• Pin it!

    Onbehagelijk

    Juist nu er hier en daar nog maar weer eens kanttekeningen bij de alomtegenwoordige ironie worden geplaatst, vroeg De Standaard mij om zomaar eventjes vijf levenslessen van mij te geven. Dat deed ik een tijdje terug al, en vandaag werden ze gepubliceerd.

    Onbehagelijk.

    Dat was het natuurlijk meteen al toen het mij gevraagd werd — en hoewel ik het graag anders zou willen doen voorkomen: met bescheidenheid heeft het niet zo veel te maken. Het heeft misschien wel te maken met wat Merijn Oudenampsen in een interessant stuk op ooteoote 'een generationeel trauma' noemt. Hij schrijft: 

    "Het is het trauma van de verzuiling, van de generatie die in opstand kwam tegen de verkrampte pastoren- en domineemoraal en de dwingende sociale controle uit de jaren vijftig. Het nihilisme verschafte een ontsnappingsroute voor deze generatie van cultuurmakers. Het wees hen de weg naar een ruimte waar vrij adem gehaald kon worden. Het was het perfecte breekijzer, een oorlogsverklaring aan elke vorm van betutteling."

    Nu heb ik zelf altijd nogal wat problemen gehad met het vrolijke nihilisme van de cultuurmakers — en waar ik dat in de publieke ruimte al eens problematiseerde kreeg ik  onmiddellijk het verwijt dat ik terugverlangde naar de jaren vijftig, als ik al niet vergeleken werd met de ayatolla's die toen (begin jaren negentig) net de fatwa over Rushdie hadden uitgesproken. Maar het punt was nu net dat er bij mij van terugverlangen geen sprake was, maar wel van een verlangen om van een door mij als verstikkend ervaren relativisme verlost te worden, van de vrijblijvendheid die juist in de jaren negentig in culturele middens steeds dwingender werd voorgeschreven.

    Misschien wilde ik dat al die ontmaskeraars nu eindelijk eens werk gingen maken van die postchristelijke, wereldlijke ethiek in plaats van zo comfortabel te blijven hangen in het afzweren van de christelijke variant. Wie afrekent met iets boekt geen vooruitgang tenzij hij voortbouwt op wat hij overwonnen dacht te hebben. Maar typerend voor de generatie die Oudenampsen in zijn stuk op het oog heeft, is dat zij op vrijwel elk vlak het kind met het badwater weggooide — een trend die zich tot op de dag van vandaag voort lijkt te zetten.

    Het verlangen naar begrenzing — ik heb al vaak geschreven dat het geen ongevaarlijk sentiment is. Al helemaal niet als je, zoals ik, zelf niet werkelijk een idee hebt waar je in algemene zin die grenzen zou kunnen trekken. Niet dat ik in dat opzicht van geen enkel hout pijlen zou weten te maken — maar een werkelijke ethiek ontdek ik toch ook niet achter mijn pogingen grenzen te trekken. Het is allemaal nogal situationeel. Je zou zelfs kunnen zeggen vrijblijvend, want te nadrukkelijk persoonlijk.

    En bovendien, het verlangen verlost te worden van de vrijblijvendheid maakt nog niet dat ik verlost wens te worden van ironie. Toen ik begin jaren negentig in de redactie van het literaire tijdschrift De XXIe Eeuw zat maakte ik samen met Joost Niemöller en Xandra Schutte en met de hulp van een groot aantal medewerkers eerst een nummer over de (on)mogelijkheid van de klassieke (literaire) vadermoord (niemand uit die generatie leek daaraan nog werkelijk behoefte te hebben); daarna een nummer met als opschrift 'De ironie voorbij?' (een vraag die op verschillende manieren werd beantwoord) en het vierde nummer van die jaargang ging over de (on)mogelijkheid van engagement. Daarmee werd in één jaargang een aantal essentiële kwesties aangesneden dat, blijkens het stuk van Oudenampsen, vandaag de dag nog steeds even actueel is.

    Ironie was iets tussen pathetiek en cynisme, zo concludeerde ik toentertijd, en dat is voor mij nog steeds zo. Bert Bultinck formuleerde het dit weekend in DS Weekblad, schrijvend over precies deze kwestie, kortweg als volgt: 'Te weinig ironie is dom, te veel ironie is zielig'. 

    Het is precies daarom dat ik de opdracht om in DS vijf levenslessen te geven toch wel serieus nam, maar me er tegelijkertijd onbehagelijk bij blijf voelen. Het doet me veel denken aan een personage uit een verhaaltje dat ik ooit in De Gids publiceerde, Vingerpijn (De Gids, jrg. 161, nr. 4, april 1998, p. 304-307) — een personage dat natuurlijk zelf ook weer volkomen in een ironisch licht staat.

    VINGERPIJN

    Ik heb veel van mijn wijsvinger gehouden. Om eerlijk te zijn: misschien wel te veel. ‘Niet wijzen!’ zei mijn moeder vroeger al wanneer ik in de erker stond en mijn vinger gericht hield op de plaatselijke invalide die met slepende tred voor ons huis langsging, en ze keek schichtig links en rechts de laan af of iemand het misschien ook had gezien. Soms, op straat, kwam het wel voor dat zij zich genoodzaakt zag mijn uitgestoken vinger met haar hele hand bruusk te omklemmen omdat dikke Mina van de Achterweg, naar wie ik hem juist beschuldigend had uitgestoken, dreigend in onze richting kwam. ‘Kom! Geef mama maar een handje, hè’, zei ze dan zoetsappig, maar net te luid om door mij niet onmiddellijk als vingerwijzing begrepen te worden, en net luid genoeg om dikke Mina gerust te stellen. Die gaf dan mijn moeder, en wat erger was: soms ook mij, een minzaam knikje en waggelde ons voorbij. ‘Hoevaak heb ik je dat nou al gezegd, rotjong!’, foeterde mijn moeder en trok daarbij lelijk aan mijn omklemde vinger, ‘níet wíj-zén! Begrepen?’. Ik knikte en ze liet me los. Schielijk stak ik mijn vinger nog even voor mij op en zag dat hij wit en benig was geworden. Ik was bang dat hij bij het buigen zomaar af zou breken. En wat had ik dan moeten beginnen? Ik hield van dat ding. De hele weg naar huis hield ik hem dan ook gestrekt in mijn broekzak, af en toe schokkend met mijn schouder als ik bijvoorbeeld Tinus met de tassen weer eens uitgeteld op zijn bankje bij de brug zag liggen, wel twee bierflesjes op de grond voor zich, of als Mongole-Jantje voorbij kwam, zwaaiend met zijn dirigeerstokje. Ik kon dan maar net voorkomen dat hij zomaar uit mijn zak schoot. ‘Rinus’, zei mijn moeder wanneer we thuisgekomen waren, ‘Rinus, we moeten nu toch eens met hem naar de dokter; die zoon van jou heeft een tic’.

    Of het nu de gedurige reprimandes waren — ‘ik hak hem eraf hoor, als je zo doorgaat’, heeft mijn moeder wel eens gezegd — of dat het gewoon een kwestie van natuurlijke ontwikkeling is geweest, maar ik hield op een zeker moment op met wijzen. Mongole-Jantje, Tinus, Mina, de invalide, Ali, de eerste Turk die bij de stoomblekerij kwam werken, of Tamtam niet te vergeten, althans mijn vader en zijn collega’s noemden hem zo, een Surinamer met wel tien kinderen die zomaar twee huizen verderop was komen wonen - ik kon ze op een zeker moment zonder wijzen passeren. Maar niet omdat mijn liefde voor mijn index was bekoeld. Integendeel. Ik was ze nog niet voorbij of ik voelde hoe mijn vinger begon te kloppen, hoe hij verstijfde en omhoog kwam, langzaam eerst, maar allengs steeds sneller, hoe hij een klein moment recht vooruit stak maar daarna nog verder omhoog ging — vijfenveertig graden, vijftig —, totdat hij priemend naar de hemel wees. Tegelijk voelde ik dat zich in mijn strottehoofd iets aanspande, en ik haalde diep adem. Maar meer dan een langgerekt ‘eueueuh’ bracht ik niet voort. Wat zou ik ook hebben moeten zeggen? Ik wist nog niks. Ik had alleen die vinger.

    vinger.jpg

    Wel staat voor mij vast dat ik sinds die tijd altijd in de voetsporen van mijn vader heb willen treden. Niet dat ik hem tot dan toe ook maar ooit een vinger had zien heffen, maar als ik soms in de weekeinden wel eens naar boven sloop, naar zijn kamertje, om daar over het glimmend bruine leer van zijn boekentas te strijken, of om uit de zakken van zijn geruite colbert een krijtje op te diepen — zo’n stompje, of soms zelfs wel een nog heel pijpje, geel-poederig aan de buitenkant en wit vanbinnen — dan wist ik, ook zonder dat ik het ooit zelf had gezien, dat hij dagelijks met een geheven wijsvinger voor een gitzwart schoolbord stond, voor een ademloos, met open mond en glimmende ogen naar hem luisterend publiek. Het is vaak voorgekomen dat ik die houding daar in dat kamertje nadeed, er op oefende zou je kunnen zeggen, en met een ‘ke zje me zwa de poetepoet, kan fèèr de mese bwa, mézjeus’ een denkbeeldig publiek het Frans bijbracht dat ik mijn vader wel eens luidop hoorde lispelen boven zijn oude nummers van Paris Match. En op verjaardagen, als in de voorkamer slierten blauwe rook boven de salontafel dreven en mijn vader met zijn collega’s glaasjes jenever met suiker dronk — oom Arie, ome Wil, meneer Quee, juffrouw Jalink, die natuurlijk geen jenever dronk (stel je voor!) maar af en toe in haar grijze plissé-rok voorover boog om van een glaasje sherry te nippen — dan zat ik in een hoekje van de erker, half onder de vensterbank met de koperen bloempotten en lette goed op. Af en toe probeerde ik mijn vinger en fluisterde een zinnetje na dat ik juist had gehoord. ‘De jeugd is brutaal’ bijvoorbeeld, of: ‘Als er nog meer van die tamtammetjes komen, gaat onze taal teloor’.

    Met het naspreken van deze zinnetjes daar onder die vensterbank — of wat later in de tuin voor een publiek van dennebomen en rododenderon-struiken, als mijn moeder, die mij al geruime tijd argwanend had gadegeslagen, mij met een ‘kom, ga eens buitenspelen joh’ had weggestuurd — wist ik dat ik mijn eerste stappen zette op weg naar een stralende toekomst waarin hele scharen kinderen aan mijn lippen zouden hangen, hun ogen gericht op mijn stram geheven wijsvinger. Ik was dan ook haast buiten zinnen toen eindelijk de eerste schooldag aanbrak en ik voor de eerste maal dat lokaal met de hoge ramen betrad, met die keurig in rijen achter elkaar geplaatste tafeltjes, met — en dat had ik zelfs niet durven dromen! — de tafel van juffrouw Gierman op een verhoging links vooraan, zodat ze altijd majesteitelijk boven ons uit torende. En er was het bord natuurlijk. Dat was weliswaar wat minder zwart dan ik had gehoopt (er zaten overal van die grijs-witte vegen op), maar na lang aandringen kreeg ik het gedaan dat ik het in het speelkwartier, tussen de middag en ook om kwart over vier met een natte spons telkens weer blinkend zwart mocht maken. En ook in andere opzichten werd ik niet teleurgesteld, want al spoedig bleek dat het vingeropsteken hier tot de dagelijkse discipline behoorde, ja zelfs dat degenen die het waagden om het woord te nemen zonder eerst hun wijsvinger op te steken, werden weggestuurd en voor straf op de gang, met hun hoofd tussen de jassen en hun handen op de rug, uren moesten blijven staan.

    Het waren heerlijke jaren, en telkens als ik er aan terugdenk voel ik hoe er aan mijn hand als het ware weer iets begint te tintelen, hoe zich daar iets zou willen verheffen, ook al weet ik dat dat niet zal gaan, dat het wat ongepast zou zijn zelfs en dat het niet zelden afgrijzen wekt wanneer ik, verzonken in die zalige herinnering, het schokschouderen niet meer kan bedwingen en mijn hand plotseling en razendsnel uit mijn broekzak schiet en zich heft. Toen ging ik nog onbekommerd met een kloppende wijsvinger door de stad, liep ik na het sponzen van het schoolbord nog uren door de straten en merkte dat ik bij het passeren van Tinus met de tassen niet langer om woorden verlegen zat, zodat ik het op een gegeven moment zelfs aandurfde om voor zijn bankje te blijven staan en, terwijl ik met mijn voet de lege bierflesjes terzijde schoof, hem met plechtige stem toe te voegen: ‘Drie keer vier is twaalf’. Het was weliswaar nog niet precies wat ik wílde zeggen, dat voelde ik ook wel, maar het sorteerde wel het juiste effect. Met grote ogen keek hij naar mij op en zijn mond viel open van verbazing.

    Ik was ontegenzeggelijk op weg naar dat podium links vooraan en in de voorstellingen die ik mij van mijn vader maakte, stond hij nu niet alleen meer voor het glimmend zwarte schoolbord — hij was wat klein van stuk, zo begon mij op te vallen — maar met geheven kin op die verhoging, en hij sprak luid en krachtig zijn gehoor toe, wees na het stellen van een vraag met een autoritair gebaar een opgestoken vinger aan en zei: ‘jij daar!’. Precies zoals ik het zou gaan doen, want al spoedig bleek dat mijn opgestoken vinger in de ogen van meesters en juffrouwen een belofte inhield, dat men de mijne nooit tevergeefs uit het woud van opgestoken handen uitkoos en de juiste antwoorden op de gestelde vragen kreeg, zodat ik na een jaar of zes één van de weinigen was die ‘s ochtends voor schooltijd les kreeg van meneer Quee, die mij de spreekwoorden en gezegden leerde waarmee ik ‘s middags bij Tinus veel succes had. Ik had hem inmiddels al zo ver gekregen dat hij recht overeind ging zitten als hij mij in de verte aan zag komen, zijn beide armen strak langs zijn lichaam, de handen om de zitting van zijn bankje geklemd. Vlak voordat ik bij hem was, keek hij dan altijd nog wat verschrikt om zich heen, om vervolgens, als ik voor hem stond en hem toesprak, met een zacht kreunend geluid wat ineen te zakken. ‘Drie dingen zijn moeilijk tegen te houden,’ zei ik dan bijvoorbeeld, ‘een meisje dat wil trouwen; een paard, dat stormt; een boer die een vane draagt’ — en dat leek er al heel wat meer op dan de tafel van vier.

    Is het dan een wonder dat ik hoge verwachtingen koesterde toen ik voor de eerste maal het grote gebouw in het centrum betrad, het gebouw waar ik al vele malen voor was blijven dralen, met boven de beide hoge deuren die door mij zo vaak gemompelde spreuk: ‘Non scholae, sed vitae discimus’? Alleen al die in steen uitgehouwen woorden, die ik niet begreep, die ik nog niet begreep, hadden mij de zekerheid gegeven dat er meer moest zijn dan de blauwe deeltjes Stoett die meneer Quee ons te leren had gegeven, meer dan het ‘Die alles door de vingers ziet, en heeft genen bril van doene’ waarmee ik Tinus moeiteloos op de knieën kreeg. En ongetwijfeld zou ik in de ruime hoge lokalen met de bollampen aan het plafond de feiten leren kennen die men nodig had om het leven te leven zoals het behoorde, om uiteindelijk toegang te verkrijgen tot de podia die her en der verspreid over het land stonden opgesteld en van daaraf deze feiten voor te houden aan hen die nog niet meer wisten dan een kat van saffraan. Ik was daar zelfs zo van overtuigd dat de rangschikking van de tafeltjes in het eerste lokaal dat ik betrad mij aanvankelijk nog niet van de wijs kon brengen, want hier zat men niet achter elkaar, keurig uitgelijnd, zo bleek mij, maar gevieren naar elkaar toegekeerd, sommigen zelfs met de rug naar het bord! Dat was natuurlijk, zo hield ik mij toen nog voor, om elkander goed zichtbaar zijn vinger te kunnen laten zien. Dat het podium ontbrak bevreemdde mij wel enigszins. Maar zelfs toen enige minuten na het belsignaal een wat slungelige manspersoon met schouderlang haar binnentrad, in zijn hand een plastic tasje van de Spar, had ik het nog niet direct in de gaten. Hij leek zo in niets op mijn vader, met zijn boekentas en zijn colbert, met zijn iedere ochtend keurig door mijn moeder gestrikte das, dat het niet bij me opkwam om in hem een vertegenwoordiger te zien van het nobele gilde waartoe ik met mijn hele ziel en zaligheid wilde en zou gaan behoren. Een vergissing, zo bleek.

    Want vanaf die dag begon ik mijn vinger te stoten. Het was als hing één van de melkglazen bollampen vlak boven mijn hoofd, zodat telkens wanneer ik, aanvankelijk nog met het mij eigen enthousiasme en dus veel te snel, mijn arm opstak, ik het gevoel had dat mijn vinger dubbel klapte tegen wat zich daar boven mij bevond. Maar ook wanneer ik ten overstaan van mijn groepsgenoten aan de tafeltjes naast en tegenover mij mijn vinger niet hoger hief dan mijn borstbeen en al met lichte wanhoop over het uitblijven van nieuwe feiten dan maar enige bladzijden Stoett reciteerde, was het mij alsof iemand hem met zijn hele hand omklemde en nog wat achterover trok ook. Mijn vinger werd een pijnlijk uitsteeksel, een door de vele keren dat ik hem gestoten had blauwige, opgezwollen, uiteindelijk zelfs gelige en aan de top zwart geworden stomp waarvoor ik mij meer en meer begon te schamen. En het duurde dan ook niet lang of de dag brak aan dat ik hem, staande voor Tinus met de tassen voor mij opstak, diep ademhaalde, maar bij de aanblik van dit nog nauwelijks herkenbare ding niet verder kwam dan een klagelijk uitgestoten ‘eueueuh’. Tinus, die zijn schouders al wat had laten zakken, keek eerst verschrikt naar mij op, zag mijn ongetwijfeld ontzette blik op wat ooit mijn trots was geweest, mijn toekomst, en barstte vervolgens uit in een verschrikkelijk, brullend gelach. Zijn hele lichaam klapte dubbel en met zijn voeten schopte hij een nog halfvol bierflesje om, dat klokkend leegliep over mijn schoenen. En hij wees. Hikkend van het lachen wees Tinus met die wat kromme, harige wijsvinger van hem op het stompje aan mijn hand.

    Wat kon ik doen? Wat kon ik anders doen dan wegrennen? Ik rende, achtervolgd door zijn hoongelach, door de straten, mijn linkerhand beschermend rond mijn gehavende rechter-wijsvinger; ik rende langs de kerk, over het spoor, over de kanaalbrug aan de rand van de stad; en toen ik eindelijk stil hield, hijgend met mijn linkerhand steun zocht tegen een boom, zag ik dat mijn wijsvinger voor mijn natte schoenen in het gras lag.

    Wat er daarna gebeurde, herinner ik mij niet precies meer. Ik viel, geloof ik, schreeuwend op mijn knieën. Ik zal misschien nog geprobeerd hebben de vinger terug te zetten aan mijn zo deerlijk verminkte hand.

    Ja, dat zal ik vast hebben geprobeerd...

    Ook hoe ik thuisgekomen ben, weet ik niet meer, noch wat ik met het stompje heb gedaan. Heb ik het misschien nog in de zak gestoken van één van de oude colberts van mijn vader, die ik afdroeg? Of heb ik het op een zeker moment woedend van mij afgegooid? Ik ben er later nog wel eens wezen kijken, daar bij die boom, maar heb het nooit teruggevonden.

    Sindsdien loop ik altijd met mijn hand in mijn zak, bijna zo alsof het me onverschillig laat dat er in deze wereld geen vingerwijzingen zijn, dat er niemand is die het boek openslaat en mij wijzend naar de hemel zegt waar het op staat. Maar ook al zit ik tegenwoordig vaak op het bankje bij de brug, links naast mij een kruikje jenever en een doos suikerklontjes - telkens als de school uitgaat en die schare kinderen langs mij trekt, voel ik het tintelen in mijn hand, iets wat het midden houdt tussen pijn en jeuk op die plek waar niets meer is als was er nooit iets geweest. En ik zou op willen staan en een halt toeroepen aan al die kinderen en ik zou hen willen leren wat het geval is, wat onomstotelijk is, wat ze beslist moeten weten.  

    --------

     

    screenshot_78.jpg


     

  • Pin it!

    Pluizigheid

    In het februarinummer van De Leeswolf staat naast veel andere zaken het eerste deel van een essay van Marc Kregting. 'Fuzz' heet het. Dat kan 'dons' betekenen, of 'smeris' (naar believen: 'flik' of 'klabak', het woord wordt ook gebruikt als verzamelnaam voor 'de politie'); opgevat als werkwoord betekent het 'uitrafelen', 'pluizig worden, maken'. Tot zover het woordenboek.

    De titel zou een poging kunnen zijn tot zelfironie: Kregting werpt zich hier als politieagent op, hij deelt bekeuringen uit — iets wat volgens zijn eigen opvattingen natuurlijk helemaal niet kan (hij positioneert zich met graagte in de marge en kan in die zin dus onmogelijk de autoriteit hebben die voor het uitdelen van bekeuringen noodzakelijk is; hij is de 'ontmaskeraar' van de macht immers). De titel van zijn stuk moet dus zoiets zijn als de weergave van wat hij vermoedt dat de tegenstanders over hem zullen zeggen. Ongeveer zoals eind jaren negentig (wie herinnert zich dat nog) Paul Demets in Knack een overzichtsartikel schreef waarin hij onder andere Jos Joosten, Patrick Peeters en Dirk van Bastelaere verweet dat ze bij de lezing van hun poëzie veel te veel uitgingen van hoe poëzie er zou móéten uitzien (en derhalve: veel te weinig van wat de door hen gelezen poëzie zelf wilde zijn). Ze gedroegen zich als poëziepolitie, meende Demets (zijn stuk heette 'De sirenes van de poëziepolitie'). Het in 1999 opgerichte tijdschrift freespace Nieuwzuid, met onder andere Van Bastelaere en Patrick Peeters in de gelederen, reageerde prompt door hun poëzierubriek 'De poëziepolitie' te noemen. 

    De kwestie zelf was interessant genoeg, en de discussie werd niet zozeer gevoerd op internet of in literaire tijdschriften, maar in kranten als De Morgen en De Standaard. Van Bastelaere schreef op 15 april 1999 in De Morgen (in de literatuurbijlage die toen nog Café des Arts heette) een recensie over De papegaaienziekte, het debuut van Demets uit 1998 — een recensie die eerst uitvoerig inging op Demets artikel in Knack alvorens de (trouwens ook in mijn ogen niet zo heel erg sterke) debuutbundel op haast rituele wijze te slachten. Epigonisme, zo luidde het oordeel. Jos Joosten schreef in De Standaard ook een recensie over De papegaaienziekte, een recensie die bijna 1500 woorden telde (geen uitzondering in die tijd), en gebruikte de bundel net als Van Bastelaere als opstapje om het over Demets Knack-artikel te hebben.

    In beide gevallen ging het om de (on)mogelijkheid van de neutrale blik bij het recenseren van poëzie. Yves T'Sjoen zag, in (alweer) De Morgen, Demets' stuk vooral als 'een pleidooi voor een genuanceerde, open lectuur waarin diverse poëziesoorten op hun merites worden beoordeeld'. Het had Van Bastelaere er al toe verleid om te stellen dat 'de leerstoel van de verzoenende poëziekritiek' nog steeds vacant was en dat Demets (of T'Sjoen, daar wil ik nu even vanaf wezen) blijkbaar naar de post solliciteerde. Daarmee werd het spook van Herman De Coninck nog maar eens uit zijn vers gedolven graf geroepen — de man die zo perfect de positie belichaamde die het Van Bastelaere en andere zogeheten 'postmodernen' mogelijk maakte om eind jaren tachtig, begin jaren negentig het klassieke avant-gardeschema nog eens toe te passen en zichzelf te positioneren als de nieuwe rebellen — met succes en met vaak sterke poëzie overigens. Daar hoorde onder meer de ontmaskering van De Conincks 'neutraliteit' bij. Men liet zien dat achter die neutraliteit wel degelijk ideologisch bepaalde keuzes schuilgingen. 

    Ik sta hier zo lang bij stil, enerzijds omdat Kregting in zijn stuk in De Leeswolf blijkbaar nog eens vanuit diezelfde klassieke rebelsheid lijkt te willen reageren in een stuk dat waarschijnlijk de bedoeling heeft om het nog eens over de ideologische bepaaldheid van de literatuurkritiek te hebben. Anderzijds omdat Kregting in het stuk erg persoonlijk wordt naar mij toe, iets wat hem blijkbaar zodanig parten speelt dat het stuk eerder kwaadwillig dan kritisch is en zo zijn doel — als dat er al was — voorbijschiet.

    Het bevat allerhande suggestieve formuleringen die tot doel hebben mij af te schilderen als iemand tegenover wie Kregting zichzelf nog eens naar hartenlust als de onbevlekte, want oprecht marginale auteur kan positioneren — iemand die zich niet inlaat met alles waaraan ik mij (sinds het winnen van De Gouden Uil natuurlijk!) wel zou bezondigen. (Al vallen daar wel een paar kanttekeningen bij te maken, want Kregting doet op de achtergrond zijn zegje over poëziefondsen bij uitgeverijen, houdt zich bezig met de organisatie van Poetry International, zet als freelance-redacteur potloodstreepjes in de typoscripten van anderen, en duikt zelfs wel eens op als jurylid van door hem ernstig verguisde sponsorprijzen).  

    Kregting begint zijn stuk met een paar opmerkingen over Elsbeth Etty's Het ABC van de literaire kritiek, stelt vervolgens dat Mark Cloostermans in zijn bespreking van Maarten Inghels' roman De handel in emotionele goederen Etty's adviezen blijkbaar had opgevolgd, brengt dan de rel ter sprake die ontstond naar aanleiding van het papiertje dat Harold Polis bij de presentatie van Inghels' roman in brand had gestoken, en heeft dan eindelijk het opstapje dat hij nodig heeft om het over mij te hebben. Op 12 september schreef ik een opiniebijdrage in De Standaard (zie hier) en Kregting noemt het meteen 'curieus' dat ik 'de kat de bel aanbond', omdat ik 'de krant tweemaal opgewarmd nieuws schonk'. Hij noemt een stuk in Rekto:Verso, waarin ik inderdaad hetzelfde had beweerd (Rekto:Verso, nr. 46, maart-april 2011, p.18), een stuk dat ik later op mijn blog heb gezet ('geherpubliceerd', noemt Kregting dat en dat schijnt van hem niet te mogen). Hij noemt het, net als het opiniestuk in DS, een 'pleidooi voor lovende besprekingen'. 

    Eerst even over dat 'opgewarmd'. Er is een klein verschil tussen een stuk in Rekto:Verso, een stuk op mijn blog en een (overigens ander) stuk in een krant als De Standaard. Het publieksbereik is nogal verschillend — en wat ik aanvankelijk voor het veel kleinere publiek van Rekto:Verso had geschreven, verdiende in het licht van de commotie rond Inghels' en Cloostermans in mijn ogen ook nog wel een wat groter publiek. Je zou het kunnen zien als een poging iets bespreekbaar te maken op de plek waar dus nog niet eens zo heel lang geleden debatten over dit soort kwesties nog mogelijk waren (inmiddels is dat niet meer het geval). Maar nee, oordeelt Kregting, de man die het liefst dode vogeltjes neerlegt op onvindbare plaatsen, het was 'opgewarmd' — ik had het al eens eerder gezegd, en in de wereld van Marc Kregting zegt men de dingen één keer, ook als je de mogelijkheid hebt om je opinie voor een breder publiek en in een iets andere context nog eens kenbaar te maken. 

    Het brengt me op het volgende. Ik ken Kregting als een essayist die gewoonlijk zorgvuldig is als het gaat om verwijzingen, maar hier vergeet hij toch een wel erg belangrijk detail — een detail dat voortdurend vergeten wordt wanneer ik deze kwestie bespreek met recensenten: dat het gaat om een pleidooi voor positieve recensies ('lovend' heb ik niet gebruikt) in dag- en weekbladen. Die toevoeging is niet onbelangrijk. Ik maak steeds het onderscheid tussen wat er in de dag- en weekbladkritiek nog mogelijk is, en wat literaire kritiek in mijn ogen eigenlijk zou moeten zijn. Om louter op grond van feiten tot de vaststelling te komen dat in de huidige dag- en weekbladkritiek de literaire kritiek zoals ze idealiter zou moeten zijn eigenlijk zo goed als onmogelijk is geworden. De literatuurkritiek loopt aan de leiband van de commerciële bedoelingen van de krantenuitgever — die er bijvoorbeeld geen graten in ziet om romans cadeau te doen bij zijn krant, maar daarmee tegelijkertijd verhindert dat er over die roman in de krant zelf nog oprecht geoordeeld kan worden. Terwijl er bij het boek natuurlijk wél een lovend stuk geschreven moet worden door de medewerkers van de literaire bijlage.

    Wat in de kranten literaire kritiek heet is de facto consumentenadvies — ik heb daar al héél vaak aan toegevoegd: ondanks de bedoelingen van de recensenten (dat staat nota bene ook in de stukken die Kregting hier aanhaalt, maar hij verkiest daarover te zwijgen). De tegenwind die ik vaak kreeg, als pleegde ik een aanslag op de vrijheid van meningsuiting, als speelde ik de promopraat van uitgeverijen in de kaart (de suggestie is er ook weer bij Kregting), kan ik wel begrijpen, maar een recensent die gedwongen wordt zijn mening in een stukje van 250 tot (toe maar!) 500 woorden zo uit te drukken dat er in de laatste regel minstens een voor de blurb bruikbare quote staat, en daarbij ook nog geacht wordt wat sterretjes te zetten, zo'n recensent heeft eigenlijk geen werkelijke vrijheid van meningsuiting meer. Het format dwingt hem tot het soort flodderwerk waarvan tot op heden Daniëlle Serdijn de meest flagrante voorbeelden levert (die schreef bijvoorbeeld over Het geluk van de kunst een recensie van pakweg 50 woorden in de Volkskrant, waaruit je kon afleiden dat ze het boek niet of nauwelijks had gelezen, en als ze het wel had gelezen: dat ze van bijzonder weinig fatsoen blijk gaf, anders zou de eerlijkheid als bespreekster haar toch hebben moeten gebieden melding te maken van het feit dat ze zelf in Het geluk van de kunst in niet bepaald gunstige zin ter sprake komt. Moet ik nog zeggen dat ze het niet zo'n goed boekje vond?(twee sterren)). 

    De context van de recensie in dag- en weekblad is die van het consumentenadvies, ondanks de bedoelingen van de recensenten in kwestie, ondanks de bedoelingen van zelfs de chef Boeken. Dat is de stelling. Een stelling waarmee Kregting het eigenlijk eens is — maar uit zijn hele stuk blijkt dat hij van mening is dat ik ben toegetreden tot die echelons die het recht op dit soort opvattingen hebben verspeeld. 

    Onzorgvuldig is Kregting ook wanneer hij stelt dat ik de reeks 'Goud op snee' van Behoud De Begeerte genoemd zou hebben in de toelichting bij de 'herpublicatie' van het opiniestuk op mijn blog. Ik heb het daar over 'Uitgelezen' — een programma waarvan ik niet weet of Kregting het ooit heeft gezien, maar, zo leid ik af uit hetgeen hij over 'Goud op snee' zegt (een programma dat ik dan weer nooit zag), waarvoor hij hoogstwaarschijnlijk ook niets dan dédain zal hebben, al was het maar omdat ze daar aan een heuse 'tombola' doen en boeken verloten. Hoe diep kan men zinken…

    Te kwader trouw is Kregting ook wanneer hij meent dat ik in diezelfde blogpost Cloostermans 'wederom een uitbrander' heb gegeven. Ik noem zijn stukje 'luimig', een van die 'oprispingen' waar Cloostermans wel vaker last van heeft — en dan verwijs ik naar zijn toch ook erg onheuse recensie over Paul Baeten Gronda destijds, waarmee ik bedoel, maar ook toen bedoelde: onheus zelfs al vond je Gronda's debuut een boek van niks. Af en toe komen er uit Cloostermans pen van die stukken dat je denkt: wat heeft de auteur (of het boek) in kwestie hem toch aangedaan dat hij zo over the top reageert? Ik noem dat niet 'iemand een uitbrander geven'. Ik signaleer hier gewoon iets. En tja, in het opiniestuk in DS stel ik dat Cloostermans' recensie meer weg had van een signalementje, doorspekt met fikse oordelen die op weinig anders gebaseerd leken dan het slechte humeur van de recensent. Is dat een uitbrander? Mij lijkt het een haast feitelijke vaststelling, en ik ben heel nieuwsgierig hoe Kregting dat stukje dan zou willen karakteriseren. Eigenlijk niet anders, zo blijkt uit het begin van zijn stuk, maar in mijn geval moet het blijkbaar een uitbrander heten.

    Dat komt omdat hij een bepaalde (zij het verkeerde) visie heeft op enig gedoe rond De Gouden Uil — een prijs die ik blijkbaar nooit had mogen winnen en waarvan het winnen zelf mij persoonlijk aangerekend dient te worden. Het zijn allemaal heel erg oude koeien, maar bon. Het gaat om de wijze waarop Kregting graag de zaken wil voorstellen. Hij stelt daar namelijk — alweer onzorgvuldig — dat ik getergd was dat 'voor betrekkelijke nieuwkomers Cloostermans en Leymans zijn lange staat van dienst niet telde'.

    Het ging  daarbij helemaal niet om Cloostermans of Leymans. Het ging om de mij toen verrassende vaststelling dat ik in Boekblad (en niet door Leyman in eerste instantie) 'een volslagen onbekende auteur' was genoemd — alsof dat van belang was, die bekendheid of onbekendheid. Het werd in Boekblad bijna als een oordeel gepresenteerd, alsof mijn onbekendheid op zich al reden te over was om de nominatie belachelijk te vinden. En vooruit, ja, Boekblad ging voorbij aan het feit dat ik als poëzierecensent van De Groene Amsterdammer (tien jaar lang) en als redactielid van De Gids toch niet echt volslagen onbekend was voor iemand die een beetje de personele bezetting in letterland in de gaten had gehouden, wat je van iemand van Boekblad toch mag verwachten. Hoe dan ook, Leyman herhaalde het zinnetje uit Boekblad (Cloostermans schreef bij mijn weten destijds niet over De Gouden Uil; het was Filip Huysegems) en zette het in als was het een argument tegen mijn nominatie.

    Dat hield verband met een aanvaring die ik met Leyman had omdat ik op mijn blog (zie hier) wat kanttekeningen had gemaakt bij hetgeen Leyman over P.F. Thomése had geschreven op De papieren manNadat hij mij een buitengewoon giftige reactie had gestuurd naar aanleiding van die opmerkingen (zie hier), een reactie die ik buitenproportioneel vond en die getuigde van aversie tegen vooral mijn persoon, verbaasde het me vervolgens niet om in de krant (bij het voor recensenten verplichte overzichtsstuk over alle genomineerden, inclusief de hen misschien ook verplichte prognose van wie de winnaar zou zijn) te moeten lezen dat mijn roman weinig meer dan waardeloos was — een mening die kracht werd bijgezet met een citaat van een of andere achteraf-internetsite over spaghettizinnen, waar Leyman natuurlijk ook NRC had kunnen citeren (al vond hij daar geen steun voor zijn mening). Ook dat stuk leek vooral een persoonlijke afrekening.

    Dat ik dat stuk onheus vond, spreekt voor zich. Maar dat ik getergd zou zijn omdat mijn 'lange staat van dienst' niet in aanmerking werd genomen door Leyman (of Cloostermans) is je reinste larie. Het lijkt door Kregting alleen op deze manier te worden voorgesteld om een beeld van mij te schetsen dat past bij zijn eigen overspannen voorstelling van de werkelijkheid.  

    Enfin, zo is Kregting voortdurend bezig met het zoveel mogelijk beschadigen van mijn persoon, terwijl de kwestie waar het om zou moeten gaan zo niet aan bod komt: wat moeten we aan met een situatie waarin literatuur grotendeels een subcultuur is geworden, deel van de lifestyle, enkel relevant als illustratiemateriaal bij wat de journalistiek meent dat de échte werkelijkheid is, en vooral: wat moeten we aan met een situatie waarin het soort discussies dat Kregting zou willen voeren (discussies die — laat daar geen misverstand over bestaan — voor mij van het grootste belang zijn) sowieso als volstrekt irrelevant terzijde worden geschoven, waar de vraag of je neutraal bent of juist ideologisch bepaald er zelfs niet eens meer toe lijkt te doen. Ik geef het publieke domein, dat ondanks internet nog steeds gedomineerd wordt door de reguliere media (een recensie in DM of DS heeft nu eenmaal nog steeds veel meer aanzien dan een veel beter stuk op een recensiesite of op een blog, en ik zie daar voorlopig nog geen verandering in komen) — ik geef dat publieke domein nog niet op door het continu zo te demoniseren als Kregting hier doet. Juist door dat domein zo te demoniseren bewijs je de literatuur de slechtst mogelijke dienst, en ben je niet zozeer in de contramine, zoals je misschien zelf denkt, maar conformeer je je aan wat er van je wordt verwacht: dat je in je eigen speeltuin blijft (en daar eventueel de bully uithangt). 

    Dat hij in juist een blad als De Leeswolf de ruimte krijgt om op deze weinig exacte, van persoonlijke rancune doortrokken wijze van leer te trekken, feiten te verdraaien en wat dies meer zij, is voor mij persoonlijk een teleurstelling. Zoals het teleurstellend is om te moeten vaststellen dat het gesprek met Marc Kregting bij dezen nu wel is beëindigd. Dit is me een beetje te achterbaks en laag-bij-de-gronds allemaal.

    Wat overigens niet verhindert dat ik straks als co-voorzitter van de Vlaamse Auteursvereniging met volle overtuiging ook de belangen van Marc Kregting zal verdedigen tegenover alle instanties (uitgevers, media, politici, rechtenmaatschappijen, bibliotheken etc.) die het met die belangen zo nauw niet nemen. Dit terzijde.    

  • Pin it!

    Culturo (vandaag in De Standaard)

     

    Een linkse, elitaire culturo reageert

    Elke democratie heeft nood aan nuance

    • dinsdag 05 februari 2013
    • Auteur:Marc Reugebrink
    Man leest boek in bibliotheek. ‘Culturo's hebben de neiging alles anders te bekijken.'

    Man leest boek in bibliotheek. ‘Culturo's hebben de neiging alles anders te bekijken.'

     

    Willen of niet, wie eens als ‘culturo' is bestempeld, raakt maar moeilijk van dat etiket af. Marc Reugebrink vindt dat griezelig omdat het aangeeft dat diversiteit almaar minder wordt geduld.

    We leven in glasheldere tijden. Nu de populisten overal aan het roer staan, worden er volop etiketten geplakt, bokken van schapen gescheiden, kaf van koren – en je kunt maar beter aan de juiste kant staan. Zelf kom ik er bekaaid af. Ik ben een ‘culturo', zo heb ik de afgelopen weken begrepen. En als culturo ben ik vanzelfsprekend links. En meteen ook elitair. Dat is allemaal niet goed. Nog een geluk dat ik de heteroseksuele ‘obediëntie' ben toegedaan, ook al beperkt me dat ernstig in mijn kledingkeuze.

    Natuurlijk wil ik bij dat mij opgeplakte etiket graag de nodige kanttekeningen maken. Ik ben geen culturo, ik ben een schrijver, een literair auteur. Mij lijkt dat niet aan elkaar gelijk te zijn. Hoewel. Ja, ik draag mijn hart links. Maar ik ben er tegelijkertijd van overtuigd dat cultuur voor veel linkse politici nu niet meteen een prioriteit is. Het verwijt dat kunst en literatuur elitair zijn kwam aanvankelijk vooral uit die hoek, zeker nadat links het idee van volksverheffing uiteindelijk maar had opgegeven en onder het mom van ‘cultuurparticipatie' vooral koppen begon te tellen (cultuur = bezoekersaantallen). In mijn ervaring geniet je als literair auteur veel meer respect bij de van oorsprong confessionele partijen – bij politici die van oudsher nog vertrouwen hebben in Het Woord, ook al bewijst de irritatie die iemand als Rik Torfs in eigen rangen veroorzaakt dat men zulks nu ook weer niet moet overdrijven. Maar je hebt bij tsjeven en zelfs grefo's (gereformeerden) in ieder geval het gevoel dat je ze mag tegenspreken en dat ze dan nog luisteren ook.

    De trapauto is geen maatstaf

    Elitair ben ik ook al niet. Nee, écht niet. Wel is het zo dat als het bijvoorbeeld over literatuur gaat, ik daar met de nodige kennis van zaken over spreek. Ik ben al meer dan een half leven met literatuur bezig, moet u weten. Als schrijver steun ik op een traditie van eeuwen waarvan ik al lezend kennis heb genomen en die ik al schrijvend telkens weer inzet.

    Vandaar dat ik in E.L. James weinig van waarde terugvind – om het clichévoorbeeld van vandaag nog maar eens te geven (eerder was het Dan Brown, geloof ik?). Niet omdat ik me beter voel dan die miljoenen lezers, maar omdat iemand die verstand heeft van auto's het liever ook niet heeft over de deugden van de trapauto. Ik misgun niemand zijn trapauto. Ik weiger alleen om die tot maatstaf te maken.

    Maar ik herhaal: we leven inmiddels in glasheldere tijden. Mijn pogingen om onder het etiket uit te komen dat mij wordt opgeplakt, zijn in de ogen van de etikettenplakkers zelf alleen maar een bewijs dat ik dat etiket dubbel en dik verdien. En dat is bepaald griezelig. Communisten aten nooit kinderen, maar toch waren hele volksstammen daar op een zeker moment vast van overtuigd – voldoende overtuigd zelfs om de wapens op te willen nemen. En nu we toch bezig zijn: joden waren nooit ongedierte, maar er was heel weinig voor nodig om precies die definitie ingang te doen vinden en een hele schare welwillenden te vinden die, passief of actief, mee wilden helpen om dat ongedierte uit te roeien.

    Ik weet het. Altijd weer diezelfde voorbeelden. Het is daarom dat de etikettenplakkers elke vergelijking met die duistere periode uit onze geschiedenis willen verbieden. Niet geheel ten onrechte. Maar ook niet geheel terecht. Het gaat niet om specifiek die periode. Het is maar dat we sinds die periode meer dan ooit tevoren weten waartoe etiketten plakken kan leiden. En de Chef Etikettenplakker zelf weet het ook, anders zette hij niet altijd dat eierdopje op zijn kop om te jammeren over de reductio ad hitlerum die hem ten deel valt wanneer hij zelf gereduceerd wordt tot zíjn ‘obediëntie'.

    Het gaat precies om die reductie van de werkelijkheid tot stereotiepen in een economisch, politiek en cultureel klimaat dat in toenemende mate geen nuances meer toestaat. Waarin de werkelijkheid niet langer veelkantig is, maar steeds meer eendimensionaal. Kunstenaars, schrijvers (maar ook journalisten, intellectuelen en nog anderen die tot die als homogeen voorgestelde club ‘culturo's' worden gerekend) hebben de neiging om de courante definities van mensen en dingen nog eens om te draaien, anders te bekijken. Dat is van het grootste belang voor een democratische samenleving. Zo beschouwd lijken ze altijd maar weer in de contramine te zijn, dwars te liggen.

    Dat is overigens niet hetzelfde als ‘links' zijn. Het is voortdurend de vraag stellen wie of wat wij zijn: een schepsel Gods, een zelfstandig kritisch individu, burger, Vlaming, zoogdier? En we stellen die vraag juist omdat er in elk tijdperk mensen zijn die menen dat het antwoord op die vraag nu toch wel definitief is gegeven.

    Niet iedereen heeft er baat bij dat die vraag openblijft. Het is daarom dat kunstenaars, schrijvers, journalisten tot op de dag van vandaag in (rechtse én linkse) dictaturen gewoonlijk tot de eersten behoren die worden opgeruimd. Dat is wellicht de angst van hen die nu zo treiterig tot culturo's worden gereduceerd door een partijleider die vanwege het winnen van gemeenteraadsverkiezingen en verder steunend op altijd onzekere peilingen al een voorschot neemt op de situatie waarin tegenspraak niet meer zal baten.

    Dat mag overdreven lijken, maar toch is die angst niet helemaal zonder grond. De Wever en andere N-VA-ers die zich in dezen al hebben geroerd lijken met dit soort reducties bepaald niet uit te zijn op dialoog, maar op de afschaffing van de diversiteit, van een veelkantigheid die, meer dan vandaag de dag aan bod komt, te danken is aan wie momenteel rücksichtslos op één hoop worden geveegd met de bedoeling hen af te voeren.