• Pin it!

    Maar werkelijk…


    Een Manifest voor riskante literatuur in Trouw, door Erik Jan Harmens en de onvermijdelijke Pfeijffer. Door enerzijds een poëziecriticus die blijkens een wat flutterig essaytje in yang (2008.1, 'Een schoon gevecht', pagina 51-53) weinig anders wil of kan dan 'een dichtbundel blijmoedig en onbevangen analyseren. Niet vanuit een wetenschappelijke achtergrond, maar eenvoudigweg als geïnteresseerd lezer die zelf ook gedichten schrijft en voordat hij aan dit boek begon al honderden andere bundels gelezen heeft. Goede en slechte en (de ergste) gemiddelde boeken.' De andere opsteller van het manifest rekent zoals gewoonlijk op de vergeetachtigheid in journalistiek-culturele kringen door zich nu op te werpen als ongeveer het tegenovergestelde van de essayist die Het geheim van het vermoorde geneuzel (2003) bij elkaar zwatelde, waarin vaak te lezen viel dat literatuur en werkelijkheid niets, maar dan ook niets met elkaar te maken moesten mogen hebben. Dat die vergeetachtigheid er is, blijkt uit het feit dat hij met de huidige nonsens maar weer eens het woord mag nemen. Hij mocht er zelfs zijn broek bij aanhouden.

    De ontstellende naïviteit van de een en de abjecte gewiekstheid van de ander — het is op zich al voldoende om het manifest en het artikel dat Erik Jan Harmens er aan vooraf laat gaan terzijde te leggen. Het misverstand blijft tragisch, en valt zo verschrikkelijk gemakkelijk op te lossen: poëzie gaat altijd over de wereld. Als we daar nou eens mee beginnen? En laten we het uitbreiden: literatuur gaat altijd over de wereld, want ik zie niet in waarom het hoenderkot van de poëzie hier maar weer eens een keer de uitzondering zou moeten zijn. Het feit alleen al dat het manifest hier wordt toegespitst op enkel 'de' poëzie, is volkomen in tegenspraak met wat het zou beogen. Het zondert af om wat afgezonderd is zijn afgezonderd zijn te verwijten.

    Als het postmodernisme ons iets had kunnen leren — en dan bedoel ik het postmodernisme van vaak (en niet geheel ten onrechte) onleesbaar bevonden Franse filosofen — dan is het wel dat het geen zin meer heeft om 'de werkelijkheid' het eerste en laatste woord te geven. De doodsimpele en daarom kapot geciteerde frase dat de tijd van de metaverhalen voorbij is, betekent immers dat iedere werkelijkheidsvoorstelling voortaan zijn claims op absolute geldigheid moet laten vallen — enfin, ze in geen geval nog gelegitimeerd weet te krijgen. Literatuur beschrijven op de klassieke wijze, als de nabootsing van een werkelijkheid die daarbuiten een min of meer objectief bestaan zou hebben, is achterhaald. Literatuur produceert werkelijkheid, zoals journalistiek werkelijkheid produceert, politiek dat doet, wetenschap, en ja, óók nog steeds godsdienst. Er bestaan gelovigen die menen dat opgegraven dinosaurusskeletten en fossielen door atheïsten in de grond zijn gestopt om de Enige Waarheid te ondermijnen. Anderzijds ontrafelt de wetenschap verliefdheid tot een cocktail van chemische stoffen die maar zo-en-zo-lang werkzaam zouden zijn, wat in tegenspraak is met de ervaring die de meeste mensen op dit terrein hebben. Journalisten produceren dagelijks een werkelijkheid die (om nog eens te verwijzen naar Davies' Flat Earth News) voor een groot deel uit niet gecheckte aannames bestaat die desalniettemin definiërende kracht hebben. En politici ter linker- en rechterzijde willen ons doen geloven dat er voor het liberalisme geen alternatief is, dat we noodlottig gebonden zijn aan de wereld zoals ze nu eenmaal is.

    In die zin maakt het niet uit of een dichter of schrijver 9/11 in zijn werk moffelt, of de buik van Theo Van Gogh, of het mes van Kim Van Gelder, of de Suzuki van Karst T. — en het is pathetisch om te veronderstellen dat dat soort referenties op zich literatuur tot iets riskants of relevants maakt. Tirza van Grunberg is niet maatschappelijk relevant omdat de hoofdpersoon in het vriendje van zijn dochter de terrorist Atta meent te herkennen, of zelfs niet omdat hij zijn geld kwijtraakt door speculatie in een of ander hedgefund. De (ook maatschappelijke) relevantie van die roman heeft met andere zaken te maken, met wat dan weer hopeloos abstract het 'mensbeeld' heten moet, zoals dat in die roman vorm krijgt. Zoals Safran Foers bestseller natuurlijk niet hoofdzakelijk gaat over 9/11, maar vooral over dat wat onder andere 9/11 tot zo'n collectief trauma heeft kunnen maken: het, als men wil, meer 'universele' (en volstrekt vergeefse) verlangen naar absolute veiligheid.

    Het laat onverlet dat men als schrijver naast zijn werkzaamheden best de activist kan uithangen, of zelfs zijn werk kan gebruiken voor een bij uitstek buitenliterair doel. Soms werkt dat. Soms ook niet. Gisterenmiddag was ik in Brussel aanwezig bij een lezersactie tegen de ontslagen bij De Morgen en hoorde daar een enkeling een welgemeend gedicht voordragen. Op een dergelijk moment heb ik dan toch de neiging om te zeggen dat dichten en dansen de grootste omwegen van A naar B zijn, en dat men daar, staande tegenover het in meerdere opzichten volstrekt onverschillige gebouw van De Morgen zelf, misschien beter een niet per se literaire stem kan laten horen die krachtig protesteert tegen wat er daar gaande is. Natuurlijk zijn er in het verleden gedichten (en ook romans) geschreven die (meestal) het verzet tegen bestaande misstanden het scherpst verwoordden — die met andere woorden een symboolfunctie kregen. Ik denk nu even aan Zbigniew Herberts gedicht ‘Meneer Cogito’s opdracht’ uit Meneer Cogito (1974), een gedicht dat in de jaren zeventig en tachtig ‘een duizelingwekkende carrière’ maakte in Polen, zoals vertaler Gerard Rasch in het nawoord bij Herberts Verzamelde gedichten schreef; ‘velen kennen het uit hun hoofd; voor velen die zich in het communistische Polen tegen het bewind verzetten werd het een strijdlied, een soort “Internationale”’. Ik maak me sterk dat ook gedichten van bijvoorbeeld Duinker een dergelijke carrière zouden kunnen maken, als we maar bereid zijn ze in die context te lezen.

    Literatuur gaat altijd over de wereld — ze produceert werkelijkheid die staat naast of tegenover, parallel loopt of samenvalt met de andere, elders geproduceerde werkelijkheden. Het één vormt niet zelden een zijlicht op het ander. Maar het mooie van literatuur is dat ze vrijwel nooit eenduidig is. Herberts gedicht had het in zich als strijdlied gelezen te worden binnen de toenmalige context, maar is zoveel meer dan enkel dat. Daar ligt voor mij nog steeds de winst van literatuur.

    Maar waar het dus om gaat: dat we eens ophouden om de literatuur alleen aan de literatuur te verbinden, zoals paradoxaal genoeg ook Harmens en Pfeijffer nu weer doen. Eigenlijk zouden we meer moeten lezen als 'gewone lezers' zoals we die ons vanuit onze beroepsmisvorming voorstellen: als de lezer die via een boek, een roman, een verhaal, een gedicht, niet zozeer in aanraking komt met 'de literatuur', maar simpelweg iets te horen krijgt over 'de werkelijkheid' (wat nog weer iets anders is dan de naïviteit van Harmens). Dat wat we te horen krijgen over die werkelijkheid veel te maken heeft met vorm (zelfs eerder met vorm dan met inhoud) is zeker niet onbelangrijk, maar uiteindelijk wil ook ik als lezer verleid worden, en medeplichtig zijn. Ik ben, al was het maar op grond van mijn opleiding, in staat de wijze waarop een auteur me zover weet te brengen vervolgens te analyseren, maar voor mijn leeservaring maakt dat uiteindelijk niet zo heel veel uit, al helpt het me soms om via de analyse een grotere bewondering te krijgen voor de verleidingskunsten van een auteur. Maar ik ben ook in staat om een B-film te analyseren, zelfs de emotie die zo'n film bij me opwekt goedkoop te noemen — maar blijkbaar houd ik ook van goedkope emotie als ik er op een listige wijze toe verleid werd.

    Het is niet nodig dichters op te roepen om klauwhamers, bijlen, messen, terroristen, politieke misdaden, genocide, milieuproblemen en ander door de media als 'relevant' beschouwde zaken in hun gedichten te verwerken. Nogmaals: dat is nog maar eens aandacht vestigen op de poëzie als poëzie alleen. Het is uitgaan van de in mijn ogen idiote gedachte dat poëzie het niet allang over de werkelijkheid zou hebben. Ik begreep in de jaren tachtig al niet waarom de toen 'autonomistisch' genoemde poëzie niet werd gelezen als de uitdrukking van een werkelijkheidervaring en vervolgens ook niet als een te ervaren werkelijkheid werd begrepen. Natuurlijk: er was de poëtica die her en der werd uitgevent (minder door de dichters dan door academisch geschoolde beschouwers), een poëtica die dan ook nog vaak een ontstaanspoëtica was en dus vooral beschreef hoe poëzie tot stand zou komen. Dat zei niets over wat poëzie bij een lezer teweeg bracht. Iemand als bijvoorbeeld Hans Faverey is voor mij nooit een dichter geweest die het 'over niets had', zoals zovaak werd gezegd.

    Dus laten we dit nou eens afspreken met elkaar: in plaats van aan literatuur van alles te willen opleggen met betrekking tot onderwerpskeuze, zouden we er beter aan doen haar te lezen als juist uitdrukking van werkelijkheid — niet als een op zichzelf betrokken, een 'fictionele' of louter 'literaire werkelijkheid', maar als een werkelijkheid die met literaire, en niet met journalistieke, wetenschappelijke enzovoorts middelen tot stand is gebracht.

  • Pin it!

    Cijfers & Letters


    screenshot_61


    Voilà, men krijgt dan toch de letter die men verdient.

    Op Facebook intussen, is er over de ontslagen bij De Morgen veel meer te doen dan elders op het net. Er zijn verschillende groepen opgericht ter ondersteuning van de gezichtsbepalende mensen die nu aan de dijk zijn gezet — al ontbreekt tot nu toe een groep voor Bert Bultinck, de chef Opinie die de opiniepagina's van een brievenrubriek tot het kloppend hart van de krant wist te maken, niet in de laatste plaats door zijn strategie om vaste columnisten te vragen elke twee weken een stuk te leveren (die hebben dan weer voor een maand hun medewerking aan de krant opgezegd — zie hieronder). En ook omdat hij het bijvoorbeeld waagde Bart De Wever aan het woord te laten, een begenadigd columnist, zo bleek, met een scherpe pen, met 'natuurlijk' een totaal 'verkeerde' opvatting, maar meermalen in staat om toch op zijn minst tegen een paar heilige huisjes van traditioneel links (en daarmee van de traditionele Morgen-lezer) aan te trappen op een dusdanige manier dat men nog eens over zijn eigen clichés ging nadenken. De rubriek nam ook interessante stukken uit het buitenland over. Op die manier leek het meermalen alsof het werkelijke redactionele beleid daar vorm kreeg, meer dan in het redactionele commentaar op pagina 2. Zo bezien was Bultinck één van de redacteuren voor wie ik de krant bleef lezen. Ik denk dat dat voor meer mensen geldt, zonder dat ze nu direct wisten dat het Bultinck was die hier voor een groot deel bepalend was.

    017_15B


    Ook op Facebook een ontluisterende inzage in de financiën van De Morgen. De informatie komt van Jan Haerynck. Het is me niet helemaal duidelijk waar hij het vandaan heeft (wie zijn die 'we' die hier het woord nemen, er wordt ook gerefereerd aan iets op 3 maart), maar ik neem het hier over zoals het er bij Haerynck staat (ik neem aan dat hij het niet erg vindt):

    Wat is het verhaal? (ik voeg hierbij de meest cruciale slides)

    DM was een eigen entiteit tot en met 2006, helemaal in eigen beheer inzake marketing en merchandising edm. Elke eurocent omdraaien en voorzichtig omspringen met salarissen was het motto. Vanaf 2007 is DM opgegaan in DPP en hebben we zes managers gekregen van DPP die over ons waakten, ipv één directeur.Welnu dit zijn onze conclusies (op basis van de cijfers van DPP):

    - De krantengerelateerde kosten (productie, marketing, merchandising, salarissen personeel, edm...) zijn tussen 2004 en 2005 en 2005 en 2006 normaal gestegen met 3 tot 3,5 %. Tussen 2006 en 2007 (eerste jaar DPP en een nieuwe — omstreden — hoofdredacteur) zijn die gestegen met 29% en het jaar daar na (2008) met nog eens 4,5% (totaal over twee jaar +34%). Men heeft die situatie pas erkend in september 2008 en toen is men vreselijk op de rem gaan staan. Het kwaad was geschied: op een omzet van 30 miljoen euro hebben we 6,5 miljoen meer kosten gemaakt in twee jaar tijd.

    - We hebben in 2008 500.000 euro verlies gedraaid. Maar in de jaren tussen 2003 en 2008 hebben we wel 11,5 miljoen euro winst gemaakt.

    - De loonkost per hoofd op de redactie is in twee jaar met een kwart gestegen, van 70.000 euro tot 87.000 euro: nieuwe dure aanwervingen en een bonussysteem (januari 2008 is 250.000 euro aan bonussen uitgedeeld aan bevriende redacteurs, w.o. Desmet etc...) en gigantische onkostenvergoedingen. Klaus
    [Van Isacker] zelf verdient in zijn vennootschap 21.000 euro per maand zonder kostenvergoeding en die kosten zijn gigantisch (elke dag uit eten).

    De merchandisingkost (cd's, boeken edm.) is in twee jaar gestegen tijd met 113%. We hebben in 2008 zeven acties gedaan die minder opbrachten dan één actie in 2003. Merchandising staat onder druk, maar dit zijn rampzalige acties geweest, ons opgelegd vanuit Kobbegem (terwijl we dat vroeger in huis deden).

    - We (ZE) hebben onze krantenverkoop kunstmatig in de hoogte gejaagd, om de omstreden hoofdredactie Klaus Van Isacker en Bart Van Doorne met goeie cijfers te ondersteunen. Na negen maanden 2008 hadden we op dagbasis 2000 kranten meer in de bussen, maar die kostten ons aan marketingacties (abonnementenwerving) 0,7 euro per krant per dag (dat is gratis weggeven). Ik kan zo nog wel even doorgaan. Er is een abo-werving geweest waarbij we per krant 8 euro toelegden. (Die is gelukkig snel afgevoerd).

    Conclusie: het opgaan in DPP en het absoluut willen opkrikken van de verkoopcijfers heeft heel onze kostenstructuur overhoop gehaald en dat moet het personeel nu betalen met 26 ontslagen (later 15) op 91. WIj vrezen dat ze dit met opzet hebben gedaan om DM zo te dwingen afscheid te nemen van de moeilijke karakters en de krant in een andere richting te kunnen duwen.

    Deze conclusies zijn afgelopen dinsdag voorgesteld op een bijzondere OR. De directie reageert op dinsdag 3 maart. We hebben ook een plan voorgesteld om 3 miljoen aan te zuiveren. Een deel zijn bezuinigingen die de directie had voorgesteld en een deel (1,8 miljoen euro) is het duurder maken van de krant. Iets wat is nagelaten de laatste twee jaar terwijl onze concurrent in het kwaliteitssegment (DS) dat wel heeft gedaan.


    Er is vast wel een manager die me nu gaat uitleggen dat deze voorstelling van zaken (en de nauwelijks impliciet te noemen kritiek daarop) geen rekening houdt met factor zus en factor zo en dat er dit en dat er dat. Het is me in kringen van mensen die winst tot hoofddoel van hun bestaan hebben gemaakt wel vaker opgevallen dat het kapotmaken van goed renderende bedrijven tot de geplogenheden van het vak behoort. En dat een bedrijf dat dit jaar minder winst maakt dan het jaar daarvoor eigenlijk verlies heeft gemaakt. Ik begrijp daar niets van. Ik houd te veel van het woordenboek om 'winst' te lezen als 'eigenlijk verlies'. En dan: als het om een krant gaat begrijp ik het al helemaal niet.

    Laat ik het anders zeggen: ik begrijp het gezien de vooronderstellingen van de huidige samenleving allemaal heel erg goed; ik ben niet blind voor de realiteit zoals ze op dit moment wordt voorgesteld. Ik geloof alleen niet dat ze de enige is die mogelijk is, laat staan: de beste aller mogelijke werelden. In dat opzicht behoor ik eerder tot de Voltaires van de wereld — waarmee ik alleen maar bedoel dat het hoog tijd wordt voor een nieuwe Candide die de zelfverblinding van de westerse wereld nog eens duchtig op de korrel neemt. Eigenlijk is dat een appel op de politiek — maar op de 'Doe de stemtest'-site, die mensen zogenaamd een goed inzicht zou geven in hun eigen politieke voorkeuren, is de PvdA+ niet eens vertegenwoordigd; Vlaams Belang wel. Niet dat ik op de PvdA+ zou willen stemmen, maar wie een stemtest organiseert voor zwevende kiezers moet een dergelijke partij wel opnemen, lijkt me toch. Links van Groen! stemmen behoort blijkbaar niet tot de mogelijkheden, en voor zover zelfs Groen! nog grotendeels meestapt in de liberale logica (op straffe van 'onrealistisch' genoemd te worden) wordt dus de mogelijkheid om voor een andere (voor een op andere dan de huidige ideologische vooronderstelingen gebaseerde) werkelijkheid te kiezen al op voorhand uitgesloten.

    Of de staking van de 'de scherpe pennen' iets uithaalt inzake De Morgen valt dan ook te betwijfelen, maar ik signaleerde al eerder: in kwesties als deze is iedereen veroordeeld tot symbolische daden. De Van Thillo's van deze wereld hoeven aan niemand verantwoording af te leggen, en zijn dat ook niet van zins te doen.

    Columnisten De Morgen schorten medewerking massaal op
    Een groep van 28 columnisten, vaste opiniemakers en losse medewerkers van De Morgen hebben besloten om een maand lang geen bijdragen te leveren aan de krant. Ze doen dit uit protest tegen de recente ontslaggolf die "een aantal van de beste pennen en meest kritische stemmen in de Vlaamse journalistiek" trof.

    Zaterdag besloot de Persgroep om 13 medewerkers van de krant te ontslaan. Tot hen behoren sportjournalist Hans Vandeweghe, 'stukjesschrijver' Bernard Dewulf, fotograaf Filip Claus en opinie-redacteur Bert Bultinck.

    "Wij vinden het volstrekt onaanvaardbaar dat een krant die zich altijd op zijn onafhankelijkheid en tegendraadsheid beroept, de meest onafhankelijke geesten de laan uitstuurt," aldus de ondertekenaars.

    De lijst omvat prominente figuren uit de culturele sector en de wetenschappelijke wereld. Tenzij de directie de onderhandelingen heropent, heeft hun protest belangrijke gevolgen voor de krant. Sportcolumnist Filip Joos zal niet schrijven over de testmatchen die de Belgische competitie moeten beslissen. Politiek commentator Carl Devos zal niet schrijven over de Vlaamse en Europese verkiezingen van 7 juni. Dimitri Verhulst, onlangs nog bekroond met de Librisprijs, zal niet terugblikken op de filmpremière in Cannes van "De helaasheid der dingen". Paul De Grauwe zal niet meer schrijven over de gevolgen van de economische crisis. Marc Didden schort zijn veelgelezen column met een maand op.

    De titel van hun actie heet "De Beste Pennen schreven voor De Morgen", waarmee ze verwijzen naar een eerdere reclameslogan van de krant.

    De Persgroep hoopte maandagavond dat na de staking van vandaag opnieuw weer gewoon kranten kunnen worden gemaakt. Dat zal dan alvast zonder deze groep van meer dan twintig Beste Pennen zijn waarmee de krant graag adverteert.

    De volledige tekst:

    De Beste Pennen schreven voor De Morgen

    Op zaterdag 16 mei ontsloeg de Persgroep, het moederbedrijf van De Morgen, Het Laatste Nieuws en VTM, dertien werknemers van De Morgen. Onder hen een aantal van de beste pennen en meest kritische stemmen in de Vlaamse journalistiek. Zij die het protest tegen de geplande herstructurering mee vormgaven, werden mee aan de deur gezet; mensen die het beste van zichzelf hebben gegeven om de maandenlange onderhandelingen tot een aanvaardbare cao te leiden verloren hun baan.

    Wij vinden het volstrekt onaanvaardbaar dat een krant die zich altijd op zijn onafhankelijkheid en tegendraadsheid beroept, de meest onafhankelijke geesten de laan uitstuurt. Een open geest beleefde toch meer? Uit protest zeggen wij een maand lang onze medewerking aan de krant op. In die periode verwachten wij dat de directie de onderhandelingen heropent.

    Ondertekend:
    Benno Barnard, Geert Buelens, Manu Claeys, Rik Coolsaet, Paul De Grauwe, Wouter Deprez, Carl Devos, Marc Didden, Nadia Fadil, Guido Fonteyn, Jos Geysels, Jan Goossens, Paul Goossens, Marc Hooghe, Paul Huybrechts, Luc Huyse, Filip Joos, Bart Kerremans, Jeroen Olyslaegers, Marc Reugebrink, Rik Torfs, Luckas Vander Taelen, Philippe Van Parijs, David Van Reybrouck, Dimitri Verhulst, Etienne Vermeersch, Hendrik Vos, Walter Zinzen.

    screenshot_62

  • Pin it!

    K. (of hoe het ontslag van een eindredacteur zich onmiddellijk laat voelen)


    screenshot_60


    Waar is de mij toekomende C?!

    En eigenlijk ben ik dan nog blij dat ik in deze advertentie op de voorpagina van de kwaliteitskrant De Morgen niet ook nog ReugebrinCK heet — dat is nu eenmaal de Vlaamse uitgang voor 'ink-ies' hier. Maar een beetje slordig is het toch wel. Vooral omdat het op de cover van het boek wel goed gespeld staat. Maar dan, spelling… Correcte spelling leidt nu eenmaal niet tot meer winst. Het ontslaan van de eindredactrice in kwestie blijkbaar wel.

    Hopelijk komen er aanstaande zondag meer dan 500 lezers naar de Arduinkaai voor nog maar eens een protest tegen de gang van zaken:

    LEZERS LEZEN

    LEZERSACTIE TEGEN DE ONTSLAGEN BIJ DE MORGEN

    NU ZONDAG 24 MEI – VAN 15u tot 17u.

    LOCATIE: ARDUINKAAI 29 – 1000 BRUSSEL


    500 lezers van De Morgen lezen samen en met luide stem de laatste column van Bernard Dewulf. Een kippenvelmoment als protest voor de huidige gang van zaken op de redactie van De Morgen.
    Tussendoor lezen een tiental bekende auteurs, journalisten, artiesten en sympathisanten voor uit eigen werk en geven hun ongezouten mening.
    Breng allemaal een flesje drank en een glas mee om te klinken op het ‘gezonde verstand’ van de hoofdredactie van De Morgen (en om mekaar te trakteren).
    Beeldend kunstenaar Lebuin D’haese zal een sculptuur plaatsen naast het spreekgestoelte.

    WAAROM ?

    Wanneer redacteurs van 'een krant die nadenkt' staken waardoor er geen krant verschijnt dan is er absoluut iets ernstigs aan de hand!
    De reactie van de hoofdredactie: Bart Van Doorne: "Het is onjuist dat enkel kritische stemmen van de afgelopen maanden nu de rekening gepresenteerd krijgen. We hebben op basis van objectieve criteria, zoals de vraag of iemand nog paste binnen de toekomst van de krant, in eer en geweten een keuze gemaakt". (bron: http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/cultuur%2Ben%2Bmedia/media/090516DeMorgenNamen)
    Daar zijn wij als lezer van De Morgen blinkend verontwaardigd over. Actie dus!
    Voor een keer geen benefiet, maar wel een lezersactie om de hoofdredactie te herinneren aan de 'kwaliteit' die ontslagen wordt. Met voldoende media-aandachtomdat we als lezers van De Morgen bezorgd zijn over de richting die de krant uitgaat?
    Want misschien is de hoofdredactie in het conflict met het personeel te zeer in management-denken verzonken waardoor ze gewoon 'vergeten' dat de ontslagen redacteurs voor absolute kwaliteit staan?
    Daarom moeten de lezers van De Morgen de hoofdredactie helpen!
    Daarom de idee om als lezers van De Morgen, de hoofdredactie (ironisch) te herinneren aan deze kwaliteit.
    Daarom komen we als lezers van De Morgen met luide stem voorlezen aan de voordeur van De Morgen.

    Waarvan acte.

  • Pin it!

    Nacht over De Morgen


    En inmiddels loopt het bericht binnen over de ontslagen bij De Morgen: vrijwel alle mensen die zich sinds de aankondiging van de collectieve ontslagen hebben ingezet voor de personeelsbelangen en voor toch minstens handhaving van de de afgelopen jaren al sterk afgenomen kwaliteit van de krant vliegen de laan uit. Tot zover de mores van een oorspronkelijk linkse krant. Bert Bultinck, die van de opniepagina's al heel snel iets wist te maken dat je in geen andere krant vond, had het al tijden terug verwacht, zo vertelde hij me toen, gezien het feit dat hij al eens door de grote baas op het matje was geroepen. Maar het shockeert me toch. Ook Bernard Dewulf, één van de beste columnisten van de afgelopen jaren, moet vertrekken. Als dit werkelijk doorgang vindt, doe ik het enige wat ik in mijn positie kan doen: mijn abonnement opzeggen. Uiteraard is dat een bijna pathetisch gebaar, maar het is dan toch tenminste iets… Ik maak me geen illusies over de situatie bij andere kranten (ik las Nick Davies' Flat Earth News), maar op momenten als deze is symboliek toch misschien nog net een beetje meer dan enkel symbolisch.

  • Pin it!

    Bruggen


    Copy(2) of om.vaessens_300


    Afgelopen week met horten en stoten Thomas Vaessens' al veelbesproken De revanche van de roman. Literatuur, autoriteit en engagement uitgelezen. Die horten en stoten hadden minder met het boek zelf te maken, dan met wat er voortdurend tussendoor kwam, zodat ik maar weer eens de redacteuren van De Leeswolf in verlegenheid bracht — want het stuk over het boek zou al vorige week klaar zijn. Mijn reputatie van notoire deadlineschender raak ik nooit meer kwijt.

    Ironisch genoeg sloot wat er tussendoor kwam goed aan bij wat Vaessens in zijn boek beschrijft — met name bij wat hij zegt over de door hem 'laatpostmodern' genoemde auteurs, 'een nieuw type intellectueel', zoals hij stelt, ‘de publiekszoeker die probeert weer een brug te slaan tussen de literatuur en haar achterban’. Hoewel wat ik de afgelopen week heb uitgehaald nauwelijks 'intellectueel' mag heten, 'publiekszoekend' was het zeker. Al bij de uitnodiging voor het programma dat Behoud de Begeerte afgelopen dinsdag in Antwerpen organiseerde, 'Op gelijnd muziekpapier', had ik gezegd dat het misschien wel aardig zou zijn wanneer ik daar 'een gedicht over Elvis' zou brengen, met meteen er achteraan het liedje waarop dat gedicht was gebaseerd (ik schreef het gedicht destijds voor de door John Schoorl en Kees 't Hart samengestelde bloemlezing Wees niet wreed. Gedichten voor Elvis). Het zou gaan over pop en literatuur, en om nou zelf ook 's een bruggetje te slaan, leek het me aardig om het verband (en het verschil) tussen beide middels de combinatie van poëzie en zang eens ten gehore te brengen. Ik zou mijzelf geen gitarist willen noemen, maar als iedereen rond een kampvuurtje zit en voldoende heeft geconsumeerd, is zelfs mijn gepingel nog wel te verdragen — en zingen, ja dat kan ik wel. Goed idee, vond men bij Behoud de Begeerte.

    image_elvis


    Goed idee, vond men ook bij radio 1, blijkbaar op de hoogte gebracht, en of ik me dan maandag met gitaar wilde melden bij de VRT-studio's. Goed idee, vond ongeveer een half uur later Klara, de klassieke zender, godbetert. Of ik maandag met gitaar… Je kunt natuurlijk de houding aannemen die een amateur past en zeggen dat dit er toch wel wat over is: een liedje spelen voor een zaaltje met hoogstens 100 mensen is nog wat anders dan hetzelfde doen voor een radiostation waarnaar tussen de 100.000 en 250.000 mensen luisteren (afhankelijk van de zender waar het over gaat). Daarbij: overal in het land zitten briljante jongens en meisjes met gouden keeltjes en een fabelachtige gitaartechniek die een voor hun zangcarrière niet noodzakelijk lichaamsdeel zouden willen geven om een keertje op de radio een liedje te mogen komen doen. In plaats daarvan zit daar dan zo'n schrijver die een kunstje kan. En dat ook nog twee keer binnen het tijdsbestek van een uur mag doen op twee verschillende zenders.

    Maar ik dacht aan Vaessens. Ik dacht 'bruggen slaan bruggen slaan bruggen slaan'. Of nee, dat dacht ik natuurlijk helemaal niet; ik dacht hoogstens: oké, als jullie het willen, dan kunnen jullie het krijgen. En dat het natuurlijk leuk blijft, zo'n kunstje. En dus zat ik afgelopen maandag eerst bij Klara, bij Kurt Van Eeghem in de studio, waar er tot mijn schrik ook een camera stond opgesteld ('Voor de website,' zei Van Eeghem, en inderdaad...) — en een half uurtje later maakte ik mijn opwachting bij radio 1. Tussendoor belde Studio Brussel dan nog, maar dit keer niet om mij te horen kwelen, maar simpelweg voor een kort gesprekje over het programma van Behoud de Begeerte. Daarna vroeg ik me vertwijfeld af of ik de uitgang nog ooit zou terugvinden, want de VRT is een zelden gezien doolhof waarin men steeds de lift naar die of die verdieping moet nemen om na door een gang te zijn gelopen dan weer een lift naar een andere verdieping te moeten nemen, 'waarna links en dan nog eens links en vraagt u het dan nog maar eens'. Maar er werken ook erg aardige mensen die met liefde de Vergilius voor je willen spelen.

    Maar laat ik eerlijk zijn: dat ik deze fratsen (een vriend mailde na het zien van de video: 'Ik heb via mijn mannetje bij Klara meteen de videoservice laten blokkeren. Sommige mensen moeten tegen zichzelf in bescherming worden genomen') in verband breng met Vaessens' boek heeft te maken met een beetje gekrenkte trots vanwege hetgeen Vaessens in dat boek op een zeker moment over juist mij beweert. Zo klein zijn we dan ook wel weer. Wat dan weer niet wegneemt dat daarachter een punt van kritiek schuilt dat mijn eigen kleinheid toch weer overstijgt, denk ik.

    Om met dat kleine te beginnen: Vaessens noemt mij op een zeker moment met veel instemming als iemand die al eind jaren tachtig, begin jaren negentig te hoop liep tegen het 'relativistisch postmodernisme' en het daarmee verbonden anything goes — als een van die auteurs die geen genoegen nam met de status van literatuur als louter amusement en die zich dus ook bij de door die literatuur zelf zo vaak geclaimde autonome status (autonoom in sociologisch opzicht) de nodige vragen stelde. Maar, zo vervolgt Vaessens (en hij herhaalt het later), uiteindelijk zou ik voor de marge gekozen hebben.

    XXIe Eeuw.klein


    Dat gevoel heb ik natuurlijk zelf helemaal niet. Wat ik eind jaren tachtig, begin jaren negentig deed, was een standpunt verdedigen dat, ondanks het zo permissief lijkende anything goes van de grachtengordel, binnen de toenmalige literaire gemeenschap ongewenst was. Als ik hier mijn gelijk zou willen halen, dan zou ik nu kunnen zeggen dat men er in Amsterdam nog niet aan toe was destijds, al klinkt me dat meteen wat al te zelfglorifiërend in de oren. Men wist niet beter dan mij neer te zetten als iemand die juist een achterhaald standpunt innam. Een beetje zoals men iemand die na de Val van de Muur nog kritiek durfde te hebben op het kapitalisme onmiddellijk neerzette als een communist (iets wat blijkbaar goed heeft gewerkt; op de uitreiking van De Inktaap viel me op dat veel jongeren het woord 'links' uitspreken alsof het om een enge ziekte of zelfs om iets misdadigs gaat). Het carnavaleske richtingloze pomo-relativisme werd als een bevrijding ervaren, en in consensusland Nederland betekende dat nu eenmaal: verplichte bevrijding. Meedoen was de boodschap.

    Enfin, hoewel ik me natuurlijk bewust was van het tegendraadse van mijn standpunt destijds, heb ik toch moeite met de suggestie dat ik daarmee voor de marge koos. Ik heb veeleer het idee dat ik gemarginaliseerd wérd, en dat die marginalisering minder te maken had met argumentatie dan met sociale mechanismen. Het provincialisme van de grachtengordel is zo diep dat het al als een affront wordt ervaren wanneer een schrijver die niet net om de hoek woont iets begint te beweren, iets wat dan ook nog eens niet aansluit bij de tot (sociale) verplichting geworden algehele permissiviteit.

    Het leidt ertoe dat de mogelijkheden om bruggen te slaan met de achterban ernstig worden beperkt. Want Vaessens mag dan in zijn boek veel kritiek hebben op de poortwachtersfunctie van de oude 'humanistisch modernisten', de gedachte dat met de opkomst van het postmodernisme — die de autoriteitsclaim van die modernisten, (als alle bestaande hiërarchieën) ernstig in vraag stelde — het publieke domein voor iedereen toegankelijk is geworden, is nogal naïef. Het zijn nu de media en de binnen die industrie werkzame vooronderstellingen die bepalen of je toegang krijgt tot de publieke ruimte — een ruimte die, ondanks de ongekende mogelijkheden van het internet, nog steeds voornamelijk door de meer klassieke media (tv, krant, en misschien nog een beetje radio) wordt gedefinieerd. En wat Vaessens, ongewild, in zijn boek laat zien, dat is dat een schrijver van literair werk binnen die media vooral aandacht krijgt, wanneer hij zich vooral niet als literator manifesteert. Joost Zwagerman is uitgegroeid tot een opiniemaker van formaat, maar eerder ondanks dan dankzij zijn literaire werk. Hij is als publieke figuur eerder een columnist dan een romanschrijver — waarmee ik bedoel dat het over het literaire van zijn bezigheden nooit gaat. Als Kees 't Hart wordt uitgenodigd bij De wereld draait door dan is dat niet om over de specifieke literaire middelen te spreken waarmee hij in De keizer en de astroloog ons een inkijkje geeft in de werkelijkheid, maar hij zit daar om over het korte armpje van Keizer Wilhelm II en andere aberraties van die man te spreken — het enige waarin de interviewer geïnteresseerd blijkt te zijn ('hij was toch wel een beetje raar hè, die keizer, ja toch? niet dan?'). Het format dicteert, en dat format zelf is weer gebonden aan vooronderstellingen over 'het' publiek dat in een zo groot mogelijke getale bereikt dient te worden.

    Of, korter: waar vroeger de veronderstelde voortreffelijkheid van bepaalde denkbeelden de legitimering vormde voor het statuut van poortwachter, daar is het nu simpelweg de zich om geen denkbeelden bekommerende markt die bepaalt of je wel of geen toegang krijgt tot de publieke ruimte. In theorie betekent dit dat ook een geschifte kommafetisjist in principe toegang tot die ruimte zou kunnen krijgen, zoals je soms wel eens hobbyisten voor de camera ziet die met enkel lucifers de Nortre Dame hebben nagebouwd. In de praktijk gebeurt dat maar zelden. En in die praktijk wordt vrijwel nooit meer de literatuur om zichzelfs wille en dus, zo ben ik dan weer in mijn ongeneselijke dwaasheid geneigd om te zeggen, als maatschappelijk relevant en ook op die maatschappij betrokken kunstvorm, over het voetlicht gebracht. De gedachte dat praten over literatuur bij uitstek praten over de werkelijkheid is, is zover zoek geraakt (en de literatuur zelf heeft daar zeker een rol in gespeeld) dat ook Vaessens blijkbaar van mening is dat de geëngageerde schrijver vooral die schrijver is die zich van het literaire heeft afgekeerd. Hij zit in studio's en verkondigt op journalistieke wijze zijn visie op de samenleving, waarbij hij zijn gezag in naam nog wel ontleent aan het nog steeds bestaande beeld van de 'schrijver als publieke intellectueel', maar in feite maar beter over zijn literaire arbeid zwijgt.

    Of hij zit in studio's en begeleidt zichzelf op de gitaar. Dat kan ook. 'Staat het kampvuur aan?' vroeg ik nog voordat ik bij Klara, plotseling met zweethandjes, aan mijn kunstje begon. Want ondanks de serieuze bedenkingen die ik heb bij hoe het er op dit moment aan toe gaat (en bij hoe Vaessens dit feitelijk lijkt te legitimeren), als men het zeldzame geluk heeft als schrijver om binnen die context hoe dan ook aan het woord te komen (als Wilhelm II-specialist, als columnist, als prijswinnaar met een zanghobby), kan men er maar beter met volle teugen van genieten. Met de wereld van de humanistisch modernist en de komst van de marktkramers is de eeuwigheid van het kunstwerk immers ook verdwenen, en men moet al serieus in God geloven om daar nog op te rekenen. Dat heeft er bij mij nog nooit ingezeten.

  • Pin it!

    Presentatie nY


    nY-01


    Gisterenavond in de Domzaal van De Vooruit in Gent ('ik wil hier alleen binnen als ze ook een Slimzaal hebben', mompelde Pol Hoste) werd het eerste nummer van het nieuwe (fusie-)tijdschrift nY boven het doopvont gehouden. Ik had een halve middag doorgebracht op mijn tamelijk ontoegankelijke zolder om recente en minder recente nummers van yang tevoorschijn te halen, en vulde daarmee een vervolgens natuurlijk totaal ontilbaar geworden reiskoffer. Die had wieltjes, maar weer niet van dien aard dat ik daarmee gemakkelijk over het Gents plaveisel rijden kon (al moeten die wielen nog uitgevonden worden: die waarmee je wél makkelijk over Gents plaveisel rijdt). Het in en uit de auto tillen van het gevaarte hield een zeker gezondheidsrisico in, en in de parkeergarage onder 't Zuid reed ik, allengs wanhopiger, met de koffer heen en weer, omdat ik aanvankelijk de goed verstopte lift niet vond en vreesde dat ik, geketend aan 44 jaar Gentse tijdschriftgeschiedenis, in de catacomben de avond zou moeten doorbrengen. Met het gevaarte de trap op was uitgesloten. 'Hier heb ik niet voor getekend,' mopperde ik toen ik uiteindelijk zwetend bij De Vooruit aankwam, om daar te ontdekken dat de Domzaal op de derde verdieping lag. Gelukkig was er daar een goed zichtbare lift.

    nY-02


    Er was uiteindelijk ongeveer vijftig man aanwezig, schat ik. Matthijs de Ridder was spreekstalmeester, en hij begon met het stuk dat Dirk Leyman gisteren in De Morgen over nY schreef. Ik had die dag de tijd nog niet gehad om in de krant te kijken, maar werd gebeld door iemand van de redactie die me er op wees. Ik begreep zijn verontwaardiging wel (zoals gewoonlijk in dit soort stukken stelt de journalist in kwestie dat een blad als nY voor de marge kiest, terwijl een dergelijk blad juist in en door die bewering in de eerste plaats gemarginaliseerd wórdt), maar kon niet anders dan vaststellen dat De Morgen een halve pagina aan nY had besteed. Dat is veel meer dan vooraf verwacht kon worden. Ja, dat het om 'loden ernst' zou gaan, zoals Leyman stelde, is een kwestie van projectie op basis van vooroordelen zoals je die nu eenmaal kunt verwachten. Maar voor een blad dat zijn naam onder andere ent op een scene uit Monty Python and the Holy Grail en dat aan de yang-kant, naast alle onbetwistbare sérieux (maar wat is daar toch mis mee?) ook een zekere picareske traditie heeft — voor een dergelijk blad is het pejoratief gebruikte adjectief 'loden' toch wat onheus.

    Leyman over yang.small


    Stefan.nYHoe dan ook, MdR gebruikte het artikel als opstapje naar een drietal voordrachten, door Stefan Hertmans — de eerste in de rij — treffend omschreven als 'opa vertelt'. Wat in zijn bijdrage vooral opviel, dat was dat eind jaren tachtig, toen hij in de redactie van yang zat (in een redactie die als één van de eersten weg stuurde van het pad van het 'nieuw realisme' dat sinds de oprichting in 1963 de leidraad van het tijdschrift was geweest), de bekommernissen eigenlijk dezelfde waren als die van vele redacties daarna, of het daarbij nu om de ethisch-postmodernisten van de lichting Van Bastelaere, Spinoy ging, of om het 'mimesis'-project dat eind jaren negentig door onder meer Buelens, Bultinck en Joostens op de agenda werd geplaatst. Steeds blijkt de relatie tussen literatuur en maatschappij een bepalende factor te zijn geweest — met daarmee onlosmakelijk verbonden: de weerzin tegen de autonomisering van de literatuur, die haar reduceerde tot het gevaarloos, ge-ontideologiseerd amusement dat zij nu aleen nog maar is (en waartegen nY zich in haar mission statement nog maar eens verzet). 'De strijd om het middenveld', noemde Hertmans dat gisterenavond, en het is natuurlijk ironisch te moeten vaststellen (om het niet meteen cynisch te noemen) dat de poging om met literatuur een rol te blijven spelen in het maatschappelijk debat, juist in dat middenveld telkens maar weer 'elitair' wordt genoemd. De door literatuur aangebrachte nuances, bedenkingen en wat dies meer zij, vertegenwoordigen niet De Juiste Opvatting.

    Dat maakt dat het maken van een tijdschrift zo vaak zo vergeefs lijkt te zijn. De vraag voor wie men het eigenlijk doet stelt iedere zichzelf respecterende redactie zich van tijd tot tijd — en de antwoorden kunnen variëren van 'men doet het vooral voor zichzelf' (dixit oud-redacteur Jürgen Pieters) tot 'omdat iemand het moet doen' — er met andere worden een haast existentieel te noemen gevoel bestaat van de noodzakelijkheid van het soort reflectie waarvoor literaire tijdschriften de ruimte bieden. De kranten doen dat allang niet meer. De intellectueel is uit de publieke ruimte verdreven ten gunste van het haastwerk van journalisten die de tijd niet meer krijgen om zich in wat dan ook maar te verdiepen (zie: Nick Davies, Flat Earth News) — maar wier invloed intussen immens is. Men houdt met andere woorden (vanuit een in se morele overtuiging) vast aan de noodzaak van iets waarmee 'de rest van de wereld' allang achteloos heeft afgerekend.

    Erik.nYErik Spinoy noemde dat 'doodsdrift' — en hij heeft niet eens ongelijk. Zijn bijdrage klonk wat vermoeid, vond ik, misschien omdat hij ook aandacht besteedde aan de ontstaansgeschiedenis van freespace Nieuwzuid en zo te spreken kwam over de affaires en toestandjes waarmee het maken van tijdschriften ook vaak gepaard gaat. De felheid van de discussies binnen de yang-redactie zoals ik die heb meegemaakt, de vaak ellenlange maildiscussies die daar nog bij kwamen (Bert Bultinck, iemand met wie het goed bekvechten is, refereerde daar nog aan), heb ik zelf altijd als heel vruchtbaar ervaren, maar leidden niet tot schisma's, bloeddorst, scheidingen en wat dies meer zij. Dat is in het verleden wel anders geweest, en er komt een tijd dat je daar het nut niet meer zo van inziet. En zoals Spinoy bij een eerdere gelegenheid eens tegen me zei: hij maakte nu toch al heel lang tijdschriften, en, zoals hij dan gisterenavond weer zei: dat gaat niet zelden ten koste van je eigen werk.

    Bert B. refereerde in zijn bijdrage aan de periode waarin aanvankelijk nog Jürgen Pieters, een korte tijd Jeroen Overstijns, daarna Geert Buelens (over wie hij verder niets ging zeggen: die kreeg tegenwoordig al prijzen genoeg, grijnsde hij), Inge Arteel, Piet Joostens, hijzelf en wat later: Daniël Rovers, Sascha Bru en ik van de redactie deel uitmaakten. Het 'mimesis'-idee zoals dat binnen het toenmalige yang ontstond, bleek wonderwel aan te sluiten bij wat ik in de essaybundel De inwijkeling aan de orde had proberen te stellen, al was de werkelijke reden voor mijn toetreding van meer huishoudelijke aard: de toenmalige redactiesecretaris Tom Van de Voorde had vrij onverwacht aangekondigd er mee op te willen houden. Ik bood mijzelf aan. En belandde vervolgens ook in de redactie.

    Na B. las eerst Jeroen Theunissen voor uit zijn volgende week zaterdag te verschijnen bundel Het zit zo, en daarna was het woord aan Piet Joostens, die de 'mission statement' van nY voorlas — en na alles wat er gezegd was, kwam in dat statement de nadruk als vanzelf te liggen op de continuïteit. Als was het steeds meer van hetzelfde. Toch is dat niet zo. Wat de verschillende redacties uit de afgelopen 20 jaar van elkaar scheidt, is de samenstelling ervan, de persoonlijke inzet van een Stefan Hertmans, een Hans Vandevoorde, een Jürgen Pieters, een Geert Buelens of Bert Bultinck en de daaruit voortkomende dynamiek: de tegenstellingen, de overeenstemming, de energie. Ik denk dat de verjonging die nu in de redactie is ingezet, met Joostens als overgangsfiguur, uiteindelijk weer tot nieuwe vergezichten zal leiden — zelfs al zou men over twintig jaar vaststellen dat er ook in die periode steeds om hetzelfde gestreden is.

    Waarna ik mijn hutkoffer weer kon inpakken, iets lichter geworden nu, zij het dat de afname in gewicht teniet werd gedaan door de vanwege alcoholgebruik ingetreden spierverslapping. Men wordt uiteindelijk voor alles te oud, voor de redactie, voor het secretariaat. Misschien ook omdat men in het steeds maar weer willen verleggen en vervolgens ook verleggen van grenzen op een zeker moment op de grens stuit die men niet meer over wil (of kan) gaan?

    nY-04

  • Pin it!

    Naald


    Gisteren was ik in Apeldoorn. Niet om het een of ander en zeker niet vanwege wat er is voorgevallen. Mijn moeder woont daar. Die bezoeken we zo vaak als we kunnen. Ik deed mijn uiterste best om een route te vinden die me niet langs De Naald zou voeren. Ik had gehoord dat het er zwart zag van het volk. Ik stond al voldoende in de file. Ik nam dus op de A1 een andere dan de gewoonlijke afslag — om vervolgens natuurlijk toch op het parcours terecht te komen dat ook Karst T. had afgelegd — en derhalve uit te komen bij De Naald. Zwart van het volk, inderdaad.

    Hoewel ik het wel begrijp, is er toch ook altijd iets in mij dat zich verbaast over mensen die de plek des onheils staan te fotograferen. Ik heb geen talent voor toerisme, in welke vorm dan ook. H. wordt, vanzelfsprekend, enthousiast bij her en der opduikende zuiltjes — afgebrokkeld, omgevallen, het doet er niet toe. Rome is voor haar een Fundgrube, waarbij ruïnes meer zijn dan enkel het decor voor de geschiedenis, zoals dat voor mij geldt. Ze zijn de essentie van het verhaal dat ze erover kan vertellen. Voor mij zijn de verhalen zelf de essentie, de plek waar ze me verteld worden is meer een aardige bijkomstigheid. In die zin heb ik, zeg maar: 'literaire toeristen' ook nooit begrepen. Hier heeft Flaubert gewoond van dan tot dan. Hier gleed Harry Mulisch uit over een bananenschil. Flaubert woont in zijn werk, en als Mulisch al is uitgegleden dan toch eerder in een van zijn boeken.

    Ik bedoel: een plek heeft een verteller (vormgeving) nodig om mythische proporties aan te kunnen nemen (zie: Pavese). Dat is wat anders dan media-exposure

    Maar kom, ik chargeer. Ik begrijp het wel, die impuls om de plaats van de ramp te bezoeken, om deel te hebben aan de gemeenschap via een gedeelde ontzetting, hoezeer ook uitvergroot en in stand gehouden door de media. Dat heel Apeldoorn, of zelfs: heel Nederland 'getraumatiseerd' zou zijn, zoals hijgerige journalisten niet moe worden om te herhalen — dat geloof ik niet. In Amsterdam feestte men gewoon lekker door, want de burgemeester daar zag de bui al hangen: gelast de boel af en je zult iets meemaken waarbij 'de gebeurtenissen in Apeldoorn' verschrompelen tot een verstuikte enkel op zaterdagmiddag. Men moet het volk niet storen in zijn vaste voornemen feestelijk te zijn, zo zal hij gedacht hebben. Het zijn consumenten en die worden gevaarlijk als je ze hun snoepje afneemt.

    Voor de duidelijkheid toch maar even: ik wil niets afdoen aan wat er eergisteren voorviel in Apeldoorn. Het is maar dat de scheepstoeter van de media ons verplicht er meteen een meer algemene betekenis aan te geven, en dan vooral een betekenis die goed ligt bij diezelfde media. Fortuyn, Van Gogh, Karst T. zo heet het nu. Alsof er tussen die zaken ook maar enig ander verband is dan de bloedhonger van de media, die hun bestaansrecht voor een groot deel aan ramptoerisme ontlenen. En dat het nu de derde keer in relatief korte tijd is dat Nederland haar 'onschuld' kwijtgeraakt zou zijn, zo beweert vandaag een min of meer linkse intellectueel in de krant.

    In zo'n constatering schuilt me — naast sensatiezucht — net een beetje te veel nostalgie. De voorheen met veel aplomb door hetzelfde soort zich links noemende intellectuelen gebrachte boodschap dat Nederland een 'gidsland' was, 'tolerant' (altijd met verwijzing naar de 'gastvrijheid' in lang vervlogen tijden), 'vooruitstrevend' vooral ook, ligt aan de basis van een illusoire 'onschuld' die in werkelijkheid in Nederland nooit als zodanig heeft bestaan. Enfin, ik herkauw als ik zeg dat Nederland in zijn 'vrijheidslievendheid' vaak blijk heeft gegeven van een verstikkende neiging tot consensus (Scheffer), die de vrijheid om de eigen vooronderstellingen aan een kritisch onderzoek te onderwerpen zo goed al verbood. Censuur is in Nederland een sluipend gif, en wie het waagt om kritische kanttekeningen te plaatsen bij deze of gene als onomstotelijk gepresenteerde waarheid, wordt geconfronteerd met een 'wie niet voor ons is, is tegen ons'-mentaliteit. Om binnen mijn eigen tak van sport te blijven: het was in de jaren tachtig en negentig zo goed al onmogelijk om zelfs maar te opperen dat een schrijver misschien niet de vrijheid had, of zou moeten hebben (en vooral: zou moeten willen hebben), om om het even wat te beweren; of dat het 'postmodernisme', zoals dat door slecht-geïnformeerde scribenten in Nederland werd gecelebreerd als was het elke dag Koninginnedag, in de eerste plaats misschien morele vragen opwierp, of zou moeten opwerpen. Men werd uitgemaakt voor reactionair, voor iemand die terugverlangde naar de jaren Vijftig, en vervolgens gemarginaliseerd. U heeft niet de Juiste Opvatting. Met onschuld heeft dat minder van doen dan met zelfgenoegzaamheid en zelfoverschatting.

    Natuurlijk kun je die Karst T. best als een symptoom van onze tijd zien: als iemand zonder een werkelijk sociaal vangnet, bijvoorbeeld. Voor de instanties die we in de plaats hebben gezet van de door de individualistische westerling zo gehate 'sociale controle' was Karst T. waarschijnlijk veel te 'normaal'. Wie niet gillend en zwaaiend met een aardappelschilmesje over straat gaat, zwaaiend met een bh en met een oranje onderbroek op zijn hoofd — gesteld dat het niet net carnaval is (of Koninginnedag) — geldt tot nader order als hoogstens een beetje 'teruggetrokken'. En slaan bij zo iemand dan toch de stoppen door, dan blijkt hij of zij achteraf toch vaak 'een beetje zonderling' en 'vreemd' te zijn geweest, zo getuigen dan altijd 'de buren' — de inderhaast bij gebrek aan ander nieuws ingeroepen getuigen-deskundigen die de media in staat stellen hun programma's nog wat te rekken.

    De gedachte dat we alleen werkelijk bestaan in de ogen van anderen (die, om de beroemde scheelkijker nog maar eens van stal te halen, meermalen inderdaad 'de hel' kunnen zijn), maakt in een samenleving waarin alleen het enkelvoud telt al snel dat men zijn heil zoekt in wat misleidend genoeg 'reality tv' is gaan heten. Het brandglas van de media maakt het eigen bestaan pas echt tot werkelijkheid. TV, krant, radio als ontologisch bewijs voor het eigen bestaan. Daarom bestaan 'stille schrijvers' niet, om het nog eens over literatuur te hebben; er is daarbuiten geen gemeenschap meer waarin die stille schrijvers een bestaan hebben; alleen het lawaai telt.

    Ik ga hier natuurlijk niet beweren dat gemeenschapszin en sociale controle wondermiddelen zijn die dit soort uitwassen in de toekomst zullen voorkomen. Ik woon zelf in een buurt waarin het maar moeilijk is me te onttrekken aan tradities die niet eens de mijne zijn. Het Suikerfeest bijvoorbeeld. Er wordt gedurende het jaar geregeld aan de deur gebeld en, vanwege de taalbarrière, woordenloos een of andere Turkse pannenkoek (ik ken de juiste naam niet eens), baklava, of andere bij een zekere gelegenheid behorend eten overhandigd. Van ritueel geslachte schapen krijgen wij altijd ons deel: een glanzende lever, een lendestuk. En ooit was er hier ten huize bij het vertrek naar een of andere plek een dusdanig misverstand dat de voordeur van onze woning bij terugkomst vier uur later nog gewoon wagenwijd open bleek te staan ('ik dacht dat jij…' 'nee, jij zou…'). Wij repten ons naar binnen, maar de tv stond er nog, de laptop stond nog op de eettafel — niets was er verdwenen. Tegenover ons huis, op straat in het zonnetje, zat al die vier uren de complete Turkse buurt. Er had echt niemand die zij niet kenden het ook maar moeten wagen onze deur binnen te gaan.

    Wij zitten meestal in ons stadstuintje. Niet op straat. Maar erger nog, als het op gemeenschapszin aankomt: ik heb me al vaak het hoofd gebroken over de vraag wat in 'onze' cultuur aanleiding zou kunnen geven om met iets bij de Turkse buren aan te bellen. En ik weet het niet. Ook al niet omdat ik bang ben met varkenslapjes aan te komen draven en ze zo te beledigen (ik zal dat dan ook net níet doen, uiteraard). Maar ik realiseer me dat er in 'onze cultuur' (nogal een vergroving natuurlijk) nauwelijks gebruiken over zijn die we werkelijk delen met elkaar. Anders gezegd: ik ben even hard een product van die zich individualistisch noemende, op zijn 'onafhankelijkheid' en 'vrijheid' gestelde, van alle sociale controle wars zijnde geschiedenis die ik hier nu in vraag probeer te stellen. Het is dan ook — misschien ondanks de schijn van het tegendeel — geen dedain dat ik voel voor de ramptoeristen bij De Naald. Het is veeleer vertwijfeling.