Inwijkeling - Page 4

  • Pin it!

    Over het BIVV

    OPI3_GDR3BV3T7.1_FO_BIVV1.jpg.h170.jpg.280.jpg OPI3_GDR3BV3T7.1_FO_BIVV5.jpg.h170.jpg.280.jpg OPI3_GDR3BV3T7.1_FO_BIVV4.jpg.h170.jpg.280.jpg

    Vandaag in De Standaard een stukje over een kwestie die ik al langer eens wilde behandelen. Alleen bleek me bij het schrijven ervan dat ik veel verder wilde gaan dan én format én de directe aanleiding toelieten. Ik was al begonnen aan een essay waarin ik De Mens In Zijn Auto als metafoor voor De Mens Tout Court zag. Als men iets over de menselijke natuur te weten wil komen, volstaat het om naar zijn gedrag in het verkeer te kijken. Het egocentrisme, het machogedrag, de algehele geldingsdrang (ook van vrouwen) — het doet zich vrijwel onmiddellijk voor zodra mensen het portier van hun auto dichtslaan. Juist dat gedrag leek mij het bewijs dat het neo-liberalisme een vorm van barbarij vertegenwoordigde.

    Ik geef toe, de sprong is wat groot, maar ik wilde eigenlijk schrijven dat het BIVV zich meer als een beschavingsinstituut moest opstellen, als een morele waakhond zelfs, die het beestachtige in de mens moet beteugelen. De gedragingen in het verkeer laten mooi zien wat er gebeurt wanneer je mensen het idee geeft dat ze vrij zijn. Er is niemand, zo schreef ik in mijn opzetje, die werkelijk begaan is met het verkeer in het algemeen; men is alleen begaan met zichzelf en eist te allen tijde ruim baan. De file is de schuld van de ander, en wie de grootste auto heeft, heeft voorrang. Dat is in se wat het neo-liberalisme van de Dalrymple- en De Wever-snit voorstaat: het algemeen belang wijkt op vrijwel elk terrein voor het particuliere belang.

    Het was me vrij snel duidelijk dat dit voor een opiniebijdrage in De Standaard wat te ver zou voeren. Waarna ik me beperkte tot onderstaande:

    OPINIE

    Belgisch Instituut Voor Vaagheid

    • zaterdag 02 juli 2011, 05u00
    • Auteur:


     
    ‘I Bob You' is er weer zo eentje, zegt MARC REUGEBRINK: een sensibiliseringscampagne zoals een onderwijzer die het hippietijdperk nog heeft meegemaakt ze zou bedenken. Terwijl het agressieve gedrag van veel weggebruikers om een zonder meer duidelijke en zelfs harde aanpak vraagt. 
    Ik vraag het me soms vertwijfeld af: welke campagne heeft het Belgisch Instituut Voor Verkeersveiligheid (BIVV) destijds gevoerd om iedereen in België zo gek te krijgen dat ze allemaal stoppen zodra een voetganger nog maar aanstalten maakt om op een zebrapad over te steken? Waar je, bijvoorbeeld, in Amsterdam midden op een zogeheten ‘voetgangersoversteekplaats' zonder pardon wordt geschept, inclusief eventuele buggy of rollator, hoef je in België maar één klein teentje op een zebrapad te zetten en hele karavanen auto's komen tot stilstand. Hoe, vraag ik u, heeft het BIVV dat ooit voor elkaar gekregen?

    Ik stel de vraag omdat stoppen voor een zebrapad ongeveer de enige verkeersregel lijkt te zijn waaraan de gemiddelde Belg zich houdt. De richtingaanwijzer gebruikt men alleen als bij het draaien aan het stuur de vinger toevallig langs het hendeltje schampt, en dus niet om ruimschoots van tevoren aan medeweggebruikers te laten zien wat men van plan is. Voorrang van rechts? Geen hond die weet dat die regel sinds 1 maart 2007 is veranderd en dat je verplicht bent om voorrang te verlenen aan verkeer van rechts, ook als dat verkeer stilstaat. Ik zwijg over gezwalk vanwege gsm- of alcoholgebruik, of over laagvliegers binnen en buiten de bebouwde kom.

    Dat de weginrichting in dit land nog dateert uit de tijd dat er op een steenweg om de tien minuten één Ford Model T passeerde, helpt ook al niet mee om de algemene chaos van het Belgische verkeer wat te beteugelen: op drukke kruispunten geen aparte verkeerslichten voor afslaand verkeer bijvoorbeeld, zodat er altijd immense files ontstaan, waarbij men dan ook nog eens verzuimt om elkaar ‘voorlangs' te kruisen, maar in plaats daarvan ‘overlangs' kruist en elkaar zo muurvast zet.

    Boe!

    Het is niet dat het BIVV aan een aantal van deze zaken niet iets probeert te doen (aan een aantal andere hoegenaamd niets overigens), maar dan toch meestal met campagnes die – in tegenstelling tot die voor stoppen bij zebrapaden – totaal niet werken. Sterker nog: sommige van die campagnes zijn zo onduidelijk dat ze op zich een gevaar voor de verkeersveiligheid opleveren. Ik ben al geregeld van mijn rijbaan afgeweken, omdat ik poogde te achterhalen wat er precies bedoeld kon zijn met de posters waarop een auto als spook verkleed ‘boe' roept. Iets met motorrijders, begreep ik uiteindelijk, veelplegers van snelheidsovertredingen overigens, mij niet alleen links inhalend met de snelheid van het licht, maar ook dikwijls rechts. Ik heb niet het gevoel dat ík als automobilist het spook ben, maar dat zij de fantomen zijn die telkens uit het niets opduiken. Ik word niet alleen afgeleid door de vaagheid van die posters, ik voel me bovendien gekrenkt in mijn rechtvaardigheidsgevoel: hier worden kamikazepiloten als zwakke weggebruikers voorgesteld.

    Zo slaat het BIVV wel vaker de plank mis en lijkt het bovendien niet werkelijk te begrijpen waar het om gaat. ‘Bellen achter het stuur leidt je af', zo luidde een andere, weinig indruk makende slogan op alweer een erg onduidelijke poster. Echt waar? Ik denk dat al die over de weg zwalkende bellers dat allang weten, maar dat het ze niet kan schelen. Dáár gaat het om. In de huidige campagne komen we al iets dichter in de buurt: een gsm die als een revolver wordt vastgehouden. Inderdaad, wie belt tijdens het rijden, maar ook wie te hard rijdt, en uiteraard wie dronken achter het stuur zit, verandert zijn auto (niet zijn gsm natuurlijk) in een (moord)wapen. Dergelijke overtredingen moeten niet onder de verkeerswet vallen, maar onder het strafrecht.

    Bob!

    Het BIVV lijkt te vaak op een onderwijzer die de hippietijd nog heeft meegemaakt en die in zijn vrije tijd bij het kampvuur op een gitaar tokkelt: halfzachte, vage, als ludiek bedoelde boodschappen waarin hooguit ‘foei toch' tegen zware overtreders wordt gezegd. Snelheidsovertreders lachen met een meiske dat vanaf een poster zegt niet van snelle jongens te houden. Je moest ongeveer zestien zijn om daarvan destijds onder de indruk te zijn. Ik bijvoorbeeld wilde niets met dat meisje en scheurde lekker door. Beste BIVV, snelheidsovertreders moeten verplicht in hun ondergoed voor enige uren op de smalste middenberm van de drukste snelweg van het land worden vastgebonden, zodat ze bij iedere passerende auto aan den lijve ervaren hoe godvergeten hard er gejakkerd wordt. Maak daar eens een poster van.

    Ook het ‘I Bob You' waarmee men de stroom alcohol-gerelateerde ongevallen aan het begin van het festivalseizoen wil indammen is weer van een halfzachtheid die geen zoden aan de dijk zet. Mensen zijn niet zo nobel als ze zich voordoen. Iedereen die autorijdt weet dat van zichzelf. Van het honingzoete I love you, waaraan hier wordt gerefereerd, is in het verkeer zelden sprake. Het is meer Fuck you.

    Beu!

    Het wordt tijd dat het BIVV zich daar eens rekenschap van geeft. Sensibilisering van chauffeurs betekent niet dat je gevoelig of ludiek moet zijn, maar duidelijk en zelfs hard.

    screenshot_137.jpg

     

     

  • Pin it!

    Intussen in De Leeswolf: Reinout Verbeke

    In het alweer enige tijd geleden verschenen nummer van De Leeswolf schreef ik over Reinout Verbeke (en Reinout met Nevenwerking). Ik was de dichter zelf al eens tegengekomen bij een boekpresentatie van De Bezige Bij Antwerpen in De Vooruit in Gent, toen ook zijn bundel boven het doopvont werd gehouden. Ik vond zijn poging poëzie en pop met elkaar te verbinden meteen interessant en wat ik die avond van de bij de bundel geleverde cd zoal hoorde, maakte me alleen maar nog wat nieuwsgieriger. Uiteindelijk schreef ik onderstaande recensie (in De Leeswolf, jrg. 17, nr. 5, p. 350).

    l.jpg

    Het mooiste verraad

    Poëzie: het is taal tussen muziek en betekenis, zo is vaak gezegd, iets tussen roes en redenering in. Want er is ritme en klank en sommige klankgedichten mogen bijzonder geslaagd heten in wat ondanks de betekenisloosheid toch een zekere betekenis suggereert. Omgekeerd ontlenen bijvoorbeeld leerdichten of politieke poëzie een meerwaarde aan de zich bijna van de inhoud loszingende muzikaliteit (denk aan Luceberts ‘Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia’).

    Maar poëzie blijkt ook vaak genoeg toch steeds weer net iets anders te zijn dan muziek. Sommige liedjesschrijvers begaan de fout hun teksten uit te geven als was het poëzie — in een boek zonder muzikale begeleiding. Meestal verkruimelen de songteksten tot flauwiteiten of zelfs banaliteiten, iets wat mét muziek zelden stoort. En de korte opvlucht van de rappoëzie liet ook al zien dat wat op een podium met beats en bas goed werkt, niet per se op papier overeind blijft.

    Wat wel vaak goed werkt is poëzie met muzikale begeleiding. Diana Ozon trad jarenlang op met een celliste; Vinkenoog deed het met Spinvis; de gebroeders Peter en Stefan Hertmans brengen sinds enige tijd een programma waarbij de speciaal daarvoor gecomponeerde muziek precies is toegesneden op de teksten. Maar ook dan gaat het toch steeds vooral om begeleiding.

    Dat lijkt me niet de inzet te zijn van Reinout met Nevenwerking, een project van Reinout Verbeke. Verbeke debuteerde onlangs met de bundel De achterkant van flatgebouwen en daarbij zat ook een cd met 12 nummers. Op zich corresponderen die nummers met 12 van de in het totaal 33 gedichten in de bundel, en het feit dat Verbeke hier de cd bij de bundel voegt maakt dat de poëzie hier blijkbaar dan toch als het voornaamste wordt beschouwd. Verbeke had ook alleen de cd uit kunnen brengen en zijn gedichten als vooral songteksten kunnen presenteren. De gedichten waarmee de nummers op de cd zijn gemaakt worden namelijk soms in functie van de muziek wat aangepast, al gaat het daarbij vooral om herhalingen van regels en een enkele keer om de weglating van een woord. En hoewel Verbeke de teksten meestal gewoon uitspreekt, laat hij zich hier en daar verleiden tot zang.  Je hebt de indruk dat Verbeke hier nummers (songs) heeft willen maken van wat daarnaast ook nog eens gewoon gedichten in de bundel zijn en blijven.

    Maar gaat dat? Eigenlijk niet. De meerlagigheid en taligheid van de gedichten maakt ze vaak als songtekst ongeschikt, althans toch in het genre muziek waarvoor Reinout met Nevenwerking koos. Rock ’n roll zou ik het niet meteen willen noemen. Evenmin sluit het aan bij wat Bob Dylan of Leonard Cohen in het verleden hebben gedaan, musici wier teksten vaak tot de poëzie worden gerekend. Het zit meer in het alternatieve/indie-genre en dat maakt dat ik toch vooral het gevoel heb te luisteren naar de botsing van twee verschillende communicatiesystemen die elk op zich wel werken, maar niet samen. Op zich kan zo’n botsing interessant zijn, maar ik heb uiteindelijk toch het gevoel dat Verbeke’s poëzie zich voor dit soort muziek niet leent. Of misschien hoor ik te duidelijk dat de poëzie er eerst was, dat tekst en muziek niet samen zijn geconcipieerd — het één (de muziek) zich hier en daar wellicht wel naar de poëzie heeft geplooid, maar eigenlijk nooit werkelijk andersom. De botsing blijft bij herbeluisteren voor mij niet interessant genoeg.

    De bundel intussen, is een haast klassiek te noemen debuutbundel. Klassiek vooral omdat het een paar typische ‘credo-gedichten’ bevat — gedichten waarin de dichter zijn bedoelingen met poëzie, zo niet zijn visie op de bedoelingen van poëzie überhaupt, op papier heeft gezet. ‘Het geluid van het gedicht’, zo heet het openingsgedicht, en daarin wordt de Australische liervogel opgevoerd: een vogel die perfect geluiden uit de omgeving kan imiteren: de zang van andere vogels, maar ook het geluid van een kettingzaag (er is een beroemd YouTube-filmpje waarop het beestje te zien is). Vermoedelijk refereert Verbeke’s gedicht aan dit filmpje, om dan verrassend te besluiten met: “Het geluid van het gedicht / is de liervogel die de dood / op zijn stembanden heeft gezet”.

    Het gedicht is voor Verbeke de kruising tussen de dingen, mensen en hun verdwijnen en opgaan in de taal: “Taal is ons mooiste verraad / want het woord verkruimelt op vrijdag / tot twee adjectieven in nat gras // En jij / opgespannen als ik // wij gaan in hun lege plekken liggen”, heet het in ‘Net voor de grasmachine’. Het is in die kruising dat het gedicht de achterkant van al het zichtbare en meetbare openbaart. Het is de plek waar vloeibaar wordt wat vast lijkt te liggen, zoals in de afdeling ‘Manieren van water’. In die afdeling is ook het titelgedicht van de bundel opgenomen: “Aan de achterkant van flatgebouwen / heerst wederzijdsheid van kijken, loeren / we elkaar uit het koraal. We vinden er / onze vinnen als vanouds”.

    Het is een mooi verraad, inderdaad. De meeste gedichten laten in hun schriftuur duidelijk zien hoe wat ze beschrijven pas in dat schrijven zelf ontstaat, of het daarbij nu om lichamelijke lust gaat of om de meer aan in memoriams herinnerende, prachtige vader-gedichten in de afdeling ‘Vadermin’. Sommige gedichten combineren archeologie met evolutie en verraden zo iets van Verbeke’s achtergrond (hij is redacteur van het wetenschapsblad Eos). Maar overal gaat het om dynamiek, beweging, verandering van het een in het ander. Als dat nou toch ook nog eens in combinatie met de muziek zou willen lukken…    

     Reinout Verbeke, De achterkant van flatgebouwen. Met cd van Reinout met Nevenwerking. De Bezige Bij Antwerpen, Antwerpen 2011. 

  • Pin it!

    Slut Walks - Walk On

    Als je iets over feminisme schrijft, kun je wat verwachten. Op het forum op de website van De Standaard zelf vielen de reacties op mijn stuk me nog mee. Maar op Facebook werd meteen de toon gezet door Vrouwenraad Vzw: bij de link naar het stuk stond: 'SLUTWALKS: verwarrende boodschap, zegt een man'. Nou, dan weet je het wel. Een man. Daar hoeft men niets van te verwachten. En in de reacties daar was er een aantal vrouwen inderdaad nogal aangebrand. Iemand wilde 'recht van antwoord' zelfs, iets waarop men alleen recht heeft wanneer men met naam en toenaam onheus wordt bejegend. Uit een aantal reacties bleek me vooral dat vrouwen al even slecht lezen als mannen wanneer ze het waas voor de ogen krijgen.

    Tom dl 1.jpg     Tom dl 2.jpg

    In de weekendkrant schreef Tom Naegels zijn wekelijkse column ook over de Slut Walks en over mijn opiniestuk. En vandaag stond er in De Standaard een open brief aan mij van Celia Ledoux (hier, of in ongeredigeerde vorm op haar weblog). Het zou een eindeloos heen en weer worden als ik daarop opnieuw in de vorm van een opiniebijdrage zou antwoorden, maar haar brief bevat toch een aantal onjuistheden en aannames die ik wilde rechtzetten. Ik heb getracht dat op haar weblog zelf te doen, maar die staat alleen in lengte beperkte reacties toe. Vandaar dat ik mijn antwoord op haar brief dan hier maar publiceer, met op haar weblog een verwijzing.

    Beste Celia Ledoux,

    Omdat de krant een medium voor nieuwsvoorziening is, hebben de Slut Walks inmiddels voor de krant hun grootste aantrekkingskracht verloren: er was de berichtgeving vorige week, er was mijn opiniestuk, er was zaterdag nog een column van Tom Naegels die mij bijviel en de kwestie nog wat uitbreidde, en vandaag is er uw stuk. Voor de krant is het daarmee wel afgelopen, voorlopig toch. En dat kan ik billijken.

    Toch wil ik u nog antwoorden, en dat doe ik dan hier. Dat heeft het voordeel dat ik me qua aantal woorden niet echt hoef in te houden.

    Laat ik eerst een paar misverstanden uit de weg ruimen. Over de intentie van de Slut Walks kan ook wat mij betreft geen misverstand bestaan: geen vrouw vraagt erom aangerand of, erger, verkracht te worden, zoals ook geen homoseksueel erom vraagt in elkaar geslagen te worden. En ook een schrijver als ik vindt dat hij het recht heeft voor zijn mening uit te komen zonder gemolesteerd te worden — het zal u misschien verbazen, maar zo evident is dat laatste niet (de laatste tijd zelfs steeds minder). De boodschap van mijn opiniestukje was dus nadrukkelijk niet een herhaling van uitspraken van die hansworst uit Canada, laat staan een vergoelijking van een stelletje klootzakken dat zich ten onrechte ook in mijn naam voor man uitgeeft. Niemand vraagt ooit zelf om in zijn lichamelijke integriteit aangetast te worden.

    Dat is één.

    Dan: u meent dat ik in de jaren zeventig ‘een zeker trauma’ heb opgelopen. Dat valt erg mee. De passage in mijn stuk was — het stond er ook met zoveel woorden — lichtelijk overdreven en bovendien niet zonder ironie geschreven. Maar het jaartal is toch niet onbelangrijk: ik werd in die jaren volwassen en dat betekende dat voor mij de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen een vanzelfsprekendheid was en sinds die tijd ook altijd is geweest. Zoals ook homoseksualiteit voor mij nooit dat ‘tegennatuurlijke’ heeft gehad dat diverse religies en gemeenschappen er vandaag de dag nog steeds in menen te moeten zien. We leefden toentertijd in ‘linkse’ tijden. Onze vooruitstrevendheid, onze kritische zin jegens overleefde waarheden, jegens ‘het systeem’ zelfs (voor minder deden we het niet) — het sprak allemaal wel vanzelf. En dus ook de gelijkberechtiging van man en vrouw. We spraken zelfs over ‘gelijkheid’ van man en vrouw.

    Dat die gelijkberechtiging in de alledaagse maatschappelijk praktijk nog steeds geen vanzelfsprekendheid is, vind ik (vermoedelijk juist vanwege mijn leeftijd en achtergrond) telkens weer shockerend. Geen gelijk loon bij gelijke arbeid, weinig mogelijkheden om in leidinggevende posities terecht te komen — maar vooral: geen positieve evolutie in de richting van een arbeidsmoraal die het mogelijk maakt dát vrouwen op de werkvloer de gelijke van de man kunnen zijn. De emancipatie van de vrouw kan niet slagen als de man niet mee-emancipeert. Het is een bonmot van de schrijver Pol Hoste: dat hij erg voor feminisme is, ‘vooral voor mannen’.

    Of ik 'van nature' het respect voor de lichamelijk integriteit van vrouwen zou hebben, valt moeilijk te zeggen. De evolutionaire psychologie die zo populair is bij hele volksstammen pepert mij immers in dat ik als man ‘een jager’ ben die zijn zaad in zoveel mogelijk akkers wil planten en dat men het mij dientengevolge onmogelijk kan kwalijk nemen als ik respectloos zou omgaan met wat we dan zeker ‘vrouwenvlees’ moeten noemen. Maar laten we zeggen dat voor mijn meer door de cultuur bepaalde deel sinds die zo ‘progessieve’ jaren zeventig geldt dat die integriteit heilig is en moet zijn (ik heb trouwens nooit iets opgehad met die zich als wetenschap afficherende onzin van de evolutionaire psychologie en zie dat zowel mannen als vrouwen haar gebruiken om de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen). 

    Dat is twee.

    Dan nog een derde, hiermee samenhangend misverstand dat ik graag wil ophelderen. Juist het van jongsaf aan vertrouwd zijn met het gegeven dat vrouwen de dingen anders zien dan mannen, heeft gemaakt dat ik ook altijd begrepen heb dat er tussen de mannelijke en vrouwelijke seksualiteit een verschil bestaat. U verslikt zich opnieuw in mijn ironie wanneer u veronderstelt dat ik als man graag met bijvoorbeeld mijn bilspleet te koop wil lopen. Ik schreef alleen maar dat ALS vrouwen ons — ons mannen — op dezelfde manier als seksuele wezens zouden zien als wij de vrouwen zien, mannen allang de dan natuurlijk mannelijke variant van verleidelijke kledij zouden dragen. Maar dat die mannen dan ook wat minder puriteins zouden reageren wanneer ze daar op werden aangesproken. Het woordje ALS is hier wel van enig belang, toch. In ieder geval maakt de voorstelling van de onsmakelijke bouwvakkersspleet als summum van aantrekkelijkheid voor vrouwen geen deel uit van mijn (dan inderdaad) ‘ontspoorde seksuele Utopia’. Wel integendeel. Ik ben zelfs erg voor vestimentaire voorschriften voor mannen: geen korte broeken, géén sandalen en over het affront van de naakte man met alléén zijn sokken nog aan zullen we het maar helemaal niet hebben. Mij lijkt het dat daar enkele fundamentele mensenrechten geschonden worden.

    U geeft in uw stuk een ander recept: mannen zijn het meest sexy ‘wanneer ze zelfvertrouwen uitstralen in een frisgewassen, verzorgd, niet-exhibitionistisch uiterlijk’ en ‘als ze met aandacht en niet al te demonstratieve sensualiteit weten te veroveren’. Natuurlijk is ook dat een te strak plaatje zegt u, net als mijn schets van de aantrekkingskracht van het decolleté.

    Nou…

    Het punt is dat wat u hier als aantrekkelijk voor vrouwen schetst voor de gemiddelde man meteen heel erg ingewikkeld en duister klinkt. Zelfvertrouwen — ja, maar daar speelt een vrouw nu juist vaak een niet geringe rol in. Persoonlijke hygiëne is behapbaar, lijkt me. Maar bij ‘verzorgd’ ben ik alweer bezorgd. Waar moet ik te rade om te weten wat de vrouw van vandaag de dag ‘verzorgd’ noemt. Dat is niet per se geschoren. Gepoetste tanden wel, denk ik. Maar welke kleding gaat daarvoor door? U weet toch dat het vaak de vrouwen zijn die de mannen aankleden?  Dat de gemiddelde man zelfs in een ouderwetse ‘herenmodezaak’ nog het gevoel heeft dat hij zich op het gebied van de vrouw begeeft, en dat de mannelijke verkoper tegen hem samenspant met de andere sekse? Onder (gemiddelde) mannen wordt het toch nog steeds wat merkwaardig gevonden als je er blijk van geeft op de hoogte te zijn met wat dit seizoen weer voor ‘verzorgd’ doorgaat en zelf de nodige prospectie op dat vlak doet — dit ondanks verschuivingen die min of meer tot de mannelijke ‘natuur’ zijn gaan behoren, zoals deodorantgebruik (in de jaren zeventig onder ‘ons jongens’ nog een discussiepunt) of een luchtje op (dat gold toentertijd nog als ronduit verwijfd — en ondanks alle gelijkheid: dat wilde je als jongen van de gestoofde pot natuurlijk nu ook weer niet zijn). En dan is er dus nog die ‘niet al te demonstratieve sensualiteit’ waarmee wij jullie aandachtig moeten veroveren.

     Zelfs als ik het karikaturale ervan in aanmerking neem, heb ik bij zoiets toch het gevoel dat u, dames, wel héél veel noten op uw zang heeft. Wij hebben aan uw borsten en heupen, uw benen en uw poep voldoende — enfin in het karikaturale plaatje dan toch. Want ja, ook voor ons geldt dat het innerlijk ons moet aanstaan, dat ogen niet alleen reclameblaadjesmooi moeten zijn, maar vooral mooi worden door wat ze uitstralen, door wat een vrouw aan persoonlijkheid heeft, kortom, en dan zelfs zo belangrijk worden dat het er opeens niks meer toe doet als de dame in kwestie niet de volgens modebladen of pornoindustrie perfecte maten blijkt te hebben. (Het is misschien nieuws voor u, maar mannen beminnen vrouwen níét alleen via seks en seksualiteit). Als we dat innerlijk weglaten hebben wij ook aan onze mannelijke seksualiteit genoeg, maar kunnen we ons ook de moeite van het scheren of niet-scheren, het dragen van de juiste, niet-exhibitionistische kleren en vooral van het tentoonspreiden van niet-demonstratieve sensualiteit bij het aandachtig, maar zo beschouwd meteen dodelijk vermoeiende veroveren besparen. Het heet masturbatie.

    Daar heeft u het ook, zij het in meer bedekte termen over. ‘Seksualiteit kunnen vrouwen — in tegenstelling tot wat u beweert — best op hun eentje beleven’, schrijft u. Natuurlijk. We kunnen met de razendsnelle wetenschappelijke ontwikkelingen op het vlak van fertiliteit het seksueel verkeer tussen mannen en vrouwen zelfs helemaal afschaffen en elk op onze eigen kamertjes tot onze intense zelfbevrediging met onszelf blijven spelen. Maar het gaat er niet om dat je seksualiteit niet op jezelf kunt beleven (ik heb nergens gezegd dat dat niet zou kunnen); het gaat erom dat die seksualiteit niet van jezelf alleen ís. Vrouwen definiëren zichzelf als seksuele wezens tegenover de buitenwereld, als wezens die bijvoorbeeld respectvol, met aandacht veroverd willen worden — en voor zover het daarbij om heteroseksuelen gaat: in de eerste plaats door mannen. Je kunt nu zeggen dat die definitie vooral de mannelijke blik verraadt, of beter: het mannelijk verlangen. Als dat al zo is dan is het een vooral door vrouwen zelf geïnternaliseerde mannelijke blik waarop een hele industrie van en voor vrouwen is gebaseerd, en waaraan ze — na het tuinbroekenfeminisme, om het zo maar even te noemen — zelfs hun waardigheid ontlenen, niet alleen tegenover de man, maar ook tegenover de seksegenoot. Het enige wat ik in mijn stuk heb gezegd is dat ik als man mijzelf ook wel graag tegenover vrouwen als een seksueel wezen zou willen definiëren, omdat ik dat namelijk evenzeer ben. Maar zelfs uw behulpzame omschrijving van zo-even helpt mij en vele andere mannen niet verder om erachter te komen wat u nu precies van ons verwacht. Niet de bouwvakkersspleet in ieder geval. En als ik de jammerlijke exemplaren van mijn eigen geslacht zie waarmee sommige vrouwen langs de straat wandelen, denk ik nog wel eens aan een liedje van Joe Jackson, ‘Is She Really Going Out With Him’: Pretty women out walking with gorillas down my street. Er is van uw verlangens werkelijk geen hoogte te krijgen, mevrouw! En gelooft u mij: ik zou het heel graag anders zien.

    Dat brengt me terug naar de kern van mijn probleem met de Slut Walks.

    Ik woon in een buurt waar het merendeel van de bewoners niet vanzelf voor Belg, laat staan voor Vlaming doorgaat. Wat mij aan die buurtbewoners altijd het meest heeft gestoord, is het idiote machismo van het mannelijk deel van de bevolking. Ik behoor niet tot diegenen die van mening zijn dat de multiculturele samenleving ‘mislukt’ is — een opvatting die aan niets bijdraagt. Maar ik heb multiculturaliteit wel altijd in de eerste plaats begrepen als conflict: de vooronderstellingen van de ene tegenover die van de andere cultuur. Toch heb ik me in mijn buurt eerst moeten aanpassen aan het mij wezensvreemde machismo van de mannetjesputters om bij hen respect af te dwingen, zodat ik eindelijk aan de orde kon stellen wat ik ze te zeggen had: dat het om drie uur ’s nachts wel eens een keer stil mocht zijn. Gelukkig heb ik mijn postuur mee. Maar het stuit me tegen de (brede) borst dat ik me moet voordoen als iemand die fysiek geweld niet zou schuwen om een gesprek te kunnen beginnen.

    Ik had natuurlijk ook mijn broek kunnen laten zakken en met een lintmeter in de hand mijn opponenten om een vergelijkend warenonderzoek kunnen vragen. Met mijn Germaanse voorkomen acht ik mij op dat punt tegenover mijn buurtbewoners niet meteen kansloos en je hoeft dan tenminste verder niet te argumenteren.

    Wat ik daarmee vooral wil zeggen, is dat ik uw belangrijkste argument voor de slettenmars als meest geëigende protestvorm onacceptabel vind.  U schrijft dat de Slut Walk nog het enige protestmiddel is voor vrouwen die niet, als u of ik, kunnen schrijven. En al konden ze dat wel, ze worden ‘minder serieus genomen’, stelt u. Ze kunnen eigenlijk alleen hun lichaam inzetten. Ik word ineens nieuwsgierig of het mannen die niet kunnen schrijven en minder serieus genomen worden, ook is toegestaan om vanuit hun machteloosheid hun lichaam in te zetten. Ik heb de indruk dat veel niet-schrijvende mannen (buurtbewoners of niet) dat nu juist al veel te veel doen en dat dat nu precies is wat vrouwen (en mannen die wél kunnen schrijven) hier aanklagen.

    De slettenmars gaat als zodanig juist iedere discussie uit de weg. Zoals mannen vrouwen louter als ‘sletten’ zouden zien, zo krijgen die mannen nu een koekje van eigen deeg: ze zijn louter agressieve verkrachters. Dat schiet niet op omdat het in beide gevallen ver naast de waarheid is. Zo sluiten mannen en vrouwen zich in zichzelf op en dat leidt gewoonlijk tot weinig meer dan toogpraat. Terwijl het gaat om de botsing tussen verwachtingen, niet om het wegstrepen ervan. Het gaat me er bij mijn buurtbewoners immers ook niet om hun vaak door religieuze ideeën geïnspireerde vooronderstellingen, die mij wezensvreemd zijn, integraal te veroordelen; het gaat mij erom er de mijne tegenover te stellen en vervolgens met de verschillen om te gaan.

    Tot slot: ik heb een dochter. Nog een klein meisje, maar toch al zowat zeven jaar oud. Ik denk dat ik als vader die noch haar seksualiteit wil hypothekeren noch haar in dat opzicht in zeven sloten tegelijk wil laten lopen, juist voortdurend bezig ben met wat onze seksualiteit, die van mannen én vrouwen, allemaal aan voetangels en klemmen met zich meebrengt. Reductie van mannen tot agressieve verkrachters helpt hier evenmin als aansporingen aan haar adres zich nu al als schoolpleinsletje te gaan kleden en gedragen. Het is het moeilijke dat daartussen ligt waar het om gaat.

     Met respect, dank voor uw reactie, en met beslist ongeschoren benen,

    Marc Reugebrink

  • Pin it!

    Vandaag in De Standaard

    Seksualiteit is niet van vrouwen alleen

    Emancipatiestrijd of oorlog tussen de seksen?

    • donderdag 16 juni 2011
    • Auteur:

     

    De slettenmarsen plaatsen MARC REUGEBRINK voor een dilemma: waarom kunnen vrouwen mannen niet evengoed als seksuele wezens zien?

    Het zit er weer bovenarms op tussen de seksen. Boze schaars geklede vrouwen gaan de straat op om te protesteren tegen het feit dat hun kleding hen in de ogen van mannen tot lustobjecten maakt. Enfin, er is een halfbakken Canadese agent geweest die maar weer eens de achterlijke redenering bovenhaalde dat vrouwen die zich als 'sletten' kleden, erom vragen verkracht te worden. Het is zoiets als zeggen dat mannen die wapens dragen (bijvoorbeeld politieagenten) erom vragen neergeschoten te worden. Terecht loopt men te hoop tegen de culpabilisering van de slachtoffers van verkrachting. Daar zijn al indringende films over gemaakt - Jody Foster in The Accused uit 1988 bijvoorbeeld - en het blijft noodzakelijk er altijd opnieuw tegen te ageren. Daarover geen discussie. Maar of deSlut Walk nu wel zo'n geëigend middel is?

    Bh, bikinilijn, boerka...

    Vroeger verbrandden geëmancipeerde vrouwen hun bh's of ontblootten ze in het kader van de legalisering van abortus hun buik om mee te delen dat ze daar eigen baas waren. Voor het overige droegen ze tuinbroeken en wijde truien, omdat ze voor de dooie dood niet wilden doorgaan voor de stoeipoezen die ze volgens henzelf in de ogen van mannen altijd onmiddellijk werden. Sommige diehards hielden op met epileren, schoren hun benen niet meer, hun oksels niet, en van een bikinilijn kon men bij zoveel wildgroei met goed fatsoen eigenlijk niet eens meer spreken. Van een boerka had toen nog nooit iemand gehoord, maar te vrezen valt dat de toenmalige generatie feministen zich massaal tot een dergelijke tentconstructie bekeerd zou hebben.

    Het waren tijden waarin het feminisme mij als westerse, geseculariseerde en - naar ik zelf meende - van allerlei taboes bevrijde man nog wel enige angst in wist te boezemen. Het kostte weinig moeite om in te stemmen met de eis dat mannen en vrouwen gelijke rechten dienden te hebben, maar met die instemming alleen redde men het in de ogen van de feministen niet. Ze hadden het op ons pietje voorzien. Het feit dat dit aanhangsel bij het zien van ronding en glooiing, bolling en bil de neiging had in beweging te komen, maakte ons als man al schuldig. Onze opwinding, hoe licht ook, was in feite een vorm van geweld jegens vrouwen, zo werd ons te verstaan gegeven. Ik overdrijf een beetje, maar toch niet heel erg veel.

    U begrijpt, ik was zielsgelukkig en vooral erg opgelucht toen feministen zelf op hun kledingvoorschriften terugkwamen en verkondigden dat sexy kledij niet per se in tegenspraak was met de waardigheid van de vrouw. Die waardigheid werd zelfs voor een deel in die seksualiteit gesitueerd. Om niet te zeggen dat vrouw-zijn vandaag de dag vaak, zij het uiteraard niet uitsluitend, als seksuele aantrekkelijkheid wordt gedefinieerd. Damesbladen staan er vol van. De hele mode-industrie is ervan doortrokken, en die wordt heus niet alleen door mannen overeind gehouden. Er zijn na de feministen van weleer nog maar weinig vrouwen te vinden die per se uit de mode willen zijn.

    Het ontslaat de verlichte man van een schuldgevoel wanneer hij zich, uitgenodigd door een diep decolleté, onwillekeurig een beetje vooroverbuigt. Of wanneer iets langbenigs zich voordoet op een terras. Of wanneer een kledingstuk dat in een ver verleden bekend stond als hotpants (ontworpen en gepropageerd door een vrouw overigens, aan wie ook de uitvinding van de minirok wordt toegeschreven) geheel vanzelf de aandacht vestigt op een fraai gevormd achterwerk. En hoewel in onze contreien het fluiten van bouwvakkers met te veel rughaar vaak door vrouwen als vervelend wordt ervaren - het compleet negeren van de vestimentaire uitnodiging de vrouw te zien als ook een seksueel wezen wordt toch niet zelden als een belediging ervaren. Seks is dus wel degelijk de bedoeling.

    ...en bouwvakkersspleet

    In die zin is de boodschap die de vrouwen nu met hun Slut Walks geven op zijn minst wat verwarrend. Het lijkt wel alsof men het alleenrecht op de eigen seksualiteit claimt, met uitsluiting van de wijze waarop een man zijn seksualiteit beleeft. 'Wij zijn baas over ons lijf en beleven ook onze seksualiteit op onze manier', zo stelt men. Jawel dames, dat doen wij ook, alleen lijkt het ons iets wat je op zijn minst met zijn tweeën doet, en daar hoort in een heteroseksuele setting iemand van het andere geslacht bij. Als vrouwen ons op dezelfde manier als seksuele wezens zouden zien als wij hen, en bijvoorbeeld wat wazig zouden worden bij het zien van de bouwvakkersspleet - ik maak me sterk dat wij kerels allang in broeken liepen die maar de helft van onze dan natuurlijk keurig geschoren billen zouden bedekken.

    Dat staat natuurlijk los van de vraag of we het dan ook prettig zouden vinden als er door deze of gene naar hartenlust in geknepen werd. Maar het lijkt me dat we toch niet de vergissing zouden begaan de neiging van eventueel grijpgrage vrouwen (al eens zo'n roedel huisvrouwen gezien bij een optreden van de Chippendales?) met zoveel morele verontwaardiging te veroordelen als nu gebeurt met de uitspraken van een domme politieman. Het is vooral tegen die domheid dat we moeten protesteren, niet tegen het feit dat seksuele aantrekkingskracht een spel op gang trekt waarin eenieder zijn rol moet kunnen spelen. En ook iedereen 'ja' kan zeggen of 'nee', uiteraard.

  • Pin it!

    Giorgio Vasta

    Lang gezwoegd op de recensie over dit boek, me onderwijl er maar weer eens over verbazend dat een boek als dit internationaal blijkbaar succes heeft. Ondanks wat reserves hier en daar: dat lijkt me volkomen terecht. Maar er is veel van dit soort, als moeilijk gekwalificeerde literatuur dat nog maar met moeite in de winkels raakt wegens de inschatting van vlotte verkopers dat het volslagen onverkoopbaar zou zijn en voor 'het grote publiek' of 'de gemiddelde lezer' totaal ongeschikt. Helaas mag aan het feit dat Vasta het wél goed doet geen enkele conclusie verbonden worden.

    Ik nam tekst en opmaak over van De Reactor, waar het stuk net verscheen. 

    Het geweld van verlangen

     

    cover big

    Over De materiële tijd van Giorgio Vasta

    Vertaald door Marieke van Laake

    Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2011, 
    ISBN 9789028423480 / 319p. 

     




     

     ‘Ik ben een ideologisch jongetje, geconcentreerd en fel, een niet-ironisch, anti-ironisch, weerspannig jongetje. Een niet-jongetje’. Het zijn de wat merkwaardige woorden van de ik-verteller uit Giorgio Vasta’s succesvolle debuutroman De materiële tijd. Een jongetje inderdaad. Elf jaar oud is hij, net als zijn vrienden Scarmiglia en Bocca. ‘Elfjarige lezers van de krant, luisteraars naar het tv-journaal. Het politieke nieuws. Geconcentreerd en schurend. Kritisch, somber.’ Hij omschrijft zichzelf en zijn vrienden als ‘abnormale preadolescenten’.

    Daarmee trekt Vasta meteen wel een heel erg grote wissel op de willing suspension of disbelief bij de lezer, want het taalgebruik en de filosofische gedachtegangen van de personages, de verhevenheid van hun houding — ik kan het me voorstellen bij de intelligente en misdadige adolescenten die bijvoorbeeld Les-Faux-Monnayeurs van Gide bevolken, of bij de student Raskolnikov uit Dostojevski’s Misdaad en straf, en zelfs nog bij de in vergelijking met de vorige twee tamelijk onschuldige puber Holden Caulfield uit The Catcher in the Rye, maar niet bij de elfjarige jongetjes die Vasta hier opvoert. Niet dat elfjarige jongetjes de onschuld zelve zijn, maar tot het soort analyses dat de ik-verteller en zijn kameraden in dit boek maken, is geen elfjarige werkelijk in staat. Of het moest zijn dat we hier met drie wel zeer hoogbegaafde kinderen te maken hebben.

    In een interview tijdens het laatste Passa Porta Festival (gepubliceerd in De Leeswolf jaargang 17, nummer 4) zei Vasta daarover tegen Frans Denissen dat hij de leeftijd bewust gekozen had ‘omdat die leeftijd een soort limbus is’. Er dienen zich veranderingen op lichamelijk vlak aan (zoals de ontluikende seksualiteit), en op cognitief vlak is er sprake ‘van de geleidelijke bewustwording van een symbolische dimensie’, zo zei hij. ‘Als ze vijftien of zestien geweest waren, hadden ze te veel volwassen trekken gehad om nog een eigen realiteit tegenover de “gangbare” te stellen’.

    Ik weet niet precies welke boekjes over ontwikkelingspsychologie Vasta hier heeft geconsulteerd, maar bewustwording van de symbolische dimensie is er toch al wel wat vroeger. Een adolescent stelt misschien niet meer op dezelfde kinderlijke manier een eigen realiteit tegenover de gangbare , maar wat de ik-verteller, Scarmiglia en Bocca aan realiteit creëren heeft op zich niets kinderlijks meer. De voorwaardelijke wijs die meestal vooraf gaat aan de typische fomuleringen waarmee kinderen hun spel beginnen (‘Ik was de cowboy en jij de indiaan’), ontbreekt bij dit drietal volledig. Hun neiging de ‘eigen realiteit’ te verabsoluteren, hun gebrek aan relativeringsvermogen, is eerder puberaal dan kinderlijk.

    IRONIE

    Vasta creëert met zijn keuze voor deze ‘niet-jongetjes’ eigenlijk precies de — je zou kunnen zeggen: ironische – afstand waarvan zijn personages verlost willen worden. ‘Er is steeds meer ironie, te veel,’ stelt de ik-verteller,

    die nieuwe Italiaanse ironie die op elk smoelwerk schittert, in elke zin, die elke dag tegen de ideologie vecht, haar kop verslindt; binnen een paar jaar zal er niets meer van de ideologie over zijn, zal de ironie onze enige hulpbron zijn en onze nederlaag, onze dwangbuis, en zullen we, teleurgesteld, allemaal op dezelfde ironisch-komische toon zijn afgestemd en precies weten hoe de aanzet van de grap moet zijn, wat de beste timing is, hoe we de allusie ineens kunnen neutraliseren en laten doodbloeden, altijd participerend en afwezig, spits en ontaard: gelaten.

    Het is precies daartegen dat de drie jongetjes zich keren.

    Dat maakt van hen op het eerste gezicht typisch hedendaagse personages. Post-postmodern, om het met een lelijk woord te zeggen. En de passage over de alomtegenwoordigheid van de ironie lijkt ook geheel toegesneden te zijn op onze eigen tijd. Men hoeft bijvoorbeeld wat Italië betreft alleen maar aan Berlusconi en zijn bunga-bunga-politiek te denken. Toch gaat het verhaal niet in eerste instantie over de huidige tijd. Het boek speelt in Palermo in 1978, het jaar waarin in Italië de christendemocratische politicus en voormalige premier van Italië Aldo Moro werd ontvoerd en gedood door de Rode Brigades. Het was één van ‘de loden jaren’, de anni di piombo, jaren waarin niet alleen de Rode Brigades maar ook de Rote Armee Fraktion en nog vele andere extreemlinkse terreurgroepen actief waren. Tegen die achtergrond lijkt een combinatie van anti-ironie en gerichtheid op de ideologie bij de personages automatisch te moeten uitlopen op een verhaal waarin de politieke radicalisering van in dit geval dus elfjarige jongetjes het hoofdonderwerp is.

    MYTHOPOIETISCH

    Dat blijkt maar zeer gedeeltelijk het geval te zijn. De drie jongens flirten inderdaad met het jargon dat de Rode Brigades in hun communiqués gebruiken. ‘Hun communiqués zijn ingewikkeld, hun zinnen lang en sterk. Zij zijn de enigen in Italië die zo schrijven’, zegt Scarmiglia, de meest ideologische van de drie. ‘Ze geven materie aan het immateriële’, voegt hij er later nog aan toe — en dat is precies wat er volgens hem moet gebeuren: de ‘droom’ moet ‘hard en geometrisch worden en op de ideologie gericht zijn’, meent hij.

    Daarmee lijkt de gehate ironie gedefinieerd te worden als vooral een taalkwestie, als dat wat er kiert tussen taal en werkelijkheid, het lek tussen wat gezegd en wat gedaan wordt, tussen woord en betekenis. Het is vooral dat lek dat gedicht moet worden. Scarmiglia zoekt zijn heil via de Rode Brigades dan inderdaad vooral in een min of meer politieke dimensie, al is zijn droom vergeleken bij die van de Rode Brigades zelf eerder vaag, blijft hij beperkt tot verstoring en destructie van de bestaande orde zonder verdere bedoelingen. Voor de ik-verteller lijkt het niet om iets politieks te gaan, al laat hij zich aanvankelijk ver meevoeren door Scarmiglia’s betogen en plannen. Hij scheert zich kaal als blijkt dat Scarmiglia en ook Bocca dat hebben gedaan — iets wat op dat moment nog uitgelegd kan worden als reactie op een luizenplaag op school. Hij noemt zichzelf ‘kameraad Nimbus’ wanneer Scarmiglia zichzelf ‘kameraad Vlucht’ gaat noemen en Bocca zich herdoopt tot ‘kameraad Straal’. Hij doet mee met de kleine diefstallen die ze plegen op school, de vernielingen die ze op school aanrichten en ten slotte met brandstichting. En hij is meer dan medeplichtig wanneer hun gezamelijke logica hen er uiteindelijk toe brengt een medeleerling te ontvoeren, te martelen en te vermoorden — want dat is waartoe een en ander tot afschuw van de lezer uiteindelijk voert.

    Maar zijn inzet is een andere. Zijn belang is niet politiek, maar eerder existentieel van aard. Haast terloops vernemen we dat zijn moeder, ‘Touw’ genoemd, een vrouw is die voortdurend angst heeft voor besmettelijke ziektes:

    Touw die tegen me zegt dat ik niets moet aanraken, dat ik bij niemand te dicht in de buurt moet komen, dat ik hier moet blijven, achteraan, vooraan, die me streng aankijkt als ik een hond aai, want hij zal me in mijn hand bijten en in elke hond zit hondsdolheid, schuim en gekte, zoals in ijzer (…) de psychopathische bacterie zit, een micro-organisme dat ons haat, (…) en ijzer is overal.

    Zijn vader noemt hij ‘Steen’, een man die voortdurend bijbelteksten over de Dag des Oordeels voorleest — en dan is er nog een broertje dat ‘Katoen’ wordt genoemd, een ‘niet-verbaal organisme’. Zelf is hij ‘mythopoietisch’, zoals een onderwijzeres hem ooit heeft genoemd, een ‘woordenproduceerder’ die het gevoel heeft dat taal een epidemie is ‘waaraan je niet moest proberen te ontkomen’. Hij heeft het over zijn ‘sterke wil tot taal’ en omschrijft taal als ‘koorts van de keel’. Elders stelt hij: ‘Het plezier om in de zinnen te verkeren. De inspanning. De angst om de zinnen te verlaten’.

    Maar ondanks die angst is er wel het verlangen te genezen van datgene wat hem in en met taal infecteert, is er de behoefte aan eenduidigheid en helderheid. Dat uit zich aanvankelijk — en steeds onder invloed van Scarmiglia — in een ander gebruik van de taal. Met een in het Nederlands mooie dubbelzinnigheid zeggen de jongens dat zij in tegenstelling tot hun leeftijdsgenoten niet ‘dialectisch’ zijn, wat hier in de eerste plaats betekent dat zij niet het dialect spreken dat in hun woonplaats Palermo gebruikelijk is, maar Italiaans. ‘In het Italiaans praten (…), ingewikkeld praten, betekent voor ons weggaan’, stelt Scarmiglia, en de verteller voegt daar aan toe: ‘Weggaan door zinnen te bouwen. Je isoleren. Want de consequentie van onze manier van uitdrukken (…) is dat onze klasgenoten ons niet meer herkennen.’ Zo kunnen ze door te praten weggaan uit Palermo.

    Nog wat later ontwikkelen de jongens een geheel eigen taal, die ze ‘alfastil’ noemen. ‘Het gaat erom onze lichamen in ideogrammen te veranderen. Houdingen aan te nemen en die een betekenis toe te kennen. Op die manier creëren we een woordenlijst. Dan zullen we geen woorden meer met onze stem hoeven te zeggen want dat doen we dan met onze houding. En zinnen bouwen we door die houdingen met elkaar te verbinden’. Achterin het boek vindt men inderdaad een ‘geïllustreerd glossarium’ waarin de verschillende houdingen met hun betekenissen zijn afgebeeld.

    VERLANGEN


    Hoewel dit alles door Scarmiglia dus steeds in het politiek-ideologische wordt getrokken, lijkt het voor de ik-verteller meer te gaan om het verlangen om met taal uit de taal weg te raken, weg van de symbolische orde naar ‘het reële’ dat daarachter moet schuilen en dat door de taal ongrijpbaar blijft. Hij wordt verliefd op een doofstom meisje dat Wimbow heet:

    God weet wat er met mijn leven gebeurt als ik zo doof wordt als nu en de wereld tot een spook, een skelet degradeert, en terwijl ik op de rand van de drempel sta, is daar, tussen de open kast en de witte bolheid van de ijskast (…) alleen zij maar, zij die oeroud en toekomstig is, gewijde melancholie en innerlijke brand en involutie, rampzalige val van de taal, harmonie en barbaarsheid, helderheid en mysterie, en duisternis en warboel en versmelting, magma, voeding, as.

    Wimbow is voor de ik-verteller de beslissende factor in zowel de breuk met Scarmiglia en de politiek-ideologische invulling van zijn verlangen, als in de ontdekking van datgene waar het de ik-verteller eigenlijk altijd al om ging. Scarmiglia meent namelijk dat na de moord op een klasgenoot Wimbow het volgende slachtoffer dient te zijn. Het maakt dat de ik-verteller zich eindelijk van hem losmaakt. Bij diens vertoog had hij sowieso al steeds meer (verzwegen) bedenkingen.

    Want Wimbow is zoiets als het ideogram van zijn verlangen. Daarmee afrekenen is niet mogelijk. Zoals Scarmiglia zich tot ‘politiek gevangene’ wil laten verklaren, zo is hij ‘een mythopoietisch gevangene’. Hij ontdekt zijn verlangen in het meisje, én de noodlottige onmogelijkheid om het te vervullen. Wimbow vertegenwoordigt de realiteit van zijn eigen menselijk tekort, van zijn eenzaamheid en die van zijn in zichzelf gevangen ouders en broertje. Ze is zijn verdriet. ‘Waarom flitst de taal nog op, als ik alleen maar de stilte zou willen ingaan, jouw stilte, en huilen, ophouden er alleen al behoefte aan te voelen, en huilen?’ zo vraagt hij zich af.

    Daarmee legt Vasta iets op onze boterham dat misschien nog moeilijker te verteren is dan het gegeven dat elfjarige jongetjes tot gruwelen in staat zijn, of dat een verlangen naar maatschappelijke rechtvaardigheid tot extremisme kan leiden. Hij herleidt politieke aandriften tot existentiële benauwenis en vindt op de bodem van ons verlangen om daarvan verlost te worden de absolute rigoureusheid van een terrorist — of het nu gaat om het verlangen naar absolute rechtvaardigheid of om het verlangen het tekort in de liefde te overwinnen. De alfastil, zo zegt de verteller, was uiteindelijk niets meer ‘dan de zoveelste wanhopige taal waarin, voor mij, geen houding zit om liefde te zeggen, om te zeggen dat het alleen maar liefde was’. Het is dat wat aan De materiële tijd zijn werkelijke beklemming geeft. Het boek tracht een (taal)filosofisch probleem vlees en botten te geven (zoals in de bijbelteksten van de vaderfiguur). Het wil van zijn lezers hun eigen ideogram maken.

    Juist daarom is het zo spijtig dat Vasta hier voor elfjarigen heeft gekozen. De taal is exuberant, meeslepend, poëtisch, bij vlagen hallucinerend, en juist als je als lezer helemaal lijkt op te gaan in het verhaal, loop je telkens weer tegen het vervreemdende gegeven aan dat dergelijke jongetjes tot dit verbale vuurwerk onmogelijk in staat zijn. Alsof hij ons ook in literatuur wilde ontzeggen wat ons (net als zijn personages) in het leven wordt onthouden.

  • Pin it!

    In De Standaard

    Gisteren in De Standaard een meer lichtvoetige bijdrage aan wat je mijn bekommernis met de ondergeschoven positie van de literatuur in deze barre neo-liberale tijden zou kunnen noemen. Uiteraard ben ik niet naar Machelen-aan de Leie gefietst. Mijn aanpassing aan 's lands wijs is inmiddels zo ver gevorderd dat ik de ruim 20 kilometer gewoon per auto aflegde, onderwijl genietend van mijn walging over de lintbebouwing langs de N43 en me maar weer eens realiserend dat je Vlaanderen zoals het zichzelf wil zien alleen kunt waarnemen wanneer je op het juiste moment de juiste kant op kijkt. 

    screenshot_133.jpg


    Reve, anders bekeken

    • zaterdag 21 mei 2011

    Als een dichter wordt geëerd in de publieke ruimte, met een vers dat royaal wordt gepresenteerd maar niet bijster zorgvuldig? Dan wil schrijver MARC REUGEBRINK wel naar Machelen-aan-de-Leie fietsen.
    Machelen-aan-de-Leie heeft nu dus zijn eigen soap. Die draait rond de herdenkingsmuur voor Gerard Reve die als ‘poëtische decoratie' binnen het plan van de dorpskernvernieuwing werd geplaatst. Meer precies: die soap draait om het woordje ‘anders', het woord te veel in de tweede regel, ‘Er rest mij niets anders dan duisternis en Dood', van het in die muur gebeitelde gedicht. Het is iets waar ik wanhopig probeer niets achter te zoeken, al is de verleiding groot. ‘Anders' is te veel, ‘anders' moet doorgestreept, weggehakt. Hou me tegen of ik begin hier een betoog over het volkskarakter van de oer-Vlaming. Het is bijna te verleidelijk.
    Maar niet terecht, natuurlijk. Machelen-aan-de-Leie huisvest ook het Raveelmuseum, gewijd aan een kunstenaar die het ‘andere' niet schuwt. En wie even rondwandelt in dit misschien net iets te aangeharkte dorp komt er ook nog de ‘Muur der verbeelding' van die kunstenaar tegen. Dat is weliswaar een werk met veel spiegels (men ziet zichzelf overal opduiken), maar om nu te zeggen dat ook Raveel het eigene boven het andere stelt, gaat toch wat te ver.
    Het studiebureau van de gemeente maakt intussen overuren om het probleem van het woordje te veel op te lossen. Men had natuurlijk beter van tevoren wat meer tijd en aandacht besteed aan deze ‘poëtische decoratie'.
    Die zo poëtisch niet is. Het is een muurtje. Een lelijk muurtje zelfs. Over het gedicht laat ik mij niet uit. Als men per se de schrijver met een metselwerkje wilde vereren, waren hier andere dingen mogelijk geweest, en zelfs betere.
    Maar als eerbetoon aan de schrijver Gerard Reve lijkt me een en ander eigenlijk ook helemaal niet bedoeld. Een gemeentebestuur dat poëzie als decoratie gebruikt in het kader van dorpsvernieuwing kan sowieso van weinig affiniteit met literatuur verdacht worden. Als je het muurtje zo ziet, heb je de indruk dat die dorpskernvernieuwing het zwaarst heeft gewogen. 
    Het is niet Machelen dat hier Reve eert, maar Reve eert Machelen. Hij is bijna zoiets als een toeristische attractie: de zichzelf altijd als volksschrijver afficherende enfant terrible van weleer als welkome aanvulling op het beeld van Machelen als dorp waar kunstenaars zich thuis voelen. Reve samen met Raveel pal voor een imago waarvan in de rest van de vernieuwde en zich vernieuwende dorpskern geen spoor te vinden is. Meer iets ter ondersteuning van de plaatselijke middenstand dan een eerbetoon aan de schrijver die er neerstreek.
    In die zin is dit muurtje met zijn woordje te veel haast een symbool voor het dedain dat bestuurders in het algemeen voor cultuur hebben. Het is dat er nog businessmodellen bestaan die de aanwezigheid van cultuur als een pluspunt voor het ondernemersklimaat zien, anders was zij allang van de begroting afgevoerd.
    Om dat recht te doen, moet niet alleen het woordje ‘anders' uit het gedicht worden verwijderd, al dan niet door het uit de muur te kappen, zoals het studiebureau in een jolige bui bedacht. ‘Niets te verwachten, niets te hopen' – de beginregels van Reves gedicht hadden hier volstaan. De rest is een gapend gat.
    In: De Standaard, 21 mei 2011. 
  • Pin it!

    Hilsenrath

    media_xl_579904.jpg

    Het was om meerdere redenen een opmerkelijk bericht een paar weken terug: premier Erdogan van Turkije die een reusachtig beeld van Mehmet Aksoy in Kars laat afbreken omdat hij het 'monsterlijk' vindt én omdat het beeld islamitische heiligdommen zoals de moskee en graftombe van Seyyid Hassan El Harakani zou overschaduwen. Schaduw wierp het zeker, dat dertig meter hoge monument van vrede en broederschap — vrede en broederschap tussen het Turkse en Armeense volk welteverstaan.

    Esthetische kwesties staan nooit op zichzelf…

    Turkije weigert tot op de dag van vandaag de moord op honderdduizenden Armeniërs gedurende de Eerste Wereldoorlog als genocide te erkennen. De Turken in de rol van slachters. Vraag het de volkeren die er in de buurt wonen en iedereen zal met verhalen komen over de notoire wreedheid van de Turken, al schijnen de Koerden er ook wat van te kunnen (ja, en de Duitsers ook natuurlijk, en de Hollanders toen ze nog koloniën hadden, en de Belgen toen ze Leopold nog hadden en…). Maar zo staat het in de roman die Edgar Hilsenrath in 1989 over specifiek die Armeense genocide schreef: Das Märchen vom letzten Gedanken (vertaald als Het sprookje van de laatste gedachte). En juist dat beeld van Aksoy was als gebaar van verzoening bedoeld naar de Armeniërs, een handreiking aan een land waarmee tot voor kort (2009) geen diplomatieke betrekkingen bestonden.

    Maar het is dus monsterlijk — en ja, vrede en broederschap mogen vooral geen schaduw werpen op islamitische heiligdommen. Ik als eenvoudige geseculariseerde boerenlul zou denken dat het voor die heiligdommen een eer is wanneer ze zich mogen koesteren in de schaduw van een monument dat het menselijke bovenaan wil plaatsen — gezien het feit dat een bepaald soort beleving van godsdienst tot op de dag van vandaag aanleiding geeft tot bloedvergieten. Maar dat is altijd buiten hen gerekend die zeggen hun godsdienst te vertegenwoordigen.

     

    1.jpg

    Edgar Hilsenrath

    Hoe dat ook zij, over Hilsenraths roman schreef ik vorige maand voor De Leeswolf (jrg. 17, nr. 3, p. 171-173) en het stuk over die roman lijkt hier op zijn plaats.

     

    Van grijns naar grimas

     

    Op pagina 460 van Edgar Hilsenraths roman Het sprookje van de laatste gedachte (1989) staat iets wat je al lezend dan al enige tijd duidelijk was: ‘”En zo kunnen we alleen maar fantaseren over wat er is gebeurd,” zeg ik, de sprookjesverteller, tegen mijn schaduw. “Want soms zit er niets anders op dan de ultieme waarheid te zoeken in de fantasie.”’ Hilsenrath (1926) was er zich als holocaustoverlevende al eerder van bewust dat getuigenis afleggen van onvoorstelbare gruwel alleen lukt wanneer je een zekere distantie inbouwt: de distantie van de vorm. De waarheid wordt het best gediend met geloofwaardigheid. En geloofwaardigheid is een kwestie van vorm, van beheersing, van de juiste dosering. In zijn roman De nazi en de kapper (1971) koos hij zelfs voor satire om de holocaust in de verf te zetten — iets wat hem niet in dank werd afgenomen, uiteraard, net zomin als het al te harde realisme van Nacht, zijn debuutroman uit 1964.

     En zo deed ook de keuze voor het sprookje in Het sprookje van de laatste gedachte de wenkbrauwen fronsen. Niet de concentratiekampen van de nazi’s staan hier centraal, maar de Armeense genocide. In de jaren 1915-1916 werden om en nabij anderhalf miljoen Armeniërs op last de Turkse regering vermoord, een feit dat heden ten dage in Turkije nog steeds hevig wordt betwist. Zozeer zelfs dat de uitgever van de Turkse vertaling van het boek acht maanden gevangenisstraf kreeg wegens belediging van de Turkse staat en het Turkse leger. Dat laatste zou je als een bewijs kunnen zien voor de effectiviteit van de door Hilsenrath gekozen vorm, al valt te verwachten dat elk verhaal waarin de woorden ‘Turkije’ en ‘Armeense genocide’ voorkomen voor leger en regering van Turkije reden is om zich beledigd te voelen.

    De werkelijke reden waarom de gekozen vorm hier buitengewoon effectief is, heeft te maken met het gegeven dat in sprookjes zelfs de meest onwaarschijnlijke zaken als feit worden voorgesteld, of dan toch minstens als de beschrijving van hoe de wereld nu eenmaal in elkaar zit. Sprekende wolven en kannibalistische bejaarde vrouwtjes — niemand die zich er vragen bij stelt. Nu komen die in Hilsenraths roman niet voor, maar over de gebruiken, over regels, over manieren om de hand te lichten met die regels, over de wijze waarop uiteindelijk alles op een haast wetmatige manier willekeurig is (want afhankelijk van wie het voor het zeggen heeft), over de terloopsheid waarmee alles gebeurt en blijkbaar ook zonder al te veel drama wordt geaccepteerd als deel van het leven zoals het nu eenmaal is en ook altijd zal blijven — daarover komen we veel te weten.

    Redenerend vanuit de eigen westerse vooronderstellingen is veel van wat Hilsenrath beschrijft absurd te noemen, en daardoor ook niet zelden geestig — al is dat in sommige gevallen dan weer een wat ongepast woord als je ziet waar het om gaat. Bijvoorbeeld over de vanzelfsprekendheid waarmee een kersverse, goed vetgemeste bruid door Koerden wordt geschaakt omdat de ouders van het bruidspaar de bruidsbelasting niet hebben afgedragen. Ze zal verkracht worden nog voordat de bruidegom haar heeft ontmaagd. En daarna vermoord. Dat is nu eenmaal zo. Tenzij de ouders alsnog met een stuk of honderd schapen over de brug komen. Die ze niet hebben. Vijftig hebben ze er misschien. Voor twintig krijgen ze de bruid levend, maar verkracht terug. Maar in dat geval is de eer van de bruidegom voor altijd geschonden, en die van zijn kinderen. En van zijn kindskinderen. Dan kan ze nog beter worden vermoord, eigenlijk. Zo gaat dat. Al loopt het in dit geval dan toch nog goed af.

    Het sprookje van de laatste gedachte vertelt het verhaal van Wartan Kathisian, de vader van Thovma, met wie het boek begint. De laatste gedachte uit de titel is namelijk de gedachte die met de laatste angstkreet van de stervende Thovma naar buiten zweeft. Enig rekenwerk leert dat de roman dus eigenlijk in 1988 begint, 73 jaar nadat Thovma is geboren. Het is naar dat geboortejaar, 1915, dat die laatste gedachte, steeds in gezelschap van de sprookjesverteller, terugzweeft. Zij landt op een van de stadspoorten van de stad Bakir, ‘de stad van de duizend en één moskeeën’. Onder die stadspoort zijn enkele Armeniërs opgehangen: handwerkslieden, onschuldige burgers, máár Armeniërs. Dat is op dat moment al reden genoeg om gedood te worden.

    Ook Thovma’s vader is door de autoriteiten gearresteerd. Maar hij wordt niet onmiddellijk ter dood gebracht. De autoriteiten hebben eerst nog andere plannen met hem. Wartan is opgepakt op het moment dat hij, na twintig jaar in Amerika gewoond te hebben, naar zijn geboortestreek terugkeerde om zijn bruid op te halen. Het toeval wil dat hij eerst een tussenstop maakte in Serajevo precies op het moment (28 juni 1914) dat Gavrilo Princip de Oostenrijkse kroonprins Franz Ferdinand vermoordt — zoals bekend: het startsein voor de Eerste Wereldoorlog. De autoriteiten van Bakir willen Wartan deze moord in de schoenen schuiven en het geheel op het conto brengen van ‘het Armeens Wereldkomplot’ — een door henzelf  verzonnen samenzwering van Armeniërs die uit zouden zijn op de wereldheerschappij, of dan toch tenminste op de vernietiging van het Turkse rijk. De analogie met de ‘Protocollen van de wijzen van Sion’ ligt hier voor de hand.

    De ondervraging van Wartan is opnieuw zodanig absurd dat het meermalen clownesk wordt. De wijze waarop de ondervragers tot waarheid omvormen wat zijzelf zonder meer erkennen als je reinste leugen, de wijze waarop die ‘waarheid’ vervolgens in de mond van de ondervraagde wordt gelegd — een Beckett, Pinter of Pinget had het niet zo kunnen verzinnen. Wartan wordt tot clown gemaakt. Hij wordt geconfronteerd met een werkelijkheid die zo ver naast de feiten is, dat hij haar onmogelijk kan begrijpen. Zoals een clown niet de stoel naar de tafel, maar de tafel naar de stoel schuift. Het is van een tragiek waarbij je onwillekeurig in de lach schiet.

    Tegelijkertijd zet het je op een spoor naar wat misschien de meer verborgen bedoelingen van Hilsenrath met dit boek zijn geweest. Als zomaar een aanklacht tegen het Turkse volk lijkt het boek niet per se bedoeld te zijn. Wat opmerkelijk is, is dat hetgeen de Armeense genocide mogelijk maakte zo nauw verweven lijkt met de cultuur waarbinnen die plaatsvond. Het verhaal over de bruid en de bruidsbelasting — een verhaal dat losstaat van de genocide, maar gewoon een illustratie is van de wijze waarop de zaken gewoonlijk werden geregeld —  verschilt qua absurditeit niet van de verhalen over de wijze waarop de Armeniërs met honderduizenden tegelijk over de kling werden gejaagd. Er zit logica in hoe het één het ander voortbracht, al is het een logica die mijlenver lijkt af te staan van de onze.

    Wij, uit wat we de joods-christelijke cultuur noemen — wij blijven toch geneigd om de holocaust als een anomalie van onze cultuur te beschouwen, niet als iets wat ertoe behoort. Hilsenrath lijkt hier via de omweg van de Armeense genocide juist te willen zeggen hoezeer dat soort ontsporingen altijd deel uitmaken van de grondstructuur van de cultuur waarin ze optreden. Wat wij geneigd zijn absurd te vinden in en aan een andere cultuur en wat wij in onze eigen cultuur als anomalie beschouwen, is veel meer met onze cultuur verbonden dan we ons zelfs maar permitteren te denken. Niet voor niets legt Hilsenrath in zijn boek herhaaldelijk, zij het onopvallend, verbindingen met de praktijken van nazi-Duitsland. Er komen Duitsers voor in dit boek, die weliswaar hoofdschuddend, maar ook schouderophalend gadeslaan wat zich voordoet. En dan is er nog de bittere ironie van het slot van het boek: Wartan weet aan zijn ondervragers te ontkomen, raakt levensgevaarlijk gewond als hij tegen ieders advies in op zoek gaat naar zijn hoogzwangere vrouw, die dan inmiddels met honderdduizenden anderen door Turken en Koerden wordt opgejaagd (ze schenkt onderweg het leven aan Thovma, die wordt weggegeven). Wartan overleeft, zwerft na de Eerste Wereldoorlog door Europa, woont tijdens de Tweede Wereldoorlog in Zwitserland, trekt met een speciale pas naar Polen om iemand te helpen, en wordt daar bij vergissing opgepakt, afgevoerd naar een concentratiekamp en vergast.

    De absurditeit van wat je de etnografische kant van de roman kunt noemen, geeft ons even het superieure gevoel dat we boven het beschrevene staan en er gemakkelijk over kunnen oordelen. Maar die absurditeit keert als een boemerang in ons eigen gezicht terug. Misschien juist omdat Hilsenrath het ons door de keuze voor het sprookje onmogelijk maakt om op onze typisch westerse manier verontwaardigd of ontsteld te zijn over wat we lezen, worden we hier als lezers zelf in de positie van de clown gedwongen. De lezer moet wat hij niet begrijpt accepteren als de realiteit. Of misschien is de lezer hier beiden: clown en toeschouwer, de om de absurditeit grinnikende toeschouwer die zijn grijns tot grimas voelt verstarren zodra tot hem doordringt dat er tussen dat absurde en zijn eigen gevoel voor normaliteit nauwelijks een afstand bestaat.

    Edgar Hilsenrath, Het sprookje van de laatste gedachte. Vertaling Els Schippers. Anthos, Amsterdam 2010. 494 p. 

  • Pin it!

    Vandaag in De Standaard

    screenshot_129.jpg

    En alweer stuiten we erop, de verwarring tussen kwaliteit en kwantiteit: ‘Winnaar niet altijd bestseller’, zo kopte deze krant gisteren, en: ‘Kan Yves Petry de Nederlandse boekhandel overtuigen?’ In het huidige tijdsgewricht is dit dreigende taal. Voor je het weet besluit de organisatie van de Librisprijs dat niettegenstaande de bevindingen van de jury Petry dan toch niet ‘de juiste winnaar’ is geweest. En wie weet besluit ze dat er voortaan alleen nog Bekende Nederlanders, één excuustruus en één dito Vlaming in de jury mogen zitten. Zolang ze maar uit het milieu van het light entertainment komen, zodat het risico dat ze plotseling serieus over literatuur gaan praten tot een minimum wordt beperkt. Of deden ze zoiets alleen in de organisatie van wijlen de Gouden Uil?

    Dat Yves Petry met De maagd Marino de Librisprijs heeft gewonnen kun je, zonder daarmee iets over de andere genomineerden te willen zeggen, gerust een triomf van de literatuur noemen. Petry is een schrijver die doordrongen is van het besef dat in literatuur vooral de stijl bepalend is voor de inhoud — hoezeer we inmiddels ook in een klimaat leven waarin ‘het verhaaltje’, ‘de anekdote’ of ‘het onderwerp’ blijkbaar bepalender zijn. De gedachte dat het in literatuur om ‘inhoud’ zou gaan, getuigt ‘van een volslagen onbegrip van wat literatuur is en zijn moet’, zo schreef Petry daarover ooit op een blog van de Volkskrant die hij na het winnen van de BNG-literatuurprijs voor De achterblijver (2006) een weeklang bijhield. En met de hem kenmerkende humor voegde hij daar aan toe: ‘Jawel, tolerante, ruimdenkende lezer: zijn móét’.

    Hij overdreef ongetwijfeld. Petry is nooit een leverancier van enkel stijlbloempjes geweest. Integendeel, de zwaarste kritiek op zijn boeken was in het verleden dat hij te veel filosofeerde (het is ook nooit goed). Maar een literair schrijver is zich er meer dan bijvoorbeeld een journalist van bewust dat het ‘hoe’ van wat hij schrijft bepalend is voor het ‘wat’. ‘Zonder stijl is er geen avontuur, niet voor de lezer en zeker niet voor de schrijver’, aldus Petry. En een feit is dat wie met voorkennis van, of zelfs enkel vanwege de aanleiding aan De maagd Marino begint (het verhaal van de Duitser Armin Meiwes, die in maart 2001 Bernd Jürgen Brandes op diens eigen verzoek doodde en opat), een verhaal te lezen krijgt dat hij of zij op basis van die aanleiding niet had verwacht.  

    Wat zou het mooi zijn als nu na de bekroning juist het literaire aspect van Petry’s boek eens aan bod kon komen in plaats van het gebruikelijke gezever over verkoopcijfers en ‘de gemiddelde lezer’, die altijd wat schimmige, op basis van steekproeven en andere statistische fijnzinnigheden tot stand gekomen moloch waarmee de cijferaars van het boekbedrijf iedereen telkens weer de mond willen snoeren. Als er iets achter al die grote prijzen tevoorschijn komt, dan is het toch wel dat men het liefst heeft dat reeds bekende (lees: goed verkopende) schrijvers hem winnen. Onbekende winnaars krijgen steevast te horen dat het ‘niet goed is voor de boekhandel’ dat zij met de eer gingen lopen. Ze moeten — ook nu weer — blijkbaar onmiddellijk gekleineerd worden.

    Het kan zijn dat De maagd Marino de honderdduizend niet haalt, maar de achterliggende gedachte dat het daarom dus ook onterecht bekroond zou zijn — al is er natuurlijk als puntje bij paaltje komt niemand die dat met zoveel woorden gezegd wil hebben — is misselijkmakend. Het laat zien hoezeer alleen nog de kwantiteit regeert in een wereldje dat het volgens de door haarzelf gehanteerde businessmodellen toch vooral van kwalitatieve ‘content’ moet hebben. In zowat elk model waarmee het boekbedrijf werkt, staat de schrijver vooraan. Zonder schrijver geen boek. Maar de verkoopafdelingen van de huidige monsteruitgeverijen zijn allang niet meer alleen bezig met het aan de man brengen van boeken. Ze zijn even hard bezig met druk zetten op de schrijver, omdat blijkbaar al op voorhand vaststaat wat wel en niet verkoopt. De auteur zou zich daar maar beter naar voegen.

    Jury’s hebben de absolute wijsheid niet in pacht. Een andere jury had uit de 164 gelezen boeken mogelijk een andere winnaar gekozen. Maar voorlopig lijken de jury’s van de grote literaire prijzen nog steeds vooral een hinderpaal voor de bedoelingen van de sponsoren. Ik kan in het geval van De maagd Marino alleen maar hopen dat die schimmige ‘gemiddelde lezer’ de boekhouders van het boekbedrijf grandioos te kakken zet. Dat hij zich niet door deze feitelijk aartsconservatief denkende elite laat vertellen dat hij niet avontuurlijk is of laat voorschrijven wat hij wil lezen. De maagd Marino is niet alleen die ‘gemiddelde lezer’ waard, die lezer zelf is ook heus De maagd Marino waard.

    In: De Standaard, 12 mei 2011

  • Pin it!

    Vandaag in De Morgen

    screenshot_127.jpg 

    Opvoeden is shoppen

    Ouders sturen hun kinderen massaal naar de logopedist, schreef De Morgen gisteren. Alles voor ons kind, meer dan ooit. 
    •  Onze ouders wilden dat wij het beter hadden dan zij. En nu willen wij niet minder dan das Überkind. En alles wat dat bedreigt, dient uit de weg geruimd  
    Kent u die paniek ook? Uw baby schijt zeven kleuren stront en er is geen opvoedingsboekje te vinden waar in staat wat u nu precies moet doen. Drie kleuren, daar is nog wel wat over te vinden - maar zeven! En wat te doen als uw kind huilt? De vakliteratuur stelt dat u het in een dergelijk geval niet moet schudden - daar zijn de experts het wel over eens. Maar dan? In zijn sop gaar laten koken zou wellicht onherstelbare schade aan de kinderziel kunnen toebrengen. En het is ook niet de bedoeling dat u met toenemend ongeduld blijft vragen waarom het in godsnaam zit te janken. Om schijnbaar niks dan ook nog! Beter eens een afspraak maken met de kinderpsychiater. Voorkomen is beter dan genezen.

    En dan: moet uw kleuter niet al een beugeltje? De tandarts vindt van wel, eigenlijk. Want stel u voor dat het later (later...!) één tand scheef heeft staan, of zo'n fietsenrek heeft - daar gaat zijn carrière! En nu we het daar toch over hebben: wat moeten we aan met dat koeterwaals en verkavelingsvlaams, om nog maar te zwijgen over die West-Vlaamse keelklanken? Tot de N-VA eenduidig heeft vastgesteld wat we precies onder 'het Vlaams' dienen te verstaan, lijkt het verstandig ons kind bij de logopedist toch alvast van de ergste spraakgebreken van ruraal Vlaanderen te verlossen. De logopedist vindt in ieder geval van wel.

    Utopieën
    Onze kinderen, de gasten, de kids, zoals het in bakfietskringen ook wel heet - we zijn er vandaag de dag meer dan ooit mee begaan. Geen kwaad woord over onze (groot)ouders. Die wilden vooral dat hun kinderen het beter zouden hebben dan zijzelf - en dat bedoelden ze materieel. Maar nu we het beter hebben, willen wij voor onze kinderen niets minder dan de perfectie. Wij willen das Überkind, zeg maar. Alles wat dat beeld ook maar enigszins bedreigt, dient uit de weg geruimd. Er zijn al ouders die naar de rechter stappen als hun kind op school een onvoldoende krijgt, of het advies een ander schooltype te kiezen.

    Hoe komen we eigenlijk aan dat beeld van het perfecte kind? Ideaalbeelden hebben misschien niet altijd bestaan, maar zeker sinds Rousseau (1712-1778) is er een bloeiende handel in opvoedingsutopieën. Tot nu toe zijn we meestal ondanks die utopieën gewoon opgegroeid, misschien vooral omdat er naast pedagogen ook altijd, vooral moeders hebben bestaan (vaders doen nog maar recent mee). Opvoeden was ook gewoon een kwestie van tradities en instinct. Nee, dat ging niet altijd goed. Ouders gedroegen zich niet altijd even redelijk en al helemaal niet volgens de door wetenschappers, artsen, pedagogen en andere specialisten voorgeschreven regels. En nee, dat pakte ook niet altijd even goed uit. Maar het is een illusie te denken dat dat met al die professionele en therapeutische omkadering anders is.

    Als al die opvoedingsutopieën uit het verleden ons iets hebben duidelijk gemaakt, dan is het wel dat ze, minstens voor een deel, modeverschijnselen waren. In de jaren zestig van de vorige eeuw wilden we kinderen die zich, bevrijd van de druk van traditionele waarden, tot 'mondige burgers' ontwikkelden. Maar die generatie vergat na het opruimen van de traditie zelf nieuwe waarden te formuleren. En daarmee leverde ze de opvoeding uit aan de markt. Er is niet werkelijk meer iets waarop we ons kunnen beroepen.

    Met het gevolg dat het opvoeden zelf nu een kwestie van shoppen is geworden. Daarbij laten we ons leiden door wat goed in de markt ligt, of door wat ons als zodanig wordt voorgespiegeld door lieden die nog andere belangen hebben dan enkel de zuivere kinderziel. Daarom hebben zoveel kinderen ADHD. Of dyslexie. Dat sommige rilatineslikkers misschien ook domweg slecht opgevoede ettertjes zijn en anderen gewoon niet zo goed kunnen lezen, het past niet in het plaatje.

    Hoe het dan moet? Het meest voor de hand liggende antwoord voldoet niet: terug naar vroeger. Het enige wat men als radeloze ouder doen kan, is zich bewust zijn van wat er gaande is en bijvoorbeeld met man en macht trachten de verdere vermarkting van onder meer het onderwijs een halt toe te roepen. Ik zie nog niet snel een partij die dat in haar programma heeft.

    En verder is er nog uw instinct. Diep in uzelf weet u heus wel dat die zeven kleuren stront gezien de hippe hedendaagse babyvoeding die het kind tot zich nam, eigenlijk nog meevallen. Het hadden er nog veel meer kunnen zijn.
  • Pin it!

    Uit het reservaat

    Inmiddels bereikte mij via via en ook via het kabinet van Vlaams minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur zelf de volledige tekst die Joke Schauvliege op 21 april tijdens 'De Staat van het Boek' heeft uitgesproken (ze is hier te downloaden). Daarin refereert ze inderdaad aan, zo blijkt nu, het opiniestuk dat ik begin deze maand in De Standaard publiceerde, maar niet zozeer om wat ik daar heb beweerd tegen te spreken, zoals mij eerder was gemeld door iemand die daar aanwezig was. Dat literatuur een steeds geringere rol speelt in de publieke ruimte en binnen het maatschappelijk debat, zoals ik (uiteraard zeker niet als eerste) in dat stuk stelde; dat literatuur niet langer het trotse middelpunt is van wat er nog resteert van het westerse cultuurideaal en naar een reservaat is verdreven — het zijn en waren voor mij feitelijkheden die, zo blijkt, de minister in haar lezing ook als zodanig erkent. 'De ontlezing, de verkoopcijfers van kookboeken en drukke Facebook-activiteiten — die de schrijvers zelfs van zich zelf aanklagen! (Komrij) — geven hem gedeeltelijk gelijk,' stelt ze refererend aan mijn opiniestuk. En ze vervolgt: 'Maar wat kunnen we en zullen we als overheid daaraan doen?'

    boek.jpg

     

    Inderdaad is dat al sinds het idee van het literatuureservaat opdook de grote vraag: wat we er aan of er tegen kunnen doen. Ik werd er eigenlijk voor het eerst mee geconfronteerd in de persoon en opvattingen van Arnold Heumakers toen hij in 1990 gastcriticus was aan de Faculteit der Letteren in Groningen, waar ik werkte aan een dissertatie (u weet wel, zo'n proefschrift dat in een van de bij een laatste verhuizing niet meer, nooit meer uitgepakte verhuisdozen op zolder ligt te verstoffen: bijna 200 pagina's zijn het in mijn geval, inmiddels hopeloos achterhaald). Hij hield daar toen een drietal lezingen die later gebundeld werden in Onleefbare waarheden (De Prom, Baarn 1990) en verkondigde opvattingen waartegen ik hevig in het geweer kwam — onder andere in De Gids, jrg 157, 9, oktober 1994, P. 712-721, waarop Heumakers reageerde in De Gids, jrg. 158, 2, februari 1995, p. 92-96, en ik nog eens in De Gids, jrg. 158, 3, maart 1995, p. 240-244; in De inwijkeling bewerkte ik een en ander in een essay dat (net als mijn eerste Gids-bijdrage) 'Dichter tegen historicus' heette (p. 48-73).

    Destijds vond ik zijn analyse van wat je de staat van de republiek der letteren zou kunnen noemen te veel gedacht vanuit het perspectief van de historicus die Heumakers van huis uit is. Een historicus staat altijd aan het einde van de geschiedenis die hij beschrijft, maar een schrijver staat altijd aan het begin van de geschiedenis die hij schrijven gaat, heb ik toen ongeveer geschreven. Voor Heumakers was literatuur vooral een historisch verschijnsel geworden, zo interpreteerde ik zijn standpunt. 'Daarmee wordt de gedachte dat literatuur een belangrijke rol speelt als een van de constituerende elementen van onze cultuur opgegeven', schreef ik; literatuur is voortaan wat zij is binnen een werkelijkheid die is wat zij is; ze is feitelijk post-literair.

    Post-literair is de literatuur natuurlijk alleen wanneer je uit blijft gaan van het literatuurbegrip zoals we dat grofweg sinds de Romantiek hanteren, en dat is precies wat er nu al jarenlang botst. In de huidige werkelijkheid — pardon: in de huidige voorstellingen ervan — handhaaft het (romantische) literatuurbegrip zich alleen nog als het in feite overleefde restant van een wereldbeschouwing die we achter ons gelaten zouden hebben, die in ieder geval vandaag de dag zijn geldigheid heeft verloren. Wie dus dat in se romantische literatuurbegrip blijft verdedigen (en ikzelf en het merendeel van de schrijvers doen dat vandaag de dag nog steeds), verzet zich tegen de huidige (laten we zeggen: neo-liberale) voorstelling van de werkelijkheid.

    Heumakers had het destijds, genuanceerder en specifieker, over een 'conglomeraat van waarden en praktijken waarop nog het beste het etiket utilitarisme kan worden geplakt. Een utilitarisme met als politiek gezicht de parlementaire democratie.' Bij die waarden en praktijken gaat het om de gerichtheid op nut, rendement, winstbejag, rationaliteit , efficiency en de weg van het midden, 'terwijl het democratische gezicht staat voor vrijheid, gelijkheid en wat in de praktijk misschien nog wel het belangrijkste is: machtsdeling', aldus Heumakers. Dat wat literatuur (sinds de Romantiek) voorstond — de nadruk op het heilige, soevereine, ongrijpbare en irrationele — was daarmee volgens Heumakers niet verdwenen, maar zou zich hebben teruggetrokken 'in het autonome domein van de literatuur, waar ze — door die autonomie beschermd — een kunstmatig leven zijn begonnen dat voortduurt tot op de dag van vandaag'. Onleefbare waarheden, met andere woorden. Het reservaat waarover het steeds gaat.

    Misschien moet ik dat 'romantische literatuurbegrip' nog eens wat nader invullen en vooral nuanceren. Het is voor mij niet meteen verbonden met een specifieke poëtica, zoals woorden als 'heilig', 'soeverein', 'ongrijpbaar' en 'irrationeel' wel suggereren (we zitten dan toch vooral in de hoek van de avant-garde). Het gaat me denk ik zelfs minder om inhoud dan om het feit dat literatuur sinds de Romantiek een onmiskenbaar ideologisch karakter heeft. Anders gezegd: literatuur geeft sinds die tijd niet langer een objectieve, een van God gegeven werkelijkheid weer (de gedachte dat die zou bestaan wordt sinds die tijd immers — ook ver buiten de literatuur — als achterhaald beschouwd), maar desalniettemin is ze gericht op werkelijkheid. Ze projecteert (een gewenste) werkelijkheid. Nog anders: is niet alleen werkelijkheidsvoorstelling, maar ook werkelijkheidsvoorstel. In die zin staat ze altijd in een bepaalde verhouding tot de politieke en maatschappelijke werkelijkheid van de tijd waarin ze geschreven wordt. Dat kan negatief, kritisch zijn, maar dat hoeft niet per se. Er is vandaag de dag geen enkele werkelijke grond meer om de  consumentistische literatuur, de literatuur die louter entertainment wil bieden en die schijnbaar naadloos aansluit bij het alomtegenwoordige marktdenken, van de literatuur in algemene zin uit te sluiten.

    Een dergelijke invulling van wat ik het 'romantische literatuurbegrip' noem, maakt het wat makkelijker om na te denken over hoe ik me verhoud tot dat irrationele, ongrijpbare, heilige en soevereine dat volgens Heumakers (en veel anderen) het prerogatief van de kunst is, zij het tegen de prijs van haar onbeduidendheid in politiek-maatschappelijke zin: de kunstenaar die vrijelijk alles mag zeggen (in zijn kunst) en daarmee eigenlijk monddood wordt gemaakt, of zichzelf monddood maakt. Wat ik me namelijk al tijden afvraag is of precies dat irrationele etc. wel de invulling van de kunst en literatuur zou moeten zijn als ze in de huidige samenleving nog een rol van betekenis wil spelen. Ik zie een schrijver in de eerste plaats als een moralist — ook wanneer hij dat zelf niet zou willen zijn. De koudwatervrees in literaire en artistieke kringen voor juist dat morele aspect, spreekt wat mij betreft boekdelen. Voor mij heeft het geen pejoratieve bijklank, omdat ik dat moralistische niet opvat als uitdrukking van een moraal die op voorhand vastligt, maar als juist het zoeken naar morele begrenzing. Literatuur en kunst als uitdrukking van de bevrijding van een overleefde moraal — juist dat lijkt mij heden ten dage een overleefd concept geworden. Dat de literatuur van de negentiende en twintigste eeuw daar een belangrijke en ook noodzakelijke rol in heeft gespeeld, moge duidelijk zijn, maar juist die rol is nu uitgespeeld, zo is mijn indruk. Volgens mij moet literatuur niet langer streven naar negatie en het subversieve, maar moet het vanuit de feitelijke situatie waarin de moraal is vervangen door de zogenaamde moreel-neutrale principes van de markt weer op zoek naar wat ons begrenst.

    Uiteraard is dit heel wat anders dan wat de minister van plan is wanneer ze stelt uit het reservaat te willen breken naar de rest van de wereld. Dat kan ook niet anders. Ze heeft het onder andere over het bevorderen van leesplezier, maar zolang dat wordt overgelaten aan didactici die plezier alleen definiëren als de weg van de minste weerstand, zet dat geen zoden aan de dijk. Ze neemt op dit punt zelfs een argument over van precies deze pedagoochemerds wanneer ze stelt dat kinderen en jongeren systematisch een aversie opdoen voor literatuur vanwege gedateerde leeslijsten die niet aansluiten bij hun leefwereld. Ze vergeet dat dit soort argumentatie alleen maar leidt tot nog meer bevordering van Harry Potter en aanverwanten, tot datgene wat marketeers verkoopbaar achten. Niets tegen Harry Potter, maar er is meer in de (belevings)wereld dan pubers door gladde commerçanten wordt voorgespiegeld en dan ze zelf voor mogelijk houden. Wie opvoedt moet niet bang zijn om te zeggen dat hij bepaalde dingen beter weet dan degene die hij opvoedt. Je moet ze dat ook niet allemaal vrijelijk laten kiezen, maar de moed hebben het op te leggen. Leesplezier staat niet los van de nodige basiskennis en houdt ook verband met leeservaring.

    Verder gaat veel van wat ze zegt over 'de boekensector' — maar dat heeft maar zijdelings met literatuur te maken. Dat die boekensector zich niet per se voor literatuur sterk maakt, zien we nu al geruime tijd. Het gaat hier om de economische positionering van de boekenwereld — en tot nader order lijkt juist die invalshoek vooral verantwoordelijk voor een juist steeds verdergaande marginalisering van de literatuur.

    Ik ben eigenlijk wel nieuwsgierig naar de slotbeschouwing die Tom Naegels op de Staat van het Boek uitgesproken zou hebben, een auteur immers die van meet af aan laveert tussen wat strenge avant-gardisten en verweesde esthetici van de literatuur eisen en wat de journalistiek ervan verwacht.

  • Pin it!

    Ondertekening

    Ik heb iets ondertekend. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. De tijd van eenduidige petities voor eenduidige zaken is al heel lang voorbij en daarmee ook de tijd van even doorbijten, flink zijn en instemmen. Zelfs over het lidmaatschap van PEN Vlaanderen moest ik even nadenken toen mij dat recentelijk werd aangeboden. Als lid zou ik immers te allen tijde het ideaal ‘van één mensheid die in vrede leeft in één wereld’ moeten verdedigen, aldus het PEN-charter. Nu wil ik dat wel. Graag zelfs. Wie niet? Wereldvrede is het verlangen van elke aspirant Miss België, Miss World en Miss Universe, dus waarom niet van mij? Maar is een dergelijk ideaal niet al bij al te futiel en krachteloos in een wereld die zich er sinds het ontstaan van de mensheid steeds ver van verwijderd heeft gehouden? Idealen die al op voorhand onrealistisch lijken — of toch zo zijn geformuleerd — zijn maar al te vaak een excuus om bij de pakken neer te gaan zitten.

    En dan was er nog in datzelfde charter de eis dat ik de ‘beknotting van de vrije meningsuiting’ zou bestrijden — en alweer: natuurlijk wil ik dat wel, maar in een klimaat waar meningsuiting en commercieel belang aan elkaar gekoppeld zijn, is het begrip zelf niet onproblematisch. Gelukkig vermeldt het PEN-charter ook: ‘omdat vrijheid ook de vrijwillige beperking ervan impliceert, verbinden de leden zich ertoe om zich te verzetten tegen de uitwassen van een vrije pers, zoals leugenachtige artikels, opzettelijk valse verklaringen en de verdraaiing van feiten teneinde er politiek of persoonlijk voordeel mee te halen’. Ik weet nu al een paar websites die ik graag op een volgende ledenvergadering van de PEN ter sprake zou willen brengen als voorbeelden van dergelijke uitwassen. Dat we daar eens de strijd mee aanbinden! En verder moet het afgelopen zijn met de Joepie, de Story en met Showbizz Bart natuurlijk.

    Dus ja, uiteindelijk ondertekende ik dat charter. Maar dat bedoelde ik niet toen ik schreef dat ik iets heb ondertekend. Ik bedoelde dat ik recentelijk voor het eerst sinds lange tijd weer eens een heus manifest heb ondertekend. Je moet maar durven. ‘De tijd van manifesten is voorbij’, zo luidde het in de jaren negentig, en ik heb bijna aan den lijve mogen ervaren wat het betekent als je bijvoorbeeld als lid van een tijdschriftredactie samen met andere redactieleden de euvele moed had nog eens zoiets als een manifest te schrijven, al heette dat in managerstermen toen al een ‘mission statement’ en was het feitelijk niet meer dan een poging de eigen positie te bepalen in het algemeen culturele en literaire landschap van die dagen. Dat er achter het anything goes dat publiekelijk beleden werd in feite allerlei uitsluitingsmechanismen werkzaam waren, bleek uit de wijze waarop dat statement door de zelfverklaarde vertegenwoordigers en bewakers van het vrijheid-blijheid-laat-maar-waaien in verband werd gebracht met de bestrevingen van dictators, oorlogsmisdadigers en andere bedenkers en plegers van volkerenmoord en groepsverkrachtingen. Anything goes, behalve wat niet in de kraam te pas komt, laat staan datgene wat dat anything goes zelf tegen het licht houdt. Wat men dan naar zijn hoofd krijgt…Het spreekt vanzelf dat deze verschrikkelijk open geesten het tijdschrift nooit lazen.

    Het manifest waarover het gaat, heet ‘Manifest voor een nieuw kunstbegrip’ (men kan het onder meer hier lezen en ondertekenen). Het werd geschreven door Peter Adriaansz, Maarten Altena, Rosalie Hirs  en Samuel Vriezen  — vier componisten waarvan er twee (Vriezen en Hirs) ook dichter zijn. Ze nemen afstand van ‘de kaping van het kunstbegrip door de beleidsmakers en kunstmanagers die beweren namens ons te spreken’, zo stellen ze, en vervolgen: ‘Met de ongetwijfeld beste bedoelingen spreekt deze managerselite een taal die intussen het kunstbegrip zelf steeds verder aantast en uitholt. Al jaren vergiftigt dit jargon het spreken over kunst in het publieke debat’.

    Het valt niet moeilijk daarmee in te stemmen. Ik heb het hier nu al herhaaldelijk gehad over degenen die binnen de literatuur in feite het hoogste woord voeren, maar die in wat ze vervolgens zeggen nergens blijk geven ook maar een begin van besef te hebben van wat ze precies aan de man of vrouw proberen te brengen; ze hebben het in ieder geval nooit over literatuur. Nog maar vorige week was er weer eens ‘De Staat van het Boek’ — een samenscholing van binnen ‘het veld’ werkzame ‘spelers’, zoals dat geloof ik in het jargon heet. Het meest opvallend aan die samenscholing vind ik altijd dat iedereen er het woord neemt, behalve de schrijver. Die doet in dat soort gesprekken domweg niet mee. Wat hij te zeggen zou hebben zou het onderonsje van boekverkopende, boekpromotende, boekomkaderende en boekbeleidsmatige lieden ook danig kunnen verstoren, vrees ik. Ik vernam nog wel dat minister van cultuur Joke Schauvliege in haar voordracht gerefereerd moet hebben aan iets wat ik op deze weblog, of misschien eerst in de krant geschreven heb, maar dat alleen om het flink tegen te spreken. Het is me nog niet duidelijk wat ze precies citeerde. Maar als ik was uitgenodigd, ik zou misschien hebben kunnen reageren.

    Nee, wie op De Staat van het Boek bijvoorbeeld wel aan het woord komen, zijn uit de nek lullende kletskoppen als de zich (hou u vast) ‘en-ter-tain-ment-ad-vo-caat’ noemende Hans Bousie die, volgens mijn zegslieden, de helft van zijn spreektijd eerst besteed zou hebben aan het schetsen van zijn loopbaan, om zich daarna (zo bleek uit een interviewtje in De Standaard van 22 april) ineens te ontpoppen als Ziener van dienst. ‘De boekenwereld mag een revolutie verwachten’, zo las ik in de krant.

    Tiens. Een revolutie nog wel… En wat kunnen we qua ‘revolutie’ van deze en-ter-tain-ment-ad-vo-caat dan precies verwachten? Juist ja, nog meer gerichtheid op de werking van de markt. Als ik het niet dacht.

    Ik noem dat geen revolutie. Ik noem dat versteviging van de dictatuur van de markt — of klink ik nu weer als zo’n manifestenschrijver van de oude stempel? Het is stram in de pas lopen met ‘wat nu eenmaal het geval is’ uit gebrek aan fantasie, creativiteit en vooral moed, al klinkt het misschien op het eerste gehoor behoorlijk wild wanneer zo’n meneer stelt dat het goed zou zijn om bijvoorbeeld een wijnproeverij met Tom Lanoye te organiseren. Zoiets idioots had inderdaad niemand zien aankomen. ‘Lady Gaga vult met gemak een Sportpaleis, maar Tom Lanoye niet, hoewel hij een populaire auteur is’, zo stelt hij. ‘Een strategie kan zijn om op zoek te gaan naar interesses van auteurs en die uit te spelen. Stel dat Lanoye van wijn houdt, dan zou zijn uitgeverij een wijnproeverij met Tom Lanoye kunnen organiseren’.

    Nu even afgezien van het feit dat je met zo’n avondje ook geen Sportpaleis gevuld krijgt — dit is weer het gebruikelijke geleuter van mensen die over literatuur sprekend zich niet voor literatuur sterk willen maken, maar integendeel de literatuur meer en meer als hinderlijk bijberoep zien van hen die beter met wijnavondjes het publiek zouden vermaken. Ik zou in Lanoye’s plaats beledigd zijn. Ik denk dat hij heel goed weet waar hij van houdt en hij heeft al meer dan voldoende bewezen dat hij in staat is gebleken om die liefde aan een groot publiek verkocht te krijgen: zijn literatuur, zijn theater, zijn poëzie. De publieke figuur Lanoye is geen wijnkenner; hij is schrijver — literair schrijver ook nog eens. Akkoord, ik heb hem op tv ook al eens in weinig flatterende zwemkledij in een bubbelbad zien dobberen met een of andere Bekende Vlaming — maar zelfs daar bleef hij toch vooral drijven als schrijver, en niet als “Sauna Tommy” die zijn publiek vooral betrekt uit mensen die liever in stoombaden zitten dan in het theater of thuis onder de leeslamp.

    Ik vraag me altijd weer af waarom mensen als Bousie menen dat ze zich met literatuur bezig moeten houden. Misschien omdat hij als advocaat in literaire kringen nog de meeste verongelijkte zielen aantreft, zodat er daar mogelijkerwijs nog iets te halen valt? In ieder geval is hij een schoolvoorbeeld van iemand die het kunstbegrip uitholt.

    En dat doen inderdaad ook de beleidsmakers. In cultuurnota’s wordt gewoonlijk een bargoens gesproken dat iedere in kunst en letteren geïnteresseerde geest sowieso al draaierig zou moeten maken, en tegenwoordig komen degenen die dergelijke cultuurnota’s bestellen of opstellen er ook openlijk voor uit dat kunst en cultuur ze geen ene reet interesseert (ik denk dan in de eerste plaats aan een schertsfiguur als Halbe Zijlstra, maar ik heb tot nu toe evenmin de indruk dat Joke Schauvliege zich binnen de Vlaamse regering werkelijk sterk gaat maken voor op zijn minst het behoud van het bestaande budget, dat immers nu al een voor een beschaafd land beschamend laag percentage uitmaakt van de totale begroting). In die zin ben ik er nog niet eens zo van overtuigd dat al die kunstmanagers en beleidsbobo’s werkelijk ‘met de ongetwijfeld beste bedoelingen’ voor ons spreken. Cultuurbeleid lijkt soms tot doel te hebben cultuur af te schaffen.

    Dus waarom dan toch muizenissen bij het ondertekenen van een manifest dat de bedoeling heeft om de taal weer terug op te eisen van de managers- en bestuurselite? Omdat uit de in totaal 12 stellingen die het manifest bevat misschien net een beetje te gemakkelijk afgeleid zou kunnen worden dat kunst in zijn algemeenheid zich terzijde van de rest van het maatschappelijk gebeuren bevindt of dient te bevinden, als iets volstrekt autonooms in sociologische zin. ‘Kunst is geen instrument’, zo staat er bijvoorbeeld. En dat is ook zo, zeker als daarmee wordt bedoeld dat ze niet ‘door politieke of commerciële agenda’s (kan) worden afgedwongen’, zoals in de toelichting bij deze stelling staat. Of het niet kan, vraag ik me af (ik heb de indruk dat het al op grote schaal gebeurt). Dat het niet zou mogen, is een ander verhaal. Maar buiten dat: als een tekst van mij op een gegeven moment gelezen wordt binnen een kader dat juist dan journalistiek relevant is, heb ik daar niet zo heel veel op tegen, ook al wordt in een dergelijke lezing de veelkantigheid van wat ik geschreven heb even over het hoofd gezien. In de publieke ruimte, waar de journalistieke mores overheersen (en dus ook de daarmee verbonden commerciële eisen), moet je niet verwachten dat alle subtiliteiten, alle lagen en paradoxen die een kunstwerk pas werkelijk interessant maken, aan bod zullen komen. Dat in 2008, veertig jaar na dato, Het grote uitstel onder meer werd gelezen als een afrekening met mei ’68 viel te verwachten (ook al is het boek in die zin niet echt een afrekening en op het punt van de mei 68-ers veel dubbelzinniger dan wel is verondersteld). Mei ’68 was op dat moment journalistiek interessant. Dat dat boek om dezelfde reden een jaar later werd genoemd als één van de recente romans over de Val van de Berlijnse Muur (toen twintig jaar geleden) is natuurlijk mooi, maar je kunt je de vraag stellen of de roman nu wel werkelijk daarover gaat. Het gaat hier om actualiseringen van de roman binnen wat volgens een journalistieke (en dus deels commerciële en daarom ook deel politieke agenda) op dat moment relevant is. Er zijn nog andere mores denkbaar (bijvoorbeeld een academische — al is het grote probleem natuurlijk dat de commerciële en politieke mores zo langzamerhand elk terrein van de samenleving doordringen, ook die van de academie).

    Zo zijn er in het manifest meer stellingen waarbij ik vanwege de mogelijke implicaties die ze hebben, toch steeds weer twijfel. ‘Kunst staat los van Staat zowel als Markt’. Ik denk het niet, eigenlijk. Waar komen anders die kunstmanagers vandaan? En die cultuurministers of staatssecretarissen? En is het wel wenselijk, dat los staan van ‘Markt’ en ‘Staat’ (die hoofdletters zijn bijna ontroerend)? Heeft kunst niet altijd de meerduidigheid van de werkelijkheid verdedigd tegenover wat staat en markt er in meer eenduidige zin van wilden maken en vervolgens ook gemaakt hebben? Ontleent kunst zoals wij haar definiëren (en ons kunstbegrip heeft zijn wortels in de Romantiek), haar bestaansrecht, haar ‘artistieke vrijheid’, niet juist aan het verzet tegen wat haar inperkt, aan markt en staat derhalve? Is dat niet de dynamiek waarbij ze bestaat? Tenzij hier opnieuw een pleidooi wordt gehouden voor van de maatschappelijke werkelijkheid losgezongen kunstbegrip.

    Ik denk niet dat dat laatste de bedoeling van de opstellers is geweest. Het is alleen maar de valkuil waarmee ze in hun formuleringen misschien net te weinig rekening houden. Of konden houden. Want met twijfels maakt men geen manifest. Misschien maakt men daarmee kunst. Maar de formuleringen zelf zijn tegelijk ook een bewijs van het verzet dat nu precies de kern uitmaakt van het (in se romantische) kunstbegrip dat hier wordt verdedigd en ingezet.

    En dus heb ik getekend. Al ben ik er tegelijkertijd meer dan ooit van overtuigd dat de tijd voor dit soort manifesten voorbij is. Ik kan er de voor mij belangrijke bedenkingen niet in kwijt. Uiteindelijk is een manifest vol bezwaren tegen de geest van de tijd op zich ook een uitdrukking van die geest: een op journalistieke maat geschreven opsomming. Maar met dit laatste soort bedenkingen komen we natuurlijk ook nergens.  

  • Pin it!

    Vandaag in De Standaard

    screenshot_124.jpg


    Nu weet u het dus: een onderzoek van de Vlaamse Auteursvereniging heeft aangetoond dat een schrijver gemiddeld 300 euro per maand verdient. Dat komt ervan als je niet meedoet met de rest. Als je blijft vasthouden aan zoiets volstrekt achterhaalds als ‘literatuur'. Dat wordt zelfs in het algemeen secundair onderwijs (ASO) niet meer onderwezen – pardon: dat mag daar niet meer onderwezen worden. (Literair) leren lezen, zo meldde mij recentelijk een docent, mag in de eerste graad van het ASO géén kennis inhouden. Er mogen geen inzichtsvragen gesteld worden, laat staan dat er literaire begrippen bijgebracht mogen worden. Het gaat alleen om ‘leesplezier', of wat daar voor doorgaat. (Kan men plezier beleven aan iets waarvan men niets mag begrijpen?)

    Leonard Nolens

    We zijn inderdaad ver afgedreven van de samenleving waarbinnen literatuur nog het stralende middelpunt was van het nationale, en bij uitbreiding westerse cultuurideaal. Radiomaakster Ruth Joos krijgt weliswaar veel bijval (uit bepaalde hoek) als ze het in een interview met Leonard Nolens aandurft om te breken met de dwangneurotische journalistieke babbelzucht (iets waarvan Joos sowieso weinig last heeft), maar dat laat onverlet dat er voor literatuur gewoonlijk alleen aandacht is wanneer, bijvoorbeeld, een valse nicht die blijkbaar zijn dagen doorbrengt met eindeloos surfen naar pornosites, eindelijk een filmpje vindt waarin een door hem gehate dichter zich eens helemaal blootgeeft (Komrij versus Van Bastelaere). Of wanneer een poëziefestival vooral kermis, lawaai, eventueel seks, liefst ook ruzies tussen dichters en als het even kan handgemeen op het podium in het vooruitzicht stelt, een soort trip down memory lane, naar die leuke jaren zestig toen we allemaal zo lekker in de contramine waren en ons daar geweldig goed bij voelden (Nacht van de Poëzie). Als het maar niet enkel poëzie is. Daar betaalt het publiek niet voor.

    Een schrijver of dichter overleeft alleen wanneer hij zichzelf aanpast aan de heersende mores, een halve theaterfiguur wordt bijvoorbeeld, of een soort stand-upcomedian, of wanneer hij tussendoor een liedje zingt. Wanneer hij zich aanpast aan wat de massamedia van hem eisen. Uiteindelijk deed ook Nolens dat: niet willen praten en toch opdagen in een radiostudio en daar door te zwijgen een media-event worden. Omdat hij zwijgen mócht. Omdat het hem werd toegestaan.

    Het geeft aan in welke paradoxale situatie de schrijver vandaag de dag verkeert: hij wordt vrijwel nooit op zijn eigen voorwaarden benaderd. Het schrijverschap heeft enerzijds nog de glans die het in vroeger tijden gehad moet hebben, toen literatuur van het grootste belang werd geacht voor het zedelijk welzijn van de mens, een niet onbelangrijke rol speelde bij bijvoorbeeld natievorming, en de ruggengraat vormde van de humaniora. Maar anderzijds is het nu juist die invulling die vandaag de dag van literatuur zoiets als ‘een bloempje in het knoopsgat' maakt voor hen die werkelijk de agenda bepalen. Een soort literair cachet dat ze aan hun events kunnen geven, lippendienst aan een cultuurideaal waarvan ze zelf allang vinden dat het achterhaald is. Maar zo gaan ze tenminste niet voor volstrekte proleten door, want kijk, er is wél een schrijver bij hé.

    Waarvoor ze dan vanwege zijn bijkomstigheid vaak weer niet werkelijk willen betalen. Er staat een flesje wijn klaar, misschien zelfs een flesje bubbels. Of een lullige boekenbon. Of de schrijver mag aanschuiven bij een of ander chic diner waar hij als pauzeprogramma is ingehuurd en waarvoor de ruim 60 gasten meer dan 100 euro per persoon hebben neergeteld. Als dat geen cadeau is! Maar zijn reiskosten mag hij zelf betalen.

    Uiteraard zag ik persoonlijk het liefst dat literatuur weer in zijn waarde werd hersteld, omdat ik denk dat haar rol in een door consumeringsdwang en vermarkting van de moraal gedreven tijd nog altijd niet uitgespeeld is, ze iets te bieden heeft dat voor de huidige samenleving nog steeds van het grootste belang is. Maar dat betekent niet dat ik geen onderscheid kan maken tussen die wensgedachte en de realiteit waarin ook ik als schrijver verkeer. Als schrijver wil ik me niet van die realiteit afkeren. Integendeel. Dus, ja, ik zing wel eens een liedje tussendoor. Dat tast mijn waardigheid niet aan. Het past bij wat ik schrijf. En ik zal ook nooit naar een radiostudio afreizen om er te gaan zitten zwijgen. Ik zal iedere seconde zendtijd aangrijpen om mijn, in de ogen van sommigen misschien ‘hoge' opvatting van literatuur voor het voetlicht te brengen.

    Het is diezelfde realiteitszin die me doet zeggen dat er voor schrijvers naar behoren betaald moet worden. In een tijd waarin alles met economische maten wordt gemeten, is literatuur meer waard dan die luizige 300 euro die ze blijkbaar opbrengt. Dat is niet alleen een boodschap voor organisatoren die voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten, maar ook voor schrijvers zelf. Dat die organisatoren hun boekenbonnen, hun flesjes wijn en andere prullaria steken waar het licht niet schijnt. Eis geld, collega's. Eis fatsoenlijke betaling, zelfs al blijft het dan nog vele malen minder dan wat een loodgieter u per uur uit de zak klopt. Het is vooralsnog zowat het enige dat u in deze tijden een zekere waardigheid geeft.
    In: De Standaard, 2/3 april 2011.
  • Pin it!

    In De Leeswolf

    Het tweede nummer van De Leeswolf is inmiddels lang genoeg uit om het stuk dat ik daarin schreef over Geert Van Istendaels Tot het Nederlandse volk hier over te nemen. 

    het volk van de consensus

    250_0_KEEP_RATIO_SCALE_CENTER_FFFFFF.jpgDe titel is duidelijk genoeg: Tot het Nederlandse volk. Maar toch vraag ik me na lezing van Van Istendaels nieuwste boekje af voor wie het precies bestemd is. Dat heeft alles te maken met de toon van dit essay. En die toon hangt weer samen met de vorm die Van Istendael koos voor zijn reflecties op de huidige stand van zaken in Nederland: een brief.

    Die brief begint met de aanhef: ‘Lieve Nederlanders’. Op zich is dat een aanhef die keurig aansluit bij Van Istendaels ook in dit boekje opnieuw beleden liefde voor Nederland en het Nederlandse volk (hij schreef al eerder Mijn Nederland). Hij zal dus weten dat een Nederlander bij een dergelijke aanhef meteen op zijn qui vive is. Lieve Nederlanders? Dat moet haast wel op voorhand ironisch bedoeld zijn. En dan — wie haalt het in zijn hoofd om dit volk als collectief aan te spreken? Lieve Nederlanders — het eerste wat de gemiddelde en dus spreekwoordelijke Nederlander bij een dergelijke aanhef denkt, is dat het dus niet over hem kan gaan.

    En dan: een boekje van een buitenlander over Nederlanders, een boekje waarvan meteen duidelijk is dat het niet echt vleiend zal zijn (men hoeft alleen maar de flaptekst te lezen) — je moet in Nederland al behoren tot het clubje zelfverzakende, politiekcorrecte, zich kosmopoliet wanende linkse Amsterdamse nepintellectuelen om daar mee in te stemmen, al helemaal als zo’n boekje geschreven is door een Belg. Een Belg — breek ze de bek niet open daar in Nederland. Tussen de misvatting dat een Belg (men bedoelt Vlaming) een bourgondisch, hartelijk, vriendelijk, in sappige, schattige kreupeltaal sprekend onschuldig “boertje van buut’n” is én het cliché van de domme Belg zit in Nederland eigenlijk niets.

    Dat weet Van Istendael ook. Dit boekje bewijst opnieuw dat hij meer weet van Nederland dan de meeste Nederlanders zelf. Hij duikt in de geschiedenis die in Nederland inmiddels op geen school meer wordt onderwezen en diept er feiten en gebeurtenissen op die kunnen dienen als verklaring voor (delen van) de Nederlandse volksaard, die zelf weer ten grondslag ligt aan de ontsporingen uit het laatste decennium. Het is natuurlijk zijn schuld niet dat het ontbreken van enig historisch besef aan Nederlandse zijde hem in de ogen van die Nederlander tot een betweter maakt. Maar hij zal heus wel hebben geweten dat hij daarmee een zonde begaat die in Nederland zelden onbestraft blijft: hij steekt zijn kop boven het maaiveld uit. Hij leest die Hollanders een lesje. Als Belg nota bene.

    Naast alle door mij geen moment betwijfelde liefde voor en oprechte bezorgdheid over de noorderburen, zit er in dit boek toch ook het nodige leedvermaak met dat door eigen toedoen zo van zijn voetstuk getuimelde Nederland. Dat maakt dat Tot het Nederlandse volk zeker ook een boek is voor Belgen, meer specifiek: voor het zich altijd de underdog wanende Vlaamse volk. Dat ziet hier, ongetwijfeld tot zijn intense genoegen, het arrogante Holland een koekje van eigen deeg krijgen.

    Toch wekt  het boek nergens de indruk zich met de gebruikelijke clichés van de zaak af te willen maken. Van Istendael doet veel moeite om het paradoxale karakter van de Nederlandse volksaard te schetsen. Zo is er de onmiskenbare calvinistische gehechtheid aan de enig juiste (van God gegeven) voorstelling van zaken, die in het verleden leidde tot een eindeloze hoeveelheid zich van elkaar afsplitsende gereformeerde kerkgenootschappen die allemaal de waarheid in pacht meenden te hebben. Maar er is een evenzeer onmiskenbare neiging tot consensusdenken dat eist dat alle neuzen te allen tijde dezelfde kant op wijzen. Er is, zeker sinds de jaren zestig, die typisch Nederlandse assertiviteit die maakt dat iedereen in dat land lijkt te zeggen wat hem op het hart ligt, terwijl het land anderzijds absoluut geen traditie van discussie kent en er veel volstrekt onbespreekbaar is. De vrijgevochten rebel en de brave meeloper lijken hier hand in hand te gaan. Om een Hollander enigszins naar behoren te beschrijven, zou men eigenlijk moeten zeggen dat hij een individuele collectivist is.

    Hoewel hij het zelf nergens expliciet zo zegt, lijkt voor Van Istendael het Nederlandse consensusdenken aan de basis te liggen van alle problemen waarmee het land nu kampt. ‘Nederland is niet gewend aan echte discussies,’ schrijft hij. ‘U weet dat u het nooit eens zult worden over bepaalde dingen. De conclusie luidt: dan praten we er maar niet over. Maar als u ergens niet over praat, blijft het etteren in het schemerduister.’ Dat heeft gemaakt dat de door de Hollanders zelf zo vaak geroemde tolerantie uiteindelijk een lege doos was, waarachter veel onverdraagzaamheid school die niet naar buiten mocht komen. Ongeveer zoals in de tijd van de verzuiling ondanks de soms scherpe tegenstelling tussen de zuilen onderling, elke zuil uiteindelijk één en het zelfde dak ondersteunde. Of dat ‘dak’ er één van burgerfatsoen en christelijke rechtschapenheid was, of — na de jaren zestig — van vooruitstrevendheid, emancipatie en individuele vrijheid maakte daarbij geen verschil. Men moest en zou zich voegen naar wat nu eenmaal de consensus was. Geen wonder dat men in het huidige, verrechtste Nederland met de nodige bitterheid over de afgelopen decennia spreekt als over een periode waarin ‘de linkse kerk’ het voor het zeggen had.

    Op Van Istendaels analyse lijkt weinig af te dingen. Dat met de ontzuiling van Nederland sinds de jaren zestig uiteindelijk het dak naar beneden is gekomen, lijkt logisch. En omdat niemand graag onder de blote hemel slaapt, zeker in Nederland niet, is het verlangen naar een charismatische figuur die het hele volk weer kan verenigen acuut geworden — een rol die eerst door Pim Fortuyn (slachtoffer van de eerste politieke moord in Nederland sinds 1672 als ik me niet vergis), en nu door Geert Wilders wordt vervuld. Aan fascisme, zoals men vaak hoort, hoeven we bij die laatste niet te denken, meent Van Istendael. Wilders’ politieke programma bevat naast extreem rechtse, ook gewoon liberale, linkse en zelfs extreem linkse ideeën; hij is een opportunist met een onrealistisch politiek programma. Op het vlak van de wiedervereinigung van het Nederlandse volk valt weinig van hem te verwachten.

    Want dat moet er toch weer van komen, zo luidt uiteindelijk de wat verrassende conclusie van deze brief aan de noorderburen. Het is met name op het einde van zijn boek dat Van Istendael de weg wat lijkt te verliezen in de eerst door hemzelf zo zorgvuldig geschetste paradoxen. Een beetje hulpeloos adviseert hij de Nederlanders een nieuwe consensus te zoeken (‘uw land kan niet zonder’). Maar juist het consensusdenken sluit uit wat hij de Nederlanders toewenst: dat ze daarbij de conflictstof niet uit het oog verliezen. Daarin toont hij zich volledig Belg. De Belg, zo heeft hij eerder gesteld, moet het hebben van het compromis. ‘Het kenmerk van een geslaagd compromis is dat achteraf iedereen ontevreden is. Het kenmerk van consensus is dat iedereen de hele tijd doet alsof hij tevreden is.’ Nederland moet het hebben van die doffe tevredenheid en de daarmee verbonden verdringingsmechanismen wil het land zichzelf blijven herkennen. En het lijkt bijna alsof Van Istendael aan het slot van zijn brief van Nederland een beetje meer België heeft willen maken. En dat zal natuurlijk nooit gebeuren.

    Geert van Istendael, Tot het Nederlandse volk. Atlas, Amsterdam/Antwerpen 2010, 112 p.

     In: De Leeswolf 2, jrg. 17, 2011, p. 128-129.

  • Pin it!

    In Rekto:Verso

    SCHRIJVERS, CRITICI, VERENIGT U!

    Ook ik heb ze geschreven: van die recensies waarin ik me vrolijk maakte over de geleverde prestatie ten koste van vooral de persoon van de auteur. Dat zou me nu niet meer overkomen.

    GEHOEST UIT EEN KALE KUT

    Er bestaat in met name de Nederlandse literatuur een heuse traditie van afzeiken en wegzetten – nog een restant van de invloed van de personalistische literatuurkritiek die in het interbellum door mannen als Menno ter Braak (1902-1940), maar vooral Eddy du Perron (1899-1940) werd bedreven. De eerste werd ook wel ‘Menno ter Afbraak’ genoemd (maar dat ook omdat hij erg voor Nietzsche was); de tweede werd door weer anderen ‘een hondsche en moerassige geest’ genoemd. De eerste was meestal schoolmeesterachtig en noemde door vrouwen geschreven boeken consequent in negatieve zin ‘damesliteratuur’; de tweede schreef ooit over een foto van een dichter dat iemand met zulk ratachtig haar nooit goede poëzie kon schrijven.

    nr046.gif

    Zo bruin heb ik het niet gebakken, maar ik heb wel ooit de dichtbundel van een dichteres ongenadig negatief besproken, vooral omdat die betreffende dichteres plotseling doorging voor de absolute top van de Nederlandse poëzie van dat moment, en ook in het buitenland – volkomen ten onrechte natuurlijk – naar voren werd geschoven als het beste wat lyrisch Nederland op dat moment te bieden had. Al moest ik op dat punt nog de duimen leggen voor een andere criticus die de betreffende poëzie zonder blikken of blozen omschreef als ‘gehoest uit een kale kut’.  Ondanks mijn forse kritiek kon ik me op dat moment dus nog steeds een door en door fatsoenlijk criticus voelen, al had ik door de heisa rond de persoon van de dichteres vooral de man … enfin, de vrouw gespeeld in plaats van de bal.

    Dat zou me nu niet meer overkomen. In de eerste plaats omdat ik de zin van de louter op de persoon gerichte kritiek ernstig ben gaan betwijfelen en er uiteindelijk niets anders in kan zien dan wat het destijds voor mij waarschijnlijk ook is geweest: een slecht humeur van de criticus in kwestie, die even vergeten is dat hij niet voor zichzelf, maar voor een publiek medium en een publieke zaak schrijft.

    Maar het gaat verder dan dat. Het houdt ook verband met mijn tamelijk recente overtuiging dat negatieve recensies überhaupt uit den boze zijn. Een negatieve recensie heeft alleen zin wanneer er nog een literair discours is waarbinnen zo’n recensie deel uitmaakt van een debat over de juiste lectuur, een debat over wat goede literatuur is en wat niet. En dat debat heeft alleen zin wanneer we in literatuur een medium zien dat mede vorm geeft aan wat een samenleving bezielt.

    Voor mij persoonlijk is dat zeker het geval. En ik maak me sterk dat voor het merendeel van de schrijvers geldt dat zij het gevoel hebben dat ze met hun boeken een bijdrage leveren aan het wel en wee van de huidige samenleving, dat hun boeken met andere woorden sociale, politieke en ook morele implicaties hebben. Zelfs heel wat recensenten delen nog altijd die overtuiging, geloof ik.

    OVERBODIG AMUSEMENT

    Toch moeten we vaststellen dat literatuur een steeds geringere rol speelt in de publieke ruimte en binnen het maatschappelijke debat. Literatuur is niet langer het trotse middelpunt van wat er nog resteert van het westerse cultuurideaal, om het zo maar eens te zeggen.

    Op het eerste gezicht is er voor schrijvers nog geen reden om daarover al te hard te klagen. De meeste kwaliteitskranten hebben immers nog steeds hun boekenbijlagen, ook al lijkt dat steeds minder van harte te zijn en doen die boekenbijlagen zelf in toenemende mate toegevingen aan de eisen van de markt (meer precies: aan de eisen van een hoofdredactie die een directie tevreden moet stellen die aandeelhouders zoet moet houden). Schrijvers, mits om de een of andere reden bekend, worden blijkbaar nog steeds de moeite waard gevonden om op de opiniepagina’s hun licht te laten schijnen over allerlei maatschappelijke fenomenen en zelfs over de politiek. En dan is er specifiek in onze contreien nog die aan onze op een neoliberale leest geschoeide samenleving wezensvreemde trek om zoiets als literatuur toch nog met enige egards te behandelen en in zekere zin zelfs te beschermen (al is het dan met minimale middelen): ze wordt gesteund in de vorm van schrijvers- en productiesubsidies en budgetten voor vertalingen van de vaderlandse literatuur in andere talen. Je zou het een vorm van atavisme kunnen noemen. Of misschien is het een slecht geweten ten opzichte van een doorgedreven marktideologie (de schrijverssubsidies worden expliciet ‘marktcorrigerend’ genoemd). Misschien is het beide en is het slechte geweten zelf langzamerhand een atavisme geworden.

    Toch, in de dag- en weekbladkritiek wordt literatuur nog maar heel zelden gezien als iets wat uit de aard der zaak sowieso betrekking heeft op sociale, morele of zelfs politieke kwesties. In boekenbijlagen is literatuur deel van de massacultuur en de amusementsindustrie en staat de amusementswaarde gewoonlijk voorop, zelfs ongeacht de bedoelingen van de criticus van dienst. De neiging een roman te lezen als relevant voor de huidige samenleving is er vaak afwezig en wordt sowieso ondergraven door het (meestal verplicht gestelde) toekennen van een, twee of meer sterren, wat het lezen van de recensie zelf tot iets overbodigs lijkt te maken. Ook de subsidies voor literatuur, die binnen het geheel van de kunstsubsidies sowieso buitengewoon stiefmoederlijk bedeeld wordt, staan altijd ter discussie. En wie het ultieme bewijs wil voor de stelling dat literatuur langzamerhand uit de samenleving wordt verdreven, hoeft maar naar het onderwijs te kijken. In de humaniora wordt literatuuronderwijs tegenwoordig zo veel mogelijk ontmoedigd. In sommige gevallen wordt het door de onderwijsinspectie zelfs afgestraft. Officieel gebeurt dat onder verwijzing naar het belang van ‘de belevingswereld van de leerling’, waartoe literatuur dan niet zou behoren (wiskunde ook niet per se, maar daarvoor geldt, naar het schijnt, een andere logica). Dat het in werkelijkheid gaat om de afstemming van ook het onderwijs op de eisen van de markt, wil niemand gezegd hebben. Dat de oorspronkelijk uit de hoek van progressieve didactici komende mantra over ‘de belevingswereld van de leerling’ inmiddels een dekmantel is geworden om ook van leerlingen alvast brave, snel te bevredigen consumenten te maken, en van scholen een soort supermarkten waar alleen wat het beste verkoopt aan bod komt, zal door iedereen die binnen het onderwijs iets met toekomstig beleid te maken heeft, verontwaardigd van de hand worden gewezen.

    COLLEGIALITEIT

    Literatuur is feitelijk in een reservaat gedreven. Juist dat reservaat maakt dat critici, maar ook veel schrijvers zelf, kunnen doen alsof hun neus bloedt. Men kan binnen draadgaas en prikkeldraad lustig voortgaan met het uitvechten van vetes, met hoogfilosofische discussies over ‘de juiste lectuur’, met steggelen over kwaliteit – allemaal zaken die minder arbitrair zijn dan ze misschien lijken.* Maar dat verliest alle geldigheid,  zodra het om de echte werkelijkheid buiten de afrastering gaat. Daar telt enkel de verkoop.

    In het licht van die ontwikkeling is het schrijven van negatieve recensies op de paar plekken waar literatuur nog in een publieke ruimte besproken wordt, een uiting van een haast wereldvreemde romantische gesteldheid. Er is nauwelijks een recensent te vinden die zijn eigen negatieve recensie zal begrijpen als dat wat zij in het huidige tijdsgewricht geworden is: een negatief consumentenadvies. Maar voor weerwerk en tegenspraak, voor ‘terugschrijven’, zoals de schrijver Jacq Vogelaar dat ooit zo mooi noemde, is er in het huidige klimaat eigenlijk geen ruimte meer. Degenen die de inhoud van de boekenbijlagen bepalen, zijn niet geneigd om auteurs die zich door een criticus onheus bejegend voelen een podium te geven, ook al omdat het niemand zou interesseren. Mogelijke andere plekken waar de mening van één criticus door die van anderen wordt weersproken, zijn literaire tijdschriften (gemiddelde oplage driehonderd) of het internet (vooralsnog weinig gezaghebbend). Maar dan ben je vaak al in het reservaat aanbeland.

    Wat blijft staan, is het negatieve consumentenadvies. Eén ster op vijf. Of twee. Matig. Niet de moeite waard. Geen sellertje. Niet aansluitend op uw belevingswereld.

    In een dergelijke context past schrijvers en critici eigenlijk maar één ding: collegialiteit. Verenigt u, als ik u bidden mag. Besef dat uw antagonismen alleen begrepen worden als overbodige spielerei, waarmee u zichzelf, ondanks alles wat er op het spel staat, buitenspel zet. Uiteraard blijft het van het uiterste belang om te blijven nadenken over de juiste lectuur, over de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid, en dus over de vraag welke werkelijkheid we wenselijk of noodzakelijk achten. Maar in een werkelijkheid die onder de knoet van de markt leeft, doet men dat het beste naar aanleiding van boeken die in de eigen ogen inderdaad ook de juiste lectuur opleveren. Minimaal vier sterren. Alles. Alles voor zover men ervoor kiest het te bespreken. Om dan in die bespreking alle nadruk te leggen op de betekenis van die literatuur voor de huidige samenleving.

    _____________________________________________________________

    *)= Er is al vaker opgemerkt dat het vaststellen van kwaliteit — iets waarop zowel het Vlaams Fonds voor de Letteren als het Letterenfonds in Nederland zich beroept als het gaat om de toekenning van subsidies — een louter subjectieve aangelegenheid zou zijn, maar de toekenning van literaire kwaliteit kent een traditie van eeuwen en heeft zich binnen die traditie ook ontwikkeld; het gaat daarbij uiteindelijk om iets anders dan enkel maar de mening van Jan of Piet op een regenachtige zaterdagnamiddag in de Generaal van Merlenstraat te Antwerpen of de Huddestraat te Amsterdam.

    In: Rekto:Verso, nr. 46, maart-april 2011, p. 18

  • Pin it!

    Het geluk van heimwee of de onmogelijkheid om Belg te zijn

    Gisteren verscheen in De Morgen onderstaand stuk, oorspronkelijk, en in een uitgebreidere versie, geschreven voor een boek dat Beste buren heet en dat binnenkort bij uitgeverij Luster zal verschijnen. Dat de redactie van DM de titel — 'Het geluk van heimwee of de onmogelijkheid Belg te zijn' — veranderde in 'Heimwee van een valse Belg' was toch even slikken, moet ik zeggen. Ik zou mezelf namelijk niet als een valse Belg willen opvoeren, maar integendeel als iemand die zich wenst te engageren voor zijn nieuwe thuisland — een houding die minder vals is dan die van menig echte Belg, lijkt me toch. 

    Of het er iets mee te maken heeft, weet ik niet, maar gisterenmiddag belde mij al een Hollandse dame met de enthousiaste mededeling dat dit nou toch eindelijk eens een goed stuk was. Ze woonde al jaren en jaren in België, en nu had ze eindelijk gelezen wat ze al die tijd al wist: België deugt niet. De universiteiten waren hier absoluut slecht, leek haar, en integreren was hier beslist onmogelijk. Dat laatste valt inderdaad niet mee, in Vlaanderen toch niet, waar de eigenheimer de meest voorkomende aardappelsoort is. Maar het leek mij dat de dame in kwestie zelf onder integratie vooral verstond: aanpassing van de Vlamingen aan de Hollandse mores die ze blijkbaar nog steeds niet had weten af te schudden.

    Voor mij kadert dit stuk in meer expliciete standpunten die recentelijk zijn ingenomen in het identiteitsdebat dat hier volop woedt. Een stuk van Dirk Van Bastelaere, van Erwin Mortier. Uiteindelijk tracht ik hier de nationalistische utopie van sommigen te herleiden tot heimwee naar de heimat — iets wat, zo begreep ik dan weer afgelopen weekend tijdens Mind the Book in Antwerpen, uiteindelijk de essentie van het utopisch denken uitmaakt. Op dat festival werd Utopisch alfabet gepresenteerd, een boek met 'honderd toekomstvisies' waarvan ook ik er een geschreven heb. Het geheel werd ingeleid door Stefan Hertmans die, voor de vuist weg, uit het blote hoofd, haast als een antieke redenaar utopie en 'thuisverlangen' (om een mooi woord van Jeroen Theunissen te gebruiken) in een boeiend betoog aan elkaar koppelde (en dat ook in zijn bijdrage aan het boek doet, trouwens).

    9789085422495.jpg

    Mijn stuk in DM zag er zo uit:

    Op 9 oktober 2010 werd ik Belg. Het werd me meegedeeld in een brief die, aan de postdatum te zien, pas twee weken later was verstuurd. Zonder het te weten had ik al veertien dagen lang een andere nationaliteit. Ik was genaturaliseerd, al is dat woord misschien een beetje te zwaar voor wat het in aanleg voor mij alleen maar was: het inruilen van de ene voor de andere identiteitskaart. De reden voor die ruil was ook van louter pragmatische aard. Al sinds mijn verhuizing naar België betaal ik hier mijn belastingen en sociale bijdragen. Maar bij verkiezingen heb ik niet het recht om mee te beslissen over wat er met mijn belastingcenten wordt gedaan, een grove on-rechtvaardigheid naar aanleiding waarvan in het verleden elders al wel eens revo-luties zijn begonnen. No taxation without representation, zo had ik indachtig een van die revoluties al eens schertsend tegen een politica gezegd, en er meteen de vraag aan gekoppeld of men op Europees niveau de regels niet eens zou kunnen veranderen: dat je mag stemmen daar waar je je belastingen betaalt, ongeacht je nationaliteit. Had een dergelijke regeling bestaan, ik zou nooit op het idee zijn gekomen om Belg te worden.

    Waarom eigenlijk niet? Omdat ik het niet ben. Omdat ik het ook nooit kan worden. Uiteraard behoor ook ik tot het weldenkende deel van de natie (welke dan ook maar) dat in overdreven nationalistische gevoelens vooral de primitieve neiging ziet om desnoods met geweld helderheid te creëren waar die in werkelijkheid niet bestaat en meestal ook niet wenselijk is. Toch heb ik me nooit een cultuurrelativistische kosmopoliet gevoeld, zoals een westerse intellectueel als ik aan het begin van de eenentwintigste eeuw bijna verplicht is van zichzelf te zeggen. Ik behoor weliswaar tot een generatie voor wie het relativeren van waarheden al aan het formuleren ervan voorafging — opgeleid als ik was door Mei ’68-ers die op ideologische gronden weigerden uit te leggen hoe de wereld in elkaar zat maar wel vonden dat je overal ‘krities’ over diende te zijn —  maar juist dat heeft gemaakt dat ik altijd op zoek ben geweest naar begrenzing. Geen ongevaarlijk sentiment, overigens. Voor je het weet val je toch nog voor het verkeerde soort eenduidigheid.

    Mijn nationale identiteit was desondanks voor mij nooit een issue. Het is pas sinds ik in België woon dat ik begrijp dat nu juist dat een bij uitstek Nederlandse eigenaardigheid is. Als van oorsprong Nederlander weet ik beter dan welke Belg ook dat al te grove veralgemeniseringen van ‘de’ Nederlander de waarheid geweld aan doen, zoals mijn verblijf hier me heeft geleerd dat het gevaarlijk is om over ‘de’ Belg te spreken, of zelfs over enkel ‘de’ Vlaming.  Zelf heb ik altijd een onderscheid gemaakt tussen de Nederlander die ik ben en de spreekwoordelijke Hollander waar de Vlaming, al dan niet openlijk, zo’n hekel aan heeft. Wat hem aan die assertieve, bemoeizuchtige, arrogante kletskous tegenstaat, is precies wat mij — geboren in het oosten van het land — altijd heeft tegengestaan aan bewoners uit de Nederlandse Randstad. Want het is die verschijningsvorm van de Nederlander die (ten onrechte) model staat voor alle Nederlanders.

     Dat ik desalniettemin met precies die verschijningsvorm meer gemeen had dan ik zelf voor mogelijk hield, werd me pas duidelijk toen ik eenmaal in België woonde. Ik was opdringerig gezellig in het openbaar, sprak te luid in restaurants en hield me met ware doodsverachting keurig aan de verkeersregels terwijl ‘iedereen’ toch wist dat ze in die en die straat niet golden. Ik sprak agenten tegen en in discussies gaf ik blijk van een rechtlijnigheid die de meeste Belgen vreemd is, terwijl ik het gemarchandeer met principes dat hier ten lande de gewoonte is op mijn beurt onbegrijpelijk, en eigenlijk ook ongeoorloofd vond. Ik stuitte kortom overal op verschillen die mij definieerden als iemand die ik in mijn eigen ogen nog nooit was geweest: een Hollander, iemand met min of meer dezelfde taal, maar met een totaal andere cultuur. Ik liep aan tegen de grenzen van wat ik altijd als normaal had beschouwd.

    Want dat is wat typisch Nederlands is: de eigen vooronderstellingen, waarheden en omgangsvormen als normaal beschouwen — zo normaal, dat het niet bij je opkomt dat het hier om hoogstens een Nederlandse normaliteit gaat. Het is waarom de Nederlandse identiteit voor een Nederlander nooit werkelijk een issue is (of misschien is het met het oog op de huidige ontwikkelingen beter om te zeggen: wás). Nederland is een consensusland, zo stelde de publicist Paul Scheffer ooit — en voor wie zich het sterk verzuilde Nederland van voor en direct na de Tweede Wereldoorlog nog herinnert, komt dat misschien toch een beetje als een verrassing: meer naast elkaar staande en streng van elkaar gescheiden gehouden waarheden waren er elders in de wereld toch nauwelijks te vinden, zo leek het. Maar ook voor diegenen die na de ontzuiling van de jaren zestig volwassen werden en in Nederland altijd een tolerante, open, en vooral vooruitstrevende natie van vrijgevochten individuen hebben gezien, lijkt consensus wel het laatste waaraan je bij Nederland denkt.

    Toch, al die zuilen steunden uiteindelijk een en hetzelfde dak en het is niet voor niets dat men in het nu sterk naar rechts opgeschoven Nederland wil afrekenen met wat met het nodige venijn, maar sprekend genoeg ‘de linkse kerk’ uit de jaren zeventig, tachtig wordt genoemd. Juist die benaming laat mooi zien hoe de linkse mode uit de jaren zestig en zeventig — een haast wereldwijd fenomeen in die dagen — in Nederland een dwingend voorschrift werd voor iedereen, haast een kerkelijke leer, een dogma waaraan niet getornd mocht worden. En omdat de consensus heilig is, werden en worden de zaken die daar niet mee in overeenstemming zijn in Nederland gewoonlijk verzwegen.

    Het consensusdenken heeft in ieder geval gemaakt dat Nederlanders zich niet zelden superieur gedragen ten opzichte van inwoners van andere landen waar het slechter geregeld zou zijn (‘Belgische toestanden’), of die een verleden hebben dat ze ten eeuwigen dage als voorbeeld ongeschikt maakt (‘de foute Duitser’). Zelf vinden ze dat niet superieur, maar normaal, dus ook: niks bijzonders, niet per se beter dan dat van anderen (hoogstens is het gedrag van anderen slechter), maar ‘gewoon’, wat ook betekent: zoals het hoort (als het al niet ‘zoals het ís’ betekent). De Nederlandse komiek Theo Maassen suggereerde ooit al dat de Nederlandse wapenspreuk niet ‘Je maintiendrai’ (ik zal handhaven) zou moeten luiden, maar ‘Doe ’s normaal, man!’

    Het blijkt in ieder geval het eerste te zijn dat er uit mijn mond komt wanneer ik met de Belgische mores in het verkeer geconfronteerd word. Of met de onbeschofte houding van gezagdragers. Of met de serviliteit en kwezelachtigheid van veel Vlamingen. Met het katholieke gekuip dat je hier tot in zelfs de meest vrijzinnige milieus terugvindt. Of gewoon met de wijze waarop dit land staatkundig gesproken in elkaar steekt. Of met wat de Belg zelf wel zijn ‘surrealisme’ noemt.

    En toch…

    Toch zijn dit niet de belangrijkste redenen om te zeggen dat ik nooit werkelijk een Belg zou kunnen worden, nog even afgezien van de vraag wat een Belg precies is in de ogen van de Belgen zelf. De Belgische identiteit is immers, zeker in vergelijking met die van Nederland (hoe pluriform die in werkelijkheid ook is), onaf, rafelig en rommelig. De vraag is of wat ik als duidelijke verschillen ervaar en hier nu eens op een Belgisch dan weer op een Vlaams conto schuif, bij nadere beschouwing niet vooral verschillen tussen Nederland en enkel Vlaanderen betreffen — een politiek zwaar beladen kwestie. Maar waar het om gaat, is dat zelfs die verschillen niet beslissend zijn voor de vaststelling dat ik nooit Belg zou kunnen worden. Hoe concreet de verschijningsvormen ook zijn, het gaat hier uiteindelijk om abstracties en al te grote waarheden. Het zijn zaken die men met een klein beetje moeite kan begrijpen, die men kan herleiden tot de geschiedenis van beide landen bijvoorbeeld.

    Maar de onmogelijkheid om ooit werkelijk een Belg te worden, heeft veel meer te maken met verschillen die niet te begrijpen zijn en die verband houden met iets wat tegelijkertijd vele malen groter en universeler als kleiner en particulierder is dan nationaliteit. Het heeft te maken met het gegeven dat België nooit het land zal zijn waarnaar ik heimwee zal kunnen hebben. Het is mijn thuisland, niet mijn moeder- of vaderland. En dan zeg ik het nog niet goed, want ‘land’ verwijst naar de bestaande landsgrenzen en daarmee naar abstracties als ‘de’ Nederlander en ‘de’ Belg.

    Het gaat om heimat.

    Het woord is niet goed te vertalen. Het heeft ook niet werkelijk een passend synoniem. ‘Geboortegrond’ komt in de buurt, maar beperkt het te veel tot een geografische plek. Het gaat om omgeving in de ruimste zin van het woord: dat is de plek, het landschap, maar ook de mensen, de specifieke gemeenschap waarbinnen je opgroeit. Het gaat om wat je te weten komt nog voordat je over taal beschikt, over wat je letterlijk met de paplepel is ingegoten en wat bepalend is voor je gevoel van vertrouwen, van geluk, van schoonheid en veiligheid — alles wat bepalend is bij de vorming van je identiteit. Taal dus ook, moedertaal, en dat in zijn kleinste nuances, in dat wat bij vertaling verloren gaat, zelfs als het daarbij gaat om een ‘vertaling’ van het Nederlands in het Vlaams en vice versa.

    Het is kortom alles waarnaar je heimwee voelt op die momenten dat je de werking van de tijd aan den lijve ervaart, alles wat je verbindt met de plek waar die tijd is beginnen te lopen, ook al is er op zich niets wat je ertoe zou kunnen brengen naar die plek terug te keren om er opnieuw te gaan wonen (ik moet er niet aan denken!). Het gaat om wat je terugwijst naar wat niet (meer) bestaat, niet terugkomt, maar waaruit je desalniettemin bent opgetrokken. Het is dit:

     Diepenheim

     Soms kun je je, als je dat wilt, dit landschap zo te binnen brengen

     dat het wordt wat het altijd was: nooit deze weide

     waar je bent tussen koeien en gras, nooit die bosrand

     waar je staat tussen beuken — de rode —

     tussen het blauw en het groen van de spar, nooit

     de hemel waaronder.

     

    Het is dag of is nacht en altijd hoogzomer.

     Het vee in de schaduw onder de bomen,

     bij het schijnwerperlicht van een zoveel watts maan of een zon,

     hoest en herkauwt naar behoren.

     

    En er kome wat kome: achter het rietgordijn,

     tussen neerhangende sluiers van bomen, in dit haast

     muisstil geritsel terzijde, word ik, als ik dat wil,

     wat ik altijd al was: nooit deze weide, de koeien, het gras,

     nooit het rode van beuken, het groen van een spar,

     nooit het bedriegelijk echt blauw of inktzwart van een hemel.

     

      Het is dag, het is nacht, het is altijd hoogzomer.

     

    Dit is wat maakt dat ik nooit een Belg kan worden, ongeacht de identiteitskaart die ik op zak heb. Met wat vandaag in verhitte discussies ‘identiteit’ wordt genoemd, heeft het maar zijdelings te maken. In die discussies is het begrip veel sterker gebonden aan de actualiteit dan wordt voorgewend. Het staat nooit los van de politieke context en de daarmee verbonden maar vaak verzwegen doelstellingen waarin het wordt gebruikt. In die zin voel ik me als ‘inwijkeling’ (om toch nog aan die ‘Hollander’ te ontkomen) vrij om binnen de huidige discussies mijn eigen standpunt in te nemen. Want ik mag de wens om te kunnen stemmen hier in het begin dan hebben uitgedrukt op wat in de ogen van een Vlaming een typisch Hollandse manier is — als een centenkwestie — uiteindelijk gaat het hier ook om engagement voor een nieuw thuisland, om gemeenschapszin. En de gemeenschap die er toe doet, is de gemeenschap waar men in zijn eigen heden deel van uitmaakt. Dat is altijd meer dan een financiële of administratieve kwestie.

    Maar het maakt geen Belg van me. Zoals mijn door langdurig verblijf in Vlaanderen al sterk veranderde taalgebruik geen enkele Vlaming om de tuin zal leiden: mijn vergeleken bij vroeger zoveel zachtere g, de min of meer Franse zinsmelodie in alles wat ik tegenwoordig zeg. Ik begrijp uiteindelijk nog steeds niet elke nuance in een zinnetje als ‘ik zie u graag’ en vrees nog steeds dat wanneer ik het tegenover een autochtoon gebruik, ik een onbetamelijk voorstel doe. Genaturaliseerd wordt men maar één keer. Wat rest is heimwee, of misschien zelfs melancholie — een vreemd soort droef geluk. Daarmee maakt men geen natie, al kan geen land zonder. Daarmee maakt men voor zo’n land onontbeerlijke literatuur, misschien.

    Het gedicht schreef ik al jaren geleden voor een boek van John Heymans, en ook staan in deze tekst al zaken die ik eerder heb aangehaald, maar juist op dit moment, in de huidige context, waar het gebruik van het woord 'Belg', 'Vlaming' of 'Waal' op zich al voldoende is om een storm van verontwaardiging te ontketenen aan deze of gene zijde van het land, voegt het misschien toch nog iets toe.

     

    screenshot_123.jpg

     

     

     

     

  • Pin it!

    Proleten

    Alweer geruime tijd geleden was ik aanwezig op een werkcongres van de Vlaamse Auteursvereniging — een jaarlijks terugkerend gebeuren waar experts uit het boekenvak en alles wat daarmee samenhangt informatie verschaffen over bijvoorbeeld fiscale of juridische aspecten van het schrijverschap, of over criteria bij de beoordeling van typoscripten. Mij leek het wel eens interessant om een bijeenkomst bij te wonen over het e-boek. Tijdens de voordracht zag ik in rap tempo allerlei businessmodellen voorbijkomen waaraan me telkens weer opviel dat de auteur altijd aan het begin van de keten stond. Zonder auteur geen business. Maar wat me ook opviel (zo ik het niet allang wist natuurlijk), was dat de auteur altijd helemaal achteraan staat als het gaat om de uiteindelijke afrekening. Het shockeert de meeste mensen nog steeds wanneer je ze vertelt dat je als auteur slechts 10% van de verkoopprijs van een boek ontvangt, dat dat weliswaar meer wordt als je er meer verkoopt, maar dat de meeste auteurs die meerverkoop gewoonlijk niet halen. Het culturele klimaat is gericht op recyclage van steeds dezelfde namen, immers, zodat je in het juist daardoor ernstig verschraalde klimaat maar een paar, steeds dezelfde grootverdieners hebt.

    In de voordracht kwam ook een schemaatje voor aan de hand waarvan werd uitgelegd wat in de grotemensenwereld van het zaken doen het verschil tussen evoluties en revoluties precies was. Dat ging via een Powerpoint-presentatie, dus met leuke plaatjes erbij. Van paard naar paard-en-wagen was een revolutie; van paard-en-wagen naar auto ook. Dat auto’s sinds de Ford T spectaculair veranderd zijn, is echter geen kwestie van revolutie, maar van evolutie. Het principe bleef immers hetzelfde: een gemotoriseerd voertuig dat op eigen kracht voortbeweegt. Een kind kan de was doen. Ik bedoel: zelfs ik kan zoiets begrijpen. Maar het ontlokte me aan het eind van de voordracht wel de opmerking dat wanneer ik een en ander toepaste op het boekenvak, ik het gevoel had dat binnen het boekenvak inmiddels iedereen met de auto rijdt, maar dat de schrijver het nog steeds met een schonkig paard moet doen. Men wordt wel eens wat kribbig wanneer men bedenkt dat er een heel contingent mensen is dat veel meer geld aan literatuur verdient dan de auteurs, zonder wie nochtans blijkbaar geen enkel businessmodel overeind blijft. Al weet ik natuurlijk ook wel dat het grote geld in de huidige wereld van het boek niet afkomstig is van specifiek de literaire tak.

    Maar toch, ik heb onder mijn vrienden en kennissen een aantal hoogleraren Nederlandse en Buitenlandse Letterkunde die beter rondkomen dan ik. Het blijft een boutade, maar vooral op feestjes wil ik die nog wel eens tegen hen debiteren: dat ze hun mooie salaris wel verdienen over míjn rug, hè. Men geeft dat toe, klopt bemoedigend op die rug van mij en heft nog eens het glas. En als auteur moet je je dan ook nog het geblaat laten welgevallen van politici en Jan-met-de-Pet, die vinden dat subsidies uit den boze zijn. Ze bedoelen: subsidies voor cultuur. Het woord ‘subsidie’ wordt namelijk uitsluitend met culturele activiteiten in verband gebracht. Niet met voetbal (krijgt ook subsidie), met de boerenstand (zonder subsidies was er geen boer meer over), met een oneindig aantal andere zaken die, als ze overgelaten zouden worden aan de heilige Markt, allang naar de verdommenis zouden zijn. Zonder subsidies zou de gemiddelde leeftijd van de bevolking er behoorlijk op achteruit gaan, lijkt mij toch. En van enig samenbindend element op basis waarvan zoiets als burgerzin gebaseerd zou kunnen worden, bleef er in de openbaarheid ook niets over. Ieder voor zich, niemand voor ons.

    Enfin,”’t is de schuld van ’t kapitaal” — dat liedje kennen we. Men berust meestentijds in wat men zichzelf dan maar voorhoudt: dat het een keuze is. Ik had ook iets anders kunnen gaan doen in het leven, immers? Ik heb diploma’s, al zijn die op mijn leeftijd waarschijnlijk niet al te veel meer waard. Ten opzichte van de mogelijkheden die men in andere takken van sport gehad zou hebben, is de keuze voor de literatuur misschien zelfs uit te leggen als een heus offer — al klinkt me dat wat al te heroïsch in de oren. Uiteindelijk kiest niemand voor literatuur om maatschappelijk géén waardering te krijgen, géén rol van betekenis te spelen in de samenleving. Dat type schrijver heeft zeker bestaan — ik schrijf dus ben ik martelaar — en misschien bestaat het hier en daar nog, maar uiteindelijk kom ik die zelden of nooit tegen.

    Maar zelfs al is het een keuze: eens in de zoveel tijd maak ik me toch weer boos over het dédain dat men tegenover de schrijver tentoonspreidt, niet in de laatste plaats in kringen van het boekwezen zelf. Nog niet zo heel lang geleden trof ik een bevriend schrijver in mineur omdat hem net die dag een mail onder ogen was gekomen die de afdeling ‘Verkoop’ van het grote concern waaronder ook zijn uitgever zit, van mening was dat zijn laatste boek een slechte carrièremove was geweest. Dat laatste boek van hem is ten opzichte van die daarvoor misschien inderdaad wat minder snel behapbaar, laat zich heerlijk gaan in wat kniesoren en zeurkousen wel weer onmiddellijk in pejoratieve zin ‘experiment’ zullen noemen, terwijl hij toch bepaald niet als ‘experimenteel’ te boek staat, te boek zou willen staan, of — maar dat is mijn mening — op basis van dat laatste boek ‘experimenteel’ in die zin genoemd zou kunnen worden. We zaten op café. En ik werd boos. Niet op hem. Maar op de afdeling ‘Verkoop’.

    Want in welke wereld leven we als een door een uitgever met volle overtuiging uitgebracht boek door de afdeling ‘Verkoop’ als een slechte carrieremove wordt gekapitteld. Ik zou zeggen: in een wereld waarin verkopers hun werk niet naar behoren doen. Het is toch godverdomme hún taak om de producten aan de man te brengen? Als hen dat niet lukt, is het niet de auteur die iets verkeerd heeft gedaan; dan doen zíj het niet goed. Gezien alles wat ik als eerste in de keten moet afstaan aan uitgevers, drukkers en die gestropdaste vertegenwoordigers die de zaken aan de boekhandels moeten slijten, verwacht ik van allen die zich contractueel hebben verplicht om mijn werk te exploiteren de volledige inzet.

    Ik verwacht nog iets anders ook. De reden voor dit stukje is dat ik recentelijk ben uitgenodigd om in een filiaal van een grote boekhandelketen hier in Vlaanderen op een zondagmiddag te worden geïnterviewd. Dat is in het kader van ‘De Literaire Lente’. Natuurlijk wil ik dat wel. Maar op mijn vraag of er een honorarium aan vastzit, krijg ik als antwoord: neuh… een boekenbonnetje misschien. Ik kan nu vervolgens mijn schouders ophalen en bedanken voor de eer. Maar het gaat me om het automatisme waarmee zo’n boekhandelketen, waarvan geweten is dat ze van het totale literaire aanbod misschien 20% voor een heel korte tijd wel in hun winkel willen zetten, mits met recht van retour en mits het binnen die korte tijd verkoopt — het gaat me om het feit dat zo'n boekhandelketen wél graag literaire auteurs in de winkel haalt om het eigen literaire en algemeen culturele blazoen wat op te poetsen, maar tegelijkertijd vindt dat die auteurs het maar als hobby moeten beschouwen. Reiskosten worden niet betaald, uren worden niet betaald. Nee, men krijgt een boekenbonnetje, een bonnetje dat natuurlijk alleen besteed kan worden in één van de filialen van die keten. Ik vind daar nooit wat ik zoek. Je vraagt je toch af wat die lieden bezielt.

    Ik vraag me vervolgens ook af wat de promotieafdeling van het concern waartoe mijn uitgever behoort bezielt, dat ze met zoiets überhaupt instemmen. Het lijkt me alweer een vorm van contractbreuk. Ik vind in ieder geval niet dat mijn werk hier op de juiste wijze wordt geëxploiteerd. En dat men niet afkomt met wat in dit soort gevallen altijd uit de hoge hoed wordt getoverd: het is toch maar mooi promotie voor u. Promotie? Het event waar het om gaat maakt deel uit van een festivalachtig gebeuren dat, ongetwijfeld tegelijkertijd, ook elders in de stad manifestaties heeft gepland. Stel dat er 30 mensen op zo’n interviewtje afkomen, en stel dat die alle 30 een boek van mij kopen (wat niet gebeurt). Dan heb ik 60 euro verdiend. Bruto. In België. Bruto in België 60 euro. Wat ik daarvan overhoud, voldoet misschien net om mijn benzine of treinkaartje te betalen.

    Als men in deze sector dan zo nodig enkel economisch wil redeneren, dat men dat dan ook doortrekt naar wie men inhuurt. Schrijvers worden voortdurend gechanteerd met hun zogenaamde economische onbeduidendheid en tegelijkertijd zoet gehouden met hun onmisbaarheid voor het culturele blazoen van bedrijf en natie. Uiteindelijk gaat het hier gewoon om schaamteloze uitbuiting, om onfatsoenlijk proletengedrag. Een Stichting Schrijvers School en Samenleving wordt in België node gemist (het systeem van de Stichting Lezen hier in België is hopeloos omslachtig en veel te beperkend). De Vlaamse Auteursvereniging, toch al zwaar overbelast en nog zwaarder ondergesubsidieerd, heeft vrees ik nog veel meer werk voor de boeg.    

     

  • Pin it!

    Vrijheid blijheid

    ‘Wat betekent vrijheid nog voor ons, afgezien van vakantievieren in een dictatuur?’, zo vraagt Ramsey Nasr zich af in ‘De eigen cultuur wordt gebruikt als een schild’ (NRC, 19-2-2011; ook als ‘Vrijheid heeft veel vormen’ in De Standaard, zelfde datum, en hier). Wie die vraag begin jaren negentig stelde, werd nog als een achterlijke nostalgicus met een hang naar jarenvijftigduidelijkheid in de hoek gezet. Anything goes, zo luidde toen het parool, en wie daar ook maar de  geringste kanttekening bij wilde maken, was een provinciaaltje dat niet mee kon met de rest. (Tussen haakjes: ik was toen zo'n provinciaaltje en het was voor mij de reden om in De Groene Amsterdammer een loflied op de provincie te schrijven, ‘De provinciale staat’, 3 maart 1999).

    Toen Pim Fortuyn werd neergeschoten en ik toenmalig premier Wim Kok hoorde zeggen: ‘Meningsverschillen beslecht men met woorden, niet met kogels’,  schreef ik in een opiniebijdrage voor De Morgen (‘Fortuyn was pimpelpaars’, 15 mei 2002): ‘Ik wil dat graag onderschrijven, maar dan alleen in een klimaat waarin woorden niet de gewichtloze ballonnetjes zijn geworden die politici elkaar toespelen. Dat is een klimaat waarin op den duur alleen kogels nog gewicht in de schaal leggen. Politici hadden zich beter gerealiseerd dat woorden in de politiek daden zijn, of toch behoren te zijn.’ Wim Kok was in mijn ogen zelf een politicus die van alle woorden zeepbellen had gemaakt toen hij in 1995 in de Den Uijl-lezing, als voorman van de PvdA toch, de socialistische ideologie bij het grof vuil zette. Ik kon me destijds vrij goed vinden in een boekje van Slavoj Žižek dat in de Nederlandse vertaling Pleidooi voor intolerantie heette, al moet je bij die Žižek altijd op je qui vive zijn: de man schiet niet zelden met een kanon op een mug en lijkt politiek te willen bedrijven aan de hand van Lacan, waardoor hij diens ‘reële’ soms verwart met de maatschappelijke realiteit, of dan toch lijkt te wensen dat het ene voor het andere wijkt (de maatschappelijke realiteit die de realiteit niet is maar het reële juist verbergt — dat soort postmoderne scherpslijperij). Anders gezegd: Žižek verkoopt wel eens baarlijke nonsens en lijkt ook vaak zijn publieke imago van scheelkijker en dwarsdenker te laten voorgaan op wat een bepaalde situatie aan gezond verstand eist. Hij denkt zoals hij praat: slissend.

    Maar Pleidooi voor intolerantie was eind jaren negentig zo aantrekkelijk omdat het in ieder geval afrekende met de vrijheid-blijheid-verdwazing die op politiek en cultureel vlak de boventoon voerde en die feitelijk neerkwam op een absolute heerschappij van het marktdenken. Ik was op alle vlakken voor een re-ideologisering van de samenleving — voor mij natuurlijk te beginnen met de literatuur, waarin de discussie over de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid weer centraal moest staan (de discussie over literatuur als een discussie over ‘de juiste lectuur’ en daarmee als een discussie over mens- en maatschappijbeelden), maar ook op politiek vlak. Het zogenaamd ideologieneutrale paarse kabinet was in Nederland (en wat later ook voor België) de perfecte dekmantel voor de neo-liberale ideologie geweest — en ik vind het nog steeds een beetje verbazend dat politici als Verhofstadt zo lang nodig hadden om in te zien dat het hier niet om een natuurfenomeen ging, zoals veel neo-liberale kameraden leken te denken, maar wel degelijk om inderdaad een verstikkende ideologie. Zoals het me ook verbaast dat Hans Achterhuis’ De utopie van de vrije markt in 2010 nog zoveel opzien baarde. Juist als je — vooruit: met hulp van Žižek en zelfs van Lacan — juist als je gespitst raakt op de vaak verzwegen vooronderstellingen van politieke en maatschappelijke fenomenen, ontdek je al heel snel dat vrijheid geen natuurfenomeen kán zijn, en dat waar ze wel zo wordt voorgesteld in de praktijk enkel het recht van de sterkste geldt.

    Dat was en is wat re-ideologisering voor mij betekende en betekent: het zichtbaar maken van de ideologische ondergrond van wat als vanzelfsprekend wordt voorgesteld. Juist waar dat niet gebeurt — en het is uit zelfgenoegzaamheid, uit domheid, uit welbehagen, uit consumentistische verlamming, uit misschien nog iets anders de laatste decennia niet meer gebeurd — juist waar je niet gespitst bent op de verhalen achter wat als de realiteit wordt voorgesteld, blijkt er één verhaal absoluut dominant te zijn, en lijkt  niemand nog in staat om daarbuiten te gaan staan. De kritiek verstomt, dreigt zelfs onmogelijk te worden, en democratie verbleekt tot het recht te kiezen voor meer van hetzelfde.

    Vrijheid en rechtvaardigheid worden door ons westerlingen, meestal op de automatische piloot, aan elkaar gelijkgesteld, maar wie van beiden het maximum eist, ziet al snel dat ze elkaar wederzijds uitsluiten. Zonder begrenzing is vrijheid een brute macht die velen vermorzelt. ‘Zo los en luchtledig zijn wij geworden in ons gedrag, ons onderwijs en de dwangmatige neiging aan ie-der-een onze mening te slijten, dat onze vrijheid een dictatuur vormt,’ zo stelde Nasr in zijn stuk. Dat geldt overigens niet alleen voor Nederland. Het is in zekere zin goed dat iemand als Wilders voor de rechter is gedaagd wegens ‘aanzetten tot haat’; ik schreef al eerder dat iemand die van dat aanzetten tot haat een politiek programma heeft gemaakt, niet moet zeuren dat zijn proces politiek zou zijn. En zo was het ook niet verkeerd dat Brusselmans’ Uitgeverij Guggenheimer destijds onderwerp werd van een juridisch steekspel, al stonden met name Nederlandse schrijvers als Connie Palmen meteen op hun achterste benen: censuur! In beide gevallen doen voorstanders van de absolute vrijheid van meningsuiting alsof nu toch wel definitief is aangetoond dat we in een politiestaat leven. Maar het is juist die absolute opvatting die de vrijheid ondermijnt: dat wat we alleen ervaren als er grenzen zijn getrokken. Dat die grenzen op zich niet absoluut zijn, weet iedereen met een minimum aan historisch besef, maar vervolgens zeggen dat ze dus niet bestaan is misschien inderdaad een beetje… te lacaniaans. Ze moeten telkens opnieuw worden getrokken en vastgesteld.

    Of nog eens, in het verlengde van het stuk over de permissieve samenleving: we moeten ophouden vrijheid te definiëren in termen van de bevrijding van wat ons onwelgevallig is. Wir sind aufgeklärt, wir sind apathisch. Het is een apathie waaraan enkelen goed verdienen. Het wordt tijd vrijheid te definiëren als de begrenzing die we wensen in plaats van als de ontgrenzing die ons wordt opgelegd. Voorwaarde daarvoor is dat je je bewust bent van de vooronderstelling van diegenen die het begrip vrijheid invullen.

  • Pin it!

    Geschiedvervalsing

    Zegt Christophe Vekeman afgelopen woensdag in De Morgen tegen Joost Zwagerman: ‘In uw polemieken, bijvoorbeeld tegen Marc Reugebrink in Collega's van God, blijft u altijd opvallend beschaafd’. Antwoordt Zwagerman: ‘Nou, die is anders heel lang woedend op mij geweest, hoor.’

    Belangrijk is het niet, en toch… het achtervolgt me nu al jaren: mijn zogenaamde aanvaring met Joost Zwagerman aan het eind van de jaren tachtig. Alweer jaren geleden stond er in Poëziekrant een interview van Fleur Speet met Zwagerman naar aanleiding van het verschijnen van Bekentenissen van een pseudomaan (2001). Bij die gelegenheid sloeg Zwagerman zelfs aan het fabuleren over alweer die aanvaring eind jaren tachtig. Ik schreef toen een stuk om ook eens wat aandacht te krijgen voor mijn kijk op de zaak. Die bestaat vooral uit de vaststelling dat er van een werkelijke aanvaring met Zwagerman eind jaren tachtig nooit sprake is geweest. Er is ook nergens een artikel van mij terug te vinden waaruit zou blijken dat ik mij verschrikkelijk tegen Joost Zwagerman gekant zou hebben. Ik liet me ooit in een interview in De Volkskrant (ergens in 1988) niet in gunstige zin uit over dichtersbeweging De Maximalen, zonder woedend te zijn; ik schreef ooit een open brief aan zwagermans adres in De Groene Amsterdammer waarop vooral Zwagerman woedend reageerde; ik schreef een negatieve recensie over De buitenvrouw in het Nieuwblad van het noorden (21-10-1994), maar alweer zonder woedend te zijn of iets dergelijks. De enige aanvaring waarvan sprake is, vond plaats in Groningen (enfin, zie hieronder).

    Ik besloot dus na het interview van Fleur Speet eens een stukje te schrijven om mijn kant van de zaak wat te belichten. Per slot van rekening was ik ook al in min of meer officiële literatuurgeschiedenissen tegengekomen dat ik me geweldig had verzet tegen de Maximalen, en tegen Zwagerman in het bijzonder (altijd zonder dat ook maar één artikel genoemd kon worden waaruit dat dan bleek). Ik stuurde dat stukje op naar Willy Tibergien. Via via vernam ik dat Tibergien even contact had opgenomen met Fleur Speet naar aanleiding van mijn stukje, en dat Fleur Speet het niet nodig had gevonden dat mijn stukje in Poëziekrant werd opgenomen. Dat verbaasde mij toch wel een beetje. En ik vond het ook enigszins onfatsoenlijk — maar bon. Men went aan alles.

    Maar telkens als ik weer eens een verwijzing naar die zogenaamde strijd aan het eind van de jaren tachtig tegenkom (die was er wel, maar niet met mij; ik herinner me boze stukken van Wiel Kusters en nog een aantal door Maximaal geviseerde dichters en critici), denk ik onwillekeurig: zo zat het dus niet.

    Ik geef hieronder het stuk dat ik aan Poëziekrant stuurde (het betreffende interview stond dus in PK 2001, nr. 5), zodat in ieder geval ergens mijn versie van de feiten een plek krijgt.

    OP EEN AVOND IN GRONINGEN...

    -kanttekeningen bij een petite histoire

    (2001)

    >>Als ik ergens een hekel aan heb dan is het wel aan die typisch Hollandse neiging om dat wat niet meer dan petite histoire is tot nationale literatuurgeschiedenis te verheffen. Ruzies tussen schrijvers op de hoek van, laten we zeggen het Spui en de Nieuwezijds Voorburgwal te Amsterdam, groeien in de specifiek Nederlandse literatuurbeschouwing al snel uit tot heuse ‘literaire’ kwesties, terwijl het meestal om niet meer gaat dan (gewoonlijk) twee heren die zichzelf een dermate groot ego hebben aangemeten, dat een woordenwisseling op een straathoek welhaast niets anders kán zijn dan een ‘datum’ in de literatuurgeschiedenis - het moment waarop de Nederlandse, zelfs de Nederlandstalige literatuur in haar geheel, definitief van aanzien veranderde.

    In die zin zou ik Joost Zwagerman dus dankbaar moeten zijn dat hij in het interview dat hij in Poëziekrant 5 met Fleur Speet had, nog eens teruggrijpt naar een literaire avond in 1988, toen in Groningen een podiumdiscussie plaatsvond tussen Rogi Wieg, Elma van Haren, Zwagerman en mijzelf, want, zo kan men uit het interview opmaken, dat was me nogal een avond. “Reugebrink wilde bijna letterlijk met me op de vuist,” zo zegt Zwagerman in dat interview. “Hij had tegen Elma van Haren gezegd: ‘Als het mij niet bevalt wat Zwagerman zegt, dan timmer ik hem na afloop in elkaar.’ Gelukkig vertelde Elma me dat pas veel later. Maar goed, het gaf wel aan hoe de verhoudingen waren.”

    Nu heb ik in de wandelgangen van de literatuur de afgelopen dertien jaar wel vaker van deze en gene gehoord dat die bewuste avond in Groningen op Zwagerman een diepe indruk gemaakt moet hebben. Zo vroeg A.F.Th van der Heijden mij jaren nadien hoe of dat nu precies zat met “die ruzie” tussen Zwagerman en mij. Welke ruzie, wilde ik weten. Nou, kijk eens, Van der Heijden was Zwagerman bij de slager tegengekomen en... enzovoorts. Ik kon alleen maar antwoorden dat “die ruzie” zich blijkbaar volledig in het hoofd van Zwagerman afspeelde, en het leek mij toen al dat de animositeit die er tijdens de discussie in Groningen tussen hem en mij wel degelijk was geweest, door hem nogal werd gecultiveerd en bijgevolg opgeblazen. Ik concludeer nu dat de toenmalige woordenwisseling inmiddels mythische proporties heeft gekregen.

    Helemaal onbegrijpelijk is dat niet. De Maximalen zijn zelf een mythe geworden waarin waarheid en leugen niet goed meer van elkaar te onderscheiden zijn (zo beweerde R.L.K. Fokkema in zijn toch alleszins respectabele poëziegeschiedenis Aan de mond van al die rivieren dat Arjen Duinker aanwezig was bij een discussie die in oktober 1986 in boekhandel De Verloren Tijd plaatsvond, een samenkomst die als “belangrijke aanzet tot het ontstaan van de Maximalen als groep” gezien moet worden (p. 117), maar Duinker zelf weet heel zeker dat hij daar nooit is geweest). Er is Zwagerman, als toch één van de voormannen van de Maximalen, blijkbaar veel aan gelegen die mythe in stand te houden. De suggestie dat er eind jaren tachtig een hevige strijd woedde, dat men toentertijd “bijna letterlijk” met elkaar op de vuist ging, komt daarbij goed van pas. Dat ik in het hoofd van Zwagerman — die in dit opzicht toch meer weg heeft van een mythomaan dan van een pseudomaan — ben uitgegroeid tot de verpersoonlijking van de felle tegenstand die er tegen de Maximalen bestaan zou hebben, dat hij met andere woorden nu al dertien jaar lang - in de wandelgangen, maar dus nu blijkbaar ook weer op een meer publieke plaats - probeert van mij zoiets als een symbool te maken van die tegenstand, het duidt op een diep verlangen de Maximalen eens te meer als een heroïsche verzetsbeweging neer te zetten. Met de werkelijkheid uit die dagen heeft het echter niet zo heel veel te maken.

    Sterker nog: de animositeit op die bewuste avond in Groningen had precies te maken met de wijze waarop de Maximalen, in casu Zwagerman, trachtten hun eigen geschiedenis vorm te geven. Op 26 september 1988, een anderhalve maand voordat die avond plaatsvond, kreeg ik van Zwagerman een handgeschreven brief met daarbij zijn toen juist verschenen tweede dichtbundel De ziekte van jij. Hij refereerde in die brief aan de sceptische opmerkingen die ik weer enige tijd daarvoor in een interview in de Volkskrant over de Maximalen had gemaakt. Hij refereerde ook aan de zeer negatieve recensie die hij over mijn eerder dat jaar verschenen debuutbundel Komgrond in Vrij Nederland had geschreven. Beide zaken waren voor hem aanleiding om mij te vragen of ik voor De Held - het blad dat op dat moment als spreekbuis voor de Maximalen gold en waarvan Zwagerman redacteur was - niet een stuk over zijn bundel wilde schrijven waarin ik hetzelfde deed als hij met mijn bundel in Vrij Nederland had gedaan. Dat lijkt ruimhartig, maar wanneer iemand je verzoekt hem af te slachten, kun je maar beter op je qui vive zijn. Dat was ook het eerste wat ik me afvroeg toen ik die brief las: waarom zou hij dat willen? En dan: wat als ik De ziekte van jij nu eens een goede bundel vond? Die mogelijkheid had hij blijkbaar zelf al op voorhand uitgesloten, en dat lijkt me veelbetekenend. De Maximalen zelf creëerden een sfeer waarin het ‘wie niet met ons is, is tegen ons’ de boventoon voerde, zodat de scepsis waarvan ik in het Volkskrant-interview blijk had gegeven, in hun ogen niets anders kón zijn dan een oorlogsverklaring. In ieder geval begreep ik dat ik Zwagermans recensie in Vrij Nederland als zoiets als een oorlogsverklaring had moeten begrijpen - wat niet het geval was.

    Uiteraard was ik met dat stuk niet blij; ik was zelfs verontwaardigd, en precies om de redenen die Joost Niemöller wat later aangaf toen hij, in De Held, in een recensie over Komgrond inging op Zwagermans Vrij Nederland-stuk. Zwagerman, stelde Niemöller ongeveer, had mijn poëzie wel erg door een zwart-wit bril bekeken en was daardoor toch minstens aan één oog blind geweest. Maar zelfs voordat dat stuk verscheen, had ik al begrepen dat die blindheid het prerogatief van de recensent is, en zelfs een voorwaarde voor zoiets als literaire kritiek, ook al leidde dat in het geval van Zwagerman dan tot het verkeerd citeren van dichtregels in zijn ijver mij neer te zetten als een epigoon van Kouwenaar en Faverey. De criticus die elke bundel uitsluitend op zijn eigen merites beschouwt, is een boekhouder, geen criticus, al moet hij natuurlijk wel correct blijven citeren.  

    Hoe dat ook zij - mijn scepsis tegenover de Maximalen was in mijn hoofd geen vijandschap. Ik besloot na het lezen van Zwagermans brief dan ook om hem te bellen, legde hem uit dat ik bij het lezen van zijn naam op het omslag van De ziekte van jij nu niet onmiddellijk een waas voor ogen kreeg, dat ik derhalve ook niet op zijn verzoek in zou gaan, maar dat ik het verzoek zelf zo merkwaardig vond dat ik er in een open brief aan zijn adres wel iets over wilde zeggen.

    Dat was niet de bedoeling...

    Nee, natuurlijk was dat niet de bedoeling. Zo’n brief zou maar duidelijk maken hoezeer de Maximalen drukdoende waren om binnen de poëzie een oppositie te creëren, hoe ze trachtten om het welbekende scenario van de literaire vernieuwing (normverandering, generatiewisseling, vadermoord) gestalte te geven in een literair klimaat waarin de meeste nieuwe dichters nauwelijks nog animo hadden om zich volgens dat scenario te manifesteren. Dat had in de literaire pers al tot de constatering geleid dat er in de Nederlandse literatuur ‘niets’ meer gebeurde. De literaire pers leeft van de nieuwswaarde van literatuur en heeft nauwelijks aandacht voor de literaire waarde ervan. De Maximalen speelden daar handig op in. Woorden als ‘bloedeloos’ en ‘saai’ doken op in de, geheel volgens de regels van de traditie door hen de wereld ingestuurde manifesten en de pers hapte toe. Er werd vooral voor de ogen van die pers keurig een literaire revolutie georganiseerd, en binnen dat scenario was het noodzakelijk dat je ook de vijandschappen regisseerde. Dat was wat Zwagerman middels die aan mij gerichte brief probeerde te doen. Ik moest mij als ‘tegenstander’ opwerpen, mijn sabel trekken, Zwagerman afmaken. Maar, o ergernis, ik weigerde die mij toegeschoven rol te spelen. Ik dreigde in plaats daarvan een open brief te schrijven waarin ik precies dit in wezen nogal cynische mechanisme aan de kaak stelde.

    Mij ging het om de poëzie van de Maximalen, en ik was niet de eerste en zeker niet de enige die vaststelde dat die poëzie zelf literair gesproken weinig nieuws te bieden had, zodat er een nogal diepe kloof gaapte tussen de holle frazen waarmee deze dichtersclub zich in manifesten en krantenartikelen presenteerde, en het werk zelf. Nieuwe poëzie was het in ieder geval niet, en ik heb een aantal jaren terug in Parmentier (jrg. 9, nr. 2, najaar 1999, p. 14-28) al eens gesuggereerd dat het de Maximalen ook helemaal niet zozeer om een totaal andere, nieuwe poëzie ging, maar dat ze de poëzie zoals die sinds het optreden van de experimentelen in de jaren vijftig in Nederland geschreven werd, terug opeisten. De poëtica van de Vijftigers was een door academici op basis van de poëzie gefabriceerde theorie die in toenemende mate dat wat aan die poëzie ten grondslag lag verborg: de ervaring die Lucebert ooit omschreef als het verlangen ‘de ruimte van het volledige leven’ tot uitdrukking te brengen. In die zin kun je de Maximalen opvatten als een beweging die verlost wenste te worden uit de kluisters van een volstrekt vertheoretiseerd en versteend poëzieklimaat. Het was een soort ‘revenge of art upon the intellect’, zoals je het met een omdraaiing van de woorden van Susan Sontag zou kunnen zeggen - of althans: het is mogelijk om te veronderstellen dat dat de inzet was.

    Ik zal niet beweren dat ik in 1988 al in staat was om het optreden van de Maximalen in een dergelijk licht te bezien. Mij viel toen alleen dat door mij als al te cynisch beschouwde scenario op, en de rol die ik daarin moest spelen, maar weigerde. Ik schreef mijn open brief natuurlijk toch en die verscheen niet in De Held, maar in De Groene Amsterdammer (30-11-1988) — ik geloof één week na de beruchte avond te Groningen. Punt is dat ik vooraf had gemeend dat het wel zo beleefd was die brief ook naar Zwagerman te sturen (zodat nog voordat mijn brief was gepubliceerd een ellenlang antwoord van Zwagerman ter redactie arriveerde, samen met eindeloze telefonades waarin hij eiste dat zijn antwoord tegelijk met die open brief van mij zou worden afgedrukt, waar de redactie van De Groene overigens niet op inging). En ten slotte, omdat de gespreksleiders van die avond niet zo goed wisten wat ze mij nu precies moesten vragen, had ik die brief ook aan hen gestuurd. Een rampzalige beslissing, want de gespreksleiders (ik ben hun namen kwijt) roken bloed en brachten die brief meteen ter sprake. Dat leidde tot een eindeloze woordenwisseling tussen Zwagerman en mijzelf, waar Elma van Haren en Rogi Wieg (laat staan: het aanwezige publiek), onkundig van de achtergronden, weinig van begrepen en ook nauwelijks in betrokken werden. Mijn irritatie die avond kwam vooral voort uit het feit dat telkens wanneer ik probeerde uit te leggen waarover het ging, Zwagerman me als redderende regisseur van zijn zo zorgvuldig georkestreerde revolutie in de rede viel, zodat het niveau al snel daalde en het gesprek meer en meer neerkwam op de vraag wie wat op welk moment mocht zeggen. Als publieksavond nogal een mislukking, al bleek het publiek zich wel vermaakt te hebben met Zwagermans en mijn toenemende wederzijdse irritatie, die er uiteindelijk zelfs toe leidde dat Zwagerman opstond en wegbeende, vanuit mijn positie bezien: briesend (maar dat kan evengoed mijn verbeelding zijn), waarna de gespreksleiders ijlings de avond afsloten.

    Als bewijs voor “hoe de verhoudingen waren” in die dagen, lijkt me die avond nogal ongeschikt. Die verhoudingen waren, voor zover het Zwagerman en mijzelf betreft, in ieder geval nooit wat Zwagerman er in het interview in PK 5 zo graag van wil maken, nog steeds worstelend met de Betekenis die de Maximalen in zijn ogen zouden moeten hebben, maar uiteindelijk nooit gehad hebben. En uiteraard heb ik nooit met fysiek geweld gedreigd, noch ooit iets dergelijks tegen Elma van Haren gezegd. Zwagermans neiging tot mythomanie in aanmerking genomen, betwijfel ik zelfs of Van Haren ooit de door haar zogezegd uit mijn mond opgetekende uitspraak aan Zwagerman overgebriefd heeft. Maar gesteld dat dat wél zo is, hoe zou Van Haren daar dan aan gekomen zijn?

    Misschien dat een in 1995 door Mirjam Rotenstreich en Lisa Kuitert samengesteld literair album hierop een antwoord geeft. De gevoelige plaat heette dat boek, en het stond vol met foto’s en bijschriften die door verschillende auteurs waren aangeleverd. Daarin staat ook een foto van Zwagerman en mijzelf die op die bewuste avond werd genomen. Het is een foto waarop Zwagerman ogenschijnlijk beschuldigend naar mij wijst en ikzelf met een wat vertrokken kop achter een microfoon zit; om ons heen de nevelen van sigarettenrook. Een prachtig plaatje vond ik, waar ik niet anders dan met de nodige ironie naar kon kijken. Ik schreef er het volgende (helaas in het boek wat gemutileerde) tekstje bij:

    Groningen, november 1988. Zij die daar zaten, zitten zwijgend te verwijzen naar wat tussen hen te dreigen hing. Dat is vergeten, of herinnering. Toch wordt er eentje aangewezen. Die kijkt in nevel. Zou hij nog weten dat die in zijn longen hing? En is die adem - gulzig inhaleren en dan innig laten circuleren totdat hij uitgeblazen wordt - ooit verdwenen als die hier zichtbaar adem is gebleven? Zou dan niet zijn te lezen wat hier verzwegen wordt? Ik kijk wat beter. Er is een vete! Ik ken dat uiterlijk vertrokken grijnzen van die kop. Die denkt: ik sla erop! Ik laat mij hier de les niet lezen! Zodra die nevel is verdwenen, trek ik op!

    Het is gebaar gebleven. Dat wordt hem aangewezen. Zij die daar zitten, zitten daar elkaar verbeten zwijgend op de kop.

    De ironische ondertoon van één en ander, de zelfrelativering ook, het vermogen te lachen om je eigen dodelijke ernst, is alleen waarneembaar voor degene die niet nog steeds verblind wordt door zelfgecreëerde mythes van vijandschap. Maar waar die mythes nog wel rondspoken in iemands hoofd - omdat hij een geschiedenis nodig heeft waarin hij voor zichzelf zichtbaar blijft als de held van het verhaal -, is zo’n tekstje natuurlijk een ondubbelzinnig bewijs voor de juistheid ervan. Daar staat het dan: “ik sla erop!” - petite histoire, om door hem moverende redenen monsterlijk vertekend door Zwagerman, die tot officiële literatuurgeschiedenis is gepromoveerd. Nog steeds tracht Zwagerman andermans rol in de literatuur te regisseren om zijn eigen rol in de literatuurgeschiedenis volledig in eigen hand te houden.<<

    En die foto? Die zag er zo uit:

    Naamloos1.jpg

     

     

    Wat ik in bovenstaand stuk niet vermeldde (het leek me niet relevant; het is niet controleerbaar ook) was een autorit die ik samen met Elma van Haren maakte, ergens begin jaren negentig, denk ik. We waren beiden present geweest op een poëziefestival in Landgraaf, Limburg. Ik reed in een oranje Mazda 323 uit het jaar nul, en Elma droeg een blauwe, lange jurk. Ik moest naar het noorden, zij wilde haar moeder bezoeken die ergens in een dorp aan de Maas woonde, en ik had aangeboden daar langs te rijden. Tijdens die rit (Elma met haar blote voeten op het dashboard) kwamen we nog eens terug op die merkwaardige avond in Groningen. Ik herinner me dat ik tegen haar zei dat Zwagerman aan het eind van die avond een agressieve indruk op me maakte, en dat ik even had gedacht: die gaat me in elkaar slaan. Misschien dat dat gesprek via een omweg en met de nodige bijkleuring van wie dan ook maar bij Joost terecht is gekomen.

    Zoals gezegd: belangrijk is het allemaal niet. History in the making — dat is het natuurlijk wel. De vertekening van de werkelijkheid totdat het historische verhaal klopt met wat op een zeker moment voor de historische werkelijkheid doorgaat. De Maximalen gelden als de laatste beweging in de Nederlandse poëzie. Dat ze dat volgens heel andere criteria niet zijn (het zijn de Vijftigers), doet dan nog nauwelijks terzake. Wat telt is wat er aan documenten terug te vinden is. Van mij zijn er geen artikelen te vinden die de suggestie ondersteunen dat ik in de jaren tachtig de grote vijand van de Maximalen geweest zou zijn. Ik had mijn bedenkingen, maar het waren de Maximalen zelf, of dan toch ten minste Joost Zwagerman, die wanhopig op zoek waren naar een Vijand, iemand die de rol kon vervullen die hun optreden pas werkelijk de kleur gaf die ze zochten.

    Zijn handgeschreven brief met de uitnodiging hem in zijn eigen tijdschrift af te maken, heb ik natuurlijk goed bewaard.  

  • Pin it!

    Van de baby en de borst

    screenshot_118.jpg

     

    •  Ik ben geneigd te concluderen dat de klachten tegen Versteylen toch van een andere aard zijn dan die tegen priesters die hun lusten botvierden. Maar dat het probleem van de begrenzing van de vrijheid met het jargon van Versteylen ook niet is opgelost, lijkt eveneens duidelijk  

     

    Hoelang is dat nu geleden, dat voorval in het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis van Aalst toen een arts de politie afstuurde op een vrouw met een kind aan de borst? Een half jaartje. Ik vond het symptomatisch voor de algehele verwarring die er in de samenleving blijkbaar heerst als het gaat om seksualiteit.

    Wie al aanstoot neemt aan een vrouw die bezig is met iets wat nu juist duidelijk maakt hoezeer zij op dat moment niet beschikbaar is voor seks, die houdt er wel een heel verwrongen kijk op seksualiteit op na. Het is juist die verwrongen kijk die tot excessen leidt, die van het natuurlijke iets pervers maakt en die zo zorgt voor martelende onzekerheid over wat wel en wat niet normaal genoemd kan worden. Ik had nooit gedacht dat we weer op dat punt zouden belanden.

    In de jaren tachtig was het topless zonnen gewoon geworden. Dachten wij. We hadden niet het gevoel dat de ontblote borst nog een politiek statement was, een provocatie of een wapen in de strijd voor onafhankelijkheid. Wij: dat waren niet alleen jonge mannen en vrouwen die aan universiteiten en hogescholen studeerden, maar ook mama's die zich in Benidorm op het strand lagen in te vetten. De emancipatie van de vrouw stond goed op de rails en fanatieke dames in tuinbroeken werden inmiddels al wat ouderwets gevonden.

    Natuurlijk werd er gegluurd en gewogen, maar de overgrote meerderheid had op stranden en zonneweiden al geleerd dat je naar de ogen van een vrouw moest kijken als je met haar praatte. Dat lukte vrij goed. Bewijs dat ook wij mannen een stap voorwaarts hadden gezet in de algehele emancipatie van de mensheid. Blote borsten vormden het bewijs voor onze hoge beschavingsgraad.

    Misschien is het niet de meest elegante omschrijving van wat beschaving is: normaal gaan vinden wat in de loop der eeuwen taboe werd verklaard. Ze is in ieder geval niet onproblematisch. Dat taboe maakt immers zelf deel uit van een beschaving die door de opheffing van dat taboe (deels) wordt afgewezen. Eeuwen van platoons-christelijk denken hebben ervoor gezorgd dat de scheiding van lichaam en geest tot het grondplan van ons denken is gaan behoren.

    Dat die rigoureuze scheiding in wezen onnatuurlijk is, zien we aan de ontsporingen in kringen die van die scheiding een heilige plicht hebben gemaakt. Want laten we niet net doen of de huidige schandalen binnen de kerk iets nieuw zijn. Al in de literatuur uit het verre verleden - van de Decamerone tot onze eigen Reinaert de Vos - blijken geestelijken vooral mensen te zijn voor wie de eigen soutane vaak te krap werd. Of zoals Bruno Wyndaele het nog in Reyers laat formuleerde: iedereen die de katholieke scholen en internaten bezocht, wist dat er leraren waren waarvoor je moest oppassen.

    Maar het opruimen van taboes kan ook betekenen dat men grenzen overschrijdt die beter gehandhaafd waren gebleven. De Nederlandse dichter Jan Elburg schreef ooit dat een mens ook het recht had zichzelf te zijn beneden zijn middenrif. Let op het woordje 'ook'. De bevrijding van het keurslijf van het platoons-christelijk denken was nooit een pleidooi voor bestialiteit.

    Dat viel misschien minder op in de kringen van experimentele dichters en verfspattende Cobrakunstenaars waartoe Elburg in de jaren vijftig van de vorige eeuw behoorde. En het afbreken van wat als de overleefde waarden van een christelijke samenleving werd beschouwd, stond in die vrolijke tijden ook voorop. De kloof tussen dichters, kunstenaars en wat later de mei '68-ers die van een bloot gat meer of minder niet opkeken, en de gewone burger die door dat alles geshockeerd was, was tamelijk groot.

    Dat het om de vrijheid van het individu ging was duidelijk genoeg, maar die vrijheid werd voorlopig alleen gedefinieerd als de bevrijding van traditionele (christelijke) waarden, en niet als een nieuwe, een andere manier om de mens te begrenzen.

    Grenzen zijn nodig
    Dat het zonder zo'n nieuwe begrenzing niet gaat, blijkt misschien uit de pogingen die Luc Versteylen ondernam om in de schoot van de katholieke kerk zelf tot een andere verhouding met seksualiteit te komen. Woorden als 'juichen' (klaarkomen), 'hemelen' (masturberen) en 'diepste draai' (neuken) maken nu op mij persoonlijk een wat debiele indruk, en ik ben nog steeds geneigd er een bewijs in te zien van de grondig verstoorde relatie die een diepgelovige jezuïet nu eenmaal uit de aard der zaak met zijn eigen seksualiteit heeft.

    Zo heel veel verschil met de bloemetjes en de bij zie ik eerlijk gezegd niet. Maar misschien dat dit omfloerste taalgebruik in al zijn, in mijn ogen haast schijnheilige omzichtigheid, toch kon helpen om de katholieke jeugd een nieuwe verhouding tot de eigen lichamelijkheid te laten vinden. Zoals alles wat daar in de brouwerij van Viersel met misschien wel de beste bedoelingen werd gedaan om, zo lijkt het, een nieuwe invulling te geven aan het begrip 'kloosterleven'.

    Een woord als 'hemelen' kan een door katholicisme verwrongen jongere helpen om bij het masturberen niet onmiddellijk aan hel en verdoemenis te denken. Het kan in ieder geval gezien worden als een poging lichaam en geest wat dichter bij elkaar te brengen. Dat moet destijds toch door sommigen als een grote bevrijding zijn ervaren.

    Dat blijkt ook uit de steunbetuigingen die Versteylen krijgt nu er klachten over misbruik tegen hem zijn ingediend. In hoeverre die klachten gegrond zijn, is een zaak voor anderen om uit te maken. Op basis van de beschrijvingen in de pers ben ik geneigd te concluderen dat ze van een toch wat andere aard zijn dan de klachten tegen pastoors, priesters en andere kerkelijke gezagsdragers overal ter wereld die hun lusten botvierden op kinderen die niets durfden te zeggen en dus niets konden zeggen. In dat laatste geval gaat het duidelijk om verkrachting.

    Maar dat het probleem van de begrenzing van de nieuw gewonnen vrijheid met wat aan de liturgie ontleend jargon ook niet is opgelost, lijkt eveneens duidelijk. Wie uit niets dan warm menselijke gevoelens een ander begint te 'hemelen', wordt niet per se op 'gejuich' onthaald. En tussen een volwassene (pater of niet) en een kind is de gezagsverhouding natuurlijk nooit helemaal afwezig.

    De kerk zelf doet inmiddels pogingen om kindermisbruik tot een wat minder exclusief katholiek verschijnsel te maken. Het lijkt een poging het kwaad vooral te situeren in de wereld buiten de kerk, een wereld die door het emancipatiedenken tot een poel des verderfs geworden zou zijn, waartegen alleen de kerk bescherming zou bieden. Dat is een perverse omkering van de feiten, een omkering die vooral diegenen goed uitkomt die binnen de kerk graag het Tweede Vaticaans Concilie geheel zouden terugdraaien, en buiten de kerk de tijd zelf.

    Dat het emancipatiedenken door onder andere de schandalen binnen de kerk nu onder druk staat, leidt geen twijfel. Maar het staat ook onder druk door zijn eigen verzuim om vrijheid anders in te vullen dan als enkel bevrijding. Laten we niet vergeten dat in het verlengde van de seksuele bevrijding van man en vrouw ook menigmaal een pleidooi werd gehouden om pedofilie als iets normaals en natuurlijks te beschouwen.

    Dat pleidooi zal zelfs in de meeste zich progressief wanende kringen niet snel meer gehouden worden. Voor pedofilie was en is ook niet de normalisering mogelijk die voor homoseksualiteit - tot voor kort ook een aberratie waar je beter over zweeg - wel mogelijk bleek (het homohuwelijk). Al waren de bruidjes in bijvoorbeeld de Romeinse tijd wel héél erg jong en is de begrenzing ook hier eerder een kwestie van altijd schuivende sociale conventies dan een boven tijd en plaats verheven feit.

    Maar zelfs dan moeten die grenzen in onze tijd getrokken worden. Dat is iets anders dan er nu lijkt te gebeuren. In plaats van eindelijk door de eigen bevrijdingsretoriek heen te breken en te komen tot nieuwe definities omtrent wie we (moeten, kunnen) zijn, plooien we ons terug op wat we overwonnen dachten te hebben.

    Het is een gevaarlijk soort nostalgie, direct verbonden met een wens naar eenduidigheid die het leven nu eenmaal niet in petto heeft. En bovendien brengt het ons geen stap dichter bij wat altijd de inzet is geweest van al ons streven: een natuurlijke, maar vooral ook menselijke verhouding tot onszelf en de anderen. In plaats daarvan zien we in een baby aan een blote borst nu plotseling een haast pornografische scène.

    In: De Morgen, 22 januari 2011

     

  • Pin it!

    Onderwijl gisteren in het stripmuseum te Brussel

    Van links naar rechts: Els Aerts, ikzelve, Bart Koubaa en Jeroen Theunissen in een laatste repetitie voor het optreden een uurtje later in het Brussels stripmuseum tijdens de nieuwjaarsreceptie van het Vlaams Fonds voor de Letteren, waarna nog weer veel later een vergeefse poging werd gedaan de catering een flesje champenoise te ontfutselen. 

  • Pin it!

    Onderwijl gisteren in De Vooruit…

     

  • Pin it!

    Antwoord aan Frank Hellemans

    In Knack reageert Frank Hellemans op mijn opiniestuk van vorige week donderdag in De Standaard. Hoe kan iemand zo scheef lezen? Blijkbaar denkt Hellemans dat een schrijver die ergens op reageert vooral bezorgd is over zijn eigen winkel. ‘Het is niet omdat je de romans van Reugebrink niet leest dat je niet van goede verhalen houdt’. Nee, dat lijkt me ook. Er is niets in mijn bijdrage dat ook maar iets in die richting suggereert. Er is ook niets in mijn  bijdrage dat suggereert dat ik me ‘opwind’, zoals Hellemans schrijft, omdat de jeugd mijn boeken niet zou lezen. Wat toch weer een onnodige villeinigheid: dat mengsel van halve waarheid en hele leugen aangevuld met de preoccupaties van een criticus die blijkbaar door iemand onnodig af te zeiken aan zichzelf wil bewijzen dat hij heel erg kritisch is.

    Het mag hem misschien verbazen, maar mijn ergernis — wat nog iets anders is dan opwinding — heeft vooral te maken met onderwijskundigen, didactici en andere pedagoochemerds die nu al sinds de befaamde jaren zestig bezig zijn het onderwijs in De Lage Landen stelselmatig af te breken. Dáárover gaat mijn bijdrage. Níét over vijftienjarigen, die ik hun afkeer van literatuur en alles wat van de school nu eenmaal móét van harte gun, maar wel met de aantekening dat  — helaas, het nu eenmaal móét, net als wiskunde, scheikunde, geschiedenis, vreemde talen en nog zo wat. En verder erger ik me in het betreffende stukje nog aan de heisa die van het OESO-rapport in de verslaggeving in De Morgen werd gemaakt. Sensatiejournalistiek — ik heb het woord daar niet gebruikt, maar dat was wel wat ik wilde laten zien. En ook dat een krant als De Morgen blijkbaar graag meepijpt met het (voor wie ook maar iets van onderwijs weet) wel heel erg afgezaagde deuntje dat uit de kabinetten en studiecentra opklinkt en dat alleen maar dient om leerlingen panklaar te maken voor de arbeidsmarkt. Het kán, en wat mij betreft: het mág niet de doelstelling zijn van algemeen voortgezet onderwijs, van welke zich beschaafd noemende natie dan ook maar. Daarenboven: ik verwijs alleen maar even naar Nederland. Het onderwijs is daar, op grond van precies ditzelfde deuntje, de afgelopen twintig, dertig jaar… vernietigd. Ik heb er geen ander woord voor. Compleet kapot gemaakt. Achtereenvolgende ministers hier moeten zowat een stijve nek hebben van het naar Nederland gapen als blijkbaar 'het grote voorbeeld' voor hoe ook hier in België het onderwijs dringend compleet naar de Filistijnen geholpen moet worden.

    Vanuit het onderwijs zelf heb ik veel positieve geluiden gehoord op mijn stukje in De Standaard. Van leerkrachten. Van mensen dus die zelf in het veld staan en geconfronteerd worden met de ene absurde missive na de andere, komend van de onderwijsinspectie, van onderwijsministers en van andere zich voor deskundig uitgevende pedagogen. Dat men in katholieke scholen mijn stukje heeft uitgehangen op de mededelingborden, was misschien te verwachten; dat het ook gebeurde in methoden- en zelfs Freinet-scholen lag minder voor de hand. Er is onder leerkrachten veel instemming met mijn irritatie over totaal achterhaalde opvattingen omtrent het wel en wee van leerlingen, die de afgelopen decennia alleen maar zijn opgevoed tot brave consumenten die vreten wat ze voorgezet krijgen. Dat we ze daarmee ernstig tekort doen, heb ik op deze plek al eens eerder aangegeven. Onderzoeken als die van de OESO laten alleen maar zien hoezeer juist het onderwijs tekort is geschoten, ondanks de leerkrachten zelf, die heus wel willen maar simpelweg van de onderwijsinspectie niet meer mogen. En ook ondanks het feit dat leerlingen natuurlijk nog steeds exact hetzelfde kunnen als ik destijds of Frank Hellemans in zijn tijd.

    Dat deze zaken al langer mijn bekommernis zijn, had Frank Hellemans overigens kunnen weten. Maar misschien sloten mijn — hoe schrijft hij dat? — mijn ‘cerebrale constructies (…) vol heimwee naar het grote epische gebaar’ niet aan bij zijn belevingswereld en las hij daarom mijn romans helemaal niet? Of deze blog? En dan: wat stáát er nu eigenlijk precies in dat stukje van Hellemans? Ik ken geen roman die niet een cerebrale constructie is, en ik heb dus geen flauw idee wat hij ermee zou kunnen bedoelen. Het is een beetje lukraak in de ruimte kallen, wat hier gebeurt, met als enige bedoeling mijn werk sowieso onaantrekkelijk te maken voor wie dan ook, want ‘cerebraal’, dat is wel bah en akkiebakkie natuurlijk,  — ook al werd dat werk door een groot aantal jongeren van destijds De Inktaap wél gesmaakt, toch, en wisten ze er dingen over te zeggen waar Hellemans, de OESO en vooral de pedagoochelaars nog van zouden opkijken. En dat alleen maar omdat het hen was voorgeschoteld, dat ‘cerebrale’ boekske van mij en dat van Van der Heyden (dat er qua cerebraliteit niet voor onder deed) of dat van D. Hooijer (ook enorm geconstrueerd die verhalen van haar).

    En daar ging het me om: dat men leerlingen een beetje serieuzer moet nemen dan hen af te schepen met, en op te sluiten in enkel en alleen hun eigen belevingswereld — een belevingswereld, zo luidde mijn stelling, waar bij nadere beschouwing nauwelijks iets ‘eigens’ aan is, gedicteerd als zij wordt door de belangen van hen die in jongeren vooral een doelgroep zien aan wie men goederen kan verkopen. Dát, beste Frank, is de wereld waar we in leven. Dat weet jij ook. Je wierp je tijdens een discussie over literatuurkritiek in het Letterenhuis een paar maanden geleden nog op als iemand die pal stond voor de literaire cultuur, hoezeer die in de werkelijkheid van alledag ook veroordeeld is tot op zijn best een wat treurige niche, een randverschijnsel waaraan geen enkel belang voor de samenleving meer wordt toegekend. Ik modereerde die avond alleen, maar kon me heus vinden in je halsstarrige weigering die analyse als definitieve conclusie te accepteren, ook al had ik zo mijn vraagtekens bij je rigoureuze ontkenning van wat vandaag de dag toch echt de realiteit is: de alomtegenwoordigheid van de markt, ook — of misschien zelfs: juist — als het gaat om ‘cultuurproducten’.

    Weet je, Frank, hoe vage schimpscheuten als die van jou in mijn richting vandaag de dag werken? Als een negatief consumentenadvies. Je stoot me het brood uit de mond met je zogenaamde kritiek. Je zegt eigenlijk dat mensen mijn boeken vooral niet moeten kopen. Je denkt dat je een literair-kritische mening formuleert (al is me nog steeds niet duidelijk welke; daarvoor is wat je schreef echt te vaag suggestief), maar in een wereld waarin de markt alomtegenwoordig is, bestaat literatuurkritiek niet meer zoals jij, en zoals overigens ook ik die het liefst zou willen bedrijven. Negatieve kritiek, hoe literair ook, is een vorm van broodroof geworden. Misschien moet ik me eens beraden op juridische stappen? Want de ondeugdelijkheid van mijn literaire producten is met zo langs de neus weg geformuleerde oordelen natuurlijk allerminst aangetoond, en ik kan er oordelen van vele andere experts — en zelfs van een paar pubers! — tegenover zetten die het tegenovergestelde beweren.

    Maar laten we terugkeren naar de kwestie waar het mij om te doen was. Niet mijn eigen winkel, maar de literatuur, het literatuur- en geschiedenisonderwijs, het onderwijs in het algemeen, burgerzin zelfs, en de noodzaak aan ‘de’ jeugd uit te leggen hoe we vinden dat de wereld in elkaar zit. Doen we dat niet, dan laten we het over aan marketeers. En ik maak me sterk dat dat het laatste is wat je zelf wilt. 

     

  • Pin it!

    Zoals gisteren, maar dan in de krant

    FuckDeLeefwereldVanDeTieners.jpg

  • Pin it!

    OESO

    Daar gaan we weer, dacht ik toen ik, vrij laat vanochtend De Morgen vastpakte. Op de voorpagina: ‘Vlaamse jongeren lezen niet meer’, met een verwijzing naar pagina 6. Op pagina 6 was dat al geworden: ‘Scholen kweken boekenhaters’. Ter vergelijking in De Standaard, zich baserend op hetzelfde onderzoek als dat waar De Morgen uit citeert: ‘Vlaamse jeugd blijft top’. Ook daar wordt, net als in De Morgen, overigens vastgesteld dat Vlaamse vijftienjarigen ‘het minste van allemaal’ zeggen plezier te beleven aan lezen, maar met de relativering dat een dergelijke uitkomst te maken kan hebben ‘met onze neiging om eerlijk te antwoorden in dergelijke enquêtes’. 'Buitenlandse vijftienjarigen liegen er maar wat op los', zo had de kop in de krant dus ook kunnen luiden. De secretaris-generaal van het vrij secundair onderwijs blijkt in De Morgen dan echter weer te weten dat het gebrek aan leesplezier vooral komt doordat er vaak nog boeken van Ward Ruyslinck of Jos Vandeloo op de leeslijsten staan. ‘Niks tegen die auteurs,’ zegt die man vervolgens, maar toch: ‘het is inderdaad niet meer de leefwereld van de gemiddelde tiener’. Wat zou zo'n man afleiden uit het feit dat ongetwijfeld Hitler nog wél ter sprake komt in de lessen geschiedenis?

    En dan, excuseer hè, en het is ook echt deels van de weeromstuit dat ik het zeg, maar: fuck de leefwereld van de tiener. Als het gaat om lezen binnen schoolverband dient uitgegaan te worden van datgene wat leerlingen  geacht worden te lezen wanneer ze volwaardig deel willen uitmaken van zowel de culturele als de nationale geschiedenis van een land. We gaan bij wiskunde ook niet de stelling van Pythagoras onder vuur nemen omdat die niet werkelijk tot de leefwereld van de tiener behoort. Dan weet ik nog wel wat zaken op school die niet tot de leefwereld van de tiener behoren. Ik maak me zelfs sterk dat zowat het meeste wat niet tot de vrijetijdsbesteding van de tiener behoort geen deel uitmaakt van wat hij zijn leefwereld noemt.

    Dat die leefwereld voor een groot deel gestuurd wordt door wat door geld, winstbejag en andere zegeningen van de vrije markt gestuurde marketeers verzinnen, dat weet je alleen als je je geschiedenis kent, als je de alternatieven kent voor ongebreideld consumentisme op nu zowat elk vlak van het maatschappelijk en cultureel leven. Inclusief het onderwijs. De leefwereld van de tiener is een marktgestuurde carrousel die alleen dient om juist elke werkelijk eigen beleving in de kiem te smoren.

    Het onderwijs is bij monde van secretarissen-generaal, bij monde van gedetacheerde zich experts noemende onderwijskundigen en bij monde van altijd aalgladde ministers die zich op de politieke markt eerder met quotes dan met gedegen inhoudelijke beleidsvoornemens staande proberen te houden — dat onderwijs is inmiddels te schijterig geworden om aan te geven wat wél en wat niet tot de basiskennis van een fatsoenlijk burger behoort. Ja, ook ik hoor mezelf het zeggen: ‘fatsoenlijk burger’. Nog niet zo lang geleden bleek het met de burgerzin van ‘onze’ leerlingen in het Vlaams onderwijs volgens alweer een andere, ongetwijfeld ook veel te eerlijk ingevulde enquête, niet al te best gesteld te zijn. Er is blijkbaar geen journalist die enig verband ziet tussen dat doffe gehamer op ‘de leefwereld’ van vijftienjarige pubers, en het flagrante gebrek aan burgerzin bij die gasten. Nu even afgezien van hormonale kwesties die van vijftienjarigen niet per se de meest sociaalvoelende wezens van de wereld maken — het feit dat we ze in het onderwijs ook niet meer… — enfin, het hoge woord moet eruit: niet meer dwingen om dergelijke sociaalvoelende wezens te worden, is toch zorgelijk te noemen.

    En voor de duidelijkheid: het is die vijftienjarigen niet eens aan te rekenen. Wij hebben de wereld uit handen gegeven. Wij, en de generatie voor ons, heeft tradities afgebroken en alles maar dan ook alles afgestemd op onmiddellijke behoeftenbevrediging. Wij hebben de wereld herleid tot een marktplaats waarop we bereid zijn alles te verkopen. En daarmee zijn we volstrekt manipuleerbaar geworden voor een ieder die wat dan ook maar aan de man probeert te brengen, ongeacht het morele of sociale gehalte ervan. Onderwijs, politiek, wetenschappelijk onderzoek — alles is een kwestie van verkoopbaarheid en van de geoorloofde, maar nog vaker ongeoorloofde methodes die er zijn om een en ander verkocht te krijgen.

    Als zo’n enquête iets duidelijk maakt, is het dat we dringend werk moeten maken van serieus literatuuronderwijs, ingebed in al even serieus geschiedenisonderwijs. Dat zal vast de bedoeling van de OESO niet zijn, een organisatie voor, immers: economische samenwerking en ontwikkeling. Maar misschien moeten we ook eens de moed hebben om de vooronderstellingen van die OESO te bevragen voordat we de door haar opgestelde klassementen al te serieus gaan nemen. Laat staan dat we er een show van maken zoals De Morgen vandaag deed.

     

  • Pin it!

    Christensen & beyond

    Het interview met Lars Saabye Christensen in Bozar verliep zoals ik het me alleen maar had kunnen wensen: een rustig gesprek, meer een gesprek dan een interview, met van zijn kant net voldoende onwil om het achterste van zijn tong te laten zien en van mijn kant net voldoende suggesties over de mogelijke betekenis van zijn werk om hem af en toe met een vondst te verrassen. Ik kon me al lezend in Yesterday (vertaling van Beatles (1984) en De walrus (vertaling van Bisettelsen 2008, dat eigenlijk 'begrafenis' betekent) niet aan de indruk onttrekken dat het portret dat hier van Christensens eigen generatie gegeven wordt in bepaalde opzichten behoorlijk kritisch was.

     

    pfile_nl_news114269.jpg

     

    Yesterday is een soort bildungsroman en heeft de rond 1950 geboren, en dus in 1968 al volop politiek bewuste generatie tot onderwerp die we hier gewoonlijk samenvatten onder de noemer 'babyboomers' of 'mei '68'. Wat ik  meteen goed aan dat boek vond, was dat de beschrijving van die generatie niet zozeer het heroïsche verhaal van de mei '68-ers vertelt, niet het 'grote' verhaal van de revolutionaire geest die afrekende met tradities en te hoop liep tegen het kapitalisme. Dat alles ontbreekt hier natuurlijk niet, maar het verhaal speelt in Oslo en gaat over vier tamelijk gewone jongens wier voornaamste verzet bestaat in de weigering hun haar te knippen. Ze staan met andere worden geenszins vooraan in de strijd die naar verluidt die generatie bij uitstek definieerde. In zekere zin gaan al die grote veranderingen grotendeels aan hen voorbij. En toch worden de vier belangrijkste personages — die gek zijn van de Beatles, zichzelf ook John, Paul, George en Ringo noemen (ieder hoofdstuk in de roman heeft de titel van een Beatles-song of -lp) — toch worden de personages diepgaand door hun eigen tijd beïnvloed. Ze ontdekken vooral wat die tijd van verandering en vooruitgang hen ontneemt, zo lijkt het. Ze raken elk voor zich op de dool — de verteller van het verhaal belandt zelfs in een gesticht. Het maakt het verhaal over de vier jongens, over de tijd waarin ze groot werden, op een prachtige, niet expliciete manier melancholisch. Eerder melancholie dan nostalgie inderdaad.

    In De walrus vind je dan al vrij aan het begin de volgende passage:

    Wat ik wilde zeggen, nu er nog plaats is, nu er nog tijd is: wij moeten niet zo oud worden als de ouderen voor ons werden. Wij moeten op een andere manier oud worden. Wij moeten niet zo doodgaan als de mensen vor ons doodgingen. En niemand anders moet ond leven voor ons leven. Dat kunnen we zelf wel. Is dat duidelijk? Alleen wij kunnen ons leven leven. We moeten proberen waardig te zijn. Is dat te veel gevraagd? Snap je wat ik bedoel?

    Dat is natuurlijk een kolfje naar mijn hand — waarmee ik bedoel dat zo'n passage verwijst naar veel dat ik persoonlijk in literatuur en het leven zelf van het grootste belang acht. Dat heeft te maken met die waardigheid. Ik zag ineens een mogelijkheid om deze twee met elkaar samenhangende boeken (er is nog een derde over deze vier jongens, Bly (1990), die wel in het Duits en het Engels, maar nog niet in het Nederlands is vertaald) in verband te brengen met een zoektocht naar menselijke waardigheid in het licht van de algehele onttakeling van de grote verhalen. Om daarna een poging te ondernemen de schrijver te verleiden om in te stemmen met de gedachte dat hij in se eigenlijk altijd een moralist is. Een hedendaagse schrijver beschouwt zichzelf vaak nog steeds als een halve verlosser, als iemand die de mensheid juist bevrijdt van elke morele beperking — en juist een auteur van Christensens leeftijd (°1953) heeft er gewoonlijk erg veel moeite mee zichzelf te zien als iemand die niet alleen maar ontregelt en op het verkeerde been zet. Zo'n vraag leidt tijdens een gesprek dan ook meestal tot interessante, aarzelende momenten.

    De moraal kwam ook nog even ter sprake naar aanleiding van een Deense kortfilm die naar aanleiding van een kort verhaal van Christensen was gemaakt en die nog genomineerd is geweest voor een Oscar, Grisen (het varken, 2009). Daarin wordt een oude man in een ziekenhuis opgenomen, hoort bij monde van een dokter dat hij misschien kanker heeft (misschien) en wordt getroost door een naïef schilderijtje van een varkentje (in Christensens verhaal is het een kindertekening) dat aan de muur tegenover zijn bed hangt. Als hij bijkomt uit zijn narcose blijkt de tekening weggehaald te zijn door de zoon van de patiënt naast hem — een moslim. Uiteraard was mij wel duidelijk dat Christensen in zijn verhaal (en de filmmaakster, Dorte Høgh, in haar film) in deze kwestie geen partij wilde kiezen; verhaal en film zijn echter wel zo opgezet dat je als toeschouwer de neiging hebt dat te doen. Op mijn in die zin wat flauwe vraag welke kant we moesten kiezen, antwoordde Christensen dan ook: 'I choose the side of the pig'.

     

    grisen-patient.jpg

      Tijdens het gesprek bracht Tom Kestens drie Beatles-songs. Dat kun je op heel veel manieren doen, en door de bijna iconische kracht die de uitvoeringen van de Beatles zelf hebben, is het geen sinecure. Maar zie, Kestens vertolkte de drie songs op een dusdanige manier dat je zou zweren dat hij ze zelf geschreven had. Twee songs op een elektrisch pianootje, één op gitaar — buitengewoon aanstekelijk en ontroerend.  

     

    Na het gesprek volgde nog een receptie namens de Noorse ambassade. Voordien had ik al gesproken met de vertaalster van Christensen, Paula Stevens, en dat bleek zowaar een Groningse connectie. Die stad, en daarmee het verleden, duikt nogal op de laatste tijd.

    Daarna was het tijd om gestrekt te gaan, zo bleek. Een keelontsteking. Gezien het feit dat ik nog een lezing had voor te bereiden die, door miscommunicatie, een week vroeger plaats zou vinden dan ik op voorhand had gedacht, kwam dat ongemak niet echt heel goed uit. Met als gevolg dat de lezing die ik voor het Studium Generale van de Hogeschool Gent moest maken — over, toe maar, 'het mensbeeld in de literatuur' — toch wat in het gedrang kwam. Nu maak ik het mezelf bij dit soort opdrachten altijd moeilijker dan nodig is. Ik wil per se wat ik al eerder en elders, in een ander verband heb geformuleerd nog eens helemaal overnieuw denken, begin aan de verkeerde kant, werk tijden door in een totaal verkeerde richting, en bedenk dan een uur of zes voordat ik achter de microfoon moet staan, dat het toch nog weer helemaal anders moet, om dan uit te komen bij een tekst die mij als los zand aan elkaar lijkt te hangen en die bovendien uit louter clichés bestaat. Iedereen verzekert mij nu dat dat geweldig meeviel, maar voor meevallers doe ik het niet. Gelukkig mag ik voor de uiteindelijke publicatie van de lezing in boekvorm de hele tekst nog eens onder handen nemen.

    Uit die lezing kwam wel een aardige kwestie voort, één waarmee ik als vrijwel iedereen die binnen het literaire veld werkzaam is, worstel: in hoeverre moet je je iets gelegen laten liggen aan de eisen van de massamedia op het vlak van de literatuur? Het gewoonlijke, meer heroïsche, en in bepaalde literaire kringen ook politiek correcte antwoord daarop kennen we nu wel: niets. Nog liever in de niche dan onder het juk door van wat de wérkelijke elite van vandaag de dag is: het juk van de media. Maar toch, je kunt niet én tegelijkertijd zeggen dat je literatuur relevant acht voor de samenleving (zoals bijvoorbeeld ik in het verlengde van de engagementsdiscussie steeds heb beweerd) én je afkeren van wat die samenleving voor een heel belangrijk deel definieert (ook al doet ze dat op een niet zelden bedenkelijke manier; kritiek op die manier krijg je juist door de werking van de media binnen die media niet meer geformuleerd). Ascetische elite of verrader van de goede zaak? Het lijkt me iets voor bij een goede fles wijn en een voortreffelijke maaltijd.

  • Pin it!

    Terug tussen vier muren

    Het gesprek met Caroline Gennez op de boekenbeurs werd — ik zou bijna zeggen: natuurlijk — geen echte polemiek, met scherpe tegenstellingen, beleefde verwijten en wat dies meer zij. Ik kocht voorafgaand aan het gesprek nog Tony Judts Het land is moe, en het blijkt het boek te zijn dat Gennez aan, ik geloof zelfs álle SP-a fractieleden als verplichte literatuur heeft opgegeven. Of dat betekent dat het socialisme van de SP-a de heilloze weg van Blair, Schröder en Kok verlaat en zich opnieuw bekent tot een aantal kernwaarden van de sociaaldemocratie, werd niet helemaal duidelijk. Maar in ieder geval bleek de analyse van de crisis waarin die sociaaldemocratie verkeert wel ongeveer gelijklopend.

    Zoals ik al had verwacht was het in dit gesprek moeilijk om de literatuur in het centrum van de aandacht te krijgen. Mijn boek bevat uiteraard geen politieke recepten en is ook veel minder een concrete aanklacht tegen de politiek dan het misschien wel lijkt. Het combineert een existentieel probleem met een analyse van onze huidige tijd, zodat het eeuwige menselijke verlangen de dood op de een of andere manier de baas te blijven hier tot uitdrukking komt in de noodzaak een ander te doden. Uiteindelijk staat het streven naar vrijheid — en dat is in dit boek ook, misschien zelfs vooral: naar bevrijding van de beperktheden van het bestaan — in het boek centraal, en politiek is één van de mogelijkheden om die vrijheidsdrang vorm te geven. Juist op dat punt heeft de politiek het de laatste decennia laten afweten.

    Voorlopig heeft ook de SP-a niet werkelijk een antwoord op de vraag hoe het toch mogelijk is dat zoiets als de kredietcrisis niet electoraal verzilverd kon worden door links. En dus ook: hoe het mogelijk is dat mensen die nu dubbel moeten betalen voor de gevolgen van die kredietcrisis voor partijen blijven kiezen die medeverantwoordelijk zijn voor het ontstaan ervan. In het verlengde daarvan vroeg ik me luidop af of we misschien dan maar eens wat moesten morrelen aan het democratische beginsel — iets wat Gennez uiteraard afwees. Ik geloof wel dat ze het eens was met mijn suggestie dat solidariteit dwingend opgelegd moet worden. Maar of dat ook betekent dat ze het eens is met wat dat impliceert voor het mensbeeld weet ik niet. In ieder geval is het streven naar gelijkheid en rechtvaardigheid niet altijd compatibel met het streven naar vrijheid voor het individu — een van de paradoxen waarover het in de roman ook gaat.

    Natuurlijk lukte het ook niet om Bart Sturtewagen, als moderator 'the man in the middle', tot vertegenwoordiger van 'de' media te maken. Gennez was er ook niet voor om maar weer eens aan een rondje media-bashing te doen, zo zei ze ongeveer — waarmee naar mijn gevoel die media er wat al te gemakkelijk vanaf kwamen. Uiteindelijk wordt het consumentisme van de kiezer versterkt door de wijze waarop de media de politiek vermarkten binnen de formats die ze ter beschikking hebben.

    Al met al was het een aardig gesprek — waarna de realiteit van de boekenbeurs zich onmiddellijk aandiende: ik moest op de stand van De Standaard gaan signeren, want bezoekers van het debat konden tegen inlevering van een kaart gratis een boek van mij of van Luckas Vander Taelen (die in een ander debat zat) afhalen. Ik geloof dat ongeveer drie mensen dat ook daadwerkelijk deden. Literatuur was niet de bedoeling. Literatuur is op de boekenbeurs natuurlijk nooit de bedoeling — elke literaire auteur weet dat en vreest ook datgene wat hij desondanks dan toch maar doet: de signeersessies. Die zijn alleen interessant voor wie Bekende Vlaming of Algemene Beroemdheid is (en daaronder vallen enkele, zij het zeer weinig schrijvers van literair werk). De rest zit met de duimen te draaien en vraagt zich af wat hij of zij daar in hemelsnaam te zoeken heeft. En zo belandde ik later die middag nog naast een werkeloze Yves Petry, naar wiens De maagd Marino ik uitkijk om te kunnen lezen. Het ligt bovenop een enorme stapel van net verschenen werk dat ook dringend gelezen moet worden.

    Daarvoor moet een mens weer tussen de vier muren van zijn werkvertrek zien te komen — en dat is nog steeds geen sinecure momenteel. Er wachtte mij afgelopen vrijdag nog een rondgang langs boekhandel De Reyghere en de Brugse Boekhandel in Brugge, een rondgang samen met Ruth Lasters en Bart Koubaa, die eindigde in een prachtige privéwoning in de Brugse binnenstad. Zowel Bart, die een serieus popverleden heeft, als ik vergrepen ons in de Brugse boekhandel nog even aan de daar aanwezige gitaar om een liedje te kwelen, iets waartoe we Ruth Lasters vervolgens niet wisten te bewegen. Al met al was het een zeer geslaagd gebeuren: er werd van boekhandel naar boekhandel naar privéwoning gewandeld met steeds hetzelfde publiek; op elk van de adressen werd één van ons ondervraagd, en uiteindelijk leidde het op het laatste adres nog tot een geanimeerd gesprek met alle auteurs en het publiek. Het had uiteindelijk iets van wat ik me voorstel bij de negentiende eeuwse 'salon' — en terugrijdend met Bart vroegen we ons af of we niet eens iets in die richting zouden moeten organiseren.

    De volgende dag: vertrokken naar Groningen, waar afgelopen zondag nog eens over Vlaamse en Nederlandse literatuur gediscussieerd diende te worden — ditmaal onder leiding van Arjen Fortuin. Annette Portegies, met wie ik op de boekenbeurs al over ditzelfde onderwerp had gesproken, had voor dit gesprek afgezegd, zodat alleen Benno Barnard, Christophe Vekeman en ik overbleven. Het was, alweer, een wat verwarrend gesprek. De moeilijkheid is om de juiste afstand te vinden om iets zinnigs te zeggen over de kwestie zelf. Ik denk zeer zeker dat er een verschil is, en ik heb hiervoor al eens opgeschreven op welke drie manieren je dat verschil eventueel zou kunnen benaderen, maar je moet wel bereid zijn om dat verschil dan ook te maken. De afwezigheid van Portegies maakte dat één aspect van dat verschil — het economische aspect: de aan- of juist afwezigheid van Vlaamse literatuur in de Nederlandse boekhandels — helaas onderbelicht bleef. En voor mij was het opmerkelijk om Vekeman nu juist de Nederlandse literatuur enorm in de lucht te horen steken. Ik vroeg me af of dat nu niet juist een illustratie was van een Vlaams minderwaardigheidscomplex waarvan eerder in het gesprek was gezegd dat de Vlamingen dat inmiddels hadden overwonnen. Hij leek de Nederlandse literatuur niet te zien als wat het natuurlijk altijd ook kan zijn: bewonderde buitenlandse literatuur, maar als richtsnoer voor de Vlaamse literatuur, die aan die Nederlandse ondergeschikt was.

     

     

    Reugebrink en Vekeman.jpg

     

    overzicht debat 2.jpg

    foto's © Dolf Verlinden

    Na het publieke deel van het gesprek belandde ik aan tafel met oude bekenden uit mijn Groningse tijd. Daar werd ik nog door een ook vroeger altijd al vurige Groningse aangevallen op mijn inmiddels naar het Vlaams neigende accent. Ik zou, zei ze, in Groningen nooit het Groningse accent hebben aangenomen. Dialect is sociolect, dacht ik, en ook regionale accenten spelen een rol bij de toekenning van een sociale status aan iemand. Ik legde uit dat ik toen ik naar Groningen kwam, in 1978, ik op een zeker moment mijn best had gedaan om de resten van een Twents accent uit mijn taal te slijpen. Dat had, zei ik, zeker te maken met de gemeenschap waartoe ik wilde behoren. Uiteraard was dat niet een gemeenschap van autochtone Groningers, maar was dat er een van veelal van buiten Groningen afkomstige studenten. Het Gronings speelde in mijn belevingswereld hoegenaamd geen rol en deed dat ook later niet. Dat was in een stad die zo door studenten van buiten wordt gedomineerd ook helemaal niet aan de orde. Ik had nog kunnen zeggen dat ik als redacteur van het toenmalige literatuurfestival Herfstschrift er altijd wél een punt van maakte dat er tijdens dat festival minstens één avond of middag ruimte gemaakt zou worden voor de Drentse en Groningse literatuur, die zo haar eigen kringetjes had rond bepaalde tijdschriften. Dat de mensen die daar bij betrokken waren vervolgens vaak zeiden dat ze op die manier toch apart gehouden werden van 'de' literatuur was iets wat ik toentertijd nooit opgelost heb gekregen. Maar ik was op dit punt niet zo eenkennig of afkerig als ik nu werd neergezet.

    Ik probeerde uit te leggen dat mijn geneigdheid nu min of meer mee te gaan in de regionale variant van het Vlaams opnieuw veel te maken heeft met wat je de 'peergroup' zou kunnen noemen. En, in tegenstelling tot destijds in Groningen, ook of zelfs in de eerste plaats met een familiaal verband. Ik ga tegen mijn dochter niet zeggen 'ech waar joh?' of 'gossie' als de situatie voor een welgeplaatst 'amai' vraagt. Echt overtuigen deed het niet. Zoals mij ook min of meer werd kwalijk genomen dat ik de Nederlandse voor de Belgische nationaliteit had verruild (ik was een 'landverrader' zelfs). Pas toen ik duidelijk maakte dat ik natuurlijk — ook, of misschien wel vooral in de ogen van Vlamingen — altijd een Nederlander zou blijven, dat het voor mij niet eens mogelijk is om de 'achterstand' in te halen die ik heb ten opzichte van iemand die hier datgene wat je zou kunnen aanduiden als zijn 'nationale identiteit' met de paplepel ingegoten heeft gekregen, toen pas leek mijn gezelschap enigszins vrede te nemen met mijn gewijzigde nationaliteit. 

    Men bezoekt Groningen niet ongestraft.

    Na Groningen wachten nu nog eens Brugge en ook een interview met Lars Saabye Christensen, een Noorse schrijver die op 26 november in Bozar in Brussel zal zijn. Tussendoor moet ik dan nog een lezing voorbereiden voor iets hier in Gent. Pas dan kunnen we weer eens aan het echte schrijven gaan denken. Dat blijft toch het nadeel van 'het literaire seizoen': de opeenhoping van activiteiten in het najaar en, voor een deel, ook weer in het voorjaar. Zeker als je net een boek uit hebt, heb je het gevoel dat je overal maar beter op ingaat. Of hoe de gerichtheid op het publiek uiteindelijk steeds de achterkant van het schrijven blijkt te zijn. 

    nocni_groningen.jpg

  • Pin it!

    Ter voorbereiding

     

    5b48d500-c3d5-44db-8d18-96abc5d5731f-carolinegennez.jpg

    De Standaard vroeg me om ter voorbereiding op het gesprek dat ik morgen op de boekenbeurs heb met Caroline Gennez en Bart Sturtewagen een stukje te schrijven. Dat verscheen afgelopen vrijdag in DSL:

     

    Rechts, links, verkeerd

    Ik denk veel na over de kloof tussen de burger en de politiek. Omdat ik tot voor kort nog de Nederlandse nationaliteit had en daarom niet voor de Vlaamse, en al evenmin voor de federale regering mocht stemmen, was die kloof in mijn geval uiteraard erg diep. Ik mocht… nee ik moest wel hier mijn belastingen betalen. En mijn sociale bijdragen. Maar ik mocht niet meebeslissen over wat de talloze regeringen van dit land daarmee gingen doen. In het licht van deze grove onrechtvaardigheid dacht ik dan ook veel na over woorden als ‘zakkenvullers’ en ‘postjesjagers’. Ik probeerde het eens te zijn met lieden die deze woorden gebruiken om politici te kenschetsen. Die lieden mógen niet alleen stemmen; ze móéten stemmen. Het zijn lieden die meestal niet zo van allochtonen houden en mij op straat dan ook wel eens uitmaken voor ‘vuile Hollander’, bijvoorbeeld omdat ik op mijn fietsje keurig voorsorteer als ik linksaf moet. Ik steek mijn arm uit en ga midden op de weg rijden. Eigen schuld. Moet ik zulke dingen maar niet doen.

    Ik denk niet dat die scheldpartijen zullen ophouden nu ik sinds kort Belg ben (mijn voorsorteergedrag zit diep). Maar bij de eerstvolgende verkiezingen mag ik niet alleen, maar moet ik zelfs stemmen. Eindelijk gerechtigheid. Al verandert het niet veel aan mijn gepieker over de kloof tussen de burger en de politiek, tussen mij en de politiek.

    Ik ben bereid te geloven dat politieke voorkeuren of zelfs overtuigingen voor een deel modegevoelig zijn. Zo ben ik altijd links geweest. Ik groeide op in de jaren zeventig. Dus het sprak wel vanzelf. Iedereen was links. Wij bestudeerden Marx noch Mao (geen tijd, geen zin), maar het kapitalisme diende bestreden, zo wisten we. ‘Met alle middelen’, zo zeiden we, en liepen dan zowaar eens een keertje mee in een demonstratie tegen iets.

    Ook toen de puberteit plaatsmaakte voor de volwassenheid verdween dat geloof niet werkelijk, al zag ik veel generatiegenoten bakzeil halen. Ik zag vooral traditioneel linkse partijen die hun eigen ideologie begonnen te verloochenen. Het paarse kabinet van Wim Kok in Nederland, Gerhard Schröders ‘Die Neue Mitte’ in Duitsland, Tony Blairs ‘New Labour’ in Groot-Brittannië — het was de opmars van een nieuw soort ‘realisme’ in de politiek. Of anders gezegd: het was de herdefiniëring van de politiek als ‘de kunst van het mogelijke’. De wereld moest niet meer veranderd worden; ze moest alleen nog beheerd worden. ‘Gemanaged’. De wereld was voortaan wat ze nu eenmaal was.

    Als de politiek zelf zo begint te redeneren, is de democratie in gevaar. Het maakt uiteindelijk weinig verschil meer of men links of rechts kiest. Het gaat alleen nog maar om de haalbaarheid, de effectiviteit van bepaalde (meestal dan ook als ideologisch neutraal voorgestelde) ideeën. Dat een en ander afhankelijk is van de vraag binnen welke constellatie iets haalbaar of effectief is, komt niet meer aan de orde. Zelfs Groen! heeft het vandaag de dag over de groene economie en zet de huik naar de wind. Het ecologisch gedachtengoed staat blijkbaar niet langer lijnrecht tegenover een meer neo-liberale invulling van de samenleving; ze voegt zich ernaar. Dat is wel zo reëel.

    Zo lijkt het er nog maar weinig toe te doen op welke partij we stemmen. Het gaat om nuanceverschillen en het vermogen van woordvoerders, lijsttrekkers, voorzitters en bewindslieden die nuances te communiceren. Vroeger streden politieke partijen met elkaar om postjes bij de openbare omroep, zodat daar hun politieke ideeën toch zeker aan bod zouden komen. Tegenwoordig gaan mediafiguren in de politiek.

    Het gevoel niet langer voor een werkelijk andere wereld dan de onze te kunnen kiezen, leidt als vanzelf tot een verlangen naar extreme opvattingen. De huidige N-VA is dan nog gematigd in haar ‘onrealistische’ verlangens. Die spelen zich vooral op het communautaire vlak af. Economisch gezien voegt die partij zich keurig naar het neo-liberalisme waaraan ook links zich grotendeels (met nuanceverschillen) heeft uitgeleverd. Haar absurde electorale winst (al zijn aardverschuivingen in het politieke landschap in alle West-Europese landen gewoon geworden, zo lijkt het) heeft vooral te maken met het feit dat ze binnen de specifiek Belgische verhoudingen politiek als kunst van het onmogelijke bedrijft. In die zin lijkt ze de bevrijding te beloven van de wereld die is zoals ze nu eenmaal is. En dat is wat we allemaal het liefste willen. 

    Ik persoonlijk zou willen dat ze dat der linkerzijde, maar dan buiten alle typisch Belgische technicalities om, ook weer eens deden: gemeten naar de geplogenheden van de neo-liberale samenleving onrealistisch zijn. U vindt dat nu al naïef, natuurlijk. Dat begrijp ik. Het zou eens doorgerekend moeten worden ook. Zeker. Maar als het links zou lukken zichzelf te herdefiniëren als iets anders dan een politieke stroming die zich al op voorhand beperkt tot pyrrusoverwinningen in de marge van een onveranderbare werkelijkheid, dan zou ik eindelijk weer het gevoel hebben in vrijheid te kunnen kiezen. Al is het dan in mijn nieuwe vaderland voor mij voortaan kiesplicht in plaats van kiesrecht.

     

    In: De Standaard der Letteren, 5 november 2010

    Een en ander vindt plaats op 'de dag van de polemiek' van De Standaard, zodat gemakkelijk de indruk zou kunnen ontstaan van een traditionele rolverdeling: de auteur die zich in zijn zelf gecreëerde vrijhandelszone van het vrije woord van alle directe politieke verantwoordelijkheid ontslagen acht versus de pragmatiek van de politica. Gennez in de beklaagdenbank. Ik hoop eigenlijk niet dat het die kant op gaat. Ik heb altijd gepleit voor een lezing van literatuur als iets met sociale, morele en zelfs politieke consequenties — in feite een ouderwetse claim. Maar het beeld van de traditionele intellectueel dat bij die gedachtegang hoort — J'accuse! — heeft inmiddels karikaturale trekjes gekregen, om niet te zeggen dat de claims van wat in politieke middens dan weer al te gemakkelijk 'de ascetische elite' werd genoemd, soms ronduit potsierlijk zijn geworden.

    Wat ik hoop, is dat we mijn roman een beetje in het midden kunnen houden. Natuurlijk wordt die in een gesprek als dit gereduceerd tot een aantal kwesties waarmee zowel een politica als een journalist uit de voeten kunnen (want Sturtewagen, die ongetwijfeld gewend is aan het gesprek met politici, maar misschien wat minder gewoon is aan dat met literaire auteurs, is binnen dat gesprek ook een belangrijke factor), maar ik hoop dat de reden om juist een boek als Menens tot uitgangspunt van een gesprek als dit te maken toch ook te maken heeft met datgene wat het als specifiek literaire tekst vermag: de lezer in een positie brengen die analyses als die hierboven tot een persoonlijke ervaring maken.

    (Wat dat aangaat vond ik het stuk van Frank Keizer op De Reactor mooi om te lezen: de recensent leek bijna te eisen dat ik de problematiek zou oplossen die hij zelf — niet ten onrechte met verwijzing naar ander werk van mij — in het boek ontwaarde, en hij leek wat teleurgesteld over het feit dat ik dat niet doe. Ik kreeg het gevoel dat Frank Keizer gedurende de lezing van het boek op zijn minst voor een deel het hoofdpersonage geworden was en nu, net als dat hoofdpersonage, naar iets drastisch verlangde. Of dan toch ook zelf het gevoel had dat het nu verdomme toch wel menens is).

    De analyse die ik in bovenstaand stukje maak, gaat natuurlijk terug op een gedachtegang die Slavoj Žižek al meer dan een decennium geleden ontwikkelde en die ik al eerder verwerkte in De inwijkeling, meer precies in het essay 'Dichter tegen historicus': de postpolitiek, en in het verlengde daarvan de postliteratuur, in het tijdperk van de posthistorie. Die analyse heeft voor mij nog niets van zijn actualiteit verloren, maar is uiteindelijk toch iets anders dan een roman waarin iemand zonder die analyse zelf te maken, als het ware vanuit zijn 'wezen' (altijd voorzichtig zijn met dat woord) tot extreem gedrag komt dat alles vernietigt wat hem nu juist tot dat gedrag aanzette. Dat is het punt waarop ik de lezer probeer te krijgen — om het daarna nog eens over de politiek te hebben.

     

  • Pin it!

    De Lage Landen

    Gisteren kwam het bericht dat ik sedert 9 oktober officieel de Belgische nationaliteit heb. Dat is, voor wie de huidige politieke realiteit in ogenschouw neemt, misschien nog net op tijd. Ooit schreef ik een pleidooi voor provincialisme — waarbij ik van het woord zelf natuurlijk wel eerst een geuzenterm maakte. Als dat geknoei in Brussel nog even doorgaat, word ik helemaal op mijn wenken bediend: wordt de provincie een heel land, ben ik meteen weer Belg áf.

    Het voordeel van de Belgische nationaliteit is dat ze niet werkelijk bestaat. In het licht van de (links-)intellectuele verplichting kosmopolitisch te denken kan dat tellen. Bij een Vlaamse identiteit begint men zich toch al een beetje achter de oren te krabben, al lijdt het geen twijfel dat ze bestaat. Een recente protestbrief van maar liefst 200 kunstenaars, theatermakers en schrijvers bewees dat ongewild nog een keer. Die brief kwam overigens rijkelijk laat, maar dat kan liggen aan de bereidheid van de media er aandacht aan te besteden. Temidden van de steeds maar faliekant mislukkende onderhandelingen tussen Walen en Vlamingen over allerlei nogal technische kwesties waarop de meeste burgers allang het zicht verloren hebben, was het misschien opportuun om eens aandacht te besteden aan een brief die reageerde op uitspraken die N-VA-politicus Jan Peumans al op 11 juli deed. De brief verscheen in De Morgen van 19 oktober. Het kan ook zijn dat de 'cultuurdragers', zoals de krant ze noemt, zelf precies dit moment van stagnatie op het federale niveau uitkozen om hun protest te laten horen.

    Wat had Peumans — geen écht groot licht overigens, meer een goedbedoelende Vlaamse boer die ze per abuis in een pak hebben gehesen — wat had deze voorzitter van het Vlaamse parlement dan zoal gezegd dat de 200 cultuurdragers in de pen deed klimmen? Hij beklaagde zich op de officiële feestdag van de Vlaamse Gemeenschap over het gebrek aan identiteit in Vlaanderen. Die hebben we namelijk nodig voor 'natievorming'. En omdat de identiteit ontbreekt, zou het belang van die natievorming nog niet goed doorgedrongen zijn tot de gehele bevolking — enfin, onvoldoende om die 'gehele bevolking' te overtuigen in ieder geval.

    Onbehouwener kan men niet redeneren. Ik wil best geloven dat een 'identiteit' een aanzet kan zijn, of zelfs onontbeerlijk is voor natievorming, maar al minstens sinds de negentiende eeuw, en al helemaal binnen een democratie, blijkt het erg moeilijk om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen. Dat lukt alleen als Peumans zich niet in een kostuum hijst, maar hij bijvoorbeeld rijlaarzen en een uniform aantrekt. Identiteit is iets wat men eventueel na kan streven — en laten we voor het gemak zeggen dat de N-VA, en met haar het Vlaams Belang en de (overigens gedecimeerde) aanhang van Jean-Marie Dedecker dat doen, al blijken zelfs zij het onderling dan weer niet op alle punten eens te zijn. Maar identiteit, in de zin van een aantal min of meer eenduidige eigenschappen en eigenaardigheden, is in de moderne tijd vooralsnog iets wat inderdaad altijd vooral zal ontbreken.

    Wat niet wil zeggen dat het dus niet zou bestaan. Maar vager, diffuser, op een beslist niet-eenduidige manier en nooit zonder tegenspraak, tegenvoorbeelden, nooit zonder paradoxen en ambiguïteiten. Het is kortom 'een gevoel' (net als multiculturaliteit meer een gevoel dan een realiteit is, overigens).  

    In die zin hadden de 200 het meteen goed begrepen: Peumans wilde een bepaalde Vlaamse identiteit dwingend opleggen, uiteraard zonder zelf over een eventuele liefde voor uniformen en laarzen te beginnen (iets wat men er in Wallonië overigens, onterecht, al vanzelf bij denkt). Dat die 200 zich representanten voelden van de 'artistieke en intellectuele kringen' die volgens Peumans 'het Vlaamse identiteitsgevoelen' minimaliseerden, ja zelfs ontkenden (stel u voor!) — dat die 200 zich persoonlijk aangesproken voelden, speelde natuurlijk ook een rol bij de verontwaardiging.

    Op zich ben ik al op voorhand wat wantrouwig wanneer intellectuelen, schrijvers en kunstenaars te hoop lopen tegen alles wat hen definieert als iets anders dan de van alles bevrijde elite die ze zichzelf graag voorhouden te zijn. Juist vanwege de onbeholpenheid van Peumans' redeneren (hoe kunnen artistiekelingen en intellectuelen het Vlaamse identiteitsgevoelen minimaliseren als eerst zelf wordt toegegeven dat het ontbreekt?), juist vanwege de evidente bedoeling de Vlaamse identiteit voor te stellen als iets wat zonder meer bestaat en opgelegd dient te worden, is de meest voor de hand liggende reactie uit die hoek: negatie. Men laat zich niet definiëren. Men is niet-gelovig, men heeft geen nationale identiteit, men is in geen hokje te stoppen, men is tegen: tegen alles wat ook maar 'iets' is of lijkt te zijn of zegt te zijn. Men is, kortom, vrij.

    Het opmerkelijk van de protestbrief die in De Morgen stond is dat men dit keer niet in die val is getrapt. Dat men de Vlaamse identiteit zoals die door N-VA wordt voorgestaan afwijst, heeft dit keer minder te maken met enkel de behoefte om te ageren tegen elke definitie. Ze komt voort uit eigen definities omtrent wat men zou willen zijn. Waar Peumans een negentiende eeuws idee van Vlaamse identiteit lijkt na te streven, streven deze 200 een meer 21ste eeuwse invulling van die identiteit na, al zullen de meesten tegen deze laatste formulering misschien bezwaar blijven maken. 

    En misschien is het ook beter om te zeggen dat de ondertekenaars de identiteitskwestie in zekere zin terugbrengen tot een andere klassieke tegenstelling: die tussen links en rechts. Het centrale begrip dat ze opvoeren is immers 'solidariteit', en ze herdefiniëren het Vlaams-nationalisme van een in oorsprong emancipatoir streven tot 'economisch nationalisme', meer precies: een economisch nationalisme van neo-liberale snit. En misschien doet men er inderdaad goed aan om achter het door N-VA en andere nationalistische partijen zo handig uitgebuite 'gevoel' vooral op zoek te gaan naar de cijfertjes en de gevolgen die dat heeft voor de samenleving als geheel, ook als die uitsluitend 'Vlaams' zou zijn. De bepleite solidariteit heeft natuurlijk niet alleen betrekking op de economische realiteit; de kernwoorden van het linkse artistieke discours — multiculturaliteit, interculturaliteit, kosmopolitisme — duiken ook hier op, maar toch minder dan voorheen als alleen maar de negatie van de als al te bekrompen definities van wie bestreden wordt.

    Een en ander maakt misschien dat het mogelijk is om over 'identiteit' en zelfs 'Vlaamse' (of Nederlandse of Duitse of Franse of… enz.) identiteit te praten zonder dat we daarbij onmiddellijk aan vendelzwaaien en, uiteindelijk, concentratiekampen denken. De discussie over identiteit moeten we niet opgeven omdat ze besmet is geraakt door de wijze waarop die discussie in het verleden maar al te vaak is beslecht. Dat heeft links al te veel gedaan. 

    Ondanks die protestbrief, blijkt de afkeer van elke discussie over identiteit in links-intellectuele kringen toch hardnekkig. Dat bleek me gisterenavond in Dordrecht, waar ik voor het eerst was (het was ook de eerste keer dat Nederland voor mij 'buitenland' was). Daar was een discussie op touw gezet over het verschil tussen Nederlandse en Vlaamse literatuur met naast mijzelf nog Stefan Brijs, Kristien Hemmerechts en Annelies Verbeke. Aanleiding voor een en ander is nog steeds het stuk dat Arjen Fortuin in 2006 in NRC schreef. Op dat stuk kan men natuurlijk heel veel afdingen. Voor een groot deel lijkt het een journalistieke constructie te zijn in een poging nog weer eens 'een kwestie' op de rails te zetten. Voor een deel lijdt het stuk ook ernstig onder de eigen blinde vlek: de Belgische, i.c. Vlaamse literatuur 'urgent' noemen en de Nederlandse niet, heeft meer te maken met malaise bij de besprekers dan bij de schrijvers.

    Maar dat betekent niet dat er geen verschillen zijn en dat je geen poging zou kunnen doen om die enigszins te duiden, want dat was een beetje de houding van de aanwezige Vlamingen. Er staan daarvoor verschillende wegen open. Je kunt het historisch verklaren vanuit de Vlaamse Beweging. Je kunt het doen langs meer religieuze invalshoek (men was daar in Dordrecht, in dit opzicht natuurlijk een sprekende plek, wel voor te vinden, zag ik aan het instemmend knikkende publiek): katholicisme versus protestantisme. En dan is er nog de meer literair-historische invalshoek: het verschil in de wijze waarop in Nederland en Vlaanderen het postmodernisme in de literatuur zijn intrede deed en nu weer voorbijgestreefd wordt. Het zijn maar drie benaderingswijzen die een gesignaleerd verschil — hoezeer misschien aanvankelijk ook een journalistieke gimmick — zouden kunnen verklaren. In die zin moet je misschien het feit dat ik het er niet alleen gisterenavond in Dordrecht over had, maar ook op 4 november op de boekenbeurs in Antwerpen (met Annette Portegies) en op 14 november nog eens in Groningen (dan met Fortuin zelf, met alweer Portegies en met Barnard en Vekeman) over dit onderwerp van gedachten zal wisselen, als een gunstige ontwikkeling beschouwen, als een soort ontwaken van de Nederlandse literatuurkritiek. Al klinkt me dat eerlijk gezegd zelf nu al te hoopvol in de oren.

    Over literatuurkritiek gesproken:

     

    papieren tijgers.jpg

    Allen daarheen.

     

  • Pin it!

    Een paar verwilderde vragen tussendoor.

    Wilders.jpg

    Kan iemand die 24 op 24 uur, 7 op 7 dagen per week bescherming nodig heeft vanwege wat hij heeft gezegd zichzelf nog wel verdedigen tegen de aanklacht dat hij met wat hij zegt haat zaait? En dan, kan iemand die zelf discriminatie tot politiek programma verheft bij een proces vanwege die discriminatie nog protesteren tegen het volgens hem 'politieke karakter' van dat proces? Is er op dit vlak iets ooit niet politiek? Of is elke overtreding van de wet, mits geformuleerd als een politiek principe, plotseling niet meer aan die wet onderhevig? En dan altijd weer diezelfde vraag in kwesties als deze: betekent de vrijheid van meningsuiting wérkelijk dat men om het even wat mag zeggen? Zijn woorden tegenwoordig nog zo weinig waard? Dan doet inderdaad alleen het handelen ertoe — de eendimensionaliteit van de daad en daarmee het recht van de sterkste. Ik heb díé invulling van vrijheid altijd gewantrouwd omdat ze van meet af aan haar tegendeel in zich omdroeg. 

    Eén ding lijkt me duidelijk: 'the world of freedom' heeft vrijheid tot op heden alleen gedefinieerd als de bevrijding van alles wat als te knellend werd ervaren, maar is nog nooit werkelijk toegekomen aan de formulering van wat die vrijheid dan precies moest inhouden. Na de bevrijding volgt de noodzaak van nieuwe afgrenzingen, van nieuwe definities (precies datgene wat de soixante-huitards, links in het algemeen, nagelaten zouden hebben) — maar het enige wat werkelijk volgde was het recht de eigen zin te doen, gewoonlijk een recht dat op het wereldtoneel werd afgedwongen met bruut geweld (oorlogen of anderszins). En ook de vrije markt heeft geen moraal.

    Nog maar eens Jonathan Coe dan, die in zijn laatste roman een passage heeft waarin het gaat over 'vals spelen' ('cheating'), een woord dat vooral onder kinderen voorkomt, maar zelden onder volwassenen wordt gebruikt. In de betreffende passage legt een volwassene aan zijn zoon uit hoe banken werken. Het kind reageert terecht met de opmerking: 'Maar dan spelen banken toch vals? Dat mag toch niet?' Een vrije markt die haar eigen vrijheid niet definieert als een reeks nieuwe voorwaarden en beperkingen, is niet vrij, maar dictatoriaal.

    Ik zeg niks nieuws.

    dyn010_original_300_225_pjpeg_3393_01269dfa398866ad01bd606587c064bc.2.jpg

    Dat doet ook Bert Anciaux niet wanneer hij vandaag in De Morgen van leer trekt tegen het hemeltergende gebrek aan visie op cultuur in zowel het nieuwe wilde Holland als in het eigen tamme Vlaanderen.

    "Het ringeloren van kunstenaars en sociaal-cultureel werk smoort het kritische en balorige potentieel van een samenleving, disciplineert artistieke en maatschappelijke mondigheid. Deze dwarsheid vormt immers een bedreiging om de dictatuur van een ultravrije markt sterker dan ooit te vestigen",

    schrijft hij. Jammer dat kunst alweer onmiddellijk als een vorm van balorigheid wordt voorgesteld. Kritisch potentieel en balorigheid zijn niet per se synoniem en uit de zogenaamde balorigheid van veel kunstenaars laat zich vaak alleen maar een kritiekloze aanpassing aan de kunstmarkt aflezen, die van kritiek en balorigheid een succesvol product heeft gemaakt. In die zin maakt veel kunst tegenwoordig nog maar een heel klein vuistje tegen de ultravrije markt — om niet te zeggen dat ze er in de meest succesvolle gevallen vanzelf onderdeel van uitmaakt.

    Anciaux gaat nog verder:

    "Weten deze radicorechtsen niet dat een slagkrachtig cultuurbeleid optimale kansen biedt aan creativiteit en betrokkenheid? Het zijn juist deze twee eigenschappen die de basis vormen voor een welvarende en gelukkige samenleving. Besnoeien op cultuur (en onderwijs) tapt de levenssappen van een organisme af en leidt onmiskenbaar tot verwelking." 

    Ik zou er van harte mee willen instemmen, al blijft de grote vraag hier wat dan precies slagkrachtig is. In ieder geval zie je dat zowel de cultuur als het onderwijs in toenemende mate worden ingericht naar de eisen van die ultravrije markt (en of Anciaux daar zelf met zijn invulling van participatie onbedoeld ook niet een klein beetje aan mee heeft gewerkt, lijkt me een interessante vraag; dat hij Rick van der Ploeg als lichtend voorbeeld opvoert, stemt me wat dat aangaat niet helemaal gerust). En misschien klinkt het wat kras, maar zoals bijvoorbeeld de literatuur zich alleen nog lijkt te kunnen redden door zich aan te passen aan de consumentistische logica van de markt, zo wordt ook het onderwijs in toenemende mate naar die logica ingericht en blijft er van vrijheid niets anders over dan een aantal beperkte keuzemogelijkheden binnen een als onwrikbaar voorgesteld model. En Anciaux heeft gelijk: ook zij die kunstenaars potverteerders noemen, zullen daar niet gelukkig van worden.

    In die zin zijn we bezig met zijn allen te verwilderen. Je zou dat 'het culturele drama' kunnen noemen, inderdaad, zoals Anil Ramdas dat deed op de site van De Buren, maar dan liefst zonder de segregatie die hij daarbij in gedachten had ("alle Wildersstemmers zijn white trash" — dat zet geen zoden aan de dijk en juist dit soort analyses lijkt mij te duiden op een gebrek aan cultuur bij degene die ze maakt). Het is maar dat we hebben afgerekend met tradities, in het verlengde daarvan onze band met de geschiedenis zijn kwijtgeraakt, overgeleverd zijn aan de willekeur van de markt en uiteindelijk het gevoel hebben dat niets er nog toe doet. Zelfs de democratie zelf niet.

    En ook de kunst niet. De malaise onder collegaschrijvers is eigenlijk ongemeen groot; iedereen worstelt met zijn eigen cynisme op dit vlak; iedereen vindt zich uiteindelijk terug in een niche die voor het voortbestaan van de wereld van geen enkel belang lijkt te zijn (al hebben we daar onderling dan nog wel zo onze pleziertjes, onze vetes, onze overwinningen en nederlagen); bijna iedereen voelt zich verraden omdat iedereen uit- en overgeleverd is aan iets waarop we met z'n allen geen vat meer lijken te kunnen krijgen, iets wat alles dat we doen reduceert tot volstrekte marge — tenzij we het weten te verkopen, hoe dan ook.

    Ik denk dat de verwildering van Nederland — die mij overigens minder verbaast dan de meeste Vlamingen — een duidelijk signaal is om af te rekenen met een vrijheidsbegrip dat ook in de partijnaam van de PVV weer zijn opwachting maakt. Het lijkt onwaarschijnlijk dat de lettercombinatie PVV ooit nog Partij voor Vrijheid en Verantwoordelijkheid zou kunnen gaan betekenen, maar dat die verantwoordelijkheid eens genomen moet worden, in de eerste plaats door alle betrokken elites, lijkt me onvermijdelijk.