• Pin it!

    In De Leeswolf

    Het tweede nummer van De Leeswolf is inmiddels lang genoeg uit om het stuk dat ik daarin schreef over Geert Van Istendaels Tot het Nederlandse volk hier over te nemen. 

    het volk van de consensus

    250_0_KEEP_RATIO_SCALE_CENTER_FFFFFF.jpgDe titel is duidelijk genoeg: Tot het Nederlandse volk. Maar toch vraag ik me na lezing van Van Istendaels nieuwste boekje af voor wie het precies bestemd is. Dat heeft alles te maken met de toon van dit essay. En die toon hangt weer samen met de vorm die Van Istendael koos voor zijn reflecties op de huidige stand van zaken in Nederland: een brief.

    Die brief begint met de aanhef: ‘Lieve Nederlanders’. Op zich is dat een aanhef die keurig aansluit bij Van Istendaels ook in dit boekje opnieuw beleden liefde voor Nederland en het Nederlandse volk (hij schreef al eerder Mijn Nederland). Hij zal dus weten dat een Nederlander bij een dergelijke aanhef meteen op zijn qui vive is. Lieve Nederlanders? Dat moet haast wel op voorhand ironisch bedoeld zijn. En dan — wie haalt het in zijn hoofd om dit volk als collectief aan te spreken? Lieve Nederlanders — het eerste wat de gemiddelde en dus spreekwoordelijke Nederlander bij een dergelijke aanhef denkt, is dat het dus niet over hem kan gaan.

    En dan: een boekje van een buitenlander over Nederlanders, een boekje waarvan meteen duidelijk is dat het niet echt vleiend zal zijn (men hoeft alleen maar de flaptekst te lezen) — je moet in Nederland al behoren tot het clubje zelfverzakende, politiekcorrecte, zich kosmopoliet wanende linkse Amsterdamse nepintellectuelen om daar mee in te stemmen, al helemaal als zo’n boekje geschreven is door een Belg. Een Belg — breek ze de bek niet open daar in Nederland. Tussen de misvatting dat een Belg (men bedoelt Vlaming) een bourgondisch, hartelijk, vriendelijk, in sappige, schattige kreupeltaal sprekend onschuldig “boertje van buut’n” is én het cliché van de domme Belg zit in Nederland eigenlijk niets.

    Dat weet Van Istendael ook. Dit boekje bewijst opnieuw dat hij meer weet van Nederland dan de meeste Nederlanders zelf. Hij duikt in de geschiedenis die in Nederland inmiddels op geen school meer wordt onderwezen en diept er feiten en gebeurtenissen op die kunnen dienen als verklaring voor (delen van) de Nederlandse volksaard, die zelf weer ten grondslag ligt aan de ontsporingen uit het laatste decennium. Het is natuurlijk zijn schuld niet dat het ontbreken van enig historisch besef aan Nederlandse zijde hem in de ogen van die Nederlander tot een betweter maakt. Maar hij zal heus wel hebben geweten dat hij daarmee een zonde begaat die in Nederland zelden onbestraft blijft: hij steekt zijn kop boven het maaiveld uit. Hij leest die Hollanders een lesje. Als Belg nota bene.

    Naast alle door mij geen moment betwijfelde liefde voor en oprechte bezorgdheid over de noorderburen, zit er in dit boek toch ook het nodige leedvermaak met dat door eigen toedoen zo van zijn voetstuk getuimelde Nederland. Dat maakt dat Tot het Nederlandse volk zeker ook een boek is voor Belgen, meer specifiek: voor het zich altijd de underdog wanende Vlaamse volk. Dat ziet hier, ongetwijfeld tot zijn intense genoegen, het arrogante Holland een koekje van eigen deeg krijgen.

    Toch wekt  het boek nergens de indruk zich met de gebruikelijke clichés van de zaak af te willen maken. Van Istendael doet veel moeite om het paradoxale karakter van de Nederlandse volksaard te schetsen. Zo is er de onmiskenbare calvinistische gehechtheid aan de enig juiste (van God gegeven) voorstelling van zaken, die in het verleden leidde tot een eindeloze hoeveelheid zich van elkaar afsplitsende gereformeerde kerkgenootschappen die allemaal de waarheid in pacht meenden te hebben. Maar er is een evenzeer onmiskenbare neiging tot consensusdenken dat eist dat alle neuzen te allen tijde dezelfde kant op wijzen. Er is, zeker sinds de jaren zestig, die typisch Nederlandse assertiviteit die maakt dat iedereen in dat land lijkt te zeggen wat hem op het hart ligt, terwijl het land anderzijds absoluut geen traditie van discussie kent en er veel volstrekt onbespreekbaar is. De vrijgevochten rebel en de brave meeloper lijken hier hand in hand te gaan. Om een Hollander enigszins naar behoren te beschrijven, zou men eigenlijk moeten zeggen dat hij een individuele collectivist is.

    Hoewel hij het zelf nergens expliciet zo zegt, lijkt voor Van Istendael het Nederlandse consensusdenken aan de basis te liggen van alle problemen waarmee het land nu kampt. ‘Nederland is niet gewend aan echte discussies,’ schrijft hij. ‘U weet dat u het nooit eens zult worden over bepaalde dingen. De conclusie luidt: dan praten we er maar niet over. Maar als u ergens niet over praat, blijft het etteren in het schemerduister.’ Dat heeft gemaakt dat de door de Hollanders zelf zo vaak geroemde tolerantie uiteindelijk een lege doos was, waarachter veel onverdraagzaamheid school die niet naar buiten mocht komen. Ongeveer zoals in de tijd van de verzuiling ondanks de soms scherpe tegenstelling tussen de zuilen onderling, elke zuil uiteindelijk één en het zelfde dak ondersteunde. Of dat ‘dak’ er één van burgerfatsoen en christelijke rechtschapenheid was, of — na de jaren zestig — van vooruitstrevendheid, emancipatie en individuele vrijheid maakte daarbij geen verschil. Men moest en zou zich voegen naar wat nu eenmaal de consensus was. Geen wonder dat men in het huidige, verrechtste Nederland met de nodige bitterheid over de afgelopen decennia spreekt als over een periode waarin ‘de linkse kerk’ het voor het zeggen had.

    Op Van Istendaels analyse lijkt weinig af te dingen. Dat met de ontzuiling van Nederland sinds de jaren zestig uiteindelijk het dak naar beneden is gekomen, lijkt logisch. En omdat niemand graag onder de blote hemel slaapt, zeker in Nederland niet, is het verlangen naar een charismatische figuur die het hele volk weer kan verenigen acuut geworden — een rol die eerst door Pim Fortuyn (slachtoffer van de eerste politieke moord in Nederland sinds 1672 als ik me niet vergis), en nu door Geert Wilders wordt vervuld. Aan fascisme, zoals men vaak hoort, hoeven we bij die laatste niet te denken, meent Van Istendael. Wilders’ politieke programma bevat naast extreem rechtse, ook gewoon liberale, linkse en zelfs extreem linkse ideeën; hij is een opportunist met een onrealistisch politiek programma. Op het vlak van de wiedervereinigung van het Nederlandse volk valt weinig van hem te verwachten.

    Want dat moet er toch weer van komen, zo luidt uiteindelijk de wat verrassende conclusie van deze brief aan de noorderburen. Het is met name op het einde van zijn boek dat Van Istendael de weg wat lijkt te verliezen in de eerst door hemzelf zo zorgvuldig geschetste paradoxen. Een beetje hulpeloos adviseert hij de Nederlanders een nieuwe consensus te zoeken (‘uw land kan niet zonder’). Maar juist het consensusdenken sluit uit wat hij de Nederlanders toewenst: dat ze daarbij de conflictstof niet uit het oog verliezen. Daarin toont hij zich volledig Belg. De Belg, zo heeft hij eerder gesteld, moet het hebben van het compromis. ‘Het kenmerk van een geslaagd compromis is dat achteraf iedereen ontevreden is. Het kenmerk van consensus is dat iedereen de hele tijd doet alsof hij tevreden is.’ Nederland moet het hebben van die doffe tevredenheid en de daarmee verbonden verdringingsmechanismen wil het land zichzelf blijven herkennen. En het lijkt bijna alsof Van Istendael aan het slot van zijn brief van Nederland een beetje meer België heeft willen maken. En dat zal natuurlijk nooit gebeuren.

    Geert van Istendael, Tot het Nederlandse volk. Atlas, Amsterdam/Antwerpen 2010, 112 p.

     In: De Leeswolf 2, jrg. 17, 2011, p. 128-129.

  • Pin it!

    In Rekto:Verso

    SCHRIJVERS, CRITICI, VERENIGT U!

    Ook ik heb ze geschreven: van die recensies waarin ik me vrolijk maakte over de geleverde prestatie ten koste van vooral de persoon van de auteur. Dat zou me nu niet meer overkomen.

    GEHOEST UIT EEN KALE KUT

    Er bestaat in met name de Nederlandse literatuur een heuse traditie van afzeiken en wegzetten – nog een restant van de invloed van de personalistische literatuurkritiek die in het interbellum door mannen als Menno ter Braak (1902-1940), maar vooral Eddy du Perron (1899-1940) werd bedreven. De eerste werd ook wel ‘Menno ter Afbraak’ genoemd (maar dat ook omdat hij erg voor Nietzsche was); de tweede werd door weer anderen ‘een hondsche en moerassige geest’ genoemd. De eerste was meestal schoolmeesterachtig en noemde door vrouwen geschreven boeken consequent in negatieve zin ‘damesliteratuur’; de tweede schreef ooit over een foto van een dichter dat iemand met zulk ratachtig haar nooit goede poëzie kon schrijven.

    nr046.gif

    Zo bruin heb ik het niet gebakken, maar ik heb wel ooit de dichtbundel van een dichteres ongenadig negatief besproken, vooral omdat die betreffende dichteres plotseling doorging voor de absolute top van de Nederlandse poëzie van dat moment, en ook in het buitenland – volkomen ten onrechte natuurlijk – naar voren werd geschoven als het beste wat lyrisch Nederland op dat moment te bieden had. Al moest ik op dat punt nog de duimen leggen voor een andere criticus die de betreffende poëzie zonder blikken of blozen omschreef als ‘gehoest uit een kale kut’.  Ondanks mijn forse kritiek kon ik me op dat moment dus nog steeds een door en door fatsoenlijk criticus voelen, al had ik door de heisa rond de persoon van de dichteres vooral de man … enfin, de vrouw gespeeld in plaats van de bal.

    Dat zou me nu niet meer overkomen. In de eerste plaats omdat ik de zin van de louter op de persoon gerichte kritiek ernstig ben gaan betwijfelen en er uiteindelijk niets anders in kan zien dan wat het destijds voor mij waarschijnlijk ook is geweest: een slecht humeur van de criticus in kwestie, die even vergeten is dat hij niet voor zichzelf, maar voor een publiek medium en een publieke zaak schrijft.

    Maar het gaat verder dan dat. Het houdt ook verband met mijn tamelijk recente overtuiging dat negatieve recensies überhaupt uit den boze zijn. Een negatieve recensie heeft alleen zin wanneer er nog een literair discours is waarbinnen zo’n recensie deel uitmaakt van een debat over de juiste lectuur, een debat over wat goede literatuur is en wat niet. En dat debat heeft alleen zin wanneer we in literatuur een medium zien dat mede vorm geeft aan wat een samenleving bezielt.

    Voor mij persoonlijk is dat zeker het geval. En ik maak me sterk dat voor het merendeel van de schrijvers geldt dat zij het gevoel hebben dat ze met hun boeken een bijdrage leveren aan het wel en wee van de huidige samenleving, dat hun boeken met andere woorden sociale, politieke en ook morele implicaties hebben. Zelfs heel wat recensenten delen nog altijd die overtuiging, geloof ik.

    OVERBODIG AMUSEMENT

    Toch moeten we vaststellen dat literatuur een steeds geringere rol speelt in de publieke ruimte en binnen het maatschappelijke debat. Literatuur is niet langer het trotse middelpunt van wat er nog resteert van het westerse cultuurideaal, om het zo maar eens te zeggen.

    Op het eerste gezicht is er voor schrijvers nog geen reden om daarover al te hard te klagen. De meeste kwaliteitskranten hebben immers nog steeds hun boekenbijlagen, ook al lijkt dat steeds minder van harte te zijn en doen die boekenbijlagen zelf in toenemende mate toegevingen aan de eisen van de markt (meer precies: aan de eisen van een hoofdredactie die een directie tevreden moet stellen die aandeelhouders zoet moet houden). Schrijvers, mits om de een of andere reden bekend, worden blijkbaar nog steeds de moeite waard gevonden om op de opiniepagina’s hun licht te laten schijnen over allerlei maatschappelijke fenomenen en zelfs over de politiek. En dan is er specifiek in onze contreien nog die aan onze op een neoliberale leest geschoeide samenleving wezensvreemde trek om zoiets als literatuur toch nog met enige egards te behandelen en in zekere zin zelfs te beschermen (al is het dan met minimale middelen): ze wordt gesteund in de vorm van schrijvers- en productiesubsidies en budgetten voor vertalingen van de vaderlandse literatuur in andere talen. Je zou het een vorm van atavisme kunnen noemen. Of misschien is het een slecht geweten ten opzichte van een doorgedreven marktideologie (de schrijverssubsidies worden expliciet ‘marktcorrigerend’ genoemd). Misschien is het beide en is het slechte geweten zelf langzamerhand een atavisme geworden.

    Toch, in de dag- en weekbladkritiek wordt literatuur nog maar heel zelden gezien als iets wat uit de aard der zaak sowieso betrekking heeft op sociale, morele of zelfs politieke kwesties. In boekenbijlagen is literatuur deel van de massacultuur en de amusementsindustrie en staat de amusementswaarde gewoonlijk voorop, zelfs ongeacht de bedoelingen van de criticus van dienst. De neiging een roman te lezen als relevant voor de huidige samenleving is er vaak afwezig en wordt sowieso ondergraven door het (meestal verplicht gestelde) toekennen van een, twee of meer sterren, wat het lezen van de recensie zelf tot iets overbodigs lijkt te maken. Ook de subsidies voor literatuur, die binnen het geheel van de kunstsubsidies sowieso buitengewoon stiefmoederlijk bedeeld wordt, staan altijd ter discussie. En wie het ultieme bewijs wil voor de stelling dat literatuur langzamerhand uit de samenleving wordt verdreven, hoeft maar naar het onderwijs te kijken. In de humaniora wordt literatuuronderwijs tegenwoordig zo veel mogelijk ontmoedigd. In sommige gevallen wordt het door de onderwijsinspectie zelfs afgestraft. Officieel gebeurt dat onder verwijzing naar het belang van ‘de belevingswereld van de leerling’, waartoe literatuur dan niet zou behoren (wiskunde ook niet per se, maar daarvoor geldt, naar het schijnt, een andere logica). Dat het in werkelijkheid gaat om de afstemming van ook het onderwijs op de eisen van de markt, wil niemand gezegd hebben. Dat de oorspronkelijk uit de hoek van progressieve didactici komende mantra over ‘de belevingswereld van de leerling’ inmiddels een dekmantel is geworden om ook van leerlingen alvast brave, snel te bevredigen consumenten te maken, en van scholen een soort supermarkten waar alleen wat het beste verkoopt aan bod komt, zal door iedereen die binnen het onderwijs iets met toekomstig beleid te maken heeft, verontwaardigd van de hand worden gewezen.

    COLLEGIALITEIT

    Literatuur is feitelijk in een reservaat gedreven. Juist dat reservaat maakt dat critici, maar ook veel schrijvers zelf, kunnen doen alsof hun neus bloedt. Men kan binnen draadgaas en prikkeldraad lustig voortgaan met het uitvechten van vetes, met hoogfilosofische discussies over ‘de juiste lectuur’, met steggelen over kwaliteit – allemaal zaken die minder arbitrair zijn dan ze misschien lijken.* Maar dat verliest alle geldigheid,  zodra het om de echte werkelijkheid buiten de afrastering gaat. Daar telt enkel de verkoop.

    In het licht van die ontwikkeling is het schrijven van negatieve recensies op de paar plekken waar literatuur nog in een publieke ruimte besproken wordt, een uiting van een haast wereldvreemde romantische gesteldheid. Er is nauwelijks een recensent te vinden die zijn eigen negatieve recensie zal begrijpen als dat wat zij in het huidige tijdsgewricht geworden is: een negatief consumentenadvies. Maar voor weerwerk en tegenspraak, voor ‘terugschrijven’, zoals de schrijver Jacq Vogelaar dat ooit zo mooi noemde, is er in het huidige klimaat eigenlijk geen ruimte meer. Degenen die de inhoud van de boekenbijlagen bepalen, zijn niet geneigd om auteurs die zich door een criticus onheus bejegend voelen een podium te geven, ook al omdat het niemand zou interesseren. Mogelijke andere plekken waar de mening van één criticus door die van anderen wordt weersproken, zijn literaire tijdschriften (gemiddelde oplage driehonderd) of het internet (vooralsnog weinig gezaghebbend). Maar dan ben je vaak al in het reservaat aanbeland.

    Wat blijft staan, is het negatieve consumentenadvies. Eén ster op vijf. Of twee. Matig. Niet de moeite waard. Geen sellertje. Niet aansluitend op uw belevingswereld.

    In een dergelijke context past schrijvers en critici eigenlijk maar één ding: collegialiteit. Verenigt u, als ik u bidden mag. Besef dat uw antagonismen alleen begrepen worden als overbodige spielerei, waarmee u zichzelf, ondanks alles wat er op het spel staat, buitenspel zet. Uiteraard blijft het van het uiterste belang om te blijven nadenken over de juiste lectuur, over de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid, en dus over de vraag welke werkelijkheid we wenselijk of noodzakelijk achten. Maar in een werkelijkheid die onder de knoet van de markt leeft, doet men dat het beste naar aanleiding van boeken die in de eigen ogen inderdaad ook de juiste lectuur opleveren. Minimaal vier sterren. Alles. Alles voor zover men ervoor kiest het te bespreken. Om dan in die bespreking alle nadruk te leggen op de betekenis van die literatuur voor de huidige samenleving.

    _____________________________________________________________

    *)= Er is al vaker opgemerkt dat het vaststellen van kwaliteit — iets waarop zowel het Vlaams Fonds voor de Letteren als het Letterenfonds in Nederland zich beroept als het gaat om de toekenning van subsidies — een louter subjectieve aangelegenheid zou zijn, maar de toekenning van literaire kwaliteit kent een traditie van eeuwen en heeft zich binnen die traditie ook ontwikkeld; het gaat daarbij uiteindelijk om iets anders dan enkel maar de mening van Jan of Piet op een regenachtige zaterdagnamiddag in de Generaal van Merlenstraat te Antwerpen of de Huddestraat te Amsterdam.

    In: Rekto:Verso, nr. 46, maart-april 2011, p. 18

  • Pin it!

    Het geluk van heimwee of de onmogelijkheid om Belg te zijn

    Gisteren verscheen in De Morgen onderstaand stuk, oorspronkelijk, en in een uitgebreidere versie, geschreven voor een boek dat Beste buren heet en dat binnenkort bij uitgeverij Luster zal verschijnen. Dat de redactie van DM de titel — 'Het geluk van heimwee of de onmogelijkheid Belg te zijn' — veranderde in 'Heimwee van een valse Belg' was toch even slikken, moet ik zeggen. Ik zou mezelf namelijk niet als een valse Belg willen opvoeren, maar integendeel als iemand die zich wenst te engageren voor zijn nieuwe thuisland — een houding die minder vals is dan die van menig echte Belg, lijkt me toch. 

    Of het er iets mee te maken heeft, weet ik niet, maar gisterenmiddag belde mij al een Hollandse dame met de enthousiaste mededeling dat dit nou toch eindelijk eens een goed stuk was. Ze woonde al jaren en jaren in België, en nu had ze eindelijk gelezen wat ze al die tijd al wist: België deugt niet. De universiteiten waren hier absoluut slecht, leek haar, en integreren was hier beslist onmogelijk. Dat laatste valt inderdaad niet mee, in Vlaanderen toch niet, waar de eigenheimer de meest voorkomende aardappelsoort is. Maar het leek mij dat de dame in kwestie zelf onder integratie vooral verstond: aanpassing van de Vlamingen aan de Hollandse mores die ze blijkbaar nog steeds niet had weten af te schudden.

    Voor mij kadert dit stuk in meer expliciete standpunten die recentelijk zijn ingenomen in het identiteitsdebat dat hier volop woedt. Een stuk van Dirk Van Bastelaere, van Erwin Mortier. Uiteindelijk tracht ik hier de nationalistische utopie van sommigen te herleiden tot heimwee naar de heimat — iets wat, zo begreep ik dan weer afgelopen weekend tijdens Mind the Book in Antwerpen, uiteindelijk de essentie van het utopisch denken uitmaakt. Op dat festival werd Utopisch alfabet gepresenteerd, een boek met 'honderd toekomstvisies' waarvan ook ik er een geschreven heb. Het geheel werd ingeleid door Stefan Hertmans die, voor de vuist weg, uit het blote hoofd, haast als een antieke redenaar utopie en 'thuisverlangen' (om een mooi woord van Jeroen Theunissen te gebruiken) in een boeiend betoog aan elkaar koppelde (en dat ook in zijn bijdrage aan het boek doet, trouwens).

    9789085422495.jpg

    Mijn stuk in DM zag er zo uit:

    Op 9 oktober 2010 werd ik Belg. Het werd me meegedeeld in een brief die, aan de postdatum te zien, pas twee weken later was verstuurd. Zonder het te weten had ik al veertien dagen lang een andere nationaliteit. Ik was genaturaliseerd, al is dat woord misschien een beetje te zwaar voor wat het in aanleg voor mij alleen maar was: het inruilen van de ene voor de andere identiteitskaart. De reden voor die ruil was ook van louter pragmatische aard. Al sinds mijn verhuizing naar België betaal ik hier mijn belastingen en sociale bijdragen. Maar bij verkiezingen heb ik niet het recht om mee te beslissen over wat er met mijn belastingcenten wordt gedaan, een grove on-rechtvaardigheid naar aanleiding waarvan in het verleden elders al wel eens revo-luties zijn begonnen. No taxation without representation, zo had ik indachtig een van die revoluties al eens schertsend tegen een politica gezegd, en er meteen de vraag aan gekoppeld of men op Europees niveau de regels niet eens zou kunnen veranderen: dat je mag stemmen daar waar je je belastingen betaalt, ongeacht je nationaliteit. Had een dergelijke regeling bestaan, ik zou nooit op het idee zijn gekomen om Belg te worden.

    Waarom eigenlijk niet? Omdat ik het niet ben. Omdat ik het ook nooit kan worden. Uiteraard behoor ook ik tot het weldenkende deel van de natie (welke dan ook maar) dat in overdreven nationalistische gevoelens vooral de primitieve neiging ziet om desnoods met geweld helderheid te creëren waar die in werkelijkheid niet bestaat en meestal ook niet wenselijk is. Toch heb ik me nooit een cultuurrelativistische kosmopoliet gevoeld, zoals een westerse intellectueel als ik aan het begin van de eenentwintigste eeuw bijna verplicht is van zichzelf te zeggen. Ik behoor weliswaar tot een generatie voor wie het relativeren van waarheden al aan het formuleren ervan voorafging — opgeleid als ik was door Mei ’68-ers die op ideologische gronden weigerden uit te leggen hoe de wereld in elkaar zat maar wel vonden dat je overal ‘krities’ over diende te zijn —  maar juist dat heeft gemaakt dat ik altijd op zoek ben geweest naar begrenzing. Geen ongevaarlijk sentiment, overigens. Voor je het weet val je toch nog voor het verkeerde soort eenduidigheid.

    Mijn nationale identiteit was desondanks voor mij nooit een issue. Het is pas sinds ik in België woon dat ik begrijp dat nu juist dat een bij uitstek Nederlandse eigenaardigheid is. Als van oorsprong Nederlander weet ik beter dan welke Belg ook dat al te grove veralgemeniseringen van ‘de’ Nederlander de waarheid geweld aan doen, zoals mijn verblijf hier me heeft geleerd dat het gevaarlijk is om over ‘de’ Belg te spreken, of zelfs over enkel ‘de’ Vlaming.  Zelf heb ik altijd een onderscheid gemaakt tussen de Nederlander die ik ben en de spreekwoordelijke Hollander waar de Vlaming, al dan niet openlijk, zo’n hekel aan heeft. Wat hem aan die assertieve, bemoeizuchtige, arrogante kletskous tegenstaat, is precies wat mij — geboren in het oosten van het land — altijd heeft tegengestaan aan bewoners uit de Nederlandse Randstad. Want het is die verschijningsvorm van de Nederlander die (ten onrechte) model staat voor alle Nederlanders.

     Dat ik desalniettemin met precies die verschijningsvorm meer gemeen had dan ik zelf voor mogelijk hield, werd me pas duidelijk toen ik eenmaal in België woonde. Ik was opdringerig gezellig in het openbaar, sprak te luid in restaurants en hield me met ware doodsverachting keurig aan de verkeersregels terwijl ‘iedereen’ toch wist dat ze in die en die straat niet golden. Ik sprak agenten tegen en in discussies gaf ik blijk van een rechtlijnigheid die de meeste Belgen vreemd is, terwijl ik het gemarchandeer met principes dat hier ten lande de gewoonte is op mijn beurt onbegrijpelijk, en eigenlijk ook ongeoorloofd vond. Ik stuitte kortom overal op verschillen die mij definieerden als iemand die ik in mijn eigen ogen nog nooit was geweest: een Hollander, iemand met min of meer dezelfde taal, maar met een totaal andere cultuur. Ik liep aan tegen de grenzen van wat ik altijd als normaal had beschouwd.

    Want dat is wat typisch Nederlands is: de eigen vooronderstellingen, waarheden en omgangsvormen als normaal beschouwen — zo normaal, dat het niet bij je opkomt dat het hier om hoogstens een Nederlandse normaliteit gaat. Het is waarom de Nederlandse identiteit voor een Nederlander nooit werkelijk een issue is (of misschien is het met het oog op de huidige ontwikkelingen beter om te zeggen: wás). Nederland is een consensusland, zo stelde de publicist Paul Scheffer ooit — en voor wie zich het sterk verzuilde Nederland van voor en direct na de Tweede Wereldoorlog nog herinnert, komt dat misschien toch een beetje als een verrassing: meer naast elkaar staande en streng van elkaar gescheiden gehouden waarheden waren er elders in de wereld toch nauwelijks te vinden, zo leek het. Maar ook voor diegenen die na de ontzuiling van de jaren zestig volwassen werden en in Nederland altijd een tolerante, open, en vooral vooruitstrevende natie van vrijgevochten individuen hebben gezien, lijkt consensus wel het laatste waaraan je bij Nederland denkt.

    Toch, al die zuilen steunden uiteindelijk een en hetzelfde dak en het is niet voor niets dat men in het nu sterk naar rechts opgeschoven Nederland wil afrekenen met wat met het nodige venijn, maar sprekend genoeg ‘de linkse kerk’ uit de jaren zeventig, tachtig wordt genoemd. Juist die benaming laat mooi zien hoe de linkse mode uit de jaren zestig en zeventig — een haast wereldwijd fenomeen in die dagen — in Nederland een dwingend voorschrift werd voor iedereen, haast een kerkelijke leer, een dogma waaraan niet getornd mocht worden. En omdat de consensus heilig is, werden en worden de zaken die daar niet mee in overeenstemming zijn in Nederland gewoonlijk verzwegen.

    Het consensusdenken heeft in ieder geval gemaakt dat Nederlanders zich niet zelden superieur gedragen ten opzichte van inwoners van andere landen waar het slechter geregeld zou zijn (‘Belgische toestanden’), of die een verleden hebben dat ze ten eeuwigen dage als voorbeeld ongeschikt maakt (‘de foute Duitser’). Zelf vinden ze dat niet superieur, maar normaal, dus ook: niks bijzonders, niet per se beter dan dat van anderen (hoogstens is het gedrag van anderen slechter), maar ‘gewoon’, wat ook betekent: zoals het hoort (als het al niet ‘zoals het ís’ betekent). De Nederlandse komiek Theo Maassen suggereerde ooit al dat de Nederlandse wapenspreuk niet ‘Je maintiendrai’ (ik zal handhaven) zou moeten luiden, maar ‘Doe ’s normaal, man!’

    Het blijkt in ieder geval het eerste te zijn dat er uit mijn mond komt wanneer ik met de Belgische mores in het verkeer geconfronteerd word. Of met de onbeschofte houding van gezagdragers. Of met de serviliteit en kwezelachtigheid van veel Vlamingen. Met het katholieke gekuip dat je hier tot in zelfs de meest vrijzinnige milieus terugvindt. Of gewoon met de wijze waarop dit land staatkundig gesproken in elkaar steekt. Of met wat de Belg zelf wel zijn ‘surrealisme’ noemt.

    En toch…

    Toch zijn dit niet de belangrijkste redenen om te zeggen dat ik nooit werkelijk een Belg zou kunnen worden, nog even afgezien van de vraag wat een Belg precies is in de ogen van de Belgen zelf. De Belgische identiteit is immers, zeker in vergelijking met die van Nederland (hoe pluriform die in werkelijkheid ook is), onaf, rafelig en rommelig. De vraag is of wat ik als duidelijke verschillen ervaar en hier nu eens op een Belgisch dan weer op een Vlaams conto schuif, bij nadere beschouwing niet vooral verschillen tussen Nederland en enkel Vlaanderen betreffen — een politiek zwaar beladen kwestie. Maar waar het om gaat, is dat zelfs die verschillen niet beslissend zijn voor de vaststelling dat ik nooit Belg zou kunnen worden. Hoe concreet de verschijningsvormen ook zijn, het gaat hier uiteindelijk om abstracties en al te grote waarheden. Het zijn zaken die men met een klein beetje moeite kan begrijpen, die men kan herleiden tot de geschiedenis van beide landen bijvoorbeeld.

    Maar de onmogelijkheid om ooit werkelijk een Belg te worden, heeft veel meer te maken met verschillen die niet te begrijpen zijn en die verband houden met iets wat tegelijkertijd vele malen groter en universeler als kleiner en particulierder is dan nationaliteit. Het heeft te maken met het gegeven dat België nooit het land zal zijn waarnaar ik heimwee zal kunnen hebben. Het is mijn thuisland, niet mijn moeder- of vaderland. En dan zeg ik het nog niet goed, want ‘land’ verwijst naar de bestaande landsgrenzen en daarmee naar abstracties als ‘de’ Nederlander en ‘de’ Belg.

    Het gaat om heimat.

    Het woord is niet goed te vertalen. Het heeft ook niet werkelijk een passend synoniem. ‘Geboortegrond’ komt in de buurt, maar beperkt het te veel tot een geografische plek. Het gaat om omgeving in de ruimste zin van het woord: dat is de plek, het landschap, maar ook de mensen, de specifieke gemeenschap waarbinnen je opgroeit. Het gaat om wat je te weten komt nog voordat je over taal beschikt, over wat je letterlijk met de paplepel is ingegoten en wat bepalend is voor je gevoel van vertrouwen, van geluk, van schoonheid en veiligheid — alles wat bepalend is bij de vorming van je identiteit. Taal dus ook, moedertaal, en dat in zijn kleinste nuances, in dat wat bij vertaling verloren gaat, zelfs als het daarbij gaat om een ‘vertaling’ van het Nederlands in het Vlaams en vice versa.

    Het is kortom alles waarnaar je heimwee voelt op die momenten dat je de werking van de tijd aan den lijve ervaart, alles wat je verbindt met de plek waar die tijd is beginnen te lopen, ook al is er op zich niets wat je ertoe zou kunnen brengen naar die plek terug te keren om er opnieuw te gaan wonen (ik moet er niet aan denken!). Het gaat om wat je terugwijst naar wat niet (meer) bestaat, niet terugkomt, maar waaruit je desalniettemin bent opgetrokken. Het is dit:

     Diepenheim

     Soms kun je je, als je dat wilt, dit landschap zo te binnen brengen

     dat het wordt wat het altijd was: nooit deze weide

     waar je bent tussen koeien en gras, nooit die bosrand

     waar je staat tussen beuken — de rode —

     tussen het blauw en het groen van de spar, nooit

     de hemel waaronder.

     

    Het is dag of is nacht en altijd hoogzomer.

     Het vee in de schaduw onder de bomen,

     bij het schijnwerperlicht van een zoveel watts maan of een zon,

     hoest en herkauwt naar behoren.

     

    En er kome wat kome: achter het rietgordijn,

     tussen neerhangende sluiers van bomen, in dit haast

     muisstil geritsel terzijde, word ik, als ik dat wil,

     wat ik altijd al was: nooit deze weide, de koeien, het gras,

     nooit het rode van beuken, het groen van een spar,

     nooit het bedriegelijk echt blauw of inktzwart van een hemel.

     

      Het is dag, het is nacht, het is altijd hoogzomer.

     

    Dit is wat maakt dat ik nooit een Belg kan worden, ongeacht de identiteitskaart die ik op zak heb. Met wat vandaag in verhitte discussies ‘identiteit’ wordt genoemd, heeft het maar zijdelings te maken. In die discussies is het begrip veel sterker gebonden aan de actualiteit dan wordt voorgewend. Het staat nooit los van de politieke context en de daarmee verbonden maar vaak verzwegen doelstellingen waarin het wordt gebruikt. In die zin voel ik me als ‘inwijkeling’ (om toch nog aan die ‘Hollander’ te ontkomen) vrij om binnen de huidige discussies mijn eigen standpunt in te nemen. Want ik mag de wens om te kunnen stemmen hier in het begin dan hebben uitgedrukt op wat in de ogen van een Vlaming een typisch Hollandse manier is — als een centenkwestie — uiteindelijk gaat het hier ook om engagement voor een nieuw thuisland, om gemeenschapszin. En de gemeenschap die er toe doet, is de gemeenschap waar men in zijn eigen heden deel van uitmaakt. Dat is altijd meer dan een financiële of administratieve kwestie.

    Maar het maakt geen Belg van me. Zoals mijn door langdurig verblijf in Vlaanderen al sterk veranderde taalgebruik geen enkele Vlaming om de tuin zal leiden: mijn vergeleken bij vroeger zoveel zachtere g, de min of meer Franse zinsmelodie in alles wat ik tegenwoordig zeg. Ik begrijp uiteindelijk nog steeds niet elke nuance in een zinnetje als ‘ik zie u graag’ en vrees nog steeds dat wanneer ik het tegenover een autochtoon gebruik, ik een onbetamelijk voorstel doe. Genaturaliseerd wordt men maar één keer. Wat rest is heimwee, of misschien zelfs melancholie — een vreemd soort droef geluk. Daarmee maakt men geen natie, al kan geen land zonder. Daarmee maakt men voor zo’n land onontbeerlijke literatuur, misschien.

    Het gedicht schreef ik al jaren geleden voor een boek van John Heymans, en ook staan in deze tekst al zaken die ik eerder heb aangehaald, maar juist op dit moment, in de huidige context, waar het gebruik van het woord 'Belg', 'Vlaming' of 'Waal' op zich al voldoende is om een storm van verontwaardiging te ontketenen aan deze of gene zijde van het land, voegt het misschien toch nog iets toe.

     

    screenshot_123.jpg

     

     

     

     

  • Pin it!

    Proleten

    Alweer geruime tijd geleden was ik aanwezig op een werkcongres van de Vlaamse Auteursvereniging — een jaarlijks terugkerend gebeuren waar experts uit het boekenvak en alles wat daarmee samenhangt informatie verschaffen over bijvoorbeeld fiscale of juridische aspecten van het schrijverschap, of over criteria bij de beoordeling van typoscripten. Mij leek het wel eens interessant om een bijeenkomst bij te wonen over het e-boek. Tijdens de voordracht zag ik in rap tempo allerlei businessmodellen voorbijkomen waaraan me telkens weer opviel dat de auteur altijd aan het begin van de keten stond. Zonder auteur geen business. Maar wat me ook opviel (zo ik het niet allang wist natuurlijk), was dat de auteur altijd helemaal achteraan staat als het gaat om de uiteindelijke afrekening. Het shockeert de meeste mensen nog steeds wanneer je ze vertelt dat je als auteur slechts 10% van de verkoopprijs van een boek ontvangt, dat dat weliswaar meer wordt als je er meer verkoopt, maar dat de meeste auteurs die meerverkoop gewoonlijk niet halen. Het culturele klimaat is gericht op recyclage van steeds dezelfde namen, immers, zodat je in het juist daardoor ernstig verschraalde klimaat maar een paar, steeds dezelfde grootverdieners hebt.

    In de voordracht kwam ook een schemaatje voor aan de hand waarvan werd uitgelegd wat in de grotemensenwereld van het zaken doen het verschil tussen evoluties en revoluties precies was. Dat ging via een Powerpoint-presentatie, dus met leuke plaatjes erbij. Van paard naar paard-en-wagen was een revolutie; van paard-en-wagen naar auto ook. Dat auto’s sinds de Ford T spectaculair veranderd zijn, is echter geen kwestie van revolutie, maar van evolutie. Het principe bleef immers hetzelfde: een gemotoriseerd voertuig dat op eigen kracht voortbeweegt. Een kind kan de was doen. Ik bedoel: zelfs ik kan zoiets begrijpen. Maar het ontlokte me aan het eind van de voordracht wel de opmerking dat wanneer ik een en ander toepaste op het boekenvak, ik het gevoel had dat binnen het boekenvak inmiddels iedereen met de auto rijdt, maar dat de schrijver het nog steeds met een schonkig paard moet doen. Men wordt wel eens wat kribbig wanneer men bedenkt dat er een heel contingent mensen is dat veel meer geld aan literatuur verdient dan de auteurs, zonder wie nochtans blijkbaar geen enkel businessmodel overeind blijft. Al weet ik natuurlijk ook wel dat het grote geld in de huidige wereld van het boek niet afkomstig is van specifiek de literaire tak.

    Maar toch, ik heb onder mijn vrienden en kennissen een aantal hoogleraren Nederlandse en Buitenlandse Letterkunde die beter rondkomen dan ik. Het blijft een boutade, maar vooral op feestjes wil ik die nog wel eens tegen hen debiteren: dat ze hun mooie salaris wel verdienen over míjn rug, hè. Men geeft dat toe, klopt bemoedigend op die rug van mij en heft nog eens het glas. En als auteur moet je je dan ook nog het geblaat laten welgevallen van politici en Jan-met-de-Pet, die vinden dat subsidies uit den boze zijn. Ze bedoelen: subsidies voor cultuur. Het woord ‘subsidie’ wordt namelijk uitsluitend met culturele activiteiten in verband gebracht. Niet met voetbal (krijgt ook subsidie), met de boerenstand (zonder subsidies was er geen boer meer over), met een oneindig aantal andere zaken die, als ze overgelaten zouden worden aan de heilige Markt, allang naar de verdommenis zouden zijn. Zonder subsidies zou de gemiddelde leeftijd van de bevolking er behoorlijk op achteruit gaan, lijkt mij toch. En van enig samenbindend element op basis waarvan zoiets als burgerzin gebaseerd zou kunnen worden, bleef er in de openbaarheid ook niets over. Ieder voor zich, niemand voor ons.

    Enfin,”’t is de schuld van ’t kapitaal” — dat liedje kennen we. Men berust meestentijds in wat men zichzelf dan maar voorhoudt: dat het een keuze is. Ik had ook iets anders kunnen gaan doen in het leven, immers? Ik heb diploma’s, al zijn die op mijn leeftijd waarschijnlijk niet al te veel meer waard. Ten opzichte van de mogelijkheden die men in andere takken van sport gehad zou hebben, is de keuze voor de literatuur misschien zelfs uit te leggen als een heus offer — al klinkt me dat wat al te heroïsch in de oren. Uiteindelijk kiest niemand voor literatuur om maatschappelijk géén waardering te krijgen, géén rol van betekenis te spelen in de samenleving. Dat type schrijver heeft zeker bestaan — ik schrijf dus ben ik martelaar — en misschien bestaat het hier en daar nog, maar uiteindelijk kom ik die zelden of nooit tegen.

    Maar zelfs al is het een keuze: eens in de zoveel tijd maak ik me toch weer boos over het dédain dat men tegenover de schrijver tentoonspreidt, niet in de laatste plaats in kringen van het boekwezen zelf. Nog niet zo heel lang geleden trof ik een bevriend schrijver in mineur omdat hem net die dag een mail onder ogen was gekomen die de afdeling ‘Verkoop’ van het grote concern waaronder ook zijn uitgever zit, van mening was dat zijn laatste boek een slechte carrièremove was geweest. Dat laatste boek van hem is ten opzichte van die daarvoor misschien inderdaad wat minder snel behapbaar, laat zich heerlijk gaan in wat kniesoren en zeurkousen wel weer onmiddellijk in pejoratieve zin ‘experiment’ zullen noemen, terwijl hij toch bepaald niet als ‘experimenteel’ te boek staat, te boek zou willen staan, of — maar dat is mijn mening — op basis van dat laatste boek ‘experimenteel’ in die zin genoemd zou kunnen worden. We zaten op café. En ik werd boos. Niet op hem. Maar op de afdeling ‘Verkoop’.

    Want in welke wereld leven we als een door een uitgever met volle overtuiging uitgebracht boek door de afdeling ‘Verkoop’ als een slechte carrieremove wordt gekapitteld. Ik zou zeggen: in een wereld waarin verkopers hun werk niet naar behoren doen. Het is toch godverdomme hún taak om de producten aan de man te brengen? Als hen dat niet lukt, is het niet de auteur die iets verkeerd heeft gedaan; dan doen zíj het niet goed. Gezien alles wat ik als eerste in de keten moet afstaan aan uitgevers, drukkers en die gestropdaste vertegenwoordigers die de zaken aan de boekhandels moeten slijten, verwacht ik van allen die zich contractueel hebben verplicht om mijn werk te exploiteren de volledige inzet.

    Ik verwacht nog iets anders ook. De reden voor dit stukje is dat ik recentelijk ben uitgenodigd om in een filiaal van een grote boekhandelketen hier in Vlaanderen op een zondagmiddag te worden geïnterviewd. Dat is in het kader van ‘De Literaire Lente’. Natuurlijk wil ik dat wel. Maar op mijn vraag of er een honorarium aan vastzit, krijg ik als antwoord: neuh… een boekenbonnetje misschien. Ik kan nu vervolgens mijn schouders ophalen en bedanken voor de eer. Maar het gaat me om het automatisme waarmee zo’n boekhandelketen, waarvan geweten is dat ze van het totale literaire aanbod misschien 20% voor een heel korte tijd wel in hun winkel willen zetten, mits met recht van retour en mits het binnen die korte tijd verkoopt — het gaat me om het feit dat zo'n boekhandelketen wél graag literaire auteurs in de winkel haalt om het eigen literaire en algemeen culturele blazoen wat op te poetsen, maar tegelijkertijd vindt dat die auteurs het maar als hobby moeten beschouwen. Reiskosten worden niet betaald, uren worden niet betaald. Nee, men krijgt een boekenbonnetje, een bonnetje dat natuurlijk alleen besteed kan worden in één van de filialen van die keten. Ik vind daar nooit wat ik zoek. Je vraagt je toch af wat die lieden bezielt.

    Ik vraag me vervolgens ook af wat de promotieafdeling van het concern waartoe mijn uitgever behoort bezielt, dat ze met zoiets überhaupt instemmen. Het lijkt me alweer een vorm van contractbreuk. Ik vind in ieder geval niet dat mijn werk hier op de juiste wijze wordt geëxploiteerd. En dat men niet afkomt met wat in dit soort gevallen altijd uit de hoge hoed wordt getoverd: het is toch maar mooi promotie voor u. Promotie? Het event waar het om gaat maakt deel uit van een festivalachtig gebeuren dat, ongetwijfeld tegelijkertijd, ook elders in de stad manifestaties heeft gepland. Stel dat er 30 mensen op zo’n interviewtje afkomen, en stel dat die alle 30 een boek van mij kopen (wat niet gebeurt). Dan heb ik 60 euro verdiend. Bruto. In België. Bruto in België 60 euro. Wat ik daarvan overhoud, voldoet misschien net om mijn benzine of treinkaartje te betalen.

    Als men in deze sector dan zo nodig enkel economisch wil redeneren, dat men dat dan ook doortrekt naar wie men inhuurt. Schrijvers worden voortdurend gechanteerd met hun zogenaamde economische onbeduidendheid en tegelijkertijd zoet gehouden met hun onmisbaarheid voor het culturele blazoen van bedrijf en natie. Uiteindelijk gaat het hier gewoon om schaamteloze uitbuiting, om onfatsoenlijk proletengedrag. Een Stichting Schrijvers School en Samenleving wordt in België node gemist (het systeem van de Stichting Lezen hier in België is hopeloos omslachtig en veel te beperkend). De Vlaamse Auteursvereniging, toch al zwaar overbelast en nog zwaarder ondergesubsidieerd, heeft vrees ik nog veel meer werk voor de boeg.