• Pin it!

    In De Standaard

    Gisteren in De Standaard een meer lichtvoetige bijdrage aan wat je mijn bekommernis met de ondergeschoven positie van de literatuur in deze barre neo-liberale tijden zou kunnen noemen. Uiteraard ben ik niet naar Machelen-aan de Leie gefietst. Mijn aanpassing aan 's lands wijs is inmiddels zo ver gevorderd dat ik de ruim 20 kilometer gewoon per auto aflegde, onderwijl genietend van mijn walging over de lintbebouwing langs de N43 en me maar weer eens realiserend dat je Vlaanderen zoals het zichzelf wil zien alleen kunt waarnemen wanneer je op het juiste moment de juiste kant op kijkt. 

    screenshot_133.jpg


    Reve, anders bekeken

    • zaterdag 21 mei 2011

    Als een dichter wordt geëerd in de publieke ruimte, met een vers dat royaal wordt gepresenteerd maar niet bijster zorgvuldig? Dan wil schrijver MARC REUGEBRINK wel naar Machelen-aan-de-Leie fietsen.
    Machelen-aan-de-Leie heeft nu dus zijn eigen soap. Die draait rond de herdenkingsmuur voor Gerard Reve die als ‘poëtische decoratie' binnen het plan van de dorpskernvernieuwing werd geplaatst. Meer precies: die soap draait om het woordje ‘anders', het woord te veel in de tweede regel, ‘Er rest mij niets anders dan duisternis en Dood', van het in die muur gebeitelde gedicht. Het is iets waar ik wanhopig probeer niets achter te zoeken, al is de verleiding groot. ‘Anders' is te veel, ‘anders' moet doorgestreept, weggehakt. Hou me tegen of ik begin hier een betoog over het volkskarakter van de oer-Vlaming. Het is bijna te verleidelijk.
    Maar niet terecht, natuurlijk. Machelen-aan-de-Leie huisvest ook het Raveelmuseum, gewijd aan een kunstenaar die het ‘andere' niet schuwt. En wie even rondwandelt in dit misschien net iets te aangeharkte dorp komt er ook nog de ‘Muur der verbeelding' van die kunstenaar tegen. Dat is weliswaar een werk met veel spiegels (men ziet zichzelf overal opduiken), maar om nu te zeggen dat ook Raveel het eigene boven het andere stelt, gaat toch wat te ver.
    Het studiebureau van de gemeente maakt intussen overuren om het probleem van het woordje te veel op te lossen. Men had natuurlijk beter van tevoren wat meer tijd en aandacht besteed aan deze ‘poëtische decoratie'.
    Die zo poëtisch niet is. Het is een muurtje. Een lelijk muurtje zelfs. Over het gedicht laat ik mij niet uit. Als men per se de schrijver met een metselwerkje wilde vereren, waren hier andere dingen mogelijk geweest, en zelfs betere.
    Maar als eerbetoon aan de schrijver Gerard Reve lijkt me een en ander eigenlijk ook helemaal niet bedoeld. Een gemeentebestuur dat poëzie als decoratie gebruikt in het kader van dorpsvernieuwing kan sowieso van weinig affiniteit met literatuur verdacht worden. Als je het muurtje zo ziet, heb je de indruk dat die dorpskernvernieuwing het zwaarst heeft gewogen. 
    Het is niet Machelen dat hier Reve eert, maar Reve eert Machelen. Hij is bijna zoiets als een toeristische attractie: de zichzelf altijd als volksschrijver afficherende enfant terrible van weleer als welkome aanvulling op het beeld van Machelen als dorp waar kunstenaars zich thuis voelen. Reve samen met Raveel pal voor een imago waarvan in de rest van de vernieuwde en zich vernieuwende dorpskern geen spoor te vinden is. Meer iets ter ondersteuning van de plaatselijke middenstand dan een eerbetoon aan de schrijver die er neerstreek.
    In die zin is dit muurtje met zijn woordje te veel haast een symbool voor het dedain dat bestuurders in het algemeen voor cultuur hebben. Het is dat er nog businessmodellen bestaan die de aanwezigheid van cultuur als een pluspunt voor het ondernemersklimaat zien, anders was zij allang van de begroting afgevoerd.
    Om dat recht te doen, moet niet alleen het woordje ‘anders' uit het gedicht worden verwijderd, al dan niet door het uit de muur te kappen, zoals het studiebureau in een jolige bui bedacht. ‘Niets te verwachten, niets te hopen' – de beginregels van Reves gedicht hadden hier volstaan. De rest is een gapend gat.
    In: De Standaard, 21 mei 2011. 
  • Pin it!

    Hilsenrath

    media_xl_579904.jpg

    Het was om meerdere redenen een opmerkelijk bericht een paar weken terug: premier Erdogan van Turkije die een reusachtig beeld van Mehmet Aksoy in Kars laat afbreken omdat hij het 'monsterlijk' vindt én omdat het beeld islamitische heiligdommen zoals de moskee en graftombe van Seyyid Hassan El Harakani zou overschaduwen. Schaduw wierp het zeker, dat dertig meter hoge monument van vrede en broederschap — vrede en broederschap tussen het Turkse en Armeense volk welteverstaan.

    Esthetische kwesties staan nooit op zichzelf…

    Turkije weigert tot op de dag van vandaag de moord op honderdduizenden Armeniërs gedurende de Eerste Wereldoorlog als genocide te erkennen. De Turken in de rol van slachters. Vraag het de volkeren die er in de buurt wonen en iedereen zal met verhalen komen over de notoire wreedheid van de Turken, al schijnen de Koerden er ook wat van te kunnen (ja, en de Duitsers ook natuurlijk, en de Hollanders toen ze nog koloniën hadden, en de Belgen toen ze Leopold nog hadden en…). Maar zo staat het in de roman die Edgar Hilsenrath in 1989 over specifiek die Armeense genocide schreef: Das Märchen vom letzten Gedanken (vertaald als Het sprookje van de laatste gedachte). En juist dat beeld van Aksoy was als gebaar van verzoening bedoeld naar de Armeniërs, een handreiking aan een land waarmee tot voor kort (2009) geen diplomatieke betrekkingen bestonden.

    Maar het is dus monsterlijk — en ja, vrede en broederschap mogen vooral geen schaduw werpen op islamitische heiligdommen. Ik als eenvoudige geseculariseerde boerenlul zou denken dat het voor die heiligdommen een eer is wanneer ze zich mogen koesteren in de schaduw van een monument dat het menselijke bovenaan wil plaatsen — gezien het feit dat een bepaald soort beleving van godsdienst tot op de dag van vandaag aanleiding geeft tot bloedvergieten. Maar dat is altijd buiten hen gerekend die zeggen hun godsdienst te vertegenwoordigen.

     

    1.jpg

    Edgar Hilsenrath

    Hoe dat ook zij, over Hilsenraths roman schreef ik vorige maand voor De Leeswolf (jrg. 17, nr. 3, p. 171-173) en het stuk over die roman lijkt hier op zijn plaats.

     

    Van grijns naar grimas

     

    Op pagina 460 van Edgar Hilsenraths roman Het sprookje van de laatste gedachte (1989) staat iets wat je al lezend dan al enige tijd duidelijk was: ‘”En zo kunnen we alleen maar fantaseren over wat er is gebeurd,” zeg ik, de sprookjesverteller, tegen mijn schaduw. “Want soms zit er niets anders op dan de ultieme waarheid te zoeken in de fantasie.”’ Hilsenrath (1926) was er zich als holocaustoverlevende al eerder van bewust dat getuigenis afleggen van onvoorstelbare gruwel alleen lukt wanneer je een zekere distantie inbouwt: de distantie van de vorm. De waarheid wordt het best gediend met geloofwaardigheid. En geloofwaardigheid is een kwestie van vorm, van beheersing, van de juiste dosering. In zijn roman De nazi en de kapper (1971) koos hij zelfs voor satire om de holocaust in de verf te zetten — iets wat hem niet in dank werd afgenomen, uiteraard, net zomin als het al te harde realisme van Nacht, zijn debuutroman uit 1964.

     En zo deed ook de keuze voor het sprookje in Het sprookje van de laatste gedachte de wenkbrauwen fronsen. Niet de concentratiekampen van de nazi’s staan hier centraal, maar de Armeense genocide. In de jaren 1915-1916 werden om en nabij anderhalf miljoen Armeniërs op last de Turkse regering vermoord, een feit dat heden ten dage in Turkije nog steeds hevig wordt betwist. Zozeer zelfs dat de uitgever van de Turkse vertaling van het boek acht maanden gevangenisstraf kreeg wegens belediging van de Turkse staat en het Turkse leger. Dat laatste zou je als een bewijs kunnen zien voor de effectiviteit van de door Hilsenrath gekozen vorm, al valt te verwachten dat elk verhaal waarin de woorden ‘Turkije’ en ‘Armeense genocide’ voorkomen voor leger en regering van Turkije reden is om zich beledigd te voelen.

    De werkelijke reden waarom de gekozen vorm hier buitengewoon effectief is, heeft te maken met het gegeven dat in sprookjes zelfs de meest onwaarschijnlijke zaken als feit worden voorgesteld, of dan toch minstens als de beschrijving van hoe de wereld nu eenmaal in elkaar zit. Sprekende wolven en kannibalistische bejaarde vrouwtjes — niemand die zich er vragen bij stelt. Nu komen die in Hilsenraths roman niet voor, maar over de gebruiken, over regels, over manieren om de hand te lichten met die regels, over de wijze waarop uiteindelijk alles op een haast wetmatige manier willekeurig is (want afhankelijk van wie het voor het zeggen heeft), over de terloopsheid waarmee alles gebeurt en blijkbaar ook zonder al te veel drama wordt geaccepteerd als deel van het leven zoals het nu eenmaal is en ook altijd zal blijven — daarover komen we veel te weten.

    Redenerend vanuit de eigen westerse vooronderstellingen is veel van wat Hilsenrath beschrijft absurd te noemen, en daardoor ook niet zelden geestig — al is dat in sommige gevallen dan weer een wat ongepast woord als je ziet waar het om gaat. Bijvoorbeeld over de vanzelfsprekendheid waarmee een kersverse, goed vetgemeste bruid door Koerden wordt geschaakt omdat de ouders van het bruidspaar de bruidsbelasting niet hebben afgedragen. Ze zal verkracht worden nog voordat de bruidegom haar heeft ontmaagd. En daarna vermoord. Dat is nu eenmaal zo. Tenzij de ouders alsnog met een stuk of honderd schapen over de brug komen. Die ze niet hebben. Vijftig hebben ze er misschien. Voor twintig krijgen ze de bruid levend, maar verkracht terug. Maar in dat geval is de eer van de bruidegom voor altijd geschonden, en die van zijn kinderen. En van zijn kindskinderen. Dan kan ze nog beter worden vermoord, eigenlijk. Zo gaat dat. Al loopt het in dit geval dan toch nog goed af.

    Het sprookje van de laatste gedachte vertelt het verhaal van Wartan Kathisian, de vader van Thovma, met wie het boek begint. De laatste gedachte uit de titel is namelijk de gedachte die met de laatste angstkreet van de stervende Thovma naar buiten zweeft. Enig rekenwerk leert dat de roman dus eigenlijk in 1988 begint, 73 jaar nadat Thovma is geboren. Het is naar dat geboortejaar, 1915, dat die laatste gedachte, steeds in gezelschap van de sprookjesverteller, terugzweeft. Zij landt op een van de stadspoorten van de stad Bakir, ‘de stad van de duizend en één moskeeën’. Onder die stadspoort zijn enkele Armeniërs opgehangen: handwerkslieden, onschuldige burgers, máár Armeniërs. Dat is op dat moment al reden genoeg om gedood te worden.

    Ook Thovma’s vader is door de autoriteiten gearresteerd. Maar hij wordt niet onmiddellijk ter dood gebracht. De autoriteiten hebben eerst nog andere plannen met hem. Wartan is opgepakt op het moment dat hij, na twintig jaar in Amerika gewoond te hebben, naar zijn geboortestreek terugkeerde om zijn bruid op te halen. Het toeval wil dat hij eerst een tussenstop maakte in Serajevo precies op het moment (28 juni 1914) dat Gavrilo Princip de Oostenrijkse kroonprins Franz Ferdinand vermoordt — zoals bekend: het startsein voor de Eerste Wereldoorlog. De autoriteiten van Bakir willen Wartan deze moord in de schoenen schuiven en het geheel op het conto brengen van ‘het Armeens Wereldkomplot’ — een door henzelf  verzonnen samenzwering van Armeniërs die uit zouden zijn op de wereldheerschappij, of dan toch tenminste op de vernietiging van het Turkse rijk. De analogie met de ‘Protocollen van de wijzen van Sion’ ligt hier voor de hand.

    De ondervraging van Wartan is opnieuw zodanig absurd dat het meermalen clownesk wordt. De wijze waarop de ondervragers tot waarheid omvormen wat zijzelf zonder meer erkennen als je reinste leugen, de wijze waarop die ‘waarheid’ vervolgens in de mond van de ondervraagde wordt gelegd — een Beckett, Pinter of Pinget had het niet zo kunnen verzinnen. Wartan wordt tot clown gemaakt. Hij wordt geconfronteerd met een werkelijkheid die zo ver naast de feiten is, dat hij haar onmogelijk kan begrijpen. Zoals een clown niet de stoel naar de tafel, maar de tafel naar de stoel schuift. Het is van een tragiek waarbij je onwillekeurig in de lach schiet.

    Tegelijkertijd zet het je op een spoor naar wat misschien de meer verborgen bedoelingen van Hilsenrath met dit boek zijn geweest. Als zomaar een aanklacht tegen het Turkse volk lijkt het boek niet per se bedoeld te zijn. Wat opmerkelijk is, is dat hetgeen de Armeense genocide mogelijk maakte zo nauw verweven lijkt met de cultuur waarbinnen die plaatsvond. Het verhaal over de bruid en de bruidsbelasting — een verhaal dat losstaat van de genocide, maar gewoon een illustratie is van de wijze waarop de zaken gewoonlijk werden geregeld —  verschilt qua absurditeit niet van de verhalen over de wijze waarop de Armeniërs met honderduizenden tegelijk over de kling werden gejaagd. Er zit logica in hoe het één het ander voortbracht, al is het een logica die mijlenver lijkt af te staan van de onze.

    Wij, uit wat we de joods-christelijke cultuur noemen — wij blijven toch geneigd om de holocaust als een anomalie van onze cultuur te beschouwen, niet als iets wat ertoe behoort. Hilsenrath lijkt hier via de omweg van de Armeense genocide juist te willen zeggen hoezeer dat soort ontsporingen altijd deel uitmaken van de grondstructuur van de cultuur waarin ze optreden. Wat wij geneigd zijn absurd te vinden in en aan een andere cultuur en wat wij in onze eigen cultuur als anomalie beschouwen, is veel meer met onze cultuur verbonden dan we ons zelfs maar permitteren te denken. Niet voor niets legt Hilsenrath in zijn boek herhaaldelijk, zij het onopvallend, verbindingen met de praktijken van nazi-Duitsland. Er komen Duitsers voor in dit boek, die weliswaar hoofdschuddend, maar ook schouderophalend gadeslaan wat zich voordoet. En dan is er nog de bittere ironie van het slot van het boek: Wartan weet aan zijn ondervragers te ontkomen, raakt levensgevaarlijk gewond als hij tegen ieders advies in op zoek gaat naar zijn hoogzwangere vrouw, die dan inmiddels met honderdduizenden anderen door Turken en Koerden wordt opgejaagd (ze schenkt onderweg het leven aan Thovma, die wordt weggegeven). Wartan overleeft, zwerft na de Eerste Wereldoorlog door Europa, woont tijdens de Tweede Wereldoorlog in Zwitserland, trekt met een speciale pas naar Polen om iemand te helpen, en wordt daar bij vergissing opgepakt, afgevoerd naar een concentratiekamp en vergast.

    De absurditeit van wat je de etnografische kant van de roman kunt noemen, geeft ons even het superieure gevoel dat we boven het beschrevene staan en er gemakkelijk over kunnen oordelen. Maar die absurditeit keert als een boemerang in ons eigen gezicht terug. Misschien juist omdat Hilsenrath het ons door de keuze voor het sprookje onmogelijk maakt om op onze typisch westerse manier verontwaardigd of ontsteld te zijn over wat we lezen, worden we hier als lezers zelf in de positie van de clown gedwongen. De lezer moet wat hij niet begrijpt accepteren als de realiteit. Of misschien is de lezer hier beiden: clown en toeschouwer, de om de absurditeit grinnikende toeschouwer die zijn grijns tot grimas voelt verstarren zodra tot hem doordringt dat er tussen dat absurde en zijn eigen gevoel voor normaliteit nauwelijks een afstand bestaat.

    Edgar Hilsenrath, Het sprookje van de laatste gedachte. Vertaling Els Schippers. Anthos, Amsterdam 2010. 494 p. 

  • Pin it!

    Vandaag in De Standaard

    screenshot_129.jpg

    En alweer stuiten we erop, de verwarring tussen kwaliteit en kwantiteit: ‘Winnaar niet altijd bestseller’, zo kopte deze krant gisteren, en: ‘Kan Yves Petry de Nederlandse boekhandel overtuigen?’ In het huidige tijdsgewricht is dit dreigende taal. Voor je het weet besluit de organisatie van de Librisprijs dat niettegenstaande de bevindingen van de jury Petry dan toch niet ‘de juiste winnaar’ is geweest. En wie weet besluit ze dat er voortaan alleen nog Bekende Nederlanders, één excuustruus en één dito Vlaming in de jury mogen zitten. Zolang ze maar uit het milieu van het light entertainment komen, zodat het risico dat ze plotseling serieus over literatuur gaan praten tot een minimum wordt beperkt. Of deden ze zoiets alleen in de organisatie van wijlen de Gouden Uil?

    Dat Yves Petry met De maagd Marino de Librisprijs heeft gewonnen kun je, zonder daarmee iets over de andere genomineerden te willen zeggen, gerust een triomf van de literatuur noemen. Petry is een schrijver die doordrongen is van het besef dat in literatuur vooral de stijl bepalend is voor de inhoud — hoezeer we inmiddels ook in een klimaat leven waarin ‘het verhaaltje’, ‘de anekdote’ of ‘het onderwerp’ blijkbaar bepalender zijn. De gedachte dat het in literatuur om ‘inhoud’ zou gaan, getuigt ‘van een volslagen onbegrip van wat literatuur is en zijn moet’, zo schreef Petry daarover ooit op een blog van de Volkskrant die hij na het winnen van de BNG-literatuurprijs voor De achterblijver (2006) een weeklang bijhield. En met de hem kenmerkende humor voegde hij daar aan toe: ‘Jawel, tolerante, ruimdenkende lezer: zijn móét’.

    Hij overdreef ongetwijfeld. Petry is nooit een leverancier van enkel stijlbloempjes geweest. Integendeel, de zwaarste kritiek op zijn boeken was in het verleden dat hij te veel filosofeerde (het is ook nooit goed). Maar een literair schrijver is zich er meer dan bijvoorbeeld een journalist van bewust dat het ‘hoe’ van wat hij schrijft bepalend is voor het ‘wat’. ‘Zonder stijl is er geen avontuur, niet voor de lezer en zeker niet voor de schrijver’, aldus Petry. En een feit is dat wie met voorkennis van, of zelfs enkel vanwege de aanleiding aan De maagd Marino begint (het verhaal van de Duitser Armin Meiwes, die in maart 2001 Bernd Jürgen Brandes op diens eigen verzoek doodde en opat), een verhaal te lezen krijgt dat hij of zij op basis van die aanleiding niet had verwacht.  

    Wat zou het mooi zijn als nu na de bekroning juist het literaire aspect van Petry’s boek eens aan bod kon komen in plaats van het gebruikelijke gezever over verkoopcijfers en ‘de gemiddelde lezer’, die altijd wat schimmige, op basis van steekproeven en andere statistische fijnzinnigheden tot stand gekomen moloch waarmee de cijferaars van het boekbedrijf iedereen telkens weer de mond willen snoeren. Als er iets achter al die grote prijzen tevoorschijn komt, dan is het toch wel dat men het liefst heeft dat reeds bekende (lees: goed verkopende) schrijvers hem winnen. Onbekende winnaars krijgen steevast te horen dat het ‘niet goed is voor de boekhandel’ dat zij met de eer gingen lopen. Ze moeten — ook nu weer — blijkbaar onmiddellijk gekleineerd worden.

    Het kan zijn dat De maagd Marino de honderdduizend niet haalt, maar de achterliggende gedachte dat het daarom dus ook onterecht bekroond zou zijn — al is er natuurlijk als puntje bij paaltje komt niemand die dat met zoveel woorden gezegd wil hebben — is misselijkmakend. Het laat zien hoezeer alleen nog de kwantiteit regeert in een wereldje dat het volgens de door haarzelf gehanteerde businessmodellen toch vooral van kwalitatieve ‘content’ moet hebben. In zowat elk model waarmee het boekbedrijf werkt, staat de schrijver vooraan. Zonder schrijver geen boek. Maar de verkoopafdelingen van de huidige monsteruitgeverijen zijn allang niet meer alleen bezig met het aan de man brengen van boeken. Ze zijn even hard bezig met druk zetten op de schrijver, omdat blijkbaar al op voorhand vaststaat wat wel en niet verkoopt. De auteur zou zich daar maar beter naar voegen.

    Jury’s hebben de absolute wijsheid niet in pacht. Een andere jury had uit de 164 gelezen boeken mogelijk een andere winnaar gekozen. Maar voorlopig lijken de jury’s van de grote literaire prijzen nog steeds vooral een hinderpaal voor de bedoelingen van de sponsoren. Ik kan in het geval van De maagd Marino alleen maar hopen dat die schimmige ‘gemiddelde lezer’ de boekhouders van het boekbedrijf grandioos te kakken zet. Dat hij zich niet door deze feitelijk aartsconservatief denkende elite laat vertellen dat hij niet avontuurlijk is of laat voorschrijven wat hij wil lezen. De maagd Marino is niet alleen die ‘gemiddelde lezer’ waard, die lezer zelf is ook heus De maagd Marino waard.

    In: De Standaard, 12 mei 2011

  • Pin it!

    Vandaag in De Morgen

    screenshot_127.jpg 

    Opvoeden is shoppen

    Ouders sturen hun kinderen massaal naar de logopedist, schreef De Morgen gisteren. Alles voor ons kind, meer dan ooit. 
    •  Onze ouders wilden dat wij het beter hadden dan zij. En nu willen wij niet minder dan das Überkind. En alles wat dat bedreigt, dient uit de weg geruimd  
    Kent u die paniek ook? Uw baby schijt zeven kleuren stront en er is geen opvoedingsboekje te vinden waar in staat wat u nu precies moet doen. Drie kleuren, daar is nog wel wat over te vinden - maar zeven! En wat te doen als uw kind huilt? De vakliteratuur stelt dat u het in een dergelijk geval niet moet schudden - daar zijn de experts het wel over eens. Maar dan? In zijn sop gaar laten koken zou wellicht onherstelbare schade aan de kinderziel kunnen toebrengen. En het is ook niet de bedoeling dat u met toenemend ongeduld blijft vragen waarom het in godsnaam zit te janken. Om schijnbaar niks dan ook nog! Beter eens een afspraak maken met de kinderpsychiater. Voorkomen is beter dan genezen.

    En dan: moet uw kleuter niet al een beugeltje? De tandarts vindt van wel, eigenlijk. Want stel u voor dat het later (later...!) één tand scheef heeft staan, of zo'n fietsenrek heeft - daar gaat zijn carrière! En nu we het daar toch over hebben: wat moeten we aan met dat koeterwaals en verkavelingsvlaams, om nog maar te zwijgen over die West-Vlaamse keelklanken? Tot de N-VA eenduidig heeft vastgesteld wat we precies onder 'het Vlaams' dienen te verstaan, lijkt het verstandig ons kind bij de logopedist toch alvast van de ergste spraakgebreken van ruraal Vlaanderen te verlossen. De logopedist vindt in ieder geval van wel.

    Utopieën
    Onze kinderen, de gasten, de kids, zoals het in bakfietskringen ook wel heet - we zijn er vandaag de dag meer dan ooit mee begaan. Geen kwaad woord over onze (groot)ouders. Die wilden vooral dat hun kinderen het beter zouden hebben dan zijzelf - en dat bedoelden ze materieel. Maar nu we het beter hebben, willen wij voor onze kinderen niets minder dan de perfectie. Wij willen das Überkind, zeg maar. Alles wat dat beeld ook maar enigszins bedreigt, dient uit de weg geruimd. Er zijn al ouders die naar de rechter stappen als hun kind op school een onvoldoende krijgt, of het advies een ander schooltype te kiezen.

    Hoe komen we eigenlijk aan dat beeld van het perfecte kind? Ideaalbeelden hebben misschien niet altijd bestaan, maar zeker sinds Rousseau (1712-1778) is er een bloeiende handel in opvoedingsutopieën. Tot nu toe zijn we meestal ondanks die utopieën gewoon opgegroeid, misschien vooral omdat er naast pedagogen ook altijd, vooral moeders hebben bestaan (vaders doen nog maar recent mee). Opvoeden was ook gewoon een kwestie van tradities en instinct. Nee, dat ging niet altijd goed. Ouders gedroegen zich niet altijd even redelijk en al helemaal niet volgens de door wetenschappers, artsen, pedagogen en andere specialisten voorgeschreven regels. En nee, dat pakte ook niet altijd even goed uit. Maar het is een illusie te denken dat dat met al die professionele en therapeutische omkadering anders is.

    Als al die opvoedingsutopieën uit het verleden ons iets hebben duidelijk gemaakt, dan is het wel dat ze, minstens voor een deel, modeverschijnselen waren. In de jaren zestig van de vorige eeuw wilden we kinderen die zich, bevrijd van de druk van traditionele waarden, tot 'mondige burgers' ontwikkelden. Maar die generatie vergat na het opruimen van de traditie zelf nieuwe waarden te formuleren. En daarmee leverde ze de opvoeding uit aan de markt. Er is niet werkelijk meer iets waarop we ons kunnen beroepen.

    Met het gevolg dat het opvoeden zelf nu een kwestie van shoppen is geworden. Daarbij laten we ons leiden door wat goed in de markt ligt, of door wat ons als zodanig wordt voorgespiegeld door lieden die nog andere belangen hebben dan enkel de zuivere kinderziel. Daarom hebben zoveel kinderen ADHD. Of dyslexie. Dat sommige rilatineslikkers misschien ook domweg slecht opgevoede ettertjes zijn en anderen gewoon niet zo goed kunnen lezen, het past niet in het plaatje.

    Hoe het dan moet? Het meest voor de hand liggende antwoord voldoet niet: terug naar vroeger. Het enige wat men als radeloze ouder doen kan, is zich bewust zijn van wat er gaande is en bijvoorbeeld met man en macht trachten de verdere vermarkting van onder meer het onderwijs een halt toe te roepen. Ik zie nog niet snel een partij die dat in haar programma heeft.

    En verder is er nog uw instinct. Diep in uzelf weet u heus wel dat die zeven kleuren stront gezien de hippe hedendaagse babyvoeding die het kind tot zich nam, eigenlijk nog meevallen. Het hadden er nog veel meer kunnen zijn.