevallen nogal dik bovenop ligt, en altijd iets met 'de actualiteit' van doen heeft (engagement gratis bijgeleverd). Installatiekunst is niet zelden kunst waarvan de beschrijving voldoet — al ken ik ook heus andere installaties, installaties die ik graag nog eens wil zien, die me niet meteen het gevoel geven dat ik ze heb 'opgelost'.

    In dit specifieke geval lijkt de oplossing al voor het kunstwerk te bestaan, en je kunt je afvragen of Boltanski's installatie niet het omgekeerde doet van wat het ons qua betekenis in het gezicht schreeuwt. Als er in het museum van Auschwitz en op andere plaatsen waar de holocaust wordt herdacht en gedocumenteerd al bergen kleren, koffers, brillen etcetera liggen, is zoiets herhalen in een 'museale context', zoals dat in het jargon heet, dan niet een vorm van esthetisering van de gruwel? Om ons daadwerkelijk iets te laten ervaren van de (dixit Améry) onmogelijk na te voelen verschrikking die de kampen volgens haperende getuigenissen van werkelijke slachtoffers geweest moet zijn, moet een kunstenaar ons niet nog eens confronteren met de reeds bestaande iconen en hun voorgeschreven betekenis, met wat in ons alleen nog een haast per decreet voorgeschreven verschrikking oplevert, een culturele vorm daarvan, zeg maar. De geschiedenis is hard. Uiteindelijk heeft ze een helende werking. Maar voor wie binnen die geschiedenis slachtoffer is, kan dat helende werk immoreel lijken, een ontoelaatbare reductie van het leed tot een verklaring, een analyse, of tot een paar beelden waarvan de werkelijke inhoud al snel aan slijtage onderhevig zal blijken te zijn. En moet de kunst niet juist de plek opzoeken waar de, in dit geval, absurde eis wordt gesteld dat de tijd wordt teruggedraaid en het leed ongedaan wordt gemaakt? Een kruisbeeld wordt per slot van rekening ook pas weer kunst wanneer het zo is gemaakt dat de pijn achter de codes tevoorschijn komt en ons persoonlijk raakt. Zo beschouwd zou iedere ware christen eigenlijk voor een verbod op crucifixen moeten zijn.

    Ik twijfel geen moment aan Boltanski's intenties, al vind ik de referentie aan zijn eigen biografie dan toch ook weer wat bedenkelijk. 'De Tweede Wereldoorlog vormde hem,' heet het in het artikel in De Standaard. Boltanski werd in 1944 geboren. Het is toch een beetje alsof ik zou zeggen dat de moord op Kennedy bepalend is geweest voor mijn levensloop. Enfin, als ik lang doorredeneer lukt het me ook nog wel om dát aan mezelf te verkopen (want u weet niet hoe dat is, hè, opgroeien in een wereld waarin ze zulke lieve, onberispelijke presidenten als Kennedy doodschieten). Maar ik twijfel niet aan zijn intenties: zijn installatie had de bedoeling om het menselijke lijden voor de toeschouwer niet alleen aanschouwelijk te maken maar vooral, gezien de monumentale omvang, ervaarbaar te maken. De schrijver van het artikel in De Standaard is in ieder geval onder de indruk — maar nogmaals: zou hij dat niet ook zijn geweest op de inzamelplaats voor tweedehands kledij van het Rode Kruis of iets dergelijks? Als er maar 'museum' aan de ingang had gestaan? Soms lijken vooral de musea zelf (en op zichzelf) materialisaties van Dante's hel te zijn.


    Hamburger Bahnhof, Berlijn 2007.


    Al behoor ik niet tot verstokte reactionairen die uit principe iets tegen 'moderne kunst' hebben, en wil ik er evenmin in al te generaliserende termen negatief over spreken — al valt dat dan soms niet mee. Ik heb net de afgelopen week wat zitten worstelen met Theodore Dalrymple, wiens Profeten en charlatans ik besprak voor De Leeswolf (verschijnt eind deze maand). Aanvankelijk dacht ik, min of meer aangestoken door diegenen in het literaire veld die Dalrymple naar voren schoven als een verfrissende tegenstem, dat ik hier veel van mijn gading zou vinden. Lezen om bevestigd te worden in je vooroordelen heeft, ondanks mijn adagium dat ik graag van mijn ankers getrokken word door wat ik lees, immers toch iets weldadigs. Maar ik moest vaststellen dat Dalrymple's redeneringen alleen afkomstig kunnen zijn van iemand die nog níét door het postmodernisme heen is gegaan. Zijn aanval op bijvoorbeeld de bevrijdings- en ontremmingsretoriek van de jaren zestig maakt duidelijk dat hij iemand is die de traditie om de traditie in stand wenst te houden, hoezeer zijn uiterst kritische (en niet zelden geestige) kanttekeningen bij de jarenzestigkwaal om te breken met de traditie enkel omwille van de breuk dan ook terecht zijn. Daarbij meent hij dat het morele oordeel van de auteur als het ware in het boek zelf geformuleerd dient te worden, in plaats van dat het iets is wat dóór het boek in de lezer tot stand komt — een al met al nogal betuttelende literatuuropvatting die hem dan ook regelmatig 'Dr Johnson' (1709-1784) doet aanprijzen als het beste wat de literatuur te bieden heeft. Ik bedoel: men hoeft in de beeldende kunst niet plotseling terug te gaan naar de kunst van voor… laten we zeggen Duchamp, ook al is men van mening dat Duchamps weg inmiddels allang is doodgelopen.

    Dalrymple


  • Pin it!

    De tijd van dromen…


    Sommige zaken worden om de zoveel tijd opnieuw uitgevonden. In De Standaard van afgelopen zaterdag (20-12) lees ik een artikel van Pieter Lesaffer over de erkenning van de Nationalistische Studentenvereniging (NSV) aan de Gentse universiteit, een extreemrechtse groepering die in 1982 haar erkenning verloor na een uit de hand gelopen veldslag tussen linkse en rechtse studenten (bekend als 'the battle of the bottles'). De NSV (niet te verwarren met de Nederlandse Schildpadden Vereniging, Navigators Studenten Vereniging of de Nederlandse Sauna Vereniging), is nu door acht van de in het totaal vijftien studentenverenigingen in het Gentse die daarover gaan, officieel gerehabiliteerd. Dat wil zeggen dat ook de NSV weer aanspraak kan maken op subsidies en gratis gebruik mag maken van de lokalen van de universiteit. 'Die beslissing,' aldus Lesaffer, 'legt enkele trends bloot'.

    ResizedImage9696-9ResizedImage9695-8ResizedImage9696-1ResizedImage9696-2ResizedImage9696-7ResizedImage9696-11


    Wat volgt is een poging om die beslissing symbolisch te maken voor een meer algemene omslag in het denken van studenten. 'De tijd van dromers is voorbij', zo luidt de kop boven het artikel. Alsof wat daarmee wordt bedoeld niet allang voorbij is. Het is al minstens sinds de jaren negentig dat de tijd voor 'dromers' voorbij zou zijn. Toegegeven: dat is in Vlaanderen misschien minder evident dan daarbuiten — ondanks Couplands Generation X (1991 in vertaling verschenen), dat toch in Vlaanderen ook is gelezen en ook hier niet zonder weerklank bleef. Sinds de eerste Zwarte Zondag in 1991 was er op zijn minst de schijn van politiek engagement, niet in de laatste plaats onder studenten. Maar de vraag is of dat engagement meer betrof dan dat ene issue: het Vlaams Blok zelf. Het lijkt niet erg waarschijnlijk dat het protest tegen extreemrechts voortkwam uit een duidelijk ideologisch gemotiveerde afkeer, toch niet bij het overgrote deel van de zichzelf 'fatsoenlijk' noemende burgers en politici voor wie het cordon sanitaire zoiets werd als het vochtige toiletdoekje dat de bruine remsporen wel zou wegwassen uit de democratische onderbroek. Je kunt je zelfs afvragen of dat cordon voor het merendeel van haar supporters niet al een atavisme was: de herinnering aan een vorm van fatsoenlijkheid die ook in de reguliere, apolitiek geworden politiek allang niet meer voorhanden was — de Dutroux-affaire was toen al heel nabij.

    200px-GenerationX


    Op zich zegt het al veel dat diegenen die protesteerden tegen extreemrechts als 'dromers' worden aangeduid. Men moet er niet te veel in lezen, natuurlijk. Maar op zich gaat het hier om een diskwalificatie van mensen die 'de werkelijkheid zoals ze nu eenmaal is' niet wensen te accepteren. Door hen 'dromers' te noemen, schaart men zich al op voorhand aan de zijde van hen 'die wel beter weten'. Ik weet dat, zeker als het om politiek gaat, cynisme de lastigste klip is om te omzeilen, en er is een moment waarop protest tegen de heersende orde 'wereldvreemd' begint te worden, maar dat is nog wat anders dan de huidige situatie, waarin elke kritische kanttekening bij de dominante ideologische vooronderstellingen al op voorhand als iets buiten de orde wordt gepercipieerd — dit vaak door dezelfde lieden die zich beroepen op hun 'fatsoen' en hun 'democratische inborst' als het gaat om de verdediging van het cordon.

    "Elke studentengeneratie heeft zo zijn etiket," schrijft Lesaffer in zijn stuk. "Enkele jaren geleden bedacht marketeer Fons Van Dyck, de directeur van het merkenadviesbureau THINK/BBDO, de huidige generatie met de term 'Nieuwe Pragmatici'". Bon. Nieuwe Pragmatici. Wie waren dan precies de oude? Zoals gezegd: het pragmatisme is al sinds begin jaren negentig het kenmerk van de generaties die toen tot wasdom kwamen — al gaat het hier om een generalisering, en ken ik juist uit die generatie mensen die toch op zijn minst de botsing tussen droom en daad tot inzet van hun dagelijkse praktijk maken — mensen die je nog kunt aanspreken op hun dromerigheid, om het zo eens te zeggen, iets waartegenover ze toch minimaal een slecht geweten hebben als ze het op grond van een zeker pragmatisme verraden.

    Ik bedoel dus eigenlijk: marketeer Fons van Dyck heeft helemaal niets bedacht, maar met een handigheidje een merk gemaakt van wat elders en al eerder — door sociologen die hun werk serieus namen en bijvoorbeeld nadachten over wat een generatie precies constitueert, welke methodologische haken en ogen er zitten aan de definitie van een generatie (ik denk aan Henk Becker, De toekomst van een verloren generatie (1997)) — met meer overleg en meer gezag was gedefinieerd. En daar niet met het oog op de manipuleerbaarheid van een 'Nieuwe Pragmaticus' binnen het groter geheel van een markt die zijn spullen kwijt moet. Het komt op mij bizar over dat Lesaffer bij een spullenboer te rade gaat om een politiek en sociologisch fenomeen te verklaren, en niet bij de mensen die zich daar met meer kennis van zaken en met een totaal andere agenda over hebben gebogen. Al zegt de 'pragmaticus' in mij (die ik afwisselend 'cynisch' en 'realistisch' noem) dat je van een journalist vandaag de dag natuurlijk niet meer kunt verwachten dat hij zich wérkelijk op de hoogte stelt. Lesaffer heeft, zelf pragmaticus, geprobeerd er nog iets van te maken, van die rehabilitatie van de NSV.

    Intussen is nu juist dat het werkelijke probleem: pragmatisme veronderstelt een min of meer afgeronde werkelijkheid waarbinnen het ook daadwerkelijk werkt. Wie pragmatisch is, zet per definitie de tering naar de nering en kan dus onmogelijk kritisch zijn (dan is hij onmiddellijk een 'dromer'). Over de aard van de werkelijkheid waarbinnen iets wel of niet 'werkt', en waarbinnen men zijn handelen precies dáárop afstemt, wordt niet langer nagedacht. Enfin, noem mij gerust een dromer, maar ik blijf zoiets zorgwekkend vinden. In die zin schuilt het gevaar voor de democratie niet in zoiets als de NSV — van oudsher kweekvijver voor het Vlaams Blok / Vlaams Belang — maar in de onverschilligheid waarmee die NSV zonder de minste kanttekeningen in genade wordt aangenomen door de meeste andere studentenverenigingen, die zich daarbij waarschijnlijk op hun democratische gezindheid beroepen. Maar democratie is een georganiseerde vorm van conflict. Op die grond kan men bedenkingen hebben bij het cordon sanitaire, maar nog meer bij de geruisloze acceptatie van de NSV als nog maar eens zomaar een studentenvereniging. Men verwacht op zijn minst een nieuwe battle of the bottles, al mag het dan deze keer zonder echte flessen zijn.

    Een voetnoot dan nog, meer precies: een kanttekening bij de opmerking dat men van een journalist vandaag de dag niet kan verwachten dat hij zich wérkelijk op de hoogte stelt. Dat behoeft enige nuancering vanuit het dagelijks functioneren van een krant enerzijds, en met het oog op nuanceringen van journalisten zelf anderzijds. Wat dat eerste betreft: maar weer een verwijzing naar Davies' Flat Earth News, die stelt dat het simpele feit dat kranten vandaag de dag door eigenaren en aandeelhouders in de eerste plaats worden gezien als een medium om geld te verdienen — en niet als een medium voor nieuwsvoorziening, laat staan als een belangrijke machtsfactor binnen een democratie —, maakt dat journalisten de tijd niet meer hebben en vooral: de tijd niet meer krijgen om hun verhalen te checken, om onderzoek te doen, om zelfs maar de betrokkenen bij een bepaald voorval persoonlijk te spreken. Men vertrouwt in toenemende mate op persbureaus die wérkelijk alles de ether in slingeren en die zich niet verplicht voelen om het waarheidsgehalte van een en ander te onderzoeken. Punt is dat redacteuren en journalisten door tijdsdruk (niet in de laatste plaats veroorzaakt door inkrimping van het personeel) de mogelijkheid niet meer hebben om dergelijk onderzoek te plegen. Dixit Davies, dus.

    kai-mook


    Juist aan dat boek refereert Walter Pauli vandaag in De Morgen in de serie H2009FDPUNTEN. Hij gaat in op de hausse rond 'Kai-Mook' — de babyolifant uit de Antwerpse Zoo, die met deze boreling op dezelfde wijze als de Berlijnse Zoo met de (inmiddels al al te zeer uit de kluiten gewassen) ijsbeerbaby Knut, heeft getracht om meer volk naar de dierentuin te krijgen — en met succes. "Als bij eender welk medium — weze het de redactie van een krant, een tijdschrift, een tv- of radiozender, en niet te vergeten een nieuwssite — lekker nieuws binnenloopt dat eruit ziet als 'an offer you can't refuse' dan kunnen/willen zij dat ook niet meer weigeren', schrijft hij. "En hoe onbenulliger, hoe onschuldiger, hoe vrijblijvender, samengevat: hoe minder problematisch, hoe sneller zo'n nieuwsje Nieuws wordt."

    Het is goed dat Pauli in dit stuk nog eens laat zien hoe ook in zijn eigen krant 'nieuws' tot stand komt. Hier wordt pragmatisme (de tering naar de nering zetten: zoveel personeelsleden, zoveel persberichten, zoveel tijd om zoveel stukjes tot krantenstuk te verwerken) vanzelf cynisme. Toch vraag ik me af of er tussen 'willen' en 'kunnen' hier niet toch nog een verschil ligt. Men hoeft divertissement niet uit de krant te weren, maar men kan, lijkt mij, een en ander toch steeds in het juiste perspectief blijven plaatsen. En daarbij oog houden voor een zekere redactionele lijn (gisterenavond zag ik op de BBC de komiek Russell Howard die ten aanzien van een zekere populaire Britse krant vaststelde dat het op de voorpagina het liefst met naam en toenaam en een goed gelijkende foto pedofielen aan de schandpaal nagelt, maar natuurlijk wel even verderop in de krant de dagelijkse blote dame heeft). Het lijkt me dat Pauli hier zelf een beetje gevangen zit in wat journalistiek vandaag de dag is.

    Misschien dat hij daarom ook een kanttekening maakt bij Davies. Die zou "de rol van de kijker, of structureler, de invloed van de maatschappelijke context op de media" onvoldoende aan bod hebben laten komen in zijn boek. En daarmee zitten we dan plots weer op de lijn van 'wat-het-publiek-nu-eenmaal-wil', en van een haast negentiende eeuwse opvatting van journalistiek als enkel verslaggeving van wat in de werkelijkheid nu eenmaal voorvalt. De keerzijde van de journalistieke controle op bijvoorbeeld het politieke reilen en zeilen in een democratische samenleving is altijd geweest dat het de werkelijkheidsvoorstelling van politici als, inderdaad, maar een voorstelling van de werkelijkheid blootlegde. Journalistiek in — van oorsprong — haar zoektocht naar de waarheid achter de fenomenen heeft op grotere schaal nog dan filosofie, literatuur of kunst dat konden doen, maar wel tegelijkertijd daarmee, laten zien hoezeer iedere waarheid een constructie is die bepaalde doelen dient. In die zin is journalistiek zelf een niet onbelangrijke factor geworden in de bepaling van wat we werkelijkheid noemen. Binnen die constellatie kun je niet aankomen met 'wat-het-publiek-wil'. Het enige wat dat publiek misschien nog wil is leven én sterven voor de camera, eten en neuken, Iemand worden op de plek die nog als enige Aanwezigheid garandeert: de door de media als werkelijkheid voorgestelde ruimte. Dat is een ruimte die men heeft te accepteren wil men het gevoel hebben te bestaan, maar het is tevens een ruimte waarvan men nooit het gevoel heeft dat men die mede heeft bepaald. Kai-Mook is geen nieuws omdat wij dat per se willen, maar omdat de krant en de tv dat beestje aan ons opdringen als nieuws. De hausse was er voor het beestje zelf; de geboorteretoriek die er bij hoorde, kauwde onze reactie al maanden voor. Men had bij die geboorte natuurlijk ook een soort Gaia-vragen kunnen stellen: of dieren in gevangenschap houden wel… eh… menselijk is, en wat we zo'n olifantje aandoen met onze instantvertedering en onze klikkende camera's. Of wat het betekent wanneer we alles zo vermarkten. Maar dat zijn vragen van niet-pragmatische dromers, natuurlijk, en dat zijn meestal vervelende mensen die nooit 's een keer écht genieten.

  • Pin it!

    Muren


    Gisterenavond in Gent geboeid geluisterd naar de lezing die Ger Groot hield in het kader van het studium generale van de Hogeschool Gent. Het was inmiddels de vierde lezing in een reeks over 'muren en andere vrijheden', en Groot had het deze avond over 'onzichtbare muren in de samenleving'.

    Hij begon op een voor mij herkenbare manier met een positiebepaling waarin hij zichzelf definieerde met behulp van de termen 'centrum' en 'periferie' — in zijn geval door zijn proletarische achtergrond te belichten en te plaatsen naast zijn huidige, meer verburgerlijkte bestaan als intellectueel. Hij voegde daar een geografische bepaling aan toe: Geuzenveld tegenover grachtengordel, Nederland tegenover Vlaanderen, of België (hij woont momenteel in Brussel, begreep ik). Herkenbaar was voor mij vooral de manier waarop hij 'centrum' en 'periferie' construeerde om voor zichzelf zo een positie te creëren die het hem mogelijk maakte om afstand te nemen van beide — voorwaarde voor elke meer kritische benadering van de werkelijkheid. Dat Ger Groot cultureel gesproken tot het centrum behoort — er verschijnt geen filosofisch boek meer zonder een inleiding van hem, zo merkte de vriend op met wie ik naar de lezing was gegaan —, het doet aan de legitimiteit van een dergelijke constructie niet zo heel veel af. Die centrumpositie, zo zou je zelfs kunnen zeggen, dankt hij misschien juist aan het zelfbeeld dat hij hier schetste, aan een dialectiek die hij voor zichzelf nodig heeft om te kunnen denken en schrijven zoals hij doet. In die zin klopte het ook dat ik hem tijdens zijn lezing achter de katheder voortdurend op zijn tenen zag staan — alsof de 'arbeidersjongen' die hij van huis uit is voortdurend moest optornen tegen het bastion van kennis en eruditie waarin hij desalniettemin al lang kind aan huis is.

    Misschien verklaart dat ook waarom hij in de discussie achteraf — bij afwezigheid van Stefan Hertmans gemodereerd door Frank Vande Veire, die met die rol (waarschijnlijk vanwege de te korte voorbereidingstijd) de nodige moeite had — af en toe wat kribbig leek te reageren op vragen uit de zaal die de zorgvuldig opgezette constructie van zijn identiteit als spreker leken te ondermijnen. Soms leek het wel of hij zich de geuite kritiek niet kon permitteren omdat hij anders niet meer 'zur Sprache' zou kunnen komen. Ook dat was herkenbaar voor me: ook mijn spreken hangt samen met — zo men wil — de fictie van een identiteit waarin in- en uitwijken een belangrijke rol spelen, waarin ik marge zoek om in het centrum te kunnen spreken. Als iemand me zegt dat ik in feite allang tot dat centrum behoor, of tot 'het middenveld' zoals het tegenwoordig ook wel heet, begin ik vanzelf te zoeken naar bewijzen voor het tegendeel (en die zijn natuurlijk altijd te vinden). Enfin, in feite is die meer marginale positie hetgeen iedereen zoekt die zich min of meer kritisch wil verhouden tot wat in een zekere tijd 'de werkelijkheid' wordt genoemd.

    Eén van de centrale stellingen in Groots lezing was dat de culturele en politieke elite in haar verlangen om alle muren tussen mensen en volkeren uit de weg te ruimen, een nieuwe muur had opgetrokken, dat de politieke correctheid van een zeker multiculturalisme tussen de correct denkende intellectuelen en politici enerzijds en de autochtone bewoners van volkswijken anderzijds een wig heeft gedreven die maakt dat extreem rechts weer een kans kreeg. Die tegenstelling zelf, zo stelde hij mijns inziens terecht, is al een gevolg van een klassenverschil dat door diezelfde elite jarenlang onder het tapijt geschoven is: klassenverschillen zouden binnen de Nederlandse samenleving niet meer hebben bestaan. Er volgde nog een prachtige tirade tegen Nederland: tegen de ontstellende zelfgenoegzaamheid van de Hollander die maar niet begrijpt waarom de rest van de wereld de dingen niet net zo doet als hij, die zichzelf als maatgever beschouwt en meent dat hij zich van de opvattingen en inzichten in de rest van de wereld eigenlijk niet op de hoogte hoeft te stellen — en dat vervolgens ook nauwelijks doet, ondanks zijn zelfverklaarde kosmopolitisme. Enfin, zaken die volstrekt voor de hand liggen voor iedereen die werkelijk ergens de grens overstak — ik bedoel: zonder een caravan volgestouwd met Hollandse etenswaren en zonder de heilige overtuiging dat diepkatholieke mannen en vrouwen op bijvoorbeeld Portugese stranden zichzelf maar eens moeten bevrijden van hun preutsheid en de blote borst der Hollandse vrouwen maar gewoonweg moeten verdragen. (Terzijde: prachtige passage in Theo Maassens programma Zonder pardon waarin hij heeft over het Nederlandse wapen en voorstelt dat de twee leeuwen vervangen zouden worden door kikkers — Nederland is een 'kikkerlandje' immers — en het 'Je maintiendrai' door een nieuwe wapenspreuk: 'Doe effe normaal man!')

    Wel enigszins grappig was om te merken hoe vervolgens Groot zelf nog een klein beetje blijk gaf van Hollandse verwatenheid door in zijn vergelijking tussen Vlaams Blok (Belang) en Fortuyn en Wilders te stellen dat Fortuyn in minder dan een jaar bewerkstelligde waar het Vlaams Blok meer dan twintig jaar over had gedaan: het op de politieke agenda plaatsen van de 'onderbuikgevoelens' van een bevolkingsgroep, een sociale klasse, die jarenlang door de culturele en politieke elites was genegeerd (terwijl het nu juist die klasse was die rechtstreeks te maken kreeg met de gevolgen van het multiculti-denken in hun eigen wijken). Daarmee leek hij even de verworteling van die partij in de Vlaamse Beweging te vergeten, die maakt dat de achtergrond van het Vlaams Belang toch een totaal andere is dan die van destijds LPF en nu PVV, en dat de 'shocktherapie' die Fortuyn voor de Nederlandse verwatenheid was, in Vlaanderen op die manier nooit zal werken. De vergelijking gaat mank. Hij maakte die overigens uit een behoefte om kritische kantekeningen te plaatsen bij het cordon sanitaire. Hij suggereerde dat dat cordon nu juist het voortbestaan van zoiets als het Vlaams Belang had gegarandeerd — en dat lijkt, terzijde, ook de opvatting te zijn van de 'onfatsoenlijke' krachten binnen het huidig VB, Dewinter en Annemans, die koste wat het kost lijken te willen voorkomen dat het VB 'salonfähig' wordt.

    Daarover stelde ik Groot nadien ook nog een vraag, want juist dat 'salonfähig' worden van meer extreme partijen, of die zich nu op oorspronkelijk links (SP in Nederland) of oorspronkelijk rechts (LPF, PVV in Nederland, VB in Vlaanderen) bevinden, leek hem een goede zaak. Ik dacht even aan de analyse van Žižek in verschillende boeken en pamfletten, maar met name aan die in Pleidooi voor intolerantie (1998), waarin hij het specifiek over de apolitiek geworden politiek heeft. Uitgangspunt van de huidige politiek is de complete ontideologisering, de 'politieke neutraliteit van de economie', zoals Žižek dat noemt, en juist extreem rechts, zo stelt hij, lijkt in dat opzicht nog de enige richting die aan wérkelijke politiek doet. In het verlengde daarvan vroeg ik of 'salonfähig' in dit geval niet zou betekenen dat die nu meer extreme partijen zouden toetreden tot dat ge-ontideologiseerde centrum, waardoor de tegenstem die door die partijen vertegenwoordigd wordt, alsnog wordt geneutraliseerd, niet in de laatste plaats in de ogen van hen die een dergelijke stem uitbrengen. Voor Groot telde echter dat de reële problemen van mensen in achterstandswijken gehoord zouden worden in politieke middens, en niet op voorhand als moreel verwerpelijk buiten elke politieke overweging gehouden worden. Dat lukt beter als ze in gematigde vorm ter sprake komen.

    Hier werd de discussie, en de hele kwestie zelf een beetje troebel. Zeker nadat Pieter De Buysser vanuit het publiek nog reageerde met de opmerking dat hij het niet eens was met Groots analyse en dat volgens hem nu juist de onderbuikgevoelens door de reguliere partijen allang op de agenda waren gezet, of liever: waren overgenomen. Hij zei het niet met zoveel woorden, maar de suggestie was dat — hoe begrijpelijk die gevoelens ook zijn bij juist de autochtonen die het meest direct met de instroom van allochtonen geconfronteerd worden — ze toch gewoon te allen tijde moeten worden afgewezen als domweg verkeerd. Ook op dit punt moet je de beschuldigende vinger wijzen naar die elites die zichzelf in cultureel opzicht van een heleboel zaken hebben bevrijd, maar daarmee ook hun gezag hebben prijsgegeven. Moedwillig prijsgegeven zelfs. Want als de elite iets niet wil zijn, is het elitair. Ze hebben zichzelf besmet verklaard. Met, zegt dan weer Theodore Dalrymple (wiens Profeten en charlatans ik ga bespreken voor De Leeswolf), desastreuze gevolgen voor juist de lagere klassen: de oproep om elke vorm van autoriteitsdenken, elke verbinding met de traditie los te laten, heeft vooral in die klassen voor sociale en humanitaire rampen gezorgd. Of Dalrymple niet een conservatisme belijdt dat weer al te simpel bokken en schapen van elkaar scheidt en cultuur op een al te ouderwets 'hoge' wijze invult, staat voor mij nog te bezien — maar ik vermoed het.

    En nu is het eigenlijk zaak dat lezingen als die op dit studium generale de weg vinden naar de kranten, want wat zou ik graag in een zaterdagbijlage zoiets als dat van Groot lezen in plaats van het gezever over ingegroeide teennagels van televisiepersoonlijkheden die het bij tijd en wijle best wel moeilijk hebben. Wat niet wegneemt dat ik juist gisterenavond naast een tv-personality zat, al is het er één van het type '15 minutes of fame': een jongen die ik sinds het door mij met meer dan gemiddelde belangstelling gevolgde programma 'De beste hobbykok van Vlaanderen' ken als Tim. Of hij zijn kookavonturen goed te boven was gekomen, vroeg ik. En dat ik van het VTM-programma meermalen honger had gekregen. Meer dan van zo'n lezing, meende hij. Nou, zei ik, van zo'n lezing krijg je een ander soort honger, wat hij beaamde.

  • Pin it!

    Dienstbaarheid


    Afgelopen vrijdag bij Perdu nóg eens iets gezegd over engagement. Inzet was eigenlijk Gorters Liedjes aan de geest der muziek der nieuwe menschheid, en een geëngageerde lezing daarvan. Die Liedjes behoren, samen met veel ander werk dat in één van de uitgaven van School der poëzie werd opgenomen, tot het socialistische deel van Gorters poëzie, een deel dat door de meeste poëzieliefhebbers het liefst uit dat oeuvre wordt weggelaten. Ook door mij trouwens, al viel het lezen van Liedjes dan toch bepaald weer mee. Niet het concept van die postuum uitgegeven, en in 1981 nog eens door Jacob Groot opnieuw uitgegeven versjes, waarin een socialisme figureert dat me qua beeldspraak nog veel te zwaar leunt op wat het toendertijd ongetwijfeld nodig had: het christendom. Ik stelde in mijn lezing dat ik niet precies wist of men op partijcongressen van de PVDA (of op die van de SP.a hier in Vlaanderen) vandaag de dag nog De Internationale in de vertaling van Henriëtte Roland Holst zong (het zou, in beide gevallen, een gotspe zijn overigens), maar als men het nog doet 'is dat zingen dan meer dan enkel atavisme, een gedachtenloos voor zich uit neuriën van woorden en zinsneden die geen enkele sociaal-democraat vandaag de dag nog op een andere manier serieus neemt dan als pure folklore?' zo vroeg ik me af. 'Ongeveer zoals de woorden van het Wilhelmus — toch uiterst bevreemdend voor wie er even goed naar luistert — samen met de melodie een zekere ontroering teweeg kunnen brengen?'

    Maar uiteindelijk ging mijn lezing minder over Gorter dan nog eens over engagement. Niet de eerste keer. Ook zeker niet de eerste keer in Perdu, zo zag ik bij thuiskomst. Joost Baars wees mij er op dat ik al eerder in Perdu iets over engagement had gezegd, en toen ik eenmaal weer thuis in mijn computer begon te zoeken, vond ik inderdaad een tekst uit februari 2005, één die ik samen met de avond zelf verdrongen moet hebben, zo begrijp ik wanneer ik mijn eigen verslag daarover nog eens teruglees. In die lezing stond niet heel veel anders dan wat ik afgelopen vrijdag beweerde — alweer in Perdu dus. Als er een verschil was, dan zat dat vooral in de toon. Alsof ik meer distantie heb gewonnen in die paar jaar tegenover het onderwerp zelf.

    Enfin, ook op verzoek van Baars (die vond dat zoiets eens in een krant geschreven moest worden — maar dat kunnen we rustig vergeten denk ik), plaats ik de tekst van de lezing van afgelopen vrijdag nog eens hier, minus datgene wat ik over Gorter te berde bracht, die vrijdag veel beter aan bod kwam in de voordrachten van Johan Sonnenschein — die onderzoek doet naar kenteringsmomenten in poëtische oeuvres en uiteraard ook Gorter behandelt — en Ernst van Hemel, die het vooral over Gorter en Badiou had.

    Inmiddels, alweer enige tijd terug, publiceerde Matthijs de Ridder in De Leeswolf, in een apart dossier over media, een pleidooi voor een koel afscheid van de dagbladkritiek. Men kan dat stuk natuurlijk lezen als een directe verwijzing naar het opstarten van zoiets als De Reaktor, en met een beetje kwade wil een oratio pro domo noemen. Met zijn analyse van de huidige toestand kan ik het moeiteloos eens zijn, maar de grote vraag blijft natuurlijk wel of je moet meewerken aan de excommunicatie van literatuur door je terug te trekken uit door 'een lifestyle-ideologie gedreven' massamedia die het oude humanistische literatuurideaal alleen nog gebruiken als 'negentiende eeuws schaamlapje', zoals Marc Kregting het dan ooit weer formuleerde. In diezelfde media hebben we bij monde van internetherauten vaak mogen lezen dat dat internet de toekomst is, een nieuw soort openbaarheid genereert — en het zou vreemd zijn om dat tegen te spreken —, maar voorlopig ligt het zwaartepunt nog steeds bij de traditionele media: bij kranten, bij de radio, bij de tv. Juist de toegankelijkheid van internet maakt dat de waarde van het daar vertoonde altijd nog serieus wordt betwijfeld — en helaas wemelt het er van de sites waarop verongelijktheid, ressentiment en ander minder fraaie zaken de overhand hebben, vooral wanneer het gaat om literatuur en kunst.

    Dat die traditionele media inmiddels wel de hete adem van het internet in hun nek voelen, mag blijken uit de toch wel heel erg felle reactie die Frank Hellemans publiceerde op Knack blogt, waar De Ridder hem op ongeveer dezelfde toonhoogte inmiddels ook van repliek diende. Ik ben het in zoverre met Hellemans eens dat 'we' — een niet onproblematisch woord — de gedrukte media niet meteen links moeten laten liggen (of rechts). Ik heb zoiets als De Reaktor nooit gezien als nog maar eens een reservaat, maar wel degelijk als een bijdrage aan een strijd — want zo moet je het toch zo langzamerhand wel noemen — om literatuur en literatuurkritiek en alles wat daar zoal mee samenhangt, binnen het geheel van onze cultuur overeind te houden. Ik hoop eigenlijk dat cultuurredacties van gedrukte media — die, zoals bekend, zwaar onder druk staan van hoofdredacties en die weer van directies en aandeelhouders om met wat ze brengen vooral geld te verdienen — in de daar geleverde kritiek een vorm van concurrentie zien met wat ze zelf brengen of enkel nog maar kunnen brengen. (Omgekeerd lijkt mij het grootste gevaar voor zoiets als De Reaktor dat ze zich te weinig journalistiek gaat opstellen).

    Dat laatste bedoel ik als al een afzwakking van wat je in de verwijtende sfeer over (laat ik me daar toe beperken) de literatuurkritiek uit de afgelopen twee, twee en een halve decennia kunt zeggen: dat er op grote schaal vaandelvlucht is gepleegd. Literatuurcritici die zelf alle vertrouwen in de werkzaamheid van literatuur opzeggen, moeten niet langer over literatuur schrijven. Dat veel schrijvers zelf het aloude deuntje van hun onafhankelijkheid, hun autonomie zijn blijven zingen op het moment dat die literatuur zelf allang onderdeel was geworden van de massacultuur die hen van harte die onafhankelijk gunde — bij wijze van speeltje, als louter amusement (de vrijheid van de schrijver is op geen enkele manier nog bedreigend voor de bestaande orde omdat ze zichzelf altijd heeft gedefinieerd als het volstrekt omgekeerde van welke dienstbaarheid dan ook maar) — dat veel schrijvers zelf aldus van harte hebben meegewerkt aan hun eigen irrelevantie nu, dient zeker ook vermeld. Het vrijheidsdiscours in de hoogculturele kringen heb ik altijd nogal gewantrouwd. Om nog eens terug te keren naar die lezing in Perdu uit 2005. Die begon zo:

    Laat ik het nu dan eindelijk maar eens toegeven - het moet er toch een keer van komen: ik heb altijd een grondig wantrouwen gevoeld jegens diegenen die de vrijheid, het vrije woord, de vrijheid van meningsuiting en andere aan vrijheid gekoppelde concepten boven alles meenden te moeten stellen. Nee, ik weet het: dat is bepaald niet gepast, zeker niet in deze, naar verluid, barre tijden, waarin het vrije woord een wrede dood gestorven zou zijn op een - uiteraard, waar anders? - een Amsterdams trottoir. Men dient, zeker als intellectueel, bij zoiets onmiddellijk pal te staan voor de vrijheid, misschien zelfs voor ‘the world of freedom’, zoals een hedendaags, groot wereldleider het te pas en vooral te onpas pleegt te formuleren. Zéker als intellectueel, omdat men als intellectueel zeker dient te zijn van de onomstotelijke waarheid en waarde van die vrijheid zelf. Maar ik ben wantrouwig, en altijd geweest ook.

    Vrijheid is in onze westerse samenleving zoiets als een theologisch beginsel geworden, en het is dat des te meer wanneer je de kring van kunst- en andere artiesten als representatief voor die samenleving beschouwt. Vrijheid gaat vandaag de dag als waarheid vooraf aan welke bevrijding dan ook maar; ze is er al, nog voordat er sprake is van dwang; ze ontgrenst, nog voordat duidelijk is waar er eventueel grenzen getrokken worden of zijn. Ze creëert met andere woorden haar eigen dwang: de dwang vrij te zijn.

    Ik zei al: de toon was toen nogal hoog. Maar waar het om gaat, is dat literatuur de gedachte dat ze onafhankelijk zou kunnen zijn van alles dringend moet laten varen als ze zichzelf als relevant voor de samenleving beschouwt. En datzelfde geldt ook voor de literatuurkritiek, die literatuur juist niet als een autonoom verschijnsel moet bespreken, maar als iets wat verantwoording schuldig is aan de rest van de samenleving. Voor mij wordt kritiek pas interessant als ik bijvoorbeeld zo'n stuk lees als dat van Frank Vande Veire destijds — in, ik dacht, het allerlaatste nummer van Nieuw Wereld Tijdschrift (dus dat zal al 2000 zijn geweest). Het ging over het werk van Herman Brusselmans, een en ander in het verlengde van de heisa rond Uitgeverij Guggenheimer destijds. Vande Veire redeneerde het wereldbeeld in de romans van Brusselmans eens door, en kwam toen uit bij allerlei bedenkelijke vooronderstellingen in diens oeuvre. Dat klonk toen tamelijk overtuigend allemaal, al ging het uiteraard niet om de… hoe noemen we dat tegenwoordig?… de diabolisering van Brusselmans; het ging er wel om dat werk uit de onverschilligheid los te weken waarbinnen het hoogstens amusant en weer-een-boekske-van-de-beroemde-schrijver-met-de-lange-haren was. Vande Veire brulde niet op voorhand mee met vooral Hollandse schrijvers die schande riepen over het verbod van de roman, en die dat alleen maar riepen op grond van de gedachte dat een schrijver altijd en overal alles moet mogen en moet kunnen zeggen. Hij liet zien wat er hier wérkelijk op het spel stond.

    UE 1981- met Nanne Tepper.1

    Engagement!
    Marc Reugebrink bedreigt Nanne Tepper in een toneelstuk van Lodewijk de Boer (1981)

  • Pin it!

    Betrouwbaar


    Inmiddels publiceerde De Reactor de recensie die ik schreef over Peter Terrins De bewaker. Vervolgens schrijft Elsbeth Etty in een column dat De reactor zijn inhoud vooral van NRC zou betrekken en zou doen aan 'gratis bevoorrading'. Hoelang kan een mevrouw in haar eigen navel roeren en blijven poseren als kritisch journaliste voordat iemand haar eens de wacht aanzegt, liefst uit haar eigen kringen? En zou zij niet, voor straf, de recensenten die tot nu toe hebben bijgedragen aan De Reactor uit eigen zak de honoraria moeten betalen die bij NRC gebruikelijk zijn? De verwatenheid in journalistieke kringen loopt soms toch echt wel de spuigaten uit.

    phpThumb_generated_thumbnailjpg


    In DS van dit weekend staat een groot interview met de hoofdredacteuren van de VRT, Liesbet Vrieleman, Kris Hoflack en Wim Willems — en wat me opvalt, is dat de cirkelredenering een van de meest geliefde stijlfiguren van deze dame en heren is. Voorbeeld: de interviewer (Steven De Foer) stelt enkele kritische vragen bij het feit dat het tv-journaal afgelopen maandag opende met de verdwijning van de kleuter Younes. 'Het blijft gaan om één kind', stelt De Foer. 'Erg, maar weinig relevant vergeleken met het wereldnieuws, zoals de start van het proces van de spilfiguur van de laatste grote oorlog in Europa.' Hij krijgt meteen lik op stuk, want het ging om een proces waar de verdachte niet kwam opdagen. 'Dus kozen wij voor het kind'.

    younes


    Het staat er niet letterlijk, maar eigenlijk bedoelt, in dit geval Wim Willems, dat een lege stoel minder aantrekkelijk is om te laten zien dan ontzette buurtbewoners, rondwadende politiemannen in duikerpakken en een langsscherende helikopter. Bijna pervers is de volgende redenering: 'We zijn allemaal een stuk gevoeliger geworden voor wat er gebeurt met kinderen sinds de affaire-Dutroux in 1996.' Daarmee wordt de aandacht voor de verdwijning van een kind onmiddellijk in de sfeer getrokken van kindermisbruik en andere horror — terwijl daarvoor vooralsnog geen aanleiding is. Ik weet niet of meneer Willems het doorheeft, maar dit is sensatiezucht verkopen als morele bekommernis. Zet dat eens af tegen een opmerking van net daarvoor: 'We zitten in een informatiemaatschappij. Alleen diegenen die betrouwbare informatie kunnen afleveren, zullen overleven.' Ik vind een hoofdredacteur die zo redeneert, weinig betrouwbaar.

    Maar mooier nog — en daarmee is de cirkel rond — is de toevoeging van Kris Hoflack nadat Willems de verdwijning van een kleuter als hoofditem van het journaal verdedigd heeft door de affaire Dutroux uit de kast te halen. Hoflack zegt: 'Die verdwijning is het nieuws waarover iedereen praat.' Ja maar… toch pas nádat het journaal die verdwijning tot het wereldnieuws van de dag had bevorderd? Of niet? Het doen voorkomen alsof die verdwijning het hoofditem is omdat iedereen erover praat, lijkt me, alweer, een perverse omkering van wat werkelijk het geval is. En dan: in het journaal hoorden we niets over Trescilla Mahieu (verdwenen op 4 september), Tiphaine Taton (verdwenen op 18 juni), Sylia Kasprowicz (verdwenen op 26 mei), noch lag het journaal dagen met de camera voor het huis van de verdwenen personen om aangeslagen of zelfs verdachte, danwel door voortdurende aandacht verdacht gemaakte personen in beeld te brengen.

    TrescillaTiphaineSylia


    Op dezelfde manier hoor je tv-mensen altijd praten over 'wat de mensen willen'. Ik denk daarbij altijd: wilden de mensen een iPod voordat die bestond? Nee, enkel nu ze er zijn, willen we graag zo'n MP3-speler hebben. Het geklets over de wensen van de kijker/luisteraar dient alleen maar om te maskeren dat er in plaats van een duidelijk ideologisch gemotiveerd programma eigenlijk alleen plat marktdenken ten grondslag ligt aan wat men bij de tv zoal doet. Dat is ook een ideologie, maar natuurlijk niet één die strookt met de bewering dat betrouwbaarheid hoog in het vaandel staat.

    De Foer brengt ook nog even de stiefmoederlijke behandeling van cultuur tersprake. En ja hoor, onmiddellijk is er daar weer de typische Auguste Reyerslaanverkramping: 'Kom zeg,' reageert Liesbet Vrieleman als gestoken, 'we brengen meer cultuur dan ooit. Breed, dat geef ik toe, K3 hoort daar ook bij, maar we werken dan ook voor een breed publiek.' Het punt is natuurlijk dat wanneer er gevraagd wordt naar het aandeel 'cultuur' juist níét K3 wordt bedoeld — dat is showbizz, en daarvoor dient De Rode Loper, een programma dat ik nooit zie omdat het me niet interesseert (ik hoop dat dat mag en dat het niet meteen elitair wordt bevonden). Er is geen reden K3 nog eens op te voeren in een journaal en het 'cultuur' te noemen.

    En ja, het is waar: Lieven Vandenhaute heeft een wekelijkse rubriek in Terzake, zoals Kris Hoflack in herinnering brengt. Maar veel meer dan op een Rode Loper-achtige manier over de bekendste figuren uit de wereld van kunst, theater en literatuur spreken, mag hij daar natuurlijk ook niet. Die man heeft meer in zijn mars, denk ik, maar is ook maar gebonden aan het format dat hem grotendeels verhindert om ooit eens werkelijk de diepte in te gaan. Daarvoor is men aan de Reyerslaan als de dood — waarbij de radio dan nog het nodige voorheeft op de tv. Het is de reden dat er maar geen fatsoenlijk boekenprogramma van de grond komt, en dat het enkele kunstprogramma dat er vertoond wordt vaak uit de stal van de BBC, of een enkele keer van de VPRO komt — programma's die dan natuurlijk wel steevast worden uitgezonden op het uur voor adult entertainment. De werkelijke porno van vandaag de dag is in de ogen van de netmanagers vooral de cultuur, zo lijkt het wel.

    Maar laat ik niet afdwalen (en afdalen) naar die discussie — die altijd even onverkwikkelijk is, en altijd eindigt in platitudes over 'elitisme' en 'populisme'. Zolang kennis van zaken verward wordt met elitisme is er geen hoop dat de discussie ooit eens op niveau komt. En zolang niet wordt erkend dat het 'werken voor breed publiek' niets anders is dan plat marktdenken dat zijn eigen ideologische vooronderstellingen probeert weg te moffelen achter een soort dienstbaarheid aan de bevolking, komen we met de hele zaak ook niet veel verder. Dat 'brede publiek' is in de ogen van hoofdredacteuren blijkbaar een amorfe klomp gelijkgestemde, gelijkaardige, gelijkbenige, gelijkgeknipte, gelijkgerichte runderen. Werkelijk, je zou bijna gaan veronderstellen dat instellingen als de VRT gebaat zijn bij een dictatoriaal regime dat de koppen eindelijk eens allemaal dezelfde kant op krijgt. Een breed publiek, dames en heren, is een uiterst gediversifieerd publiek — enfin, in wat zich een democratie noemt, althans.

    Hoe zei Davies dat ook alweer in Flat Earth News: iets over de morele plicht van de journalistiek om de waarheid weer te geven (nog iets anders dan betrouwbaar zijn, misschien?), en over de onmogelijkheid van objectiviteit. Iedere stiel kent zijn eigen spagaat…

  • Pin it!

    Bede


    Screenshot 75.2


    De boekenbeurs wordt wel 'de hoogmis van het boek' genoemd. Eh… nou… kijk eens… Nee, nee, weest u gerust, ik ga niet klagen. Mijn reserve bij een dergelijke omschrijving heeft louter en alleen te maken met mijn invulling van het woord 'boek'. Natuurlijk denk ik als literair schrijver daarbij aan het literaire boek. En hoewel ik alle lof heb voor wat boek.be in de marge van het supermarktgebeuren in de hallen tracht te verwezenlijken (lezingen, interviews, kwesties), een hoogmis voor het literaire boek is die beurs natuurlijk niet. U moet er eens op letten: die rijen literaire auteurs achter hun tafeltjes, met elk een eigen lampje en — nee, niet torenhoge stapels eigen werk (dat is aan literaire kant toch eerder een uitzondering), maar een boekske of tien netjes op een stapel. Ze zitten er met de pen in de aanslag. Ze zijn tot veel bereid, tot veel meer dan de BV's even verderop. En ook tot meer dan de misdaadschrijvers recht tegenover, die wél al drukdoende zijn handtekeningen te zetten.

    Zelf wil ik na uren werkeloos toekijken nog wel eens opzettelijk een boekje over de rand van mijn tafeltje duwen, pardoes voor de voeten van een argeloze bezoeker. Die is zo kwaad niet of hij raapt het boek op. Op het moment dat hij het me aanreikt, vraag ik: 'Ah? U wilt een handtekening?' Wat zich daarna afspeelt, is hartverscheurend. De bezoeker wil niet. Maar hij is en blijft een Vlaming, wat betekent dat hij spartelt als een duivel in een wijwatervat. Al is het katholieke schuldgevoel dan weer niet zó sterk ontwikkelt, dat het ook werkelijk lukt op die manier een boek te verkopen. Dat lukte mij maar één keer, waarna ik vervolgens zelf worstelde met mijn eigen schuldgevoel. Daar komt iemand voor deel 88 van SOS Piet en gaat naar huis met iets oneetbaar literairs…

    Meestal schuifelen de bezoekers ongeïnteresseerd voorbij. Of ze staan stil voor het tafeltje van een literair auteur, maar dan meer bij toeval: ze wachten in een rij op een handtekening en een smeulende blik van Goedele Liekens die achttien tafels verderop haar nieuwste in een omslag van penisleer gestoken vaginaboek signeert.

    Ik klaag niet, bezweer ik u. Ik vraag om uw mededogen.

    Al meer dan tien jaar geleden stelde een aantal wetenschappers vast dat literatuur niet langer kon gelden als het trotse middelpunt van onze hedendaagse cultuur — en dat was toen al een open deur. De gedachte dat die plaats is ingenomen door een andersoortige culturele uitingsvorm — film bijvoorbeeld — slaat de plank echter mis. Als het gaat om de vraag wat waarde heeft en wat niet, is tegenwoordig alleen nog de markt beslissend. Ook dat weet iedereen.

    Literatuur maakt deel uit van de massacultuur en is afhankelijk geworden van de aandacht die de massamedia eraan wensen toe te kennen, en van de economische normen die de massamarkt stelt. Een andere somberaar (Laurens Vancrevel, ooit literair uitgever) stelde al meer dan twintig jaar geleden dat het volgens hem onvermijdelijk was dat die afhankelijkheid van massamedia en massamarkt uiteindelijk ook de literaire ontwikkeling zelf zou gaan beïnvloeden. En enigszins provocerend stelde hij: "Als de 'consumptieve' literatuur de hoofdstroom wordt van het literaire klimaat van de toekomst, zal het niet minder dan een breuk betekenen in de literaire ontwikkeling vanaf de romantiek, die te vergelijken is met wat er in de Russische literatuur gebeurde toen het zogenaamde socialistische realisme werd voorgeschreven".

    Dat laatste is natuurlijk tegen het zere been van de zich vrij wanende neoliberaal: de gedachte dat de markt dictatoriale trekjes vertoont, geen vrije keuze impliceert, maar dwang uitoefent. Toch is het precies dat wat een literair auteur die zich aan dat consumptieve niet zonder meer wil of kan overleveren, achter dat tafeltje op de boekenbeurs ervaart. Hij voelt dat zijn werk niet op zijn merites wordt beoordeeld, maar eenzelfde soort product is als een kookboek of het boek van een BV en dat niet de inherente kwaliteit, maar het uiterlijk vertoon hier beslissend is. En hoezeer elke literaire auteur ook overtuigd is van de maatschappelijke relevantie van zijn literaire werk — gezeten achter zijn tafeltje en niet behorend tot de enkele literaire auteurs die om vaak ondoorgrondelijke redenen wél de aandacht van de massamedia op zich gericht weten, heeft hij het akelige gevoel dat hij van de samenleving zelf wordt uitgesloten. Iedere bezoeker die hem passeert, velt een vernietigend oordeel over wat de auteur zelf als de kern van zijn bestaan beschouwt.

    Daarom, als ik u bidden mag: mocht u de komende boekenbeurs langs wanhopig glimlachende auteurs komen, sta even bij hen stil. Blader geïnteresseerd in wat zij schreven. Ze schreven het wel degelijk voor u. Spreek met hen. En wie weet ontdekt ook u in het werk van een volslagen onbekende de schoonheid en de waarde die het vaak wel degelijk bevat.

    In: de Morgen, 30-10-2009

  • Pin it!

    Fenomenen


    9789044512021


    Inmiddels vroeg Trouw of ze mijn voorlaatste post op deze site mochten overnemen in hun Letter & Geest-bijlage, waarin die morgen, enigszins bijgevijld, inderdaad verschijnt; inmiddels woonde ik de vrolijke presentatie bij van Annelies Verbekes Vissen redden en las ik, aanvankelijk nog wat katerig, meteen de zondag daarna het boek: haar beste, zo laat zich gemakkelijk vaststellen; en inmiddels loste ik eindelijk een al lang uitstaande schuld in die ik nog had tegenover Met andere zinnen, die mij al maanden geleden vroeg om iets te schrijven over hoe men schrijver wordt — enfin, over hoe ik het uiteindelijk werd.

    Een roeping was het niet, zo moest ik nog eens vaststellen (men vergeet zoiets op den duur) — ik voelde me meer geroepen om het onderwijs in te gaan, al ging dat gepaard met het idealisme dat je vroeger waarschijnlijk (ik weet het niet) aantrof bij zendelingen en vandaag de dag misschien nog bij ontwikkelingswerkers: een haast al te romantisch aandoende bekommernis over het welbevinden van De Jeugd en De Wereld en van die dingen. Ik heb daar al eens flink de draak mee gestoken in Het grote uitstel, zij het toch ook daar met hetzelfde dubbele gevoel als waarmee ik het hier doe. Ik heb een goede vriend die in het onderwijs staat, in Rotterdam, op wat in Nederland een 'zwarte school' heet, en als iedereen (vooral beleidsmakers) ook maar de helft van zijn engagement zou hebben, stond het Nederlandse onderwijs er heel wat beter voor.

    Maar een 'schriftelijke natuur' heb ik wel altijd gehad, zo bleek mij een paar maanden geleden nog eens toen ik voor een interview en voordracht afreisde naar mijn geboortestreek en mensen mij vertelden dat ik 'altijd al schreef'. Maar toch zonder ambitie er ooit een carrière van te maken. Enfin, 'carrière'… Ik kom uit een generatie die sociologen wel de 'Lost Generation' hebben genoemd. Nu doen sociologen dat wel vaker, en ik geloof dat er in zowat elk decennium van de vorige eeuw wel zo'n verloren generatie wordt opgemerkt. Maar in dit geval houdt het onder andere verband met de economische crisis van 1973-1985, die maakte dat wij studeerden voor een werkeloosheidsuitkering. Een generatie van al op voorhand stukgelopen idealisme, als ik het dramatisch wil zeggen — waarvan er, vrees ik, in Nederland nu heel veel voor Wilders stemmen. No Future. Een generatie die graag met een beschuldigende vinger naar de mei '68-ers wees — voor een deel heus terecht — maar ondertussen ook niets heeft gedaan aan wat dan ook maar. Wij hadden gemakkelijk het milieu kunnen redden. Ik zeg maar iets. Het rapport van de Club van Rome was er al in 1973; 1970 was 'het jaar van de natuur', maar het enige wat ik daarvan zelf werkelijk heb overgehouden (ik was toen tien), is dat je geen snoeppapiertjes, sigarettenpeuken of andere zaken op de grond gooit, zodat ik soms honderden meters lang met een servetje in mijn hand loop alvorens het in een vuilnisbak te deponeren. Ik voel me daar nog steeds enorm Goed bij. En ja, ik wachtte tot mijn 27ste alvorens dan toch uiteindelijk maar mijn rijbewijs te halen, waarna ik onmiddellijk in onverantwoorde oude, vervuilende wrakken de weg op ging — terwijl ik mijn geweten nu sus met een lage CO2-uitstoot, maar weer geen roetfilter heb.

    'Carrière' was voor mijn generatie een vies woord. Ik heb de zichzelf uitventende schrijvers in mijn omgeving dan ook altijd verdacht gevonden, al maakte ik daarbij ook wel eens vergissingen. Het is me wel gebeurd dat ik de hype die rond een bepaalde schrijver ontstond vooral die schrijver zelf verweet. Ik heb bijvoorbeeld Anna Enquist ooit in De Groene Amsterdammer met grof geschut in de hoek gezet. De felheid waarmee ik dat deed, was heel wat minder geweest als ik me enkel had beperkt tot mijn mening over haar poëzie, die ik niet goed vond. Zoiets valt uit te leggen en te beargumenteren. Maar Enquist werd (door anderen) verheven tot exportproduct van de Nederlandse letteren — en dat was in mijn ogen volkomen onterecht als je keek naar wat er binnen die letteren verder nog aan poëzie verscheen. Ik maakte het nog niet zo bont als Bindervoet & Henkes destijds, die Enquists werk 'gehoest uit een kale kut' noemden, maar wat ik ervan maakte, was al bont genoeg. Ik ging van de poëzie over op de persoon van de dichteres.

    Wat dat aangaat was een stuk dat ik ooit schreef over Ronald Giphart meer terzake — en ik herinner me nog een ellenlange discussie met de chef cultuur van het dagblad waarvoor ik toen recensies schreef. Met dit stuk, zei hij, maakte ik mezelf als literatuurrecensent van een literatuurbijlage eigenlijk onmogelijk. Ik zag dat natuurlijk anders: ik had het over een 'radeloze literaire kritiek' en zag mijn eigen stuk als een bijdrage aan een discussie over de grondslagen van die literaire kritiek. Dat was misschien ook weer wat overdreven — enfin, afgemeten aan de lengte van dat betreffende stukje dan toch.

    Wel opmerkelijk trouwens dat de discussies die ik in die jaren regelmatig voerde met die 'chef kunst' überhaupt mogelijk waren — dat die man die discussies telkens weer met mij aanging: de botsing tussen journalistieke en meer literaire mores stond voortdurend op de agenda, bijvoorbeeld als er 'een nieuwe Reve' verscheen, 'een nieuwe Brouwers', 'een nieuwe Mulisch' of een nieuwe-wie-dan-ook-maar-op-voorhand-Belangwekkend-werd-geacht. Die moest ik dan natuurlijk onmiddellijk, liefst zo snel mogelijk (het raadsel van de haast in boekenbijlages), 'doen'. Het was 'een belangrijk boek'. Je bedoelt dat het een boek is van een bekende schrijver, zei ik dan, en emmerde wat door over het verschil tussen bekendheid en literair belang. Om vervolgens natuurlijk toch gewoon snel snel over dat boek te schrijven — want dat de journalistieke mores hier een en ander dicteerden was mij ook wel duidelijk. Er was ook geen verplichting het betreffende boek goed of belangrijk te vinden. Mijn vrijheid om te oordelen was niet in het geding, alleen mijn vrijheid om zelf te kiezen wat ik belangrijk genoeg vond om te beoordelen.

    vdi9789023441274


    Vandaag zie ik in De Standaard der Letteren Mark Cloostermans vanuit precies eenzelfde soort irritatie van leer trekken tegen Paul Baeten Gronda. Principieel is de volgende passage:

    Baeten (...) is de gênantste exponent van een kwalijk fenomeen. De laatste jaren zien we een een sterke toename van het element 'vriendjespolitiek' in het literaire landschap. Cultuurpausen zetten de vaste recensent buitenspel en toeteren dat x of y, geheel toevallig een medewerker van hun krant of bedrijf, een meesterwerk geschreven heeft. Dat getoeter klinkt dermate luid dat andere media het nieuws moeten overnemen, zodat x of y in de ginnegapshows op tv terechtkomt en zijn verkoop ziet stijgen. Zij krijgen bovendien het gezelschap van schrijvers die weinig literairs presteren, maar beschikken over een leuk snoetje (Naema Tahir) of een opinie die ons welgevallig is (Kader Abdollah en zijn 'de Profeet is een toffe gast'-show)

    Hier lijkt de irritatie over het reilen en zeilen van de mediagestuurde samenleving (ik hoor het Phara de Aguirre alweer wat verongelijkt vragen: 'oh, wij hebben het weer gedaan zeker?' — jazeker, mevrouw) de overhand te hebben gekregen over het literaire oordeel over de roman. Niet dat het ontbreekt: ik kan uit zijn stuk opmaken dat hij van mening is dat Baeten Gronda niet weet hoe je een roman opbouwt, en hij ergert zich ook duidelijk aan de misantropie van de personages. Nu las ik Baeten Gronda's nieuwste — Kentucky, mijn land — nog niet, en met wat Cloostermans over Nemen wij dan samen afscheid van de liefde schrijft in dit stuk ben ik het niet helemaal eens, al had ik bij het lezen van dat boek aanvankelijk zeer grote reserve's. Uiteindelijk vond ik het toch overtuigend.

    vdi9789023429920Maar nee, inderdaad niet het meesterwerk dat Yves Desmet er destijds van maakte in De Morgen. Het heeft ook bijna iets onrechtvaardigs om een debutant meteen op te zadelen met een meesterwerk. Als Nemen wij dan samen afscheid van de liefde iets was, dan was het een verdienstelijk, maar ook tamelijk voorspelbaar debuut van een nog jonge schrijver die voor zijn literaire ontwikkeling misschien meer gebaat was geweest bij wat rust in de tent dan bij de overvloedige media-aandacht die hem ten deel is gevallen. In De Laatste Show zit hij net een beetje te veel datgene te doen waartoe de media hem, en elke schrijver, altijd min of meer lijken te willen veroordelen: leuk zijn, dat is: vooral niet moeilijk doen (je mag op tv alleen serieus worden als je net een vliegtuigcrash hebt overleefd terwijl je goed op weg bent om te genezen van kanker nadat je eerst al je familie hebt verloren bij de aanslag op de Twin Towers en daar vervolgens een 'echt waar gebeurd'-boek over geschreven hebt). Maar of Baeten Gronda daarmee nu 'de gênanste exponent van een kwalijk fenomeen' wordt?

    Het is maar de vraag waar voor jezelf de grens van je eigen integriteit ligt. Er zijn auteurs die manmoedig het spreekwoordelijke zolderkamertje verkiezen boven welk schijnwerperlicht ook. Maar de tijd dat je nog kon rekenen op de goede bedoelingen van een literaire uitgever — die zelf toch altijd nog kwaliteit boven economisch succes prefereerde (zei hij), hoezeer hij ook zijn bestsellerauteurs nodig had (zei hij) om via een systeem van 'interne subsidiëring' met de winst het kwalitatief hoogstaande (beweerde hij), maar nu eenmaal slecht of slechter verkopende werk te betalen — die tijd lijkt toch al enige tijd voorbij. Het getuigt zelfs van grenzeloze naïviteit om van een uitgever enige poëticale coherentie te verwachten — en zelfs de, vaak kleine uitgeverijen die in hun fondsvorming wel iets dergelijks na lijken te streven (denk aan IJzer of Vantilt), wachten op verkoopssucces om hun eigen idealisme te financieren. Op een zolderkamertje gaan zitten, betekent meestal monddood gemaakt worden, of jezelf monddood maken.

    Dat betekent niet dat je je maar moet overgeven aan het society-gebeuren van de literatuur, dat in toenemende mate bepalend is voor wat we nog literatuur noemen. Baeten Gronda is in De Morgen gehypet, zoals ook Erwin Mortier het zonder de hype in diezelfde krant niet tot een van Vlaanderens belangrijkste schrijvers had gebracht — zeker niet meteen vanaf zijn debuut, dat, althans in mijn ogen, literair gesproken ook heel wat minder spectaculair was dan men het deed voorkomen. Maar anderzijds: we weten hoe het op dit moment met de literatuur is gesteld. Er is de waanzinnig hoge omloopsnelheid van boeken, er is het continue verwijt van elitisme van een al te mondige buitenwacht die warenkennis met arrogantie verwart, er is de definiërende kracht van de media, die vaak zonder rekenschap af te leggen bepaalt wat vandaag de dag relevant mag heten en wat niet. Men mag het schrijvers niet al te zeer kwalijk nemen dat ze de kans die hen geboden wordt, dan ook maar grijpen. Het is vaak de enige mogelijkheid op zichtbaarheid in wat tegenwoordig 'de boekenmarkt' heet, een markt waar literatuur al lang verdrongen is door boekjes van tv-persoonlijkheden die alle aandacht naar zich toezuigen — men neme de vorige en alle komende boekenbeurzen maar als voorbeeld. Als literair schrijver voelt men zich daar gewoonlijk slecht op zijn plaats.

    Het werkelijke probleem lijkt me dus te liggen in het feit dat literatuur aan de leiband van de media loopt, die zich op haar beurt voor het grootste deel heeft uitgeleverd aan de markt. Daar maken de boekenbijlages natuurlijk ook zelf deel van uit. 'Ik denk wel eens dat het tegenwoordig de voornaamste taak is van een boekenbijlage om mensen te waarschuwen voor aperte oplichters, aangeprezen door personaliteiten op sleutelposities die er geen belang bij hebben om te wijzen op het literaire falen van hun chouchous,' zo stelde Cloostermans ook nog in zijn stuk. Zeker weten doe ik het niet, maar ik vermoed dat Cloostermans met dat standpunt binnen De Standaard der Letteren toch tamelijk alleen staat, want uiteindelijk volgt ook DSL de actualiteit die elders wordt gedefinieerd en kan ze zich de heroïsche onafhankelijkheid die Cloostermans zich hier droomt, niet permitteren. Ik wijs alleen maar op het sterrensysteem in die bijlage. En ja, Cloostermans laat hier dan het 'literaire falen' van Baeten Gronda zien, maar voor wat betreft diens debuut ben ik het bijvoorbeeld al niet helemaal met hem eens. Ik vermoed toch dat hier zijn irritatie over de mannetjesmakerij in de letteren de bovenhand kreeg over een werkelijk afgewogen oordeel. Ik ken het gevoel.

    En Baeten Gronda? Hij is geen Giphart. Met die onzin in De Laatste Show zou hij beter ophouden. Het is erover. Hij is geen entertainer, al is hij dan evenmin een muurbloempje. Ik sprak hem enige tijd terug toen wij beiden in een programma van Behoud de Begeerte optraden. We hadden het toen even over die grote aandacht voor zijn boek. 'Geniet ervan', was het enige wat ik zei, en wat truttig: 'het blijft namelijk niet duren'.

  • Pin it!

    Feit en fictie


    Waarom staan er op de knip- en plaksites waar de boekhouders van de literatuur nieuwsberichten vergaren toch altijd van die onzinnige leugens? Dat men Chrétien Breukers niet geheel serieus kan nemen, is al langer duidelijk: de man loopt over van ressentiment en roept en tiert als hij maar weer eens compensatie zoekt voor wat me bijna niets anders lijkt te kúnnen zijn dan een minderwaardigheidscomplex dat hem al kwelt sinds minstens De Stoofsteeg en andere gedichten uit 1999. Als ik het me goed herinner, vond hij toen al alle andere dichters die wél bij de zogeheten 'grote uitgeverijen' verschenen uitermate verdacht. Nu was dat in Nijmegen niet ongewoon: zelfverklaarde tegenpool van het Amsterdamse establishment immers, met die altijd wat lastige erfenis van katholicisme en marxisme — enerzijds inderdaad een verademing (denk aan de richting die Parmentier in die jaren insloeg, en aan het literatuurfestival 'De wintertuin' in die jaren), anderzijds soms op het sektarische af. Maar bij Breukers voelde je de nijd van iemand die zelf besloten had dat wel niemand hem de moeite waard zou vinden. Dat leek me toen al wat overdreven, en De stoofsteeg mocht dan — met god weet welke voorgeschiedenis — (uiteindelijk?) niet bij een zogenaamd gerenommeerde uitgeverij verschenen zijn, het verscheen toch maar mooi bij Perdu, al sinds jaar en dag — laten we zeggen: de luis in de pels van de grachtengordel. Dat was bepaald geen schande, en de bundel zelf al evenmin.

    Ieder zijn aberratie, al kun je je toch wat vragen stellen bij Breukers' neiging om zijn klaarblijkelijk eigen tekortkomingen steeds maar te willen compenseren over de rug van anderen. En daarmee bedoel ik nu in eerste instantie die van mezelf. Breukers doet nu al een paar jaar pogingen om op zijn nieuwssite De contrabas mij zoveel als mogelijk te beschadigen. Ik weet niet precies waarom dat zo is. Het schijnt ook niet werkelijk te verhelpen te zijn. Misschien is het omdat ik een paar keer nul op rekest gaf toen hij na een aantal beledigingen aan mijn adres mij emails stuurde met het verzoek om op zijn site te reageren. Meestal antwoordde ik dat me dat de moeite niet waard leek, omdat het om ongecontroleerde, niet op discussie gerichte uithalen ging, van hemzelf of anderen. Misschien omdat hij moeite had met yang en daardoor niet alleen over het blad zelf continu de grootste onwaarheden verkondigde, maar ook de redacteuren persoonlijk meende te moeten viseren. Ik suggereerde hem ooit dat het misschien te maken had met het feit dat hij het blad niet las, en deed hem een abonnement aan de hand. Dat accepteerde hij (al betaalde hij nooit), maar het hielp niet echt tegen de suggestieve, niet op discussie maar op louter beschadigen gerichte uitbarstingen tegen het blad, tegen de redacteuren en tegen mij persoonlijk.

    Zo kon het dan gebeuren dat ik geassocieerd werd met stalinisme en ander fraais — kwalificaties die waarschijnlijk in zijn eigen ogen onverminderd bedoeld waren om 'discussie' uit te lokken, maar die zo totaal niets met mij, mijn rol als redactielid binnen yang, of met dat blad zelf te maken hadden, dat erop reageren tamelijk zinloos was. Ze zijn alleen maar bedenkelijk. Gisteren, al begon dat eerder en elders, mocht ik dan weer iets lezen over De Reactor, de recensiesite die binnenkort haar eerste aflevering zal presenteren:
    De Reactor: een politiek instrument, in handen van communicatiedeskundigen als Dirk van Bastelaere en cultuurbobo's in spe als Marc Reugebrink, bedoeld om de gelden van allerlei fondsen in de juiste portemonnee terecht te laten komen.
    Alweer zou ik hier vanwege het moedwillig snerende toontje nu kunnen zeggen: passons — niet de moeite waard om op in te gaan. Maar het is nu al minstens de tweede keer dat mijn naam in verband met De Reactor wordt genoemd (Dirk Leyman deed dat ook al eens, op zijn site en in De Morgen), en misschien moet ik daarom toch eens uitleggen hoe het wél zit.

    Het idee voor die recensiesite is al een aantal jaren geleden ontstaan, toen een uitgever tegen mij en nog en andere yang-redacteur zei dat het eigenlijk te betreuren was dat er op de yang-site niet een meer weblog-achtig deel was waar meer aandacht werd geschonken aan recent verschenen literatuur. Over die opmerking is vervolgens binnen de yang-redactie gesproken, en naar aanleiding daarvan is het idee voor een recensiesite ontstaan. Die site was van meet af aan bedoeld als een meer klassieke literatuurbijlage, maar dan één waarop je nog wél recensies van duizend woorden of zelfs meer kon vinden. Die site was van meet af aan zeker níét bedoeld als een verlengstuk van yang, dat immers zijn eigen review-rubriek had. Ook stond voor ons vast dat de recensies op die site betaald moesten worden en geschreven dienden te worden door een zo breed mogelijk scala aan recensenten, van wie er velen inmiddels ontevreden waren bij de diverse dag- en weekbladen waarvoor zij schreven — juist vanwege de druk van de commercie, de inkrimping van de ruimte en de onmogelijkheid om nog aan serieuze literaire kritiek te doen. (Het is wat dat aangaat opmerkelijk om vast te stellen dat recensenten vroeger bij een blad als De leeswolf begonnen om vervolgens door te stoten naar de dagbladkritiek, terwijl je nu bij dat blad ziet hoe allerlei recensenten uit de dag- en weekbladkritiek in De leeswolf beginnen te schrijven: een blad waar nog wél ruimte is en dat wat mij betreft hét papieren recensieblad van dit moment is, al heeft het te weinig bekendheid en verspreiding). Het is vanuit die overwegingen dat we besloten een groot aantal recensenten aan te schrijven om het plan voor te leggen. Dat gebeurde in 2007. Het merendeel reageerde positief.

    Daarna lag het project een tijdlang stil en werd pas medio 2008 weer opgepakt, maar niet door mij. Wel namens de redactie van, toen nog yang, en inmiddels ook namens die van DW B, Parmentier, de kringen rond Raster en die rond Nieuwzuid — alweer, zo zag ik in de correspondentie die wel mijn mailbox passeerde (als redactiesecretaris van yang kwam dat vanzelf ook bij mij terecht), met de uitdrukkelijke kanttekening dat de recensiesite niet een verlengstuk van een van deze tijdschriften zou zijn. Er is toen her en der vergaderd, maar hoe een en ander nu precies zijn hudige vorm heeft gekregen, hoe men tot de keuze van de huidige beheerder is gekomen, hoe de redactie van die site precies werkt, hoe het budget is samengesteld — ik heb geen idee. Ik was bij geen vergadering aanwezig, heb me met subsidieaanvragen niet bemoeid en heb me ook niet opgeworpen als woordvoerder of anderszins de indruk gewekt dat ik binnen De Reactor enige rol van betekenis speel. Wel ben ik bezig met een eerste stuk — een recensie over de nieuwe roman van Peter Terrin, mij gevraagd door Jeroen van Rooij.

    Hoe komt Breukers nu precies bij Van Bastelaere? Die heeft er nooit iets mee te maken gehad (zoals hij overigens ook nooit direct betrokken is geweest bij de fusie tussen Nieuwzuid en yang omdat hij als redactielid van dat eerste blad nog maar een heel geringe rol speelde — dit terzijde). Ik schreef net al dat dit een iets andere achtergrond had: Facebook in dit geval. Daar publiceerde Jan Haerynck een interview dat hij met Thomas Claus had (de zoon van…) en dat eerder in De Standaard stond. 'Thomas Claus heeft een uitgever voor zijn eerste boek. Romans zijn geen nieuws voor ze gepubliceerd worden, tenzij het de zoon van Hugo Claus is, die debuteert,' zo opende dat interview, en ik reageerde daar op met de opmerking dat hij nu net zoveel heisa moest gaan maken over schrijvers die geen beroemde vader hebben. In de gedachtewisseling die daarop volgde, liet ook Dirk van Bastelaere van zich horen, waarna Chrétien Breukers, ook op Facebook een man met een heel kort lontje, zijn gebruikelijke plasje kwam doen. Daar heetten Van Bastelaere en ik ineens 'de Goethe en Schiller, of Schiller en Goethe (of Waldorf en Statler) van de Vlaamse literatuur, nu ja, Literatuur, of eigenlijk: Literatur'. Ik neem aan dat Breukers met dat Duitse woord op de hem gebruikelijke subtiele wijze Van Bastelaere en mijzelf tot vertegenwoordigers van de Gestapo of erger wilde maken — ik begrijp anders niet goed wat hij met dat aldus gespelde woord bedoelt. In Vlaanderen spelt met 'literatuur' nog steeds met twee u's en zonder hoofdletter, maar misschien is dat in de Reaalstraat in Utrecht anders. Nog wat verderop in de discussie heetten Van Bastelaere en ik ineens populisten — wat me weer in tegenspraak lijkt met zijn eerdere, lang volgehouden karakterisering van mijn persoon als iemand die in het 'moeilijke', 'stalinistische' yang zat en als enige, maar dan ook beslist enige persoonlijk verantwoordelijk geacht moest worden voor de koers die dat blad voer.

    Ik zou nog wat verder terug kunnen gaan, en nog eens de hysterie rond Hotel New Flandres te binnen kunnen brengen, toen ik het waagde om toch te betwijfelen dat de keuze van de bloemlezers voor enkel de Vlaamse poëzie per se betekende dat ze lid waren geworden van het Vlaams Belang — iets wat toen door de schuimbekkende actoren onmiddellijk werd gelezen als een volledige instemming met (enkel) Van Bastelaere (de rest van de samenstellers deed er blijkbaar niet toe) en met het Vlaams nationalisme. Ook in die kwestie blies Breukers natuurlijk een partijtje mee. Zodat in zijn getroubleerde geest Van Bastelaere en ik twee handen op een buik zijn. Dat dat niet zo is, dat ik grote vraagtekens heb bij veel van Van Bastelaere's standpunten — ja, daarvoor moet je eerst weer eens goed lezen, recensies die ik schreef opzoeken, bijvoorbeeld, en toch ook minstens met iets op de proppen komen waaruit zou blijken dat er tussen ons innige banden bestaan.

    Enfin, dit alles enkel en alleen om wat feiten te plaatsen tegenover de kwaadwilligheid waarmee Breukers suggestieve berichten de wereld in stuurt, die niet alleen hem, maar ook een nieuwssite op het internet onwaardig zijn: leugens, beledigingen, zelfs smaad. Passons.

  • Pin it!

    Engagement op herhaling (bis) (en nog eens)


    Afgelopen weekend verscheen er in Trouw een stuk van publicist Rien Fraanje met de titel 'Weg uit Amsterdam'. Fraanje begint met een verwijzing naar zowel Vaessens' De revanche van de roman als naar het 'Manifest voor riskante literatuur' van Harmens en Pfeijffer om vervolgens nog maar weer eens de beschuldigende vinger te wijzen naar de schrijvers (en dichters) die in hun boeken te veel op zichzelf gericht zouden zijn. Dat weten we nu wel een keer. Maar nieuw is dat Fraanje het aanvult met een geografische verwijzing. Uit de romans die Fraanje als voorbeeld geeft, zou blijken dat 'de culturele elite zich veilig heeft verschanst in de binnenring van het vrijzinnige Amsterdam' om vervolgens te pleiten 'voor literatuur die zich in een andere stad afspeelt dan in de stad waarin ze is geschreven' en ook voor 'een moratorium van tien jaar op literatuur die zich afspeelt in Amsterdam'.

    Als zelfverklaarde 'provincialist' (als dat een woord is) zou me dit deugd moeten doen (zie 'De provinciale staat' in De Groene Amsterdammer, 3-3-1999; in bewerking ook opgenomen in De inwijkeling, p. 19-31). Ik heb zelf al vaak — te vaak naar de mening van hen die er wonen — de grachtengordel met zijn zelfverklaarde kosmopolitisme, zijn navelstaarderij, zijn particularisme en zijn, in feite, internationale isolement als het gaat om de ontwikkelingen die elders van belang worden geacht, ter discussie gesteld. Maar hoewel ik natuurlijk ook wel de raillerende ondertoon in Fraanje's artikel zie, ik heb dat nog nooit in verband gebracht met waar een roman zich zou afspelen. Ik geloof dat hetgeen we wereldliteratuur noemen haar kracht voor een niet gering deel juist ontleent aan het feit dat de auteurs dicht bij huis zijn gebleven. Márquez over New York wil ik niet per se lezen, en Auster over Colombia eigenlijk ook niet. Hugo Claus' Het verdriet van België heb ik al vaak streekliteratuur van de allerbovenste plank genoemd, en daarom in niets gelijkend op wat door de literaire goegemeente, en ook door mij met minder nobele bedoelingen 'streekliteratuur' wordt genoemd. Dat ik dat laatste boek tot de wereldliteratuur reken, heeft juist alles te maken met het streekgebonden karakter ervan — zoals dat dus voor Márquez, Auster, Joyce, Pavese, Flaubert — enfin, voor alle grote schrijvers ook geldt.

    Nu bedoelt Fraanje met Amsterdam nog wel net iets meer dan alleen maar de stad zelf: hij doelt wel degelijk op de daar heersende mentaliteit. Maar als ik dan zie wat zijn voornaamste bezwaren zijn, kan ik alleen maar concluderen dat ze uit precies die zelfde mentaliteit voortkomen. Ik heb hiervoor al eens gezegd dat het me iets te gemakkelijk is om de schrijvers verantwoordelijk te maken voor het feit dat niemand — ook niet binnen de culturele elite die nu zelf de klacht formuleert, en al helemaal niet binnen de literaire elite — bereid is om literatuur als sowieso maatschappelijk relevant te lezen. Engagement — bij Vaessens, bij Harmens en Pfeijffer, bij vrijwel iedereen die de afgelopen decennia heeft gevraagd om wat sinds de jaren tachtig bekend staat als 'meer straatrumoer in de literatuur' — engagement wordt steevast ingevuld op journalistieke wijze. Smokkel een allochtoon in uw proza en gij zult geprezen worden; besteed een alinea of wat aan de milieuproblematiek; heb het, kortom, over 'de' wereld, en wij zullen u bevorderen tot de rangen van hen die wérkelijk relevant en, niet te vergeten (mode- en ordewoord uit de grachtengordel) 'urgent' proza produceren. Dat 'de' wereld hier meestal de wereld is zoals die door de media wordt voorgesteld en dat die voorstelling alleen volgens journalisten zelf 'objectief' is (een woord dat trouwens weer een enorme opgang maakt), weten waarschijnlijk alleen diegenen die ook wel eens literatuur lezen.

    Het punt is dus veeleer dat de roep om meer engagement zoals ze nu opklinkt typisch een beslommering van de in zichzelf verzonken culturele elite is (zoals voorheen — en tegenwoordig hier en daar nog steeds — 'de vermenging van hoge en lage cultuur' naar voren werd geschoven als een ernstige relativering van het elitaire karakter van kunst in het algemeen — terwijl die vermenging in werkelijkheid een fetisj was en is van juist de hoogculturele elite en van enkel hen). Het is een elite die al geruime tijd met zichzelf geen blijf meer weet. Ze is zozeer het roer kwijt dat ze lijdt onder angst voor haar eigen elitisme en aan de lopende band pleidooien houdt voor precies het tegendeel van wat ze voorstaat. Ik ken geen grotere zelfdestructie dan die welke plaats heeft gevonden in de Nederlandse literatuurkritiek na de uitvinding van het zo vrolijk klinkende anything goes — de permissiviteit die zogezegd alle bloemen liet bloeien, behalve natuurlijk de distelachtigen die níét bereid waren om de ideologische dimensie van literatuur op te geven. Die permissiviteit betekende de facto het einde van de literatuurkritiek zoals we die tot dan toe kenden. If anything goes, nothing happens — en dat is gebleken. Als alles geoorloofd is, is kritiek overbodig en wordt elk desalniettemin nog uitgesproken kwaliteitsoordeel gratuit.

    In het langere stuk dat ik over Vaessens' boek maakte (in nY, jrg. 1, nr. 2, p. 300-312) heb ik al gesteld dat de roep om engagement — en het daaraan gekoppelde verwijt van het ontbreken daarvan bij 'onze hedendaagse schrijvers' — nogal ironisch is, omdat ze me bij uitstek 'literair' lijkt te zijn, in de zin van: op enkel het literaire veld gericht. Vaessens, en zeker Harmens en Pfeijffer, reageren met hun oproep geheel vanuit de literatuur — terwijl, zo schreef ik al eerder, volgens mij de oplossing eenvoudiger is: lees literatuur zoals ze door de meeste van 'onze hedendaagse schrijvers', ondanks de verwijten, wel degelijk wordt geschreven: als betrokken op de ons omringende werkelijkheid. Literaire discussies die er toe doen gaan niet over de vraag of gedichten toegankelijk danwel ontoegankelijk moeten zijn (óók Pfeijffer: heraut van moedwillig duister geschrijf ooit; nu scheepstoeter van gevaarlijke helderheid— enfin…), of er wel een voldoende aantal allochtonen in voorkomt, of de Twin Towers er wel in zijn ingestort. Literaire discussies die er toe doen gaan over de werkelijkheid zelf. Literatuur vernieuw je niet door na de toegankelijkheid de duisterheid op te voeren en daarna weer het licht en luchtige, en ook niet door een onderwerpskeuze die nu eens meer, dan weer minder op de politieke actualiteit is gericht zoals die wordt vastgesteld door de media voor wie de verkoopbaarheid van hun items een belangrijk criterium is, maar literatuur vernieuw je door een kijk op de werkelijkheid die anders is — anders dan die van de media, anders dan die van de wetenschap, anders dan die van de literatuur daarvoor, voor mijn part.

    Of we daarvoor 'weg uit Amsterdam' moeten, is niet zo'n heel erg interessante vraag. Een spreidingsbeleid voor uitgeverijen zou misschien zo gek nog niet zijn om de inteeltsfeer die er binnen de grachtengordel hangt eindelijk eens te doorbreken. En misschien moeten de boekenbijlagen in hun huidige vorm gewoon verdwijnen: ze versterken de indruk dat de literatuur een reservaat is dat met de rest van de in de krant besproken zaken niets of weinig te maken heeft. Maar het is allemaal van secundair belang.

    Wat in ieder geval niet moet is: roepen om engagement in de literatuur terwijl men tezelfdertijd weigert de literatuur die er is op een geëngageerde wijze te lezen. Men kan best bezwaar hebben tegen de binnenvettersmentaliteit van sommig Hollands proza, maar wie dat leest als uitdrukking van een visie op de werkelijkheid, maakt bezwaar tegen de werkelijkheidsopvattingen van de auteur — in bijvoorbeeld moreel, sociaal of nog een ander opzicht. Hij zegt niet dat de auteur het niet over 'de werkelijkheid' heeft; daar heeft hij het wel degelijk over. Die binnenvettersmentaliteit heeft misschien wel iets te maken met de onmacht van de politiek, die ons de huidige samenleving als iets noodlottigs voorspiegelt en zo van mensen nog uitsluitend consumensen maakt. Misschien gaat het hier om het solipsisme van de culturele elite zelf, die zichzelf en de wereld zozeer kapot heeft gerelativeerd dat er geen anders-zijn en geen werkelijke ander tegenover het eigen, alles opslorpende ik meer bestaat — en is zo'n binnenvettersboek daardoor juist heel actueel, laat het bijvoorbeeld het gevaarlijke vacuüm zien waarin nu juist populisten als Wilders gemakkelijk tot ontwikkeling komen. De avontuurlijkheid die zo node gemist wordt, is vaak ver te zoeken bij hen die haar zeggen te missen. De werkelijke binnenvetters worden zo degenen die het hardst roepen dat de anderen het zijn. Dat is in Amsterdam zo. En elders.

  • Pin it!

    Was will das Weib


    Feministen zijn 'vrouwonvriendelijke seksisten met een bemoeizuchtige inslag', zo hoorde ik gisterenavond ene Mieke Stellinga in het programma Pauw & Witteman zeggen (zie hieronder). Er moest maar eens afgerekend worden met de valse voorstelling van zaken die feministen al sinds de jaren zeventig van de wensen en verlangens van vrouwen geven. En dus schreef zij het boek De mythe van het glazen plafond. Vrouwen willen namelijk helemaal niet even vaak carrière maken als mannen, willen al evenmin even vaak als mannen de top bereiken, willen, kortom, 'in essentie' helemaal niet hetzelfde leven leiden als mannen, zoals feministen dus al decennialang zouden beweren. Het overheidsbeleid dat sinds de doorbraak van dat feminisme aan positieve discriminatie van vrouwen doet en quota voor vrouwen in de top van bedrijven of in overheidsinstellingen dwingend oplegt, zou dringend afgeschaft moeten worden. Stellinga spreekt van een 'aantasting van de vrijheid' van vrouwen om zelf de keuze te maken.

    Het feminisme is een 'ideologie,' zo stelt Stellinga, 'die vrouwen alleen maar volwaardig ziet als ze zich gedragen als mannen.' Daar kun je toch een paar vette vraagtekens bij zetten, lijkt me. Ik denk niet dat de doelstelling van het feminisme was om van vrouwen manwijven te maken; dat is veeleer de uitleg van de machistische man die destijds plotsklaps geconfronteerd werd met een wat minder gedwee huisvrouwtje. En natuurlijk zitten er in elke beweging die voor de rechten van dit of dat opkomt 'extremisten' — het dieet van sommige militante milieuactivisten lijkt me ook niet goed vol te houden, maar daarmee ben ik nog niet minder overtuigd van de noodzaak van milieubescherming. Zo waren er ook feministen met tuinbroek en behaarde benen. Maar om die nu tot vertegenwoordigster van alle feministische vrouwen te maken.

    Het is opmerkelijk dat Stellinga de interpretatie van de verongelijkte heer des huizes van destijds klakkeloos overneemt. Dat de meeste vrouwen deeltijds werken — en alleen daarom al niet in aanmerking komen voor een positie aan de top, zo stelt ze — lijkt me ook veel minder een vrije keuze dan Stellinga het doet voorkomen. Ze zouden liever willen 'moederen'. Met dat laatste wordt maar weer eens een beroep gedaan op het instinct waarover alleen vrouwen zouden beschikken, wat mij dan weer een grove discriminatie lijkt ten opzichte van de man. (Boven de hele discussie hangt steeds levensgroot de vraag: 'Was will das Weib' — en omdat Stellinga zelf zo'n 'Weib' is, krijgen haar argumenten als vanzelf een zekere overtuigingskracht). Het hele punt is natuurlijk dat dat 'moederen' binnen de huidige inrichting van onze samenleving nog steeds wordt gezien als een zwaktebod. Dat 'moederen' betekent: géén carrière. Dat is geen keus, maar een keurslijf.

    Daarom: als vrouwen de top niet bereiken, en als dat is omdat ze niet zo willen leven als mannen, moet je dan niet veeleer zeggen dat de emancipatie grotendeels is mislukt? Het grote drama van de afgedwongen gelijkheid is dat vrouwen sindsdien zwaarder belast worden dan mannen, en niet zelden klem zitten tussen de eisen van de samenleving — die trouwens ook op financiële gronden van vrouwen vraagt dat ze gaan werken — en de traditionele moederrol die hen evenzeer nog steeds wordt opgedrongen. Ik ken veel moderne vrouwen met een schuldgevoel jegens hun eigen kinderen — wat in veel gevallen gecompenseerd wordt met een toegeeflijkheid die de opvoeding dan weer niet ten goede komt. Ik ken ook moderne mannen met een schuldgevoel jegens hun in gebreke blijven op huishoudelijk en opvoedkundig vlak — wat in veel gevallen nog steeds gecompenseerd wordt met dat eeuwige bosje bloemen.

    Als er al sprake is van een gebrek aan vrijheid voor vrouwen, dan lijkt me die nog steeds het gevolg van de fundamentele ongelijkheid die nu juist door het feminisme werd aangeklaagd en die sindsdien eigenlijk alleen maar is vergroot. Als het feminisme zich nu ergens op zou moeten richten — en met haar ook de overheid die uit goede bedoelingen aan positieve discriminatie doet — dan is het op de emancipatie van de man. De bedoelingen van het feminisme waren immers niet om van vrouwen mannen te maken, zoals Stellinga tamelijk demagogisch stelt, maar om een andere inrichting van de samenleving te bewerkstelligen. Daar is Stellinga in ieder geval niet voor. Ze bepleit een status quo en in zekere zin zelfs regressie en verkoopt het onder de noemer van vrijheid. Het is de vrijheid vrouw te zijn in een mannenwereld en niet, zoals ze toch min of meer beweert: individu in een mensenwereld.


  • Pin it!

    Idealisme


    Wat een rust in de mailbox! Nu het secretariaat van nY zo goed als overgeheveld is naar een nieuwe, ongetwijfeld voortreffelijke, en naar te verwachten valt zelfs betere redactiesecretaris, ben ik ineens verlost van de dertig tot veertig mails die ik dagelijks kreeg. Niet zelden waren dat uitwisselingen tussen redactieleden, die ook niet zelden eenregelig waren, of uit een simpel 'ok' bestonden. Vaak waren het Re:re:re:re:re:-mails, waarvan de inhoud allang niet meer strookte met het onderwerp van de mail, zodat je later de grootste moeite had om die ene opmerking van dat ene redactielid nog terug te vinden. Onder het onderwerp 'Badiou' kon het zomaar over Benno Barnard gaan — en een dergelijke associatie maak je later natuurlijk nooit meer.

    yang.detail


    Werkelijk gemis is er nog niet. De redactie verliet ik al eerder juist omdat ik het gevoel had dat een nieuwe redactie niet gebaat was bij een oudgediende wiens eigen 'project' inmiddels niet meer gelijk liep met wat de nieuwe krachten binnen het tijdschrift wilden. Het leek me niet erg zinvol om dat eigen 'project' steeds maar te willen doordrukken. Ik heb mijn ding kunnen doen in yang, in de jaargangen vanaf 2000, al trad ik zelf pas met ingang van 2002 toe tot de redactie. De zaken die me nu nog steeds bezig houden, kwamen toen in vergaderingen aan de orde en leidden tot boeiende gesprekken en heuse confrontaties. Het mailverkeer bestond in die dagen uit soms ellenlange epistels met vlammende betogen waaraan hele middagen opgingen. (Dat is nu niet anders, maar aan die uitwisseling nam ik al geen deel meer)

    Een van de belangrijkste punten vond ik de discussies over de relevantie van literatuur. Ik zou ook kunnen zeggen: de engagementskwestie. 'Mimesis' heette dat een tijdlang — volstrekt helder voor de een, verbijsterend onduidelijk voor de ander. De gedachte dat literatuur per se 'de werkelijkheid' moest ontregelen, zoals je heel in het algemeen van de klassieke experimentele literatuur kunt zeggen, vond vrijwel iedereen binnen de redactie inmiddels achterhaald. Maar hoe de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid dan gedefinieerd moest worden, was een open vraag. Ik heb me altijd op het standpunt gesteld dat literatuur werkelijkheid produceert, maar ook die uitspraak is niet zonder haken en ogen, en verre van duidelijk. De vraag blijft wélke werkelijkheid, en je weet dat je met het antwoord 'literaire werkelijkheid' weer in het reservaat van de autonomiebelijders wordt geplaatst.

    Want hoe je literatuur weer iets van de glans terug kon geven die ze, althans in de beeldvorming, in vroegere tijden had, toen de maatschappelijke en culturele relevantie van literatuur zoveel groter was dan ze nu nog maar is — ook dat was een van de grote vragen die centraal stonden in de redactievergaderingen. Daarover werd soms bikkelhard gedebatteerd. En het grootste struikelblok daarbij was voor mij vaak de verhouding tussen journalistiek en literatuur. Geheel tegen al mijn overtuigingen in werd de relevantie van literatuur nogal eens afgemeten aan wat vanuit een journalistiek standpunt relevant bevonden wordt, waardoor je inderdaad (in mijn ogen) mislezingen krijgt als: 'Shalimar de Clown van Salman Rushdie is een aanklacht tegen het moslimextremisme'. Of: 'Safran Foers Extremely Loud and Incredibly Close gaat over 9/11' — wat allemaal veel te kort door de bocht is. De journalistiek reduceert literatuur tot wat ze zelf relevant vindt, en negeert literatuur als ze een dergelijke reductie niet kan maken. Daarmee blijft literatuur áls literatuur uiteindelijk irrelevant — in beide gevallen. Slachtoffer van de cirkelredenering waarmee de journalistiek zichzelf op gang houdt (iets is journalistiek interessant omdat de journalistiek het interessant vindt).

    Het leidt tot een gespletenheid bij een schrijver, die — enkele al te pragmatische auteurs daargelaten — natuurlijk nooit het gevoel heeft dat wat hij schrijft niet relevant zou zijn voor de wereld waarin hij leeft. Maar geheel tegen zijn eigen gevoel in, moet hij hopen dat zijn boek gereduceerd kan worden tot iets wat volgens de journalistiek op dat moment pas werkelijk relevant is. Dat is in het geval van Safran Foer (en van Rushdie ook trouwens) gemakkelijk genoeg, omdat zijn boek letterlijk ook over de aanslag op de Twin Towers gaat. Maar dat het boek dat doet op een literaire en juist niet op een journalistieke manier, blijft onderbelicht. Dat dat literaire maakt dat het boek slechts op één niveau over de Twin Towers gaat, maar op andere niveaus over nog heel andere zaken — het dreigt onder te sneeuwen en komt zelfs in de zich toch 'literair' noemende kritiek nauwelijks nog aan de orde.

    Juist vandaag schreef ik een eerste bijdrage voor de voortgezette reeks in De Standaard der Letteren. Die reeks is begonnen onder de vlag van 'de laatste held', en ik schreef over Arthur Ducroo en over Olga — maar nu heeft de redactie besloten dat men toch wil dat de stukken wat 'relevanter' en vooral 'actueler' zijn. Literatuur als lichtbeeld bij de (journalistieke) werkelijkheid, als demonstratiemateriaal bijna. Ik heb dus maar geprobeerd de dreigende sluiting van de Opelfabriek in Antwerpen te relateren aan Ilja Ehrenburgs Het leven der auto's (1929) — wat natuurlijk heel goed kan. Maar ik kon het niet laten om aan het eind, zij het dan toch weer niet ondubbelzinnig, de hoop uit te spreken dat bij een eventuele sluiting het boekje van Ehrenburg uitgedeeld zou worden aan de fabriekspoort, en dat het niet als beschrijving van de feitelijke werkelijkheid zou worden gelezen door de ontslagen arbeiders, maar als een oproep tot algehele opstand. Opstand tegen 'het systeem' dan ook nog. Men begrijpt mijn reserve. Maar in een land dat na een opera tot stand is gekomen, zou het toch mogelijk moeten zijn om na lezing van Ehrenburgs 'factie' brandschattend door Europa te trekken en alle autofabrieken in de as te leggen, te beginnen met die van Opel? In zo'n land zou toch eigenlijk per definitie de werkelijkheid de literatuur moeten volgen, in plaats van altijd maar andersom?

  • Pin it!

    De geschrapte godverdomse neger


    1521025830_d0d1467730_o


    Inmiddels werd de Engelse vertaling van mijn radioboek door Michael Blass uitgezonden, voorgelezen door David Swatling. In de aanloop naar de vertaling bleek dat het noodzakelijk was enkele namen te veranderen, alsook de titel van een en ander zo te verbuigen dat het paste binnen wat gezegd wilde zijn (er is bijvoorbeeld een verband met de mythe van Marsyas, waardoor de naam van een van de hoofdpersonen — Martin As — veranderd werd in Marc Suys). Ik was zeer tevreden over die vertaling, en na nog even geflirt te hebben met het idee om zelf ook de Engelse versie voor te lezen (men studeert niet voor niets viereneenhalf jaar Engels aan een lerarenopleiding, waar er veel aandacht werd geschonken aan vooral uitspraak), ben ik bij het horen van het resultaat dan toch blij dat ik dat aan een native speaker heb overgelaten.

    In hoeverre kent men zijn eigen teksten uit het hoofd? Niet. Maar wel valt onmiddellijk op wanneer er iets niet in de haak is. In de Nederlandse versie komt de volgende passage voor:

    ‘Ziet u?’ zei hij, ‘geen embouchure. Uw lippen zijn te dik.’
    ‘Onzin.’
    Er viel iets door ons heen, leek het.
    Achterin het orkest maakte Van Eupen een plotselinge beweging, waardoor de souzafoon die rond zijn lijf zat in botsing kwam met de tuba van Van Wieringen.
    Met een ruk draaide Somner zich om. Erik Kalekamp stond nog steeds naast het verhoog en keek Somner een kort ogenblik recht in de ogen.
    ‘Onzin’, zei hij weer, en sloeg zijn ogen neer.
    ‘Onzin?’ vroeg Somner dreigend.
    ‘Lippumdoemzrnuttoe’, mompelde Kalekamp.
    ‘Wát zegt u, meneer Kalekamp?’
    ‘Lippen doen er niet toe. Dik of dun bedoel ik. Doet er niet…’
    Hij slikte even.
    ‘Louis Armstrong heeft nog veel dikkere lippen dan hij daar’, zei hij.
    ‘Ah…’ zei Somner, ‘ach zo… Louis Armstrong.… Loe Wie Arm Strong. Dat is het dus. Hmhm. Louis Armstrong.’ Zijn stem werd luider. ‘Louis Armstrong? Louis Armstrong? Die Louis Armstrong van u hè, meneer Kalekamp, die Louis Armstrong, die is… dat is… Die Louis Armstrong is godverdomme een néger!’


    Een en ander is in het Engels keurig vertaald:

    ‘You see?’ he said. ‘No embouchure. Your lips are too thick.’
    ‘Nonsense.’
    Something seemed to have dropped into our midst.
    At the back of the band, Van Eupen made a sudden movement, so the sousaphone around his body knocked into Van Wieringen’s tuba.
    Somner turned round with a jerk. Erik Kalekamp was still standing next to the dais and for a brief moment he looked Somner straight in the eye.
    ‘Nonsense,’ he repeated, and cast his eyes downwards.
    ‘Nonsense?’ asked Somner threateningly.
    ‘Lipsgotnunnerdowit,’ mumbled Kalekamp.
    ‘I beg your pardon, Mr Kalekamp?’
    ‘Lips have got nothing to do with it. Thick or thin, I mean. Nothing to do with it.’
    He swallowed.
    ‘Louis Armstrong’s got much thicker lips than him,’ he said.
    ‘Ah…’ said Somner, ‘ah, right… Louis Armstrong… Loo Wee Arm Strong. That’s it then. Hmhm. Louis Armstrong.’ His voice grew louder. ‘Louis Armstrong? Louis Armstrong? That Louis Armstrong of yours, Mr Kalekamp, that Louis Armstrong, he’s… he’s… That Louis Armstrong is a bloody nigger!’


    Die laatste zin is natuurlijk, op zijn allerzachtst gezegd, politiek incorrect, en zorgt in de politiek correcte omgeving die literatuur gewoonlijk is voor een zeker schokeffect. Het verhaal gaat onder meer over de noodzaak van zuiverheid en harmonie, en dat wordt op dit punt dus doorgetrokken in het bedenkelijke. 'Wij zijn geen wilden', zo stond al eerder in de tekst toen de hier optredende Kalekamp aan Somner vroeg of er misschien niet een woodblock aan de slagwerksectie toegevoegd kon worden. Jazz wordt door Somner met jungle en een gebrek aan beschaving geassocieerd. Zuiverheid loopt niet zelden op racisme uit.

    Bon, so far so good. Maar bij het beluisteren van de Engelse versie hoorde ik onmiddellijk dat 'the bloody nigger' was verdwenen. Geschrapt, derhalve. Het zou hier dus de tijd en plaats zijn om hoog van de toren te blazen en uit te krijten dat er hier sprake is van 'censuur!' Dat zou ik zelf wat overdreven vinden. Er is hier sprake van een angstvallige politieke correctheid. Je kunt beargumenteren dat je de zin over 'godverdomme een néger' niet nodig hebt om het bedoelde punt te maken, dat het onnodig shockerend is — maar dat laatste geloof ik niet. Pas met die zin wordt het denken over harmonie zoals dat bij Somner en andere personages in het verhaal leeft, werkelijk in het domein getrokken waar het thuishoort — juist door het schokkende racistische karakter dat het streven naar harmonie daar aanneemt.

    Enfin, niets om me werkelijk druk over te maken, maar nog maar eens een teken dat we in een tijd leven die beheerst wordt door een alles verlammende angst. Het zijn de biepjes van de BBC, de sterretjes in het woord f***; het is de onmogelijkheid om in sommige, op het Engels geënte chatprogramma's het woord 'kunt' te gebruiken — allemaal kinderachtigheden die voorafgaan aan wat werkelijke censuur is.

    flaying_marsyas
    Titiaan, De veroordeling van Marsyas


  • Pin it!

    2666


    De vraag is waarin nu precies de verdienste van Bolaño's 2666 ligt. Het bijna 1100 pagina's tellende boek — het laatste dat Bolaño schreef voordat hij stierf, en geschreven in de wetenschap van zijn nakende dood — gaat al die 1100 pagina's lang nergens heen, al duurt het een paar honderd pagina's voordat je dat werkelijk in de gaten hebt. Die paar honderd bladzijden lees je met de verwachtingen van de gemiddelde lezer: dit gaat ergens naar toe, dit heeft een plot — nee, dit is een plot: vier wetenschappers die jagen op de schimmige figuur van een Duitse schrijver, tot in Mexico toe. Maar ze vinden hem niet. Vier wetenschappers die na het eerste deel ook vrijwel spoorloos uit het boek verdwijnen. Op zich een herhaling van een prominent motief in een ander boek van Bolaño, De wilde detectives, zo heb ik begrepen (ik las dat nog niet). Dat alleen al is voldoende reden om het boek na dat eerste deel terzijde te leggen: we worden als lezer in de luren gelegd, en dat ook nog eens op een voor iemand die met de avant-gardeliteratuur enigszins op de hoogte is, nogal voordehandliggende manier. Spelen met de 'verwachtingshorizon' van de lezer, zoals dat in receptie-esthetische termen heet; spelen met mijn voeten, zou ik willen zeggen. Vermoeidheid. Verveling.

    Bolano


    Misschien is dat de voornaamste verdienste van dit boek: dat dit spel met de verwachtingen van een lezer — die closure wil, een clou, een oplossing, iets van een Betekenis — uiteindelijk niet het belangrijkste blijkt te zijn van het boek als geheel. Immers, als dit het punt was dat de auteur wilde maken, dan deed hij dat al met zijn vorige boek, en was voor dit boek één deel meer dan voldoende geweest, misschien zelfs al te veel. Maar ik geloof niet dat Bolaño didactisch wilde zijn, zoals veel avant-gardeliteratuur dat dikwijls is. Hij wil ons niet per se inpeperen dat er in het leven niet werkelijk een leidend beginsel is of iets dergelijks, dat het leven geen (hogere) zin heeft, of andere meer puberale wijsheden. Hij zet een stap verder, lijkt het wel: hij laat zien hoe het verstoren van de verwachting die verwachting zelf niet aantast, en hoe onmogelijk, om niet te zeggen: hoe gruwelijk het leven wordt als we die verwachting zouden opgeven.

    Ik denk dat je gerust kunt stellen dat het vierde deel van de roman, dat 'Het deel van de misdaden' heet, in zekere zin het belangrijkste is — al is dat na bovenstaande een wat merkwaardige opmerking misschien (alsof er toch een leidend beginsel is dat een dergelijke hiërarchie zou rechtvaardigen). Het beslaat bijna 340 bladzijden en bestaat grotendeels uit een bijna protocolachtige opsomming van de moord op honderden vrouwen in en rond de Noord-Mexicaanse stad die in dit boek Santa Teresa heet, maar waarvoor Ciudad Juárez model gestaan zou hebben — een opsomming die hier en daar wordt onderbroken door beschrijvingen van het leven van enkele inspecteurs van politie, een politica en nog talloze andere personages (beschrijvingen die trouwens nog het meeste weg hebben van kleine monografietjes: Bolaño is een meester van de korte schets). Hoewel er gedurende de periode dat de moorden plaatsvinden zo af en toe wel iemand wordt gearresteerd, wordt er niet werkelijk een moordenaar (of een groep van moordenaars) gevonden die voor al die doden verantwoordelijk zou zijn. Het is een zinloze slachting, maar niet zinlozer dan het leven zelf — en daar schuilt voor mij het huiveringwekkende van dit boek.

    Opnieuw: dit laatste wordt nergens als de te begrijpen boodschap aan de lezer opgedrongen. Er is later in het boek ook nog sprake van de holocaust — iets wat Ger Groot in NRC tot de bijna verontwaardigde vraag bracht of Bolaño misschien een vergelijking wilde maken tussen de moorden in Ciudad Juárez en de Endlösung. 'Daarmee zou hij, alle verschrikkingen ten spijt, zijn hand danig overspelen', stelde Groot. Alleen als je de holocaust blijft vergoddelijken zoals wij dat in onze cultuur plegen te doen. Alleen als je dat gebeuren groter maakt dan elke andere verschrikking (wat Groot dan ook doet), groter dan de dood van die ene vrouw, dat ene meisje, dat anaal en vaginaal verkracht, met één afgebeten tepel of anderszins toegetakeld — waarbij niet zelden droogweg wordt opgemerkt dat het niet die verwondingen waren die de dood veroorzaakt hebben, zodat de mogelijkheid van marteling meer dan reëel wordt — gewurgd of doodgestoken wordt teruggevonden op een vuilnisbelt. Ik denk inderdaad dat in het boek de holocaust en de moorden in Mexico op dezelfde hoogte staan: die van het zinloos gebeuren van beide. En in zekere zin wordt door de moorden in Ciudad Juárez in dit boek de holocaust pas werkelijk wat hij was: een van alle snerpende boven- en ondertonen ontdane, volstrekt zinloze slachtpartij waarvoor binnen onze cultuur geen plaats is, waaraan binnen onze cultuur geen betekenis gegeven kán worden en die door de vergoddelijking van dat gebeuren eigenlijk eerder wordt goedgepraat, want van een betekenis wordt voorzien, dan wordt gezien als wat hij werkelijk geweest moet zijn: de niet te verklaren, volstrekt zinloze verschrikking zelf, de opheffing van onze cultuur zelf.

    Maar alweer: de vergelijking is van mij (of van Ger Groot), niet per se van Bolaño. Die doet in zijn boek wat iedere van hogere waarheden (zij het niet van het verlangen daarnaar) bevrijde mens dagelijks doet, iedereen die zich bewust is van zijn sterfelijkheid, die misschien in staat is het memento mori te koppelen aan een carpe diem, maar zelfs dan niet volledig is bevrijd van de illusie dat er na vandaag toch nog een volgende dag volgt, en nog een, dat er een soort 'tijdelijke eeuwigheid' is, de zijne: hij blijft verwachtingen wekken. Bolaño verdwaalt soms in terzijdes, in details, sommige grappig, andere boeiend of zelfs leerrijk, weer andere wat langdradig, zoals wij zelf kunnen verdwalen in een uitzicht, in dagdromen, in associaties die met onze hoofdbezigheid op dat moment niets te maken hebben, maar hij komt ook altijd weer ter zake, al is niet duidelijk welke zaak precies. Hij neemt je moeiteloos mee naar het volgende voorval, dat net als in het leven niet op grond van een bepaalde logica volgt op het vorige, maar dat die logica pas krijgt omdat het nu eenmaal op elkaar volgt. (Ik zou in zekere zin graag willen zeggen dat mijn verhuizing naar Gent al altijd in de sterren stond, dat ik H. wel moest ontmoeten, dat mijn huidige bestaan de uitkomst is van iets wat op weg is naar een definitieve uitkomst die alles verklaart en zin verleent aan mijn aanwezigheid — en er staat mij niets in de weg om het mezelf en anderen zo voor te stellen (de klassieke autobiografie vertrekt meestal vanuit dit idee (Augustinus bijvoorbeeld, Rousseau)); maar dit soort logica komt altijd na de feiten, die op zich genomen niets dan willekeur zijn).

    'Our basis structure is totally without hope, yet our nervous system is made out of optimistic stuff' — een uitspraak die van Francis Bacon zou zijn (maar ik citeer hem uit een gedicht van Oosterhoff, dus oppassen geblazen!). Dat we in het licht van de onverschilligheid van het universum onverwoestbaar die onverschilligheid blijven afwijzen — dat is wat Bolaño schrijvenderwijs laat zien, toont is een beter woord ('not telling but showing'). Ook al weet je op een zeker moment: dit loopt nergens op uit; ook al kun je het einde min of meer voorspellen: het zal willekeurig zijn, het zal in media res eindigen; en ook al luidt de enige conclusie na de laatste bladzijde daardoor dat er nog makkelijk 1000 pagina's meer hadden kunnen volgen — alles in dit boek is zo geschreven dat het je nooit onverschillig laat, dat je blijft doorlezen alsof je werkelijk denkt dat er nog een clou gaat volgen, met een gretigheid soms die alleen zou voorkomen bij de zogeheten 'spannende boeken'. En ook blijf je nadenken over de raadselachtige titel, die diezelfde mengeling van willekeur en bedoeling uitwasemt die het hele boek kenmerkt. Al met al maakt dat van 2666 een boek dat iets totaal anders doet dan ons lezertjes nog eens inpeperen dat de waarheid niet bestaat. Het ligt absoluut aan mij dat ik in deze roman nog eerder een aansporing zie om uit naam van een menselijkheid die alleen met een beroep op het eigen vege lijf te definiëren valt, te blijven volharden in de dwaasheid om naar waarheid te blijven zoeken.

  • Pin it!

    Michaël Zeeman (1958-2009)


    'Na de roodbruine warmte van september, / na van october 't zwaar en donker goud, / keren de heldre dagen van november / met ijle geur van brandend turf en hout, / van rijpe appels, rottend loof' — zo moet Michaël Zeeman eind jaren tachtig, of net 1990 (hij werkte voor de Rotterdamse Kunststichting), in café De Unie tijdens een gesprek ooit begonnen zijn met het voordragen van Koos Schuurs lange gedicht 'Novemberland'. Ik weet niet wie er verder nog bij dat gesprek aanwezig waren, maar ik weet nog wel dat ik met stijgende verbazing naar hem zat te luisteren. En met nog meer verbazing naar zijn onverminderde deelname aan dat gesprek, dat tijdens zijn voordracht gewoon werd voortgezet alsof de andere gesprekspartners aan deze poëtische uitbarstingen gewoon waren en er geen acht meer op sloegen, er in ieder geval het zwijgen niet toe deden. Hij onderbrak even het gedicht, sprak iets tegen, voegde iets toe, en hernam vervolgens zijn voordracht. Die was niet eens bedoeld, zo leek het, om te epateren (al was hem dat bepaald niet vreemd), maar leek veeleer iets te zijn wat hij voor zichzelf deed, alsof hij zichzelf nog eens wilde vergewissen van hetgeen hij na de laatste regels, zich licht voorover buigend, tegen mij zei: 'een onderschat dichter, die Schuur.'

    Zeggen dat ik Michaël Zeeman goed heb gekend, gaat veel te ver. Ik kende hem net voordat hij werkelijk de grote meneer werd bij de Volkskrant, waar hij de cultuur ging leiden, of alleen de boeken — enfin waar hij iets chefachtigs ging worden. Hij was een man met een agenda, vond ik altijd. Je zou kunnen zeggen: een verborgen agenda, maar dat maakt hem postuum gewiekster dan hij, althans toen was. Het was evident dat hij iets van je wilde — in mijn geval: hij wilde van mij de poëzierecensent van de Volkskrant maken. Omdat ik zulke fantastische recensies op mijn naam had staan? Ik denk het niet. Omdat de poëtische richting waarmee ik geassocieerd werd hem na aan het hart lag? Al evenmin. Het had veeleer te maken met mijn kanttekeningen bij de 'Maximalen' — van wie een aantal dichters immers een emmer met rotte vis over hem had uitgestort tijdens een poëziefestival in Delft (een poëziefestival, zo realiseerde ik me later, waarvoor ook ik als kersverse poëet was uitgenodigd, maar dat ik links had laten liggen). Onder meer in De Groene Amsterdammer had ik mij, in een open brief aan Joost Zwagerman, tegen dat soort praktijken gekeerd (een open brief die op zich weer een heel andere achtergrond had, waarover later nog wel eens een keer). Kortom: ik was te gebruiken in een of ander strategisch spel dat Zeeman nu eenmaal graag speelde.

    Dat sloot een hartelijke omgang niet uit, en ik vond hem een humoristische man met wie het goed tafelen was. In Groningen at ik ooit met hem in de tuin van een restaurant in de Oosterstraat, en toen we beiden het hoofdgerecht op hadden, wenkte hij de ober en zei: 'Doet u mij dat gerecht nog maar eens een keer'. Dat deed ik hem niet na. Ik zou nu kunnen zeggen: natuurlijk was hij niet te vertrouwen, maar eigenlijk hadden degenen die zich door hem verraden of belazerd voelden dat toch grotendeels aan zichzelf te wijten. Zeeman taxeerde en wie dat niet zag, taxeerde zelf te weinig.

    Of hij werkelijk De Grote Boekendief is geweest in Leeuwarden — waar men jaren na de feiten nog steeds niet over hem uitgepraat raakte —, ik weet het niet, en het kan me niet werkelijk schelen. Minder althans dan de wijze waarop zijn eerste huwelijk aan zijn eind kwam — een onverkwikkelijke geschiedenis. Toen ik destijds een uitnodiging voor dat ergens in april te voltrekken huwelijk kreeg, maar geen mogelijkheid zag erbij te zijn, voelde ik me genoodzaakt een kaartje te sturen waarop ik het in zeker opzicht omineuze citaat van Eliot beantwoordde met een paar regels Chaucer. 'April is the cruellest month, breeding / Lilacs out of the dead land', zo stond er onder meer op het trouwkaartje. 'Whan that Aprille with his shoures soote / The droghte of Marche hath perced to the roote, / And bathed every veyne in swich licour'…, zo moet ik ongeveer hebben teruggeschreven in een poging de wreedheid van april toch wat te verzoeten met die 'shoures soote' ('sweet showers'). (Later zou zijn ook al naar een van de aartsengelen vernoemde broer nog het trouwkaartje ontwerpen voor mijn eerste huwelijk).

    Als pion in zijn schaakspel zal ik voor Zeeman uiteindelijk weinig waarde hebben gehad. De Volkskrant was deels door mijn eigen halsstarrigheid een kort avontuur, en zijn eigen poëzie verviel voor mij met zijn tweede bundel (Verhoudingen) tot woordstapelingen die de eventuele wanhoop erachter eerder potsierlijk maakten, dan werkelijk voelbaar (al is 'voelbaarheid' natuurlijk een erg mager literair criterium). In de eerste bundel, Beeldenstorm, had ik minder last van het archaïsche in zijn poëzie, van het romantisch haken naar wat verloren ging, naar een onmogelijk te vinden 'echtheid' die daar nog de inzet leek van zijn gedichten — iets wat hem, en ook mij, en eigenlijk het merendeel van die generatie met elkaar, en dus ook met de 'Maximalen' verbond. In die zin was hij de verpersoonlijking van de twee polen waartussen die generatie heen en weer bewoog: van een volstrekt nihilistisch cynisme enerzijds en een machteloze pathetiek anderzijds.

    Ik heb geen idee of dat op Zeeman als persoon werkelijk van toepassing is. Ik liep hem hier en daar nog wel eens tegen het enorme lijf, en die ontmoetingen verliepen altijd in een gemoedelijke sfeer. Ik kan me van alles voorstellen bij de grieven die anderen tegen hem hadden. Hij deed tenslotte aan machtspolitiek en schrok voor weinig terug, zo is mijn indruk. Ik lees nu hier en daar dat hij een klein hartje had. Ook dat neem ik zonder meer aan. Het brengt hem niet dichterbij, noch raakt hij daarmee verder verwijderd van wie hij was.

  • Pin it!

    Falen


    gfa_450_x_486_


    Recentelijk was ik in een snikheet theatertje in de marge van de Gentse Feesten aanwezig bij een van de debatten uit een reeks die nu al meer dan twintig jaar tijdens die feesten wordt georganiseerd door Eric Goeman, woordvoerder van Attac Vlaanderen. Op zich een wonderlijk fenomeen voor een volksfeest dat weliswaar naast de 'saucissen' altijd de cultuur hoog in het vaandel voert, maar waarvan natuurlijk vooral de meer kermisachtige kant in het oog springt: drank, muziek en vuurwerk. Dat er tussen de menigte soms iemand rondstapt op stelten, uitgedost in een buitennissig kostuum dat iets lijkt te willen betekenen, doet daar weinig aan af, en zelfs het straattheater geeft aan het geheel niet echt een cultureel aanzien.

    Ik bedoel natuurlijk: een 'hoog-cultureel' aanzien. Sinds de farce met de nieuwe Vlaamse minister van cultuur Joke Schauvliege kan men niet duidelijk genoeg zijn. Cultuur is een uiterst precair begrip. Het lijkt me weinig zin hebben er een minister voor aan te stellen (een apart departement is het natuurlijk al decennialang niet meer, ik geloof zelfs: nergens in Europa, of het moest Frankrijk zijn) als men er alles onder rekent. Het amateurgezelschap uit Evergem dat het toneelstuk opvoerde (een of andere deurenkomedie) dat Schauvliege zich herinnerde als het laatste toneelstuk dat ze gezien had, moet natuurlijk subsidie krijgen, maar de bezigheden van dat gezelschap hebben meer van doen met welzijn dan met cultuur in een toch iets striktere zin.

    Enfin, er is over die kwestie inmiddels meer dan genoeg gezegd. De commentaren uit de 'hoog-culturele' hoek en die van de verdedigers van de culturele nivellering werden beide gekenmerkt door verongelijktheid. Maar natuurlijk zit niemand te wachten op een cultuurminister met een specifieke poëtica. Wel zit iedereen te wachten op een politieke partij die eens iets anders zegt dan enkel dat 'cultuur belangrijk' is, om er vervolgens de sluitpost op de begroting van te maken.

    schauvliege_221564h


    Op zich hangt het ontbreken van een duidelijke (politiek-ideologische) visie op cultuur samen met datgene wat in het debat dat ik bijwoonde op de Gentse Feesten ook centraal had moeten staan, maar opnieuw niet stond: het a-politieke van de huidige politiek. Dat debat, in het tot de nok toe gevulde theatertje 'Minnemeers' aan de Leie, in het centrum van Gent, ging over 'Het falen van links'. Uitgenodigd waren Peter Mertens (voorzitter PVDA+, auteur van Op mensenmaat), Erik De Bruyn (voorzitter SP.A-ROOD, auteur van Rooddruk voor een nieuw socialisme), Francine Mestrum (doctor in de sociale wetenschappen, gespecialiseerd in ontwikkelingsproblematiek, vooral onderzoek naar armoede, ontwikkeling en internationale organisaties, Lector Université Libre de Bruxelles, gastdocent UGent, auteur van o.a. Globalisering en armoede), Felix Rottenberg (oud-voorzitter Nederlandse PVDA, bestuurder, moderator, programma-maker),Eric Corijn, JohnCrombez (lijsttrekker SP.A West-Vlaanderen), An Nelissen (eind jarenzeventig Fakkeltheater; vanaf 1982 het Raamtheater, verder film en tv), en ten slotte nog Daniël Termont, de (SP.A)-burgemeester van Gent. Een nogal groot gezelschap, te groot om werkelijk tot een debat te komen, zo leek me op voorhand, ook al duren de debatten tijdens de Gentse Feesten allemaal gewoon vier uur (aan debatteren en delibereren heeft men hier geen broertje dood). Die vier uur heb ik overigens niet uitgezeten.

    Na twee uur was me duidelijk hoe de meningen waren verdeeld: aan de ene kant diegenen die meenden dat de huidige vooronderstellingen in politiek en economie iets noodlottigs hebben ('dat je het kapitalisme ooit zou kunnen verslaan, kun je gerust vergeten,' zoals Rottenberg het formuleerde) en die zich derhalve (bijvoorbeeld Termont) tot een soort realpolitik bekenden: accenten aanbrengen, in de marge blijven schuiven (bij sommigen heet dat 'vechten') om zo iets van de oorspronkelijke idealen alsnog, al is het maar ten dele, te realiseren. Aan de andere kant de meer ideologisch bevlogen geesten die weer op zoek waren naar een nieuw, toekomstgericht project (De Bruyn, Mertens) — naar datgene wat links (met Blair, met Schreuder, met Kok, met 'paars' in het algemeen) heeft verkwanseld, zo ben ik geneigd te zeggen. Dat het met die twee standpunten op tafel ook na de pauze nog tot een boeiende gedachtenwisseling kon komen, sloot ik niet uit, maar de werkelijke kwestie was daarmee wat mij betreft inmiddels ván tafel.

    Op zich is het opmerkelijk dat er wel debatten worden georganiseerd over 'het falen van links', maar vrijwel nooit over 'het falen van rechts', zelfs niet in deze tijden van door neoliberale overdrijving veroorzaakte economische crisis. Het debat in de Minnemeers was al wat boeiender geweest met de aanwezigheid van ook een paar van huis uit liberale denkers — en dan niet om het over het falen van links te hebben, of zelfs maar over het falen van rechts, maar over het falen van de politiek dat elk spreken over links of rechts overbodig heeft gemaakt.

    511237183BL._SS500_Frank Furedi stelt in Politics of Fear dat links en rechts elkaars thema's overgenomen lijken te hebben. Links zijn staat tegenwoordig veelal in het teken van conservatie — het grootste engagement bestaat uit behoudzucht, terwijl vooruitgang in linkse kringen verdacht wordt gevonden. 'The anti-capitalist and the anti-globalization movements are selfconciously hostile to the ideals that have historically defined the future-oriented left', schrijft Furedi. 'The legacy of the Enlightenment — reason, progress and universalism — are reviled, and change has become decoupled from the idea of progress. (...) In a sense it is possible to go a step further and interpret the current disenchantment with change as representing the cultural mood for historical closure. The closure of the historical mind is one of the principal characteristics of today's cultural left.'

    Omgekeerd, zo stelt Furedi, lijken ter rechterzijde in de culturele sfeer de traditionele conservatieve idealen betreffende traditie, familie, seksualiteit en moraal in het defensief gedrongen te zijn. De triomf van het neo-liberalisme in de economische sfeer ten tijde van Reagan en Thatcher viel samen met de institutionalisering van waarden die traditioneel geassocieerd werden met cultureel links. 'What came to be celebrated was not the "Western idea" but more relativistic virtues such as diversity, multiculturalism and difference,' schrijft Furedi. Al eerder was de Koude Oorlog niet in staat gebleken om rechts te revitaliseren, rechts dat na de Tweede Wereldoorlog vanwege het fascisme in een kwade reuk stond. 'Instead of boosting confidence, the West's triumph in the Cold War merely revealed an abscence of purpose and vision'. Wat de jaren negentig vooral lieten zien, was dat rechts 'could discredit the left but not generate a positive account of itself that could provide a viable alternative. In turn the cultural left was able systematically to discredit many of the traditions and values associated with the right. But it did so not through developing a positive view of the world but through echoing and amplifying the prevailing mood of apathy and cynicism. In particular, it fed off the prevailing sense of confusion and promoted the claim that no ideals could possess universal relevance and that claims to Truth should be held in suspicion'.

    41FWIVZusqL._SS500_Rechts heeft het verleden losgelaten, links weigert de toekomst in de armen te sluiten, met het gevolg dat we 'frozen in the present' zijn. De achterliggende gedachte is dat er voor de huidige wereld geen alternatief is ('There is no alternative' — een beruchte uitspraak van Thatcher) en dat we onszelf zo hebben uitgeleverd aan een als noodlottig ervaren status quo. Terwijl politiek 'is a heroic endeavour, a phenomenon of the public realm, which is a realm of performance, of manoeuvres conducted with bravado and virtuosity. The political embodies a perspective of originary antagonism towards "the world as it is", an endemic dissatisfaction with objective culture and a suspicion towards the realm of signification', zo stelde Bewes het in zijn Cynicism and postmodernity (1997).

    Furedi stelt ook nog dat onze angst voor de toekomst, voor verandering, veel te maken heeft met de neiging 'to read history backwards'. Onze geschiedenis bestaat niet langer uit mythen en andere heldenverhalen, uit de grote daden van onze voorouders — zoals vroeger het geval was — maar uit genocide, holocaust, kortom: uit de verhalen van onschuldige slachtoffers van hen met te veel heroïsche dadendrang. Die verhalen leggen een enorme hypotheek op elke meer toekomstgerichte droom.

    Améry(Geheel terzijde: je zou hierin een aanwijzing kunnen zien dat iemand als Jean Améry (1912-1978) uiteindelijk toch nog, zij het maar zeer ten dele, zijn zin heeft gekregen. Améry was kampslachtoffer en worstelde met het probleem dat de onnoemelijke gruwelen die hem persoonlijk waren aangedaan op de een of andere manier een plaats moesten krijgen binnen een meer algemeen, bovenpersoonlijk cultureel kader: een betekenis die de gruwel als gruwel in stand hield. Historische verklaringen voor de holocaust zeiden hem niets; ze maakten van het gebeuren maar een bedrijfsongeval in de Duitse, en bij uitbreiding: de westerse geschiedenis. De holocaust, zo stelde hij, moest het eigenste negatieve bezit van de westerse cultuur worden — een onmogelijkheid natuurlijk, zo wist ook hij. Hij eiste eigenlijk een omkering van de tijd, genoegdoening van de geschiedenis zelf, die zichzelf ongedaan diende te maken. De culturele betekenis van de holocaust is namelijk de ontkenning van elke cultuur. Onze neiging, of zelfs onze gewoonte 'to read history backwards', waardoor we onszelf een perspectief op de toekomst ontnemen, komt in zeker zin tegemoet aan het verlangen van Améry naar een betekenis van de holocaust, al ligt het voor de hand dat die betekenis uitermate destructief is.)

    Het gaat me er nu niet om Furedi helemaal na te vertellen. Het gaat er maar om dat 'wij' — want de analyse laat zich misschien gemakkelijk maken, daarmee is de remedie nog niet direct voorhanden — in de greep zijn van de angst voor verandering, of we onszelf nu als links of als rechts omschrijven. Ik heb mijzelf al meermalen omschreven als iemand met een neiging tot behoudzucht, een neiging die ik zelf maar moeilijk kon plaatsen gegeven mijn 'klassiek' linkse opvattingen als het gaat om wat er in de wereld zou moeten gebeuren. Ik herinner me ook nog een moeizaam gesprek met Jeroen Theunissen in café 'De spinnekop', waar ik maar relativerende kanttekeningen bleef plaatsen bij J's affirmatie van de westerse waarden als superieur aan die van andere culturen, maar tegelijkertijd het opschrift 'cultuurrelativist' weigerde, omdat gelijkwaardigheid van culturen voor mij de verschillen tussen die culturen, en de daarmee verbonden conflicten, niet uitsloot. Hoofddoekjes zijn hier een slechter voorbeeld dan vrouwenbesnijdenis — iets wat ik volgens mijn waarden op geen enkele manier kan verdedigen, dus ook niet door te verwijzen naar de culturele traditie waarbinnen zoiets 'logisch' voorkomt. (Al vind ik dan weer wel dat dus ook mannenbesnijdenis in principe getuigt van dezelfde barbaarsheid — in principe: er blijft een verschil tussen voorhuid en clitoris natuurlijk (de vergelijking zou die moeten zijn tussen voorhuid en heet dat niet 'monnikskapje'?))

    Toch, er is nood aan nieuwe, boude perspectieven — niet omdat links heeft gefaald, of rechts, maar omdat de politiek in gebreke blijft, is verworden tot geharrewar over technische en administratieve zaken, en tot niet meer in staat is dan het aanbrengen van accenten in een wereld die daarmee onveranderd blijft. En ook omdat wat wij democratie noemen niet kan functioneren zonder duidelijke keuzemogelijkheden — en dan gaat het niet om de keuzes binnen een wereld die nu eenmaal is wat ze is, maar om de mogelijkheid om voor een andere wereld te kiezen. Het is juist die onmogelijkheid die de antipolitiek en de daarmee te associëren partijen voedt — partijen die evenmin een toekomstgericht project in de aanbieding hebben, maar wel beloven alles eens op te ruimen, korte metten te maken met wat er allemaal verkeerd zou zijn. Uit naam waarvan dat gebeurt, wordt zorgvuldig verzwegen en mij lijkt het toch dat enig wantrouwen hier op zijn plaats is, of dan toch ten minste alertheid.

    Dergelijke ronkende woorden veranderen niet meteen iets aan mijn eigen behoudzucht — die diep geworteld is —, maar waar die behoudzucht tegelijkertijd een moreel probleem wordt, moet men misschien over zijn eigen schaduw durven stappen. De vraag of iemand van mijn generatie dat nog kan, stel ik liever niet.

  • Pin it!

    Hoofd



    200px-Gross_St_Martin_-_Grablegungsgruppe_-_Maria_(virgin_mary) 200px-Dictation_of_the_Guru_Granth_Saheb 200px-Batz-sur-Mer_Coiffe


    Naar aanleiding van het gedoe in Antwerpen: we moeten het dringend hebben over de verplichte keppeltjes bij de joden, over die pijpenkrullen en die potsierlijke traditionele kledij — allemaal zaken die de emancipatie van de man binnen de orthodox joodse gemeenschap ernstig in de weg staan. (Trouwens: laten we het daar inderdaad eens over hebben: niet over de onderdrukking van de vrouw, maar over de gebrekkige emancipatie van de man — in zowat élke cultuur). Ik zou ook graag de rol van de vrouw binnen het katholicisme nog eens aan een nader onderzoek willen onderwerpen. Überhaupt lijkt het me nodig alle godsdiensten tegen het licht te houden — dus ook het neo-liberalisme dat, sinds men ervan overtuigd is dat er geen alternatief voor is, een metafysische status heeft gekregen. Alain Badiou reageerde al eens op het algemene hoofddoekenverbod in Frankrijk met de redenering dat de westerse vrouw gedwongen is haar eigen seksualiteit uit te venten op straffe van excommunicatie. Moslimvrouwen zijn niet geil genoeg, vinden dus ook Benno Barnard en Geert Van Istendael. Daar valt over te twisten, overigens.

    Dirk Verhofstadt stelde gisteren in De Morgen dat hij voor zijn boek De derde feministische golf wel zes — zés! — moslima's heeft gesproken en op grond daarvan meent hij te kunnen vaststellen dat onderdrukking in de moslimgemeenschap schering en inslag is. Zou die man zich niet beter eens druk kunnen maken over de grove ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in zijn eigen neo-liberale paradijs? Ongelijke lonen, het glazen plafond, de zoveel geringere kansen voor vrouwen überhaupt? Ik wed dat ik gemakkelijk zes — wel zés! — moslima's kan vinden voor wie de hoofddoek een onderdeel is van verleidingskunsten waar wij in het westen nog nooit van gehoord hebben. Om dan natuurlijk vervolgens te stellen dat het een losbandige bende apen is — want zie dat godverdomme eens kinderen fokken zeg!

    Mensen zijn geneigd tot het uniform. Wel eens de alternativo's uit het krakersmilieu bestudeerd? Dat heeft allemaal dreadlocks, minimaal een piercing of drie en ook qua kleding lijken er bepaalde voorschriften te gelden. Ze zetten zich geweldig af tegen de krijtstreepbrigade in onze kantoorgebouwen, maar qua uniform doen ze voor die grijzepakkendragers eigenlijk niet onder. Individualiteit en vrijheid worden in beide middens geheel anders omschreven, misschien zelfs op een tegengestelde manier, maar instemming met de groepsmoraal is bij beide de voorwaarde.

    En de baseballpet? En de jeans en het houthakkersoverhemd? Mode überhaupt? Nee, ik doe daar niet aan mee, welnee. Daarom heb ik zeker al die idiote colberts die ik in de jaren tachtig droeg al tijden geleden de deur uit gedaan (te vroeg natuurlijk; ze zijn al bijna weer 'in', of alweer 'in' geweest, dat kan ook — enfin, ze zouden toch niet meer passen). Ik ben, met al mijn kritiek op het consumentisme en de walgelijk consumentistische houding van de jeugd van tegenwoordig (zelfs studeren is een vorm van shoppen voor die melkmuilen (omdat onze generatie ze niks anders geleerd heeft, maar dat is uiteraard een wat al te lastige kanttekening)), natuurlijk zelf een consumentist zonder weerga. Ik behoor op grond van mijn uiterlijk ook tot een groep en ben me er ook steeds (zij het niet fel) van bewust dat ik mijn garderobe kies op grond van een beeld dat ik van mijzelf heb gevormd, maar dat niet van en uit mijzelf afkomstig is, dat met andere woorden door de omgeving is gedicteerd, door ideeën over sociale klasse zelfs. U ziet mij niet, nooit in joggingbroek, in 'campingsmoking', in een supermarkt, of überhaupt over straat gaan. Ik beschouw dat als een aantasting van mijn menselijke waardigheid, en dus van de menselijke waardigheid tout court (over wat ik daarmee over de dragers van deze mensonterende kledij zeg, denk ik meestal niet na).

    200px-Casol_square_silk_scarf_as_head_scarf 200px-ToUaReG,_Mali_-_jan_2007 200px-EkaterinaII_kokoshnik 200px-Backlight-wedding


    Je kunt zeggen dat dit allemaal iets geheel anders is dan de hoofddoekenkwestie, maar dat vraag ik me af. De dictaten die ons vrije, verlichte, van elke godsdienstwaan verloste westerlingen worden opgelegd zijn veel minder expliciet; ze zijn een meer sluipend gif en het kost ons telkens weer erg veel moeite om achter ons beeld van de vrijheid de dwangmatige vooronderstellingen te zien, de in feite als boventijdelijk beleefde waarheden waarop dat beeld is gebaseerd. Ik ben niet postmodern genoeg, en ook nooit postmodern genoeg geweest, om daaraan de conclusie te verbinden dat alles relatief is en iedereen dus zijn gang maar moet gaan. Ik denk dat wat wij onze waarheid noemen (of wat als waarheid achter onze bevrijde geest werkzaam is) uiteindelijk een historisch en sociaal fenomeen is — dus juist níét iets boventijdelijks, maar iets dat meeglijdt met de tijd, verandert, maar daarom niet minder geldig is, of althans minder aanspraken maakt op een universele geldigheid. Het is de cultuur waarbinnen men wordt geboren, opgevoed, onderwijs krijgt. En 'cultuur' laat zich nog steeds het best omschrijven zoals J. Goudsblom dat ooit deed: als een geheel van opdrachten en mogelijkheden dat in een gegeven tijd voorhanden is. Dat schuift voortdurend, zo weet een ieder met enig historisch besef.

    Maar datzelfde historische besef laat ook zien dat mensen altijd weer geneigd zijn om (vooral) de opdrachten die op een gegeven moment in een cultuur voorhanden zijn, te verabsoluteren — of althans: beleven als een min of meer onwrikbaar gegeven. Er bestaat een delicaat evenwicht tussen de noodzaak tot ontmaskering en de noodzaak tot façade. Maar hoe dat ook zij, het is quasi onmogelijk om buiten de eigen cultuur om te denken — eigenlijk alleen voor zover die cultuur dat zelf als mogelijkheid geeft. Ik twijfel natuurlijk helemaal niet aan de vooronderstellingen van onze vrijheid, hoezeer ik ook tegelijkertijd de nuanceringen zie. En als ik bepaalde problemen in onze samenleving bijvoorbeeld wijt aan een gebrek aan gemeenschapszin (wat ik geneigd ben te doen), is dat bepaald niet een ondubbelzinnig pleidooi voor die gemeenschapszin, of erger nog: een pleidooi voor afschaffing van individuele vrijheden. Ik wil wel die ook door mij verworven 'individuele vrijheid' graag behouden. Ik wil alleen maar niet dat die vrijheid verward wordt met bijvoorbeeld die van Wilders' PVV.

    En zo zijn de kanttekeningen die ik zou willen maken bij de hysterie rond hoofddoekjes niet per se een bewijs voor mijn instemming met het gebruik ervan onder moslims. Ik vind alleen dat je het niet ter discussie kunt stellen als je niet ook de modevoorschriften in andere religies, inclusief die van het zich soeverein wanende neo-liberalisme, aan de kaak stelt (en ik weet natuurlijk heel goed dat als je over keppeltjes en pijpenkrullen begint, iedereen plotseling van mening is dat je daar niks over mag zeggen, want dat is dan meteen antisemitisch weetjewel…). Mijn levensopvatting strookt sowieso niet met die van iemand die de een of andere religie is toegedaan. Zij die over 'gggristus' beginnen, bezorgen me ook altijd de rillingen. De EO jongerendag vervult me met diepe droefheid over zoveel verkeerd gericht enthousiasme, nog even afgezien van mijn overtuiging dat het hier om een marketingtruc van de BV God & Zn gaat. Maar ik begin geen kruistocht tegen kruisbeelden of minaretten, noch tegen hoofddoekjes. Ik zie gewoonweg niet in waarom specifiek dat stukje stof wordt uitgezonderd om een monsterlijk symbool te worden van de onderdrukking van moslimvrouwen, al was het maar omdat er meer dan zes moslima's zeggen dat het voor hen die betekenis helemaal niet heeft, en ook al omdat er veel meer dan zes moslima's zijn die verkiezen de hoofddoek niet te dragen.

    Ik vind wel dat het bij wet verboden moet worden om een legging te dragen. En wie zich in trainingspak vertoont, moet terstond afgevoerd worden naar het dichtstbijzijnde sportcomplex en er verplicht vijf kilometer hardlopen, of er in dat trainingspak nu een bierbuik bolt of niet. Verder heeft een school het recht om hoofdbedekking te verbieden, denk ik, maar dan wel buiten elke religieuze overweging om. Het mag daarbij niet gaan om de symboolfunctie, want nogmaals: in dat geval is het enige schooluniform dat door de beugel kan dat waarbij alle kledij is verwijderd. There's more enterprise in walking naked: het zou de nieuwe slogan kunnen worden van het ministerie van onderwijs.

  • Pin it!

    Nog eens over links


    Afgelopen week nog eens naar Der Baader Meinhof Komplex van Uli Edel gekeken, en nog eens nagedacht over wat Gijsbert Pols daarover te berde bracht in yang 2008.4 (p. 663-670; helaas nog niet online op de, inmiddels oude yang-site). Hij schreef over de film (BMK) zelf:

    Men heeft de film als politieke porno gecategoriseerd, als vrijblijvende en fantasieloze aaneenschakeling van gewelddadige hoogtepunten in de RAF-geschiedenis tussen 1967 en 1977. Die kritiek is terecht: de film heeft nog het meeste weg van een haastig in beelden omgezet chronologisch lijstje met 'belangrijke gebeurtenissen', zoals dat veelal op de laatste pagina's van boeken over de RAF wordt opgenomen. Aangevuld met als om het pornografische karakter nog te onderstrepen, een paar hippietieten op het naaktstrand en een lachwekkend amateuristisch in het verhaal verwerkte seksscène.
    Het is niet alleen de opeenstapeling van hoogtepunten die de film zo obsceen maakt, het is ook de constructie van die hoogtepunten zélf: die kenmerken zich door ‘fel realisme’, gelegitimeerd door een precieus gebruik van historische bronnen, en laten – net als in echte porno – niets aan de verbeelding over: de toeschouwer wordt zorgvuldig buiten het representatieve proces gehouden. En zoals porno parasiteert op seksuele fascinaties, parasiteert
    BMK op fascinatie voor de RAF: beide beloven het ultieme te laten zien, fel realistisch, maar tonen uiteindelijk niets. De toeschouwer blijft afgestompt en leeg achter.

    bmk_hauptplakat_de.klein


    In feite is dit een adequate omschrijving van de film zelf. De film lijdt aan hetzelfde euvel als menige bio-pic die ons belooft het leven van Cash of Piaff te schetsen. Een leven speelt zich niet af door de tijd, maar op bepaalde momenten. Het gaat niet om de opeenvolging van gebeurtenissen, maar om hun hiërarchie. Dat betekent dat BMK op zijn minst een aantal gefilmde gebeurtenissen bevat dat interessant geweest was om uit te diepen. Het zou geleid hebben tot de invulling, de interpretatie van een geschiedenis die nu, als ogenschijnlijk blote opsomming, feitelijker lijkt dan ze in wezen is.

    Dat laatste laat Pols in zijn uitstekende artikel mooi zien wanneer hij het heeft over de prefab-betekenis die de film op deze wijze genereert: die van de RAF als gevolg van een radicalisering die door de gewelddadige reactie van de staat op de studentenbeweging zelf in gang gezet zou zijn (een standpunt dat door het personage dat Bruno Ganz speelt, heel goed wordt vertolkt). Het verhaal van de RAF begint dan met de dood van Benno Ohnesorg als bewijs voor de buitensporige middelen waarmee de staat reageerde, op de buitenparlementaire oppositie inhakte (recentelijk bleek de agent die Ohnesorg doodschoot, Karl-Heinz Kurras, een infiltrant van de Stasi te zijn geweest, maar jarenlang gold hij als het symbool voor westers, kapitalistisch staatsgeweld). Daarop volgt de aanslag op Rudi Dutschke. Het is deze context, stelt Pols, die 'de rest van het verhaal tot reactie' laat worden, of die 'toch ten minste psychologisch aannemelijk [laat] worden dat er binnen de studentenbeweging een groep mensen ontstond die het satt hatten, die gewaltsbereit werden.'



    Een ander verklaringsmodel dat bij Pols (en in de film) de revue passeert, is dat de RAF het gevolg was van de overtuiging dat de kinderen van de nazi's deze keer niet mochten verzaken [bedoeld is: het niet mochten laten afweten (zie commentaar van EdS hieronder)] waar de ouders dat eerder wel hadden gedaan — en dat in een klimaat waarin de nationaal-socialistische geschiedenis in het Duitsland van het Wirtschaftswunder zoveel mogelijk vermeden werd, een klimaat ook waarin de later door de RAF vermoorde Hanns Martin Schleyer als voormalige nazi in het na-oorlogse West-Duitsland één van de machtigste figuren werd. Dat dit verklaringsmodel binnen de film zelf een meer ondergeschikte rol speelt, heeft ook veel te maken met het feit dat de RAF door haar affiliatie met onder meer de PLO zelf in antisemitische wateren terecht kwam (het, stelt Pols, in het verhaal over de RAF vaak weggelaten gijzeldrama op het vliegveld van Entebbe in 1976 — onder meer verwerkt in The Last King of Scotland van Kevin MacDonald — waar een Duitse terrorist uiteindelijk de pasagiers verdeelt in Joden en niet-Joden).

    34073


    Er zijn nog andere verklaringen mogelijk, bijvoorbeeld die welke in de twee kloeke delen Die RAF und der linke Terrorismus (2006) onder redactie van Wolfgang Kraushaar de revue passeren (met name het essay van Sara Hakemi over 'Terrorismus und Avantgarde' is interessant). Maar in Edels film zit er ook nog een element waarover Pols het niet heeft en waarover het ook in de commentaren op de film (of op de RAF in zijn algemeenheid) eigenlijk nooit gaat: bot cynisme. Veel in het optreden van Baader zoals in deze film weergegeven, heeft weinig te maken met de hoge morele doelstellingen en de rechtlijnigheid die vaak aan de RAF gekoppeld worden in een poging het optreden ervan te verklaren, maar veeleer met een volstrekt destructief cynisme waarin het over lijken gaan geen ander doel lijkt te dienen dan de bevrediging van een individuele behoefte om aan alles maling te hebben.

    BMK.seksuelerevolutie

    BMK.neuken en schieten


    Ik heb nogal moeten lachen om de scène waarin de terroristen bij de Palestijnen op trainingskamp zijn, en met name Baader zich gedraagt als een ongezeglijke puber die weigert zich te voegen naar de discipline die de opleiders van hem eisen, die munitie verspilt en die zich vervolgens met de rest van het gezelschap tot verbijstering van de Palestijnen naakt te zonnen legt op het dak van één van de aanwezige gebouwen. In het verlengde van het gebruik van het woord 'begeerte' in Het grote uitstel heb ik al eens gezegd dat socialisme uiteindelijk toch als een vorm van (het verlangen naar) groepsseks gezien moet worden. Baaders opmerking dat de seksuele revolutie en het anti-imperialisme één zijn, of, ter nadere verduidelijking: 'Neuken en schieten zijn gelijk' — komt een aardig eind in die richting.

    BMK.joyriding


    Maar in de film laat het toch ook de volstrekte onverschilligheid van 'de' terroristen zien voor welk hoger doel dan ook. Dat was al eerder duidelijk. Ergens in de film, als Baader en Ensslin voorlopig vrij zijn nadat ze werden veroordeeld voor de brandstichting in een Kaufhaus in Frankfurt, wordt een aantal auto's gestolen en trekt het gezelschap schietend over de snelweg in de buurt van Darmstadt. Iets anders dan joyriding hoef je daar niet in te zien, en het gebruik van wapens heeft er dezelfde gratuitheid als in Pulp Fiction — een film die met revolutionair gedachtegoed weinig heeft uit te staan.

    Het is, zo merk ik steeds, dit cynisme dat me nog het meest interesseert in het linkse terrorisme (dat daarin waarschijnlijk niet verschilt van rechts terrorisme). Misschien is dat omdat de idealen die verdedigd werden zo lang na de feiten niet alleen iets naïefs hebben gekregen, maar door het — hoe noem je dat? — door het 'transhistorische bewustzijn' van diegenen die de geschiedenis nog enigszins kennen, ook al op voorhand vergeefs lijken te zijn. De revolutie eet haar eigen kinderen op. Niemand met enige vorm van historisch bewustzijn begint daar nu nog aan. Tenzij men vergeet. Bewust vergeet. Wat alweer neerkomt op een vorm van cynisme, lijkt me. Wat dan overblijft is eerder psychologisch dan politiek: destructiedrang. De 'idealen' dienen slechts ter maskering, zijn bedoeld voor de buitenwacht. Ze zijn als het ware later bij de al aanwezige nihilistische neiging gezocht om die neiging zelf als iets anders dan puur nihilisme voor te stellen. Kijkend naar BMK, lezend over Baader Meinhof en RAF, nadenkend over het verloren revolutionaire élan van links, vraag ik me serieus af of het in de hoogtijdagen van extreem links verzet al werkelijk anders was. Bij de massa zeker, denk ik. Maar bij de leiders?