• Pin it!

    Eindelijk nieuws

    Het heeft even geduurd, maar na het interview met Marnix Peeters in De Morgen van afgelopen zaterdag (24 augustus) en het opiniestuk van Christoph Van Gerrewey in De Morgen van afgelopen dinsdag, blijkt er vandaag — alweer in De Morgen — dan toch eindelijk sprake te zijn van een literair nieuwsfeit: Jeroen de Preter meent dat de losse opmerkingen van Peeters en de repliek van Van Gerrewey 'de terugkeer van de literaire polemiek' inluiden.

    Tiens… Ik meende dat ik nog niet zo heel lang geleden (op de Staat van het Boek in april, om precies te zijn) Yves Desmet hoorde zeggen dat De Morgen in het verlengde van de slow food-beweging en de slow art-beweging en de slow nogwat-beweging resoluut voor slow journalism koos. Het personeel is blijkbaar niet ingelicht.

    Literaire nieuwsfeiten beperken zich al heel lang vooral tot de vermelding hoeveel iemand voor de krabbeltjes van een beroemde schrijver over heeft gehad, hoeveel boeken er van een bepaalde auteur zijn verkocht, welke auteur er is overgegaan naar welke uitgeverij (en eventueel voor hoeveel geld), en ja, mocht zich bij wijze van gelukkig toeval ergens een vechtpartij tussen auteurs hebben voorgedaan, dan zou ook dat in de kolommen literair nieuws terecht zijn gekomen. Er zijn natuurlijk nog altijd de boekenbijlagen, maar die gelden niet als werkelijk nieuws, ondanks verwoede pogingen om ook boekenbijlagen zoveel mogelijk op één lijn te krijgen met de rest van de krant (veel interviews, human interest etc, korte, steeds kortere recensies met toegekende sterren of bollen).

    Schrijvers zelf zijn al langere tijd zo verstandig om hun meningsverschillen binnenskamers uit te vechten — als het daar nog van komt. De druk van de commercie is inmiddels zo groot geworden, de traditionele literaire infrastructuur zozeer vernietigd, dat elke schrijver wel ergens het besef heeft dat literaire kritiek in de traditionele zin van het woord in de huidige omstandigheden alleen maar tot misverstanden kan leiden (literaire critici leggen in een klimaat waar verkoopcijfers belangrijker zijn dan de kwaliteit van de geboden waar bijvoorbeeld veel minder gewicht in de schaal dan tv-persoonlijkheden, politici, acteurs, zangers of ander bekend volk dat desgevraagd een mening over literatuur heeft). Een kritische opmerking over het werk van een collega zal nooit begrepen worden als een serieuze kanttekening bij een debat dat behalve over literatuur vooral over de wereld gaat. Nee, die kritiek zal begrepen worden als de uitdrukking van concurrentiezucht, niet met de bedoeling om van gedachten te wisselen, maar met de bedoeling de ander onder de zoden te schoffelen.

    Zoals altijd in dit soort gevallen lijkt het de schuld te zijn van enkel de journalistiek, van 'de' media. Helemaal waar is dat niet. Het feit dat De Preter op grond van niet meer dan een tweetal stukjes in de krant De Terugkeer Van De Literaire Polemiek proclameert, pleit nu niet onmiddellijk in het voordeel van de rol van de media in dezen. Zoals gezegd, als de Morgen aan slow journalism wil doen, dan zijn ze daar vergeten De Preter in te lichten. Maar anderzijds blijkt uit de voorbeelden die De Preter geeft dat ook onder schrijvers zelf 'polemiek' blijkbaar gelijk staat aan het elkaar toevoegen van persoonlijke beledigingen, het elkaar letterlijk te lijf gaan. Zoiets is alleen 'polemisch' wanneer het gebeurt in een context waarin literaire meningsverschillen nog relevant geacht worden voor een debat dat het literaire ver overstijgt. Dat was nog het geval in de tijd van grote polemisten als Du Perron, W.F. Hermans en de, zeg maar, wat jongere Jeroen Brouwers (zij het toen al een stuk minder). In een context waarin alleen het feit dat er geruzied wordt van tel is, maar niet werkelijk waarover het dan gaat, moet men zich als schrijver op zijn minst telkens afvragen waarom een krant ruimte zou bieden aan een stuk over een literaire kwestie.

    Suggereer ik nu dat Van Gerrewey met zijn stuk in de val is getrapt? Dan zou ik ervan uitgaan dat de krant die val bewust heeft gezet: eerst door Peeters populistisch te keer te laten gaan tegen De Literatuur (in populistische vertogen altijd opgevat als het domein van ivoren toren onanisten die zich beter voelen dan de rest van de wereld), daarmee speculerend op de Verontwaardiging van de Serieuze Schrijver die zich dan in de figuur van Van Gerrewey aandiende.

    Van een werkelijk bewuste val lijkt me hier geen sprake; maar de bok-op-de-haverkist reactie van De Preter maakt wel duidelijk dat in de huidige tijd die valkuil er altijd is. 

    Intussen is er van een werkelijke polemiek geen sprake, vooral omdat Van Gerrewey niet reageert op wat Peeters wérkelijk in dat interview zegt. Van Gerrewey kraakt Peeters boek af. Bon. Dat is literaire kritiek, en we weten al dat het daar niet langer om gaat. (Ik moet daar altijd bij zeggen dat ik dat betreur; welnu: ik betreur dat ten zeerste). Van Gerrewey komt uiteindelijk niet verder dan het uitventen van zijn eigen poëtica tegenover die van Peeters. Dat is zijn goed recht, maar hoewel er ook zeker een poëticale kant te ontdekken valt in wat Peeters allemaal heeft gezegd, gaat het niet in eerste instantie om een poëticale kwestie, maar om een sociaal-cultureel fenomeen.

    Eerst dit: wat Marnix Peeters in het interview heeft gezegd leunt zwaar aan tegen dat populistische discours waarover ik het had. Het lijkt alsof Peeters op 'de' literaire wereld projecteert wat hij zelf denkt dat die literaire wereld van hem zal vinden. Als voormalig journalist heeft hij het gevoel toegetreden te zijn tot een gezelschap dat hij blijkbaar zelf altijd als 'intellectueler' of 'meer hoogstaand' of iets dergelijks heeft beschouwd, en dat maar weinig op heeft met 'banale journalistjes' als hij. Ja, als je Cees Nooteboom als referentie neemt, zoals ergens Peeters doet, dan krijg je misschien dat idee ja. Die man is op persoonlijk vlak qua arrogantie en verwatenheid echter hors catégorie. Of Peeters persoonlijk geconfronteerd is met wat hij al op voorhand op 'de' literaire wereld projecteert, weet ik niet. Ik kan alleen maar zeggen dat het met de superioriteitsgedachte onder mijn schrijvende vrienden enorm meevalt. Wij praten over voetbal, en als het gezelschap het toelaat: over vrouwen (niet altijd even eerbiedig, moet ik bekennen); wij roddelen als de eerste de beste journalist over wie het met wie doet; wij spelen gitaar en zingen kampvuurliederen; en jawel, wij mopperen op 'de' journalistiek, 'de' media ook, verliezen ons soms even in een sombere beschouwing over het neoliberalisme dat ons allen nekt; het milieu komt soms langs ('het gaat toch echt wel niet goed, geloof ik'; 'hoe zijde gij hier? Met de wagen? Dieseltje?'); en verder gaat het over onze kinderen, die tot onverantwoord laat in de nacht door de tuin dwalen (als er al een tuin is; schrijvers zijn arme mensen) en over dat we snel oud worden; en als er echt veel drank mee gemoeid is dan bekennen we dat we elkaar graag zien. En ja, soms gaat het ook heus over literatuur. Meestal kort. Onze partners beginnen anders met hun ogen te draaien. Wij vallen, kortom, geweldig mee voor wie hier hoogdravende praat verwacht, en morele superioriteit.

    Toch is het vooral vanuit die vooronderstelling dat Peeters in zijn interview vertrekt. En het is met die vooronderstelling dat hij in dat interview een pleidooi houdt voor een zekere weidsheid, voor breedte, voor 'anything goes' eigenlijk. En voor voorlezen ook. 

    Ik heb niets tegen voorlezen voor een publiek. Wel integendeel. Ik ken niet veel schrijvers die er wel iets op tegen hebben. Ja, blijkbaar Van Gerrewey die, zo stelt hij zelf in zijn opiniestuk, de auteur was die door Peeters smalend wordt beschreven als degene die op Crossing Border een pamflet voorlas 'waarin hij uitlegde waarom hij niet ging voorlezen uit zijn overigens zeer goede nieuwe boek'. Het moet voor Peeters een alweer gemakkelijk verkregen bewijs zijn voor de hooghartige afzijdigheid van 'de' literaire auteur.

    Ik frons ook even de wenkbrauwen bij zo'n actie, vind helemaal niet dat elke auteur het tot zijn plicht moet rekenen om zijn werk voor te lezen, maar zou in het geval van Van Gerrewey Crossing Border vriendelijk hebben bedankt voor de uitnodiging en de eer aan een andere auteur hebben gelaten, een auteur die wél graag voorleest uit eigen werk. Kwestie van collegialiteit.

    Het is maar dat juist door dit soort voorbeelden in het interview van Peeters langzamerhand een identificatie optreedt tussen 'voorlezen' en een bepaald soort, meer toegankelijke literatuur, een literatuur die geen moeite heeft gekost, die niet uit pijn geboren is, die niet zo in de diepte wroet als sommige auteurs (overigens heel vaak niet ten onrechte) zeggen dat hun werk doet. En de ironie is dat Peeters dat eigenlijk lijkt te zeggen vanuit het idee dat mensen als hij niet aan bod komen in de 'literaire' wereld. Dat is in zijn geval evident onzin. En hij zal misschien verbaasd zijn dat er aan de door hem als hoogliterair beschouwde kant juist het omgekeerde gedacht wordt: dat het Peeters' ideeën zijn die de boventoon voeren in het vandaag de dag geheel door de vooronderstellingen van de journalistiek (en de daarmee onvermijdelijk verbonden commerciële logica) gedomineerde 'literaire' klimaat. En dat het die vooronderstellingen zijn die maken dat 'stillere' auteurs, schrijvers van meer introverte teksten,  niet meer aan het woord komen. Heel veel van die auteurs willen best graag voorlezen, maar ze worden niet uitgenodigd, ze krijgen de kans niet eens meer om het publiek via hun eigen stem kennis te laten nemen van het schoons dat zíj te bieden hebben (terwijl tegelijkertijd hun boeken niet meer worden ingekocht door de grote boekhandelconcerns en daar dus ook al niet te vinden zijn). Ze zijn voor organisatoren al op voorhand (en vaak ongelezen) 'te moeilijk' of 'te serieus'. Of domweg niet bekend omdat media noch grote boekhandels hen wensen waar te nemen.

    Heel veel van die auteurs hadden ook niet zo gemakkelijk toegang tot de media als Peeters bleek te hebben toen zijn debuut verscheen, een debuut waarvoor zijn uitgever — juist vanwege Peeters' banden met de journalistiek — op voorhand meer moeite wilde doen dan voor veel van zijn andere auteurs: de kans op succes in juist die journalistieke kringen was immers groter. Pas op, dat is geen verwijt naar Peeters of zelfs naar de uitgever toe. Het is een weergave van wat momenteel nu eenmaal de realiteit is. Er is geen relatie tussen de literaire kwaliteit van het gebodene en de toegang tot de media. Het is van andere factoren afhankelijk.

    Korter door de bocht: de hele 'terugkeer van de literaire polemiek' is in dit geval terug te voeren op het feit dat Peeters in zijn interview precies die dingen zegt die men in journalistieke kringen graag over literatuur en literaire auteurs hoort (dat het een zootje arrogante betweters is) en dat Van Gerrewey daarop reageert op de manier die de journalistiek graag ziet: als een echte arrogante auteur die het beter weet. Over literatuur zelf gaat dit niet echt. Hoogstens bewijst de hele kwestie nog eens dat het — jawel: 'de' media zijn die de agenda bepalen. 

    En daarom is er dus bij dezen sprake van De Terugkeer Van De Literaire Polemiek. Het staat in de krant, immers?

  • Pin it!

    Terugverlangen naar nu

    bonkaart 1944.JPG

    Foto's; een Diploma A van de Vereeniging van Leeraren in Stenografie en Machineschrijven, afdeeling Machineschrijven, snelheid 140 aanslagen per minuut, behaald op 31 januari 1946;  een bonkaart uit 1944; een tweetal foto's uit de tijd dat het leraarschap nog respectabel genoeg was voor staatsieportretten van het personeel (met sigaret); een rapport van de muziekschool van mijn zus; bouwtekeningen van de 'Middenstandswoning' die mijn ouders in 1961 betrokken aan de rand van Goor, met toen nog direct achter een later afgebroken stationsgebouw de velden; nog meer foto's met deels onbekende gezichten zonder naam die desalniettemin een vage gelijkenis vertonen met foto's met gezichten waarop ik nog wel een naam kan plakken…

    papa jaren 50.JPGpapa school jaren 50.JPG

    Een persoonsbewijs van de grootvader van mijn vaders kant, van de grootmoeder van mijn moeders kant, alsmede een pasje van N.B.S. Afdeeling Bewakingstroepen met de tekst: 'Verzoeke aan: H. Van Schooten-Gierman P.B. No. B96/3201 de IJsselbrug te laten passeeren. Geldig alle dagen', ondertekend door de commandant van de N.B.S. Bewakingstroep Zutphen, J. Sierink (als ik de handtekening correct lees) — een pasje dat mijn oma, die als dienster werkte, het recht gaf elke dag de IJsselbrug bij Zutphen over te steken als zij vanuit Brummen naar haar werk ging. Een kaart uit Leeuwarden, waar mijn grootvader van moederszijde gedurende de Eerste Wereldoorlog gelegerd was (gemobiliseerd) — een bewijs dat toentertijd al ter gelegenheid van nieuwjaar foto's werden verstuurd bij wijze van ansichtkaart. Als ik het goed zie is hij degene die zo frivool zijn veldfles heft. En ik heb het sterke vermoeden dat de man helemaal links de vader van mijn vader is: mijn ene en mijn andere grootvader kenden elkaar al lang voor de geboorte van mijn ouders en waren samen op dezelfde plek onder de wapens geroepen (maar vochten niet, uiteraard).

    kaart nw jr 1918.JPG

     

    screenshot_110.jpg

    Uit de pakweg tien verhuisdozen die we de afgelopen maand uit het appartement van mijn moeder hebben meegenomen, komt de ene herinnering na de andere. En vooral ook: de herinneringen van degene die ik me herinner, zonder dat ik zelf herinneringen heb aan veel van wat ik zie. Het verlangen dit alles op de juiste manier een plek te geven, ook al tast ik bij veel in het duister en is er niet werkelijk iemand meer aan wie ik kan vragen hoe of het zat. De merkwaardige haast zelfs die ik heb om dit alles ordelijk op te bergen zonder dat het verdwijnt in dozen op zolder, dozen die je pas bij een eventuele volgende verhuizing terugvindt om dan voor hetzelfde probleem te staan: wat moet ik hier allemaal mee? Weggooien gaat niet. Bewaren is in zekere zin zinloos. Het zijn delen van een verhaal dat ik niet ken. Een verhaal dat ik zelf zal moeten maken misschien, maar niet nu, niet nu. 

    De voortdurende herinneringsarbeid waartoe het opruimen me dwingt, is op dit moment een aanslag op de eigen gemoedsrust. Ze verhindert dat de tijd zijn rechten herneemt. En hoewel ook de rouw zijn rechten heeft is er inmiddels een soort terugverlangen naar het heden: dat ik nu weer mag beginnen met waar ik mee bezig was. Zodat ik mezelf nu toch oude briefkaarten, half-vergane fotoboeken, officiële documenten die elke betekenis in deze tijd verloren hebben in dozen zie stoppen met aan mijzelf de vage belofte dat ik niet zal wachten tot een volgende verhuizing om hier wat orde in aan te brengen.

    Parallel daarmee word ik steeds ongeduldiger ten aanzien van Nederlandse firma's en instanties die mijn overleden moeder maar niet uit hun systemen lijken te kunnen krijgen, geld eisen wanneer dat niet terecht is, telefonisch onbereikbaar zijn en anderzins niet te contacteren, en die als ze mij als erfgenaam geld schuldig zijn bijvoorbeeld doodleuk beweren dat de 'structuur van Belgische bankrekeningnummers' het hen onmogelijk maakt om dat geld aan mij over te maken; hun 'systeem' kan dat niet aan. Of ik niet in Nederland een rekening kan openen. Het gaat in dit geval om een afrekening van gas en licht, zodat nog niet helemaal duidelijk is wie er wie iets is verschuldigd. Ik heb al laten weten dat in dat geval míjn 'systeem' eventuele betaling aan hun Nederlandse rekeningnummer ook volstrekt onmogelijk maakt. Al heb ik wel nog uitgelegd aan de dienstdoende mevrouw dat die 'Belgische structuur' van mijn rekeningnummer eigenlijk een internationale 'structuur', want een IBAN-nummer is, een 'structuur' die in België en de meeste omringende landen ook al ingeburgerd is voor binnenlands betalingsverkeer. En verder dat het me niet zo héél erg ingewikkeld lijkt als 'het systeem' het niet aan kan: men neme een internationaal overschrijvingsformulier en vult dat, desnoods met de hand, in. Men reageert gechoqueerd op een dergelijk onbetamelijk voorstel.

    Ook al dit vruchteloze gedoe — een combinatie van voorgeschreven beleefdheid (men condoleert mij zonder uitzondering netjes en wenst mij veel sterkte toe) en onbeschofte domheid — houdt me vast in iets wat ik zou willen kunnen afronden, zodat ik eindelijk een begin kan maken met wennen aan wat voortaan het geval is: het heden zoals het is.