• Pin it!

    Ficties


    'Laat de kunstenaars hun werk doen', schreef Luc Rasson gisteren in een opiniestuk in De Standaard. Het stuk was een reactie op een bijdrage van Bernard-Henry Lévy een dag eerder. Die had het over Tarantino's Inglourious Bastards en Martin Scorcese's Shutter Island en stelde dat 'het nazisme nu een nieuw speelterrein aan het worden is voor het vermaak van de stoute jongens van Hollywood'. Het principiële bezwaar tegen beide films is hun blijkbaar ontoelaatbare losheid in de omgang met de historische werkelijkheid — die bij Tarantino (diens film zag ik) misschien wel de kroon spant omdat hij Hitler in een bioscoop laat sterven in plaats van in zijn Berlijnse bunker, zoals (realiseert ook BHL zich) een andere overlevering wil (is bijvoorbeeld Der Untergang van Hirschbiegel wel historisch correct? Volgens weer andere criticasters was Hitler in die film veel 'te menselijk' neergezet…). Maar ook Scorcese maakt er een potje van wanneer hij boven de toegangspoort van Dachau het opschrift 'Arbeit macht frei' zet. Een foutje? Of moedwil? BHL weet het niet. Maar hij weet op basis van beide films in ieder geval voldoende om te stellen:

    'Zoals Berkeley's God, die zijn schepping direct vernieuwt, hebben de filmbonzen van Hollywood besloten dat zij het recht hebben om te bevelen wat echt is en wat niet. Sterker zelfs, het is een vorm van zelfbediening waarbij het ene onderwerp niet meer taboe is dan het andere. Degenen die vinden dat de werkelijkheid voortaan niets anders mag zijn dan een andere vorm van fictie, omdat verhalen de wereld draaiende houden, maken daarbij hun keuze. Kunst komt op de eerste plaats. Niet de nagedachtenis, en nog minder alles wat moreel is.'

    Untergang
    De dood van Hitler in Der Untergang


    Dit lijkt wat al te kort door de bocht. Niet zozeer omdat op de vrijheid van de kunstenaar niets valt af te dingen, zoals Rasson in zijn reactie schrijft, en al evenmin omdat BHL zichzelf hier 'een brevet van morele zuiverheid' zou toekennen, al is dat inderdaad niet zonder problemen natuurlijk. Het is te kort door de bocht omdat hier aan kunst iedere aanspraak op de werkelijkheid wordt ontzegd. Kunst en nagedachtenis worden hier tegenover elkaar geplaatst als twee elkaar volstrekt uitsluitende grootheden, terwijl juist als het op zoiets onvatbaars als de holocaust aankomt, kunst vaak nog de enige mogelijkheid is om te naderen tot wat dat geweest moet zijn. Men moet wat dat aangaat echt Jacq Vogelaars Over kampliteratuur (2006) eens bestuderen.

    Inglorious
    De dood van Hitler in Inglourious Bastards


    Dat uit elkaar spelen van nagedachtenis en kunst, van historische werkelijkheid en literatuur doet in feite ook Rasson wanneer hij zegt dat we kunstenaars hun werk moeten laten doen: spreek ze niet aan op de sociale en morele consequenties van wat ze maken. 'Inglourious Bastards is geen revisionistische film: het is een briljante artistieke fantasie', schrijft hij. Dat laat onverlet dat men aan die fantasie vragen mag stellen. Wat heeft Tarantino precies met déze fantasie willen zeggen, meer specifiek: op welke wijze is zijn film — naast tamelijk hilarisch en bij tijd en wijle op zijn Tarantino's behoorlijk irritant en kinderachtig — ook een bijdrage aan het denken over de Tweede Wereldoorlog en de holocaust? Is het misschien te ver gezocht (het is in ieder geval niet minder controversieel) om in het groepje wraakzuchtige joden dat in deze film op de meest grove wijze een slachting aanricht onder nazi's een verwijzing te zien naar de Mossad en het Israël van na de Tweede Wereldoorlog? Schuift Tarantino (het huidige) Israël en dat wat door dat land zelf niet zelden (om niet te zeggen: te pas en te onpas) wordt gebruikt om haar eigen handelen te rechtvaardigen of om kritiek op dat handelen de mond te snoeren — de holocaust — schuift Tarantino dat hier in elkaar? Er is een link te leggen tussen Inglourious Bastards en Munich van Spielberg, bijvoorbeeld, al werd in die laatste film het geweld en het oudtestamentische principe waarop Israël zich onverminderd blijft beroepen — oog om oog (je zou toch willen dat ook in hun religie die Verlosser eens op aarde kwam) —, uiteindelijk geproblematiseerd en als probleem ook gedramatiseerd in de persoonlijke worsteling van de hoofdpersonen. Daar kun je bij Tarantino lang op wachten, natuurlijk.

    Gesteld dat dit een vruchtbare piste is om te bewandelen: wat zegt Tarantino hier dan over zowel de holocaust als over de joden? Eén mogelijkheid is minstens dat de slachtoffers (de joden) niet voor hun beulen (de nazi's) onderdoen… Dat maakt bij alle ironie en hilariteit (ik zwijg nog over de referenties aan de oude western, met de joden in de rol van scalperende roodhuiden, dus in de rol van wat in dat soort films 'wilden' heetten te zijn) — dat maakt Inglourious Bastards tot een ongemakkelijke film. Níét omdat hij een loopje neemt met de historische werkelijkheid, maar omdat hij die werkelijkheid vanuit een heel ander perspectief benadert en bevraagt.

    De vraag blijft met welk doel. Maar als we kunstenaars hun werk laten doen, is dat misschien nu juist waar het om gaat: dat we ons bewust worden van de manipulaties van de feiten (zonder manipulatie kan een verhaal niet bestaan, noch fictie, noch factie). Ten aanzien van de holocaust moeten we dringend uit onze hengsels gelicht worden, al was het maar omdat mensen als BHL, of eerder al Claude Lanzmann (die om ongeveer dezelfde reden ernstige bezwaren had tegen Spielbergs Schindler's List), de historische werkelijkheid van de holocaust verheffen tot datgene wat het nooit mag worden als we ook maar enigszins gestand willen doen wat we met z'n allen (of toch bijna met z'n allen) bij elke herdenking herhalen: 'nie wieder Auschwitz'. Ze maken van de historische werkelijkheid een boventijdelijk gegeven waartoe de hele mensheid zich alleen op een bepaalde voorgeschreven manier mag verhouden: deemoed, schuldbesef, gehoorzaamheid. Men wordt geen revisionist wanneer men bij dat beeld vragen stelt — en al helemaal geen negationist. In zekere zin haalt men de werkelijkheid van de holocaust (die niet alleen historisch is, maar op zijn minst ook psychologisch) dichterbij door die los te maken van de sacrosancte context waarin hij blijkbaar alleen maar kan en mag verschijnen. En dat alles niet omdat de werkelijkheid niets anders mag zijn dan fictie, maar omdat elke fictie het in zich heeft om werkelijkheid te worden.

  • Pin it!

    Okselhaar


    Naar aanleiding van het voorgaande, schoot me ineens een stukje te binnen dat ik ooit voor De Morgen maakte — enfin… een stukje, zeg maar gerust: een immense lap tekst! Wel 1000 woorden, zomaar in een rubriekje dat wekelijks verscheen in… was het toen al 'Uitgelezen', of nog 'De Morgen Boeken'? Een stukje dat door meerdere schrijvers iedere week werd gevuld. Die rubriek is uit De Morgen allang verdwenen, nadat van de toegestane 1000 er eerst nog 750 en uiteindelijk geloof ik niet meer dan 500 woorden overbleven. Dat aantal is niet alleen te weinig om überhaupt iets zinvols te zeggen, het is zelfs te weinig om gewoon divertissement te brengen. De rubriek (die overigens sinds 1999 steeds volgens een ander thema werd ingevuld) verhuisde naar DSL, en daar mogen er 750 woorden besteed worden aan de relatie tussen actualiteit en literatuur — of: wat heeft Musils Mann ohne Eigenschaften met de staatshervorming van doen?

    Onderstaand stuk verscheen in een reeks die als algemeen opschrift 'Lost' had — een wekelijkse her-denking van wat verdwenen leek: de avant-garde, moeder de vrouw, God natuurlijk, maar dus ook, zo vond ik op een blijkbaar hete augustusdag in 2006, okselhaar:

    m1cyxrrwdnml
    zie ook: Het grote uitstel, p. 60-69, 'Herz'.


    OH OKSELHAAR...!

    In deze voor bleke intellectuelen barre tijden van zon, zee en strand, van op zijn minst gedeeltelijke ontkleding, van badmode of het flagrant ontbreken daarvan, van liederlijk, in serie geschakelde, uitgestrekte lichamen op onbewoonbare stranden aan grandioos door de ernstig vervuilende toeristenindustrie verpeste kusten — kortom: in de zomer kan de vraag ineens opkomen wat er toch in hemelsnaam met het vrouwelijk okselhaar is gebeurd.

    Er is een tijd geweest dat seks ver boven het middenrif begon, en dan doel ik niet eens op de in het oog springende vrouwelijke primaire geslachtskenmerken die afhankelijk van het niveau, het aantal genuttigde glazen en niet in de laatste plaats het gezelschap waarin men zich bevindt ‘tieten’, ‘tetten’, ‘kajoeten’, ‘een bos hout’ (of nog weer anders) danwel uiterst beschaafd ‘borsten’ of zelfs haast ondragelijk poëtisch ‘gemoed’ worden genoemd. Ik heb het dan over die altijd wat meer verborgen blijvende toefjes haar die je soms, bij een bepaalde beweging, in een wat gapende korte mouw van een zomers bloesje kort kon waarnemen, of die brutaalweg in hun okselwarmte zichtbaar werden als armen in alle onschuld werden geheven om iets aan te wijzen, of beter nog: moedwillig in de nek gelegd. Die stugge haartjes verraadden veel over wat men elders aan zou treffen, rond wat een dichter ooit zo fraai ‘het kneedbaar smeltpunt’ heeft genoemd en waar iedere échte vent (intellectueel bleek of hersenloos gebronsd) natuurlijk jacht op maakt. Okselhaar was, kortom, de schaamteloze ontbloting die desalniettemin alles te raden overliet, een verwijzing, voorafschaduwing, voorsmaak en belofte.

    Toegegeven, dit is wel een heel machistische interpretatie van wat zelfs in mijn puberteit door vrouwen veeleer als een opstandig, feministisch wapen tegen juist de hanigheid van de wereld werd ingebracht. Een mondige vrouw herkende je aan haar moedwillige okselhaar, soms ook aan beenhaar en bewust niet geëpileerde wenkbrauwen — en ik beken dat met name bij weelderig beenhaar mijn interesse fel afnam (het oksel- en beenhaar gingen een duivelspact aan dat elke nieuwsgierigheid naar de derde oksel uitsloot). Maar zelfs bij de meest mondige der vrouwen bleef het verzet tegen het scheermes van de mannelijkheid vaak beperkt tot de holte onder de armen, een welbewuste provocatie van een schoonheidsideaal.

    Overigens kan ik me eigenlijk niet zo goed voorstellen dat dit ideaal door mannen bedacht zou zijn. Zoals mannen ook niet hebben bedacht dat het gebruik van deodorant ook voor hen misschien een aanrader zou zijn, laat staan al die reukwatertjes die allang niets meer te maken hebben met hun oorsprong: bijtende en dus ontsmettende aftershave — op zich al een forse stap richting degeneratie, want welke echte vent scheert nu zijn baard af? Als de naakte oksel al ergens mee in verband wordt gebracht, dan is het toch vooral met hygiëne. En dat is over het algemeen gesproken nu niet meteen de sterkste kant van het mannelijk deel van de mensheid.

    In die zin zou juist het scheren van de oksel een daad van ongekend feminisme genoemd kunnen worden, niet alleen omdat het een huidplooi in al zijn geplooidheid aan het volle zicht prijsgeeft — waarmee, zoals bekend, alle mystiek effectief om zeep wordt gebracht — maar bovendien schijnt okselhaar vooral te dienen om het zweet vast te houden, en met dat zweet de feromonen, de geurstof die nu juist maakt dat de man zo snel mogelijk van de oksel wil afdalen naar waar het allemaal om te doen is. Je zou zeggen: de geschoren armholte is het meest effectief als men de man wat op afstand wil houden.

    Maar waarschijnlijk verraadt dit een gebrekkige kijk op het fenomeen van het feminisme zelf, dat wellicht minder tot doel had (en heeft) om mannen af te schrikken dan om de nodige kritische kanttekeningen te plaatsen bij de vrijwel volledig door mannen gedefinieerde cultuur. Een man zal wellicht de naakte oksel niet als schoonheidsideaal hebben bedacht; die oksel zelf valt heel goed te begrijpen als een gevolg van zijn wereldbeeld. Misschien ging het er vooral om een harig obstakel te plaatsen tussen de wereld en het scheermes van de bij uitstek mannelijke verlichtingsidealen van ontmaskering en ontbloting. Zo beschouwd was het okselhaar zoiets als een provocatie van het masculiene zuiverheidsdenken dat vrouwen al eeuwenlang met het odium van ‘onreinheid’ heeft opgezadeld. Een poging de rigoureuze scheiding van lichaam en geest te doorbreken.

    Als dat al zo is dan moet men vaststellen dat dit deel van de strijd toch behoorlijk mislukt is. Op het internet vindt men menig weblog waarop pubers met een mengeling van ongeduld en afschuw de komst van het eerste okselhaar afwachten, en verder wordt er vooral met afkeer over vrouwelijk okselhaar gesproken. En inmiddels niet alleen meer over dat van vrouwen; ook het mannelijk okselhaar staat in toenemende mate in een kwade reuk. Overal wordt kaalslag aanbeden, ook als het gaat om die derde oksel, waarop op weer andere sites hoogstens nog een tot een soort hitlersnorretje getrimd streepje haar valt waar te nemen, maar waar meestal het mes alles heeft verwijderd, daarmee iets ontblotend waarmee, lijkt mij, alleen pedofielen nog uit de voeten kunnen.

    Men moet natuurlijk uitkijken om niet van elke geschoren mens, elke homo rasus, een protofascist met een pornografische blik te maken: één die het in principe oncontroleerbare van zijn eigen lust zelf wil blijven regisseren. Van parfumfles tot Lactacyd femina. Voor velen zal het weinig anders zijn dan het gedachteloos volgen van een modevoorschrift en zal het bijgevolg zo’n vaart niet lopen. Het is ook ver van mij om hier mijn liefde te verklaren aan de apin als had ik een voorkeur voor totale wildgroei. De mens moet geknipt en geschoren — zoveel staat vast.

    De vraag is alleen wanneer er met het verwijderen van welke wilde haren tevens een deel van het menszijn verdwijnt. Of beter: staat de mens mét okselhaar niet voor een ander mensbeeld dan de mens zonder? En zou die mens — die toch wat dichter staat bij de eigenaardigheden van zijn eigen lichaam, lijkt mij — niet ook een andere (zoals altijd is daarmee bedoeld: een betere) wereld in petto hebben? De okselharige vrouw: zou dat niet Goedele Liekens kunnen zijn, zo vraag ik me nu af.
    In: De Morgen, 2-8-2006.


    33383f3a556d205592a16d0b773eeb12


    Wat ik met die laatste vraag precies bedoeld kan hebben, weet ik niet. Ze lijkt me te verwijzen naar de toenmalige actualiteit. Misschien had Goedele Liekens aangekondigd dat ze de wereld ging verbeteren? Nog maar eens? Net als u en ik? Ik blijf dat hoe dan ook van plan, maar ik ben dan ook te weinig metro-, macro-, micro- of retro-seksueel om mijn okselhaar te scheren.

  • Pin it!

    Moeder


    Vandaag was het onderwijzend personeel van de school van E. op een pedagogische studiedag. Ik heb de ochtend dus met mijn dochter doorgebracht, die cornflakes voor mij maakte van papiersnippers, me vroeg een banaan in kleine stukjes te snijden 'en dan op zo'n bordje en met zo'n vorkje', vervolgens buiten wilde spelen en hulp vroeg bij het openen van de zandbak, het opendraaien van het buitenkraantje dat vanwege de vorst was afgesloten en het vinden van haar 'zandbakspul' — of ik wist waar dat was? 'Weet je vader ooit waar iets is?' vroeg ik. Nee, dat was waar, hij weet nooit waar iets is. Ze fronste. 'Misschien in het tuinkot,' probeerde ik. 'Of in het plastic tuinhuisje?' In dat plastic tuinhuisje dus. 'Je mag nu wel weer naar binnen de krant lezen', zei ze.

    Enig algemeen belang heeft dit niet. Dat ik deze ochtend niet aan werken toe kwam, was voor een groot deel vrije keuze. Tussen het in ontvangst nemen van papieren cornflakes, de te verwaarlozen kleine opdrachten van huishoudelijke aard en het diep, diep nadenken over de mogelijke locatie van een emmertje met een schepje, taartvormpjes en een harkje was er in principe tijd genoeg om wat te werken. Nee, niet aan de roman. Dat vraagt een meer aaneengesloten periode van ongestoord bezig zijn. Maar ik had me nog eens kunnen buigen over de 'sneuveltekst' die mijn uitgever me als voorzet voor een catalogustekst toestuurde, ware het niet dat ik ten aanzien van dat soort tekstjes nu eenmaal altijd met de handen in het haar zit. Zo'n tekst moet namelijk gemaakt worden op een moment dat de roman nog verre van af is. Er is weliswaar een vracht aan ideeën en vooral vage gevoelens omtrent hoe een en ander tot zijn eindpunt gebracht moet worden, maar zonder dat dat alles door mij op een heldere, en vooral: aantrekkelijke manier vertaald kan worden in de kretologie die hoort bij dat andere deel van het schrijverschap dat niet zoveel met schrijven, maar bijna alles met verkopen te maken heeft. Er is een abstractieniveau voor nodig dat ik pas weet te bereiken als anderen aan het afgeschreven geheel de eerste betekenissen hebben toegekend. Ah ja, nee, natuurlijk, zo heb ik het bedoeld, dat moet bijna wel.

    Dat klinkt een beetje als wilde ik de mythe van de goddelijke inspiratie nieuw leven inblazen. Onzin natuurlijk. Ik weet wel wat ik doe, maar tegelijkertijd is er een deel dat geen benul heeft van wat het aan het doen is. Om het even mooi 'dichterlijk' te zeggen: ik schrijf, maar in dat schrijven schrijft het schrijven mij. Als het ware. Een catalogustekst vraagt om meer beschouwende kracht dan er tijdens het schrijven aan een roman bij mij voorhanden is. Vraagt afstand, en die heb ik nu nog niet.

    Maar dit alles terzijde. Men zou nog denken dat het bestaan van een schrijver niet over rozen gaat. Terwijl ik het juist over een luxe-aspect van dat bestaan wil hebben. Zo'n pedagogische studiedag op de school van je kind leidt hier ten huize vrijwel nooit tot de elders vaak wel gebruikelijke noodzaak opvang te regelen. Ik ben hier gewoon. Ja, ik vloek wel eens, maar omdat ik werkelijk niet geloof in goddelijke inspiratie heb ik nooit de neiging om een onvoorziene (en al helemaal niet een al aan het begin van het schooljaar ingeroosterde) omstandigheid als een ramp voor mijn schrijverschap of zelfs — ik ken van die gasten — voor De Literatuur In Heur Algemeenheid te beschouwen. Ik lees de kranten van die dag eens een keertje van A tot Z. Ik snijd een banaantje. Ik zwier die dochter van me eens een paar keer boven mijn hoofd rond — nu het nog kan.

    screenshot_80


    In een van die kranten vandaag: Meyrem Almaci en Tinne Van der Straeten, beiden kamerleden voor Groen! en beiden zwanger. Aanleiding voor het interview zijn echter niet zozeer zij, maar de commotie die ontstond rond het feit dat Vlaams minister Freya Van den Bossche maar liefst drie maanden zwangerschapsverlof opnam na de geboorte van haar derde kind (die, zo liet niemand na te vermelden, dan ook nog eens van een andere vader is dan haar andere kinderen — voer voor de riooljournalist). Ze heeft daar wettelijk gesproken recht op, maar toch… een minister tenslotte, een vrouw aan de top derhalve. De suggestie was (nee, het was méér dan enkel suggestie) dat zulks ongepast is. De interviewer van dienst speelt zijn rol van advocaat van de duivel met verve wanneer hij de beide dames van Groen! voorlegt dat voormalig Frans minister van justitie Rachida Dati al vijf dagen na haar bevalling weer aan de slag ging.

    Daarmee wordt al voor de derde keer in een paar dagen het moederschap op de voorgrond geplaatst. Er was eerst (maandag) een interview met de teruggekeerde Freya Van den Bossche, er is vandaag dit interview, en afgelopen weekend stond er in De Standaard een interview met Elisabeth Badinter. Met name dat laatste interview was prikkelend. Het werd afgenomen naar aanleiding van het verschijnen van een nieuw boek van Badinter, Le conflit. La femme et la mère, waarin ze waarschuwt tegen wat zij beschouwt als 'een nieuwe reactionaire wind die vrouwen terug wil hebben waar ze volgens de natuur zouden horen: thuis en zogend'.

    41SJ3bGGlxL._SS500_


    Hoe de analyse in het boek er precies uitziet, kan ik niet zeggen, maar de analyse die Badinter in het interview geeft, is niet overal even overtuigend. Zo hakt ze nogal in op de mode (iets anders kun je het niet noemen) om borstvoeding te prefereren boven flesvoeding, iets wat zelfs door de Wereldgezondheidsorganisatie wordt gepropageerd. Haar verzet hiertegen lijkt veel te maken te hebben met de suggestie dat een vrouw die borstvoeding geeft als het ware geïmmobiliseerd wordt. 'Thuis en zogend', dat betekent hier blijkbaar ook: 'zogend, dus thuis'. Ik kan maar uit een zeer beperkte ervaring putten, maar wat mij een jaar of vijf, zes geleden vooral opviel, was dat flesvoeding veel meer praktische problemen met zich meebracht dan borstvoeding. Zo'n borst, dat is niet alleen een productie-eenheid, zeg maar, maar tegelijk ook de magnetron, het 'Bain Marie' of wat men ook nodig heeft om flessenmelk op te warmen alvorens het aan zijn kind te kunnen presenteren. Niets eenvoudiger dan het openknopen van blouse of, voor mijn part, een tuinbroek om het kind aan te leggen. Geen jonge moeder ambulanter dan de moeder die de borst geeft. Het scheelt zo een flinke tas flesjes, speentjes, poedertjes en ander ongemak. Ik ken niemand die aanstoot neemt aan een vrouw die — en dat gebeurt meestal heel discreet (men moet al flink reikhalzen om iets te zien van wat in onze huidige samenleving, gezien allerlei reclames met gedeeltelijk of geheel ontkleed vrouwelijk schoon, op zich sowieso al niet meer zo verschrikkelijk uitzonderlijk is) — ik ken niemand die aanstoot neemt aan een vrouw die een kind de borst geeft. Maar misschien ligt dat aan mijn kennissen. Ik kan me ineens zomaar voorstellen dat de heren parlementariërs Van den Bossche niet meer serieus zouden nemen als ze iets zou zeggen terwijl ze tegelijkertijd haar kind voedt. Alsof een kind aan je borst je van je verstand berooft.

    Of borstvoeding voor een kind beter is dan flesvoeding? Geen idee. Er wordt daar flink op gestudeerd. Men slaat elkaar geregeld met lijvige rapporten om de oren. Ik noem borstvoeding de huidige mode. De medische wereld hangt van modes aan elkaar. Tegenwoordig heeft ieder slecht opgevoed kind automatisch ADHD — zij die het echt hebben niet te na gesproken — en in de jaren tachtig kon je niet naar de huisarts gaan of je kwam terug met de diagnose dat je leed aan hyperventilatie. Iedereen blies toen bij vrijwel elke gelegenheid in zakjes tot hij blauw zag. In de tijd dat ik werd grootgebracht was borstvoeding uit den boze, geloof ik.

    oyustman-sgrammer-rwillis-woodstock-women-american-icons


    Het lijkt me in ieder geval dat 'de moeders van de jaren zestig' waaraan Badinter in het interview refereert en van wie we een aantal op een foto afgedrukt zien ('Moeders in een bus op weg naar Woodstock', staat erbij) — het lijkt me dat die moeders zonder al te veel omhaal de borst ontblootten als het voedertijd was. Ik zie vrouwen op Woodstock gewoonweg niet met flesjes in de weer, en als er nu één generatie uit het recente verleden genoemd kan worden die 'dicht bij de natuur' pretendeerde te staan, dan is het wel de Woodstockgeneratie uit de jaren zestig.
    Okselhaar.
    Ik zeg maar wat, hè.

    hairy_woman_armpit_photo(1)


    Ik bedoel maar dat er in het interview nogal wat zaken door elkaar gehaald lijken te worden. Dat vrouwen in de jaren zestig zorgelozer zwanger waren, mag waar zijn (per slot van rekening werd er toen ook tamelijk zorgeloos gerookt). Dat die vrouwen een juiste afstand tot hun eigen kinderen bewaarden omdat zelfontplooiing voorop stond, zoals gesuggereerd wordt, vind ik dan alweer wat problematischer. Voor zover de generatie die daarna kwam haar moeders afrekende op het feit dat hun streven naar carrière in de jaren tachtig op niets was uitgelopen, een streven dat maakte dat ze te weinig aandacht voor hun kinderen gehad zouden hebben, kan het kloppen. Maar die zelfontplooiing van Badinter stopte bij die generatie bepaald niet bij enkel de carrière. Als iets de babyboomers typeert dan is het hun grenzeloos narcisme, een volstrekt uit de hand gelopen streven naar individualisme dat op geen enkele manier nog rekening wenste te houden met welke vorm van gemeenschapszin dan ook maar, en dus ook niet met de behoeften van het kind. In het onderwijs heeft dat bijvoorbeeld geleid tot het loslaten van het kind uit naam van een zelfontplooiing die in het meer traditionele onderwijs niet gewaarborgd zou zijn. Terwijl zelfontplooiing gebaat is bij het onderwijzen van de traditie. Er bestaat een prachtige Nederlandse documentaire van een vrouw die vroeger door haar naar zelfontplooiing hunkerende moeder in de Bagwhan-sekte werd getrokken en die nu de rekening graag eens zou willen vereffenen. Of dat narcisme van deze generatie zich openbaarde in het streven naar carrière of zich veeleer openbaarde in een gering verantwoordelijkheidsbesef onder de noemer 'vrijheid blijheid' — daar wil ik vanaf zijn, maar in ieder geval lijkt me wat Badinter aanprijst als verworvenheid van de jaren zestig niet per se een vooruitgang te zijn geweest (maar natuurlijk ook niet per se 'des duivels' o.i.d.).

    Ik zie ook het verband niet tussen het streven van ecologisten en de reactionaire wind die moeders weer aan de haard en de keuken wil hebben. 'Ons wordt tegenwoordig door iedereen voorgehouden dat we terug moeten naar de natuur, dat we de wetten van de natuur moeten respecteren. Het is bio hier en bio daar', zegt Badinter. Wat me hier een veel groter gevaar lijkt, dat is het populaire gebazel van de evolutionaire psychologie, het 'mannen van Mars vrouwen van Venus'-geneuzel, de semi-wetenschappelijke verhandelingen waarin onze gedragingen worden teruggevoerd op de kleinschedelige Oelieboelies uit de Voortijd die we waren. En daarom mag ik als man, gedekt door deze wetenschap, neuken wie ik wil, om daarna, gedekt door diezelfde wetenschap, bij vrouwlief thuis de door haar bereide maaltijd te nuttigen. Die immens populaire flauwekul — want het zegt even veel over wie we zijn als het feit dat we van de apen afstammen (iets wat van ons ook niet meteen weer voelbloed apen maakt) — is tien keer schadelijker dan een poging om de wegwerpluier aan banden te leggen.

    luier


    Wat niet wil zeggen dat Badinter helemaal geen punt heeft. Het moederschap staat vandaag geweldig onder druk, maar toch vooral omdat emancipatie zich altijd op vrouwen heeft gericht. Ze is altijd als een culturele opdracht aan de vrouw geformuleerd geweest, terwijl het grootste probleem is dat de lasten van het ouderschap nog steeds ongelijk verdeeld zijn. Natuurlijk is er een hele industrie die geld weet te slaan uit het schuldgevoel van vrouwen, die met semi-wetenschappelijk gebazel de aankoop van de kiem- en bacterievrije kinderslaapkamer tot morele deugd verheft. Natuurlijk bestaat er wrijving tussen de wensen van de ecologisten die bezwaren maken tegen de wegwerpluier en de omstandigheid dat men vandaag de dag om nog heel andere dan louter emancipatoire redenen als vrouw maar beter een baan heeft. Maar toch alleen als luiers enkel een vrouwenzaak zijn, als ouderschap een vrouwenzaak is — ik zou bijna zeggen: als moederschap uitsluitend een taak voor vrouwen is ('vaderschap' is immers tot op heden nog niet werkelijk opnieuw gedefinieerd).

    En dan is er nog één bedenking: de wijze waarop ouders zich vandaag de dag op hun kinderen storten, heeft minder te maken met een terugkeer naar de normen en waarden van voorheen, met een reactionaire reflex, dan juist met een zo mogelijk nog extremer consumentisme dan dat waarop het streven naar absolute vrijheid en onafhankelijkheid van Badinter en de haren toch al was uitgelopen. Het kind heeft recht op alles, moet in alles tegemoet gekomen worden, moet op zijn wenken worden bediend en wee de leerkracht die het een onvoldoende durft te geven. In die zin is er van een terugkeer naar de voor Badinter zo duistere tijden van weleer niet eens sprake: haar vrijheids- en onafhankelijkheidsdwang zet zich gewoon voort in een nog extremere vorm waarin het bevredigen van de eigen behoeften via het eigen kind de boventoon voert.

    In die zin wordt het moderne moederschap op dit moment beter verdedigd door jonge vrouwen als Meyrem Almaci, Tinne Van der Straeten en Freya Van den Bossche dan door een relict uit de jaren zestig als Badinter. Nu alleen nog wachten tot de dag aanbreekt dat daarvoor geen paginagrote interviews in de krant meer nodig zijn.