• Pin it!

    Gemengde berichten

    Terwijl ik het nieuwe DS Weekblad nog zit te verteren en me afvraag of het nu werkelijk iets ánders toevoegt aan de krant of alleen maar een nieuw gecreëerde plek is om dat wat voortaan uit de reguliere krant wordt geweerd toch nog een plaats te geven, verwijst de berichtgeving van vandaag en gisteren in diezelfde krant me nog eens terug naar het opiniestukje dat ik begin juli over het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid schreef. 'Belg bij zwaar ongeval vaakst dronken en high', zo stond gisteren op de voorpagina; en vandaag gaat het over de mislukking van de invoering van het alcoholslot.

    Mijn stukje van begin juli bleef niet zonder respons. De directeur van het kenniscentrum van het BIVV, Miran Scheers, reageerde met nogal ambtenaarlijke en academische antwoorden op een aantal van mijn verwijten, en met het verdedigen van het gevoerde beleid door onder andere op het succes van de BOB-campagnes te wijzen: die campagne is immers 'door een rist Europese campagnes overgenomen'.

    screenshot_147.jpg

     

    Ik mocht hierop nog antwoorden met een brief (DS, 9 juli): 

    Miran Scheers toont zich in haar reactie op mijn stuk over de vaagheid van het BIVV een waardige vertegenwoordigster van haar eigen instituut. Want wat was me dat weer een — mag ik het zeggen? — typisch Belgisch staaltje van katholiek gesjoemel. De brave terrasganger die een pintje te veel drinkt moet anders benaderd worden dan iemand die zich de hele nacht in een disco laat vollopen. Als die brave terrasganger mijn dochter overrijdt, zal me die verschillende benadering worst wezen. Wie het jaarverslag van het BIVV leest, weet dat het instituut bevolkt wordt door ambtenaarlijke statistici en enquêteurs die hun uiterste best doen om voor iedere weggebruiker een totaal andere folder te ontwerpen. Als je neus van achteren zit en niet van voren krijg je een andere folder dan wanneer je neus opzij zit en niet van achteren. Daarmee wordt de indruk gewekt dat de ene weggebruiker recht heeft op een omzwachtelde benadering en de andere niet.  De boodschap lijkt te zijn dat er voor iedere weggebruiker andere verkeersregels gelden.

    Maar er valt met verkeersregels NIET te sjoemelen, dat is nu precies waar het om gaat. Er bestaat maar één weggebruiker: u, ik, en de schoften die ons links, rechts, in dronken toestand en met een gsm in de hand voorbijsteken. Voor de verkeerswet zijn we allemaal gelijk. En dan: als het BIVV het zo goed doet, zoals mevrouw Scheers beweert, hoe komt het dan dat er in België per miljoen inwoners nog steeds de meeste verkeersdoden vallen vergeleken met de ons omringende landen? Ja ja, er is een daling, zeker. En met de campagnes van het BIVV valt te verwachten dat we tegen Sint Juttemis van alle onheil zijn verlost zonder dat iemand zich ooit beledigd of aangesproken hoefde te voelen.

    Wat nieuw, Europees onderzoek nu aantoont is dus dat bij zware ongevallen de Belgische bestuurders het vaakst in min of meer beschonken toestand achter het stuur worden aangetroffen. Men mag nu niet zeggen dat dat de schuld van het BIVV is natuurlijk, maar duidelijk lijkt dat de halfzachte aanpak die werd ontworpen voor de wat oudere verkeersdeelnemer — een groep die met een harde aanpak niet bereikt zou worden, meende Scheers — bijzonder weinig vruchten heeft afgeworpen. Maar, nogmaals, dat krijg je als je in je campagnes de indruk wekt dat één en dezelfde wet door verschillende groepen geheel anders ingevuld mag worden. Het succes van de BOB-campagne waarop Scheers zich beriep, geldt alleen het concept als een soort exportwaar, niet de daadwerkelijke resultaten die ermee worden behaald als het gaat om de verkeersveiligheid.

    Het voordeel van kritiek leveren op zoiets als het BIVV is dat men al heel snel door de concrete situatie op de weg in het gelijk wordt gesteld. Voor wat het waard is.

    Terug naar DS Weekblad. De volgende passage in het editoriaal trok mijn aandacht. 'In DS Weekblad willen we journalistiek brengen waarvan wij vinden dat we die moeten maken,' schrijven Karel Verhoeven en Bart Sturtewagen, de twee hoofdredacteuren van De Standaard. En ze vervolgen:

    Journalistiek met een langere adem. Reportages waarvoor we ruim de tijd nemen. Portretten van hoofdrolspelers waarin we belichten wat nog niet aan de oppervlakte kwam. Pakkend geschreven stukken die laten voelen hoe ons leven en onze maatschappij aan het veranderen zijn en hoe interessant dat is. Fotografie van de beste fotografen uit binnen- en buitenland. Kortom: journalistiek waarvan u voelt dat u die móét gelezen en bekeken hebben.

    Dat klinkt loffelijk en is het ook, alleen vroeg ik me af of wat hier wordt geformuleerd niet  de doelstelling is of zou moeten zijn van elke zichzelf respecterende krant. Betekent het feit dat deze voor waardevolle journalistiek allemaal nogal vanzelfsprekende doelstellingen expliciet worden geformuleerd voor het weekblad misschien dat men diezelfde doelstellingen voor de dagelijkse krant laat varen? Dan is er niks gewonnen. Integendeel.

    Bladerend en lezend in het weekblad viel me bovendien op dat er eigenlijk geen stukken instaan die voorheen niet in de krant voorkwamen. Het interview met Brusselmans had zomaar in DSL kunnen staan, waar men van een potje human interest immers niet vies is en al veel vaker het interview gebruikte als excuus om reflectie op het boek achterwege te kunnen laten, of in het beste geval: ondergeschikt te maken aan dat interview. Gaan de interviews nu uit DSL verdwijnen? En het gesprek tussen David Van Reybrouck en Bart De Wever was ook niet iets wat eerder in de reguliere krant niet had kunnen staan. Je vraagt je af wat er voor die reguliere krant dan overblijft.

    Dat gesprek vond ik overigens al bij al nogal tam. Ik was eerlijk gezegd wat verbaasd dat Van Reybrouck zich zo liet meetrekken in wat al steeds het ultieme rookgordijn van De Wever en de NVA is geweest: dat gezeur over nationalisme en nationale identiteit. Het is precies datgene waarmee de NVA de kiezer het gevoel geeft dat er een alternatief bestaat voor de wereld 'zoals ze nu eenmaal is', en waarmee ze dus de indruk wekt aan authentieke politiek te doen. Het maakt de partij aantrekkelijk voor veel kiezers, die het machteloze gevoel dat ze niets te zeggen hebben graag tegengesproken willen zien door populisten die zeggen dat het met hen aan het roer allemaal helemaal anders zal zijn. Inspelen op de anti-Waalse gevoelens is binnen de Vlaamse context dan een handigheidje. Maar het nationalistische verhaal wordt alleen maar gebruikt als dekmantel voor een keiharde neoliberale politiek — die juist een verhevigde voortzetting is van 'de wereld zoals ze is' —, een politiek die de Vlaming niet alleen van die vervelende, zogeheten 'luie' en 'potverterende' Walen verlost, maar ook van een heel deel van de Vlaamse samenleving dat het blijkbaar niet verdient om er deel van uit te maken — anders waren ze niet werkeloos, immers, haalden ze hun taalachterstand wel in, trokken ze geen uitkering. Nergens gaat Van Reybrouck op die kwestie in. En ik moet daaraan toevoegen: nergens dwingen Ruud Goossens en Wouter Van Driessche, de interviewers van dienst, Van Reybrouck of De Wever om dat te doen.

    En Van Reybrouck verzuimt ook om dat nationalisme bij De Wever op een andere manier door te prikken. Nu De Wever zelf al bij herhaling heeft toegegeven dat het idee van een statische Vlaamse identiteit een waanidee is en in die zin leentjebuur speelt bij de meer postmoderne, zelfs kosmopolitisch te noemen opvatting dat de identiteit een mentale constructie is, is hij buitengewoon dubbelzinnig over wat die constructie in het geval van de Vlaming dan wel zou zijn. Het is ineens nattevingerwerk geworden, waarbij je de ene keer het idee hebt dat het inderdaad om vaandelzwaaiende, geüniformeerde bedevaarders gaat, en de andere keer dat het zo'n vaart niet loopt. Vazallen van De Wever droppen hier en daar weinig overtuigende bommetjes in culturele middens, maar ook daaruit wordt alleen duidelijk dat het totaal van 'de' Vlaamse cultuur zoals ze zich op dit moment toont (in de succesrijke Vlaamse film, in dans, in theater, in literatuur — kortom: als wat er in Vlaanderen op dit moment wordt gemaakt) eerder als anti-Vlaams wordt gepercipieerd. Zodat toch weer de indruk ontstaat dat de NVA een soort cultureel handvest in de la heeft liggen dat na de machtsovername tot een reeks voorschriften zal blijken uit te groeien.

    En dan is er de mijns inziens toch wat tragische vergissing die Van Reybrouck begaat, wanneer hij stelt dat er eigenlijk een verbod zou moeten komen op vergelijkingen met de jaren dertig. Dat is een impliciete verwijzing naar het waardevolle boekje van Rob Riemen, De eeuwige terugkeer van het fascisme (2010), waarin Riemen, uitgaande van de opmars van de PVV in Nederland, een groot aantal parallellen trekt met wat in het Interbellum al aan uiterst zinvolle reflectie op de toenmalige processen werd geschreven. Wat het fascisme werkelijk was, wist men al lang voordat de Tweede Wereldoorlog er zijn definitieve gezicht aan gaf. En dat was niet per se dat van Hitler (die, het is al vaker opgemerkt, toch zorgwekkend vaak in tamelijk slappe documentaires op de VRT opduikt als interessante historische figuur); het is wat Hitler mogelijk maakte en in de ogen van velen zelfs noodzakelijk.

    Het lijkt wel alsof Van Reybrouck met die jaren dertig niet erg vertrouwd is, anders zou hij toch met minder dédain over die parallellen spreken. Hij zou ze in ieder geval niet enkel op het conto van 'goedbetaalde hoogopgeleiden' schrijven. En dan nog: diezelfde hoogopgeleiden hebben voor de Tweede Wereldoorlog met recht en reden gewaarschuwd voor wat op dat moment in de maak was. De gedachte dat je te rade zou moeten gaan bij de vox populi lijkt me toch nog steeds wat al te naïef als je alleen al ziet waartoe afstemming op die stem in de massamedia leidt. Hij moet dringend 'Opstand der horden' nog eens lezen, hoe bedaagd het taalgebruik daarvan tegenwoordig ook aandoet. Al vrees ik dat lezing van dat boek zijn G1000 plannen ernstig in gevaar zou kunnen brengen — die democratie bij loting die hij aan het opzetten is.

    Het gaat me er hier niet om Van Reybrouck in de hoek te zetten. Verre van. Het is maar dat ik mij in dat gesprek door hem niet werkelijk vertegenwoordigd voelde als het gaat om weerwerk te bieden aan zoiets als de NVA en het daarmee verbonden gedachtegoed. Dat was teleurstellend. Hij was te aardig voor zijn oude studiegenoot en de interviewers waren veel te aardig voor de beide gesprekspartners. Het heeft ook weinig zin, zoals ongetwijfeld zeer tot tevredenheid van De Wever gebeurde (die hoefde het niet eens zelf te doen), om links zo in een hoek te drummen als hier gebeurde. Dat links veel dingen heeft laten liggen, dat ze een zware verantwoordelijkheid draagt voor haar eigen malaise, laat onverlet dat ze uiteindelijk een beter verhaal heeft dan rechts en extreemrechts. Ik zou Van Reybrouck wel eens over Tony Judt willen horen… 

    Ten slotte: Daniëlle Serdijn werd als signaliste met een recenserend karakter ontslagen bij Opzij. Tiens. En die hoofdredactrice mag blijven of wa?

      

  • Pin it!

    Signalementen met recenserend karakter

    Het duurde even, maar gisteren had De Standaard het berichtje ook: de uitglijder van Daniëlle Serdijn in Opzij, die je ook gewoon een uitglijder van Opzij kunt noemen, als het al een uitglijder is. De kwestie is op diverse websites, in HP/De Tijd — het blad dat ermee op de proppen kwam — en in sommige andere kranten inmiddels uitvoerig becommentarieerd, en even, heel even leek het alsof er oprechte verontwaardiging was over dit soort praktijken.

    Die dus misschien niet eens een uitglijder zijn. 'Signalementen met een recenserend karakter', noemt Opzij-hoofdredactrice Margriet van der Linden zo'n tekstje dat Serdijn vervaardigde. Je vraagt je af wie ze tegenwoordig allemaal hoofdredacteur maken. Een signalement is in de veelheid van het (over)aanbod sowieso al normerend. Als auteur mag je tegenwoordig al heel blij zijn als je in, zo op het oog, tamelijk lukraak samengestelde lijstjes met overzichten van te verschijnen boeken voorkomt. Die lijstjes bestaan gewoonlijk uit de usual suspects (auteurs die goed liggen bij de media), aangevuld met wat hypes van het moment. Wie daar in voorkomt heeft in de komende maanden van het hyperkorte, hijgerige literaire seizoen alvast een streepje voor. Bij dergelijke lijstjes sterretjes gaan zetten, erover spreken als 'signalementen met een recenserend karakter' is domweg geen verstand hebben van de werking van je eigen medium.

    Wat het misschien wel (ik zou bijna zeggen: ten overvloede) duidelijk maakt, is dat de literaire dag- en weekbladkritiek zo goed als dood is (ik heb het dan niet over de kritiek in De Leeswolf of over de websites waar nog volop aan literatuurkritiek wordt gedaan). Misschien dat De Groene Amsterdammer nog een laatste toevluchtsoord van die specifieke dag- en weekbladkritiek mag heten, en natuurlijk zijn er hier en daar nog steeds recensenten bezig die de moeite van het lezen waard zijn — bijvoorbeeld recensenten die weigeren om hun waardering uit te drukken in het zetten van sterretjes (om vervolgens bij het nalezen van hun stuk in de krant te ontdekken dat de redactie dan maar op basis van zijn of haar stuk een inschatting heeft gemaakt van het aantal sterretjes, want ze blijken er toch gewoon onder te staan). Dat de belangen van de literaire recensent en die van het medium waarin die recensies plachten en soms nog plegen te verschijnen in de loop der jaren steeds verder uit elkaar zijn komen te liggen, is eenvoudig vast te stellen (literair (ver)nieuw(end) tegenover literair nieuws, bijvoorbeeld). Dat dit bij een aantal dag- en weekbladen ook zo zijn weerslag heeft gehad op de recrutering van nieuwe recensenten is moeilijk aan te tonen, maar laat ik zeggen dat Serdijn blijkbaar van een generatie is die zich gemakkelijker voegt naar de in se commerciële belangen van de media waarvoor ze werkt dan een generatie daarvoor. Ik weet niet of ze zelf ooit gereflecteerd heeft op de onontwarbare kluwen van belangen waarbinnen niet alleen haar signalementen met recenserend karakter, maar ook haar overige recensies functioneren. Het feit dat ze het begin van commotie zelf wegwuift door te verwijzen naar wat nu eenmaal courant is, ook al is het dan niet chic ('verdient het geen schoonheidsprijs', zoals het gebruikelijke eufemisme luidt) doet toch eerder vermoeden van niet.

    Die commotie zelf komt natuurlijk uit kringen die manmoedig een inmiddels naïeve, zij het nobele visie op literatuurkritiek staande houden — al vinden we in die kringen op menig hoofd een pakje boter (zie ondergetekende). Als we het over literaire kritiek hebben, doelen we daarmee meestal op een inmiddels eeuwenoude praktijk van betekenisgeving en kwaliteitstoekenning — precies dezelfde praktijk die bijvoorbeeld de beide letterenfondsen van de lage landen voorstaan wanneer ze hun werkbeurzen uitdelen. Het is in bepaalde kringen mode geworden om te beweren dat kwaliteit als zodanig niet bestaat — een postmodern adagium dat door neoliberale geesten die verder weinig tot niets met het postmodernistische gedachtengoed op hebben vaak wordt gebruikt om nog maar weer eens een aanval op het subsidiesysteem te openen en er de 'wetmatigheid van de markt' als enig juist beslissingscriterium tegenover te stellen (we weten al sinds Keynes dat er aan de markt weinig wetmatigs te ontdekken valt en dat het om willekeur en het meer barbaarse recht van de sterkste gaat). Maar hoe heilzaam enige postmodernistische problematisering van overgeleverde waarden en waarheden ook is, uiteindelijk is de beslissende weeffout in dat soort denken dat het veel te absolutistisch is en niet zelden leidt tot een ongezond soort verisme dat juist de afwezigheid van welke waarheid dan ook maar haast dwingend voorschrijft.

    Binnen de traditie van de literaire betekenisgeving valt er over kwaliteit wel degelijk te praten, en om daarover mee te praten is er kennis nodig van die traditie. Én het besef dat volgens een steriel absoluut waarheidsstreven kwaliteit als zodanig misschien niet bestaat, maar dat we er op heel veel vlakken in het leven (en niet alleen op het vlak van de literatuur) niet onderuit komen om aan zaken kwaliteit toe te kennen. Dat we ons daarbij (sinds het postmodernisme) bewust zijn van de vooronderstellingen op grond waarvan we dat doen en ons (misschien) moreel verplicht voelen die vooronderstellingen te expliciteren en te verdedigen tegenover die van anderen, lijkt mij een goede zaak. Het is de enige manier waarop er van 'democratisering van de kunst' sprake kan zijn — niet het 'meeste stemmen gelden' dat leidt tot smakeloze middelmaat aangestuurd door commerciële belangen waar de meesten geen zicht op hebben; maar de eigen vooronderstellingen begrijpen als een voorstel tot betekenisgeving en kwaliteitstoekenning.

    In kranten en weekbladen is daarvoor geen ruimte meer. Men is er niet in geïnteresseerd. Het hele achterliggende model waarbinnen literatuur een van de principiële beschavingsmechanismen binnen onze samenleving was, wordt hoogstens nog lippendienst bewezen — bijvoorbeeld door middel van die nog net in stand gehouden boekenbijlages, of door schrijvers als opiniemakers aan het woord te laten (zie ondergetekende). Uiteindelijk verkoopt zo'n krant die recensies niet vanwege de interessante vooronderstellingen, de sociale en politieke implicaties die ze hebben, de ideologische overwegingen die ermee gepaard gaan — allemaal zaken die van literatuur iets maken met een vanzelfsprekend maatschappelijk belang en gewicht — maar is het kwaliteitsbegrip zelf in de cultuursector van de krant afgevlakt tot louter consumentenadvies. Het is daarom dat ik in Rekto:verso een pleidooi hield voor het schrijven van positieve recensies. 'Alle boeken deze week in DSL: vijf sterren!' Veel verschil met Opzij's signalementen met recenserend karakter is er dan natuurlijk niet meer, al mag je hopen dat de stukken qua signalement net wat langer zijn dan de flaptekstblurblengte van Serdijns stukje in Opzij. Maar in ieder geval vermijd je op die manier dat iemand zich geroepen voelt 'maar' drie sterren te geven en zo van zijn signalement gewoon een negatief consumentenadvies maakt en feitelijk aan broodroof doet.

    De rest is rouw.