• Pin it!

    Joos vandaag

    En geheel onverwachts, en via een bliksembezoek (12.00 uur binnen, 12.30 uur weer buiten), nog eens op de radio over het nuttigheidsvirus en dus, op het gevaar af van de eindeloze herhaling (al kan het niet genoeg gezegd worden), nog maar eens over de gesel van deze tijd.



  • Pin it!

    Debat (nu wel).

    Gisterenavond op een wat moeilijk vindbare lokatie in Antwerpen een debat over de vraag of cultuur de media nog nodig heeft. Ik had al op voorhand bedacht dat het antwoord daarop 'ja' diende te luiden, in de verwachting dat er veel gepraat zou worden over sociale media, internet en wat dies meer zij — over initiatieven kortom die zouden aantonen dat cultuur de reguliere, de officiële media helemaal niet nodig heeft.

    Als je 'ja' zegt op de centrale vraag, wordt het meteen ingewikkeld. Dat 'ja' loopt namelijk onmiddellijk uit op een klaagzang over hoe die media vandaag de dag functioneren. Wouter Hillaert van Rekto:verso had al vantevoren min of meer verboden om het daar nog maar eens over te hebben. Begrijpelijk. De deelnemers aan het debat zouden het waarschijnlijk met elkaar eens zijn op dit punt. En toch. Het feit dat een 'nee' op de centrale vraag onmiddellijk leidt tot de acceptatie van de deplorabele staat van de (cultuur)media lijkt mij al evenmin wenselijk.

    Toch is dat waar het vooral op neerkwam als ik de deelnemers zo eens beluisterde. Eén van de alternatieven voor de media heette bijvoorbeeld 'crowd-funding' te zijn. Een goed idee. Je verzamelt een aantal mensen rond je die jou een bepaald bedrag geven zodat jij je kunst kunt maken en, zo denk ik dat de bedoeling is, 'onafhankelijk' kunt blijven. Maar binnen een dergelijk concept is de kunst die je maakt in de eerste plaats een product. Het neemt de neo-liberale logica volledig voor lief. Het klinkt heel alternatief en onafhankelijk, maar de claim op de openbaarheid is in dit concept opgegeven. Om het heel scherp te zeggen: kunst dient hier niet meer om de wereld te definiëren (te veranderen, te verbeteren, te… etc), maar is nog slechts bedoeld voor een kleine incrowd. Het is preken voor eigen parochie. Het accepteert de werkelijkheid zoals ze nu eenmaal is: neo-liberaal, kunst- en cultuurvijandig. Het komt uiteindelijk neer op 'looking out for number one'.

    Dat wil niet zeggen dat de kunst of literatuur die op die manier wordt gemaakt, ikgericht of solipsistisch of iets dergelijks zou zijn. Misschien claimt het werk nog steeds wel een zekere algemeengeldigheid, een bepaalde universaliteit (want waarom zou je anders een kunstwerk maken, een boek schrijven?), maar het geeft die claim tegelijkertijd op door de wijze waarop het zich van de openbare ruimte afkeert en de vermarkting ervan prioritair maakt.

    Ik was veel te romantisch als ik dacht dat er nog zoiets als openbare ruimte bestond, zei iemand tegen mij. Dat wil ik niet eens ontkennen. Maar het tegendeel: dat degene die die ruimte opgeeft eigenlijk buitengewoon cynisch is, stuit op verontwaardiging of verwondering. Ik heb het zelf ook niet gemakkelijk met wat ik me gedwongen voel op een dergelijk moment te zeggen: dat we behoefte hebben aan autoriteit, dat het disparate alleen werkelijk een alternatief vormt wanneer het staat tegenover dat wat het niet is. Maar het dominante neoliberale discours is juist gebaat bij het incidentele, het verbrokkelde, het 'individuele' in de zin van het afzonderlijke, losse, onverbondene. Dat valt goed te vermarkten. En als sommige auteurs met een YouTube-channel die aan crowd-funding doen een succes krijgen dat groter is dan de 1000 of 2000 man die men nog wel eens wil bereiken langs deze weg, dan is het succes van die auteurs in de eerste plaats een commercieel succes — onafhankelijk van wat ze in en met hun werk te zeggen hebben en ook zonder dat die inhoud er feitelijk toe doet in een ander kader dan dat van de markt. De kans dat het dan door de reguliere media wordt opgepikt is op dat moment opeens ook een stuk groter, maar alweer: niet om wat het werk voorstaat maar om wat het opbrengt.

    We moeten opnieuw leren burgers te worden, zo wil mij op een dergelijk momenten nog wel eens ontsnappen, en ik praat daarmee Tony Judt na, en Paul Verhaeghe ook. Dat terwijl kunst en literatuur zich zowat de hele vorige eeuw hebben gedefinieerd als juist het anti-burgelijke bij uitstek. Dat hele alternatieve circuit geeft daar nog steeds uitdrukking aan: de anti-burgerlijkheid, de gedachte dat negativiteit een waarmerk voor artisticiteit is. Alsof je afkeren op zich een garantie biedt. Juist als je ziet hoe dat binnen de officiële media steeds weer gerecupereerd is en wordt, zou je toch even moeten doen stilstaan bij een en ander.

    Het lastige voor mijzelf is dat ik natuurlijk deel uitmaak van een traditie die kunst en literatuur op precies die (negatieve) wijze definieert: als kritisch bewustzijn ten opzichte van de heersende ideologie, als negatie van burgelijke normen en waarden, als de omverwerping van wat dan onmiddellijk overleefde overtuigingen heten te zijn. Het maakt dat ik soms twee dingen tegelijkertijd zou willen kunnen zeggen: dat het gaat om een claim op universaliteit juist omdat die niet bestaat. Het gevaar is dat je met dergelijke uitspraken in de hoek van de poëzie belandt — een prachtig genre, maar binnen de huidige openbare ruimte al op voorhand tot overbodigheid verdampte woordkramerij.   

  • Pin it!

    Literatuur en nostalgie

    Gisteren in Leuven een eerste, zij het onvolledige testcase voor Het geluk van de kunst. Naast de presentatie van Toen David zijn stem verloor, een nieuwe graphic novel van Judith Vanistendael, en van Massa van Joost Vandecasteele, gingen Bas Heijne en ik nog met elkaar in gesprek over de toekomst van de literatuur. Het had eigenlijk de voorstelling moeten zijn van Heijne's al wat langer geleden verschenen essay Echt zien, en van mijn Het geluk van de kunst. Dat laatste boek verschijnt pas 26 april. Ik had echter aan de organisatie en via de organisatie aan presentatrice Frieda Van Wijck de 'persklaarversie' doorgestuurd (de drukproef  wordt me deze week toegezonden). Ik hoopte op voorhand dat men een en ander niet zou aankondigen als 'een debat'.

     

    2955792146.jpg

    Helaas. Het lijkt onmogelijk om twee auteurs op een podium gewoon een gesprek over iets te laten voeren. Er moet een tegenstelling zijn. Ook al is die er niet werkelijk. Maar omdat ergens achter de schermen besloten was dat die er toch moest zijn, werd ik meteen al geconfronteerd met een samenvatting van mijn standpunten die niets te maken had met wat ik had geschreven. Ik was, zo stelde men, wel erg nostalgisch aan het terugverlangen naar de jaren vijftig. Die heb ik nooit meegemaakt, zei ik nog, en dat het me niet om nostalgie ging. Ik bepleit een realisme waarmee men in literaire kringen niet uit de voeten kan, om mij begrijpelijke redenen overigens. Ik had namelijk ook liever dat het anders was.

     

    9401-p.jpg  9789085423423.jpg 

    Het uitstekende essay van Heijne wilde ik geen moment tegenspreken, maar waar het mij om ging, zei ik, is dat ook dat essay precies het soort marginaliteit vertegenwoordigt dat het lijkt te willen tegenspreken. Het wil het belang van de literatuur laten zien, maar het laat vooral zien hoezeer dat belang alleen nog in literaire kringen bestaat. Dat Heijne zich geroepen voelt om een essay te schrijven over literatuur in het mediatijdperk, heeft alles te maken met de marginalisering van die literatuur. Daartegen kom je niet effectief in het geweer door een pleidooi dat zich beroept op inzichten en waarden die alleen nog van tel zijn in precies die marge — hoezeer ik het dan ook volledig eens ben met wat hij schrijft. Als het om nostalgie gaat, kan dat essay van Heijne tellen. Het vertrouwt volledig op de gedeelde literaire cultuur, maar die wordt hoogstens gedeeld door hen die tot die cultuur, liever: die subcultuur behoren, en bereikt zo niet wat het eigenlijk wil bereiken. Het wil de bijzonderheid van literatuur verdedigen als een algemeen belang, maar het verdedigt hoogstens haar eigen bijzonderheid, een bijzonderheid die haar marginaliseert.

    Natuurlijk heb ik voor dat alles ook geen oplossingen. Ik geloof alleen dat je de literatuur niet verdedigt door de literatuur te verdedigen, om het in een van lieverlede absurde zin te zeggen. Je kunt haar niet loskoppelen van de dominante ideologie waarbinnen die literatuur nu functioneert als wat ze in feite, buiten haar eigen normen en waarden om, simpelweg geworden is: koopwaar, deel van marktmechanismen die zich niets aantrekken van kwalitatieve en morele overwegingen die van oudsher binnen de literatuur (en binnen een door die literatuur voor een groot deel mede gedefinieerde cultuur) opgeld deden en die telkens weer worden gebruikt om haar belang aan te tonen.

    Over dat spanningsveld gaat mijn boek, en dat had een aardig gesprek kunnen opleveren tussen Heijne en mijzelf. In plaats daarvan moest ik dus uitleggen dat ik niet nostalgisch terugverlangde, zoals de moderatrice op Joel De Ceullaer-achtige wijze voor het gemak, en om het blijkbaar noodzakelijke 'debat' op gang te trekken dan maar suggereerde. Die (journalistieke) noodzaak van een tegenstelling op het podium ging hier weer gemakkelijk voor op de toch ook journalistieke plicht om een beetje zorgvuldig te zijn en de uitgenodigde gasten toch op zijn minst juist samen te vatten. En dat was jammer.

    Zoals het jammer was dat de klok op een zeker moment belangrijker bleek te zijn dan de literatuur. Joost Vandecasteele werd gewoon het woord ontnomen terwijl hij aan het voorlezen was. Waarom? Omdat het programma anders uitgelopen zou zijn? So what? Het publiek had nadien nog tijd genoeg voor een kop soep en een drankje. Het was toch een beetje alsof er tegen Joost werd gezegd: hou nou maar eens op met dat slappe gelul van je. Enfin, hij kent de media veel beter dan ik en leek het bijna normaal te vinden. Maar dan nog. Een literair ochtendprogramma in een zaaltje in Leuven hoeft toch niet op tv te lijken? Waarom dan dat format erop loslaten?

    4000049318050.jpg

    Wat me er aan doet denken. Iemand postte onderstaande op Facebook. Het komt van de Cobra-site. Let vooral eens op hoe Hugo Claus hier aan het eind van het interview zelf zegt dat het zo wel genoeg is geweest. En voor het overige: zo eenvoudig is het dus om een goed boekenprogramma te maken; kan zo hernomen worden; en kom me niet af met gelul over 'talking heads'. Wel eens naar programma's over voetbal gekeken? Waar vier of meer mensen eindeloos tegen elkaar aan zitten te zwetsen? Aan het format kan het dus niet liggen dat dit blijkbaar voor literatuurprogramma's uit den boze is. Daarbij: dynamische cameravoering! Die twee cameramannen zijn minstens tien keer rond de tafel geslopen. En drie interviewers! Dat is nog eens een vondst! En Piet Piryns! Die is dus ooit jong geweest! Tiens. En de sigaretten! De drank! Alles wat ons oud maakt!

    Aha! Het is dus toch nostalgie?

     


  • Pin it!

    Zondag in Leuven

    leesmeer_web-738x1024.jpg

  • Pin it!

    Alvast even dit…

    Gisteren kreeg ik de planning onder ogen voor de verschijning van Het geluk van de kunst. Dat wordt eind april. Enfin, 19 april gaat het boek in druk. Op voorhand alvast het volgende:

  • Pin it!

    Weg

    Een gegeven paard kijkt men niet in de mond, zo luidt de uitdrukking. Ik werd door De Standaard uitgenodigd om deel te nemen aan het benefietdiner dat het Willem Elsschot Genootschap (W.E.G.) jaarlijks geeft in de KBC Boekentoren in Antwerpen. Ik had geen idee wat ik me daarbij precies moest voorstellen, al verwachtte ik veel decorum waarbij onder het mom van een hoog-cultureel gebeuren vooral werd uitgekeken naar wat de spijskaart te bieden had — en naar de daarbij geschonken wijn natuurlijk. De cannelloni van Charolais-rund met krokante lentegroenten, sushi van groene kruiden en een sausje van truffelparels zag er veelbelovend uit, net als de op het vel gebakken rode poon met een carpaccio van Coeur de boeuf, saffraandressing, salty fingers en structuren van pastinaak. Daarbij een Domaine de Pomes, Côtes de Gascogne uit 2010, toch meer een jong slobberwijntje van rond de vijf euro dan werkelijk hoogstaand druivensap — maar ik haal er mijn neus niet voor op. De Domaine Langlois, Château Saumur Vieilles Vignes uit 2004, wat zal ik er eens van zeggen? On sent toute la puissance des vieilles vignes et les agrumes bien mûrs d'un millésime ensoleillé. Au nez comme en bouche le fruité est bien présent, en dat was ook zo. C'est volumineux (bwa), souple (jawel), minéral avec une petite pointe de fraîcheur (dus dat was ik er aan proefde: iets mineraals), en ja: la finale est soutenue et ça évolue bien. Z'n pakweg 20 euro wel waard, denk ik toch.

    NIet dat ik dat hoefde te betalen. Maar De Standaard had de tafel gekocht, en met DS nog een heleboel anderen ook. Amerikaanse toestanden zei iemand op de receptie vooraf (met Champagne Jacques Mosaïque) — dus misschien alvast een blik in de toekomst wanneer de politiek heeft besloten dat kunst en cultuur niet meer tot haar verantwoordelijkheden behoort en overgelaten dienen te worden aan het particulier initiatief i.c. het bedrijfsleven. Er waren voorlopig nog voldoende politici die zich breed maakten aanwezig, en verder belangrijk ogende lieden uit een heel andere tak van sport dan de literatuur. En dan waren er natuurlijk de sprekers, sprekers die in het rijtje Patrick Janssens, Mark Eyskens, Frits Bolkestein, Louis Tobback, Piet van Eeckhaut, Steve Stevaert, Yves Leterme, Kris Peters, Rik Torfs, Job Cohen, Cathy Berx, Guy Verhofstadt, Mike Verdreng, Herman Van Rompuy en Phara de Aguirre (alle voorgaande sprekers) niet mochten misstaan. Dus had men prof. dr. Jan Peter Balkenende en minister van justitie Annemie Turtelboom uitgenodigd. 

    benefietdiner2012_be.jpg


    Toch jammer, dat spreken tussen de gangen door. Het eten liet door alle breedsprakigheid nogal op zich wachten. En laat ik het zo zeggen: de toespraken waren van een dusdanig niveau dat het je van lieverlede op begon te vallen dat het eten wat lang op zich liet wachten. Amusant, soms (Balkenende, die ondanks zijn imago weet hoe je moet scoren). Een beetje saai ook (Turtelboom). Maar in beide gevallen was duidelijk dat het Elsschotonderzoek met deze beide bijdragen niet heel erg opschoot. Zowel Balkenende als Turtelboom (die laatste op een wel heel hinderlijke, tamelijk humorloze manier) deden vooral hun best om van Elsschot Alfons De Ridder te maken, iemand die eigenlijk in het diepste van zijn diepste ziel een ondernemer was voor wie de literatuur onmogelijk iets anders geweest kon zijn dan de franje die het ook voor de sprekers zelf was: een geschikte aanleiding om eens te dineren met gelijkgestemden en er een goed gevoel aan over te houden, het gevoel van wederzijdse belangrijkheid. Dat Peter Vandermeersch beide sprekers met venijnige typeringen inleidde (ook hier: de introductie van Balkenende was als conférence een stuk beter geslaagd dan die van Turtelboom), was deel van de code van de avond.

    Literatuur i.c. Elsschot als het inmiddels gebruikelijke schaamlapje voor neoliberale onderonsjes van prestigieuze lieden op een prestigieuze plaats. Ik vraag me soms af of het Willem Elsschot Genootschap nog iets anders doet dan dat. Het genootschap zelf omschrijft haar doelstelling als: 'de studie van de persoon Alfons De Ridder en van het werk van de auteur Willem Elsschot; het ontsluiten van het literair en zakelijk archief en de bekendmaking van zijn werk'. Het kan heel goed zijn dat de bijeenkomst in Antwerpen daar het nodige aan heeft bijgedragen. Ik had al vrij snel door dat ik er vooral was voor dat eten en voor het gezelschap aan mijn tafel, ook al moest dat tussen de gangen door net als ik zwijgen. Maar tussen de speeches door konden we praten over wat er wel toe deed. Eindelijk.

    Maar ik herhaal: een gegeven paard kijkt men niet in de mond. In Het geluk van de kunst (ik rondde het boek maandag af en hoop dat het nu snel zal verschijnen) stel ik meermalen dat schrijvers niet langer de pretentie kunnen hebben terzijde van de samenleving te staan. Welaan. Welkom in de samenleving, zo dacht ik gisterenavond.    


  • Pin it!

    Berg & Dal

    Terwijl ik ergens in de groene rand rond Brussel van goede wijn zat te proeven, bleek ik op de radio te horen. De opnames voor het programma Berg & Dal, met Pat Donnez, werden een paar weken geleden gemaakt, en blijkbaar heb ik niet helemaal goed opgelet toen me werd gezegd wanneer het uitgezonden zou worden. 18 maart, had ik verstaan. Het bleek vandaag. Het begint op 6 minuten, 20 seconden…