• Pin it!

    Antwoord aan Frank Hellemans

    In Knack reageert Frank Hellemans op mijn opiniestuk van vorige week donderdag in De Standaard. Hoe kan iemand zo scheef lezen? Blijkbaar denkt Hellemans dat een schrijver die ergens op reageert vooral bezorgd is over zijn eigen winkel. ‘Het is niet omdat je de romans van Reugebrink niet leest dat je niet van goede verhalen houdt’. Nee, dat lijkt me ook. Er is niets in mijn bijdrage dat ook maar iets in die richting suggereert. Er is ook niets in mijn  bijdrage dat suggereert dat ik me ‘opwind’, zoals Hellemans schrijft, omdat de jeugd mijn boeken niet zou lezen. Wat toch weer een onnodige villeinigheid: dat mengsel van halve waarheid en hele leugen aangevuld met de preoccupaties van een criticus die blijkbaar door iemand onnodig af te zeiken aan zichzelf wil bewijzen dat hij heel erg kritisch is.

    Het mag hem misschien verbazen, maar mijn ergernis — wat nog iets anders is dan opwinding — heeft vooral te maken met onderwijskundigen, didactici en andere pedagoochemerds die nu al sinds de befaamde jaren zestig bezig zijn het onderwijs in De Lage Landen stelselmatig af te breken. Dáárover gaat mijn bijdrage. Níét over vijftienjarigen, die ik hun afkeer van literatuur en alles wat van de school nu eenmaal móét van harte gun, maar wel met de aantekening dat  — helaas, het nu eenmaal móét, net als wiskunde, scheikunde, geschiedenis, vreemde talen en nog zo wat. En verder erger ik me in het betreffende stukje nog aan de heisa die van het OESO-rapport in de verslaggeving in De Morgen werd gemaakt. Sensatiejournalistiek — ik heb het woord daar niet gebruikt, maar dat was wel wat ik wilde laten zien. En ook dat een krant als De Morgen blijkbaar graag meepijpt met het (voor wie ook maar iets van onderwijs weet) wel heel erg afgezaagde deuntje dat uit de kabinetten en studiecentra opklinkt en dat alleen maar dient om leerlingen panklaar te maken voor de arbeidsmarkt. Het kán, en wat mij betreft: het mág niet de doelstelling zijn van algemeen voortgezet onderwijs, van welke zich beschaafd noemende natie dan ook maar. Daarenboven: ik verwijs alleen maar even naar Nederland. Het onderwijs is daar, op grond van precies ditzelfde deuntje, de afgelopen twintig, dertig jaar… vernietigd. Ik heb er geen ander woord voor. Compleet kapot gemaakt. Achtereenvolgende ministers hier moeten zowat een stijve nek hebben van het naar Nederland gapen als blijkbaar 'het grote voorbeeld' voor hoe ook hier in België het onderwijs dringend compleet naar de Filistijnen geholpen moet worden.

    Vanuit het onderwijs zelf heb ik veel positieve geluiden gehoord op mijn stukje in De Standaard. Van leerkrachten. Van mensen dus die zelf in het veld staan en geconfronteerd worden met de ene absurde missive na de andere, komend van de onderwijsinspectie, van onderwijsministers en van andere zich voor deskundig uitgevende pedagogen. Dat men in katholieke scholen mijn stukje heeft uitgehangen op de mededelingborden, was misschien te verwachten; dat het ook gebeurde in methoden- en zelfs Freinet-scholen lag minder voor de hand. Er is onder leerkrachten veel instemming met mijn irritatie over totaal achterhaalde opvattingen omtrent het wel en wee van leerlingen, die de afgelopen decennia alleen maar zijn opgevoed tot brave consumenten die vreten wat ze voorgezet krijgen. Dat we ze daarmee ernstig tekort doen, heb ik op deze plek al eens eerder aangegeven. Onderzoeken als die van de OESO laten alleen maar zien hoezeer juist het onderwijs tekort is geschoten, ondanks de leerkrachten zelf, die heus wel willen maar simpelweg van de onderwijsinspectie niet meer mogen. En ook ondanks het feit dat leerlingen natuurlijk nog steeds exact hetzelfde kunnen als ik destijds of Frank Hellemans in zijn tijd.

    Dat deze zaken al langer mijn bekommernis zijn, had Frank Hellemans overigens kunnen weten. Maar misschien sloten mijn — hoe schrijft hij dat? — mijn ‘cerebrale constructies (…) vol heimwee naar het grote epische gebaar’ niet aan bij zijn belevingswereld en las hij daarom mijn romans helemaal niet? Of deze blog? En dan: wat stáát er nu eigenlijk precies in dat stukje van Hellemans? Ik ken geen roman die niet een cerebrale constructie is, en ik heb dus geen flauw idee wat hij ermee zou kunnen bedoelen. Het is een beetje lukraak in de ruimte kallen, wat hier gebeurt, met als enige bedoeling mijn werk sowieso onaantrekkelijk te maken voor wie dan ook, want ‘cerebraal’, dat is wel bah en akkiebakkie natuurlijk,  — ook al werd dat werk door een groot aantal jongeren van destijds De Inktaap wél gesmaakt, toch, en wisten ze er dingen over te zeggen waar Hellemans, de OESO en vooral de pedagoochelaars nog van zouden opkijken. En dat alleen maar omdat het hen was voorgeschoteld, dat ‘cerebrale’ boekske van mij en dat van Van der Heyden (dat er qua cerebraliteit niet voor onder deed) of dat van D. Hooijer (ook enorm geconstrueerd die verhalen van haar).

    En daar ging het me om: dat men leerlingen een beetje serieuzer moet nemen dan hen af te schepen met, en op te sluiten in enkel en alleen hun eigen belevingswereld — een belevingswereld, zo luidde mijn stelling, waar bij nadere beschouwing nauwelijks iets ‘eigens’ aan is, gedicteerd als zij wordt door de belangen van hen die in jongeren vooral een doelgroep zien aan wie men goederen kan verkopen. Dát, beste Frank, is de wereld waar we in leven. Dat weet jij ook. Je wierp je tijdens een discussie over literatuurkritiek in het Letterenhuis een paar maanden geleden nog op als iemand die pal stond voor de literaire cultuur, hoezeer die in de werkelijkheid van alledag ook veroordeeld is tot op zijn best een wat treurige niche, een randverschijnsel waaraan geen enkel belang voor de samenleving meer wordt toegekend. Ik modereerde die avond alleen, maar kon me heus vinden in je halsstarrige weigering die analyse als definitieve conclusie te accepteren, ook al had ik zo mijn vraagtekens bij je rigoureuze ontkenning van wat vandaag de dag toch echt de realiteit is: de alomtegenwoordigheid van de markt, ook — of misschien zelfs: juist — als het gaat om ‘cultuurproducten’.

    Weet je, Frank, hoe vage schimpscheuten als die van jou in mijn richting vandaag de dag werken? Als een negatief consumentenadvies. Je stoot me het brood uit de mond met je zogenaamde kritiek. Je zegt eigenlijk dat mensen mijn boeken vooral niet moeten kopen. Je denkt dat je een literair-kritische mening formuleert (al is me nog steeds niet duidelijk welke; daarvoor is wat je schreef echt te vaag suggestief), maar in een wereld waarin de markt alomtegenwoordig is, bestaat literatuurkritiek niet meer zoals jij, en zoals overigens ook ik die het liefst zou willen bedrijven. Negatieve kritiek, hoe literair ook, is een vorm van broodroof geworden. Misschien moet ik me eens beraden op juridische stappen? Want de ondeugdelijkheid van mijn literaire producten is met zo langs de neus weg geformuleerde oordelen natuurlijk allerminst aangetoond, en ik kan er oordelen van vele andere experts — en zelfs van een paar pubers! — tegenover zetten die het tegenovergestelde beweren.

    Maar laten we terugkeren naar de kwestie waar het mij om te doen was. Niet mijn eigen winkel, maar de literatuur, het literatuur- en geschiedenisonderwijs, het onderwijs in het algemeen, burgerzin zelfs, en de noodzaak aan ‘de’ jeugd uit te leggen hoe we vinden dat de wereld in elkaar zit. Doen we dat niet, dan laten we het over aan marketeers. En ik maak me sterk dat dat het laatste is wat je zelf wilt. 

     

  • Pin it!

    Zoals gisteren, maar dan in de krant

    FuckDeLeefwereldVanDeTieners.jpg

  • Pin it!

    OESO

    Daar gaan we weer, dacht ik toen ik, vrij laat vanochtend De Morgen vastpakte. Op de voorpagina: ‘Vlaamse jongeren lezen niet meer’, met een verwijzing naar pagina 6. Op pagina 6 was dat al geworden: ‘Scholen kweken boekenhaters’. Ter vergelijking in De Standaard, zich baserend op hetzelfde onderzoek als dat waar De Morgen uit citeert: ‘Vlaamse jeugd blijft top’. Ook daar wordt, net als in De Morgen, overigens vastgesteld dat Vlaamse vijftienjarigen ‘het minste van allemaal’ zeggen plezier te beleven aan lezen, maar met de relativering dat een dergelijke uitkomst te maken kan hebben ‘met onze neiging om eerlijk te antwoorden in dergelijke enquêtes’. 'Buitenlandse vijftienjarigen liegen er maar wat op los', zo had de kop in de krant dus ook kunnen luiden. De secretaris-generaal van het vrij secundair onderwijs blijkt in De Morgen dan echter weer te weten dat het gebrek aan leesplezier vooral komt doordat er vaak nog boeken van Ward Ruyslinck of Jos Vandeloo op de leeslijsten staan. ‘Niks tegen die auteurs,’ zegt die man vervolgens, maar toch: ‘het is inderdaad niet meer de leefwereld van de gemiddelde tiener’. Wat zou zo'n man afleiden uit het feit dat ongetwijfeld Hitler nog wél ter sprake komt in de lessen geschiedenis?

    En dan, excuseer hè, en het is ook echt deels van de weeromstuit dat ik het zeg, maar: fuck de leefwereld van de tiener. Als het gaat om lezen binnen schoolverband dient uitgegaan te worden van datgene wat leerlingen  geacht worden te lezen wanneer ze volwaardig deel willen uitmaken van zowel de culturele als de nationale geschiedenis van een land. We gaan bij wiskunde ook niet de stelling van Pythagoras onder vuur nemen omdat die niet werkelijk tot de leefwereld van de tiener behoort. Dan weet ik nog wel wat zaken op school die niet tot de leefwereld van de tiener behoren. Ik maak me zelfs sterk dat zowat het meeste wat niet tot de vrijetijdsbesteding van de tiener behoort geen deel uitmaakt van wat hij zijn leefwereld noemt.

    Dat die leefwereld voor een groot deel gestuurd wordt door wat door geld, winstbejag en andere zegeningen van de vrije markt gestuurde marketeers verzinnen, dat weet je alleen als je je geschiedenis kent, als je de alternatieven kent voor ongebreideld consumentisme op nu zowat elk vlak van het maatschappelijk en cultureel leven. Inclusief het onderwijs. De leefwereld van de tiener is een marktgestuurde carrousel die alleen dient om juist elke werkelijk eigen beleving in de kiem te smoren.

    Het onderwijs is bij monde van secretarissen-generaal, bij monde van gedetacheerde zich experts noemende onderwijskundigen en bij monde van altijd aalgladde ministers die zich op de politieke markt eerder met quotes dan met gedegen inhoudelijke beleidsvoornemens staande proberen te houden — dat onderwijs is inmiddels te schijterig geworden om aan te geven wat wél en wat niet tot de basiskennis van een fatsoenlijk burger behoort. Ja, ook ik hoor mezelf het zeggen: ‘fatsoenlijk burger’. Nog niet zo lang geleden bleek het met de burgerzin van ‘onze’ leerlingen in het Vlaams onderwijs volgens alweer een andere, ongetwijfeld ook veel te eerlijk ingevulde enquête, niet al te best gesteld te zijn. Er is blijkbaar geen journalist die enig verband ziet tussen dat doffe gehamer op ‘de leefwereld’ van vijftienjarige pubers, en het flagrante gebrek aan burgerzin bij die gasten. Nu even afgezien van hormonale kwesties die van vijftienjarigen niet per se de meest sociaalvoelende wezens van de wereld maken — het feit dat we ze in het onderwijs ook niet meer… — enfin, het hoge woord moet eruit: niet meer dwingen om dergelijke sociaalvoelende wezens te worden, is toch zorgelijk te noemen.

    En voor de duidelijkheid: het is die vijftienjarigen niet eens aan te rekenen. Wij hebben de wereld uit handen gegeven. Wij, en de generatie voor ons, heeft tradities afgebroken en alles maar dan ook alles afgestemd op onmiddellijke behoeftenbevrediging. Wij hebben de wereld herleid tot een marktplaats waarop we bereid zijn alles te verkopen. En daarmee zijn we volstrekt manipuleerbaar geworden voor een ieder die wat dan ook maar aan de man probeert te brengen, ongeacht het morele of sociale gehalte ervan. Onderwijs, politiek, wetenschappelijk onderzoek — alles is een kwestie van verkoopbaarheid en van de geoorloofde, maar nog vaker ongeoorloofde methodes die er zijn om een en ander verkocht te krijgen.

    Als zo’n enquête iets duidelijk maakt, is het dat we dringend werk moeten maken van serieus literatuuronderwijs, ingebed in al even serieus geschiedenisonderwijs. Dat zal vast de bedoeling van de OESO niet zijn, een organisatie voor, immers: economische samenwerking en ontwikkeling. Maar misschien moeten we ook eens de moed hebben om de vooronderstellingen van die OESO te bevragen voordat we de door haar opgestelde klassementen al te serieus gaan nemen. Laat staan dat we er een show van maken zoals De Morgen vandaag deed.

     

  • Pin it!

    Christensen & beyond

    Het interview met Lars Saabye Christensen in Bozar verliep zoals ik het me alleen maar had kunnen wensen: een rustig gesprek, meer een gesprek dan een interview, met van zijn kant net voldoende onwil om het achterste van zijn tong te laten zien en van mijn kant net voldoende suggesties over de mogelijke betekenis van zijn werk om hem af en toe met een vondst te verrassen. Ik kon me al lezend in Yesterday (vertaling van Beatles (1984) en De walrus (vertaling van Bisettelsen 2008, dat eigenlijk 'begrafenis' betekent) niet aan de indruk onttrekken dat het portret dat hier van Christensens eigen generatie gegeven wordt in bepaalde opzichten behoorlijk kritisch was.

     

    pfile_nl_news114269.jpg

     

    Yesterday is een soort bildungsroman en heeft de rond 1950 geboren, en dus in 1968 al volop politiek bewuste generatie tot onderwerp die we hier gewoonlijk samenvatten onder de noemer 'babyboomers' of 'mei '68'. Wat ik  meteen goed aan dat boek vond, was dat de beschrijving van die generatie niet zozeer het heroïsche verhaal van de mei '68-ers vertelt, niet het 'grote' verhaal van de revolutionaire geest die afrekende met tradities en te hoop liep tegen het kapitalisme. Dat alles ontbreekt hier natuurlijk niet, maar het verhaal speelt in Oslo en gaat over vier tamelijk gewone jongens wier voornaamste verzet bestaat in de weigering hun haar te knippen. Ze staan met andere worden geenszins vooraan in de strijd die naar verluidt die generatie bij uitstek definieerde. In zekere zin gaan al die grote veranderingen grotendeels aan hen voorbij. En toch worden de vier belangrijkste personages — die gek zijn van de Beatles, zichzelf ook John, Paul, George en Ringo noemen (ieder hoofdstuk in de roman heeft de titel van een Beatles-song of -lp) — toch worden de personages diepgaand door hun eigen tijd beïnvloed. Ze ontdekken vooral wat die tijd van verandering en vooruitgang hen ontneemt, zo lijkt het. Ze raken elk voor zich op de dool — de verteller van het verhaal belandt zelfs in een gesticht. Het maakt het verhaal over de vier jongens, over de tijd waarin ze groot werden, op een prachtige, niet expliciete manier melancholisch. Eerder melancholie dan nostalgie inderdaad.

    In De walrus vind je dan al vrij aan het begin de volgende passage:

    Wat ik wilde zeggen, nu er nog plaats is, nu er nog tijd is: wij moeten niet zo oud worden als de ouderen voor ons werden. Wij moeten op een andere manier oud worden. Wij moeten niet zo doodgaan als de mensen vor ons doodgingen. En niemand anders moet ond leven voor ons leven. Dat kunnen we zelf wel. Is dat duidelijk? Alleen wij kunnen ons leven leven. We moeten proberen waardig te zijn. Is dat te veel gevraagd? Snap je wat ik bedoel?

    Dat is natuurlijk een kolfje naar mijn hand — waarmee ik bedoel dat zo'n passage verwijst naar veel dat ik persoonlijk in literatuur en het leven zelf van het grootste belang acht. Dat heeft te maken met die waardigheid. Ik zag ineens een mogelijkheid om deze twee met elkaar samenhangende boeken (er is nog een derde over deze vier jongens, Bly (1990), die wel in het Duits en het Engels, maar nog niet in het Nederlands is vertaald) in verband te brengen met een zoektocht naar menselijke waardigheid in het licht van de algehele onttakeling van de grote verhalen. Om daarna een poging te ondernemen de schrijver te verleiden om in te stemmen met de gedachte dat hij in se eigenlijk altijd een moralist is. Een hedendaagse schrijver beschouwt zichzelf vaak nog steeds als een halve verlosser, als iemand die de mensheid juist bevrijdt van elke morele beperking — en juist een auteur van Christensens leeftijd (°1953) heeft er gewoonlijk erg veel moeite mee zichzelf te zien als iemand die niet alleen maar ontregelt en op het verkeerde been zet. Zo'n vraag leidt tijdens een gesprek dan ook meestal tot interessante, aarzelende momenten.

    De moraal kwam ook nog even ter sprake naar aanleiding van een Deense kortfilm die naar aanleiding van een kort verhaal van Christensen was gemaakt en die nog genomineerd is geweest voor een Oscar, Grisen (het varken, 2009). Daarin wordt een oude man in een ziekenhuis opgenomen, hoort bij monde van een dokter dat hij misschien kanker heeft (misschien) en wordt getroost door een naïef schilderijtje van een varkentje (in Christensens verhaal is het een kindertekening) dat aan de muur tegenover zijn bed hangt. Als hij bijkomt uit zijn narcose blijkt de tekening weggehaald te zijn door de zoon van de patiënt naast hem — een moslim. Uiteraard was mij wel duidelijk dat Christensen in zijn verhaal (en de filmmaakster, Dorte Høgh, in haar film) in deze kwestie geen partij wilde kiezen; verhaal en film zijn echter wel zo opgezet dat je als toeschouwer de neiging hebt dat te doen. Op mijn in die zin wat flauwe vraag welke kant we moesten kiezen, antwoordde Christensen dan ook: 'I choose the side of the pig'.

     

    grisen-patient.jpg

      Tijdens het gesprek bracht Tom Kestens drie Beatles-songs. Dat kun je op heel veel manieren doen, en door de bijna iconische kracht die de uitvoeringen van de Beatles zelf hebben, is het geen sinecure. Maar zie, Kestens vertolkte de drie songs op een dusdanige manier dat je zou zweren dat hij ze zelf geschreven had. Twee songs op een elektrisch pianootje, één op gitaar — buitengewoon aanstekelijk en ontroerend.  

     

    Na het gesprek volgde nog een receptie namens de Noorse ambassade. Voordien had ik al gesproken met de vertaalster van Christensen, Paula Stevens, en dat bleek zowaar een Groningse connectie. Die stad, en daarmee het verleden, duikt nogal op de laatste tijd.

    Daarna was het tijd om gestrekt te gaan, zo bleek. Een keelontsteking. Gezien het feit dat ik nog een lezing had voor te bereiden die, door miscommunicatie, een week vroeger plaats zou vinden dan ik op voorhand had gedacht, kwam dat ongemak niet echt heel goed uit. Met als gevolg dat de lezing die ik voor het Studium Generale van de Hogeschool Gent moest maken — over, toe maar, 'het mensbeeld in de literatuur' — toch wat in het gedrang kwam. Nu maak ik het mezelf bij dit soort opdrachten altijd moeilijker dan nodig is. Ik wil per se wat ik al eerder en elders, in een ander verband heb geformuleerd nog eens helemaal overnieuw denken, begin aan de verkeerde kant, werk tijden door in een totaal verkeerde richting, en bedenk dan een uur of zes voordat ik achter de microfoon moet staan, dat het toch nog weer helemaal anders moet, om dan uit te komen bij een tekst die mij als los zand aan elkaar lijkt te hangen en die bovendien uit louter clichés bestaat. Iedereen verzekert mij nu dat dat geweldig meeviel, maar voor meevallers doe ik het niet. Gelukkig mag ik voor de uiteindelijke publicatie van de lezing in boekvorm de hele tekst nog eens onder handen nemen.

    Uit die lezing kwam wel een aardige kwestie voort, één waarmee ik als vrijwel iedereen die binnen het literaire veld werkzaam is, worstel: in hoeverre moet je je iets gelegen laten liggen aan de eisen van de massamedia op het vlak van de literatuur? Het gewoonlijke, meer heroïsche, en in bepaalde literaire kringen ook politiek correcte antwoord daarop kennen we nu wel: niets. Nog liever in de niche dan onder het juk door van wat de wérkelijke elite van vandaag de dag is: het juk van de media. Maar toch, je kunt niet én tegelijkertijd zeggen dat je literatuur relevant acht voor de samenleving (zoals bijvoorbeeld ik in het verlengde van de engagementsdiscussie steeds heb beweerd) én je afkeren van wat die samenleving voor een heel belangrijk deel definieert (ook al doet ze dat op een niet zelden bedenkelijke manier; kritiek op die manier krijg je juist door de werking van de media binnen die media niet meer geformuleerd). Ascetische elite of verrader van de goede zaak? Het lijkt me iets voor bij een goede fles wijn en een voortreffelijke maaltijd.