• Pin it!

    De tijd van dromen…


    Sommige zaken worden om de zoveel tijd opnieuw uitgevonden. In De Standaard van afgelopen zaterdag (20-12) lees ik een artikel van Pieter Lesaffer over de erkenning van de Nationalistische Studentenvereniging (NSV) aan de Gentse universiteit, een extreemrechtse groepering die in 1982 haar erkenning verloor na een uit de hand gelopen veldslag tussen linkse en rechtse studenten (bekend als 'the battle of the bottles'). De NSV (niet te verwarren met de Nederlandse Schildpadden Vereniging, Navigators Studenten Vereniging of de Nederlandse Sauna Vereniging), is nu door acht van de in het totaal vijftien studentenverenigingen in het Gentse die daarover gaan, officieel gerehabiliteerd. Dat wil zeggen dat ook de NSV weer aanspraak kan maken op subsidies en gratis gebruik mag maken van de lokalen van de universiteit. 'Die beslissing,' aldus Lesaffer, 'legt enkele trends bloot'.

    ResizedImage9696-9ResizedImage9695-8ResizedImage9696-1ResizedImage9696-2ResizedImage9696-7ResizedImage9696-11


    Wat volgt is een poging om die beslissing symbolisch te maken voor een meer algemene omslag in het denken van studenten. 'De tijd van dromers is voorbij', zo luidt de kop boven het artikel. Alsof wat daarmee wordt bedoeld niet allang voorbij is. Het is al minstens sinds de jaren negentig dat de tijd voor 'dromers' voorbij zou zijn. Toegegeven: dat is in Vlaanderen misschien minder evident dan daarbuiten — ondanks Couplands Generation X (1991 in vertaling verschenen), dat toch in Vlaanderen ook is gelezen en ook hier niet zonder weerklank bleef. Sinds de eerste Zwarte Zondag in 1991 was er op zijn minst de schijn van politiek engagement, niet in de laatste plaats onder studenten. Maar de vraag is of dat engagement meer betrof dan dat ene issue: het Vlaams Blok zelf. Het lijkt niet erg waarschijnlijk dat het protest tegen extreemrechts voortkwam uit een duidelijk ideologisch gemotiveerde afkeer, toch niet bij het overgrote deel van de zichzelf 'fatsoenlijk' noemende burgers en politici voor wie het cordon sanitaire zoiets werd als het vochtige toiletdoekje dat de bruine remsporen wel zou wegwassen uit de democratische onderbroek. Je kunt je zelfs afvragen of dat cordon voor het merendeel van haar supporters niet al een atavisme was: de herinnering aan een vorm van fatsoenlijkheid die ook in de reguliere, apolitiek geworden politiek allang niet meer voorhanden was — de Dutroux-affaire was toen al heel nabij.

    200px-GenerationX


    Op zich zegt het al veel dat diegenen die protesteerden tegen extreemrechts als 'dromers' worden aangeduid. Men moet er niet te veel in lezen, natuurlijk. Maar op zich gaat het hier om een diskwalificatie van mensen die 'de werkelijkheid zoals ze nu eenmaal is' niet wensen te accepteren. Door hen 'dromers' te noemen, schaart men zich al op voorhand aan de zijde van hen 'die wel beter weten'. Ik weet dat, zeker als het om politiek gaat, cynisme de lastigste klip is om te omzeilen, en er is een moment waarop protest tegen de heersende orde 'wereldvreemd' begint te worden, maar dat is nog wat anders dan de huidige situatie, waarin elke kritische kanttekening bij de dominante ideologische vooronderstellingen al op voorhand als iets buiten de orde wordt gepercipieerd — dit vaak door dezelfde lieden die zich beroepen op hun 'fatsoen' en hun 'democratische inborst' als het gaat om de verdediging van het cordon.

    "Elke studentengeneratie heeft zo zijn etiket," schrijft Lesaffer in zijn stuk. "Enkele jaren geleden bedacht marketeer Fons Van Dyck, de directeur van het merkenadviesbureau THINK/BBDO, de huidige generatie met de term 'Nieuwe Pragmatici'". Bon. Nieuwe Pragmatici. Wie waren dan precies de oude? Zoals gezegd: het pragmatisme is al sinds begin jaren negentig het kenmerk van de generaties die toen tot wasdom kwamen — al gaat het hier om een generalisering, en ken ik juist uit die generatie mensen die toch op zijn minst de botsing tussen droom en daad tot inzet van hun dagelijkse praktijk maken — mensen die je nog kunt aanspreken op hun dromerigheid, om het zo eens te zeggen, iets waartegenover ze toch minimaal een slecht geweten hebben als ze het op grond van een zeker pragmatisme verraden.

    Ik bedoel dus eigenlijk: marketeer Fons van Dyck heeft helemaal niets bedacht, maar met een handigheidje een merk gemaakt van wat elders en al eerder — door sociologen die hun werk serieus namen en bijvoorbeeld nadachten over wat een generatie precies constitueert, welke methodologische haken en ogen er zitten aan de definitie van een generatie (ik denk aan Henk Becker, De toekomst van een verloren generatie (1997)) — met meer overleg en meer gezag was gedefinieerd. En daar niet met het oog op de manipuleerbaarheid van een 'Nieuwe Pragmaticus' binnen het groter geheel van een markt die zijn spullen kwijt moet. Het komt op mij bizar over dat Lesaffer bij een spullenboer te rade gaat om een politiek en sociologisch fenomeen te verklaren, en niet bij de mensen die zich daar met meer kennis van zaken en met een totaal andere agenda over hebben gebogen. Al zegt de 'pragmaticus' in mij (die ik afwisselend 'cynisch' en 'realistisch' noem) dat je van een journalist vandaag de dag natuurlijk niet meer kunt verwachten dat hij zich wérkelijk op de hoogte stelt. Lesaffer heeft, zelf pragmaticus, geprobeerd er nog iets van te maken, van die rehabilitatie van de NSV.

    Intussen is nu juist dat het werkelijke probleem: pragmatisme veronderstelt een min of meer afgeronde werkelijkheid waarbinnen het ook daadwerkelijk werkt. Wie pragmatisch is, zet per definitie de tering naar de nering en kan dus onmogelijk kritisch zijn (dan is hij onmiddellijk een 'dromer'). Over de aard van de werkelijkheid waarbinnen iets wel of niet 'werkt', en waarbinnen men zijn handelen precies dáárop afstemt, wordt niet langer nagedacht. Enfin, noem mij gerust een dromer, maar ik blijf zoiets zorgwekkend vinden. In die zin schuilt het gevaar voor de democratie niet in zoiets als de NSV — van oudsher kweekvijver voor het Vlaams Blok / Vlaams Belang — maar in de onverschilligheid waarmee die NSV zonder de minste kanttekeningen in genade wordt aangenomen door de meeste andere studentenverenigingen, die zich daarbij waarschijnlijk op hun democratische gezindheid beroepen. Maar democratie is een georganiseerde vorm van conflict. Op die grond kan men bedenkingen hebben bij het cordon sanitaire, maar nog meer bij de geruisloze acceptatie van de NSV als nog maar eens zomaar een studentenvereniging. Men verwacht op zijn minst een nieuwe battle of the bottles, al mag het dan deze keer zonder echte flessen zijn.

    Een voetnoot dan nog, meer precies: een kanttekening bij de opmerking dat men van een journalist vandaag de dag niet kan verwachten dat hij zich wérkelijk op de hoogte stelt. Dat behoeft enige nuancering vanuit het dagelijks functioneren van een krant enerzijds, en met het oog op nuanceringen van journalisten zelf anderzijds. Wat dat eerste betreft: maar weer een verwijzing naar Davies' Flat Earth News, die stelt dat het simpele feit dat kranten vandaag de dag door eigenaren en aandeelhouders in de eerste plaats worden gezien als een medium om geld te verdienen — en niet als een medium voor nieuwsvoorziening, laat staan als een belangrijke machtsfactor binnen een democratie —, maakt dat journalisten de tijd niet meer hebben en vooral: de tijd niet meer krijgen om hun verhalen te checken, om onderzoek te doen, om zelfs maar de betrokkenen bij een bepaald voorval persoonlijk te spreken. Men vertrouwt in toenemende mate op persbureaus die wérkelijk alles de ether in slingeren en die zich niet verplicht voelen om het waarheidsgehalte van een en ander te onderzoeken. Punt is dat redacteuren en journalisten door tijdsdruk (niet in de laatste plaats veroorzaakt door inkrimping van het personeel) de mogelijkheid niet meer hebben om dergelijk onderzoek te plegen. Dixit Davies, dus.

    kai-mook


    Juist aan dat boek refereert Walter Pauli vandaag in De Morgen in de serie H2009FDPUNTEN. Hij gaat in op de hausse rond 'Kai-Mook' — de babyolifant uit de Antwerpse Zoo, die met deze boreling op dezelfde wijze als de Berlijnse Zoo met de (inmiddels al al te zeer uit de kluiten gewassen) ijsbeerbaby Knut, heeft getracht om meer volk naar de dierentuin te krijgen — en met succes. "Als bij eender welk medium — weze het de redactie van een krant, een tijdschrift, een tv- of radiozender, en niet te vergeten een nieuwssite — lekker nieuws binnenloopt dat eruit ziet als 'an offer you can't refuse' dan kunnen/willen zij dat ook niet meer weigeren', schrijft hij. "En hoe onbenulliger, hoe onschuldiger, hoe vrijblijvender, samengevat: hoe minder problematisch, hoe sneller zo'n nieuwsje Nieuws wordt."

    Het is goed dat Pauli in dit stuk nog eens laat zien hoe ook in zijn eigen krant 'nieuws' tot stand komt. Hier wordt pragmatisme (de tering naar de nering zetten: zoveel personeelsleden, zoveel persberichten, zoveel tijd om zoveel stukjes tot krantenstuk te verwerken) vanzelf cynisme. Toch vraag ik me af of er tussen 'willen' en 'kunnen' hier niet toch nog een verschil ligt. Men hoeft divertissement niet uit de krant te weren, maar men kan, lijkt mij, een en ander toch steeds in het juiste perspectief blijven plaatsen. En daarbij oog houden voor een zekere redactionele lijn (gisterenavond zag ik op de BBC de komiek Russell Howard die ten aanzien van een zekere populaire Britse krant vaststelde dat het op de voorpagina het liefst met naam en toenaam en een goed gelijkende foto pedofielen aan de schandpaal nagelt, maar natuurlijk wel even verderop in de krant de dagelijkse blote dame heeft). Het lijkt me dat Pauli hier zelf een beetje gevangen zit in wat journalistiek vandaag de dag is.

    Misschien dat hij daarom ook een kanttekening maakt bij Davies. Die zou "de rol van de kijker, of structureler, de invloed van de maatschappelijke context op de media" onvoldoende aan bod hebben laten komen in zijn boek. En daarmee zitten we dan plots weer op de lijn van 'wat-het-publiek-nu-eenmaal-wil', en van een haast negentiende eeuwse opvatting van journalistiek als enkel verslaggeving van wat in de werkelijkheid nu eenmaal voorvalt. De keerzijde van de journalistieke controle op bijvoorbeeld het politieke reilen en zeilen in een democratische samenleving is altijd geweest dat het de werkelijkheidsvoorstelling van politici als, inderdaad, maar een voorstelling van de werkelijkheid blootlegde. Journalistiek in — van oorsprong — haar zoektocht naar de waarheid achter de fenomenen heeft op grotere schaal nog dan filosofie, literatuur of kunst dat konden doen, maar wel tegelijkertijd daarmee, laten zien hoezeer iedere waarheid een constructie is die bepaalde doelen dient. In die zin is journalistiek zelf een niet onbelangrijke factor geworden in de bepaling van wat we werkelijkheid noemen. Binnen die constellatie kun je niet aankomen met 'wat-het-publiek-wil'. Het enige wat dat publiek misschien nog wil is leven én sterven voor de camera, eten en neuken, Iemand worden op de plek die nog als enige Aanwezigheid garandeert: de door de media als werkelijkheid voorgestelde ruimte. Dat is een ruimte die men heeft te accepteren wil men het gevoel hebben te bestaan, maar het is tevens een ruimte waarvan men nooit het gevoel heeft dat men die mede heeft bepaald. Kai-Mook is geen nieuws omdat wij dat per se willen, maar omdat de krant en de tv dat beestje aan ons opdringen als nieuws. De hausse was er voor het beestje zelf; de geboorteretoriek die er bij hoorde, kauwde onze reactie al maanden voor. Men had bij die geboorte natuurlijk ook een soort Gaia-vragen kunnen stellen: of dieren in gevangenschap houden wel… eh… menselijk is, en wat we zo'n olifantje aandoen met onze instantvertedering en onze klikkende camera's. Of wat het betekent wanneer we alles zo vermarkten. Maar dat zijn vragen van niet-pragmatische dromers, natuurlijk, en dat zijn meestal vervelende mensen die nooit 's een keer écht genieten.

  • Pin it!

    Muren


    Gisterenavond in Gent geboeid geluisterd naar de lezing die Ger Groot hield in het kader van het studium generale van de Hogeschool Gent. Het was inmiddels de vierde lezing in een reeks over 'muren en andere vrijheden', en Groot had het deze avond over 'onzichtbare muren in de samenleving'.

    Hij begon op een voor mij herkenbare manier met een positiebepaling waarin hij zichzelf definieerde met behulp van de termen 'centrum' en 'periferie' — in zijn geval door zijn proletarische achtergrond te belichten en te plaatsen naast zijn huidige, meer verburgerlijkte bestaan als intellectueel. Hij voegde daar een geografische bepaling aan toe: Geuzenveld tegenover grachtengordel, Nederland tegenover Vlaanderen, of België (hij woont momenteel in Brussel, begreep ik). Herkenbaar was voor mij vooral de manier waarop hij 'centrum' en 'periferie' construeerde om voor zichzelf zo een positie te creëren die het hem mogelijk maakte om afstand te nemen van beide — voorwaarde voor elke meer kritische benadering van de werkelijkheid. Dat Ger Groot cultureel gesproken tot het centrum behoort — er verschijnt geen filosofisch boek meer zonder een inleiding van hem, zo merkte de vriend op met wie ik naar de lezing was gegaan —, het doet aan de legitimiteit van een dergelijke constructie niet zo heel veel af. Die centrumpositie, zo zou je zelfs kunnen zeggen, dankt hij misschien juist aan het zelfbeeld dat hij hier schetste, aan een dialectiek die hij voor zichzelf nodig heeft om te kunnen denken en schrijven zoals hij doet. In die zin klopte het ook dat ik hem tijdens zijn lezing achter de katheder voortdurend op zijn tenen zag staan — alsof de 'arbeidersjongen' die hij van huis uit is voortdurend moest optornen tegen het bastion van kennis en eruditie waarin hij desalniettemin al lang kind aan huis is.

    Misschien verklaart dat ook waarom hij in de discussie achteraf — bij afwezigheid van Stefan Hertmans gemodereerd door Frank Vande Veire, die met die rol (waarschijnlijk vanwege de te korte voorbereidingstijd) de nodige moeite had — af en toe wat kribbig leek te reageren op vragen uit de zaal die de zorgvuldig opgezette constructie van zijn identiteit als spreker leken te ondermijnen. Soms leek het wel of hij zich de geuite kritiek niet kon permitteren omdat hij anders niet meer 'zur Sprache' zou kunnen komen. Ook dat was herkenbaar voor me: ook mijn spreken hangt samen met — zo men wil — de fictie van een identiteit waarin in- en uitwijken een belangrijke rol spelen, waarin ik marge zoek om in het centrum te kunnen spreken. Als iemand me zegt dat ik in feite allang tot dat centrum behoor, of tot 'het middenveld' zoals het tegenwoordig ook wel heet, begin ik vanzelf te zoeken naar bewijzen voor het tegendeel (en die zijn natuurlijk altijd te vinden). Enfin, in feite is die meer marginale positie hetgeen iedereen zoekt die zich min of meer kritisch wil verhouden tot wat in een zekere tijd 'de werkelijkheid' wordt genoemd.

    Eén van de centrale stellingen in Groots lezing was dat de culturele en politieke elite in haar verlangen om alle muren tussen mensen en volkeren uit de weg te ruimen, een nieuwe muur had opgetrokken, dat de politieke correctheid van een zeker multiculturalisme tussen de correct denkende intellectuelen en politici enerzijds en de autochtone bewoners van volkswijken anderzijds een wig heeft gedreven die maakt dat extreem rechts weer een kans kreeg. Die tegenstelling zelf, zo stelde hij mijns inziens terecht, is al een gevolg van een klassenverschil dat door diezelfde elite jarenlang onder het tapijt geschoven is: klassenverschillen zouden binnen de Nederlandse samenleving niet meer hebben bestaan. Er volgde nog een prachtige tirade tegen Nederland: tegen de ontstellende zelfgenoegzaamheid van de Hollander die maar niet begrijpt waarom de rest van de wereld de dingen niet net zo doet als hij, die zichzelf als maatgever beschouwt en meent dat hij zich van de opvattingen en inzichten in de rest van de wereld eigenlijk niet op de hoogte hoeft te stellen — en dat vervolgens ook nauwelijks doet, ondanks zijn zelfverklaarde kosmopolitisme. Enfin, zaken die volstrekt voor de hand liggen voor iedereen die werkelijk ergens de grens overstak — ik bedoel: zonder een caravan volgestouwd met Hollandse etenswaren en zonder de heilige overtuiging dat diepkatholieke mannen en vrouwen op bijvoorbeeld Portugese stranden zichzelf maar eens moeten bevrijden van hun preutsheid en de blote borst der Hollandse vrouwen maar gewoonweg moeten verdragen. (Terzijde: prachtige passage in Theo Maassens programma Zonder pardon waarin hij heeft over het Nederlandse wapen en voorstelt dat de twee leeuwen vervangen zouden worden door kikkers — Nederland is een 'kikkerlandje' immers — en het 'Je maintiendrai' door een nieuwe wapenspreuk: 'Doe effe normaal man!')

    Wel enigszins grappig was om te merken hoe vervolgens Groot zelf nog een klein beetje blijk gaf van Hollandse verwatenheid door in zijn vergelijking tussen Vlaams Blok (Belang) en Fortuyn en Wilders te stellen dat Fortuyn in minder dan een jaar bewerkstelligde waar het Vlaams Blok meer dan twintig jaar over had gedaan: het op de politieke agenda plaatsen van de 'onderbuikgevoelens' van een bevolkingsgroep, een sociale klasse, die jarenlang door de culturele en politieke elites was genegeerd (terwijl het nu juist die klasse was die rechtstreeks te maken kreeg met de gevolgen van het multiculti-denken in hun eigen wijken). Daarmee leek hij even de verworteling van die partij in de Vlaamse Beweging te vergeten, die maakt dat de achtergrond van het Vlaams Belang toch een totaal andere is dan die van destijds LPF en nu PVV, en dat de 'shocktherapie' die Fortuyn voor de Nederlandse verwatenheid was, in Vlaanderen op die manier nooit zal werken. De vergelijking gaat mank. Hij maakte die overigens uit een behoefte om kritische kantekeningen te plaatsen bij het cordon sanitaire. Hij suggereerde dat dat cordon nu juist het voortbestaan van zoiets als het Vlaams Belang had gegarandeerd — en dat lijkt, terzijde, ook de opvatting te zijn van de 'onfatsoenlijke' krachten binnen het huidig VB, Dewinter en Annemans, die koste wat het kost lijken te willen voorkomen dat het VB 'salonfähig' wordt.

    Daarover stelde ik Groot nadien ook nog een vraag, want juist dat 'salonfähig' worden van meer extreme partijen, of die zich nu op oorspronkelijk links (SP in Nederland) of oorspronkelijk rechts (LPF, PVV in Nederland, VB in Vlaanderen) bevinden, leek hem een goede zaak. Ik dacht even aan de analyse van Žižek in verschillende boeken en pamfletten, maar met name aan die in Pleidooi voor intolerantie (1998), waarin hij het specifiek over de apolitiek geworden politiek heeft. Uitgangspunt van de huidige politiek is de complete ontideologisering, de 'politieke neutraliteit van de economie', zoals Žižek dat noemt, en juist extreem rechts, zo stelt hij, lijkt in dat opzicht nog de enige richting die aan wérkelijke politiek doet. In het verlengde daarvan vroeg ik of 'salonfähig' in dit geval niet zou betekenen dat die nu meer extreme partijen zouden toetreden tot dat ge-ontideologiseerde centrum, waardoor de tegenstem die door die partijen vertegenwoordigd wordt, alsnog wordt geneutraliseerd, niet in de laatste plaats in de ogen van hen die een dergelijke stem uitbrengen. Voor Groot telde echter dat de reële problemen van mensen in achterstandswijken gehoord zouden worden in politieke middens, en niet op voorhand als moreel verwerpelijk buiten elke politieke overweging gehouden worden. Dat lukt beter als ze in gematigde vorm ter sprake komen.

    Hier werd de discussie, en de hele kwestie zelf een beetje troebel. Zeker nadat Pieter De Buysser vanuit het publiek nog reageerde met de opmerking dat hij het niet eens was met Groots analyse en dat volgens hem nu juist de onderbuikgevoelens door de reguliere partijen allang op de agenda waren gezet, of liever: waren overgenomen. Hij zei het niet met zoveel woorden, maar de suggestie was dat — hoe begrijpelijk die gevoelens ook zijn bij juist de autochtonen die het meest direct met de instroom van allochtonen geconfronteerd worden — ze toch gewoon te allen tijde moeten worden afgewezen als domweg verkeerd. Ook op dit punt moet je de beschuldigende vinger wijzen naar die elites die zichzelf in cultureel opzicht van een heleboel zaken hebben bevrijd, maar daarmee ook hun gezag hebben prijsgegeven. Moedwillig prijsgegeven zelfs. Want als de elite iets niet wil zijn, is het elitair. Ze hebben zichzelf besmet verklaard. Met, zegt dan weer Theodore Dalrymple (wiens Profeten en charlatans ik ga bespreken voor De Leeswolf), desastreuze gevolgen voor juist de lagere klassen: de oproep om elke vorm van autoriteitsdenken, elke verbinding met de traditie los te laten, heeft vooral in die klassen voor sociale en humanitaire rampen gezorgd. Of Dalrymple niet een conservatisme belijdt dat weer al te simpel bokken en schapen van elkaar scheidt en cultuur op een al te ouderwets 'hoge' wijze invult, staat voor mij nog te bezien — maar ik vermoed het.

    En nu is het eigenlijk zaak dat lezingen als die op dit studium generale de weg vinden naar de kranten, want wat zou ik graag in een zaterdagbijlage zoiets als dat van Groot lezen in plaats van het gezever over ingegroeide teennagels van televisiepersoonlijkheden die het bij tijd en wijle best wel moeilijk hebben. Wat niet wegneemt dat ik juist gisterenavond naast een tv-personality zat, al is het er één van het type '15 minutes of fame': een jongen die ik sinds het door mij met meer dan gemiddelde belangstelling gevolgde programma 'De beste hobbykok van Vlaanderen' ken als Tim. Of hij zijn kookavonturen goed te boven was gekomen, vroeg ik. En dat ik van het VTM-programma meermalen honger had gekregen. Meer dan van zo'n lezing, meende hij. Nou, zei ik, van zo'n lezing krijg je een ander soort honger, wat hij beaamde.

  • Pin it!

    Dienstbaarheid


    Afgelopen vrijdag bij Perdu nóg eens iets gezegd over engagement. Inzet was eigenlijk Gorters Liedjes aan de geest der muziek der nieuwe menschheid, en een geëngageerde lezing daarvan. Die Liedjes behoren, samen met veel ander werk dat in één van de uitgaven van School der poëzie werd opgenomen, tot het socialistische deel van Gorters poëzie, een deel dat door de meeste poëzieliefhebbers het liefst uit dat oeuvre wordt weggelaten. Ook door mij trouwens, al viel het lezen van Liedjes dan toch bepaald weer mee. Niet het concept van die postuum uitgegeven, en in 1981 nog eens door Jacob Groot opnieuw uitgegeven versjes, waarin een socialisme figureert dat me qua beeldspraak nog veel te zwaar leunt op wat het toendertijd ongetwijfeld nodig had: het christendom. Ik stelde in mijn lezing dat ik niet precies wist of men op partijcongressen van de PVDA (of op die van de SP.a hier in Vlaanderen) vandaag de dag nog De Internationale in de vertaling van Henriëtte Roland Holst zong (het zou, in beide gevallen, een gotspe zijn overigens), maar als men het nog doet 'is dat zingen dan meer dan enkel atavisme, een gedachtenloos voor zich uit neuriën van woorden en zinsneden die geen enkele sociaal-democraat vandaag de dag nog op een andere manier serieus neemt dan als pure folklore?' zo vroeg ik me af. 'Ongeveer zoals de woorden van het Wilhelmus — toch uiterst bevreemdend voor wie er even goed naar luistert — samen met de melodie een zekere ontroering teweeg kunnen brengen?'

    Maar uiteindelijk ging mijn lezing minder over Gorter dan nog eens over engagement. Niet de eerste keer. Ook zeker niet de eerste keer in Perdu, zo zag ik bij thuiskomst. Joost Baars wees mij er op dat ik al eerder in Perdu iets over engagement had gezegd, en toen ik eenmaal weer thuis in mijn computer begon te zoeken, vond ik inderdaad een tekst uit februari 2005, één die ik samen met de avond zelf verdrongen moet hebben, zo begrijp ik wanneer ik mijn eigen verslag daarover nog eens teruglees. In die lezing stond niet heel veel anders dan wat ik afgelopen vrijdag beweerde — alweer in Perdu dus. Als er een verschil was, dan zat dat vooral in de toon. Alsof ik meer distantie heb gewonnen in die paar jaar tegenover het onderwerp zelf.

    Enfin, ook op verzoek van Baars (die vond dat zoiets eens in een krant geschreven moest worden — maar dat kunnen we rustig vergeten denk ik), plaats ik de tekst van de lezing van afgelopen vrijdag nog eens hier, minus datgene wat ik over Gorter te berde bracht, die vrijdag veel beter aan bod kwam in de voordrachten van Johan Sonnenschein — die onderzoek doet naar kenteringsmomenten in poëtische oeuvres en uiteraard ook Gorter behandelt — en Ernst van Hemel, die het vooral over Gorter en Badiou had.

    Inmiddels, alweer enige tijd terug, publiceerde Matthijs de Ridder in De Leeswolf, in een apart dossier over media, een pleidooi voor een koel afscheid van de dagbladkritiek. Men kan dat stuk natuurlijk lezen als een directe verwijzing naar het opstarten van zoiets als De Reaktor, en met een beetje kwade wil een oratio pro domo noemen. Met zijn analyse van de huidige toestand kan ik het moeiteloos eens zijn, maar de grote vraag blijft natuurlijk wel of je moet meewerken aan de excommunicatie van literatuur door je terug te trekken uit door 'een lifestyle-ideologie gedreven' massamedia die het oude humanistische literatuurideaal alleen nog gebruiken als 'negentiende eeuws schaamlapje', zoals Marc Kregting het dan ooit weer formuleerde. In diezelfde media hebben we bij monde van internetherauten vaak mogen lezen dat dat internet de toekomst is, een nieuw soort openbaarheid genereert — en het zou vreemd zijn om dat tegen te spreken —, maar voorlopig ligt het zwaartepunt nog steeds bij de traditionele media: bij kranten, bij de radio, bij de tv. Juist de toegankelijkheid van internet maakt dat de waarde van het daar vertoonde altijd nog serieus wordt betwijfeld — en helaas wemelt het er van de sites waarop verongelijktheid, ressentiment en ander minder fraaie zaken de overhand hebben, vooral wanneer het gaat om literatuur en kunst.

    Dat die traditionele media inmiddels wel de hete adem van het internet in hun nek voelen, mag blijken uit de toch wel heel erg felle reactie die Frank Hellemans publiceerde op Knack blogt, waar De Ridder hem op ongeveer dezelfde toonhoogte inmiddels ook van repliek diende. Ik ben het in zoverre met Hellemans eens dat 'we' — een niet onproblematisch woord — de gedrukte media niet meteen links moeten laten liggen (of rechts). Ik heb zoiets als De Reaktor nooit gezien als nog maar eens een reservaat, maar wel degelijk als een bijdrage aan een strijd — want zo moet je het toch zo langzamerhand wel noemen — om literatuur en literatuurkritiek en alles wat daar zoal mee samenhangt, binnen het geheel van onze cultuur overeind te houden. Ik hoop eigenlijk dat cultuurredacties van gedrukte media — die, zoals bekend, zwaar onder druk staan van hoofdredacties en die weer van directies en aandeelhouders om met wat ze brengen vooral geld te verdienen — in de daar geleverde kritiek een vorm van concurrentie zien met wat ze zelf brengen of enkel nog maar kunnen brengen. (Omgekeerd lijkt mij het grootste gevaar voor zoiets als De Reaktor dat ze zich te weinig journalistiek gaat opstellen).

    Dat laatste bedoel ik als al een afzwakking van wat je in de verwijtende sfeer over (laat ik me daar toe beperken) de literatuurkritiek uit de afgelopen twee, twee en een halve decennia kunt zeggen: dat er op grote schaal vaandelvlucht is gepleegd. Literatuurcritici die zelf alle vertrouwen in de werkzaamheid van literatuur opzeggen, moeten niet langer over literatuur schrijven. Dat veel schrijvers zelf het aloude deuntje van hun onafhankelijkheid, hun autonomie zijn blijven zingen op het moment dat die literatuur zelf allang onderdeel was geworden van de massacultuur die hen van harte die onafhankelijk gunde — bij wijze van speeltje, als louter amusement (de vrijheid van de schrijver is op geen enkele manier nog bedreigend voor de bestaande orde omdat ze zichzelf altijd heeft gedefinieerd als het volstrekt omgekeerde van welke dienstbaarheid dan ook maar) — dat veel schrijvers zelf aldus van harte hebben meegewerkt aan hun eigen irrelevantie nu, dient zeker ook vermeld. Het vrijheidsdiscours in de hoogculturele kringen heb ik altijd nogal gewantrouwd. Om nog eens terug te keren naar die lezing in Perdu uit 2005. Die begon zo:

    Laat ik het nu dan eindelijk maar eens toegeven - het moet er toch een keer van komen: ik heb altijd een grondig wantrouwen gevoeld jegens diegenen die de vrijheid, het vrije woord, de vrijheid van meningsuiting en andere aan vrijheid gekoppelde concepten boven alles meenden te moeten stellen. Nee, ik weet het: dat is bepaald niet gepast, zeker niet in deze, naar verluid, barre tijden, waarin het vrije woord een wrede dood gestorven zou zijn op een - uiteraard, waar anders? - een Amsterdams trottoir. Men dient, zeker als intellectueel, bij zoiets onmiddellijk pal te staan voor de vrijheid, misschien zelfs voor ‘the world of freedom’, zoals een hedendaags, groot wereldleider het te pas en vooral te onpas pleegt te formuleren. Zéker als intellectueel, omdat men als intellectueel zeker dient te zijn van de onomstotelijke waarheid en waarde van die vrijheid zelf. Maar ik ben wantrouwig, en altijd geweest ook.

    Vrijheid is in onze westerse samenleving zoiets als een theologisch beginsel geworden, en het is dat des te meer wanneer je de kring van kunst- en andere artiesten als representatief voor die samenleving beschouwt. Vrijheid gaat vandaag de dag als waarheid vooraf aan welke bevrijding dan ook maar; ze is er al, nog voordat er sprake is van dwang; ze ontgrenst, nog voordat duidelijk is waar er eventueel grenzen getrokken worden of zijn. Ze creëert met andere woorden haar eigen dwang: de dwang vrij te zijn.

    Ik zei al: de toon was toen nogal hoog. Maar waar het om gaat, is dat literatuur de gedachte dat ze onafhankelijk zou kunnen zijn van alles dringend moet laten varen als ze zichzelf als relevant voor de samenleving beschouwt. En datzelfde geldt ook voor de literatuurkritiek, die literatuur juist niet als een autonoom verschijnsel moet bespreken, maar als iets wat verantwoording schuldig is aan de rest van de samenleving. Voor mij wordt kritiek pas interessant als ik bijvoorbeeld zo'n stuk lees als dat van Frank Vande Veire destijds — in, ik dacht, het allerlaatste nummer van Nieuw Wereld Tijdschrift (dus dat zal al 2000 zijn geweest). Het ging over het werk van Herman Brusselmans, een en ander in het verlengde van de heisa rond Uitgeverij Guggenheimer destijds. Vande Veire redeneerde het wereldbeeld in de romans van Brusselmans eens door, en kwam toen uit bij allerlei bedenkelijke vooronderstellingen in diens oeuvre. Dat klonk toen tamelijk overtuigend allemaal, al ging het uiteraard niet om de… hoe noemen we dat tegenwoordig?… de diabolisering van Brusselmans; het ging er wel om dat werk uit de onverschilligheid los te weken waarbinnen het hoogstens amusant en weer-een-boekske-van-de-beroemde-schrijver-met-de-lange-haren was. Vande Veire brulde niet op voorhand mee met vooral Hollandse schrijvers die schande riepen over het verbod van de roman, en die dat alleen maar riepen op grond van de gedachte dat een schrijver altijd en overal alles moet mogen en moet kunnen zeggen. Hij liet zien wat er hier wérkelijk op het spel stond.

    UE 1981- met Nanne Tepper.1

    Engagement!
    Marc Reugebrink bedreigt Nanne Tepper in een toneelstuk van Lodewijk de Boer (1981)