• Pin it!

    De jeugd heeft de toekomst


    Gisteren was in De Singel in Antwerpen de uitreiking van De Inktaap, gewonnen door AFT met Het schervengericht. De AKO, Libris en de Gouden Uil zijn automatisch genomineerd voor die prijs, en scholieren mogen zich uiteindelijk voor één van die drie prijswinnaars uitspreken. D. Hooijer was vanwege ziekte afwezig, maar Van der Heyden en ik waren er wel. En zo'n duizend scholieren uit Nederland en Vlaanderen.

    Er leek me bij de presentatoren, of dan toch in ieder geval bij één van hen, aan het begin van de dag sprake te zijn van een zekere nervositeit, wat leidde tot een wat geforceerd ogende vlotheid op het podium. Die komt meestal neer op een anti-literaire houding in de hoop daarmee de pubers meer dan halfweg tegemoet te komen. Die houden niet van literatuur, immers? Die hebben wat beters te doen, niet waar? Het was ook de leutigheid waarmee de, toch wat matige zangeres van het Nederlandse groepje Roosbeef voor de dag kwam, en nog wat later ook al het wel uitstekende The Boney King of Nowhere in de persoon van zijn frontman Bram Vanparys, door op te merken dat hij al in tien jaar geen boek meer gelezen had. Ha. Ha. Tof man.

    roosbeef2

    inktaap_2009_21


    Misschien was dat ook de reden dat de organisatoren voor specifiek mij niet echt iemand hadden aangezocht voor een laudatio. Voor AFT sprak Jos Geysels een prachtige lofrede uit. Voor D. Hooijer deed Saskia De Coster dat. Maar toen het om mijn boek ging, hadden ze niets beters weten te verzinnen dan Luc de Vos uit te nodigen. Nu vind ik die jongen sowieso al een van de meest overschatte, zich muzikant, wie weet zelfs dichter en schrijver noemende sujetten van Vlaanderen, dus erg veel verwachtte ik er niet van. Maar zo weinig… De Vos beperkte zich tot de opmerking dat hij mijn 'uitstekende boek' natuurlijk wel gelezen had, maar dat hij geen 'exegeet' was, en daarom las hij maar een, ook nog abominabel slecht verhaaltje van zichzelf voor over wat kleine ervarinkjes die hij zelf dan zo in de jaren zeventig had gehad. Zo'n beetje. Min of meer. Leute. Ik overwoog even om maar op te staan en te vertrekken (AFT en ik zaten inmiddels pontificaal midden op het podium), maar beperkte me de eindeloze tien tot vijftien minuten dat dit heerschap saai en kleurloos stond te leuteren tot ostentatief sms'en naar H., bij wie ik dan maar alvast live mijn beklag deed (het was sommigen in het publiek niet ontgaan, vernam ik later). Wat een verwaten over het paard getilde eikel is die De Vos toch, om over de eikel die meende dat het een goed idee was om dat wonder van onanie hier het woord te geven maar te zwijgen. Al heb ik er uiteindelijk maar niemand op aangesproken. De organisatie zou de wenkbrauwen hebben opgetrokken. Luc de Vos, dat is toch… leuk? En dan, zoals ik Piet Piryns afgelopen week nog in een documentaire over Hugo Claus op tv hoorde zeggen: 'Schrijvers zijn altijd verongelijkt' — wat vast waar is.

    Weggegaan ben ik dus evenmin. Gelukkig. Want wat er verder die dag gebeurde, stemde bepaald vrolijk en zette de organisatoren van culturele evenementen wier enige zorg de laagdrempeligheid van hun aanbod lijkt te zijn, volledig in hun hemd. Het was me tijdens 'De Nachten' al opgevallen dat scholieren opvallend gul zijn in hun appreciatie en heerlijk direct in hun afwijzing — en dat bleek ook gisteren weer het geval. Maar de grootste ironie was wel dat de vragen die zij aan AFT en mij stelden (bij elkaar genomen duurde dat toch al gauw een uurtje of drie) door geen enkele interviewer nog gesteld durven worden — zeker niet als het om min of meer publieke aangelegenheden gaat (tv zeer zeker, radio ook inmiddels en zeker zalen met duizend man publiek). Stel je voor: het ging over stijl, het ging over motieven, het ging over politiek, over structuur, opbouw. Het ging kortom over de literaire middelen waarmee in Het schervengericht en Het grote uitstel de werkelijkheid een bepaalde gestalte had gekregen. Nieuwsgierigheid had de boventoon, en maakte het de andere presentator, Stijn Meuris, makkelijk om af en toe op dit of dat in te pikken en even het roer over te nemen. Nodig was dat echter niet. Opvallend was ook dat de zaal aandachtig bleef (voor de pauze de volle duizend man, na de pauze ongeveer de helft, omdat elders juryleden van de respectievelijke prijzen nog met elkaar en de scholieren in debat gingen over de gemaakte keuzes).

    inktaap_2009_25
    inktaap_2009_30


    Je moet bij zoiets altijd oppassen dat je niet te snel al te grote conclusies trekt, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de angsthazerij van allerlei zich progressief wanende didactici voor een niet gering deel verantwoordelijk is voor een stelsel-, nee zelfs systematische en zelf institutionele onderschatting van wat leerlingen van een middelbare school aan kunnen. Ik zag afgelopen maandag 'Tegenlicht' van de VPRO waarin Rob Wijnberg op zoek ging naar een antwoord op de vraag waar onderwijs nu eigenlijk voor bedoeld was. Daarin kwam de mij zeer aansprekende Britse socioloog Frank Furedi aan het woord, auteur van o.m. Where have all the intellectuals gone?. Hij had het onder meer over de angst voor autoriteit die nu al sinds de jaren zeventig het onderwijs gijzelt (misschien, bedenk ik me nu, omdat autoriteit en tucht met elkaar worden verward), over de instrumentalisering van kennis die meer 'pure' academische kennis onmogelijk maakt (kennis moet toepasbaar zijn, liefst direct toepasbaar), over kennis als product ook, over de leerling als passieve consument, over anti-intellectualisme en de in feite therapeutische atmosfeer die (ook alweer sinds de jaren zeventig didactiek) de schoolwereld beheerst: leerlingen moeten gelukkig zijn (wat betekent: zich verzoenen met hun omgeving, in plaats van dat die omgeving hen uitdaagt). Enfin, zijn boek heb ik in bestelling.

    intellectualscoverlarge


    Furedi werd in het programma tegenover ene John Moravec geplaatst, voorgesteld als 'onderwijsfuturoloog' al kwam hij niet echt veel verder dan het herkauwen van de ideeën van de didactici uit de jaren zeventig, en die — dat is zo merkwaardig van die zogenaamd vooruitstrevende didactiek — blijkbaar zelf niet inzag dat zijn ideeën niets anders waren dan het kopiëren van de consumentistische logica van het neoliberalisme binnen het raamwerk van de school. Op wat hij zich bij een school voorstelde, komt men in ieder geval nooit meer op het idee dat de wereld zoals ze wordt voorgesteld misschien wat minder noodlottig is dan belanghebbenden bij die wereld ons wel willen doen geloven; ze is er gewoon onderdeel van geworden. En ook typisch bij deze vertegenwoordiger van het anti-autoritarisme was het dédain voor iemand als Furedi, een dédain dat me alleen maar de inherente en zeer autoritaire bevestiging lijkt te zijn van zijn eigen gelijk.

    Ik voelde tijdens het kijken naar het programma mijn partijdigheid, daarin misschien nog wat aangevuurd door een open brief van een vriendin, Katrien De Paepe, die uiteindelijk gisteren in De Standaard werd gepubliceerd, geflankeerd door nog een andere open brief met ongeveer dezelfde strekking. De plannen van minister Frank Vandenbroucke deden mij al eerder ook de wenkbrauwen fronsen, want deze Vlaamse onderwijsminister, en (in dit geval moet je toch echt zeggen: helaas) socialist, lijkt vastbesloten om alle fouten die er in Nederland zijn gemaakt sinds de jaren zestig, nog eens dunnetjes over te doen in België. In zijn plannen zie je nog de contouren van de beruchte Contourennota van destijds minister Van Kemenade, die met plannen voor een 'middenschool' op de proppen kwam — en dat was op zich een nog verdere nivellering binnen het onderwijs zelf van wat al met de mammoetwet in '68 was begonnen. Zorgwekkender nog is dat de Belgische onderwijsinspectie al lang bezig is om 'heksenjachten' te organiseren 'op scholen die te veel literatuur onderwijzen of die té docerend te werk gaan' — dixit Katrien De Paepe. En sprekend als iemand die boeken als die van Furedi niet eens nodig heeft: 'De huidige trend van "vaardigheden" en "inspelen op de leefwereld van de kinderen" is een regelrechte onderschatting van de kinderen in kwestie. Als leraar moeten wij hen uittillen boven hun eigen evidenties en confronteren met moeilijkheden, vraagstukken en informatie. Alleen op die manier helpen wij hen over drempels en leren we hen omgaan met tegenslagen.'

    Iets soortgelijks in de daarnaast afgedrukte brief van Rita Bollaert:

    Doordat de wereld van de leerling het uitgangspunt voor het onderwijs geworden is, hebben we er zelf voor gezorgd dat leerlingen niet leren omgaan met frustratie, met het uitvoeren van een moeilijkere opdracht, met het verwerken van een repetitief element in de leerstof. Ze worden met andere woorden niet meer geconfronteerd met de minder leuke dingen in het leven. Zowel in secundair als in hoger onderwijs, maar evengoed op de werkvloer, blijven ze deze levenswijze als verworven recht opeisen (...)

    Wat jammer voor de beeldvorming is dat beide brieven afkomstig zijn van classici. Zowel Bollaert als De Paepe zijn leraressen oude talen, en dat maakt het voor de cynische buitenwacht en beleidsmakers misschien te gemakkelijk om het toverwoord van het 'elitisme' weer tevoorschijn te halen en zo de werkelijke discussie te ontwijken. In die zin is het jammer dat een zin die wel in het oorspronkelijke concept van Katrien De Paepe stond, de krant niet heeft gehaald. Schrijvend over de plannen zoals die door de minister zijn ontvouwd, stelde ze:

    Uw plan om de overgang tussen de lagere en middelbare school te versoepelen door middel van een nivellering van de eerste graad (waar onvermijdelijk de latere graden vroeg of laat op volgen), is een pijnlijke ontkenning van het reële verschil dat tussen mensen (in casu leerlingen) bestaat.
    Geen enkel schoolsysteem zal ooit in staat zijn om iedereen op elk moment het gevoel te geven dat hij er op zijn plaats is. Elke dag sta ik in de klas en steeds opnieuw stel ik vast dat leerlingen even verschillend zijn als zij talrijk zijn.
    Dat elke lijn die u probeert te trekken tussen onderwijsniveau’s (BSO, TSO, ASO), artificieel is, zal zeker waar zijn. Een andere zaak is dit te willen voorstellen als een groot probleem dat we slechts kunnen oplossen door alle lijnen weg te vegen en eenheidsworst aan te bieden aan iedereen. U doet dit graag onder het mom van sociale gelijkheid, maar is het niet een beetje sluw om de mensen in deze val te lokken?


    Zoals bij veel (de leerkracht als autoriteit, de vroegere ontoegankelijkheid van met name het hoger onderwijs voor lagere sociale klassen) is de gevonden remedie niet zelden erger dan de oorspronkelijke kwaal gebleken. En het blijft onbegrijpelijk dat een Vlaams onderwijsminister, met een rampzalig voorbeeld als het huidige Nederlandse onderwijs direct om de hoek, de door de socialisten geadopteerde mantra blijft herhalen, zelfs zonder in te zien dat hij daarmee kinderen opvoedt tot niet meer dan botte consumenten.

    Maar ze zijn tot andere dingen in staat. En dat bleek me dus gisteren en het ontroerde AFT zelfs, zo zei hij in zijn dankwoordje, omdat je als schrijver nooit meer, nergens meer zoiets meemaakt: de onbevangenheid van jonge mensen die niet worden gehinderd door de bekrompen angst van de culturo's overal ten lande. Het was ook daarom dat ik negatief antwoordde op een vraag van Meuris: of ik niet ook het idee had dat de generatie die daar in de zaal zat eigenlijk veel lethargischer was dan wij, dan de hemelbestormers die wij zelf geweest zouden zijn in de jaren zeventig. Nee, zei ik ongeveer, ik geloof dat het engagement van deze nieuwe generatie nog steeds even groot is, maar het verschil is dat hun bevlogenheid zich richt op het redden van specifiek dit bos of die diersoort, of het afzweren van specifiek dat soort energievoorziening — dat hun protest en hun betrokkenheid niet meer is ingekaderd in een meer algemene ideologie, en dus veel incidenteler lijkt. Het verband is zoek (dat hebben 'wij' vakkundig voor hen zoek gespeeld), maar niet de wil om de wereld zoals ze wordt voorgesteld te veranderen, ook al is de idee van enige wereldrevolutie dan misschien achter de horizon verdwenen.

    Een klein voorbehoud bij dit alles: natuurlijk zaten daar duizend leerlingen die voor deelname aan De Inktaap hadden gekozen, en daaronder waren er nog genoeg die vonden dat de respectievelijke jury's nu niet de meest aantrekkelijke boeken hadden gekozen. Maar zelfs met die kanttekening: de aandacht van de zaal bij wat AFT en ik zoal te vertellen hadden, was onmiskenbaar. En daar kon zelfs het obligate literature bashing van popmuzikanten niet tegenop.

  • Pin it!

    Afwezigheid


    Wat is het beste: de leugen die verzacht of de werkelijkheid die angst inboezemt? We hadden haar al dagen voorbereid op een kleine ingreep in het ziekenhuis. Ze ging even slapen. Dan ging ze wakker worden. En dat was dat. Dat even slapen werd in tekst en tekeningen aanschouwelijk gemaakt in een boekje dat door het ziekenhuis in kwestie zelf was geschreven, een boekje waarin een monter jongetje onder lichte narcose wordt gebracht, weer ontwaakt en al 's avonds thuis pannenkoeken eet met zijn nieuwsgierige zusje. Het jongetje vraagt, op weg naar de operatiekamer, of het erg is dat hij een beetje bang is (natuurlijk niet!), maar voor het overige refereert niets in dit boek aan iets angstwekkends dat te gebeuren staat.

    Ik heb de narcose ooit goed bestudeerd. Voor de roman Wild vlees maakte ik een afspraak met een anesthesiste in het ziekenhuis van Dokkum. Die leidde mij welwillend rond. Ze wees op de vierkante en ronde aankoppelingsstukken, opdat een anesthesist niet per ongeluk zuurstof met wat anders verwart — iets wat vroeger regelmatig voorkwam, zei ze. 'Vroeger deed de portier vaak de verdoving', zei ze, en lachte krakend. 'Als het mis ging, zeiden ze dat de patiënt niet tegen de narcose had gekund.' Ze draaide wat aan een kraantje en er ontsnapte sissend enig gas. Ze had een benig voorkomen, een erg geprononceerde schedel op een schriele nek, dunne magere vingers en haar heupbeenderen staken duidelijk zichtbaar door haar jeans. Ik verzin niks.

    Ze vertelde met enig genoegen over een beginnersfoutje dat ze vroeger zelf had gemaakt: vergeten de ogen van een patiënt af te plakken tijdens de narcose. Die ogen waren al spoedig volledig verdroogd geweest. 'Nou, dat ben ik sindsdien nooit meer vergeten, kan ik je zeggen,' lachte ze. Dan weer serieus: 'Eigenlijk maken wij patiënten half dood'. Ze keek nadenkend naar de operatietafel. 'We laten de temperatuur dalen tot een nog net aanvaardbaar minimum. Soms gaat het maar om één graad — het verschil tussen leven en dood.' Ze had te veel tanden, vond ik. 'Natuurlijk alleen bij zware operaties.' Natuurlijk.

    masker


    Ze had er zin in, deze vrouw. Ze hield van haar werk. Mensen laten balanceren op de rand van hun eigen leven. Daar de macht over hebben. Ik had het gevoel dat ik ontsnapte toen ik terug in de auto naar Leeuwarden reed, waar ik toen woonde.

    Van de keren dat ik zelf onder narcose ben geweest (twee keer zwaar), herinner ik me merkwaardig genoeg mijn eigen afwezigheid — al is dat niet mogelijk. Het is niet zozeer een zwart gat zonder tijd of ruimte. Al evenmin wordt er gedroomd. Er was niets terwijl er tijd verstreek. Denk ik. Dat was de verschrikking: de duur ervan. Of het gevoel van de duur ervan. Of de suggestie dat je de duur had ervaren.

    Ik herinner me vooral mijn verzet vlak voor dat duister inviel: de immense paniek die waarschijnlijk doodsangst is; en de vooral fysieke wil tot het einde te vechten. Iets in ons lichaam, iets dat wij misschien nog meer zijn dan wat we ons denkend bij onszelf voorstellen, neemt het van ons over. En vecht.

    Dat zag ik vanochtend ook in die helderblauwe ogen van haar, in dat zich plotseling schrap zettende kleinemeisjeslijf. Er was iets van verbijstering dat 'even slapen' hier op uitdraaide. Dat niet zij het was, of iets in haar, dat inkeerde. Maar dat het haar werd aangedaan. Dat ze verraden werd, zelfs — al kan dat mijn inbeelding zijn.

    Ik stond daar maar wat en hield haar ene hand vast, die zich los trachtte te rukken, terwijl ze met haar andere hand, die al spoedig door een assistent werd vastgepakt, om zich heen begon te maaien. Rustig maar, zei ik misschien, of iets anders stompzinnigs dat bedoeld was haar te laten weten dat het Goed zou komen. Maar de anesthesiste (een kindvriendelijke uitvoering deze keer) zei iets wat ik zelf al zag: 'ze ziet en hoort u al niet meer'.

    Ze zag en hoorde mij niet meer — nee, maar ze was nog niet weg. Ik zag haar in een eenzaamheid die we misschien allemaal het meest van al vrezen: voorbij het punt waarop van anderen nog redding te verwachten valt, voorbij elke mogelijkheid op terugkeer ook. Ik zag haar in haar eigenste vrije val.

    Een half uurtje later zat ik al naast haar in de Recovery, zoals dat heet. En er was veel verdriet. Uren verdriet. En uiteindelijk, weer hier thuis, bij de door haar zelf gekozen 'vogelnestjes met pasta', de conclusie: dat boeken de waarheid niet vertellen, dat ze verraden was door een monter jongetje. Want dit was toch wel heel iets anders dan ze had gedacht. Veel erger was het. Dit was niet even slapen geweest. Onduidelijk wat dan wel, maar iets in haar lijkt voortaan weet te hebben van een waarheid die zich door geen goedmoedige leugen meer laat temperen. En misschien had ik haar daar het liefst voor willen behoeden, als dat maar niet weer verraad aan het leven zelf was geweest: aan de vrije val die ons uiteindelijk pas werkelijk menselijk maakt. Misschien.

    18032009(003)