Inwijkeling - Page 3

  • Pin it!

    Joos

    Afgelopen vrijdag (27 april) in Joos op radio 1:

  • Pin it!

    Uitnodiging en Klara

    Uitnodiging.GelukvdKunst.jpg

     

     

  • Pin it!

    Vandaag in De Standaard

    screenshot_36.jpg

    De ontspoorde consument

    • zaterdag 14 april 2012
    • Auteur:Marc Reugebrink
    Een gynaecoloog wil met zijn kinderen naar zijn buitenverblijf vertrekken. Hij zit in een garage te wachten tot hij zijn herstelde auto weer kan meenemen. Na twintig minuten is zijn geduld op. Hij pakt in de showroom de eerste de beste auto, start, en richt vervolgens een ravage aan. Het was een filmpje in het nieuws van afgelopen donderdag. Het nieuws heeft, na de sport en net voor het weerbericht, wel vaker van die leuke filmpjes. Honden op skateboards. De geboorte van een slechtvalk in een kerktoren. De uitreiking van een culturele prijs. Een spectaculair ongeval dat net goed afloopt. Het wordt allemaal gebracht met steeds dezelfde ons-kent-ons-glimlach. Je hoort bij wijze van spreken de eindredacteur op de redactievergadering roepen: 'en nu nog iets leuks om mee af te sluiten!' Youtube als nieuwsagentschap.
    Zou er ook iemand ontzet zijn geweest toen hij het filmpje van de dolgedraaide gynaecoloog zag? Goed, de man was een Rus. Dat zou een verklaring kunnen zijn. Voer voor etnologen, lijkt me. Maar zijn gedrag doet nog het meeste denken aan dat van kleine kinderen die in de supermarkt schreeuwend en schoppend in het gangpad met de zoetigheden ter aarde storten omdat mama weigert een Kindersurprise-ei te kopen. De gynaecoloog was eigenlijk vooral een verwende consument. Als die zijn zin niet krijgt, slaat hij wild om zich heen.

    FeedsEnclosure-donderdag-uur-lang-geen-openbaar-vervoer_1_515x0.jpg

    Dat was misschien nog het schrijnendst aan de aflevering van het zevenuurjournaal afgelopen donderdag: dat het opende met een reportage over de begrafenis van Iliaz Tahiraj, de MIVB-controleur die werd vermoord door een 28-jarige omdat, zo laat het zich aanzien, het hem niet zinde dat Tahiraj gewoon zijn werk deed. Tussen de gynaecoloog en die 28-jarige is per saldo niet heel erg veel verschil, lijkt me. Je zou willen dat het journaal daar eens bij stilstond. Het gaat er niet eens om dat de combinatie van het één met het ander ongepast is. Het gaat er vooral om dat het verband niet wordt gezien.

    De overtreffende trap

    Zinloos geweld heet zoiets. Het is een wat misleidende benaming, en niet alleen omdat ze suggereert dat er ook zinvol geweld bestaat. Bij zinloos geweld lijkt er weliswaar geen motief te zijn, is er geen duidelijk aanwijsbare reden voor de gepleegde gewelddaad. Maar dat betekent niet dat er geen oorzaken zijn. Het gaat hier om geweld dat inherent is aan de wijze waarop we momenteel onze samenleving hebben ingericht. In die samenleving dienen we in de eerste plaats allemaal zelfstandige individuen te zijn. Voor het welslagen of mislukken van ons leven zouden we zelf verantwoordelijk zijn. Het maakt dat we in de eerste plaats concurrenten van elkaar zijn. Je zou dus kunnen zeggen dat de wijze waarop we onze samenleving hebben ingericht maakt dat we elkaar in feite naar het leven staan. Moord is zo bekeken slechts de overtreffende trap van het zo fel bejubelde en aangemoedigde eigen initiatief.

    We zijn met zijn allen zo overtuigd van dat model dat het bijna een wonder mag heten dat het Strafwetboek nog niet is vervangen door het recht van de sterkste. Het lijkt een kwestie van tijd voordat advocaten hun cliënt trachten vrij te pleiten door zich te beroepen op de neoliberale meritocratie zelf: de dader handelde conform de in onze samenleving geldende ideologie en kan dus onmogelijk schuldig zijn. Integendeel, we zouden hem eigenlijk moeten prijzen voor zijn bepaald doortastende optreden. Hij kwam op roerende wijze op voor zichzelf.

    Zover zijn we nog niet. Voorlopig wordt de dader van de moord op Tahiraj verdedigd op de beproefde wijze. Zijn advocaten doen hun best om van hem in de eerste plaats een goed mens te maken die door allerlei omstandigheden die hem eigenlijk vrij zouden moeten pleiten van alle schuld eventjes, héél even maar, ontspoorde. Hij is 'een coole, lieve jongen die overal geliefd is', zo las ik al op een nieuwssite. Voorlopig is de dader dus eerder slachtoffer dan de trotse vertegenwoordiger van de heersende ideologie.

    Wat dit laatste, én de verontwaardiging en ontzetting over de dood van de controleur vooral laten zien, is dat we ons van de oorzaken van een en ander misschien te weinig bewust zijn. Het geinige filmpje over de ontspoorde gynaecoloog en de niet zo geinige berichtgeving rond de dood van Iliaz Tahiraj hebben dezelfde achtergrond. Je zou willen dat politici en andere verantwoordelijken zich in een reactie daarop niet zouden beperken tot het inzetten van nog meer agenten (al is dat op korte termijn misschien het enige wat helpt), maar zich eens zouden bezinnen op de ideologische vooronderstellingen van hun eigen beleid.

  • Pin it!

    Infuus of braaksel?

    Vandaag in De Standaard der Letteren kom ik onderstaande foto tegen van een kunstwerk van Alicia Martín. 'Een uitzonderlijke installatie', stelt DSL in de rubriek Achterklap, waarin wekelijks 'nieuwtjes, roddels en opmerkelijke uitspraken uit de letterenwereld' worden opgetekend. Een installatie waarmee Martín 'dode voorwerpen, containers van kennis' nieuw leven zou inblazen. 'De papieren wervelwind lijkt een symbool voor de grensverleggende kracht van boeken'. 

    4.jpg

    Nu even afgezien van het feit dat de stroom boeken qua beeld niets gemeen heeft met een wervelwind, ik heb bij dit beeld eerder de indruk dat er boeken het raam uit worden gegooid, om niet te zeggen: worden uitgebraakt. En dus zie ik in een installatie als deze eerder het omgekeerde: een beeld van de wijze waarop we vandaag met boeken en de daarmee verbonden cultuur afrekenen. Daarin word ik overigens gesteund door het commentaar van de stukjesschrijver in DSL, want na de zin over 'de grensverleggende kracht van boeken' volgt de bedenkelijke bedenking: 'maar of het de boekenverkoop zal stimuleren, is nog maar de vraag'. (Oh, was dát de bedoeling van dit kunstwerk? Tiens). En alsof dat nog niet genoeg was, volgt er in een poging tot leutigheid nog op: 'In elk geval zou het er met e-boeken helemaal anders uitzien. Minder wapperen ook'. 

    Nou, daar moet ik wel even verschrikkelijk om lachen hoor…

    Ineens lijkt Martíns kunstwerk een mooie verbeelding van de spagaat die dagelijks op de redacties van boekenbijlagen gemaakt wordt. Enerzijds conformeert men zich geheel aan het marktdenken en gooit in die zin de binnengekomen boeken met kracht het raam weer uit, als gebruiksvoorwerpen die al bij verschijnen hun waarde kwijt zijn. Anderzijds huurt men nog recensenten in die allerlei, in se morele oordelen vellen over boeken, als was een boek nog wat het oorspronkelijk was: een medium met een bepaalde maatschappelijk relevante boodschap, een infuus voor de samenleving. Zo laat een klein, inderhaast neergekrabbeld stukje in een totaal onzinnig rubriekje zien hoezeer de huidige boekenbijlage zijn eigen tegenspraak is. Hij verdedigt de literaire cultuur die hij in een en dezelfde beweging overboord gooit, uitbraakt.

    Intussen lijkt Martín zelf er8.jpgg tevreden met wat ze bedacht heeft en lijkt ze, na eerder boeken op wankele stapels gelegd te hebben en ook nog installaties gemaakt te hebben die op het punt van de waarde van boeken wat minder dubbelzinnig zijn (zoals een vloeroppervlak dat openbarst door de opwaartse druk van boeken), het beeld gevonden te hebben waarmee ze tot aan haar pensioen verder kan. Wat je bij het ene gebouw hebt gedaan, kun je bij het andere gebouw ook doen.

    En dan krijg je dit:

    3.jpg

    Of dit natuurlijk:

     

    5.jpg

    Aan de sterkte van het beeld als zodanig doet het niet veel af, maar als zo vaak bij installaties krijg ik het gevoel dat de kracht van een en ander wel afneemt wanneer de dubbelzinnige of paradoxale betekenis ervan eenmaal doorgrond is en dezelfde truc nog eens wordt herhaald in een iets andere context. Een installatie wordt dan gewoon leuk om naar te kijken, maar zet zelf niet meer aan tot zoeken. De ervaring wordt uitgemolken tot er alleen nog lege esthetiek overblijft. En zodra esthetiek leeg is, is er geen werkelijke betekenis meer.

    Anderzijds, men moet een kunstenaar de tijd gunnen om terug te keren naar het punt waarop het hem of haar lukt om weer werkelijk aan het begin te staan en niet meer te weten hoe het moet. 

  • Pin it!

    Joos vandaag

    En geheel onverwachts, en via een bliksembezoek (12.00 uur binnen, 12.30 uur weer buiten), nog eens op de radio over het nuttigheidsvirus en dus, op het gevaar af van de eindeloze herhaling (al kan het niet genoeg gezegd worden), nog maar eens over de gesel van deze tijd.



  • Pin it!

    Debat (nu wel).

    Gisterenavond op een wat moeilijk vindbare lokatie in Antwerpen een debat over de vraag of cultuur de media nog nodig heeft. Ik had al op voorhand bedacht dat het antwoord daarop 'ja' diende te luiden, in de verwachting dat er veel gepraat zou worden over sociale media, internet en wat dies meer zij — over initiatieven kortom die zouden aantonen dat cultuur de reguliere, de officiële media helemaal niet nodig heeft.

    Als je 'ja' zegt op de centrale vraag, wordt het meteen ingewikkeld. Dat 'ja' loopt namelijk onmiddellijk uit op een klaagzang over hoe die media vandaag de dag functioneren. Wouter Hillaert van Rekto:verso had al vantevoren min of meer verboden om het daar nog maar eens over te hebben. Begrijpelijk. De deelnemers aan het debat zouden het waarschijnlijk met elkaar eens zijn op dit punt. En toch. Het feit dat een 'nee' op de centrale vraag onmiddellijk leidt tot de acceptatie van de deplorabele staat van de (cultuur)media lijkt mij al evenmin wenselijk.

    Toch is dat waar het vooral op neerkwam als ik de deelnemers zo eens beluisterde. Eén van de alternatieven voor de media heette bijvoorbeeld 'crowd-funding' te zijn. Een goed idee. Je verzamelt een aantal mensen rond je die jou een bepaald bedrag geven zodat jij je kunst kunt maken en, zo denk ik dat de bedoeling is, 'onafhankelijk' kunt blijven. Maar binnen een dergelijk concept is de kunst die je maakt in de eerste plaats een product. Het neemt de neo-liberale logica volledig voor lief. Het klinkt heel alternatief en onafhankelijk, maar de claim op de openbaarheid is in dit concept opgegeven. Om het heel scherp te zeggen: kunst dient hier niet meer om de wereld te definiëren (te veranderen, te verbeteren, te… etc), maar is nog slechts bedoeld voor een kleine incrowd. Het is preken voor eigen parochie. Het accepteert de werkelijkheid zoals ze nu eenmaal is: neo-liberaal, kunst- en cultuurvijandig. Het komt uiteindelijk neer op 'looking out for number one'.

    Dat wil niet zeggen dat de kunst of literatuur die op die manier wordt gemaakt, ikgericht of solipsistisch of iets dergelijks zou zijn. Misschien claimt het werk nog steeds wel een zekere algemeengeldigheid, een bepaalde universaliteit (want waarom zou je anders een kunstwerk maken, een boek schrijven?), maar het geeft die claim tegelijkertijd op door de wijze waarop het zich van de openbare ruimte afkeert en de vermarkting ervan prioritair maakt.

    Ik was veel te romantisch als ik dacht dat er nog zoiets als openbare ruimte bestond, zei iemand tegen mij. Dat wil ik niet eens ontkennen. Maar het tegendeel: dat degene die die ruimte opgeeft eigenlijk buitengewoon cynisch is, stuit op verontwaardiging of verwondering. Ik heb het zelf ook niet gemakkelijk met wat ik me gedwongen voel op een dergelijk moment te zeggen: dat we behoefte hebben aan autoriteit, dat het disparate alleen werkelijk een alternatief vormt wanneer het staat tegenover dat wat het niet is. Maar het dominante neoliberale discours is juist gebaat bij het incidentele, het verbrokkelde, het 'individuele' in de zin van het afzonderlijke, losse, onverbondene. Dat valt goed te vermarkten. En als sommige auteurs met een YouTube-channel die aan crowd-funding doen een succes krijgen dat groter is dan de 1000 of 2000 man die men nog wel eens wil bereiken langs deze weg, dan is het succes van die auteurs in de eerste plaats een commercieel succes — onafhankelijk van wat ze in en met hun werk te zeggen hebben en ook zonder dat die inhoud er feitelijk toe doet in een ander kader dan dat van de markt. De kans dat het dan door de reguliere media wordt opgepikt is op dat moment opeens ook een stuk groter, maar alweer: niet om wat het werk voorstaat maar om wat het opbrengt.

    We moeten opnieuw leren burgers te worden, zo wil mij op een dergelijk momenten nog wel eens ontsnappen, en ik praat daarmee Tony Judt na, en Paul Verhaeghe ook. Dat terwijl kunst en literatuur zich zowat de hele vorige eeuw hebben gedefinieerd als juist het anti-burgelijke bij uitstek. Dat hele alternatieve circuit geeft daar nog steeds uitdrukking aan: de anti-burgerlijkheid, de gedachte dat negativiteit een waarmerk voor artisticiteit is. Alsof je afkeren op zich een garantie biedt. Juist als je ziet hoe dat binnen de officiële media steeds weer gerecupereerd is en wordt, zou je toch even moeten doen stilstaan bij een en ander.

    Het lastige voor mijzelf is dat ik natuurlijk deel uitmaak van een traditie die kunst en literatuur op precies die (negatieve) wijze definieert: als kritisch bewustzijn ten opzichte van de heersende ideologie, als negatie van burgelijke normen en waarden, als de omverwerping van wat dan onmiddellijk overleefde overtuigingen heten te zijn. Het maakt dat ik soms twee dingen tegelijkertijd zou willen kunnen zeggen: dat het gaat om een claim op universaliteit juist omdat die niet bestaat. Het gevaar is dat je met dergelijke uitspraken in de hoek van de poëzie belandt — een prachtig genre, maar binnen de huidige openbare ruimte al op voorhand tot overbodigheid verdampte woordkramerij.   

  • Pin it!

    Literatuur en nostalgie

    Gisteren in Leuven een eerste, zij het onvolledige testcase voor Het geluk van de kunst. Naast de presentatie van Toen David zijn stem verloor, een nieuwe graphic novel van Judith Vanistendael, en van Massa van Joost Vandecasteele, gingen Bas Heijne en ik nog met elkaar in gesprek over de toekomst van de literatuur. Het had eigenlijk de voorstelling moeten zijn van Heijne's al wat langer geleden verschenen essay Echt zien, en van mijn Het geluk van de kunst. Dat laatste boek verschijnt pas 26 april. Ik had echter aan de organisatie en via de organisatie aan presentatrice Frieda Van Wijck de 'persklaarversie' doorgestuurd (de drukproef  wordt me deze week toegezonden). Ik hoopte op voorhand dat men een en ander niet zou aankondigen als 'een debat'.

     

    2955792146.jpg

    Helaas. Het lijkt onmogelijk om twee auteurs op een podium gewoon een gesprek over iets te laten voeren. Er moet een tegenstelling zijn. Ook al is die er niet werkelijk. Maar omdat ergens achter de schermen besloten was dat die er toch moest zijn, werd ik meteen al geconfronteerd met een samenvatting van mijn standpunten die niets te maken had met wat ik had geschreven. Ik was, zo stelde men, wel erg nostalgisch aan het terugverlangen naar de jaren vijftig. Die heb ik nooit meegemaakt, zei ik nog, en dat het me niet om nostalgie ging. Ik bepleit een realisme waarmee men in literaire kringen niet uit de voeten kan, om mij begrijpelijke redenen overigens. Ik had namelijk ook liever dat het anders was.

     

    9401-p.jpg  9789085423423.jpg 

    Het uitstekende essay van Heijne wilde ik geen moment tegenspreken, maar waar het mij om ging, zei ik, is dat ook dat essay precies het soort marginaliteit vertegenwoordigt dat het lijkt te willen tegenspreken. Het wil het belang van de literatuur laten zien, maar het laat vooral zien hoezeer dat belang alleen nog in literaire kringen bestaat. Dat Heijne zich geroepen voelt om een essay te schrijven over literatuur in het mediatijdperk, heeft alles te maken met de marginalisering van die literatuur. Daartegen kom je niet effectief in het geweer door een pleidooi dat zich beroept op inzichten en waarden die alleen nog van tel zijn in precies die marge — hoezeer ik het dan ook volledig eens ben met wat hij schrijft. Als het om nostalgie gaat, kan dat essay van Heijne tellen. Het vertrouwt volledig op de gedeelde literaire cultuur, maar die wordt hoogstens gedeeld door hen die tot die cultuur, liever: die subcultuur behoren, en bereikt zo niet wat het eigenlijk wil bereiken. Het wil de bijzonderheid van literatuur verdedigen als een algemeen belang, maar het verdedigt hoogstens haar eigen bijzonderheid, een bijzonderheid die haar marginaliseert.

    Natuurlijk heb ik voor dat alles ook geen oplossingen. Ik geloof alleen dat je de literatuur niet verdedigt door de literatuur te verdedigen, om het in een van lieverlede absurde zin te zeggen. Je kunt haar niet loskoppelen van de dominante ideologie waarbinnen die literatuur nu functioneert als wat ze in feite, buiten haar eigen normen en waarden om, simpelweg geworden is: koopwaar, deel van marktmechanismen die zich niets aantrekken van kwalitatieve en morele overwegingen die van oudsher binnen de literatuur (en binnen een door die literatuur voor een groot deel mede gedefinieerde cultuur) opgeld deden en die telkens weer worden gebruikt om haar belang aan te tonen.

    Over dat spanningsveld gaat mijn boek, en dat had een aardig gesprek kunnen opleveren tussen Heijne en mijzelf. In plaats daarvan moest ik dus uitleggen dat ik niet nostalgisch terugverlangde, zoals de moderatrice op Joel De Ceullaer-achtige wijze voor het gemak, en om het blijkbaar noodzakelijke 'debat' op gang te trekken dan maar suggereerde. Die (journalistieke) noodzaak van een tegenstelling op het podium ging hier weer gemakkelijk voor op de toch ook journalistieke plicht om een beetje zorgvuldig te zijn en de uitgenodigde gasten toch op zijn minst juist samen te vatten. En dat was jammer.

    Zoals het jammer was dat de klok op een zeker moment belangrijker bleek te zijn dan de literatuur. Joost Vandecasteele werd gewoon het woord ontnomen terwijl hij aan het voorlezen was. Waarom? Omdat het programma anders uitgelopen zou zijn? So what? Het publiek had nadien nog tijd genoeg voor een kop soep en een drankje. Het was toch een beetje alsof er tegen Joost werd gezegd: hou nou maar eens op met dat slappe gelul van je. Enfin, hij kent de media veel beter dan ik en leek het bijna normaal te vinden. Maar dan nog. Een literair ochtendprogramma in een zaaltje in Leuven hoeft toch niet op tv te lijken? Waarom dan dat format erop loslaten?

    4000049318050.jpg

    Wat me er aan doet denken. Iemand postte onderstaande op Facebook. Het komt van de Cobra-site. Let vooral eens op hoe Hugo Claus hier aan het eind van het interview zelf zegt dat het zo wel genoeg is geweest. En voor het overige: zo eenvoudig is het dus om een goed boekenprogramma te maken; kan zo hernomen worden; en kom me niet af met gelul over 'talking heads'. Wel eens naar programma's over voetbal gekeken? Waar vier of meer mensen eindeloos tegen elkaar aan zitten te zwetsen? Aan het format kan het dus niet liggen dat dit blijkbaar voor literatuurprogramma's uit den boze is. Daarbij: dynamische cameravoering! Die twee cameramannen zijn minstens tien keer rond de tafel geslopen. En drie interviewers! Dat is nog eens een vondst! En Piet Piryns! Die is dus ooit jong geweest! Tiens. En de sigaretten! De drank! Alles wat ons oud maakt!

    Aha! Het is dus toch nostalgie?

     


  • Pin it!

    Zondag in Leuven

    leesmeer_web-738x1024.jpg

  • Pin it!

    Alvast even dit…

    Gisteren kreeg ik de planning onder ogen voor de verschijning van Het geluk van de kunst. Dat wordt eind april. Enfin, 19 april gaat het boek in druk. Op voorhand alvast het volgende:

  • Pin it!

    Weg

    Een gegeven paard kijkt men niet in de mond, zo luidt de uitdrukking. Ik werd door De Standaard uitgenodigd om deel te nemen aan het benefietdiner dat het Willem Elsschot Genootschap (W.E.G.) jaarlijks geeft in de KBC Boekentoren in Antwerpen. Ik had geen idee wat ik me daarbij precies moest voorstellen, al verwachtte ik veel decorum waarbij onder het mom van een hoog-cultureel gebeuren vooral werd uitgekeken naar wat de spijskaart te bieden had — en naar de daarbij geschonken wijn natuurlijk. De cannelloni van Charolais-rund met krokante lentegroenten, sushi van groene kruiden en een sausje van truffelparels zag er veelbelovend uit, net als de op het vel gebakken rode poon met een carpaccio van Coeur de boeuf, saffraandressing, salty fingers en structuren van pastinaak. Daarbij een Domaine de Pomes, Côtes de Gascogne uit 2010, toch meer een jong slobberwijntje van rond de vijf euro dan werkelijk hoogstaand druivensap — maar ik haal er mijn neus niet voor op. De Domaine Langlois, Château Saumur Vieilles Vignes uit 2004, wat zal ik er eens van zeggen? On sent toute la puissance des vieilles vignes et les agrumes bien mûrs d'un millésime ensoleillé. Au nez comme en bouche le fruité est bien présent, en dat was ook zo. C'est volumineux (bwa), souple (jawel), minéral avec une petite pointe de fraîcheur (dus dat was ik er aan proefde: iets mineraals), en ja: la finale est soutenue et ça évolue bien. Z'n pakweg 20 euro wel waard, denk ik toch.

    NIet dat ik dat hoefde te betalen. Maar De Standaard had de tafel gekocht, en met DS nog een heleboel anderen ook. Amerikaanse toestanden zei iemand op de receptie vooraf (met Champagne Jacques Mosaïque) — dus misschien alvast een blik in de toekomst wanneer de politiek heeft besloten dat kunst en cultuur niet meer tot haar verantwoordelijkheden behoort en overgelaten dienen te worden aan het particulier initiatief i.c. het bedrijfsleven. Er waren voorlopig nog voldoende politici die zich breed maakten aanwezig, en verder belangrijk ogende lieden uit een heel andere tak van sport dan de literatuur. En dan waren er natuurlijk de sprekers, sprekers die in het rijtje Patrick Janssens, Mark Eyskens, Frits Bolkestein, Louis Tobback, Piet van Eeckhaut, Steve Stevaert, Yves Leterme, Kris Peters, Rik Torfs, Job Cohen, Cathy Berx, Guy Verhofstadt, Mike Verdreng, Herman Van Rompuy en Phara de Aguirre (alle voorgaande sprekers) niet mochten misstaan. Dus had men prof. dr. Jan Peter Balkenende en minister van justitie Annemie Turtelboom uitgenodigd. 

    benefietdiner2012_be.jpg


    Toch jammer, dat spreken tussen de gangen door. Het eten liet door alle breedsprakigheid nogal op zich wachten. En laat ik het zo zeggen: de toespraken waren van een dusdanig niveau dat het je van lieverlede op begon te vallen dat het eten wat lang op zich liet wachten. Amusant, soms (Balkenende, die ondanks zijn imago weet hoe je moet scoren). Een beetje saai ook (Turtelboom). Maar in beide gevallen was duidelijk dat het Elsschotonderzoek met deze beide bijdragen niet heel erg opschoot. Zowel Balkenende als Turtelboom (die laatste op een wel heel hinderlijke, tamelijk humorloze manier) deden vooral hun best om van Elsschot Alfons De Ridder te maken, iemand die eigenlijk in het diepste van zijn diepste ziel een ondernemer was voor wie de literatuur onmogelijk iets anders geweest kon zijn dan de franje die het ook voor de sprekers zelf was: een geschikte aanleiding om eens te dineren met gelijkgestemden en er een goed gevoel aan over te houden, het gevoel van wederzijdse belangrijkheid. Dat Peter Vandermeersch beide sprekers met venijnige typeringen inleidde (ook hier: de introductie van Balkenende was als conférence een stuk beter geslaagd dan die van Turtelboom), was deel van de code van de avond.

    Literatuur i.c. Elsschot als het inmiddels gebruikelijke schaamlapje voor neoliberale onderonsjes van prestigieuze lieden op een prestigieuze plaats. Ik vraag me soms af of het Willem Elsschot Genootschap nog iets anders doet dan dat. Het genootschap zelf omschrijft haar doelstelling als: 'de studie van de persoon Alfons De Ridder en van het werk van de auteur Willem Elsschot; het ontsluiten van het literair en zakelijk archief en de bekendmaking van zijn werk'. Het kan heel goed zijn dat de bijeenkomst in Antwerpen daar het nodige aan heeft bijgedragen. Ik had al vrij snel door dat ik er vooral was voor dat eten en voor het gezelschap aan mijn tafel, ook al moest dat tussen de gangen door net als ik zwijgen. Maar tussen de speeches door konden we praten over wat er wel toe deed. Eindelijk.

    Maar ik herhaal: een gegeven paard kijkt men niet in de mond. In Het geluk van de kunst (ik rondde het boek maandag af en hoop dat het nu snel zal verschijnen) stel ik meermalen dat schrijvers niet langer de pretentie kunnen hebben terzijde van de samenleving te staan. Welaan. Welkom in de samenleving, zo dacht ik gisterenavond.    


  • Pin it!

    Berg & Dal

    Terwijl ik ergens in de groene rand rond Brussel van goede wijn zat te proeven, bleek ik op de radio te horen. De opnames voor het programma Berg & Dal, met Pat Donnez, werden een paar weken geleden gemaakt, en blijkbaar heb ik niet helemaal goed opgelet toen me werd gezegd wanneer het uitgezonden zou worden. 18 maart, had ik verstaan. Het bleek vandaag. Het begint op 6 minuten, 20 seconden…

  • Pin it!

    Terugstaken

    EFLYER-WESTRIKEBACK(lowres).jpg

    In het debat waaraan ik eergisteren, op de nationale stakingsdag, in De Vooruit deelnam, verschoof het perspectief al heel snel van een andere kijk op onze samenleving naar wat de realiteit heet te zijn. Dirk Holemans had in een korte speech getracht het perspectief te verleggen van de noodzaak tot groei naar vertraging. Langer werken (want daarover ging het debat) betekent ook meer produceren, en om het kasboekje kloppend te maken moeten we daardoor ook weer meer consumeren. Dat gaat nog steeds terug op een groeimodel dat uitgaat van goedkoop geld, goedkope grondstoffen en goedkope energie. Aan geen van die drie voorwaarden wordt momenteel nog voldaan. We zullen dus naar een ander model toe moeten.

    Vergeefse moeite, zoiets, wanneer Karel Van Eetvelt van de Unizo (die mij en vele anderen 's ochtends verraste met een sms'je waarin stond dat hij, Karel, blij was dat wij die dag wél zouden gaan werken — waaruit je mag afleiden dat de Kruispuntbank van Ondernemingen, waar ik verplicht ingeschreven sta, zonder mijn toestemming mijn gegevens heeft doorgespeeld aan de Unizo) — wanneer wat later ook Jo Libeer van Voka aanschuift en Eddy Van Lancker van het ABVV zich vervolgens gedwongen ziet het vakbondsstandpunt te verdedigen. Voor je het weet gaat zo'n discussie dan over hoogst technische zaken, over financiering van dit en financiering van dat, zij het alles wel steeds binnen het gegeven neoliberale kader. Terwijl Holemans nu juist een ander kader probeerde te schetsen.

    Daar zat ik dan als schrijver maatschappelijk relevant te wezen. Ik kwam niet veel verder dan een opmerking dat het nu juist om de doorbreking van dat kader moest gaan, dat we af moesten van oeverloze discussies over wat mogelijk is binnen wat als feit wordt geaccepteerd, dat de politiek de kunst van het onmogelijke diende te zijn, moest laten zien wat er wenselijk of zelfs noodzakelijk is. Opmerkelijk was wel dat na die uitspraak over 'de kunst van het onmogelijke' Jo Libeer zich naar mij overboog en zei dat het daar inderdaad om ging. Waarna hij het weer vlotjes over 'realisme' had en daarmee overduidelijk verwees naar de neoliberale woestenij waarin we verkeren. Dit is een vertegenwoordiger van een organisatie die pleidooien voor sociale rechtvaardigheid een vorm van stagnatie noemt en in elk pleidooi voor solidariteit een vorm van conservatisme ziet.

    Wat later wist ik er nog tussen te werpen dat het bij alle zaken, ook bij die van Holemans (of juist bij die van Holemans) niet ging om alleen maar de principiële instemming en vervolgens de Not In My Backyard-reactie. Je kunt niet instemmen met de noodzaak van milieumaatregelen en dan de consequenties daarvan op persoonlijk vlak verontwaardigd van de hand wijzen. Typerend voor de reacties op de staking was wat mij betreft ook dat mensen hun ongenoegen altijd alleen maar uitten met betrekking tot de hinder die zij er persoonlijk van ondervonden: mijn trein rijdt niet, ik heb geen kinderopvang — een schandaal is het! We moesten de weg naar het algemeen belang terugvinden, zo hoorde ik mijzelf galmen, en afzien van het individuele, particuliere belang. Datzelfde had ik afgelopen zaterdag ook al in De Standaard gezegd.

    Helaas kon ik niet de hele avond blijven, zodat ik de keynote van Paul Verhaeghe niet live kon meemaken — een uitstekend verhaal over de desastreuze invloed van het neoliberalisme op zowat alle vlakken van het leven, iets waarover ik al eerder een artikel van hem las — 'De effecten van een neoliberale meritocratie op identiteit en interpersoonlijke verhoudingen' (in Oikos 56, 1/2011, 4-22),een artikel dat me n.a.v. mijn kerstessay werd toegestuurd door een redacteur van Rekto:Verso.

    Het debat waar ik aan deelnam, werd geregeld onderbroken door ene Kader of Kadar — een allochtone werkloze die van de achterste rijen af en toe iets riep. Meestal ging het daarbij om zaken die niet echt aansloten bij wat er in het debat werd gezegd, maar die hem persoonlijk wel zwaar op de maag lagen: dat hij als allochtoon niet aan het werk kwam (België is echt een ramp op dit vlak), wel vaak stages mocht doen, maar daarna onverwijld naar huis werd gestuurd bijvoorbeeld. De man was kwaad, soms zelfs wanhopig, ook al omdat hij vooral als stoorzender en door een enkeling als komische noot werd gezien. Ik zag nog meer kwade stakers die waarschijnlijk aan het gelul op het podium geen boodschap hadden en ieder geval naar vooral Van Eetvelt en Libeer keken met een blik die weinig goeds beloofde. Het contrast tussen het debat en de fysieke realiteit van de arbeider werd hier soms erg groot.

    Het is natuurlijk goed om een manifestatie te organiseren waarmee je probeert om een ander toekomstperspectief te schetsen — maar We strike back bleef toch vooral een kanttekening bij het heersende discours. Waar we nood aan hebben zijn politici en vakbondsmensen die wat ook door hen momenteel eigenlijk als onrealistisch wordt gezien, als toekomstbeeld durven uit te dragen. Paul Verhaeghe heeft gelijk als hij stelt dat ook bij hen die momenteel kritiek uiten op het neoliberale discours dat neoliberalisme diep is doorgedrongen in het eigen denken.


  • Pin it!

    Literatuur als straf

    Vandaag in De Standaard een kleine bedenking bij de straf die politierechter D'Hondt — 'verwoed lezer en strenge rechter', zo staat er onder zijn foto — aan een snelheidsduivel heeft opgelegd:

    screenshot_24.jpg

  • Pin it!

    Over wetenschap en boekenprogramma's

     

    screenshot_22.jpg

    Afgelopen zaterdag schreef journalist Joël De Ceulaer in De Standaard een essay waarin hij min of meer reageerde op (delen van) mijn kerstessay. 'Kijk mama, zonder inhoud!', heette het. Ik hoefde niet lang te lezen om te zien dat de bedoeling vooral was om te provoceren. Zo stelde hij de schrijver gelijk met vinkenzetters, kaatsfanaten en bloemschikinstructrices — en je hóórt hem bijna denken: daar zullen die schrijvers wel enorm van gaan steigeren. En verder vertoont zijn stuk alle kenmerken van een zich vergalopperende journalist die in zijn haast om te scoren slordig begint te denken.

    Ik reageerde er vandaag op in de krant — enfin, toch op een deel van zijn stuk. De tegenstelling tussen wetenschapelijke 'waarheid' en literaire 'fictie' leek me er zo ver naast dat de enig mogelijke verklaring me leek te liggen in 's mans minderwaardigheidscomplex tegenover het schrijvende deel van de natie — of misschien meer algemeen: tegenover de intellectueel. Je ziet dat wel vaker in tijden waarin economische crisis hand in hand gaat met de opkomst van populistische politieke partijen die de werkelijkheid graag eenvoudig voorstellen (dat laatste staat dan weer niet in mijn stuk):

     

    screenshot_23.jpg

    ----------------------

    Het lijken wel schrijvers, die wetenschappers!

    Wetenschap en literatuur staan niet lijnrecht tegenover elkaar, zoals Joël De Ceulaer beweert in zijn artikel ‘Kijk, mama, zonder inhoud'. Integendeel, zegt MARC REUGEBRINK, het ene kan niet zonder het andere. En dat ‘wetenschap' samenvalt met ‘waarheid', is regelrechte prietpraat.

    ‘Wetenschap maakt het complexe eenvoudig', schrijft Joël De Ceulaer in ‘Kijk mama, zonder inhoud!' (DS 7 januari). Wetenschap zou ons ‘een dieper inzicht in de werkelijkheid' verschaffen, zelfs de waarheid over die werkelijkheid verkondigen. Van een journalist die blijkens zijn stuk uit is op het creëren van tegenstellingen die er geen zijn, kan men zoiets verwachten. Maar zou er een wetenschapper zijn die dit werkelijk voor zijn rekening wil nemen?

    Ware wetenschappers houden over het algemeen te veel van de waarheid om zelfs maar te suggereren dat ze die in pacht hebben. Ze formuleren er theorieën over. Die theorieën dienen falsifieerbaar te zijn, willen ze het predikaat ‘wetenschappelijk' krijgen. De Ceulaers waarheid is in wetenschappelijke kringen dus een theorie. Stel je voor: al lang voordat filosofen er een woord voor bedachten, bestond in wetenschapskringen het postmodernisme al. In die kringen is er dan ook de meeste opwinding als er dingen gebeuren die volgens de bestaande theorieën juist niet kunnen. Als er iets niet ‘waar' blijkt te zijn. Als er deeltjes worden ontdekt die niet kunnen bestaan, bijvoorbeeld. Of deeltjes die sneller gaan dan het licht. Onmogelijk. Maar het gebeurt. Alles staat op de helling. Prachtig vinden ze dat. Dat is pas wetenschap. Een avontuur. Of hoe de veronderstelde eenvoud binnen de wetenschap altijd weer complex blijkt te zijn. Het lijken wel schrijvers, die wetenschappers!

    Fundamentalistisch

    De Ceulaer maakt in zijn stuk van wetenschap religie, het beste bewijs dat al zijn lectuur van de ‘non-fictie' die hem moest helpen inzicht te verkrijgen in de ware werkelijkheid tevergeefs is geweest. En een beetje eng is het ook, zo'n journalist met haast fundamentalistische opvattingen. Straks gaat hij ook nog verkondigen dat journalisten als hij niets anders doen dan ‘objectief de waarheid vertellen'. Een journalist met ook maar een greintje integriteit zal altijd naar die objectiviteit streven, maar ook altijd weten hoever hij er noodgedwongen van verwijderd blijft.

    In ieder geval is De Ceulaers onwelwillende samenvatting van mijn kerstessay (DS 26-29 december) erg gekleurd door zijn geloof, als het dat al is. Het ging in dat essay niet om de schrijver, maar om de cultuur die hij mede vertegenwoordigt. Uit het plezier dat De Ceulaer heeft in het afserveren van die schrijver, zou je kunnen opmaken dat hij lijdt aan een minderwaardigheidscomplex. Hij meent dat schrijvers zich beter voelen dan anderen, preciezer: beter dan hem. Dus zijn ze elitair. En dus moeten ze dringend een lesje in nederigheid krijgen. Dat is de reden waarom literatuur (ten onrechte versmald tot ‘fictie') en wetenschap (ten onrechte gelijkgesteld aan ‘de waarheid') hier tegenover elkaar worden gezet als betrof het een heuse tegenstelling. Zo kan hij onder het mom van die waarheid de schrijver nog wat fermer op zijn plaats zetten.

    Maar er is natuurlijk helemaal geen tegenstelling. Sluit het feit dat verliefdheid een cocktail is van dopamine, fenylethylamine en oxytocine de waarheid van Romeo en Julia uit? Eros blijft de waarheid van de psyche, ondanks de chemie. Onze waarheid ligt in de chemie én in wat zij ons laat denken, de verhalen die zij ons laat vertellen. We kunnen niet zonder. Men kan natuurlijk een pilletje slikken om overal vanaf te zijn. Aldous Huxleys Brave new world (1932) gaat over het soort wereld dat je dan krijgt. Al is dat natuurlijk maar een roman.

    De werkelijke elite

    Maar buiten dat: een wetenschapper heeft voor het welslagen van zijn werk het creatieve denken van de literatuur en de kunst nodig om vooruit te komen, zo hebben wetenschappelijke onderzoeken aangetoond. En een schrijver staat niet los van de bevindingen van de wetenschap (Darwin, Einstein en anderen hebben in de literatuur ferme sporen nagelaten). Bovendien zijn het niet de schrijvers die vandaag de dag elitair genoemd kunnen worden. Het zijn de aan de leiband van de markt lopende media die uitmaken wie wel en wie geen toegang krijgt tot de publieke ruimte. En op welke manier. Dáár houdt de werkelijke elite zich momenteel op.

    Waar het in het kerstessay intussen werkelijk om ging, was de wijze waarop in onze samenleving komaf wordt gemaakt met kennis en vaardigheden die onder andere noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van een democratie. Het ging om de (on)mogelijkheid om kritiek te leveren op de heersende ideologie. Het ging over de wijze waarop bijvoorbeeld De Ceulaers geliefde wetenschap gemuilkorfd wordt onder het mom van totale toepasbaarheid van alle kennis binnen een neoliberaal kader. Dat zijn kwesties waar zowel schrijvers als journalisten en nog anderen zich druk over zouden moeten maken. Niet omdat ze erboven of erbuiten staan. Een schrijver of journalist die dat gelooft, is niet goed bij zijn hoofd. Maar omdat de zich als objectief presenterende neoliberale realiteit geen boven of buiten meer toestaat.

    ---------

     

    De Ceulaer maakte in zijn stuk ook nog melding van het voornemen van Marc Coenen, netmanager van Canvas, om met een nieuw boekenprogramma te komen. 'We gaan daar zeker iets voor ontwikkelen,' zo citeert De Ceulaer hem, 'en het mag voor mijn part lachen met boeken zijn'.

    Natuurlijk. Liefst zelfs. Huilen met boeken zal het vast niet worden. Hoofdpijn met boeken verkoopt ook niet.  

    De Ceulaer gaat ervan uit dat de netmanager met dit voornemen tegemoet komt 'aan het ongenoegen dat al jaren knaagt bij Vlaamse schrijvers en uitgevers' over het uitblijven van zo'n programma. Het valt niet te ontkennen dat dat ongenoegen in die kringen inderdaad leeft. Je vraagt je wel eens af waarom we volgens de goeroes aan de Reyerslaan wél een uur of nog langer naar vier pratende hoofden kunnen kijken als het over voetbal gaat, maar niet wanneer het over iets anders, bijvoorbeeld over literatuur gaat. Sterker nog: als je vier hoofden bij elkaar zet die over literatuur praten, blijken die pratende hoofden ineens absoluut het verkeerde format voor welk tv-programma dan ook maar te zijn. Moet je op tv nooit doen, zomaar vier talking heads bij elkaar zetten. Spijtig voor een van de beste programma's van Canvas op dit moment, 'Reyers Laat' (waar het gelukkig dan weer wél kan…)

    Maar buiten dat, ik persoonlijk zit op zo'n 'boekenprogramma' op tv helemaal niet te wachten. Pogingen uit het verleden hebben laten zien dat men niet in staat is om het te maken. Men blijkt steeds in plaats van een boekenprogramma een tv-programma te hebben gemaakt. The medium is the message, schreef Marshall McLuhan al in de jaren zestig, en dat betekent in de eerste plaats dat televisie een werkelijkheid genereert waarbinnen er voor het boek als zodanig (een ander medium dat ook een andersoortige werkelijkheid creëert) eigenlijk helemaal geen plaats is. De zogenoemde boekenprograma's die we geslaagd vinden, zijn dan ook in werkelijkheid programma's over schrijvers — niet zozeer over literatuur. Van Dis op de Nederlandse VPRO in de jaren tachtig was buitengewoon aangenaam om naar te kijken, omdat de presentator meestal het werk als uitgangspunt nam voor een al dan niet diepgaand gesprek met de persoon (een gesprekje eigenlijk: meer dan 15 minuten duurden die gedachte-uitwisselingen niet) — maar ook in dat veelgeroemde boekenprogramma lag de focus bij de persoon van de auteur. 'Zeeman met boeken', een ander VPRO-programma, ging wél heel duidelijk over de boeken zelf, maar dat werd nooit zo populair als 'Hier is Adriaan van Dis…'

    Was dat wel zo geweest, dan zouden ze nu bij Canvas hun arme hoofden niet te hoeven breken over hoe je eens lekker kunt lachen met boeken. Of er nog andere dingen mee kunt ook. Er bestaat hier in Vlaanderen immers een mateloos populair boekenprogramma, Uitgelezen, een co-productie van De Vooruit en De Morgen, met Fien Sabbe als uitstekende frontvrouw, Jos Geysels en Anna Luyten als vaste waarden in een panel dat gewoonlijk wordt aangevuld met wat sprekende persoonlijkheden uit de wereld van de media — maar zelden of nooit met schrijvers (en als dat al gebeurt, zitten die daar niet voor zichzelf, maar voor de boeken die op het menu staan). In dat programma, dat hier in Gent maandelijks meerdere honderden bezoekers trekt en ook buiten Gent (in Antwerpen en Leuven, als ik me niet vergis) goed wordt bezocht, wordt soms wel eens gelachen met boeken. Er wordt ook serieus over gepraat. Lichtvoetig, soms wat oppervlakkig, maar nooit alléén maar lichtvoetig of oppervlakkig. Het is breed, maar het gaat wel degelijk over literatuur, en over datgene waarover literatuur gaat, vooral. Er is regie, er is présence — me dunkt dat ze bij Canvas alleen maar wat camera's hoeven op te stellen en klaar is kees. Maar dan moet niet  een of andere ambitieuze regisseur of een bij het woord 'literatuur' tot angstige broekplasser verworden netmanager verlangen dat degenen die het programma maken zich aanpassen aan de eisen van het medium. Voor je het weet vragen ze van de gasten of ze tijdens hun verhaal even een handstand willen maken, omdat het anders zo statisch is allemaal. Gewoon cameralieden sturen die registreren wat er gebeurt.

    Maar misschien moeten ze van dat programma ook maar gewoon met hun vingers afblijven. Het risico dat bemoeienis van tv-lieden het programma om zeep helpt, is niet denkbeeldig. En bovendien, de tv-kijker kan niet meedoen aan één van de aardige extra's die het programma te bieden heeft: de tombola. In de pauze mag het publiek formuliertjes indienen die in een grote doorzichtige plastic kubus terecht komen. Daaruit wordt er een aantal getrokken. De winnaars krijgen één van de besproken boeken. Een feest, dat Uitgelezen — én een boekenprogramma.        

     

  • Pin it!

    Laatste deel kerstessay

     

    screenshot_19.jpg

    Het laatste deel van het kerstessay verschijnt vandaag. Nu is het wachten op diegenen die inderdaad hopen op de messias. Op de site van De Standaard valt al te lezen dat mijn analyse 'pretentieus' heet te zijn. Dergelijk commentaar is een illustratie van wat ik in een eerder stuk al vaststelde: kritiek is taboe, niet gewenst. Men houdt maar beter zijn mond. En verder lees ik dat ik geen oplossingen heb. Ik ken mijn geschiedenis goed genoeg om te weten dat schrijvers met oplossingen vaak een vergissing zijn geweest. En verder laten figuren als Havel of Vargas Llosa zien dat het huwelijk tussen schrijverschap en politicus altijd ongelukkig is, hoezeer voor beiden het een ook in het verlengde van het ander lag.

    Het is niet de taak van de schrijver politicus te zijn; het is wel de taak van de schrijver om, onder nog veel meer, politiek te zijn. Ik denk dat een schrijver over het algemeen niet uit is op macht. Het gaat hem enkel om invloed op een debat over waarden en normen dat ook een politicus die wél uit is op macht na aan het hart zou moeten liggen. En het kan niet zijn dat het inhumane economistische wereldbeeld voor een politicus fait accompli is. Het is onfatsoenlijk wanneer een politicus 'de mensen' alleen gebruikt om te legitimeren wat met die mensen afrekent.

    Natuurlijk blinkt het essay niet uit door nuance. Is werkelijk het hele bedrijfsleven verderfelijk? Nee, natuurlijk niet. Er zijn meer dan voldoende ondernemers die wél het belang inzien van werknemers die iets meer kunnen dan wat ze in een geheel op de economische realiteit van dat moment afgestemd onderwijs hebben geleerd. Die weten dat creatief denken van meer belang is dan de al bij het afstuderen volledig beheerste competenties. Die houden een bedrijf weliswaar draaiende, maar helpen het niet verder. Wij hadden hier ooit een loodgieter in huis lopen die erg van Brahms, Schubert en Chopin hield, en meer voor onze boekenkast stond dan dat hij onder de lavabo lag — dat is ook niet wat ik bedoel (zijn labyrintisch buizenstelsel waarin koud en warm water een ongezonde verbinding aangingen is later onder hoongelach van echte werklui weer gesloopt). Het gaat er maar om dat de 'economische realiteit' er één is die uitgaat van mensen, niet van enkel winsten, van groei die alleen zichzelf dient.

    Ik heb de morele verontwaardiging over de wijze waarop de mens uit de vergelijking wordt weggestreept nog eens willen verwoorden. Dat is wat ik ook in bijvoorbeeld Menens tracht te doen, zij het daar op een romaneske manier. Die lijkt minder duidelijk, in ieder geval minder eenduidig dan wanneer je het in essayvorm doet — maar dat is er net het voordeel van. Het gaat er niet om 'de mensen' te veroordelen vanwege hun apathie, hun eigen consumentistische houding, waarvan de meesten overigens ook helemaal niet verlost willen worden. Het gaat er om mensen medeplichtig te maken aan wat ze niet denken te zijn, om ze van daaruit weer zelf de grenzen te laten trekken. In romans gaat het niet alleen om de suspension of disbelief, maar ook om de opschorting van de vanzelfsprekende moraal.

    Literatuur voert mensen terug naar een situatie waarin ze alle keuzes zélf opnieuw moeten maken. Enfin, idealiter dan toch. Iemand als Dalrymple is het hier al niet mee eens: die ziet niet dat de misverstanden, de eenzaamheid en de verlorenheid in het werk van Pinter een drama vertegenwoordigen; die meent dat Pinter de mens juist aan dat misverstand, die eenzaamheid en verlorenheid wil uitleveren. Hij heeft liever schrijvers die zich nog in hun werk zelf duidelijk uitspreken tegen die zaken — maar Dalrymple's liefde voor literatuur stopt dan ook bij de achttiende eeuw.

    Enfin, we werken nu hard verder aan een boek dat weliswaar de positie van literatuur in onze huidige samenleving onderkent, maar er zich terzelfder tijd tegen blijft verzetten. Iets tussen realisme en romantiek in, een positie die zich soms ook laat omschrijven als iets tussen cynisme en pathetiek in. Het cynisme van de werkelijkheid maakt elk idealisme immers pathetisch. 

    screenshot_21.jpg 

  • Pin it!

    Kerstessay deel 3

     

    screenshot_18.jpg

    Vandaag terug naar een iets breder terrein. Sommige reacties op het vorige stuk waarin ik het aandurfde om het over het schrijverschap te hebben, maakten duidelijk dat het beroep vandaag de dag niet zonder gevaren is. Misschien moeten we hier in Vlaanderen ook eens rekensommetjes maken zoals ze in Nederland zijn gemaakt in een poging te laten zien hoe onheus de extreme bezuinigingen op kunst en cultuur daar waren. Misschien moeten culturo's ook hier even meestappen in de economische logica en bijvoorbeeld becijferen dat jaarlijks een veel groter deel van de bevolking 'gebruik maakt' van kunst en cultuur dan van het onevenredig zwaar gesubsidieerde voetbal. Al heb ik geen zin om die zaken tegen elkaar uit te spelen. Ik houd wel van een goede pot — al is het met al die competities op dit moment wel van het goede te veel.

    Me wel afgevraagd waarom er zo veel wit zit tussen de 'leader' en de eigenlijke tekst, vandaag… Daar hadden zomaar veertig regels tussen gekund — de veertig die geschrapt zijn… Nee, we gaan niet neuten.

    Morgen het stuk waarin ik alles herleid tot — nee, geen politieke oplossingen, niet de revolutie die ons de nieuwe mens gaat brengen; ik ben duidelijk iemand die uit de twintigste eeuw komt en die iets te verdedigen heeft. Nee, ik breng het terug tot wat het voor mij, en ik denk voor veel anderen, in eerste instantie is: morele verontwaardiging. 

    Ik heb nog wel getwijfeld of ik het boekje van Rob Riemen er nog bij moest betrekken: De eeuwige terugkeer van het fascisme (2010). De parallellen die hij ziet met de jaren dertig zijn niet mis te verstaan, maar werden toch ook door velen weggelachen. Dat is ten onrechte. Maar de gedachte dat zoiets als het fascisme zou terugkeren in de gedaante die het had, zoals velen denken wanneer ze 'nooit meer' scanderen, lijkt me te berusten op een misverstand. Dat is een beetje hetzelfde als al die moeders die tijdens de Koude Oorlog voor de zekerheid maar suiker en stukken zeep hamsterden 'voor als het weer oorlog wordt'. Maar de oorlog die er dreigde zou in niets lijken op de oorlog die ze kenden. Met suiker en zeep kom je in een nucleaire oorlog niet zo heel ver.

    Maar dat we terugkeren naar een orde waar mensen het door de heersende ideologie gedefinieerde mensbeeld klakkeloos als het enige accepteren, en inderdaad zo ver komen om de mensen die er niet aan voldoen buiten te sluiten of erger — het vertoont een duidelijke verwantschap met wat er ten tijde van de fascisten en nationaal-socialisten gebeurde. We hebben geen rassentheorie nodig om bokken en schapen op basis van louter hun rentabiliteit van elkaar te scheiden — al blijkt uit de discriminatie van 'allochtonen' op onder andere de arbeidsmarkt van zowat alle westerse landen dat  hier blijkbaar makkelijk twee vliegen in één klap zijn te slaan.Toch, als argument in het betoog dat ik in mijn kerstessay houd, zou het een zwaktebod zijn. Mijn punt daar is immers dat juist het praten over ideologie met een verwijzing naar de ontsporingen ervan taboe is verklaard door hen die menen dat we vandaag de ideologie voorbij zijn. En sowieso is dat verwijzen naar de tijd dat de treinen nog op tijd reden de dood in de pot voor elke meer open discussie over ons wel en wee.

  • Pin it!

    Format

    screenshot_17.jpg

    Vandaag verscheen het tweede deel. Bij de commentaren op de pagina van De Standaard zijn er al een paar van die voorspelbare: N-VA-aanhangers die alleen maar zien dat ik de karikatuur opvoer die Peumans ooit zelf van zichzelf maakte, en daar van allerlei aan verbinden waar ik het niet over heb. En mensen die precies doen wat het stuk zegt: me herleiden tot enkel 'het schrijvertje'. Dat was te verwachten. Het zou ook niet goed zijn als de reacties unisono waren.

    Wat me brengt op de in zekere zin geestige onderhandelingen met de eindredacteur. Uiteraard  was mij op voorhand het aantal woorden en tekens opgegeven dat ik per aflevering mocht gebruiken. De aflevering van morgen bleek, ondanks het feit dat ik mij keurig aan die opgave had gehouden, dan toch 1500 tekens te lang. De betreffende eindredacteur bracht het met de nodige schroom. Dat het ironisch was, zei hij ongeveer, maar ja… het format.

    Het brengt me weer op datgene wat telkens moeilijk blijkt om helder uit te leggen: hoe bijvoorbeeld de huidige positie van de literaire auteur door mij niet alleen wordt geschetst vanuit een houding van iemand die zich zijn lot beklaagt, maar ook om de reële omstandigheden waarin een schrijver zich op dit moment bevindt nog eens scherp te formuleren. Als mijn analyse van de positie van de literaire schrijver klopt, dan heeft het voor een schrijver die wél wil wegen op het openbare debat geen zin om zich telkens terug te trekken op wat dan zijn apenrots genoemd moet worden. Precies dat is wat ik zou doen volgens de commentaarstemmen die mij met veel dédain 'het schrijvertje' noemen. Maar het gaat me er juist om dat nog eens bepleiten dat een literair auteur recht heeft op onbegrensde vrije meningsuiting, maakt dat die literaire auteur alleen maar nog meer een louter clowneske verschijning wordt. Schrijvers moeten hun eigen positie trachten te begrijpen en van daaruit de weg terugvinden naar de publieke ruimte. Het betekent niet dat ze zich bij het schrijven moeten laten leiden door wat 'de' samenleving eist, maar dat zij moeten eisen dat die samenleving het eenmaal geschrevene leest als iets wat wel degelijk over die samenleving gaat. 

    Het maakt bijvoorbeeld dat ik hier niet ga jeremiëren over het feit dat er dan uiteindelijk toch nog wat tekst uit mijn oorspronkelijke essay gesneden moet worden omdat het format van 'het kerstessay' dat nu eenmaal eist. Als schrijver ben ik natuurlijk geneigd om te zeggen: maar die illustratie van Ruben kan toch ook wel een keertje wat kleiner? Maar ik begrijp tegelijkertijd wel dat men die illustraties (die op elkaar voortborduren, zo lijkt het na vandaag) elke dag op exact dezelfde wijze wil presenteren om zo aan het essay zelf een zekere herkenbaarheid te geven. Voor de lezer. Het zijn de eisen van het medium, en op zich is daar niks mis mee. Het is allemaal een kwestie van grenzen — en aangezien het hier niet om een stukje van zeven-, achthonderd woorden gaat, maar om een stuk in vier delen van meer dan 6000 woorden, zou je kunnen zeggen dat we over 1500 tekens geen 'principiële' discussie moeten gaan voeren — 1500 tekens hè! geen 1500 woorden. Er wordt met die coupure wat mij betreft geen grens overschreden, ook al blijft het ironisch dat een stuk dat zich onder meer tegen het format-denken richt, zelf aan een format moet voldoen.

    Morgen over onderwijs en democratie. Nee, dat wordt alwéér niet lollig. 'Kiezen zonder keuze' heet het. Ik zou bijna zeggen: nou, dan weet u het wel…  

  • Pin it!

    Crisis? What crisis?

    Gisteren na een hele dag op de weg — een retourtje Nederland om mijn oude moeder op te halen voor een weekje Gent, een rit waarbij ik me altijd weer realiseer dat als ik dezelfde afstand in zuidelijke richting was gereden, ik in de buurt van Dijon was geweest — gisterenavond nog in conclaaf met de eindredacteur. Er moest een teasertje op de voorpagina van De Standaard vandaag — wat gingen we daarmee doen? Goh, zei ik, zijn oorspronkelijke voorstel overwegend, eigenlijk is dat 'Ik ben een mens godverdomme' dat aan het slot van het eerste stuk staat, en dat ook de titel is van het eerste deel, wel een krachtige binnenkomer. Het refereert aan de scène uit Network, een film van Sydney Lumet uit 1976, met Peter Finch, William Holden en Fay Dunaway in de hoofdrollen. Het gaat om deze scene: 

    Toch even schrikken als je dan vanochtend je krant uit de brievenbus haalt en onderstaande voorpagina ziet. Dit lijkt geen 'teasertje' meer, maar een affront. Maar enfin, we gaan niet terugkrabbelen natuurlijk. Laten we zeggen dat mijn moeder zich meteen zorgen maakte. Zouden katholieke knokploegen hier niet de ruiten komen ingooien? Zoonlief vloekt op de voorpagina van een krant. Je zag haar denken: die puberteit is blijkbaar nóg niet voorbij…

    screenshot_12.jpg

    Maar wie naar het essay bladert, ziet naast de tekst een uitspraak van Herman Van Rompuy die — bedoeld of onbedoeld — de in deze eerste aflevering geventileerde woede nog eens motiveert. "Mentaal afstand nemen van de eurocrisis vergt van mij geen enkele inspanning. Ik laat mijn gedachten uit zoals mijn hond". Een uitspraak die Van Rompuy blijkbaar in de Volkskrant deed. Ik ken de context van die uitspraak niet precies. Er wordt hier ook geen context gegeven. Maar dat een van de spilfiguren van Europa de door Europa met nietsontziende neoliberale logica aan de bevolking opgelegde asociale besparingsmaatregelen niet aan zijn hart laat komen is toch wel een gotspe. Nee, Herman, wij zullen ons wel zorgen maken. Laat gij uw hond maar uit. Crisis? What crisis?

    Morgen 'Dode zielen' — of waar de verdwijning van de literatuur in onze samenleving werkelijk voor staat.

    screenshot_10.jpg

     

  • Pin it!

    Dwaaltaal

    De aankondiging van het kerstessay gisteren in De Standaard (vandaag staat er exact dezelfde aankondiging in) leidde op Facebook tot een discussie over andere zaken dan waar het citaat over ging. Hoewel ook daar commentaar op kwam. Iemand (Marc Ernst) merkte bijvoorbeeld op dat degenen die de afgelopen jaren het kerstessay voor De Standaard hebben geschreven bijna allemaal uit een politiek linkse hoek komen. Misschien. Geert Buelens, Paul Goossens, Manu Claeys — zeker. Maar Bas Heyne is zo links niet, lijkt me toch. Tom Naegels, ja. Maar Rik Torfs? Hoe dan ook, Ernst las graag in zo'n kerstessay opvattingen waarmee hij het niet eens was. Ik vrees dat ik hem ga teleurstellen.

    Maar toch wel met de aantekening dat mijn linksigheid een eerder historisch karakter heeft. Links en rechts lijken in de hedendaagse politiek niet meer te bestaan. Als ik bijvoorbeeld na het lezen van Tony Judts Het land is moe nog maar eens tot de slotsom kom dat ik altijd in hart en nieren een sociaaldemocraat ben geweest — géén marxist, communist of iets dergelijks — dan hoort daar onmiddellijk bij dat wat zich vandaag de dag voor sociaaldemocratisch uitgeeft nog maar weinig te maken heeft met wat ik daar onder versta en ook met wat de sociaaldemocratie oorspronkelijk was. Blair, Schröder, ook Kok met zijn Poldermodel — ze hebben het sociaaldemocratische gedachtegoed te grabbel gegooid en zijn samen met het oorspronkelijk liberale denken opgegaan in het neoliberalisme. Dat neoliberalisme heeft overigens ook dat wat de liberalen oorspronkelijk voorstonden van zijn ankers geslagen.

    Dus ja, mijn kerstessay zal ongetwijfeld gelezen worden als het verhaal van iemand die politiek links is. Maar voor mij gaat het eerder om iets wat aan het politieke voorafgaat. Maar dat is voor volgende week.

    Waar het me hier nu even om gaat, is dat ik blijkbaar in de Nederlandse taal steeds meer op drift raak. Eerst reageerde Erik De Smedt op het Standaard-citaat met de opmerking dat het gebruik van 'kolere' een nieuwe druk van het woordenboek nodig maakte. Dat leek me niet. Het staat gewoon in Van Dale. Ik snap wel dat men hier in Vlaanderen misschien eerder voor de spelling 'koleire' kiest, of zelfs voor het Franse 'colère', maar dat maakte mijn spelwijze niet fout. Dacht ik. "In de kolere verraadt zich de Hollander in mij", stelde ik.

     

    screenshot_07.jpg

    Tot de ongekroonde koning van het correcte taalgebruik Herman Jacobs (ik zeg dat zonder ironie; wie met taalvragen zit, kan bij hem terecht) — tot Herman opmerkte dat zich in de wijze waarop ik het woord hier gebruikte eerder de Vlaming in de Hollander was opgestaan. 'Kolere', aldus gespeld, verwijst in het Nederlands meestal naar de uitdrukking: 'Krijg de kolere', of zelfs 'krijg de klere'. Het is een verbastering van 'cholera'. Weliswaar omschrijft Van Dale 'kolere' als 'woede, toorn' en geeft het daar als variant 'koleire' (bij 'koleire' wordt alleen naar 'kolere' verwezen). Bij 'colère' vermeldt Van Dale dat het Belgisch-Nederlands is, maar alleen daar vind je de uitdrukking die ik in mijn essay gebruik en die in de aankondiging staat: "in een Franse colère schieten". In dat schieten schemert de Vlaming door die zich inmiddels in ook mijn schrijftaal manifesteert, al houdt de Nederlander moedig stand door niet voor 'colère' of 'koleire', maar voor het oer-Hollandse 'kolere' te kiezen. Ik schrijf zo langzamerhand mijn hoogsteigen tussentaal (over mijn spreken zwijg ik…). 

    Ik liep daar ook al tegenaan toen ik op de uitgeverij de laatste drukproef van Menens overliep met de redactrice. Toen huldigde ik het standpunt dat als wat ik schreef niet per se fout was, er geen werkelijk probleem was. Het lijkt me niet meer dan logisch dat mijn verblijf in Vlaanderen van invloed is op mijn taalgebruik, dat mijn taal verandert. Dus heb ik ook geen bezwaar tegen het schieten, maar dan moet het wel correct in een 'colère' zijn toch. Zoals je hier ook "een frietje steekt' als je een patatje eet. "Een patatje steken" zal hier na enig nadenken misschien begrepen worden als mogelijkerwijs het poten van aardappels, danwel het rooien ervan.

    Soms voel ik me als K. Schippers' vis, de haring die van Noordwijk naar Hamburg zwemt en daarna kuit schiet bij Dover: Haring, Hering, Herrings. Zo schiet ik dan, zonder het zelf goed te beseffen, in een cholera.

        

  • Pin it!

    Aankondiging

    screenshot_06.jpg

     

  • Pin it!

    Grumpy

    Misschien is het omdat ik een groot stuk voor de krant aan het voorbereiden ben en daarin koste wat het kost het verongelijkte toontje wil vermijden… Misschien is het domweg dan toch de leeftijd, is nu alsnog dat moment gekomen waarop ik door het getal word ingehaald nadat ik lange tijd het gevoel heb gehad dat alles wat ik met dat getal associeerde niets met mij te maken had…

    De BBC heeft een tijdlang een programma gehad dat 'Grumpy old men' heette. In dat programma zaten welbespraakte, bekende Britten heerlijk te mopperen op alles wat nieuwerwets was, en dat ging van irritatie over het plotselinge gebruik van 'Mumbai' waar voorheen iedereen uit de voeten kon met Bombay, tot de verkoop van bronwater in flessen, bij de huidige, door en door gecontroleerde kwaliteit van ons leidingwater toch wel zo ongeveer de grootste zwendel van de eeuw. En kwam zo'n mopperaar niet aanzetten met de redenering dat 'Mumbai' nu eenmaal de officiële benaming was voor Bombay, laat staan dat het hardnekkig gebruik van Bombay duidde op een kolonialistische mentaliteit, want er is toch ook niemand die gelooft dat we door Peking te veranderen in Beijing met die laatste benaming de naam van die stad ook maar enigszins op de correcte Chinese wijze uitspreken.

    Vlaanderen heeft een tijdlang zijn eigen variant van dit programma gehad: Bromberen heette het, en het werd gepresenteerd door Pat Donnez. Ik heb ooit aan twee uitzendingen meegedaan, één over muziek en één over Vlaanderen. Dat was in een tijd dat ik eigenlijk liever in de uitzending had gezeten die over Nederland ging (waarin Stijn Meuris zich op een grappige wijze boos maakte over 'dat geschreeuw van zo'n tweedehandszangeresje als Anouk', zo herinner ik me), en echt veel irritatie over de huidige muziek is er bij mij ook niet meer. Ik voelde althans toen niet de behoefte me af te zetten tegen het hersenloze gebeuk dat Techno heet — een muzieksoort die, zoals technofanaten weten, inderdaad alleen maar te verdragen is na de inname van veel verdovende middelen. Maar de tijd dat de wereld was opgedeeld in 'discogangers' en 'blueskikkers' en dat bijvoorbeeld John Travolta bij die laatste types heuse haatgevoelens kon wekken, is al heel lang voorbij. Nu bestaat alles vredig naast elkaar, zo is mijn indruk, indie naast techno, techno naast singer/songwriter naast hiphop, dubstep en wat niet al.

    Distinction. Het was een verschil dat zich vroeger ook politiek liet vertalen. Wie naar de disco ging was een rechtse conformist — bedoeld was: koos voor consumptieve, keurig in de pas met het kapitalistische systeem lopende prefab. Blueskikkers zaten onder dekking van verschrikkelijk authentieke muziek in alternatieve kroegen moeilijke gesprekken te voeren. Rechtse mensen zijn gezelliger — Claus had gelijk. Hoewel voor mij toentertijd de oorverdovende (kut)muziek in disco's nu niet onmiddellijk geassocieerd werd met 'gezelligheid' (maar kijk eens aan — wat er van die kutmuziek uit die tijd niet alsnog op mijn iPod terecht is gekomen… Nostalgie treft ons allemaal). Maar 'gezelligheid' was burgerlijk, en dat blueskikkers als ik met allerlei ingewikkelde praatjes in verduisterde, naar verschaald bier en ongeledigde asbakken ruikende kroegen in feite onze eigen 'gezelligheid' schiepen, was toentertijd bepaald niet aan mij besteed.

    Ondanks verzekeringen van producent en presentator dat het heel goed was geweest, vond ik zelf mijn passage in 'Bromberen' destijds niet zo heel geslaagd. En dat stelde me op een bepaalde manier gerust. Ik was blijkbaar nog niet toe aan wat je het prerogatief van de derde leeftijd zou kunnen noemen, al moet ik daaraan toevoegen dat ik wel enorm genoot van de spitsvondige humor waarmee de deelnemers aan het BBC-programma en 'Bromberen' de vanzelfsprekendheden van vandaag de dag aan de kaak stelden. Dat genot had veel te maken met instemming, en hoewel noch de grumpy old men noch ik ons ooit zouden verlagen tot het 'vroeger-was-alles-beter' van ónze ouders, was er bij het bekijken en beluisteren van die programma's toch op zijn minst heimelijk de overtuiging dat het er vandaag de dag in ieder geval een stuk slechter op was geworden.

    Ik bedoel, en bedoelde ook toen al: dat we naar de verdommenis gaan.

    Wat ik voel als ik op een willekeurige dag de krant opensla, heeft niets met knorrigheid te maken, maar alles met woede. Dat zou me op het punt van de voortschrijdende veroudering gerust moeten stellen: men wordt immers milder met de jaren? Van mildheid is bij mij geen spoor. Hier, pagina 3 van De Standaard vandaag: Smet (hij weer!) over de wildgroei aan studierichtingen in het huidige onderwijs. '343 richtingen moeten er 100 worden, belooft minister Smet'. Dat elke neiging dat te veel met enige nuancering te benaderen mij inmiddels ontbreekt (het geduld is op), mag blijken uit het feit dat ik na diagonale lezing onmiddellijk begin te bulderen over 'marktgedreven motieven van een zich socialist noemende strandjanet die godverdomme zijn eigen moeder nog zou wegbezuinigen als ze zijn consumentistische logica in de weg zat'. Strandjanet ja. Ik weet het. Minister Smet is homoseksueel. Dit is, op zijn zachtst gezegd, geen nette manier om het over de man te hebben. Politiek incorrect, en hoewel extreem politieke correctheid riekt naar verschaald bier, asbakken en langharige jeansdragers van een klassiek linkse signatuur en dus bepaald ongezellig is — zo hoeft het nu ook weer niet.

    MarthaNussbaumNietvoordeWinst.jpg

    Ik lees momenteel Martha Nussbaums Niet voor de winst — een boekje met als ondertitel: 'Waarom de democratie de geesteswetenschappen nodig heeft'. Ik blijk bij lezing ervan zelfs niet afkerig van een formulering als deze: 'We streven naar bezittingen die ons beschermen en die ons een prettig en behaaglijk gevoel bezorgen — wat Tagore ons materiële "omhulsel" noemde. Maar we lijken bij dit alles de ziel te vergeten'.

    De ziel?

    Ons materiële omhulsel?

    Ik ben voor de religie nog niet verloren, blijkbaar, want in plaats van de geïrriteerde wegwerpgebaren die ik normaliter maak bij dit soort potsierlijke tegenstellingen, zit ik nu instemmend te knikken. Dat me dat nog eens zou overkomen — ik die ooit nog heb gedacht dat ik nimmer mijn haren zou afknippen ('Almost Cut My Hair' van Crosby, Stills, Nash & Young is nog steeds een favoriet nummer). Meneer verdedigt tegenwoordig de Ziel tegenover 'het materiële omhulsel'. Nog een paar jaar en ik trek naar Lourdes om mij te laten besprenkelen met door de heilige maagd zelve ingestraald flessenwater, zogenaamd aan de grot ontsprongen, maar natuurlijk heimelijk aangeleverd door de waterboeren van Vichy. Maar Nussbaum legt uit wat het volgens haar betekent wanneer we de ziel vergeten:

    dat wil zeggen: wat het inhoudt als gedachten opbloeien uit de ziel, en persoon en wereld op een rijke, subtiele en gecompliceerde wijze met elkaar verbinden; wat het inhoudt om een ander te benaderen als een wezen met een ziel in plaats van als een nuttig werktuig of een hinderpaal bij het verwezenlijken van onze plannen; wat het inhoudt om als iemand die over een ziel beschikt te praten met iemand anders die we als even diep en complex beschouwen als onszelf.

    En Nussbaum begrijpt dat mensen als ik bij deze uitleg nog steeds niet helemaal gerustgesteld zijn, maar integendeel nu juist extra op hun qui vive zijn, omdat ze elke keer dat ze nu een pagina omslaan verwachten te lezen dat Jezus voortaan hun Weg en hun Wereld is. 'Voor veel mensen heeft het woord "ziel" een religieuze bijklank,' schrijft ze, 'en zonder die te willen verwerpen, wil ik daar toch ook niet de nadruk op leggen. Iedereen kan die bijklank horen of negeren'. In mijn geval: horen én negeren. Ze vervolgt:

    Wat ik echter wel wil benadrukken, is wat zowel Tagore als Alcott met dit woord bedoelde: het denkvermogen en de verbeeldingskracht die ons tot mens maken, en onze relaties met andere mensen tot rijke menselijke relaties in plaats van relaties waarbij we elkaar alleen maar gebruiken en manipuleren.

    Misschien is het de antihumanistische mode in de geesteswetenschappen zelf die maakt dat ik — ondanks mijn eigen bezwaren bij die mode — ergens toch nog wat voorbehoud zou willen maken bij ook dit soort formuleringen. Die mode heeft blijkbaar genoeg vat op mij gekregen om het gevoel te hebben dat ik voor mijn humanistische inborst verantwoording heb af te leggen (maar wat wilt u, ik zat jaren in de redactie van yang, en daar had je het als ouderwetse humanist soms best moeilijk om je in discussies overeind te houden — ook al waren die discussies zelf voor mij toch het bewijs van een in se humanistische houding binnen ook die redactie). Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het vooruitzicht dat ik na zoiets een boek ga lezen dat me hoogstwaarschijnlijk volledig zal sterken in mijn eigen opvattingen over wat onderwijs vandaag de dag zou moeten zijn tegenover wat er vandaag de dag van onderwijs wordt gemaakt,  tot direct gevolg heeft dat ik mijn voorbehoud zelf wegwuif.

    Voor een bloeiende economie zijn dezelfde vaardigheden vereist als voor goed burgerschap en daaruit volgt dat de voorstanders van wat ik 'winstgericht onderwijs' noem of (om het wat breder te formuleren) 'op economische groei gericht onderwijs', een verarmde opvatting hebben over wat vereist is voor het verwezenlijken van hun eigen doelstellingen

    schrijft Nussbaum ook nog. En ik zou de heer Smet links-rechts-klits-klets-klandere met dit boekje op zijn wangetjes willen slaan tot ze rozerood zien en het toch nog lijkt dat hij zich schaamt. En ook al die anderen die menen dat onderzoeken van louter op economie gerichte organisaties als bijvoorbeeld de Oeso over onderwijs ook maar enig gewicht in de schaal mogen leggen, en niet in de laatste plaats: dat verschrikkelijke sujet dat van de K in KU Leuven al jaren de K van Kul maakte — niet voor niets de afkorting van die universiteit — zijnde de heer Oosterlinck, gepensioneerd gatlikker van het bedrijfsleven en… — maar daar ga ik weer…

    Mijn geduld is op met ook politici die de huidige kwaal willen bestrijden met de oorzaak ervan en dat op de een of andere manier niet inzien, precies omdat ze niet meer over een moreel kompas lijken te beschikken. Ik kan al die opiniebijdragen van economen die economen verdedigen die nu bakzeil halen en zeggen dat — oeps — de markt dan toch niet zo alleenzaligmakend en zelfregulerend en vooral wetmatig is als ze jaren geleden met veel aplomb beweerden, daarmee politici in de kaart spelend die — oeps — nu soms tot dezelfde conclusies komen, meestal wanneer ze voor de directe gevolgen van hun eigen beleid niet langer bevoegd heten te zijn (Mister Europa Verhofstadt, die ook ooit de zelfregulering van de markt als goddelijk principe verkocht, maar later meende dat hij zich daarin een klein beetje had vergist toch) — ik kan al die bijdragen niet meer lezen zonder onmiddellijk op kookpunt te raken. En zit me dan stomend in mijn leeszeteltje op — ocharme — een al bij al heel bescheiden werkkamertje volgestouwd met boeken die veel hebben gekost maar die nu niet meer waard zijn dan de prijs van oud papier (volgens de huidige maatstaven beslist een slechte investering kortom) ook nog eens druk te maken over de uitverkoop van socialisten die in het verleden verzuimd hebben om de onjuistheid van de neoliberale mores keer op keer aan de kaak te stellen. Op 1 mei nog steeds braaf achter rode vlaggen sjokkende slaplullen zijn het, die hun ideologie aan hun eigen meiboom hebben opgeknoopt om mee te zijn met de verdwazing die sinds de jaren negentig de overhand heeft gekregen. 'In 1970 waren 90% van de financiële verrichtingen verbonden met de reële economie; einde jaren 90 daalde dat cijfer tot onder de 10%'. Nee, dat is geen Nussbaum. Dat is Jaap Kruithof. En lang voor Kruithof was er nog het Rapport van de Club van Rome, dat ondanks aanvankelijk geslaagde pogingen het in diskrediet te brengen, nu dan toch tot op de dag van vandaag vrij goed heeft voorspeld wat al in 1972 werd voorzien.

     

    Kruithof.JPG

    Moet ik nog doorgaan? De soap rond de mastodont die de zichzelf volstrekt zedelijk en dus zwaar misbegrepen achtende ondernemer Bart Verhaeghe in Machelen wil neerpoten, Uplace geheten — een redder van de wereld is hij, een soort Christus bijna, die middels een megalomaan bouwproject dat vrijwel zeker de bestaande structuren in Machelen en verre omstreken om zeep gaat helpen,  beweert dat hij de mensheid aan het redden is. Men moet zijn site eens bezoeken — het is bepaald verheffend. De mensen vragen om zoiets, beweert hij doodleuk. Alsof het hele idee van zo'n winkel- en kantorencomplex waar je als mens opnieuw geboren wordt niet gewoon is overgenomen uit Amerika en in de eerste plaats een al decennialang door sterk veramerikaniseerde media ingeplant idee is van 'wat de mensen willen'. Het is werkelijk verbluffend om te zien welke rotzooi de mens allemaal wel niet zelf gewild zou hebben, of die in ieder geval onder dat voorwendsel op de markt is gebracht. Maar wij wilden helemaal geen iPod en iPad en iPhone of andere gadgets waaraan we nu verslaafd zijn en waarmee we nu soms zelfs ons levensgeluk verbinden. Ons… eh… materiële omhulsel dient om onze… om onze ziel het zwijgen op te leggen, en meneer Bart 'eigenlijk-ben-ik-een-Robin-Hood' Verhaeghe is vanuit dat hem ongetwijfeld volkomen vreemde standpunt verre van een redder van de mensheid. Je vraagt je af welk soort onderwijs hij genoten heeft. Ik kan steeds slechter tegen het geblaat dat dit soort destructieve geesten laat horen. Ik wil het niet meer lezen.

    Maar kijk, ik bereid een groot stuk voor de krant voor. Ik moet dringend op zoek naar de distantie die van mijn woede min of meer geestig gemopper maakt, ook al is de prijs daarvoor niet gering: dat men moet toegeven dat men zelf dan toch de derde leeftijd heeft bereikt, of toch bijna.

     

    Engeland 1979.jpg

     

    Brighton 1979

     


  • Pin it!

    In mono

    Goed stuk van BB, Chef Weekend van De Standaard in dSWeekblad van afgelopen zaterdag: over de armoedige en ideologiebevestigende ideetjes in en achter een, zoals hij schrijft, 'goed gemaakte' film als Code 37 (zie: 'Wat kunnen we leren van Veerle Baetens?'). Ik zag die film niet, maar wel diverse afleveringen van de serie op tv, waar zoiets onderhoudend is. Meer kun je van tv niet verwachten. Misschien kun je van niets tegenwoordig nog meer verwachten. En erger nog: mag het ook niet meer. Oppassen voor altijd dezelfde klaagzang, maar in een cultuurklimaat dat uit re-runs en herhalingen bestaat, is het bijna onvermijdelijk.

    screenshot_151.jpg

    Wat, zo vraag ik me af, gebeurt er als de tot in den treure gekende en herhaalde verhalen op zijn? De musicalindustrie lijkt me hier het voortouw te nemen. Ik houd al niet van musicals, maar als ik zie wat daar met veel bombarie zowat elk seizoen opnieuw aan de man wordt gebracht, dan is het toch echt wel armoe troef. Weet je wat we gaan doen, zo hebben ze ergens gedacht, we gaan Miss Saigon nog eens op de planken brengen. En Mary Poppins. En, o ja, Soldaat van Oranje. Hoelang moeten we nog wachten op de (letterlijk) re-productie van Cats en Phantom of the Opera —  op zich al verhaaltjes die niet uitblinken in originaliteit en die elders, in een andere vorm, maar vooral beter werden verteld? (West Side Story was Shakespeare voor debielen, en Dirk Tanghe's destijds eindeloos bewonderde Romeo & Julia (1988) was zoiets als een kruising tussen de toneelversie van de musicalversie van Shakespeare's stuk en een banale deurenkomedie). Het is ironisch te noemen dat men zich in een programma als De wereld draait door druk maakte over het feit dat De producers, een musical met een ander, een in ieder geval niet al tot in den treure herhaald verhaal te weinig publiek trekt (de musical is een bewerking van een Mel Brooks-film uit 1968, dat dan weer wel). Aan de basis van de monocultuur ligt immers de tv, toch zeker het soort incrowd-programma's waartoe DWDD behoort (met altijd en eeuwig dezelfde gasten met altijd en eeuwig dezelfde meninkjes). Inmiddels is De producers uit productie genomen. Wegens een overmaat aan originaliteit kon dat ook al niet zijn.

    Enfin, het is weer boekenbeurs. Wie daar even rondloopt, weet genoeg. Zelfs wie niet in kookboeken, boekskes van BV's of in de zelfhulppulp van ongekwalificeerde ervaringsdeskundigen geïnteresseerd is, maar wie naar die beurs trekt voor de literatuur, wordt door de wijze waarop uitgeverijen hun literaire titels opstellen, gedwongen dat te vreten wat blijkbaar iedereen vreet, moet vreten, zal vreten.

    Zoals ik al zei: altijd maar weer dezelfde klaagzang, waarvan inmiddels toch ook voldoende gebleken is dat ze niet helpt tegen de status quo. Wat aan de zorgen over het gebrek aan diversiteit in onze huidige cultuur niets afdoet. Op een zeker moment heeft niemand nog door dat we steeds hetzelfde verhaal krijgen opgedist, waarin steeds die ene, zelfde ideologie wordt bevestigd.  

    En ligt het nu aan mij, of is er in dSWeekblad sprake van een steeds verdergaande 'humoïsering'? Datzelfde toontje, dat bewust spelen op de persoon, dat alles relativerende cynisme dat onder het mom van kritisch bewustzijn wordt verkocht, maar intussen alleen maar baat heeft bij wat het zogenaamd onderuit haalt? Het is een meer verdoken manier om in te stemmen met (en af te stemmen op) wat het geval is. Is dat de 'Journalistiek met een langere adem' die ons in het eerste nummer van dSWeekblad werd beloofd? De 'journalistiek waarvan u voelt dat u die móét gelezen en bekeken hebben'? Tot mijn spijt moet ik zeggen dat het weekblad een hoog déja lu-gehalte begint te krijgen. Alsof de daling van de oplage van Humo de makers van het weekblad van De Standaard het idee gaf dat er daar lezers af te snoepen zijn zolang ze in hun blad maar ongeveer dezelfde bekken trekken. 

    'Het tot beu-wordens toe geziene' — Van Ostaijen had het daar al over. Maar dichters vermogen niet meer daar iets tegenin te brengen, zoals althans Van Ostaijen nog mocht hopen (hoewel, tijdens zijn leven was er geen hond in zijn poëzie geïnteresseerd; hij is de Van Gogh van de Nederlandstalige letteren).

    Zou Ann De Craemer gelijk hebben? 'Poëzie is, helaas, niet meer van deze tijd', schreef ze in De Morgen van 2 november. Ze noemt het een 'constatering', geen beschuldiging. Om de constatering kun je niet heen, denk ik, al hangt het sterk af van wat je precies poëzie noemt. Ik ben er altijd erg voor om de juiste beginsituatie voor een eventueel debat vast te stellen. De dichters die op haar site tegen de constatering zelf fulmineren nemen voornamelijk een positie in die me inderdaad achterhaald lijkt en die ook niet helpt om datgene wat ze bepleiten daadwerkelijk tot stand te brengen. Dat komt gewoonlijk toch neer op een redding van de poëzie, of op zijn minst op een verdediging ervan (de 'defense of poetry' is al zo oud als de moderne poëzie zelf). Zelfs zij die heroïsch de samizdat-positie aannemen, doen dat vanuit het geloof dat die positie garanties biedt voor het belang van poëzie in de openbare ruimte. Ik geloof niet dat dat nog werkt. Het is uiteindelijk een autonomie-reflex. Wie tegen de wereld is, moet in de wereld zijn. Een subcultuur die zich in haar eigen subculturele gelijk wentelt, die zichzelf genoeg is, houdt spoedig op te bestaan; het gaat erom met dat subculturele aan het woord te komen in de 'dominante cultuur', zoals dat heet. En wie met de hond slaapt krijgt zijn vlooien. Ik houd me voor dat dat nog iets anders is dan het 'if you can't beat them, join them' — maar een werkelijk ander verhaal dan steeds diezelfde klaagzang over teloorgang, achteruitgang, nivellering, verhuftering en vergroving heb ik voorlopig ook niet in huis.

  • Pin it!

    Grensincidenten

    Het moet maar even voor het laatst zijn geweest: de bijeenkomst in Baarle-Hertog / Baarle-Nassau over maar weer eens de verschillen en overeenkomsten tussen Belgen en Nederlanders. Ik was er samen met Margot Vanderstraeten en Hugo Camps uitgenodigd, de laatste duidelijk als de eregast, Vanderstraeten en ik meer als opwarmertjes. Ik had aanvankelijk nog het plan om voor deze bijeenkomst een geheel nieuwe lezing te maken, maar  daaraan werkend bleek mij al snel dat ik in herhaling verviel en dat ik dingen die ik eerder al had gezegd alleen maar minder precies formuleerde, of alleen maar anders. Ik besloot dus in Baarle-Nassau 'Het geluk van heimwee of de onmogelijkheid om Belg te zijn' nog eens voor te lezen (de verkorte versie hier, de lange, die ik voorlas, in Beste buren van uitgeverij Luster). Als opmaat voor een discussie met iets meer nuance dan gewoonlijk is dat stuk eigenlijk heel geschikt.

    Natuurlijk niet wanneer de bezoekers van die lezing inderdaad alleen maar hebben onthouden wat ik vandaag op BN De Stem.nl lees: "Spreker nummer één, journalist (sic) Marc Reugebrink, verhuisde jaren terug van Noord-Nederland naar Gent. 'Vlamingen vinden mij Hollander: te luid in restaurants en netjes in het verkeer. Wat gevaarlijke situaties veroorzaakt, dat snapt u wel.'" Ja, dat snappen we wel, maar dat is als samenvatting van wat ik heb gezegd wel heel kort door de bocht.

    Maar het kan nog straffer. Het nieuwsblad meldt dat ik heb gezegd:'ik wil geen Belg worden omdat ik dat niet ben.' Dat is niet eens een samenvatting van wat ik heb gezegd, dat is verzinnen wat ik niet heb gezegd.

    Laten we zeggen dat de plaatselijke correspondenten aan zowel deze als aan de andere kant van de grens een even bedenkelijk niveau hebben. Dat kan in ieder geval al helpen om de integratie van de zo uiteengedreven landsdelen wat te bevorderen. Of juist niet, want wie zo weinig oog heeft voor nuances vervalt al gauw in zwart-wit denken, en dat wordt er over de tegenstellingen en overeenkomsten tussen Nederland en Vlaanderen al meer dan genoeg gedaan.

    Uit het publiek kwamen nog andere klachten die de bestrevingen van de Taalunie al op voorhand futiel lijken te maken. Iemand klaagde over het feit dat er zoveel rapalje uit Dordrecht, Rotterdam en Spijkernisse in Breda uitgaat en daar de cafés 'overspoelt', zo zei hij. Ik probeerde nog om Groningen en Vlaanderen wat dichter bij elkaar te brengen door de Groningse volksziel te koppelen aan de Vlaamse: de nuchterheid en norsheid van de één en het chagrijn en de ontoegankelijkheid van de ander — maar je kreeg toch de indruk dat alleen al Nederland steeds meer uiteenvalt in kleine gebiedsdelen waar men ei zo na zij die er niet wonen opwacht met een hooivork, laat staan dat je het in een dergelijke context nog zou kunnen hebben over overeenkomsten met Vlaanderen.

    Aan een werkelijke discussie over 'identiteit' kwamen we uiteraard al helemaal niet toe, en het valt me telkens weer op dat bijeenkomsten over het verschil tussen de beide landsdelen blijven steken in wat gratuite anekdotiek en bepaald grove generalisaties. Het cultuurverschil tussen Nederland en België (Vlaanderen) leidt zo niet tot een beter begrip van de overeenkomsten, omdat het over die cultuur nooit werkelijk gaat. Het is blijkbaar voor iedereen een quantité négligeable geworden, terwijl alle vooroordelen en domme vergelijkingen die op zo'n ochtend worden gemaakt juist alles met de onbekendheid met  cultuur te maken hebben. Een beter begrip daarvan zou al veel de wereld uithelpen en bijvoorbeeld een weinig snuggere journalist kunnen doen begrijpen dat ik niet heb gezegd dat ik geen Belg wil worden omdat ik het niet ben, maar dat ik Belg ben maar het nooit kan worden. Toegegeven: dat is een lastig, want misschien al te subtiel verschil op een zonnige zondagochtend in het cultuurcentrum van Baarle-Nassau.

    ow43_grens_in_taal_(1).JPG.h513.JPG.767.JPG

  • Pin it!

    Schoolslag

    Gisteren in het Letterenhuis in Antwerpen de nieuwe roman van Joseph Pearce ingeleid: Schoolslag. De presentatie zelf kwam rijkelijk laat en zou oorspronkelijk ook al eerder plaats hebben gevonden in een school in Antwerpen, mogelijk een jezuïetencollege, mogelijk de school waar Pearce zelf 33 jaar les gaf. Maar als ik het goed begrepen heb, waren er bezwaren van de school zelf. Misschien koesterde men daar argwaan door de aankondiging dat Schoolslag een satire is? Of is Pearce er met hooglopende ruzie vertrokken? Heeft hij 33 jaar lang als leek de paters het het leven zuur gemaakt? Ik vergat het gisterenavond aan Pearce zelf te vragen. Als de beoogde school ook maar iets lijkt op de school die Pearce in zijn roman beschrijft — een college van de 'paters Felixtijnen' — dan kan ik begrijpen dat men enige reserves had om een satiricus binnen zijn muren uit te nodigen. Al was de vrees dan grotendeels ongegrond.

    Die Felixtijnen bestaan natuurlijk helemaal niet. Felix of Dunwich is een heilige die ergens in de zevende eeuw gestorven is en die inderdaad tijdens zijn leven een school heeft opgericht "where boys could be taught letters", aldus Wikipedia. Maar een orde van Felixtijnen bestaat niet. Pearce heeft waarschijnlijk het jezuïetencollege, een typevoorbeeld van een eliteschool, nog wat willen uitvergroten, zozeer dat het jezuïetencollege zelf in zijn roman wordt opgevoerd als een soort afvalbak van het college van de Felixtijnen: bij de jezuïeten hebben ze al veel te veel toegegeven aan de moderniteit, zo is de suggestie.

    Mijn inleiding: voor wie deze blog volgt bevat het niet veel nieuws, maar herhaling is in deze computergestuurde tijd niet alleen in het onderwijs een deugd:

    9789085421917.jpg

     

    Ik denk dat ik er niet heel ver naast zit wanneer ik veronderstel dat de meesten van u bij het lezen van Joseph Pearce's nieuwe roman worden herinnerd aan de tijd dat u een soortgelijk college bezocht als dat van de paters Felixtijnen dat in Schoolslag beschreven wordt, ook al was uw school misschien niet zo'n verschrikkelijke eliteschool als die uit het boek. Het is meteen een van de aangename kanten van dit boek, vermoed ik: de wat nostalgische waas die erover hangt voor wie vertrouwd is met het Belgische (katholieke) onderwijs. En wie daarmee vertrouwd is, zal ook onmiddellijk de satire zien, de al bij al, lijkt mij, milde spot waarmee Pearce in dit boek een wereld schetst die ook hij ongetwijfeld van binnenuit kent — niet alleen als leerling, maar ook als docent. Ik vermoed dat men voor het beschrijven van de gang van zaken in, laten we zeggen: een jezuïtencollege niet eens heel erg hoeft te overdrijven om toch al het gewenste effect te bereiken — wat alleen maar kan betekenen dat de alledaagse werkelijkheid binnen zo'n college op zich al absurd genoeg was, zeker voor wie terugblikt. Satire is zo beschouwd bijna onvermijdelijk voor wie die wereld vaarwel heeft gezegd.

    Vermoed ik, denk ik, lijkt mij.

    Het punt is dat ik de door Pearce beschreven wereld niet uit eigen ervaring ken. Ik ben opgegroeid binnen een onderwijssysteem dat nu al verscheidene Vlaamse onderwijsministers — naar mijn bescheiden mening: geheel ten onrechte — de laatste tijd als voorbeeld zien voor hoe het er in Vlaanderen ook aan toe dient te gaan. Ik ben opgegroeid in het Nederlandse onderwijssysteem, en dan ook nog eens in de 'openbare' tak ervan, het niet-confessionele onderwijs zeg maar.

    Wat dat betekende? Dat er geen paters voor de klas stonden, maar bijvoorbeeld langharig hip volk dat heel democratisch met ons omging — al was er ook nog een uit oudere tijden overgebleven verkreukelde lerares die zo wereldvreemd was geworden dat ze niet doorhad dat de eerste regels van een beroemd gedicht van P.C. Boutens (weet iemand nog wie dát is?) alleen maar hilariteit konden veroorzaken: 'Goede Dood wiens zuiver pijpen / Door 't verstilde leven boort', zo stond er op een dag op het bord. Lesgeven was daarna moeilijk. En een al even pensioengerechtigde wiskundelerares zag ik in 1973 een jongen te lijf gaan met een bordenwisser en een meetlat — een tafereel dat in krijtwolken gehuld is.

    Dat soort leerkrachten was er dus ook nog. Maar voor de meeste leraren waren wij al die wat tere kinderzielen die je niet te veel met kennis moet vermoeien en die je vooral moet doordringen van de noodzaak om mondig te worden in een snel veranderende wereld. Niet dat die leraren dat zelf allemaal van ganser harte zo wilden, maar zo werd het gedecreteerd door de onderwijsminister in Den Haag. Die had ook besloten dat ik de laatste drie jaar van mijn middelbare school maar zes vakken hoefde te volgen. Nederlands en Engels waren verplicht; de rest maakte deel uit van het zogeheten 'vakkenpakket'. Dat kon bestaan uit wiskunde, natuurkunde, scheikunde en andere voor het reilen en zeilen van onze maatschappij blijkbaar hoogstnoodzakelijke vakken. Het kon, naast Nederlands en Engels ook bestaan uit Duits en Frans en dan bijvoorbeeld Geschiedenis en Economie. Tekenen kon ook, maar, zei men waarschuwend tegen diegenen die alvast fluitend hun potloden aan het slijpen waren: denk er wel om dat je dan ook kunstgeschiedenis krijgt hè! Ik wist, kortom, toen ik van de middelbare school kwam van toeten noch blazen. Maar ik was wel ontzettend mondig, dat wel. Als dit u een karikatuur lijkt, of een poging mijnerzijds tot het schrijven van een satire, dan kan ik alleen maar zeggen dat de ogenschijnlijke absurditeit van de Nederlandse onderwijspraktijk toentertijd en tot op de dag vandaag domweg de realiteit is.

    Ik zal u nu niet vervelen met mijn verdere school- en studieloopbaan, maar laat ik volstaan met te zeggen dat toen ik eenmaal de lerarenopleiding volgde en daar geconfronteerd werd met de eis van functioneel onderwijs, het centraal stellen van de belevingswereld van de leerling en andere aan de filosofie van mei '68-ers ontsproten goede bedoelingen, ik me al hevig verzette. En hoewel ik mijzelf als een politiek linkse jongen beschouwde, moest ik vaststellen dat ik er op het vlak van onderwijs bepaald reactionaire ideeën op nahield. Ik had het gevoel dat mij dingen waren onthouden, dat leerkrachten hadden besloten dat ze me niet gingen uitleggen hoe de wereld in elkaar stak omdat zulks te indoctrinerend was en alleen maar de burgerlijke moraal en de waarden van een bepaalde sociale klasse zou bevestigen. Ik had het gevoel dat het onderwijs dat ik tot dan toe zelf had genoten mij in het vacuüm had gestort dat overblijft wanneer zij die autoriteiten zouden moeten zijn op hun eigen gebied, al op voorhand de door hen te verkondigen waarheden zaten te relativeren.

    Dat heeft zo zijn gevolgen voor het lezen van een boek als Schoolslag. Ondanks het feit dat ik heus wel zie dat het hier om een satire gaat; ondanks het feit dat Pearce in het boek met net voldoende subtiliteit twee toch tamelijk extreem tegengestelde visies op onderwijs tegenover elkaar zet met de bedoeling iets bespreekbaar te maken — ondanks dat alles heb ik de neiging om in dit boek toch gewoon partij te kiezen. En het zal u misschien verbazen, maar ik ben erg voor de opvattingen van die Felixtijnen. 'Kinderen kunnen niet vroeg genoeg leren dat de wet van de school de wet van de sterkste is', zo lees ik. Yes! denk ik dan. Het is onze plicht de leerlingen met illusies te voeden, zegt een pater op een zeker moment, niet om illusies af te pakken. En alweer denk ik: yes! Nog één: 'bekrompen geesten begrijpen niet dat computers als Trojaanse paarden door een school galopperen. De gedachte dat een klik met een muis volstaat om leerlingen tot kritische burgers te laten uitgroeien, is een misvatting. Leerlingen zijn per definitie onkritisch. Daarom hebben ze geen muis maar krijt nodig. In en met en door dat krijt heen spreekt immers niet alleen de ervaring en de passie en de liefde van de leraar, maar wordt ook het kritische vermogen van de leerlingen aangescherpt, want zij die vergeten op te letten, weten dat iedere leraar perfect in staat is om blindelings een krijtje naar hun hoofd te gooien.'

    Heerlijk vind ik dit. Ik zou willen dat ik niet tegelijkertijd begreep dat Pearce dit soort passages in zijn boek heeft opgenomen om toch lichtelijk te overdrijven als hij de standpunten van de paters Felixtijnen weergeeft — of in ieder geval mikt op ons gezond verstand dat zoveel oubollige praat absurd vindt. Al ben ik daar dan weer niet consequent in, merk ik al lezend. Wanneer het bijvoorbeeld gaat over de toegankelijkheid van de school voor mensen uit andere culturen en met andere religieuze achtergronden, wil ik me het liefst toch van de benepenheid van de paters distantiëren, terwijl ik me tegelijkertijd blijf afvragen of ik op zo'n moment niet mijn eigen politieke correctheid voor een daardoor ongemakkelijke waar- of zelfs wijsheid laat gaan. Onderwijs is status- en cultuurbevestigend, en er ontstaan in mijn hoofd allerlei kortsluitingen als ik tracht mijn verlangen naar paternalistisch onderwijs te verzoenen met mijn overtuiging dat iedereen binnen dat onderwijs gelijke kansen moet krijgen. Zoals er verwarring ontstaat wanneer ik mijn verlangen naar autoriteit zie botsen met mijn afkeer van botte tucht. Tijdens het lezen van dit boek dreigde ik zo meerdere malen ineens verschrikkelijk genuanceerd te worden.

    Ik hoef u waarschijnlijk niet te vertellen dat dit me nu juist een van de grote kwaliteiten van Schoolslag lijkt te zijn. Wie in dit boek alleen maar leest dat het onderwijs iets is om mee te lachen, heeft bepaald slecht gelezen. Wie er — eveneens partij kiezend — een afrekening in ziet met alleen het katholieke onderwijs, moet verplicht overnieuw beginnen. En de voorstellen van de in het boek figurerende 'schoolchirurge' Lieve Kramer — voorstellen die bol staan van het soort jargon dat schoolmanagers en andere onderwijsverkrachters, al dan niet werkzaam op het ministerie van onderwijs, vandaag de dag gebruiken om van de school vooral een voorportaal te maken van enkel het bedrijfsleven — die voorstellen mogen dan in mijn ogen een verschrikking zijn, men kan er tegelijkertijd niet onderuit dat ze functioneren in een debat dat behalve over functionaliteit en efficiëntie uiteindelijk toch ook gaat over pedagogische waarden en normen, en daarmee over het soort mens dat we het liefst in de wereld zouden willen zetten.

    Waarmee ik maar wil zeggen dat Schoolslag misschien voortkomt uit ervaringen in de Belgische onderwijspraktijk en in die zin alleen achteraf geschreven kan zijn, een soort samenvatting is, een terugblik, die door zijn satirische karakter even de indruk geeft dat de auteur én de lezer voor wie dit een feest der herkenning is er nu wel mee hebben afgerekend — maar dat het boek ons tegelijkertijd weer aan het begin plaatst van een discussie die wel nooit afgerond zal worden. 'Een school is de zuivere weerspiegeling van het menselijk bestaan. Onmogelijk in te dijken, onvoorspelbaar, altijd onaf', zo filosofeert pater Evens ergens in het boek. De onmiskenbare satirische ondertoon van dit boek staat de serieuze vragen die op die manier worden opgeworpen bepaald niet in de weg.

     Tot nu toe heb ik het over het boek gehad als was het een essay: een verhandeling over de staat van het huidige onderwijs, een verhandeling die per abuis een roman is geworden. En ja, je kunt in dit boek terecht voor kruidige bonmots over het onderwijs, zeker. Maar je vindt er ook een schitterende passage waarin stof dat sinds de bouw van het refectorium ongestoord op de balken van de zoldering heeft mogen liggen als onzichtbare regen neerdwarrelt op de hoofden van het lerarenkorps dat uit volle borst kerstliederen staat te zingen. En in weer een andere passage vindt men prachtig beschreven wat iemand ervaart die tijdens de lesuren door de gangen van een schoolgebouw dwaalt, met hier en daar een gesmoorde kreet, ergens een verachtelijke lach, met die stilte 'die het krassen van krijt dempt en de zuchten van leerlingen opslorpt', zo staat er.

    En er zijn natuurlijk de personages die aan wat ik hier als een kwestie beschreven heb, pas werkelijk gestalte geven. De jonge leerkracht Anna Groen die in één jaar tijd haar wat al te grote idealisme inruilt tegen een vorm van realisme, maar toch niet volkomen cynisch wordt, zoals haar mentor Jan van Bergen na jaren onderwijs geworden lijkt te zijn. Al is ook die zo sceptisch niet of zelfs hij blijkt nog een hart voor de goede zaak te hebben. En men kan de paters belachelijk vinden, ouderwets, belachelijk ouderwets zelfs — uiteindelijk staat ook hun engagement boven elke verdenking van het tegendeel. En ja, natuurlijk wordt er gekonkeld en geïntrigeerd, worden er politieke spelletjes gespeeld — daarin verschilt een school niet van welke andere werkplek ook.

    Een en ander maakt dat het boek nog iets anders zichtbaar maakt naast de satire én de daarachter opduikende serieuze problematiek: de onmiskenbare liefde voor dat onderwijs zelf, dat wat voor meer pragmatische geesten gezien de beschreven toestanden waarschijnlijk niet goed te begrijpen is. Ergens op de bodem van dit boek, als je het zo kunt zeggen, is er dat gevoel van solidariteit met de mannen en vrouwen die voor dat onderwijs hebben gekozen en er dagelijks opnieuw voor kiezen. Het is iets wat alleen juist in een literair werk zichtbaar gemaakt kan worden: niet als iets wat er staat, maar als iets wat zich door alle geschreven woorden heen toont. Dat alleen al maakt Schoolslag de moeite van het lezen meer dan waard.

    Uit Nederland komt dan nog het bericht van een goede vriend die er inmiddels ook al zo'n dertig jaar in het onderwijs op heeft zitten — in het Nederlandse onderwijs, waarvoor je mijns inziens nog meer uithoudingsvermogen nodig hebt dan voor het Belgische onderwijs. Daarbij: hij werkt ook nog eens op wat wel een 'zwarte school' wordt genoemd. Die school kreeg vorig jaar te horen dat ze wat strenger moesten zijn in hun aannamebeleid, dit ondanks het feit dat de school uitstekende resultaten kon voorleggen en bijvoorbeeld voor de HAVO (Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs — een soort ASO, maar net een stapje lager dan de Vlaamse athenea) de hoogste slagingspercentages van alle Rotterdamse scholen had. Desalniettemin, de school kreeg te horen dat ze aan hen die kansarm worden genoemd op basis van vast en zeker gedegen cijfermateriaal over inkomen en woonsituatie, verder maar geen kansen meer moesten bieden. Wat de precieze motivering was voor deze maatregel meldt mijn vriend niet — maar waarschijnlijk ligt die in de sfeer van de efficiëntie, iets wat in het huidige Nederland heel goed kan neerkomen op een soort ver doorgevoerde segregatiepolitiek zodat de verschillende bevolkingsgroepen wat gemakkelijker te 'managen' zijn en er niet meer van die kansloze stakkers opduiken op plaatsen waar ze niks te zoeken hebben. Er zitten al genoeg Turken en Marokkanen in het parlement, om over de burgemeester van Rotterdam maar te zwijgen.

    Hoe dan ook, als school moet men blijkbaar buigen. Dus namen ze op de betreffende school geen 110 nieuwe leerlingen aan, maar slechts 40. En wat gebeurt? Er komt een ingehuurde mevrouw die vaststelt dat de betreffende school opgeheven moet worden. Uit het dalende leerlingenaantal valt immers zonneklaar af te lezen dat de school niet langer levensvatbaar is. Ook de slagingspercentages van de school maakten op de mevrouw van dienst geen indruk. De school is zwak. Je zou bijna zeggen: de school moest en zou zwak zijn. En misschien had men van hogerhand gewoon al besloten dat de school weg moest — vandaar die eis om statistisch gesproken kansarme leerlingen maar geen kans meer te geven. Men moet toch geweten hebben dat die school zijn leerlingen voor een groot deel uit die bevolkingsgroepen rekruteerde?

    Nee, het gaat goed met de beschaving. 

  • Pin it!

    Laïcité nu!

    Het stond alweer een week geleden in de krant: dat scholen zouden kampen met een geloofscrisis — enfin, zo stond het toch als kop in De Standaard (1 oktober). Bij nadere beschouwing bleek het vooral te gaan over organisatorische problemen bij het aanbieden van godsdienstonderwijs. De wettelijke verplichting die het officiële onderwijs (steden, gemeenten, provincies en gemeenschapsonderwijs) heeft om erkende godsdiensten en niet-confessionele zedenleer aan te bieden, lijkt me het resultaat van een geslaagde tsjevenstreek in het verleden. Niet-confessionele scholen mochten er wel zijn, maar ze moesten blijkbaar dan toch verplicht godsdienst aanbieden — en dat betekent hier in Vlaanderen toch vooral de godsdienst geschoeid op een rooms-katholieke leest. Zo kon men verloren zieltjes alsnog redden. Maar kijk, naast de dominante christelijke varianten rooms-katholiek en protestants zijn er nu ook islamitische, Grieks-orthodoxe, Israëlitische en anglicaanse geloofsovertuigingen die dienen te worden aangeboden. En dat krijgt men organisatorisch niet meer rond, zo melden diverse directeuren van basisscholen. Men vindt de leerkrachten niet; men krijgt de klassen niet gesplitst, etcetera.

    God is een taaie rakker in het Vlaamse laagland. Met de werkelijke laïcité wil het in deze contreien in ieder geval niet vlotten. Het is in dit landsdeel blijkbaar van het allergrootste belang dat men toch minstens tot 'iets' behoort, want ook de 'niet-confessionele zedenleer' werkt met geloofsartikelen: die van het humanistisch verbond — een op zijn minst semi-religieus gezelschap. Het blijft een land van vaandelzwaaiers en marsorders: men moet érgens achteraanlopen, zo lijkt het wel. 

    Nu heb ik niets tegen gemeenschapszin. Integendeel. Als ik ergens van overtuigd ben dan is het wel dat de individualisering en democratisering zijn uitgelopen op plat consumentisme en het recht van de sterkste juist omdat elke vorm van gemeenschapsdenken verdacht werd gemaakt. Voor mij persoonlijk school er vroeger niets triomfantelijks in mijn antwoord als mij werd gevraagd 'wat' ik was. 'Niets', zei ik dan. 'Ik ben niets', of 'wij zijn niets'. Niet-religieus, betekende dat, en ik had nooit het gevoel dat dit 'niets' betekende dat je binnen het geheel van de gemeenschap niet meer van tel was. En ja, ook in de Nederlandse openbare lagere scholen van de jaren zestig werd 'godsdienst' aangeboden, één uurtje in de week, en als men daar thuis bezwaren tegen had, dan mocht je gaan kleien of iets dergelijks (al is het waarschijnlijker dat je dan extra reken- of taalopdrachten kreeg). Ik herinner me het thuis nog gevraagd te hebben: 'moet ik daar naartoe?' Mijn ouders hadden geen bezwaar. 'Zo leer je de verhalen kennen', zeiden ze.

    De Jacobsladder, het bordje linzen en het geboorterecht, Daniël in de leeuwenkuil, David en Goliath, Mozes en zijn mandje, het gouden kalf, de Rode Zee — veel verhalen uit, vooral, het Oude Testament kreeg ik toen te horen. Achteraf beschouwd waren dat mijn eerste lessen literatuur. God werd door die verhalen geen centimeter dichterbij gebracht, toch niet als mentale realiteit, als iets wat meer was dan een personage in prachtige, spannende verhalen. Veel meer was ook de bedoeling niet, of het moet zijn dat die bedoeling me toen is ontgaan. In ieder geval heb ik achteraf de indruk dat dat uurtje weliswaar 'godsdienst' heette, maar met enige dienst zelf niets van doen had. Er kwam geen catechismus aan te pas; er moest niets worden geleerd of onthouden. Je hoefde alleen maar te luisteren. (Op zich leunt dat nog het dichtst aan tegen de protestantse variant, waarbinnen men geacht wordt zélf de bijbel te lezen; in de katholieke godsdienst mag men dat eigenlijk niet, zélf lezen, meneer pastoor zal u wel vertellen wat er staat en wat je daaruit mag afleiden).

    Ik zou willen dat mijn dochter binnen haar school de mogelijkheid had om dergelijke verhalen te horen te krijgen. Maar niet alleen de bijbelverhalen. Ook die welke behoren tot de Griekse mythologie. Of tot de Noorse. Of tot nog weer een andere mythologie. Die mogelijkheid is er niet. Godsdienst wil ik haar hier in Vlaanderen niet laten volgen, omdat de katholieke mores (wij leggen uit hoe het zit) hier zo diep verankerd zit dat de moraal van het verhaal hoogstwaarschijnlijk aan de verhalen zelf vooraf zal gaan. Dat is een geestdodende manier om om te gaan met wat belangwekkend cultureel, literair erfgoed is. Maar de niet-confessionele zedenleer, die (ook alweer door het in elke Vlaming diepgewortelde katholicisme) van de humanistische levenshouding desalniettemin een soort religie maakt, snijdt haar wel af van een belangrijke culturele voedingsbron. Natuurlijk kunnen wij als ouders daar het nodige aan doen en doen we dat ook — maar het gaat er juist om dat je die verhalen kunt beleven als dat wat ze zijn: deel van onze gemeenschappelijke cultuur, en niet wat ze nu worden: het privilege van een kind met ouders die toevallig veel boeken lezen.

    De wet is hier het probleem, inderdaad. De scheiding van kerk en staat zou hier dringend doorgevoerd moeten worden, zodat 'godsdienst' als verplicht onderdeel in elke gemeenschapsschool afgeschaft kan worden. Maar nadrukkelijk niet vanwege de organisatorische problemen die dat nu oplevert. Het zou plaats moeten maken voor een ander, wel degelijk verplicht vak dat dan bijvoorbeeld 'mythologieën' zou kunnen heten, een vak waarin de christelijke mythologie, die van de moslims, die van hindoestanen, die van de oude Grieken en Romeinen, die van joden, die uit de Edda, enzovoort allemaal aan bod komen zonder de gebruikelijke lijstjes van do's en don'ts, zonder de hel en verdoemenis van wie niet buigt voor wat schriftgeleerden nu en voorheen als enig zaligmakende waarheid uit al die verhalen meenden te kunnen destilleren. Wat een rijkdom aan (elkaar deels overlappende) verhalen levert dat op! En wat een mogelijkheden om, net als bij literatuur, over zingeving te spreken zonder voorafbepaalde agenda en geniepige bedoelingen. Welk een mogelijkheden om na te denken over wat vanzelfsprekend wordt geacht. En ook, wat een uitgelezen kans om de dictatoriale eis van 'leesplezier' te verbinden met een soort kennis dat bekrompen pedagogen uit naam van dat leesplezier nu verbieden.  

  • Pin it!

    Verbaal

    Vorige week maandag schreef Wim Verbaal, professor Latijnse taal- en letterkunde aan de universiteit Gent, een aangenaam kalme bijdrage aan het debat over onderwijs en onderwijshervormingen — een debat dat traditiegetrouw vooral in de eerste dagen van september wordt gevoerd en dat deze keer nogal verhit raakte door maar weer eens wat halsloze uitspraken van onderwijsminister Smet: over leerkrachten die zich nog in de negentiende eeuw wanen.

    Smet is een vlerk. Hij zou op 19de en vroeg 20ste eeuwse wijze in de hoek gezet moeten worden met op zijn hoofd een puntmuts met daarop het woord 'EZEL'. Een man van rond de veertig die nooit een klas vanbinnen ziet en zich enkel beroept op onderzoekjes van organisaties wier werkelijke bedoelingen en vooronderstellingen hij niet schijnt te bevragen (de OESO over onderwijs? Ja, drie keer raden waar dat op neerkomt…), zo'n snotneus weet zeker dat de leerkrachten, die dagelijks tussen erg 21ste eeuwse kinderen in de werkelijkheid staan, negentiende eeuwse opvattingen over het onderwijs koesteren. Mijnheer de minister behoort tot het contingent pedagoochemerds dat meent dat klassikaal onderwijs niet meer aansluit bij de belevingswereld van de leerling en vergeet dat de leerkrachten die nu voor de klas staan allemaal wel inzien dat altijd klassikaal onderwijs geven niet altijd even effectief is, minstens even weinig als helemaal nooit meer klassikaal lesgeven wanneer het onderwerp daar om vraagt. Dat er meerdere didactische werkvormen zijn, weet de gemiddelde leerkracht maar al te goed — en dat het ontstaan van nieuwe werkvormen niet betekent dat je oude, beproefde methodes meteen maar overboord moet gooien, is iets wat je als leerkracht al heel snel leert.

    Enfin, precies dit soort verhitte reacties bedoel ik natuurlijk. En binnen de met mij van verontwaardiging speekselende en briesende lieden die onderwijs toevallig nogal belangwekkend vinden, schreef Verbaal heel kalmpjes over onderwijs in de klassieken en dat de vraag niet was wat het nut van bijvoorbeeld Latijn en Grieks eventueel nog zou kunnen zijn, maar welke burgers we uiteindelijk in welke samenleving willen hebben. En dat die vraag in het huidige denken over onderwijs blijkbaar op een nogal andere manier wordt beantwoord dan voorheen. Hij schreef:

    De vraag is of we de wereld willen waarop dit nieuwe onderwijs voorbereidt, waarin niet het individu centraal staat maar economische groei. Ook of dit het onderwijs is dat de jeugd zelf wil. Er zitten 'te weinig studenten in de juiste richtingen' zegt André Oosterlinck (DS 25 augustus). Dit zegt veel. Jongeren kiezen massaal voor 'verkeerde', dus niet economisch bepaalde richtingen. Zij zien zich blijkbaar niet louter als raderen in een planeconomie. Een evenwichtigere verdeling tussen verbredende en technisch-wetenschappelijke vorming in het ASO komt de latere studiekeuze ten goede en leidt tot een maatschappij, waarin economische groei en gespecialiseerde kennis rusten op sterke individuen met een brede visie, die niet alleen produceren maar ook weten wat waardevol is.

    Dat is inderdaad waar het om gaat. En dat jongeren het misschien met die op enkel nut, rendement en productiviteit gerichte wereldoriëntatie van ook een zich sociaal-democraat wanende Smet niet eens zijn omdat ze voor andere, 'verkeerde' richtingen kiezen zou een minister die zo begaan is met 'de belevingswereld van de leerling' eens tot nadenken moeten dwingen. Of is die 'belevingswereld' alleen 'belevingswereld' als hij samenvalt met wat overeenstemt met wat de neoliberale werkelijkheid als 'belevingswereld' voorschrijft?

    Hulde aan Verbaal dus, die hier trachtte de discussie in het juiste vaarwater te krijgen door de juiste vraag te stellen — een politieke vraag uiteindelijk: om welke 'werkelijkheid' moet het gaan?

    Vandaag gaat Verbaal echter ernstig onderuit. Vandaag schrijft hij in een stuk in De Standaard niet dat uit de studiekeuze van jongeren misschien afgeleid mag worden dat zij een andere wereld verlangen dan de André Oosterlincks en andere serviele dienaars van de neoliberale gedachte wenselijk achten, maar dat leerlingen die uit het leven stappen het beste bewijs zijn voor het falen van "beleidsmensen, politici, onderwijsverantwoordelijken en mediafiguren, die voortdurend beslissingen nemen en een wereld vorm geven, waarin zovele jongeren niet meer willen leven".

    Verbaal maakt hier van alle jongeren die uit het leven stappen martelaren voor een andere, een betere wereld dan die waarin we nu leven — en dat lijkt mij een generalisatie te veel. Zijn stuk komt voort uit zijn persoonlijke gescholktheid omdat hij in de afgelopen tijd al twee keer geconfronteerd werd met de zelfmoord van (ex-)studenten, van jonge mensen die het leven nog voor zich hebben, zoals dat heet. Het is heel goed mogelijk dat die jongeren tegen het leven kozen dat wij volwassenen hen als enige keuze hebben overgelaten — hoezeer er onder die volwassenen nog voldoende zijn die dat leven te beperkt vinden — maar het enige wat we met zekerheid kunnen zeggen is dat zo'n jongere tegen zijn eigen leven koos, en dat omvat meer dan de sociaal-economische en politieke vorm die het in de openbaarheid heeft en die de huidige generatie volwassenen in politiek en daarbuiten als de enig mogelijk voorstelt (al is ze dat niet). Het gaat hier om de situation vécue, schreef Jean Améry in Hand an sich legen. Diskurs über den Freitod, "die niemals volkommen mitteilbar ist, so daß jedesmal, wenn einer stirbt von eigener Hand, oder auch nur zu sterben versucht, ein Schleier fällt, den keiner mehr heben wird, der günstigenfalls so scharf angeleuchtet werden kann , daß das Auge ein fliehendes Bild erkennt".

    Feit is, aldus onderzoeken die Tony Judt aanhaalt in Het land is moe, dat de meritocratie die hand in hand gaat met de neoliberale economische visie en de daaruit voortkomende grotere ongelijkheid tot hogere zelfmoordcijfers heeft geleid in landen waar die principes al enige decennia als wetmatigheden worden verkocht. Maar zelfs met die onderzoeken in het achterhoofd is het te kort door de bocht om de zelfmoord van jonge mensen alleen op dat conto te willen schrijven. Het brengt schade toe aan datgene waartoe de principiële vraag in Verbaals eerste stuk had moeten leiden: een serieuze bezinning op de vraag of de samenleving die we in hoog tempo aan het bouwen zijn — en die niet alleen van mensen enkel consumensen maakt, maar in mijn ogen zelfs een einde stelt aan wat we democratie noemen — de samenleving is die we willen.

  • Pin it!

    Het Juiste Schrijverschap?

    Vandaag in De Standaard nog maar eens een poging gedaan om naar aanleiding van de boekenbeurs van Beijing en de aanwezigheid van een contingent Hollandse schrijvers aldaar de positie van de literaire auteur anno nu opnieuw te denken — of dan toch ten minste de spagaat te laten zien die vandaag de dag van een literair auteur wordt verwacht: zijn rol blijven spelen van 'wetgever van de wereld' terwijl zijn morele en andere overwegingen binnen de huidige samenleving van geen tel meer lijken te zijn. Dat laatste maakt die roep uit artistieke middens om 'vrijheid vrijheid vrijheid' tot een vergeefs gebaar. Een schrijver of kunstenaar kan zich niet meer beroepen op zijn tegendraadsheid en het daarmee verbonden recht op absolute, artistieke vrijheid, als die tegendraadsheid hoogstens nog verkoopsargument is in een puur economische benadering van kunst en literatuur. Ik stelde hier al eerder: als het om literatuur gaat en alles waarvoor ze, ook in mijn ogen, staat en moet staan, ben ik in de rouw — niet ongelijk Žižek het uitwerkt in Living in the End Times (2011).

     

     

    OPI3_GBL3F1K1V.1_FO_08_CARTOON.jpg.275.jpg

    In de krant vandaag dus dit:

    Het Juiste Schrijverschap

    China ligt ook in Nederland

    Het is verbazingwekkend, dat grote morele gezag waar schrijvers zich op beroepen in die China-discussie. Voor MARC REUGEBRINK ging die hele missie maar over één ding: omzet halen door boeken te verkopen.

    Er is weer eens iets met schrijvers. In het Nederlandse tv-programma De wereld draait door zaten afgelopen maandag Herman Pleij en Ramsey Nasr tegenover onder anderen P.F. Thomése en er werd flink en wild door elkaar heen gepraat over het bezoek van de eerste twee aan de boekenbeurs in Peking. Marcel Möring stelde in deze krant al de hypocrisie van de deelnemende Nederlandse auteurs aan de kaak die geweigerd hadden om in te gaan op het verzoek van Amnesty International om een speldje te dragen met aandacht voor de censuur in China (DS 5 september). En de reactie van de China-gangers op de kritiek die vervolgens losbarstte in het thuisland aan zee had veel weg van een spartelende duivel in een wijwatervat. Het zaad van de twijfel zou hij zaaien, zo stelde een plotseling wat pathetisch klinkende Bernlef. En Margriet de Moor rekende op datgene waarvan geen van haar eigen boeken tot nu toe ook maar het geringste spoor vertoont: op het ondermijnende karakter van literatuur.

    Ook het gekrakeel in De wereld draait door leek vooral bedoeld om de weigering openlijk kritiek te leveren op wat je het cultuurbeleid van China zou kunnen noemen, alsnog van allerlei nobele motieven te voorzien: men had heus wel met Chinese auteurs gesproken, auteurs die allemaal blij waren met de Hollandse aanwezigheid; men was in stilte bezig geweest met de Goede Zaak. Kritisch zijn en opkomen voor absolute artistieke vrijheid zijn nu eenmaal waarmerken van Het Juiste Schrijverschap en wie in een discussie over koopmanschap en schrijverschap aan de zijde van de middenstand dreigt te belanden, heeft feitelijk afgedaan. In die zin was het makkelijk scoren voor thuisblijver Möring.

    Ha! Een dictatuur!

    Ik denk dat geen van de in Peking aanwezige Nederlandse schrijvers instemt met de Chinese gewoonte kritiek hardhandig de mond te snoeren. Niet alleen omdat ze ongetwijfeld allemaal het hart op de juiste plaats hebben zitten. Maar ook omdat China nog een van die landen is dat ons door zijn hardvochtige beleid het idee geeft dat onze eigen artistieke vrijheid überhaupt nog iets betekent. Vroeger hadden we het Oostblok nog, en Zuid-Afrika. Nu is China bij uitstek geschikt om aan literatuur het belang te geven dat het hier allang niet meer heeft. In eigen land heeft de artistieke vrijheid, de spreekwoordelijke ‘tegendraadsheid' van de auteur, er immers enkel toe geleid dat niemand nog naar een schrijver luistert – hij of zij doet maar.

    Wat de hele handelsmissie naar Peking in de eerste plaats duidelijk maakte, was dat het niet ging om het aan de man brengen van de van oudsher met literatuur in verband gebrachte emancipatoire inhoud, om het humanistische levensideaal, maar om de verkoop van boeken. De rol van het Nederlands Letterenfonds is hier op zijn minst wat dubbelzinnig. Dat Fonds heeft, net als het Vlaams Fonds voor de Letteren, onder andere tot taak om ‘marktcorrigerend' te zijn. In die zin staat het voor de verdediging van de literaire cultuur die in onze samenleving al grotendeels opzij is geschoven. Maar tegelijkertijd hebben de letterenfondsen zich ten doel gesteld om de nationale literatuur in het buitenland te promoten en begeven ze zich dus zelf op de markt. Dat betekent: ze nemen de bestverkopende schrijvers mee, en dat zijn vaak de schrijvers die goed liggen bij de media en het publiek en dus ook bij de boekhandel. Of dat ondanks of dankzij de morele voortreffelijkheid van hun werk is, doet verder niet terzake.

    Die van de markt

    Literatuur vormt allang niet meer het geweten van de samenleving; ze is nog uitsluitend koopwaar. En alleen de literatuur die het best aansluit bij wat de markt op een zeker moment verlangt (het is overigens niet duidelijk wat dat precies is), is nog van belang. Maar tegelijkertijd moet de schrijver – ook in de ogen van het publiek, of dan toch ten minste van de media – blijkbaar wel zijn rol van romantische held blijven vervullen. Van hem wordt verwacht wat het thuisfront nu van de China-gangers verwachtte: een rücksichtslose verdediging van waarden die de rest van de samenleving allang bij het vuilnis heeft gezet. En hij verwacht het ook van zichzelf.

    Als het daarom gaat, hadden de Nederlandse auteurs (maar dan ook allemaal) sowieso moeten weigeren om af te reizen — niet vanwege de Chinese censuur, maar vanwege de aanwezigheid van de Nederlandse staatssecretaris voor cultuur Halbe Zijlstra, een man die openlijk toegeeft van cultuur de ballen verstand te hebben en die elke culturele waarde flauwekul vindt als ze niet als worst verkocht kan worden. Men lijkt het niet te zien, maar die man is Neerlands eigen China.

    Schrijvers als Möring, maar ook de China-gangers die hij hypocriet noemt, zien hun eigen positie niet goed. Ze bepleiten elders – openlijk of achter de schermen, met of zonder speldje – een vrijheid die in hun eigen cultuur nu juist heeft gezorgd voor onderhorigheid aan de dictatuur van de markt, zich beroepend op een moraliteit die buiten de eigen kring van geen tel meer is. Hun bestaan als schrijver staat echter inmiddels los van die morele overwegingen: dat is nog slechts windowdressing. Wat telt is hun economische waarde – of ze zich dat nu bewust zijn of niet (ook Marcel Möring behoort immers tot de ‘bekende schrijvers' en ontleent daaraan voor een deel zijn gezag). Dat is hun realiteit, hoe bitter ook ik dat vind. Het is van daaruit dat een literaire schrijver vandaag de dag moet beginnen te denken – ook, júíst als hij de wereld wil veranderen. Het eerste wat dan wel eens zou kunnen sneuvelen is die eis van een ongebreidelde artistieke vrijheid.

    ---

    Intussen werd gisteren in Passa Porta in Brussel het nieuwe essayboek van Hugo Bousset boven het doopvont gehouden, Vurige tongen. Essays over romans na 11 september. Daarin onder andere een mooi essay over Het grote uitstel geplaatst naast en tegenover Ian McEwans Aan Chesil Beach. Ik mocht, samen met Yves Petry, de verschijning luister bijzetten door iets voor te lezen. Al eerder die dag las ik het typoscript van een fantastisch boek dat misschien al dit najaar, maar mogelijk ook pas in maart zal verschijnen — Over de vriend van Piet Joostens, een erudiete, maar nooit academistische verhandeling, vaak blijk gevend van een fijnzinnige humor en een gezond relativeringsvermogen terwijl het steeds zichzelf volkomen serieus blijft nemen in het omwoelen, lostrekken, problematiseren en belichten van 'de vriend' en de vriendschap. Beide boeken zijn buitengewoon relevant, en als er in de huidige samenleving ook nog maar iets van de literaire cultuur overeind zou staan, dan zouden we voor beide boeken niet zo'n moeite hoeven te doen om een context te vinden waarbinnen het belang van die boeken voor iedereen duidelijk gemaakt kan worden.


  • Pin it!

    Nationalisme en sociaaldemocratie

    En ik die dacht dat instemming met wat Tony Judt in Het land is moe zo helder analyseert en betoogt tot misschien niet meteen een duidelijke voorkeur voor één bepaalde partij zou (moeten) leiden (de SPA lijkt voorlopig zelf nog ver verwijderd van wat Judt schrijft, ook al vertelde Caroline Gennez me vorig jaar tijdens het gesprek dat ik met haar had op de boekenbeurs in Antwerpen dat ze Judt tot verplichte literatuur had gemaakt voor iedereen op het partijbureau) — maar dan toch minstens een keuze voor bepaalde andere politieke partijen zou uitsluiten: kort na voorgaand bericht kreeg ik een midden in de nacht geschreven mail van Herman Jacobs die me nogal verraste. Ik vroeg hem in mijn antwoord de volgende dag of ik die mail van hem niet hier mocht overnemen, samen met mijn antwoord daarop. Dat mocht, na nog wat opkuiswerk van zijn oorspronkelijke mail. Ik geef hem hieronder weer:

    From: Herman Jacobs 
    Sent: Wednesday, August 31, 2011 1:49 AM
    To: Marc Reugebrink 
    Subject: Gemengde berichten

    Beste Marc,

    Ik heb hier eigenlijk volstrekt geen tijd voor, maar ik wilde toch even kort reageren op je laatste blogbericht, met name op wat je te melden hebt over dat interview met Van Reybrouck en BDW in het nieuwe DS Weekblad.

    Tony Judt! Jazeker! Ik heb tijdens mijn vakantie vorige maand ‘Het land is moe’ gelezen, en verdomd als het niet waar is: zo denk ik er, voor 95%, ook over. En toch is mijn keurige verantwoorde sociaal-democratische stem naar BDW gegaan, meer dan een jaar geleden, en zal ze dat eerlang opnieuw doen, zo vast als een op palen boven water staand huis. En dat komt niet doordat ik plotseling in een neoliberaal ben veranderd – dat komt door ‘het Belgisch feit’, zoals dat hier heet.

    Sta me eerst een omweg toe. Ik ben een Vlaming – jij bent een Nederlander. Je zult, neem ik aan, geen behoefte voelen het tegen te spreken: jij bent het laatste, en ik het eerste, en niet omgekeerd. Ik ben, eventueel, een vernederlandste Vlaming (in die zin dat ik Nederlands schrijf, en geen francobelgisch, ook wel ‘Vlaams’ genoemd – mij zul je geen mensen zien ‘voorbijsteken’ als ik ze inhaal ;-) –, en dat ik evenveel, of zelfs meer, Nederlandse kranten en bladen lees dan Vlaamse, en nog wel een paar van zulke dingen). Jij bent, wellicht, een vervlaamste Nederlander. Goed. Voor geen van ons beiden, neem ik aan, is die geografisch-taalkundig-cultureel-historische component van allesovertreffend belang voor onze identiteit – maar het is er wel een component van. (Tussen haakjes, hoe het met jou zit weet ik eigenlijk niet helemaal zeker, maar ik heb in ieder geval een identiteit, ja.) Voor geen van ons beiden, neem ik aan, is dat Vlaming- dan wel Nederlander-zijn iets exclusiefs: ik vind niet dat zus-of-zulke mensen wél en andere dan weer níet Vlaming zouden mogen worden, noch vind ik dat Vlamingen per definitie betere mensen zijn dan andere volksstammen, noch koester ik de dwaze opvatting dat er onoverbrugbare tegenstellingen zouden bestaan tussen het Vlamendom en de Hollanderij, de Fransozerie of het Eskimowezen – al zijn er, uiteraard, wel degelijk verschillen. Ik ben er niet speciaal trots op Vlaming te zijn, God nee – noch het omgekeerde: ik ben het nu eenmaal, domweg, net zoals ik een man ben en geen vrouw, blank en niet zwart, liefhebber van literatuur en niet van Formule 1, enz., enz. Maar: ik ben het dus wel, en wat dat betreft vind ik dat gezanik van ‘identiteiten zijn mentale constructies’, ehhh, gezanik dus. Wat bedoel je daar in vredesnaam eigenlijk mee? Iets pejoratiefs, dat is zeker; ‘identiteiten zijn niet koosjer’, meen ik erin te proeven, maar dat vind ik dus echt onzin, neem me niet kwalijk dat ik het zeg.

    Deze omweg had ik nodig om tot dit punt te komen: als Vlaming ben ik het huidige België zo langzamerhand spuugzat. Ik heb er geen behoefte aan, me te laten minachten door mensen die zich te goed voelen om mijn taal te leren, en ik bedoel: écht te leren (dus niet zoals Joëlle Milquet en vergelijkbare creaturen: dat kakkineuze takkewijf is ervan overtuigd dat ze Nederlands kan spreken, quod non), maar zich er dan weer allesbehalve te goed voor voelen om permanent hun hand op te houden, sterker, het doodgewoon vinden dat wij betalen en zij ontvangen. Il y a des maîtres et il y a des domestiques, n’est-ce pas? Zolang de Vlamingen braaf allemaal behoorlijk Frans bleven leren en geen vragen stelden bij het financiële infuus waarvan zij de overige Belgen nu al ten minste 44 jaar lang permanent voorzien, was voor Belgen à la Milquet de wereld, of dan toch la Belgique, zoals zij bedoeld was: een plek waar Franstaligen toch net ietsje more equal zijn dan niet-Franstaligen. (Ik vertel, hoop ik, niet verrassends als ik zeg dat België wezenlijk een Franstalige constructie is, dat het dat tot de huidige dag ook gebleven is, ondanks alle bricolage à la belge die er sinds een jaar of vijftig aan te pas is gekomen, en dat het land precies daaróm in zijn huidige vorm niet anders kan dan verdwijnen: er zijn ondertussen werkelijk te veel Vlamingen zoals ik, die geen Franstalige constructie meer blieven als vaderland.) Welnu: wij zijn, chers compatriotes, geen kolonie meer, en vooral zijn wij er écht, sans blague, zéér ontstemd over, om het mild uit te drukken, dat jullie dat maar niet willen begrijpen – waarom zouden jullie anders nog áltijd niet willen accepteren dat er, op 1 september was dat exact achtenveertig jaar geleden, zoiets als een taalgrens is vastgelegd in dit land? Waarom snappen jullie niet dat zelfs de loutere wens om die taalgrens waar dan ook met al was het tien centimeter te verleggen een uiting is van puur neokolonialisme en een eclatant gebrek aan respect voor – voor mij, bijvoorbeeld? Blijf van mijn land af, stelletje negentiende-eeuwse parasitaire bourgeois dat jullie zijn.

    Om die reden dus zal mijn stem nog tenminste éénmaal naar Bart De Wever gaan, hoe rechts hij helaas ook is, en ondanks alle terechte bezwaren die er verder tegen de N-VA kunnen worden aangevoerd. Dat ‘de mensen daar niet mee bezig zijn’, zoals die verschrikkelijke Gennez niet moe werd te verkondigen in verband met BHV: dat is een infame NIMBY-uitspraak van iemand die het blijkbaar doodgewoon vindt om een streek waar zij zélf, inderdaad, niet woont, te weten Vlaams-Brabant en dan met name het gebied ten zuidwesten, zuiden en zuidoosten van Brussel, te laten koloniseren. Al die dappere progressieve weltoffene Vlaamse intellectuelen die zo dolgraag verkondigen dat zij al dat getamboereer op de Vlaamsche trom gênant Hinterwäldlertum vinden (niet dat ze dat woord kennen, je moet van dappere progressieve weltoffene Vlaamse intellectuelen ook weer niet het onmogelijke vergen) en of dat ‘gedoe’ over BHV ‘alsjeblieft’ eens kan ophouden: niet één ervan is er die in Sint-Genesius-Rode, in Linkebeek, in Wezembeek-Oppem, in Tervuren, in Overijse, in Pede, in Hoeilaart, in Beersel, in Huizingen, in Halle, in Huldenberg woont. Niet één ervan is er die de moeite heeft genomen eens te kijken waar het wérkelijk over gaat: te weten over verdringing, over allesbehalve solidariteit, over het tegendeel van respect -- over kolonialisme, al dan niet neo. En dat noemt zich dan links!

    Jazeker, de emootsie blaast een partijtje mee in mijn betoog. Ik heb, heus, niets tegen Franstaligen an sich. Ik ben niet per se voor Vlaanderen of tegen België – ik ben alleen niet vóór het België dat, steeds weer, je kunt er gif op innemen, uiteindelijk altijd komt aankakken met Adolf H. als je het er niet mee eens bent dat sommige Belgen kennelijk vinden dat zij sommige Belgische wetten niet hoeven na te leven. Ik deel niet de mening van hen die zichzelf zeer vooruitstrevend achten door genoemde sommige Belgen de facto gelijk te geven. En Franstalige Belgen zoals Milquet, die opgeblazen drie burgemeesters-uit-de-Rand, het kereltje Nollet e tutti quanti: die mogen van mij rustig tien meter in de stront zakken, ja. Maak daar twintig meter van.

    Vriendschappelijke groet,
    Herman

    In mijn antwoord haal ik een aantal zaken aan dat op deze weblog herhaaldelijk, soms in min of meer dezelfde bewoordingen, al aan de orde kwam. Wat ik uiteraard alleen maar kan proberen te begrijpen, is wat bij iemand als Herman Jacobs dat begrip voorbij is: de emotie die hier in het spel is. Mijn opmerking hieronder dat ik wel eens 'een paar weken' in de rand rond Brussel verbleef, geeft al aan dat ik de werkelijke diepte van de irritatie, de woede zelfs, maar moeilijk kan peilen.

    Van: Marc Reugebrink 
    Datum: Wed, 31 Aug 2011 13:01:12 +0200
    Aan: Herman Jacobs 
    Discussie: Gemengde berichten
    Onderwerp: Re: Gemengde berichten

    Beste Herman,

    Om je gerust te stellen: ook ik heb een identiteit. Ik heb daar recentelijk nog uitgebreid over geschreven. In De Morgen verscheen op 9 maart een stuk dat door de koppensnellers op de redactie voorzien was van de titel ‘Heimwee van een valse Belg’ (je vindt die versie op http://reugebrink.skynetblogs.be/archive/2011/03/10/het-geluk-van-heimwee-of-de-onmogelijkheid-om-belg-te-zijn.html), maar dat ik had ingediend onder de titel die het wél kreeg in Beste buren, een boekje dat bij uitgeverij Luster verscheen en waarin een uitgebreide versie van hetzelfde stuk staat: ‘Het geluk van heimwee of de onmogelijkheid Belg te zijn’. In dat stuk staat o.m. dat ik me nooit de cultuurrelativistische kosmopoliet heb gevoeld die je als westerse intellectueel aan het begin van de 21ste eeuw blijkbaar moet zijn om mee te tellen. Ik ben altijd op zoek geweest naar begrenzing, maar heb dat wel altijd gedaan vanuit het besef dat de absolute legitimering voor dergelijke begrenzingen niet langer gevonden kan of zelfs mag worden (cf. WO 2, om het zo maar even te zeggen), en dat dus het verlangen naar begrenzing een niet ongevaarlijk sentiment is omdat het in het huidige vacuüm meestal neerkomt op een verlangen naar weer zo’n absolute grens (enfin, De inwijkeling gaat o.m. daarover).


    Ik ben nooit ‘een Hollander’ geweest. Geboren in Twente, waar ik 17 jaar woonde, daarna gestudeerd in Groningen en daar eveneens ruim 17 jaar verbleven, waarna nog bijna 3 jaar in Leeuwarden — het maakt dat je al met een afkeer voor de typische Hollander geboren wordt: die bemoeizuchtige, zichzelf eindeloos overschreeuwende, blaaskakerige betweters die zich het centrum van de wereld wanen en, vanwege hun in se protestantse of zelfs calvinistische inborst, ook nog menen dat ze voorop mogen lopen als voorbeeld van hoe het hoort. Het kosmopolitisme van de gemiddelde Amsterdamse culturo bestaat eruit dat hij zelden het grondgebied van Amsterdam verlaat en zich niet kan voorstellen dat er daarbuiten leven is. Zijn dédain voor alles buiten de eigen stadsgrenzen is enorm, en feitelijk beschouwt ‘het westen’ de rest van het land als een wingewest: eerst de mijnen in Limburg (waar de bevolking verder royaal in de stront mocht zakken), later het gas uit de provincie Groningen (die daar ook nooit werkelijk iets voor heeft teruggezien in termen van infrastructurele werken of economische impulsen). Het dédain voor Vlaanderen is minstens even groot, al was het maar omdat de gemiddelde Nederlandse randstedeling zich er nooit in verdiept en nog steeds schijnt te denken dat Vlaanderen ‘toch lekker gesellig bij Holland ken komme, niet dan, ja toch?’


    Geen ‘hOllander’ dus. ‘Nederlander’ is dan misschien inderdaad een goed woord om mij te omschrijven, zij het dat ik sinds oktober vorig jaar Belg ben. Ik heb mij laten naturaliseren tot Belg. Een hele stap, vinden sommigen, maar voor mij eerder een pragmatisch gegeven. Ik heb me al die tijd dat ik nu hier woon (13 jaar inmiddels) geërgerd aan het feit dat de Belgische staat, de provincie Oost-Vlaanderen en de gemeente Gent wel gaarne belasting van mij ontvingen, maar daar (op de gemeente na) geen stemrecht voor retour gaven. Als ik hier moet betalen, dan wil ik ook meebeslissen over wat er met ‘mijn geld’ gebeurt. Dat kan voorlopig alleen als je onderdaan wordt. Op zich vind ik dat een belachelijke regeling, zeker als je het ziet in het perspectief van een verenigd Europa e.d. Het lijkt me dat je moet kunnen stemmen in het land waar je je belastingen betaalt, ongeacht je nationaliteit, en niet omgekeerd.


    Nationale identiteit (en daar gaat mijn stuk over heimwee ook over) is een emotioneel gegeven. Ik merkte dat toen ik vorig jaar was uitgenodigd om in Groningen iets op een literair festival te komen doen. Ik ontmoette er twee vriendinnen van jaren her. Toen ik zei dat ik net Belg geworden was, reageerde er één met ‘landverrader!’ En dat was gemeend. Ik bedoel maar. Natuurlijk zit in dat woord een politieke component, en dat is nu net waar het bij nationale identiteit wat mij betreft niet om gaat. Het gaat erom dat ik mijn boterhammen het liefst met mes en vork eet. Het gaat erom dat ik graag dagverse melk drink. Het gaat erom dat ik — beslist níét religieus opgevoed, nooit in een kerk geweest vroeger — in mijn denken en voelen er blijk van geef een in se protestants rechtvaardigheidsgevoel en daarmee tevens een protestantse gelijkhebberigheid te bezitten die met het eindeloze (dan meteen: katholieke) gesjoemel van de Vlaming (de Belg) niet overweg kan (iemand legde me ooit eens uit dat het niet om gesjoemel ging, maar om het vermogen dialectisch te denken, iets wat ik dan weer niet zou kunnen — uiteraard was dat een Vlaming en ik heb er hartelijk om moeten lachen). Het gaat om omgangsvormen ook, om mijn afkeer van de Vlaamse onderdanigheid, zijn serviliteit, die van hem niet zelden een hond maakt die met de oren plat tegen de kop kwispelt, maar in je kuiten bijt zodra je je omdraait. Al moet gezegd dat de Hollandse ‘spontaneïteit’ en ‘directheid’ me ook mijlenver de keel uithangt, dat maar zeggen wat je voor de bek komt zonder dat er ook maar een moment van reflectie aan vooraf is gegaan, zonder dat de deugd van de terughoudendheid is betracht. Maar serviel, nee dat ben ik niet. Ik sta op respect, en agenten met wie ik het aan de stok heb gehad krijgen op een zeker moment van mij ook altijd de vraag of ze me hun naam en dienstnummer willen geven omdat ik de hondse behandeling waaraan ze me menen te kunnen onderwerpen niet pik en ze dus kunnen rekenen op een fikse klacht (met die ‘brutaliteit’ heb ik het tot nu toe steeds gered, vooral ook omdat ik zoiets heel rustig vraag). En mijn in die zin Nederlandse inborst maakt ook dat ik multiculturaliteit niet zie als geitenwollensokkengezelligheid, maar als in se een conflictmodel waarbij mijn (westerse) vooronderstellingen en overtuigingen staan tegenover die van de andere cultuur. Dat blijkt meestal tegelijkertijd neer te komen op een vorm van klassenstrijd (de conflicten hebben minder te maken met de islamitische achtergrond tegenover mijn, in de fond, christelijke achtergrond, maar met opvattingen over burgerlijk fatsoen). Ik ga die strijd niet uit de weg, discussieer met mijn wijkgenoten van Turkse en Bulgaarse afkomst en zie er ook niet tegenop om zo’n lul die met zijn busje een pmd-zak kapot rijdt erop aan te spreken en op zijn verontwaardigde gepruttel te antwoorden dat me niet interesseert of die zak ‘verkeerd’ lag — dat hij de rotzooi die het gevolg is van zijn manoeuvres op moet ruimen.


    Nationale identiteit schuilt wat mij betreft dus eerder in de concrete, alledaagse zaken — en die kun je slecht politiseren. Als je dat wel doet, kom je voor de Hollander met de clichés aan waarvan iedereen in Nederland weet dat ze nergens op slaan en die ook nooit werkelijk hard zijn te maken (de PVV van Wilders die refereert aan nationaliteit, maar nog nooit heeft kunnen uitleggen waaruit die nog meer zou bestaan dan uit afkeer voor wat een Nederlander over het algemeen niet van huis uit is: moslim). En voor Vlaanderen, voor België als geheel, geldt grosso modo hetzelfde. Daar zit voor mij de fout in De Wevers redenering. Hij heeft, naar eigen zeggen, aanvankelijk braaf achter de idee van een vastomlijnde identiteit aangehuppeld, om er vervolgens achter te komen dat die als zodanig niet bestaat. Dat is een vorm van intellectuele eerlijkheid die in hem te prijzen valt. Maar het betekent ook dat het bij die identiteit gaat om een veel vager conglomeraat van eigenschappen, gewoontes en eigenaardigheden, dat bovendien (ook in Nederland) per streek nogal grote verschillen kan laten zien. We moeten daar inderdaad niet hip links of links liberaal over doen en zeggen dat identiteit ‘dus’ niet bestaat. Ze bestaat, maar als politiek programma valt ze niet in te zetten, is ze zelfs gevaarlijk (ik verwijs voor het gemak maar wéér even naar WO 2, maar het kan ook de laatste Balkanoorlog zijn). De Wever zet desalniettemin in op dat discours en levert zo het recept voor een vaagheid waarvan hij electoraal profiteert.

    De Wever is geen Vlaamse Hitler. De gedachte alleen al is belachelijk. Dat hij zich daartegen moet verweren, geeft de onmacht en onbezonnenheid van klassiek links aan. Maar hij schept een sfeer die — niet voor jou, niet voor de lieden van de Gravensteengroep, maar bijvoorbeeld wél voor teleurgestelde Vlaams Belang-stemmers — het verlangen naar ‘een’ Hitler aanwakkert. Dat we nu eens komaf maken met: de Walen, de moslims, iedereen die geen ‘rechtgeaarde Vlaming’ is en die niet recht gaat staan voor de Vlaamse Leeuw.


    Ik schat De Wever intellectueel gesproken hoog in, hoog genoeg om hem er van te verdenken dat hij nu juist die vaagheid en het onbehagen van mensen die niet kunnen leven met de gevolgen van de secularisering van de samenleving gebruikt om stemmen te winnen. Wat hij voorstaat is misschien een onafhankelijk Vlaanderen, maar vooral een Vlaanderen waar ik geen deel van wil uitmaken omdat het iedere solidariteit tussen mensen kapot maakt. De Walen zijn een handige Kop van Jut om dat economisch en ook cultureel verderfelijke programma door te drukken.


    Voor de goede orde: ik vind dat Di Rupo voor Wallonië juist de ‘solidariteit’ gebruikt om het dédain van de Franstaligen voor de Vlamingen te rechtvaardigen.

    Ik begrijp ‘het Belgisch feit’ maar al te goed, maar beleef het uit de aard der zaak minder emotioneel. Ik verbaas me over het geharrewar over BHV, als het hier gaat om iets wat sowieso ongrondwettelijk is. Ik ken de situatie rond Brussel een beetje omdat ik er wel eens een week of wat verbleven heb, en zelfs ik, als niet-Vlaming, in de plaatselijke Delhaize geïrriteerd raakte door de wijze waarop sommige Waalse klanten meenden bij de kassa voorrang te hebben, of sommige winkeliers deden alsof ik stront was als ik in het Nederlands een broodje bestelde. De wijze waarop die ‘immigranten’ menen een beroep te kunnen doen op ‘democratie’ nu ze in sommige Vlaamse dorpen de meerderheid vormen, is hemeltergend in het licht van de wijze waarop die democratie in de daartoe bestemde organen aan banden wordt gelegd om, alweer, hen terwille te zijn. Als ze graag democratie willen, laten we ze dat dan geven: meeste stemmen gelden. BHV was allang gesplitst; er waren geen problemen met burgemeesters in de rand.

    Ik ben het dus onmiddellijk met je eens dat die taalgrens gerespecteerd dient te worden en dat wie zich in een gebied vestigt waar Nederlands gesproken wordt (of toch iets wat daaraan sterk verwant is), zich heeft aan te passen. Je kunt steggelen over de vraag of het bestaan van zo’n taalgrens niet sowieso een belachelijk gegeven is (bestaat dat in Zwitserland? Of vormen bergketens daar voldoende garantie tegen afscherming van de ene taalgemeenschap tegenover de ander? Laten we dan een berg bouwen!), maar dat is voorbijgaan aan de historische dimensie van België, en ook aan een historisch onrecht.

    Het punt is dat momenteel het een met het ander verward wordt, zowel aan Waalse kant als aan Vlaamse kant. De Wever én Di Rupo koppelen een politiek-ideologische tegenstelling (sociaal-democratie versus neo-liberalisme) aan taalpolitiek. Of eigenlijk moet je zeggen dat dat in de geschiedenis van dit conflect al altijd zo is geweest: Vlaams is rechts, Waals is links. Je snapt inderdaad niet dat de SPa niet al veel eerder juist dit thema voor links heeft geclaimd en haar eigen solidariteitsprincipe op dit punt toch wat gedetailleerder voor het voetlicht heeft gebracht: solidariteit met zij die het minder hebben, betekent niet dat er positieve discriminatie moet zijn die uiteindelijk leidt tot een kolonisatiepolitiek waar Israël nog een puntje aan kan zuigen.

    Enfin, lang verhaal Herman, om te zeggen dat ik je keus voor Bart De Wever heel goed kan begrijpen vanuit de door jou vlammend geformuleerde irritatie, een irritatie die ik evenzeer begrijp. Maar toch lijkt mij dat het respect dat je eist voor de taalgrens niet ten koste mag gaan van je sociaal-democratische stem. Of België België blijft of uiteenvalt in Vlaanderen en Wallonië — ik heb daar, als gezegd, uiteraard emotioneel veel en veel minder moeite mee dan diegenen voor wie hun nationale gevoel wél hier wortelt. Maar als immigant en ‘nieuwe Belg’, komend uit Nederland, kan ik alleen maar vaststellen dat een Waal en een Vlaming op dat vlak méér met elkaar gemeen hebben dan een Vlaming en een Nederlander. Tussen de laatsten is er sprake van een heus cultuurverschil; tussen de eersten van een ernstig taalverschil. Zo lijkt het voor mij. En ik kom hier nog maar net kijken natuurlijk.
    Allerhartelijkst,
    Marc

    Dit alles overlezend vraag ik me af of mijn bezwaren niet gewoon de nostalgie laten zien van iemand die graag wil dat politieke partijen alleen langs ideologische lijnen van elkaar te onderscheiden zijn, terwijl juist dat onderscheid na de Val van de Muur niet meer lijkt te bestaan. 


     

  • Pin it!

    Gemengde berichten

    Terwijl ik het nieuwe DS Weekblad nog zit te verteren en me afvraag of het nu werkelijk iets ánders toevoegt aan de krant of alleen maar een nieuw gecreëerde plek is om dat wat voortaan uit de reguliere krant wordt geweerd toch nog een plaats te geven, verwijst de berichtgeving van vandaag en gisteren in diezelfde krant me nog eens terug naar het opiniestukje dat ik begin juli over het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid schreef. 'Belg bij zwaar ongeval vaakst dronken en high', zo stond gisteren op de voorpagina; en vandaag gaat het over de mislukking van de invoering van het alcoholslot.

    Mijn stukje van begin juli bleef niet zonder respons. De directeur van het kenniscentrum van het BIVV, Miran Scheers, reageerde met nogal ambtenaarlijke en academische antwoorden op een aantal van mijn verwijten, en met het verdedigen van het gevoerde beleid door onder andere op het succes van de BOB-campagnes te wijzen: die campagne is immers 'door een rist Europese campagnes overgenomen'.

    screenshot_147.jpg

     

    Ik mocht hierop nog antwoorden met een brief (DS, 9 juli): 

    Miran Scheers toont zich in haar reactie op mijn stuk over de vaagheid van het BIVV een waardige vertegenwoordigster van haar eigen instituut. Want wat was me dat weer een — mag ik het zeggen? — typisch Belgisch staaltje van katholiek gesjoemel. De brave terrasganger die een pintje te veel drinkt moet anders benaderd worden dan iemand die zich de hele nacht in een disco laat vollopen. Als die brave terrasganger mijn dochter overrijdt, zal me die verschillende benadering worst wezen. Wie het jaarverslag van het BIVV leest, weet dat het instituut bevolkt wordt door ambtenaarlijke statistici en enquêteurs die hun uiterste best doen om voor iedere weggebruiker een totaal andere folder te ontwerpen. Als je neus van achteren zit en niet van voren krijg je een andere folder dan wanneer je neus opzij zit en niet van achteren. Daarmee wordt de indruk gewekt dat de ene weggebruiker recht heeft op een omzwachtelde benadering en de andere niet.  De boodschap lijkt te zijn dat er voor iedere weggebruiker andere verkeersregels gelden.

    Maar er valt met verkeersregels NIET te sjoemelen, dat is nu precies waar het om gaat. Er bestaat maar één weggebruiker: u, ik, en de schoften die ons links, rechts, in dronken toestand en met een gsm in de hand voorbijsteken. Voor de verkeerswet zijn we allemaal gelijk. En dan: als het BIVV het zo goed doet, zoals mevrouw Scheers beweert, hoe komt het dan dat er in België per miljoen inwoners nog steeds de meeste verkeersdoden vallen vergeleken met de ons omringende landen? Ja ja, er is een daling, zeker. En met de campagnes van het BIVV valt te verwachten dat we tegen Sint Juttemis van alle onheil zijn verlost zonder dat iemand zich ooit beledigd of aangesproken hoefde te voelen.

    Wat nieuw, Europees onderzoek nu aantoont is dus dat bij zware ongevallen de Belgische bestuurders het vaakst in min of meer beschonken toestand achter het stuur worden aangetroffen. Men mag nu niet zeggen dat dat de schuld van het BIVV is natuurlijk, maar duidelijk lijkt dat de halfzachte aanpak die werd ontworpen voor de wat oudere verkeersdeelnemer — een groep die met een harde aanpak niet bereikt zou worden, meende Scheers — bijzonder weinig vruchten heeft afgeworpen. Maar, nogmaals, dat krijg je als je in je campagnes de indruk wekt dat één en dezelfde wet door verschillende groepen geheel anders ingevuld mag worden. Het succes van de BOB-campagne waarop Scheers zich beriep, geldt alleen het concept als een soort exportwaar, niet de daadwerkelijke resultaten die ermee worden behaald als het gaat om de verkeersveiligheid.

    Het voordeel van kritiek leveren op zoiets als het BIVV is dat men al heel snel door de concrete situatie op de weg in het gelijk wordt gesteld. Voor wat het waard is.

    Terug naar DS Weekblad. De volgende passage in het editoriaal trok mijn aandacht. 'In DS Weekblad willen we journalistiek brengen waarvan wij vinden dat we die moeten maken,' schrijven Karel Verhoeven en Bart Sturtewagen, de twee hoofdredacteuren van De Standaard. En ze vervolgen:

    Journalistiek met een langere adem. Reportages waarvoor we ruim de tijd nemen. Portretten van hoofdrolspelers waarin we belichten wat nog niet aan de oppervlakte kwam. Pakkend geschreven stukken die laten voelen hoe ons leven en onze maatschappij aan het veranderen zijn en hoe interessant dat is. Fotografie van de beste fotografen uit binnen- en buitenland. Kortom: journalistiek waarvan u voelt dat u die móét gelezen en bekeken hebben.

    Dat klinkt loffelijk en is het ook, alleen vroeg ik me af of wat hier wordt geformuleerd niet  de doelstelling is of zou moeten zijn van elke zichzelf respecterende krant. Betekent het feit dat deze voor waardevolle journalistiek allemaal nogal vanzelfsprekende doelstellingen expliciet worden geformuleerd voor het weekblad misschien dat men diezelfde doelstellingen voor de dagelijkse krant laat varen? Dan is er niks gewonnen. Integendeel.

    Bladerend en lezend in het weekblad viel me bovendien op dat er eigenlijk geen stukken instaan die voorheen niet in de krant voorkwamen. Het interview met Brusselmans had zomaar in DSL kunnen staan, waar men van een potje human interest immers niet vies is en al veel vaker het interview gebruikte als excuus om reflectie op het boek achterwege te kunnen laten, of in het beste geval: ondergeschikt te maken aan dat interview. Gaan de interviews nu uit DSL verdwijnen? En het gesprek tussen David Van Reybrouck en Bart De Wever was ook niet iets wat eerder in de reguliere krant niet had kunnen staan. Je vraagt je af wat er voor die reguliere krant dan overblijft.

    Dat gesprek vond ik overigens al bij al nogal tam. Ik was eerlijk gezegd wat verbaasd dat Van Reybrouck zich zo liet meetrekken in wat al steeds het ultieme rookgordijn van De Wever en de NVA is geweest: dat gezeur over nationalisme en nationale identiteit. Het is precies datgene waarmee de NVA de kiezer het gevoel geeft dat er een alternatief bestaat voor de wereld 'zoals ze nu eenmaal is', en waarmee ze dus de indruk wekt aan authentieke politiek te doen. Het maakt de partij aantrekkelijk voor veel kiezers, die het machteloze gevoel dat ze niets te zeggen hebben graag tegengesproken willen zien door populisten die zeggen dat het met hen aan het roer allemaal helemaal anders zal zijn. Inspelen op de anti-Waalse gevoelens is binnen de Vlaamse context dan een handigheidje. Maar het nationalistische verhaal wordt alleen maar gebruikt als dekmantel voor een keiharde neoliberale politiek — die juist een verhevigde voortzetting is van 'de wereld zoals ze is' —, een politiek die de Vlaming niet alleen van die vervelende, zogeheten 'luie' en 'potverterende' Walen verlost, maar ook van een heel deel van de Vlaamse samenleving dat het blijkbaar niet verdient om er deel van uit te maken — anders waren ze niet werkeloos, immers, haalden ze hun taalachterstand wel in, trokken ze geen uitkering. Nergens gaat Van Reybrouck op die kwestie in. En ik moet daaraan toevoegen: nergens dwingen Ruud Goossens en Wouter Van Driessche, de interviewers van dienst, Van Reybrouck of De Wever om dat te doen.

    En Van Reybrouck verzuimt ook om dat nationalisme bij De Wever op een andere manier door te prikken. Nu De Wever zelf al bij herhaling heeft toegegeven dat het idee van een statische Vlaamse identiteit een waanidee is en in die zin leentjebuur speelt bij de meer postmoderne, zelfs kosmopolitisch te noemen opvatting dat de identiteit een mentale constructie is, is hij buitengewoon dubbelzinnig over wat die constructie in het geval van de Vlaming dan wel zou zijn. Het is ineens nattevingerwerk geworden, waarbij je de ene keer het idee hebt dat het inderdaad om vaandelzwaaiende, geüniformeerde bedevaarders gaat, en de andere keer dat het zo'n vaart niet loopt. Vazallen van De Wever droppen hier en daar weinig overtuigende bommetjes in culturele middens, maar ook daaruit wordt alleen duidelijk dat het totaal van 'de' Vlaamse cultuur zoals ze zich op dit moment toont (in de succesrijke Vlaamse film, in dans, in theater, in literatuur — kortom: als wat er in Vlaanderen op dit moment wordt gemaakt) eerder als anti-Vlaams wordt gepercipieerd. Zodat toch weer de indruk ontstaat dat de NVA een soort cultureel handvest in de la heeft liggen dat na de machtsovername tot een reeks voorschriften zal blijken uit te groeien.

    En dan is er de mijns inziens toch wat tragische vergissing die Van Reybrouck begaat, wanneer hij stelt dat er eigenlijk een verbod zou moeten komen op vergelijkingen met de jaren dertig. Dat is een impliciete verwijzing naar het waardevolle boekje van Rob Riemen, De eeuwige terugkeer van het fascisme (2010), waarin Riemen, uitgaande van de opmars van de PVV in Nederland, een groot aantal parallellen trekt met wat in het Interbellum al aan uiterst zinvolle reflectie op de toenmalige processen werd geschreven. Wat het fascisme werkelijk was, wist men al lang voordat de Tweede Wereldoorlog er zijn definitieve gezicht aan gaf. En dat was niet per se dat van Hitler (die, het is al vaker opgemerkt, toch zorgwekkend vaak in tamelijk slappe documentaires op de VRT opduikt als interessante historische figuur); het is wat Hitler mogelijk maakte en in de ogen van velen zelfs noodzakelijk.

    Het lijkt wel alsof Van Reybrouck met die jaren dertig niet erg vertrouwd is, anders zou hij toch met minder dédain over die parallellen spreken. Hij zou ze in ieder geval niet enkel op het conto van 'goedbetaalde hoogopgeleiden' schrijven. En dan nog: diezelfde hoogopgeleiden hebben voor de Tweede Wereldoorlog met recht en reden gewaarschuwd voor wat op dat moment in de maak was. De gedachte dat je te rade zou moeten gaan bij de vox populi lijkt me toch nog steeds wat al te naïef als je alleen al ziet waartoe afstemming op die stem in de massamedia leidt. Hij moet dringend 'Opstand der horden' nog eens lezen, hoe bedaagd het taalgebruik daarvan tegenwoordig ook aandoet. Al vrees ik dat lezing van dat boek zijn G1000 plannen ernstig in gevaar zou kunnen brengen — die democratie bij loting die hij aan het opzetten is.

    Het gaat me er hier niet om Van Reybrouck in de hoek te zetten. Verre van. Het is maar dat ik mij in dat gesprek door hem niet werkelijk vertegenwoordigd voelde als het gaat om weerwerk te bieden aan zoiets als de NVA en het daarmee verbonden gedachtegoed. Dat was teleurstellend. Hij was te aardig voor zijn oude studiegenoot en de interviewers waren veel te aardig voor de beide gesprekspartners. Het heeft ook weinig zin, zoals ongetwijfeld zeer tot tevredenheid van De Wever gebeurde (die hoefde het niet eens zelf te doen), om links zo in een hoek te drummen als hier gebeurde. Dat links veel dingen heeft laten liggen, dat ze een zware verantwoordelijkheid draagt voor haar eigen malaise, laat onverlet dat ze uiteindelijk een beter verhaal heeft dan rechts en extreemrechts. Ik zou Van Reybrouck wel eens over Tony Judt willen horen… 

    Ten slotte: Daniëlle Serdijn werd als signaliste met een recenserend karakter ontslagen bij Opzij. Tiens. En die hoofdredactrice mag blijven of wa?

      

  • Pin it!

    Signalementen met recenserend karakter

    Het duurde even, maar gisteren had De Standaard het berichtje ook: de uitglijder van Daniëlle Serdijn in Opzij, die je ook gewoon een uitglijder van Opzij kunt noemen, als het al een uitglijder is. De kwestie is op diverse websites, in HP/De Tijd — het blad dat ermee op de proppen kwam — en in sommige andere kranten inmiddels uitvoerig becommentarieerd, en even, heel even leek het alsof er oprechte verontwaardiging was over dit soort praktijken.

    Die dus misschien niet eens een uitglijder zijn. 'Signalementen met een recenserend karakter', noemt Opzij-hoofdredactrice Margriet van der Linden zo'n tekstje dat Serdijn vervaardigde. Je vraagt je af wie ze tegenwoordig allemaal hoofdredacteur maken. Een signalement is in de veelheid van het (over)aanbod sowieso al normerend. Als auteur mag je tegenwoordig al heel blij zijn als je in, zo op het oog, tamelijk lukraak samengestelde lijstjes met overzichten van te verschijnen boeken voorkomt. Die lijstjes bestaan gewoonlijk uit de usual suspects (auteurs die goed liggen bij de media), aangevuld met wat hypes van het moment. Wie daar in voorkomt heeft in de komende maanden van het hyperkorte, hijgerige literaire seizoen alvast een streepje voor. Bij dergelijke lijstjes sterretjes gaan zetten, erover spreken als 'signalementen met een recenserend karakter' is domweg geen verstand hebben van de werking van je eigen medium.

    Wat het misschien wel (ik zou bijna zeggen: ten overvloede) duidelijk maakt, is dat de literaire dag- en weekbladkritiek zo goed als dood is (ik heb het dan niet over de kritiek in De Leeswolf of over de websites waar nog volop aan literatuurkritiek wordt gedaan). Misschien dat De Groene Amsterdammer nog een laatste toevluchtsoord van die specifieke dag- en weekbladkritiek mag heten, en natuurlijk zijn er hier en daar nog steeds recensenten bezig die de moeite van het lezen waard zijn — bijvoorbeeld recensenten die weigeren om hun waardering uit te drukken in het zetten van sterretjes (om vervolgens bij het nalezen van hun stuk in de krant te ontdekken dat de redactie dan maar op basis van zijn of haar stuk een inschatting heeft gemaakt van het aantal sterretjes, want ze blijken er toch gewoon onder te staan). Dat de belangen van de literaire recensent en die van het medium waarin die recensies plachten en soms nog plegen te verschijnen in de loop der jaren steeds verder uit elkaar zijn komen te liggen, is eenvoudig vast te stellen (literair (ver)nieuw(end) tegenover literair nieuws, bijvoorbeeld). Dat dit bij een aantal dag- en weekbladen ook zo zijn weerslag heeft gehad op de recrutering van nieuwe recensenten is moeilijk aan te tonen, maar laat ik zeggen dat Serdijn blijkbaar van een generatie is die zich gemakkelijker voegt naar de in se commerciële belangen van de media waarvoor ze werkt dan een generatie daarvoor. Ik weet niet of ze zelf ooit gereflecteerd heeft op de onontwarbare kluwen van belangen waarbinnen niet alleen haar signalementen met recenserend karakter, maar ook haar overige recensies functioneren. Het feit dat ze het begin van commotie zelf wegwuift door te verwijzen naar wat nu eenmaal courant is, ook al is het dan niet chic ('verdient het geen schoonheidsprijs', zoals het gebruikelijke eufemisme luidt) doet toch eerder vermoeden van niet.

    Die commotie zelf komt natuurlijk uit kringen die manmoedig een inmiddels naïeve, zij het nobele visie op literatuurkritiek staande houden — al vinden we in die kringen op menig hoofd een pakje boter (zie ondergetekende). Als we het over literaire kritiek hebben, doelen we daarmee meestal op een inmiddels eeuwenoude praktijk van betekenisgeving en kwaliteitstoekenning — precies dezelfde praktijk die bijvoorbeeld de beide letterenfondsen van de lage landen voorstaan wanneer ze hun werkbeurzen uitdelen. Het is in bepaalde kringen mode geworden om te beweren dat kwaliteit als zodanig niet bestaat — een postmodern adagium dat door neoliberale geesten die verder weinig tot niets met het postmodernistische gedachtengoed op hebben vaak wordt gebruikt om nog maar weer eens een aanval op het subsidiesysteem te openen en er de 'wetmatigheid van de markt' als enig juist beslissingscriterium tegenover te stellen (we weten al sinds Keynes dat er aan de markt weinig wetmatigs te ontdekken valt en dat het om willekeur en het meer barbaarse recht van de sterkste gaat). Maar hoe heilzaam enige postmodernistische problematisering van overgeleverde waarden en waarheden ook is, uiteindelijk is de beslissende weeffout in dat soort denken dat het veel te absolutistisch is en niet zelden leidt tot een ongezond soort verisme dat juist de afwezigheid van welke waarheid dan ook maar haast dwingend voorschrijft.

    Binnen de traditie van de literaire betekenisgeving valt er over kwaliteit wel degelijk te praten, en om daarover mee te praten is er kennis nodig van die traditie. Én het besef dat volgens een steriel absoluut waarheidsstreven kwaliteit als zodanig misschien niet bestaat, maar dat we er op heel veel vlakken in het leven (en niet alleen op het vlak van de literatuur) niet onderuit komen om aan zaken kwaliteit toe te kennen. Dat we ons daarbij (sinds het postmodernisme) bewust zijn van de vooronderstellingen op grond waarvan we dat doen en ons (misschien) moreel verplicht voelen die vooronderstellingen te expliciteren en te verdedigen tegenover die van anderen, lijkt mij een goede zaak. Het is de enige manier waarop er van 'democratisering van de kunst' sprake kan zijn — niet het 'meeste stemmen gelden' dat leidt tot smakeloze middelmaat aangestuurd door commerciële belangen waar de meesten geen zicht op hebben; maar de eigen vooronderstellingen begrijpen als een voorstel tot betekenisgeving en kwaliteitstoekenning.

    In kranten en weekbladen is daarvoor geen ruimte meer. Men is er niet in geïnteresseerd. Het hele achterliggende model waarbinnen literatuur een van de principiële beschavingsmechanismen binnen onze samenleving was, wordt hoogstens nog lippendienst bewezen — bijvoorbeeld door middel van die nog net in stand gehouden boekenbijlages, of door schrijvers als opiniemakers aan het woord te laten (zie ondergetekende). Uiteindelijk verkoopt zo'n krant die recensies niet vanwege de interessante vooronderstellingen, de sociale en politieke implicaties die ze hebben, de ideologische overwegingen die ermee gepaard gaan — allemaal zaken die van literatuur iets maken met een vanzelfsprekend maatschappelijk belang en gewicht — maar is het kwaliteitsbegrip zelf in de cultuursector van de krant afgevlakt tot louter consumentenadvies. Het is daarom dat ik in Rekto:verso een pleidooi hield voor het schrijven van positieve recensies. 'Alle boeken deze week in DSL: vijf sterren!' Veel verschil met Opzij's signalementen met recenserend karakter is er dan natuurlijk niet meer, al mag je hopen dat de stukken qua signalement net wat langer zijn dan de flaptekstblurblengte van Serdijns stukje in Opzij. Maar in ieder geval vermijd je op die manier dat iemand zich geroepen voelt 'maar' drie sterren te geven en zo van zijn signalement gewoon een negatief consumentenadvies maakt en feitelijk aan broodroof doet.

    De rest is rouw.