• Pin it!

    Feit en fictie


    Waarom staan er op de knip- en plaksites waar de boekhouders van de literatuur nieuwsberichten vergaren toch altijd van die onzinnige leugens? Dat men Chrétien Breukers niet geheel serieus kan nemen, is al langer duidelijk: de man loopt over van ressentiment en roept en tiert als hij maar weer eens compensatie zoekt voor wat me bijna niets anders lijkt te kúnnen zijn dan een minderwaardigheidscomplex dat hem al kwelt sinds minstens De Stoofsteeg en andere gedichten uit 1999. Als ik het me goed herinner, vond hij toen al alle andere dichters die wél bij de zogeheten 'grote uitgeverijen' verschenen uitermate verdacht. Nu was dat in Nijmegen niet ongewoon: zelfverklaarde tegenpool van het Amsterdamse establishment immers, met die altijd wat lastige erfenis van katholicisme en marxisme — enerzijds inderdaad een verademing (denk aan de richting die Parmentier in die jaren insloeg, en aan het literatuurfestival 'De wintertuin' in die jaren), anderzijds soms op het sektarische af. Maar bij Breukers voelde je de nijd van iemand die zelf besloten had dat wel niemand hem de moeite waard zou vinden. Dat leek me toen al wat overdreven, en De stoofsteeg mocht dan — met god weet welke voorgeschiedenis — (uiteindelijk?) niet bij een zogenaamd gerenommeerde uitgeverij verschenen zijn, het verscheen toch maar mooi bij Perdu, al sinds jaar en dag — laten we zeggen: de luis in de pels van de grachtengordel. Dat was bepaald geen schande, en de bundel zelf al evenmin.

    Ieder zijn aberratie, al kun je je toch wat vragen stellen bij Breukers' neiging om zijn klaarblijkelijk eigen tekortkomingen steeds maar te willen compenseren over de rug van anderen. En daarmee bedoel ik nu in eerste instantie die van mezelf. Breukers doet nu al een paar jaar pogingen om op zijn nieuwssite De contrabas mij zoveel als mogelijk te beschadigen. Ik weet niet precies waarom dat zo is. Het schijnt ook niet werkelijk te verhelpen te zijn. Misschien is het omdat ik een paar keer nul op rekest gaf toen hij na een aantal beledigingen aan mijn adres mij emails stuurde met het verzoek om op zijn site te reageren. Meestal antwoordde ik dat me dat de moeite niet waard leek, omdat het om ongecontroleerde, niet op discussie gerichte uithalen ging, van hemzelf of anderen. Misschien omdat hij moeite had met yang en daardoor niet alleen over het blad zelf continu de grootste onwaarheden verkondigde, maar ook de redacteuren persoonlijk meende te moeten viseren. Ik suggereerde hem ooit dat het misschien te maken had met het feit dat hij het blad niet las, en deed hem een abonnement aan de hand. Dat accepteerde hij (al betaalde hij nooit), maar het hielp niet echt tegen de suggestieve, niet op discussie maar op louter beschadigen gerichte uitbarstingen tegen het blad, tegen de redacteuren en tegen mij persoonlijk.

    Zo kon het dan gebeuren dat ik geassocieerd werd met stalinisme en ander fraais — kwalificaties die waarschijnlijk in zijn eigen ogen onverminderd bedoeld waren om 'discussie' uit te lokken, maar die zo totaal niets met mij, mijn rol als redactielid binnen yang, of met dat blad zelf te maken hadden, dat erop reageren tamelijk zinloos was. Ze zijn alleen maar bedenkelijk. Gisteren, al begon dat eerder en elders, mocht ik dan weer iets lezen over De Reactor, de recensiesite die binnenkort haar eerste aflevering zal presenteren:
    De Reactor: een politiek instrument, in handen van communicatiedeskundigen als Dirk van Bastelaere en cultuurbobo's in spe als Marc Reugebrink, bedoeld om de gelden van allerlei fondsen in de juiste portemonnee terecht te laten komen.
    Alweer zou ik hier vanwege het moedwillig snerende toontje nu kunnen zeggen: passons — niet de moeite waard om op in te gaan. Maar het is nu al minstens de tweede keer dat mijn naam in verband met De Reactor wordt genoemd (Dirk Leyman deed dat ook al eens, op zijn site en in De Morgen), en misschien moet ik daarom toch eens uitleggen hoe het wél zit.

    Het idee voor die recensiesite is al een aantal jaren geleden ontstaan, toen een uitgever tegen mij en nog en andere yang-redacteur zei dat het eigenlijk te betreuren was dat er op de yang-site niet een meer weblog-achtig deel was waar meer aandacht werd geschonken aan recent verschenen literatuur. Over die opmerking is vervolgens binnen de yang-redactie gesproken, en naar aanleiding daarvan is het idee voor een recensiesite ontstaan. Die site was van meet af aan bedoeld als een meer klassieke literatuurbijlage, maar dan één waarop je nog wél recensies van duizend woorden of zelfs meer kon vinden. Die site was van meet af aan zeker níét bedoeld als een verlengstuk van yang, dat immers zijn eigen review-rubriek had. Ook stond voor ons vast dat de recensies op die site betaald moesten worden en geschreven dienden te worden door een zo breed mogelijk scala aan recensenten, van wie er velen inmiddels ontevreden waren bij de diverse dag- en weekbladen waarvoor zij schreven — juist vanwege de druk van de commercie, de inkrimping van de ruimte en de onmogelijkheid om nog aan serieuze literaire kritiek te doen. (Het is wat dat aangaat opmerkelijk om vast te stellen dat recensenten vroeger bij een blad als De leeswolf begonnen om vervolgens door te stoten naar de dagbladkritiek, terwijl je nu bij dat blad ziet hoe allerlei recensenten uit de dag- en weekbladkritiek in De leeswolf beginnen te schrijven: een blad waar nog wél ruimte is en dat wat mij betreft hét papieren recensieblad van dit moment is, al heeft het te weinig bekendheid en verspreiding). Het is vanuit die overwegingen dat we besloten een groot aantal recensenten aan te schrijven om het plan voor te leggen. Dat gebeurde in 2007. Het merendeel reageerde positief.

    Daarna lag het project een tijdlang stil en werd pas medio 2008 weer opgepakt, maar niet door mij. Wel namens de redactie van, toen nog yang, en inmiddels ook namens die van DW B, Parmentier, de kringen rond Raster en die rond Nieuwzuid — alweer, zo zag ik in de correspondentie die wel mijn mailbox passeerde (als redactiesecretaris van yang kwam dat vanzelf ook bij mij terecht), met de uitdrukkelijke kanttekening dat de recensiesite niet een verlengstuk van een van deze tijdschriften zou zijn. Er is toen her en der vergaderd, maar hoe een en ander nu precies zijn hudige vorm heeft gekregen, hoe men tot de keuze van de huidige beheerder is gekomen, hoe de redactie van die site precies werkt, hoe het budget is samengesteld — ik heb geen idee. Ik was bij geen vergadering aanwezig, heb me met subsidieaanvragen niet bemoeid en heb me ook niet opgeworpen als woordvoerder of anderszins de indruk gewekt dat ik binnen De Reactor enige rol van betekenis speel. Wel ben ik bezig met een eerste stuk — een recensie over de nieuwe roman van Peter Terrin, mij gevraagd door Jeroen van Rooij.

    Hoe komt Breukers nu precies bij Van Bastelaere? Die heeft er nooit iets mee te maken gehad (zoals hij overigens ook nooit direct betrokken is geweest bij de fusie tussen Nieuwzuid en yang omdat hij als redactielid van dat eerste blad nog maar een heel geringe rol speelde — dit terzijde). Ik schreef net al dat dit een iets andere achtergrond had: Facebook in dit geval. Daar publiceerde Jan Haerynck een interview dat hij met Thomas Claus had (de zoon van…) en dat eerder in De Standaard stond. 'Thomas Claus heeft een uitgever voor zijn eerste boek. Romans zijn geen nieuws voor ze gepubliceerd worden, tenzij het de zoon van Hugo Claus is, die debuteert,' zo opende dat interview, en ik reageerde daar op met de opmerking dat hij nu net zoveel heisa moest gaan maken over schrijvers die geen beroemde vader hebben. In de gedachtewisseling die daarop volgde, liet ook Dirk van Bastelaere van zich horen, waarna Chrétien Breukers, ook op Facebook een man met een heel kort lontje, zijn gebruikelijke plasje kwam doen. Daar heetten Van Bastelaere en ik ineens 'de Goethe en Schiller, of Schiller en Goethe (of Waldorf en Statler) van de Vlaamse literatuur, nu ja, Literatuur, of eigenlijk: Literatur'. Ik neem aan dat Breukers met dat Duitse woord op de hem gebruikelijke subtiele wijze Van Bastelaere en mijzelf tot vertegenwoordigers van de Gestapo of erger wilde maken — ik begrijp anders niet goed wat hij met dat aldus gespelde woord bedoelt. In Vlaanderen spelt met 'literatuur' nog steeds met twee u's en zonder hoofdletter, maar misschien is dat in de Reaalstraat in Utrecht anders. Nog wat verderop in de discussie heetten Van Bastelaere en ik ineens populisten — wat me weer in tegenspraak lijkt met zijn eerdere, lang volgehouden karakterisering van mijn persoon als iemand die in het 'moeilijke', 'stalinistische' yang zat en als enige, maar dan ook beslist enige persoonlijk verantwoordelijk geacht moest worden voor de koers die dat blad voer.

    Ik zou nog wat verder terug kunnen gaan, en nog eens de hysterie rond Hotel New Flandres te binnen kunnen brengen, toen ik het waagde om toch te betwijfelen dat de keuze van de bloemlezers voor enkel de Vlaamse poëzie per se betekende dat ze lid waren geworden van het Vlaams Belang — iets wat toen door de schuimbekkende actoren onmiddellijk werd gelezen als een volledige instemming met (enkel) Van Bastelaere (de rest van de samenstellers deed er blijkbaar niet toe) en met het Vlaams nationalisme. Ook in die kwestie blies Breukers natuurlijk een partijtje mee. Zodat in zijn getroubleerde geest Van Bastelaere en ik twee handen op een buik zijn. Dat dat niet zo is, dat ik grote vraagtekens heb bij veel van Van Bastelaere's standpunten — ja, daarvoor moet je eerst weer eens goed lezen, recensies die ik schreef opzoeken, bijvoorbeeld, en toch ook minstens met iets op de proppen komen waaruit zou blijken dat er tussen ons innige banden bestaan.

    Enfin, dit alles enkel en alleen om wat feiten te plaatsen tegenover de kwaadwilligheid waarmee Breukers suggestieve berichten de wereld in stuurt, die niet alleen hem, maar ook een nieuwssite op het internet onwaardig zijn: leugens, beledigingen, zelfs smaad. Passons.

  • Pin it!

    Engagement op herhaling (bis) (en nog eens)


    Afgelopen weekend verscheen er in Trouw een stuk van publicist Rien Fraanje met de titel 'Weg uit Amsterdam'. Fraanje begint met een verwijzing naar zowel Vaessens' De revanche van de roman als naar het 'Manifest voor riskante literatuur' van Harmens en Pfeijffer om vervolgens nog maar weer eens de beschuldigende vinger te wijzen naar de schrijvers (en dichters) die in hun boeken te veel op zichzelf gericht zouden zijn. Dat weten we nu wel een keer. Maar nieuw is dat Fraanje het aanvult met een geografische verwijzing. Uit de romans die Fraanje als voorbeeld geeft, zou blijken dat 'de culturele elite zich veilig heeft verschanst in de binnenring van het vrijzinnige Amsterdam' om vervolgens te pleiten 'voor literatuur die zich in een andere stad afspeelt dan in de stad waarin ze is geschreven' en ook voor 'een moratorium van tien jaar op literatuur die zich afspeelt in Amsterdam'.

    Als zelfverklaarde 'provincialist' (als dat een woord is) zou me dit deugd moeten doen (zie 'De provinciale staat' in De Groene Amsterdammer, 3-3-1999; in bewerking ook opgenomen in De inwijkeling, p. 19-31). Ik heb zelf al vaak — te vaak naar de mening van hen die er wonen — de grachtengordel met zijn zelfverklaarde kosmopolitisme, zijn navelstaarderij, zijn particularisme en zijn, in feite, internationale isolement als het gaat om de ontwikkelingen die elders van belang worden geacht, ter discussie gesteld. Maar hoewel ik natuurlijk ook wel de raillerende ondertoon in Fraanje's artikel zie, ik heb dat nog nooit in verband gebracht met waar een roman zich zou afspelen. Ik geloof dat hetgeen we wereldliteratuur noemen haar kracht voor een niet gering deel juist ontleent aan het feit dat de auteurs dicht bij huis zijn gebleven. Márquez over New York wil ik niet per se lezen, en Auster over Colombia eigenlijk ook niet. Hugo Claus' Het verdriet van België heb ik al vaak streekliteratuur van de allerbovenste plank genoemd, en daarom in niets gelijkend op wat door de literaire goegemeente, en ook door mij met minder nobele bedoelingen 'streekliteratuur' wordt genoemd. Dat ik dat laatste boek tot de wereldliteratuur reken, heeft juist alles te maken met het streekgebonden karakter ervan — zoals dat dus voor Márquez, Auster, Joyce, Pavese, Flaubert — enfin, voor alle grote schrijvers ook geldt.

    Nu bedoelt Fraanje met Amsterdam nog wel net iets meer dan alleen maar de stad zelf: hij doelt wel degelijk op de daar heersende mentaliteit. Maar als ik dan zie wat zijn voornaamste bezwaren zijn, kan ik alleen maar concluderen dat ze uit precies die zelfde mentaliteit voortkomen. Ik heb hiervoor al eens gezegd dat het me iets te gemakkelijk is om de schrijvers verantwoordelijk te maken voor het feit dat niemand — ook niet binnen de culturele elite die nu zelf de klacht formuleert, en al helemaal niet binnen de literaire elite — bereid is om literatuur als sowieso maatschappelijk relevant te lezen. Engagement — bij Vaessens, bij Harmens en Pfeijffer, bij vrijwel iedereen die de afgelopen decennia heeft gevraagd om wat sinds de jaren tachtig bekend staat als 'meer straatrumoer in de literatuur' — engagement wordt steevast ingevuld op journalistieke wijze. Smokkel een allochtoon in uw proza en gij zult geprezen worden; besteed een alinea of wat aan de milieuproblematiek; heb het, kortom, over 'de' wereld, en wij zullen u bevorderen tot de rangen van hen die wérkelijk relevant en, niet te vergeten (mode- en ordewoord uit de grachtengordel) 'urgent' proza produceren. Dat 'de' wereld hier meestal de wereld is zoals die door de media wordt voorgesteld en dat die voorstelling alleen volgens journalisten zelf 'objectief' is (een woord dat trouwens weer een enorme opgang maakt), weten waarschijnlijk alleen diegenen die ook wel eens literatuur lezen.

    Het punt is dus veeleer dat de roep om meer engagement zoals ze nu opklinkt typisch een beslommering van de in zichzelf verzonken culturele elite is (zoals voorheen — en tegenwoordig hier en daar nog steeds — 'de vermenging van hoge en lage cultuur' naar voren werd geschoven als een ernstige relativering van het elitaire karakter van kunst in het algemeen — terwijl die vermenging in werkelijkheid een fetisj was en is van juist de hoogculturele elite en van enkel hen). Het is een elite die al geruime tijd met zichzelf geen blijf meer weet. Ze is zozeer het roer kwijt dat ze lijdt onder angst voor haar eigen elitisme en aan de lopende band pleidooien houdt voor precies het tegendeel van wat ze voorstaat. Ik ken geen grotere zelfdestructie dan die welke plaats heeft gevonden in de Nederlandse literatuurkritiek na de uitvinding van het zo vrolijk klinkende anything goes — de permissiviteit die zogezegd alle bloemen liet bloeien, behalve natuurlijk de distelachtigen die níét bereid waren om de ideologische dimensie van literatuur op te geven. Die permissiviteit betekende de facto het einde van de literatuurkritiek zoals we die tot dan toe kenden. If anything goes, nothing happens — en dat is gebleken. Als alles geoorloofd is, is kritiek overbodig en wordt elk desalniettemin nog uitgesproken kwaliteitsoordeel gratuit.

    In het langere stuk dat ik over Vaessens' boek maakte (in nY, jrg. 1, nr. 2, p. 300-312) heb ik al gesteld dat de roep om engagement — en het daaraan gekoppelde verwijt van het ontbreken daarvan bij 'onze hedendaagse schrijvers' — nogal ironisch is, omdat ze me bij uitstek 'literair' lijkt te zijn, in de zin van: op enkel het literaire veld gericht. Vaessens, en zeker Harmens en Pfeijffer, reageren met hun oproep geheel vanuit de literatuur — terwijl, zo schreef ik al eerder, volgens mij de oplossing eenvoudiger is: lees literatuur zoals ze door de meeste van 'onze hedendaagse schrijvers', ondanks de verwijten, wel degelijk wordt geschreven: als betrokken op de ons omringende werkelijkheid. Literaire discussies die er toe doen gaan niet over de vraag of gedichten toegankelijk danwel ontoegankelijk moeten zijn (óók Pfeijffer: heraut van moedwillig duister geschrijf ooit; nu scheepstoeter van gevaarlijke helderheid— enfin…), of er wel een voldoende aantal allochtonen in voorkomt, of de Twin Towers er wel in zijn ingestort. Literaire discussies die er toe doen gaan over de werkelijkheid zelf. Literatuur vernieuw je niet door na de toegankelijkheid de duisterheid op te voeren en daarna weer het licht en luchtige, en ook niet door een onderwerpskeuze die nu eens meer, dan weer minder op de politieke actualiteit is gericht zoals die wordt vastgesteld door de media voor wie de verkoopbaarheid van hun items een belangrijk criterium is, maar literatuur vernieuw je door een kijk op de werkelijkheid die anders is — anders dan die van de media, anders dan die van de wetenschap, anders dan die van de literatuur daarvoor, voor mijn part.

    Of we daarvoor 'weg uit Amsterdam' moeten, is niet zo'n heel erg interessante vraag. Een spreidingsbeleid voor uitgeverijen zou misschien zo gek nog niet zijn om de inteeltsfeer die er binnen de grachtengordel hangt eindelijk eens te doorbreken. En misschien moeten de boekenbijlagen in hun huidige vorm gewoon verdwijnen: ze versterken de indruk dat de literatuur een reservaat is dat met de rest van de in de krant besproken zaken niets of weinig te maken heeft. Maar het is allemaal van secundair belang.

    Wat in ieder geval niet moet is: roepen om engagement in de literatuur terwijl men tezelfdertijd weigert de literatuur die er is op een geëngageerde wijze te lezen. Men kan best bezwaar hebben tegen de binnenvettersmentaliteit van sommig Hollands proza, maar wie dat leest als uitdrukking van een visie op de werkelijkheid, maakt bezwaar tegen de werkelijkheidsopvattingen van de auteur — in bijvoorbeeld moreel, sociaal of nog een ander opzicht. Hij zegt niet dat de auteur het niet over 'de werkelijkheid' heeft; daar heeft hij het wel degelijk over. Die binnenvettersmentaliteit heeft misschien wel iets te maken met de onmacht van de politiek, die ons de huidige samenleving als iets noodlottigs voorspiegelt en zo van mensen nog uitsluitend consumensen maakt. Misschien gaat het hier om het solipsisme van de culturele elite zelf, die zichzelf en de wereld zozeer kapot heeft gerelativeerd dat er geen anders-zijn en geen werkelijke ander tegenover het eigen, alles opslorpende ik meer bestaat — en is zo'n binnenvettersboek daardoor juist heel actueel, laat het bijvoorbeeld het gevaarlijke vacuüm zien waarin nu juist populisten als Wilders gemakkelijk tot ontwikkeling komen. De avontuurlijkheid die zo node gemist wordt, is vaak ver te zoeken bij hen die haar zeggen te missen. De werkelijke binnenvetters worden zo degenen die het hardst roepen dat de anderen het zijn. Dat is in Amsterdam zo. En elders.

  • Pin it!

    Was will das Weib


    Feministen zijn 'vrouwonvriendelijke seksisten met een bemoeizuchtige inslag', zo hoorde ik gisterenavond ene Mieke Stellinga in het programma Pauw & Witteman zeggen (zie hieronder). Er moest maar eens afgerekend worden met de valse voorstelling van zaken die feministen al sinds de jaren zeventig van de wensen en verlangens van vrouwen geven. En dus schreef zij het boek De mythe van het glazen plafond. Vrouwen willen namelijk helemaal niet even vaak carrière maken als mannen, willen al evenmin even vaak als mannen de top bereiken, willen, kortom, 'in essentie' helemaal niet hetzelfde leven leiden als mannen, zoals feministen dus al decennialang zouden beweren. Het overheidsbeleid dat sinds de doorbraak van dat feminisme aan positieve discriminatie van vrouwen doet en quota voor vrouwen in de top van bedrijven of in overheidsinstellingen dwingend oplegt, zou dringend afgeschaft moeten worden. Stellinga spreekt van een 'aantasting van de vrijheid' van vrouwen om zelf de keuze te maken.

    Het feminisme is een 'ideologie,' zo stelt Stellinga, 'die vrouwen alleen maar volwaardig ziet als ze zich gedragen als mannen.' Daar kun je toch een paar vette vraagtekens bij zetten, lijkt me. Ik denk niet dat de doelstelling van het feminisme was om van vrouwen manwijven te maken; dat is veeleer de uitleg van de machistische man die destijds plotsklaps geconfronteerd werd met een wat minder gedwee huisvrouwtje. En natuurlijk zitten er in elke beweging die voor de rechten van dit of dat opkomt 'extremisten' — het dieet van sommige militante milieuactivisten lijkt me ook niet goed vol te houden, maar daarmee ben ik nog niet minder overtuigd van de noodzaak van milieubescherming. Zo waren er ook feministen met tuinbroek en behaarde benen. Maar om die nu tot vertegenwoordigster van alle feministische vrouwen te maken.

    Het is opmerkelijk dat Stellinga de interpretatie van de verongelijkte heer des huizes van destijds klakkeloos overneemt. Dat de meeste vrouwen deeltijds werken — en alleen daarom al niet in aanmerking komen voor een positie aan de top, zo stelt ze — lijkt me ook veel minder een vrije keuze dan Stellinga het doet voorkomen. Ze zouden liever willen 'moederen'. Met dat laatste wordt maar weer eens een beroep gedaan op het instinct waarover alleen vrouwen zouden beschikken, wat mij dan weer een grove discriminatie lijkt ten opzichte van de man. (Boven de hele discussie hangt steeds levensgroot de vraag: 'Was will das Weib' — en omdat Stellinga zelf zo'n 'Weib' is, krijgen haar argumenten als vanzelf een zekere overtuigingskracht). Het hele punt is natuurlijk dat dat 'moederen' binnen de huidige inrichting van onze samenleving nog steeds wordt gezien als een zwaktebod. Dat 'moederen' betekent: géén carrière. Dat is geen keus, maar een keurslijf.

    Daarom: als vrouwen de top niet bereiken, en als dat is omdat ze niet zo willen leven als mannen, moet je dan niet veeleer zeggen dat de emancipatie grotendeels is mislukt? Het grote drama van de afgedwongen gelijkheid is dat vrouwen sindsdien zwaarder belast worden dan mannen, en niet zelden klem zitten tussen de eisen van de samenleving — die trouwens ook op financiële gronden van vrouwen vraagt dat ze gaan werken — en de traditionele moederrol die hen evenzeer nog steeds wordt opgedrongen. Ik ken veel moderne vrouwen met een schuldgevoel jegens hun eigen kinderen — wat in veel gevallen gecompenseerd wordt met een toegeeflijkheid die de opvoeding dan weer niet ten goede komt. Ik ken ook moderne mannen met een schuldgevoel jegens hun in gebreke blijven op huishoudelijk en opvoedkundig vlak — wat in veel gevallen nog steeds gecompenseerd wordt met dat eeuwige bosje bloemen.

    Als er al sprake is van een gebrek aan vrijheid voor vrouwen, dan lijkt me die nog steeds het gevolg van de fundamentele ongelijkheid die nu juist door het feminisme werd aangeklaagd en die sindsdien eigenlijk alleen maar is vergroot. Als het feminisme zich nu ergens op zou moeten richten — en met haar ook de overheid die uit goede bedoelingen aan positieve discriminatie doet — dan is het op de emancipatie van de man. De bedoelingen van het feminisme waren immers niet om van vrouwen mannen te maken, zoals Stellinga tamelijk demagogisch stelt, maar om een andere inrichting van de samenleving te bewerkstelligen. Daar is Stellinga in ieder geval niet voor. Ze bepleit een status quo en in zekere zin zelfs regressie en verkoopt het onder de noemer van vrijheid. Het is de vrijheid vrouw te zijn in een mannenwereld en niet, zoals ze toch min of meer beweert: individu in een mensenwereld.


  • Pin it!

    Idealisme


    Wat een rust in de mailbox! Nu het secretariaat van nY zo goed als overgeheveld is naar een nieuwe, ongetwijfeld voortreffelijke, en naar te verwachten valt zelfs betere redactiesecretaris, ben ik ineens verlost van de dertig tot veertig mails die ik dagelijks kreeg. Niet zelden waren dat uitwisselingen tussen redactieleden, die ook niet zelden eenregelig waren, of uit een simpel 'ok' bestonden. Vaak waren het Re:re:re:re:re:-mails, waarvan de inhoud allang niet meer strookte met het onderwerp van de mail, zodat je later de grootste moeite had om die ene opmerking van dat ene redactielid nog terug te vinden. Onder het onderwerp 'Badiou' kon het zomaar over Benno Barnard gaan — en een dergelijke associatie maak je later natuurlijk nooit meer.

    yang.detail


    Werkelijk gemis is er nog niet. De redactie verliet ik al eerder juist omdat ik het gevoel had dat een nieuwe redactie niet gebaat was bij een oudgediende wiens eigen 'project' inmiddels niet meer gelijk liep met wat de nieuwe krachten binnen het tijdschrift wilden. Het leek me niet erg zinvol om dat eigen 'project' steeds maar te willen doordrukken. Ik heb mijn ding kunnen doen in yang, in de jaargangen vanaf 2000, al trad ik zelf pas met ingang van 2002 toe tot de redactie. De zaken die me nu nog steeds bezig houden, kwamen toen in vergaderingen aan de orde en leidden tot boeiende gesprekken en heuse confrontaties. Het mailverkeer bestond in die dagen uit soms ellenlange epistels met vlammende betogen waaraan hele middagen opgingen. (Dat is nu niet anders, maar aan die uitwisseling nam ik al geen deel meer)

    Een van de belangrijkste punten vond ik de discussies over de relevantie van literatuur. Ik zou ook kunnen zeggen: de engagementskwestie. 'Mimesis' heette dat een tijdlang — volstrekt helder voor de een, verbijsterend onduidelijk voor de ander. De gedachte dat literatuur per se 'de werkelijkheid' moest ontregelen, zoals je heel in het algemeen van de klassieke experimentele literatuur kunt zeggen, vond vrijwel iedereen binnen de redactie inmiddels achterhaald. Maar hoe de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid dan gedefinieerd moest worden, was een open vraag. Ik heb me altijd op het standpunt gesteld dat literatuur werkelijkheid produceert, maar ook die uitspraak is niet zonder haken en ogen, en verre van duidelijk. De vraag blijft wélke werkelijkheid, en je weet dat je met het antwoord 'literaire werkelijkheid' weer in het reservaat van de autonomiebelijders wordt geplaatst.

    Want hoe je literatuur weer iets van de glans terug kon geven die ze, althans in de beeldvorming, in vroegere tijden had, toen de maatschappelijke en culturele relevantie van literatuur zoveel groter was dan ze nu nog maar is — ook dat was een van de grote vragen die centraal stonden in de redactievergaderingen. Daarover werd soms bikkelhard gedebatteerd. En het grootste struikelblok daarbij was voor mij vaak de verhouding tussen journalistiek en literatuur. Geheel tegen al mijn overtuigingen in werd de relevantie van literatuur nogal eens afgemeten aan wat vanuit een journalistiek standpunt relevant bevonden wordt, waardoor je inderdaad (in mijn ogen) mislezingen krijgt als: 'Shalimar de Clown van Salman Rushdie is een aanklacht tegen het moslimextremisme'. Of: 'Safran Foers Extremely Loud and Incredibly Close gaat over 9/11' — wat allemaal veel te kort door de bocht is. De journalistiek reduceert literatuur tot wat ze zelf relevant vindt, en negeert literatuur als ze een dergelijke reductie niet kan maken. Daarmee blijft literatuur áls literatuur uiteindelijk irrelevant — in beide gevallen. Slachtoffer van de cirkelredenering waarmee de journalistiek zichzelf op gang houdt (iets is journalistiek interessant omdat de journalistiek het interessant vindt).

    Het leidt tot een gespletenheid bij een schrijver, die — enkele al te pragmatische auteurs daargelaten — natuurlijk nooit het gevoel heeft dat wat hij schrijft niet relevant zou zijn voor de wereld waarin hij leeft. Maar geheel tegen zijn eigen gevoel in, moet hij hopen dat zijn boek gereduceerd kan worden tot iets wat volgens de journalistiek op dat moment pas werkelijk relevant is. Dat is in het geval van Safran Foer (en van Rushdie ook trouwens) gemakkelijk genoeg, omdat zijn boek letterlijk ook over de aanslag op de Twin Towers gaat. Maar dat het boek dat doet op een literaire en juist niet op een journalistieke manier, blijft onderbelicht. Dat dat literaire maakt dat het boek slechts op één niveau over de Twin Towers gaat, maar op andere niveaus over nog heel andere zaken — het dreigt onder te sneeuwen en komt zelfs in de zich toch 'literair' noemende kritiek nauwelijks nog aan de orde.

    Juist vandaag schreef ik een eerste bijdrage voor de voortgezette reeks in De Standaard der Letteren. Die reeks is begonnen onder de vlag van 'de laatste held', en ik schreef over Arthur Ducroo en over Olga — maar nu heeft de redactie besloten dat men toch wil dat de stukken wat 'relevanter' en vooral 'actueler' zijn. Literatuur als lichtbeeld bij de (journalistieke) werkelijkheid, als demonstratiemateriaal bijna. Ik heb dus maar geprobeerd de dreigende sluiting van de Opelfabriek in Antwerpen te relateren aan Ilja Ehrenburgs Het leven der auto's (1929) — wat natuurlijk heel goed kan. Maar ik kon het niet laten om aan het eind, zij het dan toch weer niet ondubbelzinnig, de hoop uit te spreken dat bij een eventuele sluiting het boekje van Ehrenburg uitgedeeld zou worden aan de fabriekspoort, en dat het niet als beschrijving van de feitelijke werkelijkheid zou worden gelezen door de ontslagen arbeiders, maar als een oproep tot algehele opstand. Opstand tegen 'het systeem' dan ook nog. Men begrijpt mijn reserve. Maar in een land dat na een opera tot stand is gekomen, zou het toch mogelijk moeten zijn om na lezing van Ehrenburgs 'factie' brandschattend door Europa te trekken en alle autofabrieken in de as te leggen, te beginnen met die van Opel? In zo'n land zou toch eigenlijk per definitie de werkelijkheid de literatuur moeten volgen, in plaats van altijd maar andersom?