• Pin it!

    Intussen in De Leeswolf: Reinout Verbeke

    In het alweer enige tijd geleden verschenen nummer van De Leeswolf schreef ik over Reinout Verbeke (en Reinout met Nevenwerking). Ik was de dichter zelf al eens tegengekomen bij een boekpresentatie van De Bezige Bij Antwerpen in De Vooruit in Gent, toen ook zijn bundel boven het doopvont werd gehouden. Ik vond zijn poging poëzie en pop met elkaar te verbinden meteen interessant en wat ik die avond van de bij de bundel geleverde cd zoal hoorde, maakte me alleen maar nog wat nieuwsgieriger. Uiteindelijk schreef ik onderstaande recensie (in De Leeswolf, jrg. 17, nr. 5, p. 350).

    l.jpg

    Het mooiste verraad

    Poëzie: het is taal tussen muziek en betekenis, zo is vaak gezegd, iets tussen roes en redenering in. Want er is ritme en klank en sommige klankgedichten mogen bijzonder geslaagd heten in wat ondanks de betekenisloosheid toch een zekere betekenis suggereert. Omgekeerd ontlenen bijvoorbeeld leerdichten of politieke poëzie een meerwaarde aan de zich bijna van de inhoud loszingende muzikaliteit (denk aan Luceberts ‘Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia’).

    Maar poëzie blijkt ook vaak genoeg toch steeds weer net iets anders te zijn dan muziek. Sommige liedjesschrijvers begaan de fout hun teksten uit te geven als was het poëzie — in een boek zonder muzikale begeleiding. Meestal verkruimelen de songteksten tot flauwiteiten of zelfs banaliteiten, iets wat mét muziek zelden stoort. En de korte opvlucht van de rappoëzie liet ook al zien dat wat op een podium met beats en bas goed werkt, niet per se op papier overeind blijft.

    Wat wel vaak goed werkt is poëzie met muzikale begeleiding. Diana Ozon trad jarenlang op met een celliste; Vinkenoog deed het met Spinvis; de gebroeders Peter en Stefan Hertmans brengen sinds enige tijd een programma waarbij de speciaal daarvoor gecomponeerde muziek precies is toegesneden op de teksten. Maar ook dan gaat het toch steeds vooral om begeleiding.

    Dat lijkt me niet de inzet te zijn van Reinout met Nevenwerking, een project van Reinout Verbeke. Verbeke debuteerde onlangs met de bundel De achterkant van flatgebouwen en daarbij zat ook een cd met 12 nummers. Op zich corresponderen die nummers met 12 van de in het totaal 33 gedichten in de bundel, en het feit dat Verbeke hier de cd bij de bundel voegt maakt dat de poëzie hier blijkbaar dan toch als het voornaamste wordt beschouwd. Verbeke had ook alleen de cd uit kunnen brengen en zijn gedichten als vooral songteksten kunnen presenteren. De gedichten waarmee de nummers op de cd zijn gemaakt worden namelijk soms in functie van de muziek wat aangepast, al gaat het daarbij vooral om herhalingen van regels en een enkele keer om de weglating van een woord. En hoewel Verbeke de teksten meestal gewoon uitspreekt, laat hij zich hier en daar verleiden tot zang.  Je hebt de indruk dat Verbeke hier nummers (songs) heeft willen maken van wat daarnaast ook nog eens gewoon gedichten in de bundel zijn en blijven.

    Maar gaat dat? Eigenlijk niet. De meerlagigheid en taligheid van de gedichten maakt ze vaak als songtekst ongeschikt, althans toch in het genre muziek waarvoor Reinout met Nevenwerking koos. Rock ’n roll zou ik het niet meteen willen noemen. Evenmin sluit het aan bij wat Bob Dylan of Leonard Cohen in het verleden hebben gedaan, musici wier teksten vaak tot de poëzie worden gerekend. Het zit meer in het alternatieve/indie-genre en dat maakt dat ik toch vooral het gevoel heb te luisteren naar de botsing van twee verschillende communicatiesystemen die elk op zich wel werken, maar niet samen. Op zich kan zo’n botsing interessant zijn, maar ik heb uiteindelijk toch het gevoel dat Verbeke’s poëzie zich voor dit soort muziek niet leent. Of misschien hoor ik te duidelijk dat de poëzie er eerst was, dat tekst en muziek niet samen zijn geconcipieerd — het één (de muziek) zich hier en daar wellicht wel naar de poëzie heeft geplooid, maar eigenlijk nooit werkelijk andersom. De botsing blijft bij herbeluisteren voor mij niet interessant genoeg.

    De bundel intussen, is een haast klassiek te noemen debuutbundel. Klassiek vooral omdat het een paar typische ‘credo-gedichten’ bevat — gedichten waarin de dichter zijn bedoelingen met poëzie, zo niet zijn visie op de bedoelingen van poëzie überhaupt, op papier heeft gezet. ‘Het geluid van het gedicht’, zo heet het openingsgedicht, en daarin wordt de Australische liervogel opgevoerd: een vogel die perfect geluiden uit de omgeving kan imiteren: de zang van andere vogels, maar ook het geluid van een kettingzaag (er is een beroemd YouTube-filmpje waarop het beestje te zien is). Vermoedelijk refereert Verbeke’s gedicht aan dit filmpje, om dan verrassend te besluiten met: “Het geluid van het gedicht / is de liervogel die de dood / op zijn stembanden heeft gezet”.

    Het gedicht is voor Verbeke de kruising tussen de dingen, mensen en hun verdwijnen en opgaan in de taal: “Taal is ons mooiste verraad / want het woord verkruimelt op vrijdag / tot twee adjectieven in nat gras // En jij / opgespannen als ik // wij gaan in hun lege plekken liggen”, heet het in ‘Net voor de grasmachine’. Het is in die kruising dat het gedicht de achterkant van al het zichtbare en meetbare openbaart. Het is de plek waar vloeibaar wordt wat vast lijkt te liggen, zoals in de afdeling ‘Manieren van water’. In die afdeling is ook het titelgedicht van de bundel opgenomen: “Aan de achterkant van flatgebouwen / heerst wederzijdsheid van kijken, loeren / we elkaar uit het koraal. We vinden er / onze vinnen als vanouds”.

    Het is een mooi verraad, inderdaad. De meeste gedichten laten in hun schriftuur duidelijk zien hoe wat ze beschrijven pas in dat schrijven zelf ontstaat, of het daarbij nu om lichamelijke lust gaat of om de meer aan in memoriams herinnerende, prachtige vader-gedichten in de afdeling ‘Vadermin’. Sommige gedichten combineren archeologie met evolutie en verraden zo iets van Verbeke’s achtergrond (hij is redacteur van het wetenschapsblad Eos). Maar overal gaat het om dynamiek, beweging, verandering van het een in het ander. Als dat nou toch ook nog eens in combinatie met de muziek zou willen lukken…    

     Reinout Verbeke, De achterkant van flatgebouwen. Met cd van Reinout met Nevenwerking. De Bezige Bij Antwerpen, Antwerpen 2011. 

  • Pin it!

    Slut Walks - Walk On

    Als je iets over feminisme schrijft, kun je wat verwachten. Op het forum op de website van De Standaard zelf vielen de reacties op mijn stuk me nog mee. Maar op Facebook werd meteen de toon gezet door Vrouwenraad Vzw: bij de link naar het stuk stond: 'SLUTWALKS: verwarrende boodschap, zegt een man'. Nou, dan weet je het wel. Een man. Daar hoeft men niets van te verwachten. En in de reacties daar was er een aantal vrouwen inderdaad nogal aangebrand. Iemand wilde 'recht van antwoord' zelfs, iets waarop men alleen recht heeft wanneer men met naam en toenaam onheus wordt bejegend. Uit een aantal reacties bleek me vooral dat vrouwen al even slecht lezen als mannen wanneer ze het waas voor de ogen krijgen.

    Tom dl 1.jpg     Tom dl 2.jpg

    In de weekendkrant schreef Tom Naegels zijn wekelijkse column ook over de Slut Walks en over mijn opiniestuk. En vandaag stond er in De Standaard een open brief aan mij van Celia Ledoux (hier, of in ongeredigeerde vorm op haar weblog). Het zou een eindeloos heen en weer worden als ik daarop opnieuw in de vorm van een opiniebijdrage zou antwoorden, maar haar brief bevat toch een aantal onjuistheden en aannames die ik wilde rechtzetten. Ik heb getracht dat op haar weblog zelf te doen, maar die staat alleen in lengte beperkte reacties toe. Vandaar dat ik mijn antwoord op haar brief dan hier maar publiceer, met op haar weblog een verwijzing.

    Beste Celia Ledoux,

    Omdat de krant een medium voor nieuwsvoorziening is, hebben de Slut Walks inmiddels voor de krant hun grootste aantrekkingskracht verloren: er was de berichtgeving vorige week, er was mijn opiniestuk, er was zaterdag nog een column van Tom Naegels die mij bijviel en de kwestie nog wat uitbreidde, en vandaag is er uw stuk. Voor de krant is het daarmee wel afgelopen, voorlopig toch. En dat kan ik billijken.

    Toch wil ik u nog antwoorden, en dat doe ik dan hier. Dat heeft het voordeel dat ik me qua aantal woorden niet echt hoef in te houden.

    Laat ik eerst een paar misverstanden uit de weg ruimen. Over de intentie van de Slut Walks kan ook wat mij betreft geen misverstand bestaan: geen vrouw vraagt erom aangerand of, erger, verkracht te worden, zoals ook geen homoseksueel erom vraagt in elkaar geslagen te worden. En ook een schrijver als ik vindt dat hij het recht heeft voor zijn mening uit te komen zonder gemolesteerd te worden — het zal u misschien verbazen, maar zo evident is dat laatste niet (de laatste tijd zelfs steeds minder). De boodschap van mijn opiniestukje was dus nadrukkelijk niet een herhaling van uitspraken van die hansworst uit Canada, laat staan een vergoelijking van een stelletje klootzakken dat zich ten onrechte ook in mijn naam voor man uitgeeft. Niemand vraagt ooit zelf om in zijn lichamelijke integriteit aangetast te worden.

    Dat is één.

    Dan: u meent dat ik in de jaren zeventig ‘een zeker trauma’ heb opgelopen. Dat valt erg mee. De passage in mijn stuk was — het stond er ook met zoveel woorden — lichtelijk overdreven en bovendien niet zonder ironie geschreven. Maar het jaartal is toch niet onbelangrijk: ik werd in die jaren volwassen en dat betekende dat voor mij de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen een vanzelfsprekendheid was en sinds die tijd ook altijd is geweest. Zoals ook homoseksualiteit voor mij nooit dat ‘tegennatuurlijke’ heeft gehad dat diverse religies en gemeenschappen er vandaag de dag nog steeds in menen te moeten zien. We leefden toentertijd in ‘linkse’ tijden. Onze vooruitstrevendheid, onze kritische zin jegens overleefde waarheden, jegens ‘het systeem’ zelfs (voor minder deden we het niet) — het sprak allemaal wel vanzelf. En dus ook de gelijkberechtiging van man en vrouw. We spraken zelfs over ‘gelijkheid’ van man en vrouw.

    Dat die gelijkberechtiging in de alledaagse maatschappelijk praktijk nog steeds geen vanzelfsprekendheid is, vind ik (vermoedelijk juist vanwege mijn leeftijd en achtergrond) telkens weer shockerend. Geen gelijk loon bij gelijke arbeid, weinig mogelijkheden om in leidinggevende posities terecht te komen — maar vooral: geen positieve evolutie in de richting van een arbeidsmoraal die het mogelijk maakt dát vrouwen op de werkvloer de gelijke van de man kunnen zijn. De emancipatie van de vrouw kan niet slagen als de man niet mee-emancipeert. Het is een bonmot van de schrijver Pol Hoste: dat hij erg voor feminisme is, ‘vooral voor mannen’.

    Of ik 'van nature' het respect voor de lichamelijk integriteit van vrouwen zou hebben, valt moeilijk te zeggen. De evolutionaire psychologie die zo populair is bij hele volksstammen pepert mij immers in dat ik als man ‘een jager’ ben die zijn zaad in zoveel mogelijk akkers wil planten en dat men het mij dientengevolge onmogelijk kan kwalijk nemen als ik respectloos zou omgaan met wat we dan zeker ‘vrouwenvlees’ moeten noemen. Maar laten we zeggen dat voor mijn meer door de cultuur bepaalde deel sinds die zo ‘progessieve’ jaren zeventig geldt dat die integriteit heilig is en moet zijn (ik heb trouwens nooit iets opgehad met die zich als wetenschap afficherende onzin van de evolutionaire psychologie en zie dat zowel mannen als vrouwen haar gebruiken om de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen). 

    Dat is twee.

    Dan nog een derde, hiermee samenhangend misverstand dat ik graag wil ophelderen. Juist het van jongsaf aan vertrouwd zijn met het gegeven dat vrouwen de dingen anders zien dan mannen, heeft gemaakt dat ik ook altijd begrepen heb dat er tussen de mannelijke en vrouwelijke seksualiteit een verschil bestaat. U verslikt zich opnieuw in mijn ironie wanneer u veronderstelt dat ik als man graag met bijvoorbeeld mijn bilspleet te koop wil lopen. Ik schreef alleen maar dat ALS vrouwen ons — ons mannen — op dezelfde manier als seksuele wezens zouden zien als wij de vrouwen zien, mannen allang de dan natuurlijk mannelijke variant van verleidelijke kledij zouden dragen. Maar dat die mannen dan ook wat minder puriteins zouden reageren wanneer ze daar op werden aangesproken. Het woordje ALS is hier wel van enig belang, toch. In ieder geval maakt de voorstelling van de onsmakelijke bouwvakkersspleet als summum van aantrekkelijkheid voor vrouwen geen deel uit van mijn (dan inderdaad) ‘ontspoorde seksuele Utopia’. Wel integendeel. Ik ben zelfs erg voor vestimentaire voorschriften voor mannen: geen korte broeken, géén sandalen en over het affront van de naakte man met alléén zijn sokken nog aan zullen we het maar helemaal niet hebben. Mij lijkt het dat daar enkele fundamentele mensenrechten geschonden worden.

    U geeft in uw stuk een ander recept: mannen zijn het meest sexy ‘wanneer ze zelfvertrouwen uitstralen in een frisgewassen, verzorgd, niet-exhibitionistisch uiterlijk’ en ‘als ze met aandacht en niet al te demonstratieve sensualiteit weten te veroveren’. Natuurlijk is ook dat een te strak plaatje zegt u, net als mijn schets van de aantrekkingskracht van het decolleté.

    Nou…

    Het punt is dat wat u hier als aantrekkelijk voor vrouwen schetst voor de gemiddelde man meteen heel erg ingewikkeld en duister klinkt. Zelfvertrouwen — ja, maar daar speelt een vrouw nu juist vaak een niet geringe rol in. Persoonlijke hygiëne is behapbaar, lijkt me. Maar bij ‘verzorgd’ ben ik alweer bezorgd. Waar moet ik te rade om te weten wat de vrouw van vandaag de dag ‘verzorgd’ noemt. Dat is niet per se geschoren. Gepoetste tanden wel, denk ik. Maar welke kleding gaat daarvoor door? U weet toch dat het vaak de vrouwen zijn die de mannen aankleden?  Dat de gemiddelde man zelfs in een ouderwetse ‘herenmodezaak’ nog het gevoel heeft dat hij zich op het gebied van de vrouw begeeft, en dat de mannelijke verkoper tegen hem samenspant met de andere sekse? Onder (gemiddelde) mannen wordt het toch nog steeds wat merkwaardig gevonden als je er blijk van geeft op de hoogte te zijn met wat dit seizoen weer voor ‘verzorgd’ doorgaat en zelf de nodige prospectie op dat vlak doet — dit ondanks verschuivingen die min of meer tot de mannelijke ‘natuur’ zijn gaan behoren, zoals deodorantgebruik (in de jaren zeventig onder ‘ons jongens’ nog een discussiepunt) of een luchtje op (dat gold toentertijd nog als ronduit verwijfd — en ondanks alle gelijkheid: dat wilde je als jongen van de gestoofde pot natuurlijk nu ook weer niet zijn). En dan is er dus nog die ‘niet al te demonstratieve sensualiteit’ waarmee wij jullie aandachtig moeten veroveren.

     Zelfs als ik het karikaturale ervan in aanmerking neem, heb ik bij zoiets toch het gevoel dat u, dames, wel héél veel noten op uw zang heeft. Wij hebben aan uw borsten en heupen, uw benen en uw poep voldoende — enfin in het karikaturale plaatje dan toch. Want ja, ook voor ons geldt dat het innerlijk ons moet aanstaan, dat ogen niet alleen reclameblaadjesmooi moeten zijn, maar vooral mooi worden door wat ze uitstralen, door wat een vrouw aan persoonlijkheid heeft, kortom, en dan zelfs zo belangrijk worden dat het er opeens niks meer toe doet als de dame in kwestie niet de volgens modebladen of pornoindustrie perfecte maten blijkt te hebben. (Het is misschien nieuws voor u, maar mannen beminnen vrouwen níét alleen via seks en seksualiteit). Als we dat innerlijk weglaten hebben wij ook aan onze mannelijke seksualiteit genoeg, maar kunnen we ons ook de moeite van het scheren of niet-scheren, het dragen van de juiste, niet-exhibitionistische kleren en vooral van het tentoonspreiden van niet-demonstratieve sensualiteit bij het aandachtig, maar zo beschouwd meteen dodelijk vermoeiende veroveren besparen. Het heet masturbatie.

    Daar heeft u het ook, zij het in meer bedekte termen over. ‘Seksualiteit kunnen vrouwen — in tegenstelling tot wat u beweert — best op hun eentje beleven’, schrijft u. Natuurlijk. We kunnen met de razendsnelle wetenschappelijke ontwikkelingen op het vlak van fertiliteit het seksueel verkeer tussen mannen en vrouwen zelfs helemaal afschaffen en elk op onze eigen kamertjes tot onze intense zelfbevrediging met onszelf blijven spelen. Maar het gaat er niet om dat je seksualiteit niet op jezelf kunt beleven (ik heb nergens gezegd dat dat niet zou kunnen); het gaat erom dat die seksualiteit niet van jezelf alleen ís. Vrouwen definiëren zichzelf als seksuele wezens tegenover de buitenwereld, als wezens die bijvoorbeeld respectvol, met aandacht veroverd willen worden — en voor zover het daarbij om heteroseksuelen gaat: in de eerste plaats door mannen. Je kunt nu zeggen dat die definitie vooral de mannelijke blik verraadt, of beter: het mannelijk verlangen. Als dat al zo is dan is het een vooral door vrouwen zelf geïnternaliseerde mannelijke blik waarop een hele industrie van en voor vrouwen is gebaseerd, en waaraan ze — na het tuinbroekenfeminisme, om het zo maar even te noemen — zelfs hun waardigheid ontlenen, niet alleen tegenover de man, maar ook tegenover de seksegenoot. Het enige wat ik in mijn stuk heb gezegd is dat ik als man mijzelf ook wel graag tegenover vrouwen als een seksueel wezen zou willen definiëren, omdat ik dat namelijk evenzeer ben. Maar zelfs uw behulpzame omschrijving van zo-even helpt mij en vele andere mannen niet verder om erachter te komen wat u nu precies van ons verwacht. Niet de bouwvakkersspleet in ieder geval. En als ik de jammerlijke exemplaren van mijn eigen geslacht zie waarmee sommige vrouwen langs de straat wandelen, denk ik nog wel eens aan een liedje van Joe Jackson, ‘Is She Really Going Out With Him’: Pretty women out walking with gorillas down my street. Er is van uw verlangens werkelijk geen hoogte te krijgen, mevrouw! En gelooft u mij: ik zou het heel graag anders zien.

    Dat brengt me terug naar de kern van mijn probleem met de Slut Walks.

    Ik woon in een buurt waar het merendeel van de bewoners niet vanzelf voor Belg, laat staan voor Vlaming doorgaat. Wat mij aan die buurtbewoners altijd het meest heeft gestoord, is het idiote machismo van het mannelijk deel van de bevolking. Ik behoor niet tot diegenen die van mening zijn dat de multiculturele samenleving ‘mislukt’ is — een opvatting die aan niets bijdraagt. Maar ik heb multiculturaliteit wel altijd in de eerste plaats begrepen als conflict: de vooronderstellingen van de ene tegenover die van de andere cultuur. Toch heb ik me in mijn buurt eerst moeten aanpassen aan het mij wezensvreemde machismo van de mannetjesputters om bij hen respect af te dwingen, zodat ik eindelijk aan de orde kon stellen wat ik ze te zeggen had: dat het om drie uur ’s nachts wel eens een keer stil mocht zijn. Gelukkig heb ik mijn postuur mee. Maar het stuit me tegen de (brede) borst dat ik me moet voordoen als iemand die fysiek geweld niet zou schuwen om een gesprek te kunnen beginnen.

    Ik had natuurlijk ook mijn broek kunnen laten zakken en met een lintmeter in de hand mijn opponenten om een vergelijkend warenonderzoek kunnen vragen. Met mijn Germaanse voorkomen acht ik mij op dat punt tegenover mijn buurtbewoners niet meteen kansloos en je hoeft dan tenminste verder niet te argumenteren.

    Wat ik daarmee vooral wil zeggen, is dat ik uw belangrijkste argument voor de slettenmars als meest geëigende protestvorm onacceptabel vind.  U schrijft dat de Slut Walk nog het enige protestmiddel is voor vrouwen die niet, als u of ik, kunnen schrijven. En al konden ze dat wel, ze worden ‘minder serieus genomen’, stelt u. Ze kunnen eigenlijk alleen hun lichaam inzetten. Ik word ineens nieuwsgierig of het mannen die niet kunnen schrijven en minder serieus genomen worden, ook is toegestaan om vanuit hun machteloosheid hun lichaam in te zetten. Ik heb de indruk dat veel niet-schrijvende mannen (buurtbewoners of niet) dat nu juist al veel te veel doen en dat dat nu precies is wat vrouwen (en mannen die wél kunnen schrijven) hier aanklagen.

    De slettenmars gaat als zodanig juist iedere discussie uit de weg. Zoals mannen vrouwen louter als ‘sletten’ zouden zien, zo krijgen die mannen nu een koekje van eigen deeg: ze zijn louter agressieve verkrachters. Dat schiet niet op omdat het in beide gevallen ver naast de waarheid is. Zo sluiten mannen en vrouwen zich in zichzelf op en dat leidt gewoonlijk tot weinig meer dan toogpraat. Terwijl het gaat om de botsing tussen verwachtingen, niet om het wegstrepen ervan. Het gaat me er bij mijn buurtbewoners immers ook niet om hun vaak door religieuze ideeën geïnspireerde vooronderstellingen, die mij wezensvreemd zijn, integraal te veroordelen; het gaat mij erom er de mijne tegenover te stellen en vervolgens met de verschillen om te gaan.

    Tot slot: ik heb een dochter. Nog een klein meisje, maar toch al zowat zeven jaar oud. Ik denk dat ik als vader die noch haar seksualiteit wil hypothekeren noch haar in dat opzicht in zeven sloten tegelijk wil laten lopen, juist voortdurend bezig ben met wat onze seksualiteit, die van mannen én vrouwen, allemaal aan voetangels en klemmen met zich meebrengt. Reductie van mannen tot agressieve verkrachters helpt hier evenmin als aansporingen aan haar adres zich nu al als schoolpleinsletje te gaan kleden en gedragen. Het is het moeilijke dat daartussen ligt waar het om gaat.

     Met respect, dank voor uw reactie, en met beslist ongeschoren benen,

    Marc Reugebrink

  • Pin it!

    Vandaag in De Standaard

    Seksualiteit is niet van vrouwen alleen

    Emancipatiestrijd of oorlog tussen de seksen?

    • donderdag 16 juni 2011
    • Auteur:

     

    De slettenmarsen plaatsen MARC REUGEBRINK voor een dilemma: waarom kunnen vrouwen mannen niet evengoed als seksuele wezens zien?

    Het zit er weer bovenarms op tussen de seksen. Boze schaars geklede vrouwen gaan de straat op om te protesteren tegen het feit dat hun kleding hen in de ogen van mannen tot lustobjecten maakt. Enfin, er is een halfbakken Canadese agent geweest die maar weer eens de achterlijke redenering bovenhaalde dat vrouwen die zich als 'sletten' kleden, erom vragen verkracht te worden. Het is zoiets als zeggen dat mannen die wapens dragen (bijvoorbeeld politieagenten) erom vragen neergeschoten te worden. Terecht loopt men te hoop tegen de culpabilisering van de slachtoffers van verkrachting. Daar zijn al indringende films over gemaakt - Jody Foster in The Accused uit 1988 bijvoorbeeld - en het blijft noodzakelijk er altijd opnieuw tegen te ageren. Daarover geen discussie. Maar of deSlut Walk nu wel zo'n geëigend middel is?

    Bh, bikinilijn, boerka...

    Vroeger verbrandden geëmancipeerde vrouwen hun bh's of ontblootten ze in het kader van de legalisering van abortus hun buik om mee te delen dat ze daar eigen baas waren. Voor het overige droegen ze tuinbroeken en wijde truien, omdat ze voor de dooie dood niet wilden doorgaan voor de stoeipoezen die ze volgens henzelf in de ogen van mannen altijd onmiddellijk werden. Sommige diehards hielden op met epileren, schoren hun benen niet meer, hun oksels niet, en van een bikinilijn kon men bij zoveel wildgroei met goed fatsoen eigenlijk niet eens meer spreken. Van een boerka had toen nog nooit iemand gehoord, maar te vrezen valt dat de toenmalige generatie feministen zich massaal tot een dergelijke tentconstructie bekeerd zou hebben.

    Het waren tijden waarin het feminisme mij als westerse, geseculariseerde en - naar ik zelf meende - van allerlei taboes bevrijde man nog wel enige angst in wist te boezemen. Het kostte weinig moeite om in te stemmen met de eis dat mannen en vrouwen gelijke rechten dienden te hebben, maar met die instemming alleen redde men het in de ogen van de feministen niet. Ze hadden het op ons pietje voorzien. Het feit dat dit aanhangsel bij het zien van ronding en glooiing, bolling en bil de neiging had in beweging te komen, maakte ons als man al schuldig. Onze opwinding, hoe licht ook, was in feite een vorm van geweld jegens vrouwen, zo werd ons te verstaan gegeven. Ik overdrijf een beetje, maar toch niet heel erg veel.

    U begrijpt, ik was zielsgelukkig en vooral erg opgelucht toen feministen zelf op hun kledingvoorschriften terugkwamen en verkondigden dat sexy kledij niet per se in tegenspraak was met de waardigheid van de vrouw. Die waardigheid werd zelfs voor een deel in die seksualiteit gesitueerd. Om niet te zeggen dat vrouw-zijn vandaag de dag vaak, zij het uiteraard niet uitsluitend, als seksuele aantrekkelijkheid wordt gedefinieerd. Damesbladen staan er vol van. De hele mode-industrie is ervan doortrokken, en die wordt heus niet alleen door mannen overeind gehouden. Er zijn na de feministen van weleer nog maar weinig vrouwen te vinden die per se uit de mode willen zijn.

    Het ontslaat de verlichte man van een schuldgevoel wanneer hij zich, uitgenodigd door een diep decolleté, onwillekeurig een beetje vooroverbuigt. Of wanneer iets langbenigs zich voordoet op een terras. Of wanneer een kledingstuk dat in een ver verleden bekend stond als hotpants (ontworpen en gepropageerd door een vrouw overigens, aan wie ook de uitvinding van de minirok wordt toegeschreven) geheel vanzelf de aandacht vestigt op een fraai gevormd achterwerk. En hoewel in onze contreien het fluiten van bouwvakkers met te veel rughaar vaak door vrouwen als vervelend wordt ervaren - het compleet negeren van de vestimentaire uitnodiging de vrouw te zien als ook een seksueel wezen wordt toch niet zelden als een belediging ervaren. Seks is dus wel degelijk de bedoeling.

    ...en bouwvakkersspleet

    In die zin is de boodschap die de vrouwen nu met hun Slut Walks geven op zijn minst wat verwarrend. Het lijkt wel alsof men het alleenrecht op de eigen seksualiteit claimt, met uitsluiting van de wijze waarop een man zijn seksualiteit beleeft. 'Wij zijn baas over ons lijf en beleven ook onze seksualiteit op onze manier', zo stelt men. Jawel dames, dat doen wij ook, alleen lijkt het ons iets wat je op zijn minst met zijn tweeën doet, en daar hoort in een heteroseksuele setting iemand van het andere geslacht bij. Als vrouwen ons op dezelfde manier als seksuele wezens zouden zien als wij hen, en bijvoorbeeld wat wazig zouden worden bij het zien van de bouwvakkersspleet - ik maak me sterk dat wij kerels allang in broeken liepen die maar de helft van onze dan natuurlijk keurig geschoren billen zouden bedekken.

    Dat staat natuurlijk los van de vraag of we het dan ook prettig zouden vinden als er door deze of gene naar hartenlust in geknepen werd. Maar het lijkt me dat we toch niet de vergissing zouden begaan de neiging van eventueel grijpgrage vrouwen (al eens zo'n roedel huisvrouwen gezien bij een optreden van de Chippendales?) met zoveel morele verontwaardiging te veroordelen als nu gebeurt met de uitspraken van een domme politieman. Het is vooral tegen die domheid dat we moeten protesteren, niet tegen het feit dat seksuele aantrekkingskracht een spel op gang trekt waarin eenieder zijn rol moet kunnen spelen. En ook iedereen 'ja' kan zeggen of 'nee', uiteraard.

  • Pin it!

    Giorgio Vasta

    Lang gezwoegd op de recensie over dit boek, me onderwijl er maar weer eens over verbazend dat een boek als dit internationaal blijkbaar succes heeft. Ondanks wat reserves hier en daar: dat lijkt me volkomen terecht. Maar er is veel van dit soort, als moeilijk gekwalificeerde literatuur dat nog maar met moeite in de winkels raakt wegens de inschatting van vlotte verkopers dat het volslagen onverkoopbaar zou zijn en voor 'het grote publiek' of 'de gemiddelde lezer' totaal ongeschikt. Helaas mag aan het feit dat Vasta het wél goed doet geen enkele conclusie verbonden worden.

    Ik nam tekst en opmaak over van De Reactor, waar het stuk net verscheen. 

    Het geweld van verlangen

     

    cover big

    Over De materiële tijd van Giorgio Vasta

    Vertaald door Marieke van Laake

    Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2011, 
    ISBN 9789028423480 / 319p. 

     




     

     ‘Ik ben een ideologisch jongetje, geconcentreerd en fel, een niet-ironisch, anti-ironisch, weerspannig jongetje. Een niet-jongetje’. Het zijn de wat merkwaardige woorden van de ik-verteller uit Giorgio Vasta’s succesvolle debuutroman De materiële tijd. Een jongetje inderdaad. Elf jaar oud is hij, net als zijn vrienden Scarmiglia en Bocca. ‘Elfjarige lezers van de krant, luisteraars naar het tv-journaal. Het politieke nieuws. Geconcentreerd en schurend. Kritisch, somber.’ Hij omschrijft zichzelf en zijn vrienden als ‘abnormale preadolescenten’.

    Daarmee trekt Vasta meteen wel een heel erg grote wissel op de willing suspension of disbelief bij de lezer, want het taalgebruik en de filosofische gedachtegangen van de personages, de verhevenheid van hun houding — ik kan het me voorstellen bij de intelligente en misdadige adolescenten die bijvoorbeeld Les-Faux-Monnayeurs van Gide bevolken, of bij de student Raskolnikov uit Dostojevski’s Misdaad en straf, en zelfs nog bij de in vergelijking met de vorige twee tamelijk onschuldige puber Holden Caulfield uit The Catcher in the Rye, maar niet bij de elfjarige jongetjes die Vasta hier opvoert. Niet dat elfjarige jongetjes de onschuld zelve zijn, maar tot het soort analyses dat de ik-verteller en zijn kameraden in dit boek maken, is geen elfjarige werkelijk in staat. Of het moest zijn dat we hier met drie wel zeer hoogbegaafde kinderen te maken hebben.

    In een interview tijdens het laatste Passa Porta Festival (gepubliceerd in De Leeswolf jaargang 17, nummer 4) zei Vasta daarover tegen Frans Denissen dat hij de leeftijd bewust gekozen had ‘omdat die leeftijd een soort limbus is’. Er dienen zich veranderingen op lichamelijk vlak aan (zoals de ontluikende seksualiteit), en op cognitief vlak is er sprake ‘van de geleidelijke bewustwording van een symbolische dimensie’, zo zei hij. ‘Als ze vijftien of zestien geweest waren, hadden ze te veel volwassen trekken gehad om nog een eigen realiteit tegenover de “gangbare” te stellen’.

    Ik weet niet precies welke boekjes over ontwikkelingspsychologie Vasta hier heeft geconsulteerd, maar bewustwording van de symbolische dimensie is er toch al wel wat vroeger. Een adolescent stelt misschien niet meer op dezelfde kinderlijke manier een eigen realiteit tegenover de gangbare , maar wat de ik-verteller, Scarmiglia en Bocca aan realiteit creëren heeft op zich niets kinderlijks meer. De voorwaardelijke wijs die meestal vooraf gaat aan de typische fomuleringen waarmee kinderen hun spel beginnen (‘Ik was de cowboy en jij de indiaan’), ontbreekt bij dit drietal volledig. Hun neiging de ‘eigen realiteit’ te verabsoluteren, hun gebrek aan relativeringsvermogen, is eerder puberaal dan kinderlijk.

    IRONIE

    Vasta creëert met zijn keuze voor deze ‘niet-jongetjes’ eigenlijk precies de — je zou kunnen zeggen: ironische – afstand waarvan zijn personages verlost willen worden. ‘Er is steeds meer ironie, te veel,’ stelt de ik-verteller,

    die nieuwe Italiaanse ironie die op elk smoelwerk schittert, in elke zin, die elke dag tegen de ideologie vecht, haar kop verslindt; binnen een paar jaar zal er niets meer van de ideologie over zijn, zal de ironie onze enige hulpbron zijn en onze nederlaag, onze dwangbuis, en zullen we, teleurgesteld, allemaal op dezelfde ironisch-komische toon zijn afgestemd en precies weten hoe de aanzet van de grap moet zijn, wat de beste timing is, hoe we de allusie ineens kunnen neutraliseren en laten doodbloeden, altijd participerend en afwezig, spits en ontaard: gelaten.

    Het is precies daartegen dat de drie jongetjes zich keren.

    Dat maakt van hen op het eerste gezicht typisch hedendaagse personages. Post-postmodern, om het met een lelijk woord te zeggen. En de passage over de alomtegenwoordigheid van de ironie lijkt ook geheel toegesneden te zijn op onze eigen tijd. Men hoeft bijvoorbeeld wat Italië betreft alleen maar aan Berlusconi en zijn bunga-bunga-politiek te denken. Toch gaat het verhaal niet in eerste instantie over de huidige tijd. Het boek speelt in Palermo in 1978, het jaar waarin in Italië de christendemocratische politicus en voormalige premier van Italië Aldo Moro werd ontvoerd en gedood door de Rode Brigades. Het was één van ‘de loden jaren’, de anni di piombo, jaren waarin niet alleen de Rode Brigades maar ook de Rote Armee Fraktion en nog vele andere extreemlinkse terreurgroepen actief waren. Tegen die achtergrond lijkt een combinatie van anti-ironie en gerichtheid op de ideologie bij de personages automatisch te moeten uitlopen op een verhaal waarin de politieke radicalisering van in dit geval dus elfjarige jongetjes het hoofdonderwerp is.

    MYTHOPOIETISCH

    Dat blijkt maar zeer gedeeltelijk het geval te zijn. De drie jongens flirten inderdaad met het jargon dat de Rode Brigades in hun communiqués gebruiken. ‘Hun communiqués zijn ingewikkeld, hun zinnen lang en sterk. Zij zijn de enigen in Italië die zo schrijven’, zegt Scarmiglia, de meest ideologische van de drie. ‘Ze geven materie aan het immateriële’, voegt hij er later nog aan toe — en dat is precies wat er volgens hem moet gebeuren: de ‘droom’ moet ‘hard en geometrisch worden en op de ideologie gericht zijn’, meent hij.

    Daarmee lijkt de gehate ironie gedefinieerd te worden als vooral een taalkwestie, als dat wat er kiert tussen taal en werkelijkheid, het lek tussen wat gezegd en wat gedaan wordt, tussen woord en betekenis. Het is vooral dat lek dat gedicht moet worden. Scarmiglia zoekt zijn heil via de Rode Brigades dan inderdaad vooral in een min of meer politieke dimensie, al is zijn droom vergeleken bij die van de Rode Brigades zelf eerder vaag, blijft hij beperkt tot verstoring en destructie van de bestaande orde zonder verdere bedoelingen. Voor de ik-verteller lijkt het niet om iets politieks te gaan, al laat hij zich aanvankelijk ver meevoeren door Scarmiglia’s betogen en plannen. Hij scheert zich kaal als blijkt dat Scarmiglia en ook Bocca dat hebben gedaan — iets wat op dat moment nog uitgelegd kan worden als reactie op een luizenplaag op school. Hij noemt zichzelf ‘kameraad Nimbus’ wanneer Scarmiglia zichzelf ‘kameraad Vlucht’ gaat noemen en Bocca zich herdoopt tot ‘kameraad Straal’. Hij doet mee met de kleine diefstallen die ze plegen op school, de vernielingen die ze op school aanrichten en ten slotte met brandstichting. En hij is meer dan medeplichtig wanneer hun gezamelijke logica hen er uiteindelijk toe brengt een medeleerling te ontvoeren, te martelen en te vermoorden — want dat is waartoe een en ander tot afschuw van de lezer uiteindelijk voert.

    Maar zijn inzet is een andere. Zijn belang is niet politiek, maar eerder existentieel van aard. Haast terloops vernemen we dat zijn moeder, ‘Touw’ genoemd, een vrouw is die voortdurend angst heeft voor besmettelijke ziektes:

    Touw die tegen me zegt dat ik niets moet aanraken, dat ik bij niemand te dicht in de buurt moet komen, dat ik hier moet blijven, achteraan, vooraan, die me streng aankijkt als ik een hond aai, want hij zal me in mijn hand bijten en in elke hond zit hondsdolheid, schuim en gekte, zoals in ijzer (…) de psychopathische bacterie zit, een micro-organisme dat ons haat, (…) en ijzer is overal.

    Zijn vader noemt hij ‘Steen’, een man die voortdurend bijbelteksten over de Dag des Oordeels voorleest — en dan is er nog een broertje dat ‘Katoen’ wordt genoemd, een ‘niet-verbaal organisme’. Zelf is hij ‘mythopoietisch’, zoals een onderwijzeres hem ooit heeft genoemd, een ‘woordenproduceerder’ die het gevoel heeft dat taal een epidemie is ‘waaraan je niet moest proberen te ontkomen’. Hij heeft het over zijn ‘sterke wil tot taal’ en omschrijft taal als ‘koorts van de keel’. Elders stelt hij: ‘Het plezier om in de zinnen te verkeren. De inspanning. De angst om de zinnen te verlaten’.

    Maar ondanks die angst is er wel het verlangen te genezen van datgene wat hem in en met taal infecteert, is er de behoefte aan eenduidigheid en helderheid. Dat uit zich aanvankelijk — en steeds onder invloed van Scarmiglia — in een ander gebruik van de taal. Met een in het Nederlands mooie dubbelzinnigheid zeggen de jongens dat zij in tegenstelling tot hun leeftijdsgenoten niet ‘dialectisch’ zijn, wat hier in de eerste plaats betekent dat zij niet het dialect spreken dat in hun woonplaats Palermo gebruikelijk is, maar Italiaans. ‘In het Italiaans praten (…), ingewikkeld praten, betekent voor ons weggaan’, stelt Scarmiglia, en de verteller voegt daar aan toe: ‘Weggaan door zinnen te bouwen. Je isoleren. Want de consequentie van onze manier van uitdrukken (…) is dat onze klasgenoten ons niet meer herkennen.’ Zo kunnen ze door te praten weggaan uit Palermo.

    Nog wat later ontwikkelen de jongens een geheel eigen taal, die ze ‘alfastil’ noemen. ‘Het gaat erom onze lichamen in ideogrammen te veranderen. Houdingen aan te nemen en die een betekenis toe te kennen. Op die manier creëren we een woordenlijst. Dan zullen we geen woorden meer met onze stem hoeven te zeggen want dat doen we dan met onze houding. En zinnen bouwen we door die houdingen met elkaar te verbinden’. Achterin het boek vindt men inderdaad een ‘geïllustreerd glossarium’ waarin de verschillende houdingen met hun betekenissen zijn afgebeeld.

    VERLANGEN


    Hoewel dit alles door Scarmiglia dus steeds in het politiek-ideologische wordt getrokken, lijkt het voor de ik-verteller meer te gaan om het verlangen om met taal uit de taal weg te raken, weg van de symbolische orde naar ‘het reële’ dat daarachter moet schuilen en dat door de taal ongrijpbaar blijft. Hij wordt verliefd op een doofstom meisje dat Wimbow heet:

    God weet wat er met mijn leven gebeurt als ik zo doof wordt als nu en de wereld tot een spook, een skelet degradeert, en terwijl ik op de rand van de drempel sta, is daar, tussen de open kast en de witte bolheid van de ijskast (…) alleen zij maar, zij die oeroud en toekomstig is, gewijde melancholie en innerlijke brand en involutie, rampzalige val van de taal, harmonie en barbaarsheid, helderheid en mysterie, en duisternis en warboel en versmelting, magma, voeding, as.

    Wimbow is voor de ik-verteller de beslissende factor in zowel de breuk met Scarmiglia en de politiek-ideologische invulling van zijn verlangen, als in de ontdekking van datgene waar het de ik-verteller eigenlijk altijd al om ging. Scarmiglia meent namelijk dat na de moord op een klasgenoot Wimbow het volgende slachtoffer dient te zijn. Het maakt dat de ik-verteller zich eindelijk van hem losmaakt. Bij diens vertoog had hij sowieso al steeds meer (verzwegen) bedenkingen.

    Want Wimbow is zoiets als het ideogram van zijn verlangen. Daarmee afrekenen is niet mogelijk. Zoals Scarmiglia zich tot ‘politiek gevangene’ wil laten verklaren, zo is hij ‘een mythopoietisch gevangene’. Hij ontdekt zijn verlangen in het meisje, én de noodlottige onmogelijkheid om het te vervullen. Wimbow vertegenwoordigt de realiteit van zijn eigen menselijk tekort, van zijn eenzaamheid en die van zijn in zichzelf gevangen ouders en broertje. Ze is zijn verdriet. ‘Waarom flitst de taal nog op, als ik alleen maar de stilte zou willen ingaan, jouw stilte, en huilen, ophouden er alleen al behoefte aan te voelen, en huilen?’ zo vraagt hij zich af.

    Daarmee legt Vasta iets op onze boterham dat misschien nog moeilijker te verteren is dan het gegeven dat elfjarige jongetjes tot gruwelen in staat zijn, of dat een verlangen naar maatschappelijke rechtvaardigheid tot extremisme kan leiden. Hij herleidt politieke aandriften tot existentiële benauwenis en vindt op de bodem van ons verlangen om daarvan verlost te worden de absolute rigoureusheid van een terrorist — of het nu gaat om het verlangen naar absolute rechtvaardigheid of om het verlangen het tekort in de liefde te overwinnen. De alfastil, zo zegt de verteller, was uiteindelijk niets meer ‘dan de zoveelste wanhopige taal waarin, voor mij, geen houding zit om liefde te zeggen, om te zeggen dat het alleen maar liefde was’. Het is dat wat aan De materiële tijd zijn werkelijke beklemming geeft. Het boek tracht een (taal)filosofisch probleem vlees en botten te geven (zoals in de bijbelteksten van de vaderfiguur). Het wil van zijn lezers hun eigen ideogram maken.

    Juist daarom is het zo spijtig dat Vasta hier voor elfjarigen heeft gekozen. De taal is exuberant, meeslepend, poëtisch, bij vlagen hallucinerend, en juist als je als lezer helemaal lijkt op te gaan in het verhaal, loop je telkens weer tegen het vervreemdende gegeven aan dat dergelijke jongetjes tot dit verbale vuurwerk onmogelijk in staat zijn. Alsof hij ons ook in literatuur wilde ontzeggen wat ons (net als zijn personages) in het leven wordt onthouden.