• Pin it!

    Hoofd



    200px-Gross_St_Martin_-_Grablegungsgruppe_-_Maria_(virgin_mary) 200px-Dictation_of_the_Guru_Granth_Saheb 200px-Batz-sur-Mer_Coiffe


    Naar aanleiding van het gedoe in Antwerpen: we moeten het dringend hebben over de verplichte keppeltjes bij de joden, over die pijpenkrullen en die potsierlijke traditionele kledij — allemaal zaken die de emancipatie van de man binnen de orthodox joodse gemeenschap ernstig in de weg staan. (Trouwens: laten we het daar inderdaad eens over hebben: niet over de onderdrukking van de vrouw, maar over de gebrekkige emancipatie van de man — in zowat élke cultuur). Ik zou ook graag de rol van de vrouw binnen het katholicisme nog eens aan een nader onderzoek willen onderwerpen. Überhaupt lijkt het me nodig alle godsdiensten tegen het licht te houden — dus ook het neo-liberalisme dat, sinds men ervan overtuigd is dat er geen alternatief voor is, een metafysische status heeft gekregen. Alain Badiou reageerde al eens op het algemene hoofddoekenverbod in Frankrijk met de redenering dat de westerse vrouw gedwongen is haar eigen seksualiteit uit te venten op straffe van excommunicatie. Moslimvrouwen zijn niet geil genoeg, vinden dus ook Benno Barnard en Geert Van Istendael. Daar valt over te twisten, overigens.

    Dirk Verhofstadt stelde gisteren in De Morgen dat hij voor zijn boek De derde feministische golf wel zes — zés! — moslima's heeft gesproken en op grond daarvan meent hij te kunnen vaststellen dat onderdrukking in de moslimgemeenschap schering en inslag is. Zou die man zich niet beter eens druk kunnen maken over de grove ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in zijn eigen neo-liberale paradijs? Ongelijke lonen, het glazen plafond, de zoveel geringere kansen voor vrouwen überhaupt? Ik wed dat ik gemakkelijk zes — wel zés! — moslima's kan vinden voor wie de hoofddoek een onderdeel is van verleidingskunsten waar wij in het westen nog nooit van gehoord hebben. Om dan natuurlijk vervolgens te stellen dat het een losbandige bende apen is — want zie dat godverdomme eens kinderen fokken zeg!

    Mensen zijn geneigd tot het uniform. Wel eens de alternativo's uit het krakersmilieu bestudeerd? Dat heeft allemaal dreadlocks, minimaal een piercing of drie en ook qua kleding lijken er bepaalde voorschriften te gelden. Ze zetten zich geweldig af tegen de krijtstreepbrigade in onze kantoorgebouwen, maar qua uniform doen ze voor die grijzepakkendragers eigenlijk niet onder. Individualiteit en vrijheid worden in beide middens geheel anders omschreven, misschien zelfs op een tegengestelde manier, maar instemming met de groepsmoraal is bij beide de voorwaarde.

    En de baseballpet? En de jeans en het houthakkersoverhemd? Mode überhaupt? Nee, ik doe daar niet aan mee, welnee. Daarom heb ik zeker al die idiote colberts die ik in de jaren tachtig droeg al tijden geleden de deur uit gedaan (te vroeg natuurlijk; ze zijn al bijna weer 'in', of alweer 'in' geweest, dat kan ook — enfin, ze zouden toch niet meer passen). Ik ben, met al mijn kritiek op het consumentisme en de walgelijk consumentistische houding van de jeugd van tegenwoordig (zelfs studeren is een vorm van shoppen voor die melkmuilen (omdat onze generatie ze niks anders geleerd heeft, maar dat is uiteraard een wat al te lastige kanttekening)), natuurlijk zelf een consumentist zonder weerga. Ik behoor op grond van mijn uiterlijk ook tot een groep en ben me er ook steeds (zij het niet fel) van bewust dat ik mijn garderobe kies op grond van een beeld dat ik van mijzelf heb gevormd, maar dat niet van en uit mijzelf afkomstig is, dat met andere woorden door de omgeving is gedicteerd, door ideeën over sociale klasse zelfs. U ziet mij niet, nooit in joggingbroek, in 'campingsmoking', in een supermarkt, of überhaupt over straat gaan. Ik beschouw dat als een aantasting van mijn menselijke waardigheid, en dus van de menselijke waardigheid tout court (over wat ik daarmee over de dragers van deze mensonterende kledij zeg, denk ik meestal niet na).

    200px-Casol_square_silk_scarf_as_head_scarf 200px-ToUaReG,_Mali_-_jan_2007 200px-EkaterinaII_kokoshnik 200px-Backlight-wedding


    Je kunt zeggen dat dit allemaal iets geheel anders is dan de hoofddoekenkwestie, maar dat vraag ik me af. De dictaten die ons vrije, verlichte, van elke godsdienstwaan verloste westerlingen worden opgelegd zijn veel minder expliciet; ze zijn een meer sluipend gif en het kost ons telkens weer erg veel moeite om achter ons beeld van de vrijheid de dwangmatige vooronderstellingen te zien, de in feite als boventijdelijk beleefde waarheden waarop dat beeld is gebaseerd. Ik ben niet postmodern genoeg, en ook nooit postmodern genoeg geweest, om daaraan de conclusie te verbinden dat alles relatief is en iedereen dus zijn gang maar moet gaan. Ik denk dat wat wij onze waarheid noemen (of wat als waarheid achter onze bevrijde geest werkzaam is) uiteindelijk een historisch en sociaal fenomeen is — dus juist níét iets boventijdelijks, maar iets dat meeglijdt met de tijd, verandert, maar daarom niet minder geldig is, of althans minder aanspraken maakt op een universele geldigheid. Het is de cultuur waarbinnen men wordt geboren, opgevoed, onderwijs krijgt. En 'cultuur' laat zich nog steeds het best omschrijven zoals J. Goudsblom dat ooit deed: als een geheel van opdrachten en mogelijkheden dat in een gegeven tijd voorhanden is. Dat schuift voortdurend, zo weet een ieder met enig historisch besef.

    Maar datzelfde historische besef laat ook zien dat mensen altijd weer geneigd zijn om (vooral) de opdrachten die op een gegeven moment in een cultuur voorhanden zijn, te verabsoluteren — of althans: beleven als een min of meer onwrikbaar gegeven. Er bestaat een delicaat evenwicht tussen de noodzaak tot ontmaskering en de noodzaak tot façade. Maar hoe dat ook zij, het is quasi onmogelijk om buiten de eigen cultuur om te denken — eigenlijk alleen voor zover die cultuur dat zelf als mogelijkheid geeft. Ik twijfel natuurlijk helemaal niet aan de vooronderstellingen van onze vrijheid, hoezeer ik ook tegelijkertijd de nuanceringen zie. En als ik bepaalde problemen in onze samenleving bijvoorbeeld wijt aan een gebrek aan gemeenschapszin (wat ik geneigd ben te doen), is dat bepaald niet een ondubbelzinnig pleidooi voor die gemeenschapszin, of erger nog: een pleidooi voor afschaffing van individuele vrijheden. Ik wil wel die ook door mij verworven 'individuele vrijheid' graag behouden. Ik wil alleen maar niet dat die vrijheid verward wordt met bijvoorbeeld die van Wilders' PVV.

    En zo zijn de kanttekeningen die ik zou willen maken bij de hysterie rond hoofddoekjes niet per se een bewijs voor mijn instemming met het gebruik ervan onder moslims. Ik vind alleen dat je het niet ter discussie kunt stellen als je niet ook de modevoorschriften in andere religies, inclusief die van het zich soeverein wanende neo-liberalisme, aan de kaak stelt (en ik weet natuurlijk heel goed dat als je over keppeltjes en pijpenkrullen begint, iedereen plotseling van mening is dat je daar niks over mag zeggen, want dat is dan meteen antisemitisch weetjewel…). Mijn levensopvatting strookt sowieso niet met die van iemand die de een of andere religie is toegedaan. Zij die over 'gggristus' beginnen, bezorgen me ook altijd de rillingen. De EO jongerendag vervult me met diepe droefheid over zoveel verkeerd gericht enthousiasme, nog even afgezien van mijn overtuiging dat het hier om een marketingtruc van de BV God & Zn gaat. Maar ik begin geen kruistocht tegen kruisbeelden of minaretten, noch tegen hoofddoekjes. Ik zie gewoonweg niet in waarom specifiek dat stukje stof wordt uitgezonderd om een monsterlijk symbool te worden van de onderdrukking van moslimvrouwen, al was het maar omdat er meer dan zes moslima's zeggen dat het voor hen die betekenis helemaal niet heeft, en ook al omdat er veel meer dan zes moslima's zijn die verkiezen de hoofddoek niet te dragen.

    Ik vind wel dat het bij wet verboden moet worden om een legging te dragen. En wie zich in trainingspak vertoont, moet terstond afgevoerd worden naar het dichtstbijzijnde sportcomplex en er verplicht vijf kilometer hardlopen, of er in dat trainingspak nu een bierbuik bolt of niet. Verder heeft een school het recht om hoofdbedekking te verbieden, denk ik, maar dan wel buiten elke religieuze overweging om. Het mag daarbij niet gaan om de symboolfunctie, want nogmaals: in dat geval is het enige schooluniform dat door de beugel kan dat waarbij alle kledij is verwijderd. There's more enterprise in walking naked: het zou de nieuwe slogan kunnen worden van het ministerie van onderwijs.

  • Pin it!

    Nog eens over links


    Afgelopen week nog eens naar Der Baader Meinhof Komplex van Uli Edel gekeken, en nog eens nagedacht over wat Gijsbert Pols daarover te berde bracht in yang 2008.4 (p. 663-670; helaas nog niet online op de, inmiddels oude yang-site). Hij schreef over de film (BMK) zelf:

    Men heeft de film als politieke porno gecategoriseerd, als vrijblijvende en fantasieloze aaneenschakeling van gewelddadige hoogtepunten in de RAF-geschiedenis tussen 1967 en 1977. Die kritiek is terecht: de film heeft nog het meeste weg van een haastig in beelden omgezet chronologisch lijstje met 'belangrijke gebeurtenissen', zoals dat veelal op de laatste pagina's van boeken over de RAF wordt opgenomen. Aangevuld met als om het pornografische karakter nog te onderstrepen, een paar hippietieten op het naaktstrand en een lachwekkend amateuristisch in het verhaal verwerkte seksscène.
    Het is niet alleen de opeenstapeling van hoogtepunten die de film zo obsceen maakt, het is ook de constructie van die hoogtepunten zélf: die kenmerken zich door ‘fel realisme’, gelegitimeerd door een precieus gebruik van historische bronnen, en laten – net als in echte porno – niets aan de verbeelding over: de toeschouwer wordt zorgvuldig buiten het representatieve proces gehouden. En zoals porno parasiteert op seksuele fascinaties, parasiteert
    BMK op fascinatie voor de RAF: beide beloven het ultieme te laten zien, fel realistisch, maar tonen uiteindelijk niets. De toeschouwer blijft afgestompt en leeg achter.

    bmk_hauptplakat_de.klein


    In feite is dit een adequate omschrijving van de film zelf. De film lijdt aan hetzelfde euvel als menige bio-pic die ons belooft het leven van Cash of Piaff te schetsen. Een leven speelt zich niet af door de tijd, maar op bepaalde momenten. Het gaat niet om de opeenvolging van gebeurtenissen, maar om hun hiërarchie. Dat betekent dat BMK op zijn minst een aantal gefilmde gebeurtenissen bevat dat interessant geweest was om uit te diepen. Het zou geleid hebben tot de invulling, de interpretatie van een geschiedenis die nu, als ogenschijnlijk blote opsomming, feitelijker lijkt dan ze in wezen is.

    Dat laatste laat Pols in zijn uitstekende artikel mooi zien wanneer hij het heeft over de prefab-betekenis die de film op deze wijze genereert: die van de RAF als gevolg van een radicalisering die door de gewelddadige reactie van de staat op de studentenbeweging zelf in gang gezet zou zijn (een standpunt dat door het personage dat Bruno Ganz speelt, heel goed wordt vertolkt). Het verhaal van de RAF begint dan met de dood van Benno Ohnesorg als bewijs voor de buitensporige middelen waarmee de staat reageerde, op de buitenparlementaire oppositie inhakte (recentelijk bleek de agent die Ohnesorg doodschoot, Karl-Heinz Kurras, een infiltrant van de Stasi te zijn geweest, maar jarenlang gold hij als het symbool voor westers, kapitalistisch staatsgeweld). Daarop volgt de aanslag op Rudi Dutschke. Het is deze context, stelt Pols, die 'de rest van het verhaal tot reactie' laat worden, of die 'toch ten minste psychologisch aannemelijk [laat] worden dat er binnen de studentenbeweging een groep mensen ontstond die het satt hatten, die gewaltsbereit werden.'



    Een ander verklaringsmodel dat bij Pols (en in de film) de revue passeert, is dat de RAF het gevolg was van de overtuiging dat de kinderen van de nazi's deze keer niet mochten verzaken [bedoeld is: het niet mochten laten afweten (zie commentaar van EdS hieronder)] waar de ouders dat eerder wel hadden gedaan — en dat in een klimaat waarin de nationaal-socialistische geschiedenis in het Duitsland van het Wirtschaftswunder zoveel mogelijk vermeden werd, een klimaat ook waarin de later door de RAF vermoorde Hanns Martin Schleyer als voormalige nazi in het na-oorlogse West-Duitsland één van de machtigste figuren werd. Dat dit verklaringsmodel binnen de film zelf een meer ondergeschikte rol speelt, heeft ook veel te maken met het feit dat de RAF door haar affiliatie met onder meer de PLO zelf in antisemitische wateren terecht kwam (het, stelt Pols, in het verhaal over de RAF vaak weggelaten gijzeldrama op het vliegveld van Entebbe in 1976 — onder meer verwerkt in The Last King of Scotland van Kevin MacDonald — waar een Duitse terrorist uiteindelijk de pasagiers verdeelt in Joden en niet-Joden).

    34073


    Er zijn nog andere verklaringen mogelijk, bijvoorbeeld die welke in de twee kloeke delen Die RAF und der linke Terrorismus (2006) onder redactie van Wolfgang Kraushaar de revue passeren (met name het essay van Sara Hakemi over 'Terrorismus und Avantgarde' is interessant). Maar in Edels film zit er ook nog een element waarover Pols het niet heeft en waarover het ook in de commentaren op de film (of op de RAF in zijn algemeenheid) eigenlijk nooit gaat: bot cynisme. Veel in het optreden van Baader zoals in deze film weergegeven, heeft weinig te maken met de hoge morele doelstellingen en de rechtlijnigheid die vaak aan de RAF gekoppeld worden in een poging het optreden ervan te verklaren, maar veeleer met een volstrekt destructief cynisme waarin het over lijken gaan geen ander doel lijkt te dienen dan de bevrediging van een individuele behoefte om aan alles maling te hebben.

    BMK.seksuelerevolutie

    BMK.neuken en schieten


    Ik heb nogal moeten lachen om de scène waarin de terroristen bij de Palestijnen op trainingskamp zijn, en met name Baader zich gedraagt als een ongezeglijke puber die weigert zich te voegen naar de discipline die de opleiders van hem eisen, die munitie verspilt en die zich vervolgens met de rest van het gezelschap tot verbijstering van de Palestijnen naakt te zonnen legt op het dak van één van de aanwezige gebouwen. In het verlengde van het gebruik van het woord 'begeerte' in Het grote uitstel heb ik al eens gezegd dat socialisme uiteindelijk toch als een vorm van (het verlangen naar) groepsseks gezien moet worden. Baaders opmerking dat de seksuele revolutie en het anti-imperialisme één zijn, of, ter nadere verduidelijking: 'Neuken en schieten zijn gelijk' — komt een aardig eind in die richting.

    BMK.joyriding


    Maar in de film laat het toch ook de volstrekte onverschilligheid van 'de' terroristen zien voor welk hoger doel dan ook. Dat was al eerder duidelijk. Ergens in de film, als Baader en Ensslin voorlopig vrij zijn nadat ze werden veroordeeld voor de brandstichting in een Kaufhaus in Frankfurt, wordt een aantal auto's gestolen en trekt het gezelschap schietend over de snelweg in de buurt van Darmstadt. Iets anders dan joyriding hoef je daar niet in te zien, en het gebruik van wapens heeft er dezelfde gratuitheid als in Pulp Fiction — een film die met revolutionair gedachtegoed weinig heeft uit te staan.

    Het is, zo merk ik steeds, dit cynisme dat me nog het meest interesseert in het linkse terrorisme (dat daarin waarschijnlijk niet verschilt van rechts terrorisme). Misschien is dat omdat de idealen die verdedigd werden zo lang na de feiten niet alleen iets naïefs hebben gekregen, maar door het — hoe noem je dat? — door het 'transhistorische bewustzijn' van diegenen die de geschiedenis nog enigszins kennen, ook al op voorhand vergeefs lijken te zijn. De revolutie eet haar eigen kinderen op. Niemand met enige vorm van historisch bewustzijn begint daar nu nog aan. Tenzij men vergeet. Bewust vergeet. Wat alweer neerkomt op een vorm van cynisme, lijkt me. Wat dan overblijft is eerder psychologisch dan politiek: destructiedrang. De 'idealen' dienen slechts ter maskering, zijn bedoeld voor de buitenwacht. Ze zijn als het ware later bij de al aanwezige nihilistische neiging gezocht om die neiging zelf als iets anders dan puur nihilisme voor te stellen. Kijkend naar BMK, lezend over Baader Meinhof en RAF, nadenkend over het verloren revolutionaire élan van links, vraag ik me serieus af of het in de hoogtijdagen van extreem links verzet al werkelijk anders was. Bij de massa zeker, denk ik. Maar bij de leiders?

  • Pin it!

    Kleine kanttekening bij vaderdag


    vaderdag.klein


    Men kijkt een gegeven paard niet in de paardenmond. En er is ook niets wat ik mijn dochter verwijt. Integendeel. Maar er is iets merkwaardigs aan de hand in de perceptie van opvoeders en -voedsters, kleuterleiders en -leidsters, onderwijzers en onderwijzeressen, en op een dag als vandaag komt dat aan de oppervlakte: moeders zijn lief, vaders stoer. Ik weet het wel: onder bovenstaande, speciaal voor mij en voor niemand anders vervaardigde vleermuis — bedoeld om met een zuignapje aan de binnenkant van het autoraam te bevestigen (wat wij niet zullen doen) — onder die vleermuis staat dus dat er een lieve papa aan boord is. Maar dat is gezien de afbeelding dan ook geen overbodige toevoeging: ik heb toch wat moeite met mijzelf als vleermuis, een afbeelding die eerder associaties oproept met Halloween dan met lieve papa's op 'vaderkesdag'. Hoe brei je zoiets nog recht? Mijn papa is een lieve vleermuis: een tamelijk onaaibaar wezen dat tot de klassieke fauna van griezelfilms behoort. Men voelt zich iets uit de Addam's Family

    512WlbxFqEL._SS500_


    Men moet begrijpen hoe dit tot stand kwam: in de klas ging het over vleermuizen en Batman. Ik werd al anderhalve week bij het ophalen van school onderhouden over het 'radarrrsysteem' van de vleermuis, en dat wij dat niet hadden, zo'n 'radarrr'. En dat ze daarmee hele kleine vliegjes vingen, leerde ik. Muggen zei ik. Dat kon ook, ja. Maar bij ons vliegen die niet, die vleermuizen, zei ze, tamelijk zeker van zichzelf. Toch wel, zei ik. Als jij al in bed ligt, voegde ik toe. Ze had ze anders nog nooit horen schreeuwen. Ik wilde wat zeggen, maar ze ging onmiddellijk door: weet je hoe vleermuizen schreeuwen? Waarna de mond onwaarschijnlijk ver open ging en er achter uit haar keel een iel piepgeluid kwam. Hééél hoog, zei ze, en dat je het bijna niet kon horen, 'zóóó hoog'.

    Het een werd met het ander gecombineerd: nu ze het toch over vleermuizen hadden, daar op school, dan er ook maar iets mee doen voor vaderdag. Ik begrijp dat. Geen kwade wil. Slechts een begin van volstrekt onredelijke verontwaardiging ergens zo rond het middenrif. Iets willen zeggen, maar je natuurlijk niet belachelijk willen maken omdat je weet dat het gekwetste ijdelheid is. Miskenning van uw aaibare kant. Van het jongetje dat in iedere papa hengelt naar aandacht.

    Want er zat ook nog een rijmpje voor papa's bij. In de aanloop naar moederdag oefende ik met haar meermalen het gedichtje dat ze voor haar moeder zou opzeggen als die mooie dag zou aanbreken, en het moet gezegd: ik had het H. niet beter kunnen zeggen, al zou ik haar natuurlijk nooit 'lieve mama' genoemd hebben. Maar in een aangepaste versie uit mijn mond zou het makkelijk als opmaat voor iets meer volwassens hebben kunnen dienen, leek me toch. Men zag haar smelten.

    bobwendytitus


    Maar waar moest ik het weer mee doen? Met iets mannelijks. Melodie: Bob de Bouwer. Tekst: iets met een coole papa die sterk is en lol maakt en: 'coole papa, kunnen wij het maken / coole papa, nou en of'. Maar weer eens gereduceerd tot de traditionele rol: cool, stoer, lol, sterk. En natuurlijk ben ik dat allemaal al heel erg lang. Ik ontkom niet aan die elementen in mijn zelfbeeld, en de onverlaat die van mij een 'sissy' maakt krijgt natuurlijk onmiddellijk te maken met mijn interpretatie van de macho — al steekt die nog wat bleekjes af tegenover het oertype, geloof ik: de mijne praat nog, argumenteert zelfs; dat schijnt een smet op het blazoen te zijn.

    Maar intussen zie ik 's ochtends aan de schoolpoort veel, heel veel vaders met zachte hand hun kinderen door de drukte loodsen. Er worden neuzen geveegd. Er wordt een kraag rechtgetrokken. De allerkleinsten worden getroost met een innigheid die waarschijnlijk van vrouwen is afgekeken, maar die toch ook op zijn minst enig natuurlijk talent in die richting doet vermoeden. Sommige superhelden herschikken zelfs het haar van hun dochters (ik behoor tot de zich beklagende vaders die onthand met haar zijn), en over het algemeen zie ik meer lieve, zorgzame vaders, dan stoere, sterke loltrappers.

    Een groot deel van hen werd vandaag als vleermuis toegezongen op de melodie van Bob de Bouwer. Wel met alle liefde. Dat wel natuurlijk. Ik klaag ook niet. Ik heb alleen mijn bedenkingen. Ik denk bijvoorbeeld dat de emancipatie minder ver gevorderd is dan over het algemeen aangenomen. En dat dat deze keer niet ligt aan het in gebreke blijven van het mannelijk deel van de wereldbevolking, maar aan de onwil van vrouwen om de oermoeder in de man te erkennen. Terwijl dat toch zo moeilijk niet moet zijn. De meeste mannen lijden aan moederbinding; het vaderschap lijkt me zoiets als het fotonegatief van hetzelfde sentiment.

  • Pin it!

    Vaessens: de korte recensie


    Vorige week dan toch nog aardig druk geweest met de correctie op de tweede versie van mijn stuk over Vaessens' Revanche van de roman (bedoeld voor nY), terwijl de eerste versie inmiddels verscheen in De Leeswolf — de 'korte' versie. Op zich is het lang geleden dat ik een recensie van 2000 woorden 'kort' kon noemen. Hoewel ik ook een (slecht onderhouden) recensiesite heb, plaats ik die Leeswolf-versie hier eerst maar eens in zijn geheel — enfin, de versie zoals ik die naar De Leeswolf stuurde, want de eindredacteur wist me te melden dat er in de al wat uitgedunde versie (geef mij 2000 woorden en ik schrijf er natuurlijk 2300) nog hier en daar wat was geschrapt, volgens hem zonder dat het kwaad kon.

    Wees niet literair


    om.vaessens2edruk_300Als Thomas Vaessens met een boek begint, moet je als lezer altijd goed opletten. Vaak begint hij met een mooie tegenstelling die ogenschijnlijk meteen glashelder maakt waar het hem om te doen is. Zelfs wie daarbij al op voorhand wat kanttekeningen zou willen maken, is meestal wel bereid om een bladzijde of wat met de auteur mee te stappen. Maar dat is gevaarlijk, want voor je het weet is wat je
    for the sake of argument dan wel even wilde accepteren, een onomstotelijk feit geworden en kost het naderhand veel moeite om de weg terug te vinden.

    Zo kreeg in zowel
    De verstoorde lezer (2001) als in het samen met Jos Joosten geschreven Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen (2003) de op coherentie en inhoudelijke fixatie gerichte lezer het hard te verduren omdat hij geen weg zou weten met de verstorende, de ‘verontrustende’ teksten van dichters als Lucebert of andere postmoderne auteurs. Hij las verkeerd, daar kwam het eigenlijk op neer. Het kost vervolgens heel wat moeite om in te zien dat het soort verstoring waar Vaessens op uit was alleen maar kan bestaan dankzij nu juist zo’n op coherentie gerichte lezer. Zonder de intentie in een literaire tekst coherentie te vinden, is het beoogde effect van de incoherentie — ‘verontrusting’ — immers nihil. Daarmee, zo moest je tegen de intentie van de auteur in wel concluderen, werd de burgerlijke, fixerende lezer uiteindelijk eigenlijk de voorwaarde voor het ‘verontrustende’ waar het Vaessens (en ook Joosten) om te doen was.

    Vaessens’ inmiddels fel bediscussieerde
    De revanche van de roman begint ook met een flinke stellingname. Literaire connaisseurs zouden ‘sinds het einde van de negentiende eeuw’, ‘steevast’, het standpunt innemen dat ‘”echte” literatuur (…) universeel en eeuwig’ zou zijn: ‘zij ontstijgt altijd de tijd en de plaats van haar ontstaan. Om het in inmiddels wel heel belegen geworden poëticale termen te zeggen: de roman is autonoom en bij voorkeur “zuiver” literair’, schrijft Vaessens. De woordkeus is hier wat ongelukkig, vooral waar ‘autonoom’ en ‘poëticaal’ in één adem worden genoemd (de zogezegd ‘autonome poëtica’ was niet per se uit — in sommige gevallen zelfs: per se niet — op de meer sociologisch bedoelde autonomie waarop Vaessens hier lijkt te doelen). Tegenover het ‘zuiver’ literaire, stelt Vaessens vervolgens, staat dan natuurlijk het ‘onzuivere’: ‘Onzuiver is de roman die zichzelf al te nadrukkelijk verbindt aan het voorbijgaande of de auteur die zich door andere dan literaire motieven laat leiden, bijvoorbeeld door “wat de gemoederen bezighoudt” en door het verlangen daarop in te spelen.’

    Daarmee hebben we in een notedop de tegenstelling die dit hele boek schraagt, inclusief de partijkeuze van de auteur zoals die tussen de regels te lezen valt. Als
    De revanche van de roman iets is, dan is het wel een poging om af te rekenen met lieden die het specifiek literaire van literatuur hoog willen houden. Ze worden afgeschilderd als, op zijn best, van de wereld vervreemde wezens die zijn blijven hangen in een wereldbeeld dat beslist niet meer van vandaag is, door Vaessens het ‘humanistisch modernisme’ genoemd.

    Dat de afkeer van deze houding door het hele boek steeds weer opduikt, wordt eigenlijk pas aan het eind van het boek verklaard. Daar heeft Vaessens het specifiek over de neerlandistiek, die het in haar Hollandse zelfgenoegzaamheid presteerde om alle ontwikkelingen die in het buitenland van belang bleken, decennialang buiten te sluiten. Derrida was aan de academies een dusdanig vies woord, dat geen student het waagde er aan te beginnen. Deconstructivisme werd afgedaan als nieuwlichterij en wie trachtte bij de betreffende fondsen geld los te kloppen voor onderzoek vanuit een postmoderne invalshoek kreeg nul op rekest. De kersverse hoogleraar Vaessens heeft hier met andere woorden iets te bewijzen, is bezig ruimte te maken voor zichzelf en zijn programma, en loopt misschien daardoor wat al te hard van stapel. Pas in 2008 zou er volgens Vaessens in Nederland een eerste studie verschenen zijn waarin literatuur (Multatuli in dit geval) vanuit postmoderne theorievorming bestudeerd werd. Ik ken er toch al één uit 1997: Michel van Nieuwstadts
    De verschrikkingen van het denken, over Menno ter Braak.

    Zoveel strijdlust is natuurlijk sympathiek; de vraag is alleen of deze in se politieke agenda de rest van zijn betoog niet al te zeer beïnvloedt. Ik heb de indruk van wel. De terloopse vermenging van poëticale en sociologische terminologie waarover ik het hierboven al had, zet zich door in de driedeling die Vaessens ons voorschotelt, een driedeling die tegelijkertijd ook een periodisering wil zijn.

    Over dat humanistisch modernisme had ik het al even. Een echte definitie krijgen we niet, maar de volgende omschrijving geeft een goed beeld van wat Vaessens er onder verstaat: ‘literatuur is een bijzondere manier van taalgebruik die dieper reikt dan gewoon taalgebruik. Zij raakt aan het universele en is daarmee boven politiek en zelfs geschiedenis verheven — een “zuiverheid” die door de modernisten als verworven-heid wordt verdedigd’. Zo’n omschrijving begrijp ik onmiddellijk en als hulpconstructie in overzichten is ze te billijken. Maar er schuilt ook iets in van de bekende olifant in de porseleinkast. Was Thomas Mann werkelijk a-politiek? Of Martinus Nijhoff? E. du Perron was het zeker niet, Ter Braak — niettegenstaande zijn
    Politicus zonder partij — al evenmin. Het ‘personalisme’ van de zogeheten Forum-generatie (naar een tijdschrift met die naam dat tussen 1932 en 1935 verscheen) is een voortdurende strijd met juist het in hun ogen al te strikt literaire van literatuur (voor Du Perron was ‘literator’ bijvoorbeeld een scheldwoord). Misschien waren zij dan geen ‘humanistisch modernisten’, ondanks het feit dat de periode waarin het dominant was voor Vaessens doorloopt tot nog enkele decennia na het einde van WO II? Of misschien waren zij niet dominant? Wat bedoelt Vaessens dan precies met dominant?

    Iets daarvan wordt al duidelijk wanneer we naar de tweede tendens kijken die Vaessens onderscheidt, die van het ‘relativistisch postmodernisme’. Hier maakt Vaessens wel expliciet een onderscheid tussen het meer poëticale (filosofische) en het sociologische niveau. Bij dat laatste gaat het om de opkomst van de cultuurindustrie, die heeft gemaakt dat alle cultuur in de greep raakte van het rendementsdenken, van wat cultuurpessimisten dan weer ‘de dictatuur van de markt’ noemen. Bij het eerste gaat het om het gedachtegoed van Foucault, Derrida, Lyotard enzovoort. De nadruk ligt hier in beide gevallen op de relativering van enerzijds de filosofische, anderzijds de culturele pretenties van het humanistisch modernisme, dat in dit deel van het boek nog sterker wordt neergezet als elitair, wereldvreemd en op een enkele plek zelfs als ‘potentieel gevaarlijk’.

    Wat Vaessens goed laat zien, is dat specifiek in het particularistische Nederland de filosofische kant van het postmodernisme niet werkelijk voet aan de grond kreeg; de culturele kant daarentegen wel. Postmodern betekende in Nederland — in tegenstelling tot in de meeste andere landen — vooral
    anything goes en werd voornamelijk gepercipieerd als de bevrijding van lastige poëticaal-filosofische discussies over literatuur. Je zou dat positief kunnen uitleggen als een wending naar het (grote) publiek, als democratisering, maar in de praktijk betekende het toch vooral de totale aanpassing aan de markt, aan een neoliberale ideologie met andere woorden.

    Juist omdat de poëticaal-filosofische kant in het grachtengordelpostmodernisme volledig werd verwaarloosd, kan Vaessens nog een derde periode — een ‘derde weg’, zoals hij schrijft — onderscheiden, door hem ‘laatpostmodern’ genoemd. Die toont grote verwantschap met wat in Vlaanderen wel het ‘ethisch postmodernisme’ wordt genoemd: met een postmodernisme dat in het ‘einde van de meta-verhalen’ eerder een probleem dan een bevrijding zag, eerder een nieuw begin dan een einde. Voor dat ‘laatpostmoderne’ zou nu de tijd aangebroken zijn, meent Vaessens. De ontwaarding van de literatuur, zowel in cultureel als in poëticaal opzicht, heeft er toe geleid dat de auteur nu weer op zoek gaat naar een rol voor literatuur in het maatschappelijk debat. In de woorden van Vaessens: ‘Nadat (...) de [ postmoderne] relativisten de [humanistische] poortwachters ernstig in diskrediet hebben gebracht’ komt er nu ‘een nieuw type literair intellectueel’ ten tonele: ‘de publiekszoeker die probeert weer een brug te slaan tussen de literatuur en haar achterban’. Om dit te illustreren bespreekt Vaessens werk van Robert Vernooij (met Kellendonk als zijlicht), Joost Zwagerman (met Arnon Grunberg als zijlicht) en Marjolijn Februari (met Charlotte Mutsaers als secondant).

    De ‘laatpostmoderne’ auteur omschrijven als een publiekszoeker is nog maar eens suggereren dat auteurs in het verleden zich om publiek en samenleving niet bekommerden. Dat blijf ik een onzinnige stellingname vinden. Zoals het wat onzinnig is om voorlopers van dat ‘laatpostmodernisme’, bijvoorbeeld een aantal auteurs rond het tijdschrift
    De XXIe Eeuw (1990-1993), te verwijten dat zij de marge zochten nadat je eerst duidelijk hebt gemaakt dat hun inzichten nu juist door de toenmalige critici begin jaren negentig nadrukkelijk werden gemarginaliseerd. Vaessens zegt het niet met zoveel woorden, maar marginaal is men volgens zijn eigen redenering eigenlijk vooral wanneer men, ondanks het evidente engagement, te veel binnen 'de literatuur' blijft. De ‘laatpostmoderne’ auteurs die wel succesvol de brug met hun achterban hebben weten te slaan, zijn zonder uitzondering auteurs die zich in de ogen van Vaessens van literaire kwesties hebben afgewend. Leon de Winter bijvoorbeeld, keerde zich van het literaire experiment af 'om zich meer en meer te gaan richten op de concrete belevingswereld van lezers van nu’, zoals Vaessens schrijft (wat dat ook moge zijn). De suggestie hier is, als steeds: hij heeft zich van het literaire afgewend. Dat De Winter zich daarmee tot een andere poëtica heeft bekend — die van het realistische verhaal — en dus in literaire opzicht wel degelijk een keuze maakt, wordt verzwegen.

    Auteurs als Zwagerman, maar ook Grunberg, danken hun ‘geëngageerdheid’ toch vooral aan wat ze buiten hun boeken om doen. De geëngageerde Zwagerman is voornamelijk columnist, in kranten en op tv; zijn romanwerk staat daarbuiten. Ook Grunberg dankt zijn imago van geëngageerde auteur aan zijn extra-literaire activiteiten en veel minder aan zijn romans. Het heeft iets geforceerds om in Tirza per se een post-9/11 boek te willen zien, zoals Vaessens doet: op de naam van de terrorist Atta na, gaat het in dat boek om hele andere zaken.

    Dit lijkt me de grootste zwakheid in het boek van Vaessens: dat hij de onbelangrijkheid van literatuur bijna geheel probeert te verklaren vanuit ontwikkelingen in de literatuur zelf. De ‘poortwachtersfunctie’ die hij, voor een groot deel heus terecht, de humanistisch modernisten verwijt, is vandaag de dag niet verdwenen, zoals hij op verschillende plaatsen in het boek lijkt te denken. Ze is domweg overgenomen door de media en door de binnen die media sterk werkzame neoliberale ideologie. Hoogst geëngageerde auteurs krijgen binnen die media alleen werkelijk een kans wanneer die media een mogelijkheid zien hen binnen een geschikt
    format aan de man te brengen (en of ze dan een literaire kluizenaar met een voorliefde voor puntkomma's zijn of een politiek activist met talent voor smeuïg proza maakt eigenlijk niet uit). Grunberg werd bij zijn debuut gezien als het wat zielige derde-generatie-holocaust-slachtoffertje waarover tv-mama’s als Sonja Barend en Hanneke Groenteman zich troostend bogen. Dat slachtoffertje heeft zich daar zelf magistraal van bevrijd, maar kreeg na de publieke bemoedering dan ook overal ruimschoots de kans om de columnist, de programmamaker, en natuurlijk ook de literator in zichzelf tot wasdom te brengen.

    Dat wil niet zeggen dat Vaessens geen punt heeft wanneer hij stelt dat de onbelangrijkheid van de literatuur vandaag de dag ook is terug te voeren op ontwikkelingen binnen die literatuur zelf. Maar zeker niet uitsluitend.
    L’art pour l’art en engagement zijn de twee polen waartussen de literatuur uit de moderne tijd zich altijd al heeft bewogen (ook in ‘humanistisch modernistische’ tijden). De autonomie die de literatuur voor zichzelf heeft opgeëist, was natuurlijk altijd voor de hele samenleving bedoeld. Of anders gezegd: de autonomie die de literatuur voor zichzelf opeiste, was niet de autonomie die ze (van die samenleving) kreeg toebedeeld. Het is onmiskenbaar Vaessens’ bedoeling literatuur weer uit die haar toebedeelde autonomie te bevrijden. Ik kan alleen maar constateren dat in de wijze waarop Vaessens dat tracht te bewerkstelligen vooral die literatuur het loodje legt.

    Na dit alles bleef er voor nY nog voldoende over om nog een tweede stuk te maken waarin ik dingen die hier noodzakelijkerwijs een beetje impliciet blijven , wat verder kon uitwerken (bijvoorbeeld dat verschil tussen de sociologische en de poëticaal-filosofische betekenis van 'autonomie') en nog wat andere accenten kon aanbrengen. Zo noemde ik naast De XXIe Eeuw ook nog de auteurs rond het tijdschrift Het Moment (1986-1988), bracht ik in herinnering dat eind jaren tachtig in Vlaanderen ook yang de draai maakte van neo-realisme naar een meer postmoderne invalshoek (naar wat Vaessens dus laatpostmodernisme noemt), en wijs ik erop dat Raster al veel langer deze weg bewandelde, maar zelf een beetje verhinderde dat men er aandacht aan schonk (enerzijds door zich zorgvuldig op het buitenland en bijna niet op de Nederlandstalige literatuur te richten, anderzijds door elke link met de Franse postmodernisten zoveel mogelijk te verzwijgen).

    Thomas


    Opmerkelijk genoeg kreeg ik van de nY-redactie onder andere het commentaar dat ik zo vreselijk mild was. En het is waar dat ik me dit keer wat minder dan anders op sleeptouw heb laten nemen door wat mijn eigen stijl me op een gegeven moment ingeeft, maar ik vraag me af of die mildheid per se betekent dat ik minder kritisch ben. Aan het gescheld op Vaessens ga ik natuurlijk niet meedoen — waar is die jongen wel niet allemaal voor uitgemaakt? Leugenaar, geloof ik. Populist natuurlijk. Riep daar iemand 'fascist'? — altijd een handzaam woordje in de zich van elke smet bevrijd wanende Hollandse kikkerpoel. Enfin, dat schiet allemaal niet op, en draagt alleen maar bij aan het discussievijandige klimaat dat intellectueel Nederland nu al decennialang beheerst. Misschien is de wijze waarop Vaessens — in mijn ogen althans — de historische werkelijkheid vertekent, wel een rechtsstreeks gevolg van die vijandigheid… Het boek zelf is inmiddels aan zijn tweede druk toe. Dat dan weer wel.