• Pin it!

    Uit het reservaat

    Inmiddels bereikte mij via via en ook via het kabinet van Vlaams minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur zelf de volledige tekst die Joke Schauvliege op 21 april tijdens 'De Staat van het Boek' heeft uitgesproken (ze is hier te downloaden). Daarin refereert ze inderdaad aan, zo blijkt nu, het opiniestuk dat ik begin deze maand in De Standaard publiceerde, maar niet zozeer om wat ik daar heb beweerd tegen te spreken, zoals mij eerder was gemeld door iemand die daar aanwezig was. Dat literatuur een steeds geringere rol speelt in de publieke ruimte en binnen het maatschappelijk debat, zoals ik (uiteraard zeker niet als eerste) in dat stuk stelde; dat literatuur niet langer het trotse middelpunt is van wat er nog resteert van het westerse cultuurideaal en naar een reservaat is verdreven — het zijn en waren voor mij feitelijkheden die, zo blijkt, de minister in haar lezing ook als zodanig erkent. 'De ontlezing, de verkoopcijfers van kookboeken en drukke Facebook-activiteiten — die de schrijvers zelfs van zich zelf aanklagen! (Komrij) — geven hem gedeeltelijk gelijk,' stelt ze refererend aan mijn opiniestuk. En ze vervolgt: 'Maar wat kunnen we en zullen we als overheid daaraan doen?'

    boek.jpg

     

    Inderdaad is dat al sinds het idee van het literatuureservaat opdook de grote vraag: wat we er aan of er tegen kunnen doen. Ik werd er eigenlijk voor het eerst mee geconfronteerd in de persoon en opvattingen van Arnold Heumakers toen hij in 1990 gastcriticus was aan de Faculteit der Letteren in Groningen, waar ik werkte aan een dissertatie (u weet wel, zo'n proefschrift dat in een van de bij een laatste verhuizing niet meer, nooit meer uitgepakte verhuisdozen op zolder ligt te verstoffen: bijna 200 pagina's zijn het in mijn geval, inmiddels hopeloos achterhaald). Hij hield daar toen een drietal lezingen die later gebundeld werden in Onleefbare waarheden (De Prom, Baarn 1990) en verkondigde opvattingen waartegen ik hevig in het geweer kwam — onder andere in De Gids, jrg 157, 9, oktober 1994, P. 712-721, waarop Heumakers reageerde in De Gids, jrg. 158, 2, februari 1995, p. 92-96, en ik nog eens in De Gids, jrg. 158, 3, maart 1995, p. 240-244; in De inwijkeling bewerkte ik een en ander in een essay dat (net als mijn eerste Gids-bijdrage) 'Dichter tegen historicus' heette (p. 48-73).

    Destijds vond ik zijn analyse van wat je de staat van de republiek der letteren zou kunnen noemen te veel gedacht vanuit het perspectief van de historicus die Heumakers van huis uit is. Een historicus staat altijd aan het einde van de geschiedenis die hij beschrijft, maar een schrijver staat altijd aan het begin van de geschiedenis die hij schrijven gaat, heb ik toen ongeveer geschreven. Voor Heumakers was literatuur vooral een historisch verschijnsel geworden, zo interpreteerde ik zijn standpunt. 'Daarmee wordt de gedachte dat literatuur een belangrijke rol speelt als een van de constituerende elementen van onze cultuur opgegeven', schreef ik; literatuur is voortaan wat zij is binnen een werkelijkheid die is wat zij is; ze is feitelijk post-literair.

    Post-literair is de literatuur natuurlijk alleen wanneer je uit blijft gaan van het literatuurbegrip zoals we dat grofweg sinds de Romantiek hanteren, en dat is precies wat er nu al jarenlang botst. In de huidige werkelijkheid — pardon: in de huidige voorstellingen ervan — handhaaft het (romantische) literatuurbegrip zich alleen nog als het in feite overleefde restant van een wereldbeschouwing die we achter ons gelaten zouden hebben, die in ieder geval vandaag de dag zijn geldigheid heeft verloren. Wie dus dat in se romantische literatuurbegrip blijft verdedigen (en ikzelf en het merendeel van de schrijvers doen dat vandaag de dag nog steeds), verzet zich tegen de huidige (laten we zeggen: neo-liberale) voorstelling van de werkelijkheid.

    Heumakers had het destijds, genuanceerder en specifieker, over een 'conglomeraat van waarden en praktijken waarop nog het beste het etiket utilitarisme kan worden geplakt. Een utilitarisme met als politiek gezicht de parlementaire democratie.' Bij die waarden en praktijken gaat het om de gerichtheid op nut, rendement, winstbejag, rationaliteit , efficiency en de weg van het midden, 'terwijl het democratische gezicht staat voor vrijheid, gelijkheid en wat in de praktijk misschien nog wel het belangrijkste is: machtsdeling', aldus Heumakers. Dat wat literatuur (sinds de Romantiek) voorstond — de nadruk op het heilige, soevereine, ongrijpbare en irrationele — was daarmee volgens Heumakers niet verdwenen, maar zou zich hebben teruggetrokken 'in het autonome domein van de literatuur, waar ze — door die autonomie beschermd — een kunstmatig leven zijn begonnen dat voortduurt tot op de dag van vandaag'. Onleefbare waarheden, met andere woorden. Het reservaat waarover het steeds gaat.

    Misschien moet ik dat 'romantische literatuurbegrip' nog eens wat nader invullen en vooral nuanceren. Het is voor mij niet meteen verbonden met een specifieke poëtica, zoals woorden als 'heilig', 'soeverein', 'ongrijpbaar' en 'irrationeel' wel suggereren (we zitten dan toch vooral in de hoek van de avant-garde). Het gaat me denk ik zelfs minder om inhoud dan om het feit dat literatuur sinds de Romantiek een onmiskenbaar ideologisch karakter heeft. Anders gezegd: literatuur geeft sinds die tijd niet langer een objectieve, een van God gegeven werkelijkheid weer (de gedachte dat die zou bestaan wordt sinds die tijd immers — ook ver buiten de literatuur — als achterhaald beschouwd), maar desalniettemin is ze gericht op werkelijkheid. Ze projecteert (een gewenste) werkelijkheid. Nog anders: is niet alleen werkelijkheidsvoorstelling, maar ook werkelijkheidsvoorstel. In die zin staat ze altijd in een bepaalde verhouding tot de politieke en maatschappelijke werkelijkheid van de tijd waarin ze geschreven wordt. Dat kan negatief, kritisch zijn, maar dat hoeft niet per se. Er is vandaag de dag geen enkele werkelijke grond meer om de  consumentistische literatuur, de literatuur die louter entertainment wil bieden en die schijnbaar naadloos aansluit bij het alomtegenwoordige marktdenken, van de literatuur in algemene zin uit te sluiten.

    Een dergelijke invulling van wat ik het 'romantische literatuurbegrip' noem, maakt het wat makkelijker om na te denken over hoe ik me verhoud tot dat irrationele, ongrijpbare, heilige en soevereine dat volgens Heumakers (en veel anderen) het prerogatief van de kunst is, zij het tegen de prijs van haar onbeduidendheid in politiek-maatschappelijke zin: de kunstenaar die vrijelijk alles mag zeggen (in zijn kunst) en daarmee eigenlijk monddood wordt gemaakt, of zichzelf monddood maakt. Wat ik me namelijk al tijden afvraag is of precies dat irrationele etc. wel de invulling van de kunst en literatuur zou moeten zijn als ze in de huidige samenleving nog een rol van betekenis wil spelen. Ik zie een schrijver in de eerste plaats als een moralist — ook wanneer hij dat zelf niet zou willen zijn. De koudwatervrees in literaire en artistieke kringen voor juist dat morele aspect, spreekt wat mij betreft boekdelen. Voor mij heeft het geen pejoratieve bijklank, omdat ik dat moralistische niet opvat als uitdrukking van een moraal die op voorhand vastligt, maar als juist het zoeken naar morele begrenzing. Literatuur en kunst als uitdrukking van de bevrijding van een overleefde moraal — juist dat lijkt mij heden ten dage een overleefd concept geworden. Dat de literatuur van de negentiende en twintigste eeuw daar een belangrijke en ook noodzakelijke rol in heeft gespeeld, moge duidelijk zijn, maar juist die rol is nu uitgespeeld, zo is mijn indruk. Volgens mij moet literatuur niet langer streven naar negatie en het subversieve, maar moet het vanuit de feitelijke situatie waarin de moraal is vervangen door de zogenaamde moreel-neutrale principes van de markt weer op zoek naar wat ons begrenst.

    Uiteraard is dit heel wat anders dan wat de minister van plan is wanneer ze stelt uit het reservaat te willen breken naar de rest van de wereld. Dat kan ook niet anders. Ze heeft het onder andere over het bevorderen van leesplezier, maar zolang dat wordt overgelaten aan didactici die plezier alleen definiëren als de weg van de minste weerstand, zet dat geen zoden aan de dijk. Ze neemt op dit punt zelfs een argument over van precies deze pedagoochemerds wanneer ze stelt dat kinderen en jongeren systematisch een aversie opdoen voor literatuur vanwege gedateerde leeslijsten die niet aansluiten bij hun leefwereld. Ze vergeet dat dit soort argumentatie alleen maar leidt tot nog meer bevordering van Harry Potter en aanverwanten, tot datgene wat marketeers verkoopbaar achten. Niets tegen Harry Potter, maar er is meer in de (belevings)wereld dan pubers door gladde commerçanten wordt voorgespiegeld en dan ze zelf voor mogelijk houden. Wie opvoedt moet niet bang zijn om te zeggen dat hij bepaalde dingen beter weet dan degene die hij opvoedt. Je moet ze dat ook niet allemaal vrijelijk laten kiezen, maar de moed hebben het op te leggen. Leesplezier staat niet los van de nodige basiskennis en houdt ook verband met leeservaring.

    Verder gaat veel van wat ze zegt over 'de boekensector' — maar dat heeft maar zijdelings met literatuur te maken. Dat die boekensector zich niet per se voor literatuur sterk maakt, zien we nu al geruime tijd. Het gaat hier om de economische positionering van de boekenwereld — en tot nader order lijkt juist die invalshoek vooral verantwoordelijk voor een juist steeds verdergaande marginalisering van de literatuur.

    Ik ben eigenlijk wel nieuwsgierig naar de slotbeschouwing die Tom Naegels op de Staat van het Boek uitgesproken zou hebben, een auteur immers die van meet af aan laveert tussen wat strenge avant-gardisten en verweesde esthetici van de literatuur eisen en wat de journalistiek ervan verwacht.

  • Pin it!

    Ondertekening

    Ik heb iets ondertekend. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. De tijd van eenduidige petities voor eenduidige zaken is al heel lang voorbij en daarmee ook de tijd van even doorbijten, flink zijn en instemmen. Zelfs over het lidmaatschap van PEN Vlaanderen moest ik even nadenken toen mij dat recentelijk werd aangeboden. Als lid zou ik immers te allen tijde het ideaal ‘van één mensheid die in vrede leeft in één wereld’ moeten verdedigen, aldus het PEN-charter. Nu wil ik dat wel. Graag zelfs. Wie niet? Wereldvrede is het verlangen van elke aspirant Miss België, Miss World en Miss Universe, dus waarom niet van mij? Maar is een dergelijk ideaal niet al bij al te futiel en krachteloos in een wereld die zich er sinds het ontstaan van de mensheid steeds ver van verwijderd heeft gehouden? Idealen die al op voorhand onrealistisch lijken — of toch zo zijn geformuleerd — zijn maar al te vaak een excuus om bij de pakken neer te gaan zitten.

    En dan was er nog in datzelfde charter de eis dat ik de ‘beknotting van de vrije meningsuiting’ zou bestrijden — en alweer: natuurlijk wil ik dat wel, maar in een klimaat waar meningsuiting en commercieel belang aan elkaar gekoppeld zijn, is het begrip zelf niet onproblematisch. Gelukkig vermeldt het PEN-charter ook: ‘omdat vrijheid ook de vrijwillige beperking ervan impliceert, verbinden de leden zich ertoe om zich te verzetten tegen de uitwassen van een vrije pers, zoals leugenachtige artikels, opzettelijk valse verklaringen en de verdraaiing van feiten teneinde er politiek of persoonlijk voordeel mee te halen’. Ik weet nu al een paar websites die ik graag op een volgende ledenvergadering van de PEN ter sprake zou willen brengen als voorbeelden van dergelijke uitwassen. Dat we daar eens de strijd mee aanbinden! En verder moet het afgelopen zijn met de Joepie, de Story en met Showbizz Bart natuurlijk.

    Dus ja, uiteindelijk ondertekende ik dat charter. Maar dat bedoelde ik niet toen ik schreef dat ik iets heb ondertekend. Ik bedoelde dat ik recentelijk voor het eerst sinds lange tijd weer eens een heus manifest heb ondertekend. Je moet maar durven. ‘De tijd van manifesten is voorbij’, zo luidde het in de jaren negentig, en ik heb bijna aan den lijve mogen ervaren wat het betekent als je bijvoorbeeld als lid van een tijdschriftredactie samen met andere redactieleden de euvele moed had nog eens zoiets als een manifest te schrijven, al heette dat in managerstermen toen al een ‘mission statement’ en was het feitelijk niet meer dan een poging de eigen positie te bepalen in het algemeen culturele en literaire landschap van die dagen. Dat er achter het anything goes dat publiekelijk beleden werd in feite allerlei uitsluitingsmechanismen werkzaam waren, bleek uit de wijze waarop dat statement door de zelfverklaarde vertegenwoordigers en bewakers van het vrijheid-blijheid-laat-maar-waaien in verband werd gebracht met de bestrevingen van dictators, oorlogsmisdadigers en andere bedenkers en plegers van volkerenmoord en groepsverkrachtingen. Anything goes, behalve wat niet in de kraam te pas komt, laat staan datgene wat dat anything goes zelf tegen het licht houdt. Wat men dan naar zijn hoofd krijgt…Het spreekt vanzelf dat deze verschrikkelijk open geesten het tijdschrift nooit lazen.

    Het manifest waarover het gaat, heet ‘Manifest voor een nieuw kunstbegrip’ (men kan het onder meer hier lezen en ondertekenen). Het werd geschreven door Peter Adriaansz, Maarten Altena, Rosalie Hirs  en Samuel Vriezen  — vier componisten waarvan er twee (Vriezen en Hirs) ook dichter zijn. Ze nemen afstand van ‘de kaping van het kunstbegrip door de beleidsmakers en kunstmanagers die beweren namens ons te spreken’, zo stellen ze, en vervolgen: ‘Met de ongetwijfeld beste bedoelingen spreekt deze managerselite een taal die intussen het kunstbegrip zelf steeds verder aantast en uitholt. Al jaren vergiftigt dit jargon het spreken over kunst in het publieke debat’.

    Het valt niet moeilijk daarmee in te stemmen. Ik heb het hier nu al herhaaldelijk gehad over degenen die binnen de literatuur in feite het hoogste woord voeren, maar die in wat ze vervolgens zeggen nergens blijk geven ook maar een begin van besef te hebben van wat ze precies aan de man of vrouw proberen te brengen; ze hebben het in ieder geval nooit over literatuur. Nog maar vorige week was er weer eens ‘De Staat van het Boek’ — een samenscholing van binnen ‘het veld’ werkzame ‘spelers’, zoals dat geloof ik in het jargon heet. Het meest opvallend aan die samenscholing vind ik altijd dat iedereen er het woord neemt, behalve de schrijver. Die doet in dat soort gesprekken domweg niet mee. Wat hij te zeggen zou hebben zou het onderonsje van boekverkopende, boekpromotende, boekomkaderende en boekbeleidsmatige lieden ook danig kunnen verstoren, vrees ik. Ik vernam nog wel dat minister van cultuur Joke Schauvliege in haar voordracht gerefereerd moet hebben aan iets wat ik op deze weblog, of misschien eerst in de krant geschreven heb, maar dat alleen om het flink tegen te spreken. Het is me nog niet duidelijk wat ze precies citeerde. Maar als ik was uitgenodigd, ik zou misschien hebben kunnen reageren.

    Nee, wie op De Staat van het Boek bijvoorbeeld wel aan het woord komen, zijn uit de nek lullende kletskoppen als de zich (hou u vast) ‘en-ter-tain-ment-ad-vo-caat’ noemende Hans Bousie die, volgens mijn zegslieden, de helft van zijn spreektijd eerst besteed zou hebben aan het schetsen van zijn loopbaan, om zich daarna (zo bleek uit een interviewtje in De Standaard van 22 april) ineens te ontpoppen als Ziener van dienst. ‘De boekenwereld mag een revolutie verwachten’, zo las ik in de krant.

    Tiens. Een revolutie nog wel… En wat kunnen we qua ‘revolutie’ van deze en-ter-tain-ment-ad-vo-caat dan precies verwachten? Juist ja, nog meer gerichtheid op de werking van de markt. Als ik het niet dacht.

    Ik noem dat geen revolutie. Ik noem dat versteviging van de dictatuur van de markt — of klink ik nu weer als zo’n manifestenschrijver van de oude stempel? Het is stram in de pas lopen met ‘wat nu eenmaal het geval is’ uit gebrek aan fantasie, creativiteit en vooral moed, al klinkt het misschien op het eerste gehoor behoorlijk wild wanneer zo’n meneer stelt dat het goed zou zijn om bijvoorbeeld een wijnproeverij met Tom Lanoye te organiseren. Zoiets idioots had inderdaad niemand zien aankomen. ‘Lady Gaga vult met gemak een Sportpaleis, maar Tom Lanoye niet, hoewel hij een populaire auteur is’, zo stelt hij. ‘Een strategie kan zijn om op zoek te gaan naar interesses van auteurs en die uit te spelen. Stel dat Lanoye van wijn houdt, dan zou zijn uitgeverij een wijnproeverij met Tom Lanoye kunnen organiseren’.

    Nu even afgezien van het feit dat je met zo’n avondje ook geen Sportpaleis gevuld krijgt — dit is weer het gebruikelijke geleuter van mensen die over literatuur sprekend zich niet voor literatuur sterk willen maken, maar integendeel de literatuur meer en meer als hinderlijk bijberoep zien van hen die beter met wijnavondjes het publiek zouden vermaken. Ik zou in Lanoye’s plaats beledigd zijn. Ik denk dat hij heel goed weet waar hij van houdt en hij heeft al meer dan voldoende bewezen dat hij in staat is gebleken om die liefde aan een groot publiek verkocht te krijgen: zijn literatuur, zijn theater, zijn poëzie. De publieke figuur Lanoye is geen wijnkenner; hij is schrijver — literair schrijver ook nog eens. Akkoord, ik heb hem op tv ook al eens in weinig flatterende zwemkledij in een bubbelbad zien dobberen met een of andere Bekende Vlaming — maar zelfs daar bleef hij toch vooral drijven als schrijver, en niet als “Sauna Tommy” die zijn publiek vooral betrekt uit mensen die liever in stoombaden zitten dan in het theater of thuis onder de leeslamp.

    Ik vraag me altijd weer af waarom mensen als Bousie menen dat ze zich met literatuur bezig moeten houden. Misschien omdat hij als advocaat in literaire kringen nog de meeste verongelijkte zielen aantreft, zodat er daar mogelijkerwijs nog iets te halen valt? In ieder geval is hij een schoolvoorbeeld van iemand die het kunstbegrip uitholt.

    En dat doen inderdaad ook de beleidsmakers. In cultuurnota’s wordt gewoonlijk een bargoens gesproken dat iedere in kunst en letteren geïnteresseerde geest sowieso al draaierig zou moeten maken, en tegenwoordig komen degenen die dergelijke cultuurnota’s bestellen of opstellen er ook openlijk voor uit dat kunst en cultuur ze geen ene reet interesseert (ik denk dan in de eerste plaats aan een schertsfiguur als Halbe Zijlstra, maar ik heb tot nu toe evenmin de indruk dat Joke Schauvliege zich binnen de Vlaamse regering werkelijk sterk gaat maken voor op zijn minst het behoud van het bestaande budget, dat immers nu al een voor een beschaafd land beschamend laag percentage uitmaakt van de totale begroting). In die zin ben ik er nog niet eens zo van overtuigd dat al die kunstmanagers en beleidsbobo’s werkelijk ‘met de ongetwijfeld beste bedoelingen’ voor ons spreken. Cultuurbeleid lijkt soms tot doel te hebben cultuur af te schaffen.

    Dus waarom dan toch muizenissen bij het ondertekenen van een manifest dat de bedoeling heeft om de taal weer terug op te eisen van de managers- en bestuurselite? Omdat uit de in totaal 12 stellingen die het manifest bevat misschien net een beetje te gemakkelijk afgeleid zou kunnen worden dat kunst in zijn algemeenheid zich terzijde van de rest van het maatschappelijk gebeuren bevindt of dient te bevinden, als iets volstrekt autonooms in sociologische zin. ‘Kunst is geen instrument’, zo staat er bijvoorbeeld. En dat is ook zo, zeker als daarmee wordt bedoeld dat ze niet ‘door politieke of commerciële agenda’s (kan) worden afgedwongen’, zoals in de toelichting bij deze stelling staat. Of het niet kan, vraag ik me af (ik heb de indruk dat het al op grote schaal gebeurt). Dat het niet zou mogen, is een ander verhaal. Maar buiten dat: als een tekst van mij op een gegeven moment gelezen wordt binnen een kader dat juist dan journalistiek relevant is, heb ik daar niet zo heel veel op tegen, ook al wordt in een dergelijke lezing de veelkantigheid van wat ik geschreven heb even over het hoofd gezien. In de publieke ruimte, waar de journalistieke mores overheersen (en dus ook de daarmee verbonden commerciële eisen), moet je niet verwachten dat alle subtiliteiten, alle lagen en paradoxen die een kunstwerk pas werkelijk interessant maken, aan bod zullen komen. Dat in 2008, veertig jaar na dato, Het grote uitstel onder meer werd gelezen als een afrekening met mei ’68 viel te verwachten (ook al is het boek in die zin niet echt een afrekening en op het punt van de mei 68-ers veel dubbelzinniger dan wel is verondersteld). Mei ’68 was op dat moment journalistiek interessant. Dat dat boek om dezelfde reden een jaar later werd genoemd als één van de recente romans over de Val van de Berlijnse Muur (toen twintig jaar geleden) is natuurlijk mooi, maar je kunt je de vraag stellen of de roman nu wel werkelijk daarover gaat. Het gaat hier om actualiseringen van de roman binnen wat volgens een journalistieke (en dus deels commerciële en daarom ook deel politieke agenda) op dat moment relevant is. Er zijn nog andere mores denkbaar (bijvoorbeeld een academische — al is het grote probleem natuurlijk dat de commerciële en politieke mores zo langzamerhand elk terrein van de samenleving doordringen, ook die van de academie).

    Zo zijn er in het manifest meer stellingen waarbij ik vanwege de mogelijke implicaties die ze hebben, toch steeds weer twijfel. ‘Kunst staat los van Staat zowel als Markt’. Ik denk het niet, eigenlijk. Waar komen anders die kunstmanagers vandaan? En die cultuurministers of staatssecretarissen? En is het wel wenselijk, dat los staan van ‘Markt’ en ‘Staat’ (die hoofdletters zijn bijna ontroerend)? Heeft kunst niet altijd de meerduidigheid van de werkelijkheid verdedigd tegenover wat staat en markt er in meer eenduidige zin van wilden maken en vervolgens ook gemaakt hebben? Ontleent kunst zoals wij haar definiëren (en ons kunstbegrip heeft zijn wortels in de Romantiek), haar bestaansrecht, haar ‘artistieke vrijheid’, niet juist aan het verzet tegen wat haar inperkt, aan markt en staat derhalve? Is dat niet de dynamiek waarbij ze bestaat? Tenzij hier opnieuw een pleidooi wordt gehouden voor van de maatschappelijke werkelijkheid losgezongen kunstbegrip.

    Ik denk niet dat dat laatste de bedoeling van de opstellers is geweest. Het is alleen maar de valkuil waarmee ze in hun formuleringen misschien net te weinig rekening houden. Of konden houden. Want met twijfels maakt men geen manifest. Misschien maakt men daarmee kunst. Maar de formuleringen zelf zijn tegelijk ook een bewijs van het verzet dat nu precies de kern uitmaakt van het (in se romantische) kunstbegrip dat hier wordt verdedigd en ingezet.

    En dus heb ik getekend. Al ben ik er tegelijkertijd meer dan ooit van overtuigd dat de tijd voor dit soort manifesten voorbij is. Ik kan er de voor mij belangrijke bedenkingen niet in kwijt. Uiteindelijk is een manifest vol bezwaren tegen de geest van de tijd op zich ook een uitdrukking van die geest: een op journalistieke maat geschreven opsomming. Maar met dit laatste soort bedenkingen komen we natuurlijk ook nergens.  

  • Pin it!

    Vandaag in De Standaard

    screenshot_124.jpg


    Nu weet u het dus: een onderzoek van de Vlaamse Auteursvereniging heeft aangetoond dat een schrijver gemiddeld 300 euro per maand verdient. Dat komt ervan als je niet meedoet met de rest. Als je blijft vasthouden aan zoiets volstrekt achterhaalds als ‘literatuur'. Dat wordt zelfs in het algemeen secundair onderwijs (ASO) niet meer onderwezen – pardon: dat mag daar niet meer onderwezen worden. (Literair) leren lezen, zo meldde mij recentelijk een docent, mag in de eerste graad van het ASO géén kennis inhouden. Er mogen geen inzichtsvragen gesteld worden, laat staan dat er literaire begrippen bijgebracht mogen worden. Het gaat alleen om ‘leesplezier', of wat daar voor doorgaat. (Kan men plezier beleven aan iets waarvan men niets mag begrijpen?)

    Leonard Nolens

    We zijn inderdaad ver afgedreven van de samenleving waarbinnen literatuur nog het stralende middelpunt was van het nationale, en bij uitbreiding westerse cultuurideaal. Radiomaakster Ruth Joos krijgt weliswaar veel bijval (uit bepaalde hoek) als ze het in een interview met Leonard Nolens aandurft om te breken met de dwangneurotische journalistieke babbelzucht (iets waarvan Joos sowieso weinig last heeft), maar dat laat onverlet dat er voor literatuur gewoonlijk alleen aandacht is wanneer, bijvoorbeeld, een valse nicht die blijkbaar zijn dagen doorbrengt met eindeloos surfen naar pornosites, eindelijk een filmpje vindt waarin een door hem gehate dichter zich eens helemaal blootgeeft (Komrij versus Van Bastelaere). Of wanneer een poëziefestival vooral kermis, lawaai, eventueel seks, liefst ook ruzies tussen dichters en als het even kan handgemeen op het podium in het vooruitzicht stelt, een soort trip down memory lane, naar die leuke jaren zestig toen we allemaal zo lekker in de contramine waren en ons daar geweldig goed bij voelden (Nacht van de Poëzie). Als het maar niet enkel poëzie is. Daar betaalt het publiek niet voor.

    Een schrijver of dichter overleeft alleen wanneer hij zichzelf aanpast aan de heersende mores, een halve theaterfiguur wordt bijvoorbeeld, of een soort stand-upcomedian, of wanneer hij tussendoor een liedje zingt. Wanneer hij zich aanpast aan wat de massamedia van hem eisen. Uiteindelijk deed ook Nolens dat: niet willen praten en toch opdagen in een radiostudio en daar door te zwijgen een media-event worden. Omdat hij zwijgen mócht. Omdat het hem werd toegestaan.

    Het geeft aan in welke paradoxale situatie de schrijver vandaag de dag verkeert: hij wordt vrijwel nooit op zijn eigen voorwaarden benaderd. Het schrijverschap heeft enerzijds nog de glans die het in vroeger tijden gehad moet hebben, toen literatuur van het grootste belang werd geacht voor het zedelijk welzijn van de mens, een niet onbelangrijke rol speelde bij bijvoorbeeld natievorming, en de ruggengraat vormde van de humaniora. Maar anderzijds is het nu juist die invulling die vandaag de dag van literatuur zoiets als ‘een bloempje in het knoopsgat' maakt voor hen die werkelijk de agenda bepalen. Een soort literair cachet dat ze aan hun events kunnen geven, lippendienst aan een cultuurideaal waarvan ze zelf allang vinden dat het achterhaald is. Maar zo gaan ze tenminste niet voor volstrekte proleten door, want kijk, er is wél een schrijver bij hé.

    Waarvoor ze dan vanwege zijn bijkomstigheid vaak weer niet werkelijk willen betalen. Er staat een flesje wijn klaar, misschien zelfs een flesje bubbels. Of een lullige boekenbon. Of de schrijver mag aanschuiven bij een of ander chic diner waar hij als pauzeprogramma is ingehuurd en waarvoor de ruim 60 gasten meer dan 100 euro per persoon hebben neergeteld. Als dat geen cadeau is! Maar zijn reiskosten mag hij zelf betalen.

    Uiteraard zag ik persoonlijk het liefst dat literatuur weer in zijn waarde werd hersteld, omdat ik denk dat haar rol in een door consumeringsdwang en vermarkting van de moraal gedreven tijd nog altijd niet uitgespeeld is, ze iets te bieden heeft dat voor de huidige samenleving nog steeds van het grootste belang is. Maar dat betekent niet dat ik geen onderscheid kan maken tussen die wensgedachte en de realiteit waarin ook ik als schrijver verkeer. Als schrijver wil ik me niet van die realiteit afkeren. Integendeel. Dus, ja, ik zing wel eens een liedje tussendoor. Dat tast mijn waardigheid niet aan. Het past bij wat ik schrijf. En ik zal ook nooit naar een radiostudio afreizen om er te gaan zitten zwijgen. Ik zal iedere seconde zendtijd aangrijpen om mijn, in de ogen van sommigen misschien ‘hoge' opvatting van literatuur voor het voetlicht te brengen.

    Het is diezelfde realiteitszin die me doet zeggen dat er voor schrijvers naar behoren betaald moet worden. In een tijd waarin alles met economische maten wordt gemeten, is literatuur meer waard dan die luizige 300 euro die ze blijkbaar opbrengt. Dat is niet alleen een boodschap voor organisatoren die voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten, maar ook voor schrijvers zelf. Dat die organisatoren hun boekenbonnen, hun flesjes wijn en andere prullaria steken waar het licht niet schijnt. Eis geld, collega's. Eis fatsoenlijke betaling, zelfs al blijft het dan nog vele malen minder dan wat een loodgieter u per uur uit de zak klopt. Het is vooralsnog zowat het enige dat u in deze tijden een zekere waardigheid geeft.
    In: De Standaard, 2/3 april 2011.