• Pin it!

    Vrijheid blijheid

    ‘Wat betekent vrijheid nog voor ons, afgezien van vakantievieren in een dictatuur?’, zo vraagt Ramsey Nasr zich af in ‘De eigen cultuur wordt gebruikt als een schild’ (NRC, 19-2-2011; ook als ‘Vrijheid heeft veel vormen’ in De Standaard, zelfde datum, en hier). Wie die vraag begin jaren negentig stelde, werd nog als een achterlijke nostalgicus met een hang naar jarenvijftigduidelijkheid in de hoek gezet. Anything goes, zo luidde toen het parool, en wie daar ook maar de  geringste kanttekening bij wilde maken, was een provinciaaltje dat niet mee kon met de rest. (Tussen haakjes: ik was toen zo'n provinciaaltje en het was voor mij de reden om in De Groene Amsterdammer een loflied op de provincie te schrijven, ‘De provinciale staat’, 3 maart 1999).

    Toen Pim Fortuyn werd neergeschoten en ik toenmalig premier Wim Kok hoorde zeggen: ‘Meningsverschillen beslecht men met woorden, niet met kogels’,  schreef ik in een opiniebijdrage voor De Morgen (‘Fortuyn was pimpelpaars’, 15 mei 2002): ‘Ik wil dat graag onderschrijven, maar dan alleen in een klimaat waarin woorden niet de gewichtloze ballonnetjes zijn geworden die politici elkaar toespelen. Dat is een klimaat waarin op den duur alleen kogels nog gewicht in de schaal leggen. Politici hadden zich beter gerealiseerd dat woorden in de politiek daden zijn, of toch behoren te zijn.’ Wim Kok was in mijn ogen zelf een politicus die van alle woorden zeepbellen had gemaakt toen hij in 1995 in de Den Uijl-lezing, als voorman van de PvdA toch, de socialistische ideologie bij het grof vuil zette. Ik kon me destijds vrij goed vinden in een boekje van Slavoj Žižek dat in de Nederlandse vertaling Pleidooi voor intolerantie heette, al moet je bij die Žižek altijd op je qui vive zijn: de man schiet niet zelden met een kanon op een mug en lijkt politiek te willen bedrijven aan de hand van Lacan, waardoor hij diens ‘reële’ soms verwart met de maatschappelijke realiteit, of dan toch lijkt te wensen dat het ene voor het andere wijkt (de maatschappelijke realiteit die de realiteit niet is maar het reële juist verbergt — dat soort postmoderne scherpslijperij). Anders gezegd: Žižek verkoopt wel eens baarlijke nonsens en lijkt ook vaak zijn publieke imago van scheelkijker en dwarsdenker te laten voorgaan op wat een bepaalde situatie aan gezond verstand eist. Hij denkt zoals hij praat: slissend.

    Maar Pleidooi voor intolerantie was eind jaren negentig zo aantrekkelijk omdat het in ieder geval afrekende met de vrijheid-blijheid-verdwazing die op politiek en cultureel vlak de boventoon voerde en die feitelijk neerkwam op een absolute heerschappij van het marktdenken. Ik was op alle vlakken voor een re-ideologisering van de samenleving — voor mij natuurlijk te beginnen met de literatuur, waarin de discussie over de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid weer centraal moest staan (de discussie over literatuur als een discussie over ‘de juiste lectuur’ en daarmee als een discussie over mens- en maatschappijbeelden), maar ook op politiek vlak. Het zogenaamd ideologieneutrale paarse kabinet was in Nederland (en wat later ook voor België) de perfecte dekmantel voor de neo-liberale ideologie geweest — en ik vind het nog steeds een beetje verbazend dat politici als Verhofstadt zo lang nodig hadden om in te zien dat het hier niet om een natuurfenomeen ging, zoals veel neo-liberale kameraden leken te denken, maar wel degelijk om inderdaad een verstikkende ideologie. Zoals het me ook verbaast dat Hans Achterhuis’ De utopie van de vrije markt in 2010 nog zoveel opzien baarde. Juist als je — vooruit: met hulp van Žižek en zelfs van Lacan — juist als je gespitst raakt op de vaak verzwegen vooronderstellingen van politieke en maatschappelijke fenomenen, ontdek je al heel snel dat vrijheid geen natuurfenomeen kán zijn, en dat waar ze wel zo wordt voorgesteld in de praktijk enkel het recht van de sterkste geldt.

    Dat was en is wat re-ideologisering voor mij betekende en betekent: het zichtbaar maken van de ideologische ondergrond van wat als vanzelfsprekend wordt voorgesteld. Juist waar dat niet gebeurt — en het is uit zelfgenoegzaamheid, uit domheid, uit welbehagen, uit consumentistische verlamming, uit misschien nog iets anders de laatste decennia niet meer gebeurd — juist waar je niet gespitst bent op de verhalen achter wat als de realiteit wordt voorgesteld, blijkt er één verhaal absoluut dominant te zijn, en lijkt  niemand nog in staat om daarbuiten te gaan staan. De kritiek verstomt, dreigt zelfs onmogelijk te worden, en democratie verbleekt tot het recht te kiezen voor meer van hetzelfde.

    Vrijheid en rechtvaardigheid worden door ons westerlingen, meestal op de automatische piloot, aan elkaar gelijkgesteld, maar wie van beiden het maximum eist, ziet al snel dat ze elkaar wederzijds uitsluiten. Zonder begrenzing is vrijheid een brute macht die velen vermorzelt. ‘Zo los en luchtledig zijn wij geworden in ons gedrag, ons onderwijs en de dwangmatige neiging aan ie-der-een onze mening te slijten, dat onze vrijheid een dictatuur vormt,’ zo stelde Nasr in zijn stuk. Dat geldt overigens niet alleen voor Nederland. Het is in zekere zin goed dat iemand als Wilders voor de rechter is gedaagd wegens ‘aanzetten tot haat’; ik schreef al eerder dat iemand die van dat aanzetten tot haat een politiek programma heeft gemaakt, niet moet zeuren dat zijn proces politiek zou zijn. En zo was het ook niet verkeerd dat Brusselmans’ Uitgeverij Guggenheimer destijds onderwerp werd van een juridisch steekspel, al stonden met name Nederlandse schrijvers als Connie Palmen meteen op hun achterste benen: censuur! In beide gevallen doen voorstanders van de absolute vrijheid van meningsuiting alsof nu toch wel definitief is aangetoond dat we in een politiestaat leven. Maar het is juist die absolute opvatting die de vrijheid ondermijnt: dat wat we alleen ervaren als er grenzen zijn getrokken. Dat die grenzen op zich niet absoluut zijn, weet iedereen met een minimum aan historisch besef, maar vervolgens zeggen dat ze dus niet bestaan is misschien inderdaad een beetje… te lacaniaans. Ze moeten telkens opnieuw worden getrokken en vastgesteld.

    Of nog eens, in het verlengde van het stuk over de permissieve samenleving: we moeten ophouden vrijheid te definiëren in termen van de bevrijding van wat ons onwelgevallig is. Wir sind aufgeklärt, wir sind apathisch. Het is een apathie waaraan enkelen goed verdienen. Het wordt tijd vrijheid te definiëren als de begrenzing die we wensen in plaats van als de ontgrenzing die ons wordt opgelegd. Voorwaarde daarvoor is dat je je bewust bent van de vooronderstelling van diegenen die het begrip vrijheid invullen.

  • Pin it!

    Geschiedvervalsing

    Zegt Christophe Vekeman afgelopen woensdag in De Morgen tegen Joost Zwagerman: ‘In uw polemieken, bijvoorbeeld tegen Marc Reugebrink in Collega's van God, blijft u altijd opvallend beschaafd’. Antwoordt Zwagerman: ‘Nou, die is anders heel lang woedend op mij geweest, hoor.’

    Belangrijk is het niet, en toch… het achtervolgt me nu al jaren: mijn zogenaamde aanvaring met Joost Zwagerman aan het eind van de jaren tachtig. Alweer jaren geleden stond er in Poëziekrant een interview van Fleur Speet met Zwagerman naar aanleiding van het verschijnen van Bekentenissen van een pseudomaan (2001). Bij die gelegenheid sloeg Zwagerman zelfs aan het fabuleren over alweer die aanvaring eind jaren tachtig. Ik schreef toen een stuk om ook eens wat aandacht te krijgen voor mijn kijk op de zaak. Die bestaat vooral uit de vaststelling dat er van een werkelijke aanvaring met Zwagerman eind jaren tachtig nooit sprake is geweest. Er is ook nergens een artikel van mij terug te vinden waaruit zou blijken dat ik mij verschrikkelijk tegen Joost Zwagerman gekant zou hebben. Ik liet me ooit in een interview in De Volkskrant (ergens in 1988) niet in gunstige zin uit over dichtersbeweging De Maximalen, zonder woedend te zijn; ik schreef ooit een open brief aan zwagermans adres in De Groene Amsterdammer waarop vooral Zwagerman woedend reageerde; ik schreef een negatieve recensie over De buitenvrouw in het Nieuwblad van het noorden (21-10-1994), maar alweer zonder woedend te zijn of iets dergelijks. De enige aanvaring waarvan sprake is, vond plaats in Groningen (enfin, zie hieronder).

    Ik besloot dus na het interview van Fleur Speet eens een stukje te schrijven om mijn kant van de zaak wat te belichten. Per slot van rekening was ik ook al in min of meer officiële literatuurgeschiedenissen tegengekomen dat ik me geweldig had verzet tegen de Maximalen, en tegen Zwagerman in het bijzonder (altijd zonder dat ook maar één artikel genoemd kon worden waaruit dat dan bleek). Ik stuurde dat stukje op naar Willy Tibergien. Via via vernam ik dat Tibergien even contact had opgenomen met Fleur Speet naar aanleiding van mijn stukje, en dat Fleur Speet het niet nodig had gevonden dat mijn stukje in Poëziekrant werd opgenomen. Dat verbaasde mij toch wel een beetje. En ik vond het ook enigszins onfatsoenlijk — maar bon. Men went aan alles.

    Maar telkens als ik weer eens een verwijzing naar die zogenaamde strijd aan het eind van de jaren tachtig tegenkom (die was er wel, maar niet met mij; ik herinner me boze stukken van Wiel Kusters en nog een aantal door Maximaal geviseerde dichters en critici), denk ik onwillekeurig: zo zat het dus niet.

    Ik geef hieronder het stuk dat ik aan Poëziekrant stuurde (het betreffende interview stond dus in PK 2001, nr. 5), zodat in ieder geval ergens mijn versie van de feiten een plek krijgt.

    OP EEN AVOND IN GRONINGEN...

    -kanttekeningen bij een petite histoire

    (2001)

    >>Als ik ergens een hekel aan heb dan is het wel aan die typisch Hollandse neiging om dat wat niet meer dan petite histoire is tot nationale literatuurgeschiedenis te verheffen. Ruzies tussen schrijvers op de hoek van, laten we zeggen het Spui en de Nieuwezijds Voorburgwal te Amsterdam, groeien in de specifiek Nederlandse literatuurbeschouwing al snel uit tot heuse ‘literaire’ kwesties, terwijl het meestal om niet meer gaat dan (gewoonlijk) twee heren die zichzelf een dermate groot ego hebben aangemeten, dat een woordenwisseling op een straathoek welhaast niets anders kán zijn dan een ‘datum’ in de literatuurgeschiedenis - het moment waarop de Nederlandse, zelfs de Nederlandstalige literatuur in haar geheel, definitief van aanzien veranderde.

    In die zin zou ik Joost Zwagerman dus dankbaar moeten zijn dat hij in het interview dat hij in Poëziekrant 5 met Fleur Speet had, nog eens teruggrijpt naar een literaire avond in 1988, toen in Groningen een podiumdiscussie plaatsvond tussen Rogi Wieg, Elma van Haren, Zwagerman en mijzelf, want, zo kan men uit het interview opmaken, dat was me nogal een avond. “Reugebrink wilde bijna letterlijk met me op de vuist,” zo zegt Zwagerman in dat interview. “Hij had tegen Elma van Haren gezegd: ‘Als het mij niet bevalt wat Zwagerman zegt, dan timmer ik hem na afloop in elkaar.’ Gelukkig vertelde Elma me dat pas veel later. Maar goed, het gaf wel aan hoe de verhoudingen waren.”

    Nu heb ik in de wandelgangen van de literatuur de afgelopen dertien jaar wel vaker van deze en gene gehoord dat die bewuste avond in Groningen op Zwagerman een diepe indruk gemaakt moet hebben. Zo vroeg A.F.Th van der Heijden mij jaren nadien hoe of dat nu precies zat met “die ruzie” tussen Zwagerman en mij. Welke ruzie, wilde ik weten. Nou, kijk eens, Van der Heijden was Zwagerman bij de slager tegengekomen en... enzovoorts. Ik kon alleen maar antwoorden dat “die ruzie” zich blijkbaar volledig in het hoofd van Zwagerman afspeelde, en het leek mij toen al dat de animositeit die er tijdens de discussie in Groningen tussen hem en mij wel degelijk was geweest, door hem nogal werd gecultiveerd en bijgevolg opgeblazen. Ik concludeer nu dat de toenmalige woordenwisseling inmiddels mythische proporties heeft gekregen.

    Helemaal onbegrijpelijk is dat niet. De Maximalen zijn zelf een mythe geworden waarin waarheid en leugen niet goed meer van elkaar te onderscheiden zijn (zo beweerde R.L.K. Fokkema in zijn toch alleszins respectabele poëziegeschiedenis Aan de mond van al die rivieren dat Arjen Duinker aanwezig was bij een discussie die in oktober 1986 in boekhandel De Verloren Tijd plaatsvond, een samenkomst die als “belangrijke aanzet tot het ontstaan van de Maximalen als groep” gezien moet worden (p. 117), maar Duinker zelf weet heel zeker dat hij daar nooit is geweest). Er is Zwagerman, als toch één van de voormannen van de Maximalen, blijkbaar veel aan gelegen die mythe in stand te houden. De suggestie dat er eind jaren tachtig een hevige strijd woedde, dat men toentertijd “bijna letterlijk” met elkaar op de vuist ging, komt daarbij goed van pas. Dat ik in het hoofd van Zwagerman — die in dit opzicht toch meer weg heeft van een mythomaan dan van een pseudomaan — ben uitgegroeid tot de verpersoonlijking van de felle tegenstand die er tegen de Maximalen bestaan zou hebben, dat hij met andere woorden nu al dertien jaar lang - in de wandelgangen, maar dus nu blijkbaar ook weer op een meer publieke plaats - probeert van mij zoiets als een symbool te maken van die tegenstand, het duidt op een diep verlangen de Maximalen eens te meer als een heroïsche verzetsbeweging neer te zetten. Met de werkelijkheid uit die dagen heeft het echter niet zo heel veel te maken.

    Sterker nog: de animositeit op die bewuste avond in Groningen had precies te maken met de wijze waarop de Maximalen, in casu Zwagerman, trachtten hun eigen geschiedenis vorm te geven. Op 26 september 1988, een anderhalve maand voordat die avond plaatsvond, kreeg ik van Zwagerman een handgeschreven brief met daarbij zijn toen juist verschenen tweede dichtbundel De ziekte van jij. Hij refereerde in die brief aan de sceptische opmerkingen die ik weer enige tijd daarvoor in een interview in de Volkskrant over de Maximalen had gemaakt. Hij refereerde ook aan de zeer negatieve recensie die hij over mijn eerder dat jaar verschenen debuutbundel Komgrond in Vrij Nederland had geschreven. Beide zaken waren voor hem aanleiding om mij te vragen of ik voor De Held - het blad dat op dat moment als spreekbuis voor de Maximalen gold en waarvan Zwagerman redacteur was - niet een stuk over zijn bundel wilde schrijven waarin ik hetzelfde deed als hij met mijn bundel in Vrij Nederland had gedaan. Dat lijkt ruimhartig, maar wanneer iemand je verzoekt hem af te slachten, kun je maar beter op je qui vive zijn. Dat was ook het eerste wat ik me afvroeg toen ik die brief las: waarom zou hij dat willen? En dan: wat als ik De ziekte van jij nu eens een goede bundel vond? Die mogelijkheid had hij blijkbaar zelf al op voorhand uitgesloten, en dat lijkt me veelbetekenend. De Maximalen zelf creëerden een sfeer waarin het ‘wie niet met ons is, is tegen ons’ de boventoon voerde, zodat de scepsis waarvan ik in het Volkskrant-interview blijk had gegeven, in hun ogen niets anders kón zijn dan een oorlogsverklaring. In ieder geval begreep ik dat ik Zwagermans recensie in Vrij Nederland als zoiets als een oorlogsverklaring had moeten begrijpen - wat niet het geval was.

    Uiteraard was ik met dat stuk niet blij; ik was zelfs verontwaardigd, en precies om de redenen die Joost Niemöller wat later aangaf toen hij, in De Held, in een recensie over Komgrond inging op Zwagermans Vrij Nederland-stuk. Zwagerman, stelde Niemöller ongeveer, had mijn poëzie wel erg door een zwart-wit bril bekeken en was daardoor toch minstens aan één oog blind geweest. Maar zelfs voordat dat stuk verscheen, had ik al begrepen dat die blindheid het prerogatief van de recensent is, en zelfs een voorwaarde voor zoiets als literaire kritiek, ook al leidde dat in het geval van Zwagerman dan tot het verkeerd citeren van dichtregels in zijn ijver mij neer te zetten als een epigoon van Kouwenaar en Faverey. De criticus die elke bundel uitsluitend op zijn eigen merites beschouwt, is een boekhouder, geen criticus, al moet hij natuurlijk wel correct blijven citeren.  

    Hoe dat ook zij - mijn scepsis tegenover de Maximalen was in mijn hoofd geen vijandschap. Ik besloot na het lezen van Zwagermans brief dan ook om hem te bellen, legde hem uit dat ik bij het lezen van zijn naam op het omslag van De ziekte van jij nu niet onmiddellijk een waas voor ogen kreeg, dat ik derhalve ook niet op zijn verzoek in zou gaan, maar dat ik het verzoek zelf zo merkwaardig vond dat ik er in een open brief aan zijn adres wel iets over wilde zeggen.

    Dat was niet de bedoeling...

    Nee, natuurlijk was dat niet de bedoeling. Zo’n brief zou maar duidelijk maken hoezeer de Maximalen drukdoende waren om binnen de poëzie een oppositie te creëren, hoe ze trachtten om het welbekende scenario van de literaire vernieuwing (normverandering, generatiewisseling, vadermoord) gestalte te geven in een literair klimaat waarin de meeste nieuwe dichters nauwelijks nog animo hadden om zich volgens dat scenario te manifesteren. Dat had in de literaire pers al tot de constatering geleid dat er in de Nederlandse literatuur ‘niets’ meer gebeurde. De literaire pers leeft van de nieuwswaarde van literatuur en heeft nauwelijks aandacht voor de literaire waarde ervan. De Maximalen speelden daar handig op in. Woorden als ‘bloedeloos’ en ‘saai’ doken op in de, geheel volgens de regels van de traditie door hen de wereld ingestuurde manifesten en de pers hapte toe. Er werd vooral voor de ogen van die pers keurig een literaire revolutie georganiseerd, en binnen dat scenario was het noodzakelijk dat je ook de vijandschappen regisseerde. Dat was wat Zwagerman middels die aan mij gerichte brief probeerde te doen. Ik moest mij als ‘tegenstander’ opwerpen, mijn sabel trekken, Zwagerman afmaken. Maar, o ergernis, ik weigerde die mij toegeschoven rol te spelen. Ik dreigde in plaats daarvan een open brief te schrijven waarin ik precies dit in wezen nogal cynische mechanisme aan de kaak stelde.

    Mij ging het om de poëzie van de Maximalen, en ik was niet de eerste en zeker niet de enige die vaststelde dat die poëzie zelf literair gesproken weinig nieuws te bieden had, zodat er een nogal diepe kloof gaapte tussen de holle frazen waarmee deze dichtersclub zich in manifesten en krantenartikelen presenteerde, en het werk zelf. Nieuwe poëzie was het in ieder geval niet, en ik heb een aantal jaren terug in Parmentier (jrg. 9, nr. 2, najaar 1999, p. 14-28) al eens gesuggereerd dat het de Maximalen ook helemaal niet zozeer om een totaal andere, nieuwe poëzie ging, maar dat ze de poëzie zoals die sinds het optreden van de experimentelen in de jaren vijftig in Nederland geschreven werd, terug opeisten. De poëtica van de Vijftigers was een door academici op basis van de poëzie gefabriceerde theorie die in toenemende mate dat wat aan die poëzie ten grondslag lag verborg: de ervaring die Lucebert ooit omschreef als het verlangen ‘de ruimte van het volledige leven’ tot uitdrukking te brengen. In die zin kun je de Maximalen opvatten als een beweging die verlost wenste te worden uit de kluisters van een volstrekt vertheoretiseerd en versteend poëzieklimaat. Het was een soort ‘revenge of art upon the intellect’, zoals je het met een omdraaiing van de woorden van Susan Sontag zou kunnen zeggen - of althans: het is mogelijk om te veronderstellen dat dat de inzet was.

    Ik zal niet beweren dat ik in 1988 al in staat was om het optreden van de Maximalen in een dergelijk licht te bezien. Mij viel toen alleen dat door mij als al te cynisch beschouwde scenario op, en de rol die ik daarin moest spelen, maar weigerde. Ik schreef mijn open brief natuurlijk toch en die verscheen niet in De Held, maar in De Groene Amsterdammer (30-11-1988) — ik geloof één week na de beruchte avond te Groningen. Punt is dat ik vooraf had gemeend dat het wel zo beleefd was die brief ook naar Zwagerman te sturen (zodat nog voordat mijn brief was gepubliceerd een ellenlang antwoord van Zwagerman ter redactie arriveerde, samen met eindeloze telefonades waarin hij eiste dat zijn antwoord tegelijk met die open brief van mij zou worden afgedrukt, waar de redactie van De Groene overigens niet op inging). En ten slotte, omdat de gespreksleiders van die avond niet zo goed wisten wat ze mij nu precies moesten vragen, had ik die brief ook aan hen gestuurd. Een rampzalige beslissing, want de gespreksleiders (ik ben hun namen kwijt) roken bloed en brachten die brief meteen ter sprake. Dat leidde tot een eindeloze woordenwisseling tussen Zwagerman en mijzelf, waar Elma van Haren en Rogi Wieg (laat staan: het aanwezige publiek), onkundig van de achtergronden, weinig van begrepen en ook nauwelijks in betrokken werden. Mijn irritatie die avond kwam vooral voort uit het feit dat telkens wanneer ik probeerde uit te leggen waarover het ging, Zwagerman me als redderende regisseur van zijn zo zorgvuldig georkestreerde revolutie in de rede viel, zodat het niveau al snel daalde en het gesprek meer en meer neerkwam op de vraag wie wat op welk moment mocht zeggen. Als publieksavond nogal een mislukking, al bleek het publiek zich wel vermaakt te hebben met Zwagermans en mijn toenemende wederzijdse irritatie, die er uiteindelijk zelfs toe leidde dat Zwagerman opstond en wegbeende, vanuit mijn positie bezien: briesend (maar dat kan evengoed mijn verbeelding zijn), waarna de gespreksleiders ijlings de avond afsloten.

    Als bewijs voor “hoe de verhoudingen waren” in die dagen, lijkt me die avond nogal ongeschikt. Die verhoudingen waren, voor zover het Zwagerman en mijzelf betreft, in ieder geval nooit wat Zwagerman er in het interview in PK 5 zo graag van wil maken, nog steeds worstelend met de Betekenis die de Maximalen in zijn ogen zouden moeten hebben, maar uiteindelijk nooit gehad hebben. En uiteraard heb ik nooit met fysiek geweld gedreigd, noch ooit iets dergelijks tegen Elma van Haren gezegd. Zwagermans neiging tot mythomanie in aanmerking genomen, betwijfel ik zelfs of Van Haren ooit de door haar zogezegd uit mijn mond opgetekende uitspraak aan Zwagerman overgebriefd heeft. Maar gesteld dat dat wél zo is, hoe zou Van Haren daar dan aan gekomen zijn?

    Misschien dat een in 1995 door Mirjam Rotenstreich en Lisa Kuitert samengesteld literair album hierop een antwoord geeft. De gevoelige plaat heette dat boek, en het stond vol met foto’s en bijschriften die door verschillende auteurs waren aangeleverd. Daarin staat ook een foto van Zwagerman en mijzelf die op die bewuste avond werd genomen. Het is een foto waarop Zwagerman ogenschijnlijk beschuldigend naar mij wijst en ikzelf met een wat vertrokken kop achter een microfoon zit; om ons heen de nevelen van sigarettenrook. Een prachtig plaatje vond ik, waar ik niet anders dan met de nodige ironie naar kon kijken. Ik schreef er het volgende (helaas in het boek wat gemutileerde) tekstje bij:

    Groningen, november 1988. Zij die daar zaten, zitten zwijgend te verwijzen naar wat tussen hen te dreigen hing. Dat is vergeten, of herinnering. Toch wordt er eentje aangewezen. Die kijkt in nevel. Zou hij nog weten dat die in zijn longen hing? En is die adem - gulzig inhaleren en dan innig laten circuleren totdat hij uitgeblazen wordt - ooit verdwenen als die hier zichtbaar adem is gebleven? Zou dan niet zijn te lezen wat hier verzwegen wordt? Ik kijk wat beter. Er is een vete! Ik ken dat uiterlijk vertrokken grijnzen van die kop. Die denkt: ik sla erop! Ik laat mij hier de les niet lezen! Zodra die nevel is verdwenen, trek ik op!

    Het is gebaar gebleven. Dat wordt hem aangewezen. Zij die daar zitten, zitten daar elkaar verbeten zwijgend op de kop.

    De ironische ondertoon van één en ander, de zelfrelativering ook, het vermogen te lachen om je eigen dodelijke ernst, is alleen waarneembaar voor degene die niet nog steeds verblind wordt door zelfgecreëerde mythes van vijandschap. Maar waar die mythes nog wel rondspoken in iemands hoofd - omdat hij een geschiedenis nodig heeft waarin hij voor zichzelf zichtbaar blijft als de held van het verhaal -, is zo’n tekstje natuurlijk een ondubbelzinnig bewijs voor de juistheid ervan. Daar staat het dan: “ik sla erop!” - petite histoire, om door hem moverende redenen monsterlijk vertekend door Zwagerman, die tot officiële literatuurgeschiedenis is gepromoveerd. Nog steeds tracht Zwagerman andermans rol in de literatuur te regisseren om zijn eigen rol in de literatuurgeschiedenis volledig in eigen hand te houden.<<

    En die foto? Die zag er zo uit:

    Naamloos1.jpg

     

     

    Wat ik in bovenstaand stuk niet vermeldde (het leek me niet relevant; het is niet controleerbaar ook) was een autorit die ik samen met Elma van Haren maakte, ergens begin jaren negentig, denk ik. We waren beiden present geweest op een poëziefestival in Landgraaf, Limburg. Ik reed in een oranje Mazda 323 uit het jaar nul, en Elma droeg een blauwe, lange jurk. Ik moest naar het noorden, zij wilde haar moeder bezoeken die ergens in een dorp aan de Maas woonde, en ik had aangeboden daar langs te rijden. Tijdens die rit (Elma met haar blote voeten op het dashboard) kwamen we nog eens terug op die merkwaardige avond in Groningen. Ik herinner me dat ik tegen haar zei dat Zwagerman aan het eind van die avond een agressieve indruk op me maakte, en dat ik even had gedacht: die gaat me in elkaar slaan. Misschien dat dat gesprek via een omweg en met de nodige bijkleuring van wie dan ook maar bij Joost terecht is gekomen.

    Zoals gezegd: belangrijk is het allemaal niet. History in the making — dat is het natuurlijk wel. De vertekening van de werkelijkheid totdat het historische verhaal klopt met wat op een zeker moment voor de historische werkelijkheid doorgaat. De Maximalen gelden als de laatste beweging in de Nederlandse poëzie. Dat ze dat volgens heel andere criteria niet zijn (het zijn de Vijftigers), doet dan nog nauwelijks terzake. Wat telt is wat er aan documenten terug te vinden is. Van mij zijn er geen artikelen te vinden die de suggestie ondersteunen dat ik in de jaren tachtig de grote vijand van de Maximalen geweest zou zijn. Ik had mijn bedenkingen, maar het waren de Maximalen zelf, of dan toch ten minste Joost Zwagerman, die wanhopig op zoek waren naar een Vijand, iemand die de rol kon vervullen die hun optreden pas werkelijk de kleur gaf die ze zochten.

    Zijn handgeschreven brief met de uitnodiging hem in zijn eigen tijdschrift af te maken, heb ik natuurlijk goed bewaard.