• Pin it!

    Michaël Zeeman (1958-2009)


    'Na de roodbruine warmte van september, / na van october 't zwaar en donker goud, / keren de heldre dagen van november / met ijle geur van brandend turf en hout, / van rijpe appels, rottend loof' — zo moet Michaël Zeeman eind jaren tachtig, of net 1990 (hij werkte voor de Rotterdamse Kunststichting), in café De Unie tijdens een gesprek ooit begonnen zijn met het voordragen van Koos Schuurs lange gedicht 'Novemberland'. Ik weet niet wie er verder nog bij dat gesprek aanwezig waren, maar ik weet nog wel dat ik met stijgende verbazing naar hem zat te luisteren. En met nog meer verbazing naar zijn onverminderde deelname aan dat gesprek, dat tijdens zijn voordracht gewoon werd voortgezet alsof de andere gesprekspartners aan deze poëtische uitbarstingen gewoon waren en er geen acht meer op sloegen, er in ieder geval het zwijgen niet toe deden. Hij onderbrak even het gedicht, sprak iets tegen, voegde iets toe, en hernam vervolgens zijn voordracht. Die was niet eens bedoeld, zo leek het, om te epateren (al was hem dat bepaald niet vreemd), maar leek veeleer iets te zijn wat hij voor zichzelf deed, alsof hij zichzelf nog eens wilde vergewissen van hetgeen hij na de laatste regels, zich licht voorover buigend, tegen mij zei: 'een onderschat dichter, die Schuur.'

    Zeggen dat ik Michaël Zeeman goed heb gekend, gaat veel te ver. Ik kende hem net voordat hij werkelijk de grote meneer werd bij de Volkskrant, waar hij de cultuur ging leiden, of alleen de boeken — enfin waar hij iets chefachtigs ging worden. Hij was een man met een agenda, vond ik altijd. Je zou kunnen zeggen: een verborgen agenda, maar dat maakt hem postuum gewiekster dan hij, althans toen was. Het was evident dat hij iets van je wilde — in mijn geval: hij wilde van mij de poëzierecensent van de Volkskrant maken. Omdat ik zulke fantastische recensies op mijn naam had staan? Ik denk het niet. Omdat de poëtische richting waarmee ik geassocieerd werd hem na aan het hart lag? Al evenmin. Het had veeleer te maken met mijn kanttekeningen bij de 'Maximalen' — van wie een aantal dichters immers een emmer met rotte vis over hem had uitgestort tijdens een poëziefestival in Delft (een poëziefestival, zo realiseerde ik me later, waarvoor ook ik als kersverse poëet was uitgenodigd, maar dat ik links had laten liggen). Onder meer in De Groene Amsterdammer had ik mij, in een open brief aan Joost Zwagerman, tegen dat soort praktijken gekeerd (een open brief die op zich weer een heel andere achtergrond had, waarover later nog wel eens een keer). Kortom: ik was te gebruiken in een of ander strategisch spel dat Zeeman nu eenmaal graag speelde.

    Dat sloot een hartelijke omgang niet uit, en ik vond hem een humoristische man met wie het goed tafelen was. In Groningen at ik ooit met hem in de tuin van een restaurant in de Oosterstraat, en toen we beiden het hoofdgerecht op hadden, wenkte hij de ober en zei: 'Doet u mij dat gerecht nog maar eens een keer'. Dat deed ik hem niet na. Ik zou nu kunnen zeggen: natuurlijk was hij niet te vertrouwen, maar eigenlijk hadden degenen die zich door hem verraden of belazerd voelden dat toch grotendeels aan zichzelf te wijten. Zeeman taxeerde en wie dat niet zag, taxeerde zelf te weinig.

    Of hij werkelijk De Grote Boekendief is geweest in Leeuwarden — waar men jaren na de feiten nog steeds niet over hem uitgepraat raakte —, ik weet het niet, en het kan me niet werkelijk schelen. Minder althans dan de wijze waarop zijn eerste huwelijk aan zijn eind kwam — een onverkwikkelijke geschiedenis. Toen ik destijds een uitnodiging voor dat ergens in april te voltrekken huwelijk kreeg, maar geen mogelijkheid zag erbij te zijn, voelde ik me genoodzaakt een kaartje te sturen waarop ik het in zeker opzicht omineuze citaat van Eliot beantwoordde met een paar regels Chaucer. 'April is the cruellest month, breeding / Lilacs out of the dead land', zo stond er onder meer op het trouwkaartje. 'Whan that Aprille with his shoures soote / The droghte of Marche hath perced to the roote, / And bathed every veyne in swich licour'…, zo moet ik ongeveer hebben teruggeschreven in een poging de wreedheid van april toch wat te verzoeten met die 'shoures soote' ('sweet showers'). (Later zou zijn ook al naar een van de aartsengelen vernoemde broer nog het trouwkaartje ontwerpen voor mijn eerste huwelijk).

    Als pion in zijn schaakspel zal ik voor Zeeman uiteindelijk weinig waarde hebben gehad. De Volkskrant was deels door mijn eigen halsstarrigheid een kort avontuur, en zijn eigen poëzie verviel voor mij met zijn tweede bundel (Verhoudingen) tot woordstapelingen die de eventuele wanhoop erachter eerder potsierlijk maakten, dan werkelijk voelbaar (al is 'voelbaarheid' natuurlijk een erg mager literair criterium). In de eerste bundel, Beeldenstorm, had ik minder last van het archaïsche in zijn poëzie, van het romantisch haken naar wat verloren ging, naar een onmogelijk te vinden 'echtheid' die daar nog de inzet leek van zijn gedichten — iets wat hem, en ook mij, en eigenlijk het merendeel van die generatie met elkaar, en dus ook met de 'Maximalen' verbond. In die zin was hij de verpersoonlijking van de twee polen waartussen die generatie heen en weer bewoog: van een volstrekt nihilistisch cynisme enerzijds en een machteloze pathetiek anderzijds.

    Ik heb geen idee of dat op Zeeman als persoon werkelijk van toepassing is. Ik liep hem hier en daar nog wel eens tegen het enorme lijf, en die ontmoetingen verliepen altijd in een gemoedelijke sfeer. Ik kan me van alles voorstellen bij de grieven die anderen tegen hem hadden. Hij deed tenslotte aan machtspolitiek en schrok voor weinig terug, zo is mijn indruk. Ik lees nu hier en daar dat hij een klein hartje had. Ook dat neem ik zonder meer aan. Het brengt hem niet dichterbij, noch raakt hij daarmee verder verwijderd van wie hij was.

  • Pin it!

    Falen


    gfa_450_x_486_


    Recentelijk was ik in een snikheet theatertje in de marge van de Gentse Feesten aanwezig bij een van de debatten uit een reeks die nu al meer dan twintig jaar tijdens die feesten wordt georganiseerd door Eric Goeman, woordvoerder van Attac Vlaanderen. Op zich een wonderlijk fenomeen voor een volksfeest dat weliswaar naast de 'saucissen' altijd de cultuur hoog in het vaandel voert, maar waarvan natuurlijk vooral de meer kermisachtige kant in het oog springt: drank, muziek en vuurwerk. Dat er tussen de menigte soms iemand rondstapt op stelten, uitgedost in een buitennissig kostuum dat iets lijkt te willen betekenen, doet daar weinig aan af, en zelfs het straattheater geeft aan het geheel niet echt een cultureel aanzien.

    Ik bedoel natuurlijk: een 'hoog-cultureel' aanzien. Sinds de farce met de nieuwe Vlaamse minister van cultuur Joke Schauvliege kan men niet duidelijk genoeg zijn. Cultuur is een uiterst precair begrip. Het lijkt me weinig zin hebben er een minister voor aan te stellen (een apart departement is het natuurlijk al decennialang niet meer, ik geloof zelfs: nergens in Europa, of het moest Frankrijk zijn) als men er alles onder rekent. Het amateurgezelschap uit Evergem dat het toneelstuk opvoerde (een of andere deurenkomedie) dat Schauvliege zich herinnerde als het laatste toneelstuk dat ze gezien had, moet natuurlijk subsidie krijgen, maar de bezigheden van dat gezelschap hebben meer van doen met welzijn dan met cultuur in een toch iets striktere zin.

    Enfin, er is over die kwestie inmiddels meer dan genoeg gezegd. De commentaren uit de 'hoog-culturele' hoek en die van de verdedigers van de culturele nivellering werden beide gekenmerkt door verongelijktheid. Maar natuurlijk zit niemand te wachten op een cultuurminister met een specifieke poëtica. Wel zit iedereen te wachten op een politieke partij die eens iets anders zegt dan enkel dat 'cultuur belangrijk' is, om er vervolgens de sluitpost op de begroting van te maken.

    schauvliege_221564h


    Op zich hangt het ontbreken van een duidelijke (politiek-ideologische) visie op cultuur samen met datgene wat in het debat dat ik bijwoonde op de Gentse Feesten ook centraal had moeten staan, maar opnieuw niet stond: het a-politieke van de huidige politiek. Dat debat, in het tot de nok toe gevulde theatertje 'Minnemeers' aan de Leie, in het centrum van Gent, ging over 'Het falen van links'. Uitgenodigd waren Peter Mertens (voorzitter PVDA+, auteur van Op mensenmaat), Erik De Bruyn (voorzitter SP.A-ROOD, auteur van Rooddruk voor een nieuw socialisme), Francine Mestrum (doctor in de sociale wetenschappen, gespecialiseerd in ontwikkelingsproblematiek, vooral onderzoek naar armoede, ontwikkeling en internationale organisaties, Lector Université Libre de Bruxelles, gastdocent UGent, auteur van o.a. Globalisering en armoede), Felix Rottenberg (oud-voorzitter Nederlandse PVDA, bestuurder, moderator, programma-maker),Eric Corijn, JohnCrombez (lijsttrekker SP.A West-Vlaanderen), An Nelissen (eind jarenzeventig Fakkeltheater; vanaf 1982 het Raamtheater, verder film en tv), en ten slotte nog Daniël Termont, de (SP.A)-burgemeester van Gent. Een nogal groot gezelschap, te groot om werkelijk tot een debat te komen, zo leek me op voorhand, ook al duren de debatten tijdens de Gentse Feesten allemaal gewoon vier uur (aan debatteren en delibereren heeft men hier geen broertje dood). Die vier uur heb ik overigens niet uitgezeten.

    Na twee uur was me duidelijk hoe de meningen waren verdeeld: aan de ene kant diegenen die meenden dat de huidige vooronderstellingen in politiek en economie iets noodlottigs hebben ('dat je het kapitalisme ooit zou kunnen verslaan, kun je gerust vergeten,' zoals Rottenberg het formuleerde) en die zich derhalve (bijvoorbeeld Termont) tot een soort realpolitik bekenden: accenten aanbrengen, in de marge blijven schuiven (bij sommigen heet dat 'vechten') om zo iets van de oorspronkelijke idealen alsnog, al is het maar ten dele, te realiseren. Aan de andere kant de meer ideologisch bevlogen geesten die weer op zoek waren naar een nieuw, toekomstgericht project (De Bruyn, Mertens) — naar datgene wat links (met Blair, met Schreuder, met Kok, met 'paars' in het algemeen) heeft verkwanseld, zo ben ik geneigd te zeggen. Dat het met die twee standpunten op tafel ook na de pauze nog tot een boeiende gedachtenwisseling kon komen, sloot ik niet uit, maar de werkelijke kwestie was daarmee wat mij betreft inmiddels ván tafel.

    Op zich is het opmerkelijk dat er wel debatten worden georganiseerd over 'het falen van links', maar vrijwel nooit over 'het falen van rechts', zelfs niet in deze tijden van door neoliberale overdrijving veroorzaakte economische crisis. Het debat in de Minnemeers was al wat boeiender geweest met de aanwezigheid van ook een paar van huis uit liberale denkers — en dan niet om het over het falen van links te hebben, of zelfs maar over het falen van rechts, maar over het falen van de politiek dat elk spreken over links of rechts overbodig heeft gemaakt.

    511237183BL._SS500_Frank Furedi stelt in Politics of Fear dat links en rechts elkaars thema's overgenomen lijken te hebben. Links zijn staat tegenwoordig veelal in het teken van conservatie — het grootste engagement bestaat uit behoudzucht, terwijl vooruitgang in linkse kringen verdacht wordt gevonden. 'The anti-capitalist and the anti-globalization movements are selfconciously hostile to the ideals that have historically defined the future-oriented left', schrijft Furedi. 'The legacy of the Enlightenment — reason, progress and universalism — are reviled, and change has become decoupled from the idea of progress. (...) In a sense it is possible to go a step further and interpret the current disenchantment with change as representing the cultural mood for historical closure. The closure of the historical mind is one of the principal characteristics of today's cultural left.'

    Omgekeerd, zo stelt Furedi, lijken ter rechterzijde in de culturele sfeer de traditionele conservatieve idealen betreffende traditie, familie, seksualiteit en moraal in het defensief gedrongen te zijn. De triomf van het neo-liberalisme in de economische sfeer ten tijde van Reagan en Thatcher viel samen met de institutionalisering van waarden die traditioneel geassocieerd werden met cultureel links. 'What came to be celebrated was not the "Western idea" but more relativistic virtues such as diversity, multiculturalism and difference,' schrijft Furedi. Al eerder was de Koude Oorlog niet in staat gebleken om rechts te revitaliseren, rechts dat na de Tweede Wereldoorlog vanwege het fascisme in een kwade reuk stond. 'Instead of boosting confidence, the West's triumph in the Cold War merely revealed an abscence of purpose and vision'. Wat de jaren negentig vooral lieten zien, was dat rechts 'could discredit the left but not generate a positive account of itself that could provide a viable alternative. In turn the cultural left was able systematically to discredit many of the traditions and values associated with the right. But it did so not through developing a positive view of the world but through echoing and amplifying the prevailing mood of apathy and cynicism. In particular, it fed off the prevailing sense of confusion and promoted the claim that no ideals could possess universal relevance and that claims to Truth should be held in suspicion'.

    41FWIVZusqL._SS500_Rechts heeft het verleden losgelaten, links weigert de toekomst in de armen te sluiten, met het gevolg dat we 'frozen in the present' zijn. De achterliggende gedachte is dat er voor de huidige wereld geen alternatief is ('There is no alternative' — een beruchte uitspraak van Thatcher) en dat we onszelf zo hebben uitgeleverd aan een als noodlottig ervaren status quo. Terwijl politiek 'is a heroic endeavour, a phenomenon of the public realm, which is a realm of performance, of manoeuvres conducted with bravado and virtuosity. The political embodies a perspective of originary antagonism towards "the world as it is", an endemic dissatisfaction with objective culture and a suspicion towards the realm of signification', zo stelde Bewes het in zijn Cynicism and postmodernity (1997).

    Furedi stelt ook nog dat onze angst voor de toekomst, voor verandering, veel te maken heeft met de neiging 'to read history backwards'. Onze geschiedenis bestaat niet langer uit mythen en andere heldenverhalen, uit de grote daden van onze voorouders — zoals vroeger het geval was — maar uit genocide, holocaust, kortom: uit de verhalen van onschuldige slachtoffers van hen met te veel heroïsche dadendrang. Die verhalen leggen een enorme hypotheek op elke meer toekomstgerichte droom.

    Améry(Geheel terzijde: je zou hierin een aanwijzing kunnen zien dat iemand als Jean Améry (1912-1978) uiteindelijk toch nog, zij het maar zeer ten dele, zijn zin heeft gekregen. Améry was kampslachtoffer en worstelde met het probleem dat de onnoemelijke gruwelen die hem persoonlijk waren aangedaan op de een of andere manier een plaats moesten krijgen binnen een meer algemeen, bovenpersoonlijk cultureel kader: een betekenis die de gruwel als gruwel in stand hield. Historische verklaringen voor de holocaust zeiden hem niets; ze maakten van het gebeuren maar een bedrijfsongeval in de Duitse, en bij uitbreiding: de westerse geschiedenis. De holocaust, zo stelde hij, moest het eigenste negatieve bezit van de westerse cultuur worden — een onmogelijkheid natuurlijk, zo wist ook hij. Hij eiste eigenlijk een omkering van de tijd, genoegdoening van de geschiedenis zelf, die zichzelf ongedaan diende te maken. De culturele betekenis van de holocaust is namelijk de ontkenning van elke cultuur. Onze neiging, of zelfs onze gewoonte 'to read history backwards', waardoor we onszelf een perspectief op de toekomst ontnemen, komt in zeker zin tegemoet aan het verlangen van Améry naar een betekenis van de holocaust, al ligt het voor de hand dat die betekenis uitermate destructief is.)

    Het gaat me er nu niet om Furedi helemaal na te vertellen. Het gaat er maar om dat 'wij' — want de analyse laat zich misschien gemakkelijk maken, daarmee is de remedie nog niet direct voorhanden — in de greep zijn van de angst voor verandering, of we onszelf nu als links of als rechts omschrijven. Ik heb mijzelf al meermalen omschreven als iemand met een neiging tot behoudzucht, een neiging die ik zelf maar moeilijk kon plaatsen gegeven mijn 'klassiek' linkse opvattingen als het gaat om wat er in de wereld zou moeten gebeuren. Ik herinner me ook nog een moeizaam gesprek met Jeroen Theunissen in café 'De spinnekop', waar ik maar relativerende kanttekeningen bleef plaatsen bij J's affirmatie van de westerse waarden als superieur aan die van andere culturen, maar tegelijkertijd het opschrift 'cultuurrelativist' weigerde, omdat gelijkwaardigheid van culturen voor mij de verschillen tussen die culturen, en de daarmee verbonden conflicten, niet uitsloot. Hoofddoekjes zijn hier een slechter voorbeeld dan vrouwenbesnijdenis — iets wat ik volgens mijn waarden op geen enkele manier kan verdedigen, dus ook niet door te verwijzen naar de culturele traditie waarbinnen zoiets 'logisch' voorkomt. (Al vind ik dan weer wel dat dus ook mannenbesnijdenis in principe getuigt van dezelfde barbaarsheid — in principe: er blijft een verschil tussen voorhuid en clitoris natuurlijk (de vergelijking zou die moeten zijn tussen voorhuid en heet dat niet 'monnikskapje'?))

    Toch, er is nood aan nieuwe, boude perspectieven — niet omdat links heeft gefaald, of rechts, maar omdat de politiek in gebreke blijft, is verworden tot geharrewar over technische en administratieve zaken, en tot niet meer in staat is dan het aanbrengen van accenten in een wereld die daarmee onveranderd blijft. En ook omdat wat wij democratie noemen niet kan functioneren zonder duidelijke keuzemogelijkheden — en dan gaat het niet om de keuzes binnen een wereld die nu eenmaal is wat ze is, maar om de mogelijkheid om voor een andere wereld te kiezen. Het is juist die onmogelijkheid die de antipolitiek en de daarmee te associëren partijen voedt — partijen die evenmin een toekomstgericht project in de aanbieding hebben, maar wel beloven alles eens op te ruimen, korte metten te maken met wat er allemaal verkeerd zou zijn. Uit naam waarvan dat gebeurt, wordt zorgvuldig verzwegen en mij lijkt het toch dat enig wantrouwen hier op zijn plaats is, of dan toch ten minste alertheid.

    Dergelijke ronkende woorden veranderen niet meteen iets aan mijn eigen behoudzucht — die diep geworteld is —, maar waar die behoudzucht tegelijkertijd een moreel probleem wordt, moet men misschien over zijn eigen schaduw durven stappen. De vraag of iemand van mijn generatie dat nog kan, stel ik liever niet.