• Pin it!

    Verbaal

    Vorige week maandag schreef Wim Verbaal, professor Latijnse taal- en letterkunde aan de universiteit Gent, een aangenaam kalme bijdrage aan het debat over onderwijs en onderwijshervormingen — een debat dat traditiegetrouw vooral in de eerste dagen van september wordt gevoerd en dat deze keer nogal verhit raakte door maar weer eens wat halsloze uitspraken van onderwijsminister Smet: over leerkrachten die zich nog in de negentiende eeuw wanen.

    Smet is een vlerk. Hij zou op 19de en vroeg 20ste eeuwse wijze in de hoek gezet moeten worden met op zijn hoofd een puntmuts met daarop het woord 'EZEL'. Een man van rond de veertig die nooit een klas vanbinnen ziet en zich enkel beroept op onderzoekjes van organisaties wier werkelijke bedoelingen en vooronderstellingen hij niet schijnt te bevragen (de OESO over onderwijs? Ja, drie keer raden waar dat op neerkomt…), zo'n snotneus weet zeker dat de leerkrachten, die dagelijks tussen erg 21ste eeuwse kinderen in de werkelijkheid staan, negentiende eeuwse opvattingen over het onderwijs koesteren. Mijnheer de minister behoort tot het contingent pedagoochemerds dat meent dat klassikaal onderwijs niet meer aansluit bij de belevingswereld van de leerling en vergeet dat de leerkrachten die nu voor de klas staan allemaal wel inzien dat altijd klassikaal onderwijs geven niet altijd even effectief is, minstens even weinig als helemaal nooit meer klassikaal lesgeven wanneer het onderwerp daar om vraagt. Dat er meerdere didactische werkvormen zijn, weet de gemiddelde leerkracht maar al te goed — en dat het ontstaan van nieuwe werkvormen niet betekent dat je oude, beproefde methodes meteen maar overboord moet gooien, is iets wat je als leerkracht al heel snel leert.

    Enfin, precies dit soort verhitte reacties bedoel ik natuurlijk. En binnen de met mij van verontwaardiging speekselende en briesende lieden die onderwijs toevallig nogal belangwekkend vinden, schreef Verbaal heel kalmpjes over onderwijs in de klassieken en dat de vraag niet was wat het nut van bijvoorbeeld Latijn en Grieks eventueel nog zou kunnen zijn, maar welke burgers we uiteindelijk in welke samenleving willen hebben. En dat die vraag in het huidige denken over onderwijs blijkbaar op een nogal andere manier wordt beantwoord dan voorheen. Hij schreef:

    De vraag is of we de wereld willen waarop dit nieuwe onderwijs voorbereidt, waarin niet het individu centraal staat maar economische groei. Ook of dit het onderwijs is dat de jeugd zelf wil. Er zitten 'te weinig studenten in de juiste richtingen' zegt André Oosterlinck (DS 25 augustus). Dit zegt veel. Jongeren kiezen massaal voor 'verkeerde', dus niet economisch bepaalde richtingen. Zij zien zich blijkbaar niet louter als raderen in een planeconomie. Een evenwichtigere verdeling tussen verbredende en technisch-wetenschappelijke vorming in het ASO komt de latere studiekeuze ten goede en leidt tot een maatschappij, waarin economische groei en gespecialiseerde kennis rusten op sterke individuen met een brede visie, die niet alleen produceren maar ook weten wat waardevol is.

    Dat is inderdaad waar het om gaat. En dat jongeren het misschien met die op enkel nut, rendement en productiviteit gerichte wereldoriëntatie van ook een zich sociaal-democraat wanende Smet niet eens zijn omdat ze voor andere, 'verkeerde' richtingen kiezen zou een minister die zo begaan is met 'de belevingswereld van de leerling' eens tot nadenken moeten dwingen. Of is die 'belevingswereld' alleen 'belevingswereld' als hij samenvalt met wat overeenstemt met wat de neoliberale werkelijkheid als 'belevingswereld' voorschrijft?

    Hulde aan Verbaal dus, die hier trachtte de discussie in het juiste vaarwater te krijgen door de juiste vraag te stellen — een politieke vraag uiteindelijk: om welke 'werkelijkheid' moet het gaan?

    Vandaag gaat Verbaal echter ernstig onderuit. Vandaag schrijft hij in een stuk in De Standaard niet dat uit de studiekeuze van jongeren misschien afgeleid mag worden dat zij een andere wereld verlangen dan de André Oosterlincks en andere serviele dienaars van de neoliberale gedachte wenselijk achten, maar dat leerlingen die uit het leven stappen het beste bewijs zijn voor het falen van "beleidsmensen, politici, onderwijsverantwoordelijken en mediafiguren, die voortdurend beslissingen nemen en een wereld vorm geven, waarin zovele jongeren niet meer willen leven".

    Verbaal maakt hier van alle jongeren die uit het leven stappen martelaren voor een andere, een betere wereld dan die waarin we nu leven — en dat lijkt mij een generalisatie te veel. Zijn stuk komt voort uit zijn persoonlijke gescholktheid omdat hij in de afgelopen tijd al twee keer geconfronteerd werd met de zelfmoord van (ex-)studenten, van jonge mensen die het leven nog voor zich hebben, zoals dat heet. Het is heel goed mogelijk dat die jongeren tegen het leven kozen dat wij volwassenen hen als enige keuze hebben overgelaten — hoezeer er onder die volwassenen nog voldoende zijn die dat leven te beperkt vinden — maar het enige wat we met zekerheid kunnen zeggen is dat zo'n jongere tegen zijn eigen leven koos, en dat omvat meer dan de sociaal-economische en politieke vorm die het in de openbaarheid heeft en die de huidige generatie volwassenen in politiek en daarbuiten als de enig mogelijk voorstelt (al is ze dat niet). Het gaat hier om de situation vécue, schreef Jean Améry in Hand an sich legen. Diskurs über den Freitod, "die niemals volkommen mitteilbar ist, so daß jedesmal, wenn einer stirbt von eigener Hand, oder auch nur zu sterben versucht, ein Schleier fällt, den keiner mehr heben wird, der günstigenfalls so scharf angeleuchtet werden kann , daß das Auge ein fliehendes Bild erkennt".

    Feit is, aldus onderzoeken die Tony Judt aanhaalt in Het land is moe, dat de meritocratie die hand in hand gaat met de neoliberale economische visie en de daaruit voortkomende grotere ongelijkheid tot hogere zelfmoordcijfers heeft geleid in landen waar die principes al enige decennia als wetmatigheden worden verkocht. Maar zelfs met die onderzoeken in het achterhoofd is het te kort door de bocht om de zelfmoord van jonge mensen alleen op dat conto te willen schrijven. Het brengt schade toe aan datgene waartoe de principiële vraag in Verbaals eerste stuk had moeten leiden: een serieuze bezinning op de vraag of de samenleving die we in hoog tempo aan het bouwen zijn — en die niet alleen van mensen enkel consumensen maakt, maar in mijn ogen zelfs een einde stelt aan wat we democratie noemen — de samenleving is die we willen.

  • Pin it!

    Het Juiste Schrijverschap?

    Vandaag in De Standaard nog maar eens een poging gedaan om naar aanleiding van de boekenbeurs van Beijing en de aanwezigheid van een contingent Hollandse schrijvers aldaar de positie van de literaire auteur anno nu opnieuw te denken — of dan toch ten minste de spagaat te laten zien die vandaag de dag van een literair auteur wordt verwacht: zijn rol blijven spelen van 'wetgever van de wereld' terwijl zijn morele en andere overwegingen binnen de huidige samenleving van geen tel meer lijken te zijn. Dat laatste maakt die roep uit artistieke middens om 'vrijheid vrijheid vrijheid' tot een vergeefs gebaar. Een schrijver of kunstenaar kan zich niet meer beroepen op zijn tegendraadsheid en het daarmee verbonden recht op absolute, artistieke vrijheid, als die tegendraadsheid hoogstens nog verkoopsargument is in een puur economische benadering van kunst en literatuur. Ik stelde hier al eerder: als het om literatuur gaat en alles waarvoor ze, ook in mijn ogen, staat en moet staan, ben ik in de rouw — niet ongelijk Žižek het uitwerkt in Living in the End Times (2011).

     

     

    OPI3_GBL3F1K1V.1_FO_08_CARTOON.jpg.275.jpg

    In de krant vandaag dus dit:

    Het Juiste Schrijverschap

    China ligt ook in Nederland

    Het is verbazingwekkend, dat grote morele gezag waar schrijvers zich op beroepen in die China-discussie. Voor MARC REUGEBRINK ging die hele missie maar over één ding: omzet halen door boeken te verkopen.

    Er is weer eens iets met schrijvers. In het Nederlandse tv-programma De wereld draait door zaten afgelopen maandag Herman Pleij en Ramsey Nasr tegenover onder anderen P.F. Thomése en er werd flink en wild door elkaar heen gepraat over het bezoek van de eerste twee aan de boekenbeurs in Peking. Marcel Möring stelde in deze krant al de hypocrisie van de deelnemende Nederlandse auteurs aan de kaak die geweigerd hadden om in te gaan op het verzoek van Amnesty International om een speldje te dragen met aandacht voor de censuur in China (DS 5 september). En de reactie van de China-gangers op de kritiek die vervolgens losbarstte in het thuisland aan zee had veel weg van een spartelende duivel in een wijwatervat. Het zaad van de twijfel zou hij zaaien, zo stelde een plotseling wat pathetisch klinkende Bernlef. En Margriet de Moor rekende op datgene waarvan geen van haar eigen boeken tot nu toe ook maar het geringste spoor vertoont: op het ondermijnende karakter van literatuur.

    Ook het gekrakeel in De wereld draait door leek vooral bedoeld om de weigering openlijk kritiek te leveren op wat je het cultuurbeleid van China zou kunnen noemen, alsnog van allerlei nobele motieven te voorzien: men had heus wel met Chinese auteurs gesproken, auteurs die allemaal blij waren met de Hollandse aanwezigheid; men was in stilte bezig geweest met de Goede Zaak. Kritisch zijn en opkomen voor absolute artistieke vrijheid zijn nu eenmaal waarmerken van Het Juiste Schrijverschap en wie in een discussie over koopmanschap en schrijverschap aan de zijde van de middenstand dreigt te belanden, heeft feitelijk afgedaan. In die zin was het makkelijk scoren voor thuisblijver Möring.

    Ha! Een dictatuur!

    Ik denk dat geen van de in Peking aanwezige Nederlandse schrijvers instemt met de Chinese gewoonte kritiek hardhandig de mond te snoeren. Niet alleen omdat ze ongetwijfeld allemaal het hart op de juiste plaats hebben zitten. Maar ook omdat China nog een van die landen is dat ons door zijn hardvochtige beleid het idee geeft dat onze eigen artistieke vrijheid überhaupt nog iets betekent. Vroeger hadden we het Oostblok nog, en Zuid-Afrika. Nu is China bij uitstek geschikt om aan literatuur het belang te geven dat het hier allang niet meer heeft. In eigen land heeft de artistieke vrijheid, de spreekwoordelijke ‘tegendraadsheid' van de auteur, er immers enkel toe geleid dat niemand nog naar een schrijver luistert – hij of zij doet maar.

    Wat de hele handelsmissie naar Peking in de eerste plaats duidelijk maakte, was dat het niet ging om het aan de man brengen van de van oudsher met literatuur in verband gebrachte emancipatoire inhoud, om het humanistische levensideaal, maar om de verkoop van boeken. De rol van het Nederlands Letterenfonds is hier op zijn minst wat dubbelzinnig. Dat Fonds heeft, net als het Vlaams Fonds voor de Letteren, onder andere tot taak om ‘marktcorrigerend' te zijn. In die zin staat het voor de verdediging van de literaire cultuur die in onze samenleving al grotendeels opzij is geschoven. Maar tegelijkertijd hebben de letterenfondsen zich ten doel gesteld om de nationale literatuur in het buitenland te promoten en begeven ze zich dus zelf op de markt. Dat betekent: ze nemen de bestverkopende schrijvers mee, en dat zijn vaak de schrijvers die goed liggen bij de media en het publiek en dus ook bij de boekhandel. Of dat ondanks of dankzij de morele voortreffelijkheid van hun werk is, doet verder niet terzake.

    Die van de markt

    Literatuur vormt allang niet meer het geweten van de samenleving; ze is nog uitsluitend koopwaar. En alleen de literatuur die het best aansluit bij wat de markt op een zeker moment verlangt (het is overigens niet duidelijk wat dat precies is), is nog van belang. Maar tegelijkertijd moet de schrijver – ook in de ogen van het publiek, of dan toch ten minste van de media – blijkbaar wel zijn rol van romantische held blijven vervullen. Van hem wordt verwacht wat het thuisfront nu van de China-gangers verwachtte: een rücksichtslose verdediging van waarden die de rest van de samenleving allang bij het vuilnis heeft gezet. En hij verwacht het ook van zichzelf.

    Als het daarom gaat, hadden de Nederlandse auteurs (maar dan ook allemaal) sowieso moeten weigeren om af te reizen — niet vanwege de Chinese censuur, maar vanwege de aanwezigheid van de Nederlandse staatssecretaris voor cultuur Halbe Zijlstra, een man die openlijk toegeeft van cultuur de ballen verstand te hebben en die elke culturele waarde flauwekul vindt als ze niet als worst verkocht kan worden. Men lijkt het niet te zien, maar die man is Neerlands eigen China.

    Schrijvers als Möring, maar ook de China-gangers die hij hypocriet noemt, zien hun eigen positie niet goed. Ze bepleiten elders – openlijk of achter de schermen, met of zonder speldje – een vrijheid die in hun eigen cultuur nu juist heeft gezorgd voor onderhorigheid aan de dictatuur van de markt, zich beroepend op een moraliteit die buiten de eigen kring van geen tel meer is. Hun bestaan als schrijver staat echter inmiddels los van die morele overwegingen: dat is nog slechts windowdressing. Wat telt is hun economische waarde – of ze zich dat nu bewust zijn of niet (ook Marcel Möring behoort immers tot de ‘bekende schrijvers' en ontleent daaraan voor een deel zijn gezag). Dat is hun realiteit, hoe bitter ook ik dat vind. Het is van daaruit dat een literaire schrijver vandaag de dag moet beginnen te denken – ook, júíst als hij de wereld wil veranderen. Het eerste wat dan wel eens zou kunnen sneuvelen is die eis van een ongebreidelde artistieke vrijheid.

    ---

    Intussen werd gisteren in Passa Porta in Brussel het nieuwe essayboek van Hugo Bousset boven het doopvont gehouden, Vurige tongen. Essays over romans na 11 september. Daarin onder andere een mooi essay over Het grote uitstel geplaatst naast en tegenover Ian McEwans Aan Chesil Beach. Ik mocht, samen met Yves Petry, de verschijning luister bijzetten door iets voor te lezen. Al eerder die dag las ik het typoscript van een fantastisch boek dat misschien al dit najaar, maar mogelijk ook pas in maart zal verschijnen — Over de vriend van Piet Joostens, een erudiete, maar nooit academistische verhandeling, vaak blijk gevend van een fijnzinnige humor en een gezond relativeringsvermogen terwijl het steeds zichzelf volkomen serieus blijft nemen in het omwoelen, lostrekken, problematiseren en belichten van 'de vriend' en de vriendschap. Beide boeken zijn buitengewoon relevant, en als er in de huidige samenleving ook nog maar iets van de literaire cultuur overeind zou staan, dan zouden we voor beide boeken niet zo'n moeite hoeven te doen om een context te vinden waarbinnen het belang van die boeken voor iedereen duidelijk gemaakt kan worden.


  • Pin it!

    Nationalisme en sociaaldemocratie

    En ik die dacht dat instemming met wat Tony Judt in Het land is moe zo helder analyseert en betoogt tot misschien niet meteen een duidelijke voorkeur voor één bepaalde partij zou (moeten) leiden (de SPA lijkt voorlopig zelf nog ver verwijderd van wat Judt schrijft, ook al vertelde Caroline Gennez me vorig jaar tijdens het gesprek dat ik met haar had op de boekenbeurs in Antwerpen dat ze Judt tot verplichte literatuur had gemaakt voor iedereen op het partijbureau) — maar dan toch minstens een keuze voor bepaalde andere politieke partijen zou uitsluiten: kort na voorgaand bericht kreeg ik een midden in de nacht geschreven mail van Herman Jacobs die me nogal verraste. Ik vroeg hem in mijn antwoord de volgende dag of ik die mail van hem niet hier mocht overnemen, samen met mijn antwoord daarop. Dat mocht, na nog wat opkuiswerk van zijn oorspronkelijke mail. Ik geef hem hieronder weer:

    From: Herman Jacobs 
    Sent: Wednesday, August 31, 2011 1:49 AM
    To: Marc Reugebrink 
    Subject: Gemengde berichten

    Beste Marc,

    Ik heb hier eigenlijk volstrekt geen tijd voor, maar ik wilde toch even kort reageren op je laatste blogbericht, met name op wat je te melden hebt over dat interview met Van Reybrouck en BDW in het nieuwe DS Weekblad.

    Tony Judt! Jazeker! Ik heb tijdens mijn vakantie vorige maand ‘Het land is moe’ gelezen, en verdomd als het niet waar is: zo denk ik er, voor 95%, ook over. En toch is mijn keurige verantwoorde sociaal-democratische stem naar BDW gegaan, meer dan een jaar geleden, en zal ze dat eerlang opnieuw doen, zo vast als een op palen boven water staand huis. En dat komt niet doordat ik plotseling in een neoliberaal ben veranderd – dat komt door ‘het Belgisch feit’, zoals dat hier heet.

    Sta me eerst een omweg toe. Ik ben een Vlaming – jij bent een Nederlander. Je zult, neem ik aan, geen behoefte voelen het tegen te spreken: jij bent het laatste, en ik het eerste, en niet omgekeerd. Ik ben, eventueel, een vernederlandste Vlaming (in die zin dat ik Nederlands schrijf, en geen francobelgisch, ook wel ‘Vlaams’ genoemd – mij zul je geen mensen zien ‘voorbijsteken’ als ik ze inhaal ;-) –, en dat ik evenveel, of zelfs meer, Nederlandse kranten en bladen lees dan Vlaamse, en nog wel een paar van zulke dingen). Jij bent, wellicht, een vervlaamste Nederlander. Goed. Voor geen van ons beiden, neem ik aan, is die geografisch-taalkundig-cultureel-historische component van allesovertreffend belang voor onze identiteit – maar het is er wel een component van. (Tussen haakjes, hoe het met jou zit weet ik eigenlijk niet helemaal zeker, maar ik heb in ieder geval een identiteit, ja.) Voor geen van ons beiden, neem ik aan, is dat Vlaming- dan wel Nederlander-zijn iets exclusiefs: ik vind niet dat zus-of-zulke mensen wél en andere dan weer níet Vlaming zouden mogen worden, noch vind ik dat Vlamingen per definitie betere mensen zijn dan andere volksstammen, noch koester ik de dwaze opvatting dat er onoverbrugbare tegenstellingen zouden bestaan tussen het Vlamendom en de Hollanderij, de Fransozerie of het Eskimowezen – al zijn er, uiteraard, wel degelijk verschillen. Ik ben er niet speciaal trots op Vlaming te zijn, God nee – noch het omgekeerde: ik ben het nu eenmaal, domweg, net zoals ik een man ben en geen vrouw, blank en niet zwart, liefhebber van literatuur en niet van Formule 1, enz., enz. Maar: ik ben het dus wel, en wat dat betreft vind ik dat gezanik van ‘identiteiten zijn mentale constructies’, ehhh, gezanik dus. Wat bedoel je daar in vredesnaam eigenlijk mee? Iets pejoratiefs, dat is zeker; ‘identiteiten zijn niet koosjer’, meen ik erin te proeven, maar dat vind ik dus echt onzin, neem me niet kwalijk dat ik het zeg.

    Deze omweg had ik nodig om tot dit punt te komen: als Vlaming ben ik het huidige België zo langzamerhand spuugzat. Ik heb er geen behoefte aan, me te laten minachten door mensen die zich te goed voelen om mijn taal te leren, en ik bedoel: écht te leren (dus niet zoals Joëlle Milquet en vergelijkbare creaturen: dat kakkineuze takkewijf is ervan overtuigd dat ze Nederlands kan spreken, quod non), maar zich er dan weer allesbehalve te goed voor voelen om permanent hun hand op te houden, sterker, het doodgewoon vinden dat wij betalen en zij ontvangen. Il y a des maîtres et il y a des domestiques, n’est-ce pas? Zolang de Vlamingen braaf allemaal behoorlijk Frans bleven leren en geen vragen stelden bij het financiële infuus waarvan zij de overige Belgen nu al ten minste 44 jaar lang permanent voorzien, was voor Belgen à la Milquet de wereld, of dan toch la Belgique, zoals zij bedoeld was: een plek waar Franstaligen toch net ietsje more equal zijn dan niet-Franstaligen. (Ik vertel, hoop ik, niet verrassends als ik zeg dat België wezenlijk een Franstalige constructie is, dat het dat tot de huidige dag ook gebleven is, ondanks alle bricolage à la belge die er sinds een jaar of vijftig aan te pas is gekomen, en dat het land precies daaróm in zijn huidige vorm niet anders kan dan verdwijnen: er zijn ondertussen werkelijk te veel Vlamingen zoals ik, die geen Franstalige constructie meer blieven als vaderland.) Welnu: wij zijn, chers compatriotes, geen kolonie meer, en vooral zijn wij er écht, sans blague, zéér ontstemd over, om het mild uit te drukken, dat jullie dat maar niet willen begrijpen – waarom zouden jullie anders nog áltijd niet willen accepteren dat er, op 1 september was dat exact achtenveertig jaar geleden, zoiets als een taalgrens is vastgelegd in dit land? Waarom snappen jullie niet dat zelfs de loutere wens om die taalgrens waar dan ook met al was het tien centimeter te verleggen een uiting is van puur neokolonialisme en een eclatant gebrek aan respect voor – voor mij, bijvoorbeeld? Blijf van mijn land af, stelletje negentiende-eeuwse parasitaire bourgeois dat jullie zijn.

    Om die reden dus zal mijn stem nog tenminste éénmaal naar Bart De Wever gaan, hoe rechts hij helaas ook is, en ondanks alle terechte bezwaren die er verder tegen de N-VA kunnen worden aangevoerd. Dat ‘de mensen daar niet mee bezig zijn’, zoals die verschrikkelijke Gennez niet moe werd te verkondigen in verband met BHV: dat is een infame NIMBY-uitspraak van iemand die het blijkbaar doodgewoon vindt om een streek waar zij zélf, inderdaad, niet woont, te weten Vlaams-Brabant en dan met name het gebied ten zuidwesten, zuiden en zuidoosten van Brussel, te laten koloniseren. Al die dappere progressieve weltoffene Vlaamse intellectuelen die zo dolgraag verkondigen dat zij al dat getamboereer op de Vlaamsche trom gênant Hinterwäldlertum vinden (niet dat ze dat woord kennen, je moet van dappere progressieve weltoffene Vlaamse intellectuelen ook weer niet het onmogelijke vergen) en of dat ‘gedoe’ over BHV ‘alsjeblieft’ eens kan ophouden: niet één ervan is er die in Sint-Genesius-Rode, in Linkebeek, in Wezembeek-Oppem, in Tervuren, in Overijse, in Pede, in Hoeilaart, in Beersel, in Huizingen, in Halle, in Huldenberg woont. Niet één ervan is er die de moeite heeft genomen eens te kijken waar het wérkelijk over gaat: te weten over verdringing, over allesbehalve solidariteit, over het tegendeel van respect -- over kolonialisme, al dan niet neo. En dat noemt zich dan links!

    Jazeker, de emootsie blaast een partijtje mee in mijn betoog. Ik heb, heus, niets tegen Franstaligen an sich. Ik ben niet per se voor Vlaanderen of tegen België – ik ben alleen niet vóór het België dat, steeds weer, je kunt er gif op innemen, uiteindelijk altijd komt aankakken met Adolf H. als je het er niet mee eens bent dat sommige Belgen kennelijk vinden dat zij sommige Belgische wetten niet hoeven na te leven. Ik deel niet de mening van hen die zichzelf zeer vooruitstrevend achten door genoemde sommige Belgen de facto gelijk te geven. En Franstalige Belgen zoals Milquet, die opgeblazen drie burgemeesters-uit-de-Rand, het kereltje Nollet e tutti quanti: die mogen van mij rustig tien meter in de stront zakken, ja. Maak daar twintig meter van.

    Vriendschappelijke groet,
    Herman

    In mijn antwoord haal ik een aantal zaken aan dat op deze weblog herhaaldelijk, soms in min of meer dezelfde bewoordingen, al aan de orde kwam. Wat ik uiteraard alleen maar kan proberen te begrijpen, is wat bij iemand als Herman Jacobs dat begrip voorbij is: de emotie die hier in het spel is. Mijn opmerking hieronder dat ik wel eens 'een paar weken' in de rand rond Brussel verbleef, geeft al aan dat ik de werkelijke diepte van de irritatie, de woede zelfs, maar moeilijk kan peilen.

    Van: Marc Reugebrink 
    Datum: Wed, 31 Aug 2011 13:01:12 +0200
    Aan: Herman Jacobs 
    Discussie: Gemengde berichten
    Onderwerp: Re: Gemengde berichten

    Beste Herman,

    Om je gerust te stellen: ook ik heb een identiteit. Ik heb daar recentelijk nog uitgebreid over geschreven. In De Morgen verscheen op 9 maart een stuk dat door de koppensnellers op de redactie voorzien was van de titel ‘Heimwee van een valse Belg’ (je vindt die versie op http://reugebrink.skynetblogs.be/archive/2011/03/10/het-geluk-van-heimwee-of-de-onmogelijkheid-om-belg-te-zijn.html), maar dat ik had ingediend onder de titel die het wél kreeg in Beste buren, een boekje dat bij uitgeverij Luster verscheen en waarin een uitgebreide versie van hetzelfde stuk staat: ‘Het geluk van heimwee of de onmogelijkheid Belg te zijn’. In dat stuk staat o.m. dat ik me nooit de cultuurrelativistische kosmopoliet heb gevoeld die je als westerse intellectueel aan het begin van de 21ste eeuw blijkbaar moet zijn om mee te tellen. Ik ben altijd op zoek geweest naar begrenzing, maar heb dat wel altijd gedaan vanuit het besef dat de absolute legitimering voor dergelijke begrenzingen niet langer gevonden kan of zelfs mag worden (cf. WO 2, om het zo maar even te zeggen), en dat dus het verlangen naar begrenzing een niet ongevaarlijk sentiment is omdat het in het huidige vacuüm meestal neerkomt op een verlangen naar weer zo’n absolute grens (enfin, De inwijkeling gaat o.m. daarover).


    Ik ben nooit ‘een Hollander’ geweest. Geboren in Twente, waar ik 17 jaar woonde, daarna gestudeerd in Groningen en daar eveneens ruim 17 jaar verbleven, waarna nog bijna 3 jaar in Leeuwarden — het maakt dat je al met een afkeer voor de typische Hollander geboren wordt: die bemoeizuchtige, zichzelf eindeloos overschreeuwende, blaaskakerige betweters die zich het centrum van de wereld wanen en, vanwege hun in se protestantse of zelfs calvinistische inborst, ook nog menen dat ze voorop mogen lopen als voorbeeld van hoe het hoort. Het kosmopolitisme van de gemiddelde Amsterdamse culturo bestaat eruit dat hij zelden het grondgebied van Amsterdam verlaat en zich niet kan voorstellen dat er daarbuiten leven is. Zijn dédain voor alles buiten de eigen stadsgrenzen is enorm, en feitelijk beschouwt ‘het westen’ de rest van het land als een wingewest: eerst de mijnen in Limburg (waar de bevolking verder royaal in de stront mocht zakken), later het gas uit de provincie Groningen (die daar ook nooit werkelijk iets voor heeft teruggezien in termen van infrastructurele werken of economische impulsen). Het dédain voor Vlaanderen is minstens even groot, al was het maar omdat de gemiddelde Nederlandse randstedeling zich er nooit in verdiept en nog steeds schijnt te denken dat Vlaanderen ‘toch lekker gesellig bij Holland ken komme, niet dan, ja toch?’


    Geen ‘hOllander’ dus. ‘Nederlander’ is dan misschien inderdaad een goed woord om mij te omschrijven, zij het dat ik sinds oktober vorig jaar Belg ben. Ik heb mij laten naturaliseren tot Belg. Een hele stap, vinden sommigen, maar voor mij eerder een pragmatisch gegeven. Ik heb me al die tijd dat ik nu hier woon (13 jaar inmiddels) geërgerd aan het feit dat de Belgische staat, de provincie Oost-Vlaanderen en de gemeente Gent wel gaarne belasting van mij ontvingen, maar daar (op de gemeente na) geen stemrecht voor retour gaven. Als ik hier moet betalen, dan wil ik ook meebeslissen over wat er met ‘mijn geld’ gebeurt. Dat kan voorlopig alleen als je onderdaan wordt. Op zich vind ik dat een belachelijke regeling, zeker als je het ziet in het perspectief van een verenigd Europa e.d. Het lijkt me dat je moet kunnen stemmen in het land waar je je belastingen betaalt, ongeacht je nationaliteit, en niet omgekeerd.


    Nationale identiteit (en daar gaat mijn stuk over heimwee ook over) is een emotioneel gegeven. Ik merkte dat toen ik vorig jaar was uitgenodigd om in Groningen iets op een literair festival te komen doen. Ik ontmoette er twee vriendinnen van jaren her. Toen ik zei dat ik net Belg geworden was, reageerde er één met ‘landverrader!’ En dat was gemeend. Ik bedoel maar. Natuurlijk zit in dat woord een politieke component, en dat is nu net waar het bij nationale identiteit wat mij betreft niet om gaat. Het gaat erom dat ik mijn boterhammen het liefst met mes en vork eet. Het gaat erom dat ik graag dagverse melk drink. Het gaat erom dat ik — beslist níét religieus opgevoed, nooit in een kerk geweest vroeger — in mijn denken en voelen er blijk van geef een in se protestants rechtvaardigheidsgevoel en daarmee tevens een protestantse gelijkhebberigheid te bezitten die met het eindeloze (dan meteen: katholieke) gesjoemel van de Vlaming (de Belg) niet overweg kan (iemand legde me ooit eens uit dat het niet om gesjoemel ging, maar om het vermogen dialectisch te denken, iets wat ik dan weer niet zou kunnen — uiteraard was dat een Vlaming en ik heb er hartelijk om moeten lachen). Het gaat om omgangsvormen ook, om mijn afkeer van de Vlaamse onderdanigheid, zijn serviliteit, die van hem niet zelden een hond maakt die met de oren plat tegen de kop kwispelt, maar in je kuiten bijt zodra je je omdraait. Al moet gezegd dat de Hollandse ‘spontaneïteit’ en ‘directheid’ me ook mijlenver de keel uithangt, dat maar zeggen wat je voor de bek komt zonder dat er ook maar een moment van reflectie aan vooraf is gegaan, zonder dat de deugd van de terughoudendheid is betracht. Maar serviel, nee dat ben ik niet. Ik sta op respect, en agenten met wie ik het aan de stok heb gehad krijgen op een zeker moment van mij ook altijd de vraag of ze me hun naam en dienstnummer willen geven omdat ik de hondse behandeling waaraan ze me menen te kunnen onderwerpen niet pik en ze dus kunnen rekenen op een fikse klacht (met die ‘brutaliteit’ heb ik het tot nu toe steeds gered, vooral ook omdat ik zoiets heel rustig vraag). En mijn in die zin Nederlandse inborst maakt ook dat ik multiculturaliteit niet zie als geitenwollensokkengezelligheid, maar als in se een conflictmodel waarbij mijn (westerse) vooronderstellingen en overtuigingen staan tegenover die van de andere cultuur. Dat blijkt meestal tegelijkertijd neer te komen op een vorm van klassenstrijd (de conflicten hebben minder te maken met de islamitische achtergrond tegenover mijn, in de fond, christelijke achtergrond, maar met opvattingen over burgerlijk fatsoen). Ik ga die strijd niet uit de weg, discussieer met mijn wijkgenoten van Turkse en Bulgaarse afkomst en zie er ook niet tegenop om zo’n lul die met zijn busje een pmd-zak kapot rijdt erop aan te spreken en op zijn verontwaardigde gepruttel te antwoorden dat me niet interesseert of die zak ‘verkeerd’ lag — dat hij de rotzooi die het gevolg is van zijn manoeuvres op moet ruimen.


    Nationale identiteit schuilt wat mij betreft dus eerder in de concrete, alledaagse zaken — en die kun je slecht politiseren. Als je dat wel doet, kom je voor de Hollander met de clichés aan waarvan iedereen in Nederland weet dat ze nergens op slaan en die ook nooit werkelijk hard zijn te maken (de PVV van Wilders die refereert aan nationaliteit, maar nog nooit heeft kunnen uitleggen waaruit die nog meer zou bestaan dan uit afkeer voor wat een Nederlander over het algemeen niet van huis uit is: moslim). En voor Vlaanderen, voor België als geheel, geldt grosso modo hetzelfde. Daar zit voor mij de fout in De Wevers redenering. Hij heeft, naar eigen zeggen, aanvankelijk braaf achter de idee van een vastomlijnde identiteit aangehuppeld, om er vervolgens achter te komen dat die als zodanig niet bestaat. Dat is een vorm van intellectuele eerlijkheid die in hem te prijzen valt. Maar het betekent ook dat het bij die identiteit gaat om een veel vager conglomeraat van eigenschappen, gewoontes en eigenaardigheden, dat bovendien (ook in Nederland) per streek nogal grote verschillen kan laten zien. We moeten daar inderdaad niet hip links of links liberaal over doen en zeggen dat identiteit ‘dus’ niet bestaat. Ze bestaat, maar als politiek programma valt ze niet in te zetten, is ze zelfs gevaarlijk (ik verwijs voor het gemak maar wéér even naar WO 2, maar het kan ook de laatste Balkanoorlog zijn). De Wever zet desalniettemin in op dat discours en levert zo het recept voor een vaagheid waarvan hij electoraal profiteert.

    De Wever is geen Vlaamse Hitler. De gedachte alleen al is belachelijk. Dat hij zich daartegen moet verweren, geeft de onmacht en onbezonnenheid van klassiek links aan. Maar hij schept een sfeer die — niet voor jou, niet voor de lieden van de Gravensteengroep, maar bijvoorbeeld wél voor teleurgestelde Vlaams Belang-stemmers — het verlangen naar ‘een’ Hitler aanwakkert. Dat we nu eens komaf maken met: de Walen, de moslims, iedereen die geen ‘rechtgeaarde Vlaming’ is en die niet recht gaat staan voor de Vlaamse Leeuw.


    Ik schat De Wever intellectueel gesproken hoog in, hoog genoeg om hem er van te verdenken dat hij nu juist die vaagheid en het onbehagen van mensen die niet kunnen leven met de gevolgen van de secularisering van de samenleving gebruikt om stemmen te winnen. Wat hij voorstaat is misschien een onafhankelijk Vlaanderen, maar vooral een Vlaanderen waar ik geen deel van wil uitmaken omdat het iedere solidariteit tussen mensen kapot maakt. De Walen zijn een handige Kop van Jut om dat economisch en ook cultureel verderfelijke programma door te drukken.


    Voor de goede orde: ik vind dat Di Rupo voor Wallonië juist de ‘solidariteit’ gebruikt om het dédain van de Franstaligen voor de Vlamingen te rechtvaardigen.

    Ik begrijp ‘het Belgisch feit’ maar al te goed, maar beleef het uit de aard der zaak minder emotioneel. Ik verbaas me over het geharrewar over BHV, als het hier gaat om iets wat sowieso ongrondwettelijk is. Ik ken de situatie rond Brussel een beetje omdat ik er wel eens een week of wat verbleven heb, en zelfs ik, als niet-Vlaming, in de plaatselijke Delhaize geïrriteerd raakte door de wijze waarop sommige Waalse klanten meenden bij de kassa voorrang te hebben, of sommige winkeliers deden alsof ik stront was als ik in het Nederlands een broodje bestelde. De wijze waarop die ‘immigranten’ menen een beroep te kunnen doen op ‘democratie’ nu ze in sommige Vlaamse dorpen de meerderheid vormen, is hemeltergend in het licht van de wijze waarop die democratie in de daartoe bestemde organen aan banden wordt gelegd om, alweer, hen terwille te zijn. Als ze graag democratie willen, laten we ze dat dan geven: meeste stemmen gelden. BHV was allang gesplitst; er waren geen problemen met burgemeesters in de rand.

    Ik ben het dus onmiddellijk met je eens dat die taalgrens gerespecteerd dient te worden en dat wie zich in een gebied vestigt waar Nederlands gesproken wordt (of toch iets wat daaraan sterk verwant is), zich heeft aan te passen. Je kunt steggelen over de vraag of het bestaan van zo’n taalgrens niet sowieso een belachelijk gegeven is (bestaat dat in Zwitserland? Of vormen bergketens daar voldoende garantie tegen afscherming van de ene taalgemeenschap tegenover de ander? Laten we dan een berg bouwen!), maar dat is voorbijgaan aan de historische dimensie van België, en ook aan een historisch onrecht.

    Het punt is dat momenteel het een met het ander verward wordt, zowel aan Waalse kant als aan Vlaamse kant. De Wever én Di Rupo koppelen een politiek-ideologische tegenstelling (sociaal-democratie versus neo-liberalisme) aan taalpolitiek. Of eigenlijk moet je zeggen dat dat in de geschiedenis van dit conflect al altijd zo is geweest: Vlaams is rechts, Waals is links. Je snapt inderdaad niet dat de SPa niet al veel eerder juist dit thema voor links heeft geclaimd en haar eigen solidariteitsprincipe op dit punt toch wat gedetailleerder voor het voetlicht heeft gebracht: solidariteit met zij die het minder hebben, betekent niet dat er positieve discriminatie moet zijn die uiteindelijk leidt tot een kolonisatiepolitiek waar Israël nog een puntje aan kan zuigen.

    Enfin, lang verhaal Herman, om te zeggen dat ik je keus voor Bart De Wever heel goed kan begrijpen vanuit de door jou vlammend geformuleerde irritatie, een irritatie die ik evenzeer begrijp. Maar toch lijkt mij dat het respect dat je eist voor de taalgrens niet ten koste mag gaan van je sociaal-democratische stem. Of België België blijft of uiteenvalt in Vlaanderen en Wallonië — ik heb daar, als gezegd, uiteraard emotioneel veel en veel minder moeite mee dan diegenen voor wie hun nationale gevoel wél hier wortelt. Maar als immigant en ‘nieuwe Belg’, komend uit Nederland, kan ik alleen maar vaststellen dat een Waal en een Vlaming op dat vlak méér met elkaar gemeen hebben dan een Vlaming en een Nederlander. Tussen de laatsten is er sprake van een heus cultuurverschil; tussen de eersten van een ernstig taalverschil. Zo lijkt het voor mij. En ik kom hier nog maar net kijken natuurlijk.
    Allerhartelijkst,
    Marc

    Dit alles overlezend vraag ik me af of mijn bezwaren niet gewoon de nostalgie laten zien van iemand die graag wil dat politieke partijen alleen langs ideologische lijnen van elkaar te onderscheiden zijn, terwijl juist dat onderscheid na de Val van de Muur niet meer lijkt te bestaan.