• Pin it!

    Luid


    screenshot_53


    Opmerkelijk stuk van de ‘stille sterke schrijver’ David Nolens in De Morgen van vandaag: ‘Wie breekt mij de mond open?’ Hij antwoordt op een opmerking van Dirk Leyman in ‘Uitgelezen’ van, ik denk vorige week: de boekenbijlage met de lijstjes: of de stille sterke schrijvers ook eens hun mond willen roeren. Een beetje een gotspe toch, komend van een recensent die zich in zeer korte tijd tot de Petrus van ons deerlijk onttakeld letterlandje wist op te werken en dus zelf aan de poort staat. Ik heb nu alweer spijt dat ik, naar mijn gewoonte, niet aan die lijstjes heb bijgedragen. Ik had zeker David Nolens’ vrijwel onzichtbaar gebleven boek Stilte en melk voor iedereen genoemd als een van de sterkste boeken van 2008. Hoe beschreef Erik De Smedt dat ook alweer in de Leeswolf (een bijdrage die misschien aan David Nolens voorbij is gegaan, want hij noemt hem niet)? ‘Geschreven met een gedrevenheid die je zelden tegenkomt’; en: ‘een roman zoals er maar één in de tien jaar wordt geschreven’.

    Nolens_stilteenmelk


    Die spijt wordt nog groter wanneer ik me realiseer dat juist een opmerking als die van Leyman duidelijk maakt tot hoe weinig de literaire pers nog maar in staat is. Want natuurlijk is het niet aan de schrijvers om stampij te maken rond hun eigen produkten, zoals dat tegenwoordig heet. Men kan dat proberen natuurlijk, en vooral op het internet wemelt het van de websites die, niet zelden onder het mom een algemeen belang te dienen, vaak vooral de spreekbuis zijn van het minimale talent van hun bezielers. Maar dat werkt niet echt. Hoezeer de algemene kwaliteit van de boekenbijlagen er, laten we zeggen: de afgelopen tien jaar, ook fors op achteruit is gegaan, ze blijven tot nader order nog steeds bepalender dan welk persoonlijk intiatief ook. Denk bijvoorbeeld aan de succesvolle lancering van Erwin Mortier door De Morgen destijds; zonder die (soms wat beschamende, want volstrekt kritiekloze) ruggensteun (het ging veeleer om een bewuste hype) was ook hij wellicht zo’n stille, wat precieuze schrijver gebleven, wiens woede jegens de wereld grotendeels binnenskamers gebleven zou zijn — en dat laatste was toch jammer geweest (hij kan zich prachtig boos maken). In die zin had ik van de mij geboden gelegenheid gebruik moeten maken, ook al ging het dan om de in mijn ogen altijd wat debiele lijstjesmanie aan het eind van ieder jaar.

    En wat nu als David Nolens wél stampij had gemaakt, had staan rammelen aan de poorten van De Standaard en De Morgen, de redacties van Humo en Knack had bestookt? Was dat dan een garantie geweest voor aandacht, laat staan: de juiste aandacht? Zoals zo vaak bestaat er bij wat ik nu maar even in het algemeen ‘de media’ noem al op voorhand een bepaald beeld van die of die persoon — op niets gebaseerd vaak. Nolens was, al had hij uit zijn vel springend en met de broek op zijn knieën, zwaaiend met zijn geslacht en in het bezit van een megafoon de gebouwen van de diverse media bestormd — Nolens was en blijft ‘een stille schrijver’ die ‘moeilijk uit zijn woorden komt’ en nog meer onzin. ‘Niet mediageniek’, kortom. Je zou toch verwachten dat mensen die de literatuur een warm hart toedragen wat minder in de pas lopen met de in se commerciële eisen die het medium waarbinnen ze werken aan hen stelt. Recensenten zijn dienaars van de markt geworden, niet meer degenen die met enig gezag kunnen bepalen wat er op de marktplaats voor kwaliteit doorgaat.

    Recensenten zijn uiteraard onderhorig aan wat redacteuren bepalen, die zelf weer onderhorig zijn aan wat directies willen, en die hebben weer hun verantwoordelijkheid jegens eigenaren en/of aandeelhouders. Als niemand in die hiërarchie, en vooral: niemand uit de hogere echelons zich sterk maakt voor de kwaliteit van een en ander, heb je je als laagste in de voedingsketen maar te voegen naar wat men van hogerhand beslist: zo slinkt de omvang van recensies van 1000 naar 500 woorden — dat is nog goedkoper ook. Nog maar recentelijk zat ik samen met Liesbeth Van Impe, politiek redacteur van De Morgen, in de studio’s van Klara (ze had me uitgenodigd in een programma waarin zij zelf de hoofdgaste was, liever: zal zijn; het programma, Transit, wordt 2 januari uitgezonden), en had het nadien onder meer over de rampen die De Morgen nu weer boven het hoofd hangen. Wat daar nu de complete redactie overkomt (inkrimping van het personeelsbestand met bijna 35%, verhuizing naar een andere lokatie, innige samenwerking met een krant uit dezelfde Persgroep, die echter ideologisch en anderszins van een andere planeet is), is wat de krant zelf al jaren met haar boekenbijlage heeft gedaan. De kwaliteit wordt te grabbel gegooid voor een paar stuivers meer.

    51aEBedY1OL._SS500_


    We weten dat allang met zijn allen. Liesbeth Van Impe gaf me tijdens de uitzending een cadeau — een boek natuurlijk, ‘het beste nonfictieboek van het afgelopen jaar’, zei ze: Flat Earth News van Nick Davies. Ik ben er nog niet aan toegekomen er volop in te lezen, maar de eerste dertig pagina’s maken iedere scepticus nog sceptischer, iedere cynicus nog cynischer en iedere pessimist suïcidaal. Iedereen die werkzaam is in die wereld zoekt naar lichtpuntjes of voelt zich genoodzaakt op te merken dat het ‘nog wel meevalt’ — een opmerking die gewoonlijk meestal wordt gemaakt wanneer de toestand rampzalig is.

    Je ziet dat ook gebeuren als het om de literatuur gaat. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het, als altijd, wanhopig optimisme van Dirk van Weelden in zijn pamflet Literair overleven, waarin elke strohalm wordt aangegrepen om de kracht, de kennis en de rijkdom van een literatuur die, in Van Weeldens (maar ook mijn) visie weerbaar en bemoeizuchtig zou moeten zijn, te benadrukken tegenover de krachten die nu juist met een dergelijke literatuur het liefst zo snel mogelijk afrekenen. Het optimisme werkt aanstekelijker dan de zoveelste jeremiade natuurlijk, maar het kan niet verhullen dat het voortkomt uit de constatering dat in de huidige samenleving literatuur geen plaats meer lijkt te hebben, of dan toch in ieder geval de plek is kwijtgeraakt die claims op kracht, rijkdom, kennis, weerbaarheid en bemoeizucht nog enige betekenis gaf. Het niche-denken als rechtvaardiging voor marginaliteit, of de theorie van de lange staart van Chris Anderson bijvoorbeeld.

    Literair overleven_1


    Die laatste gaat uit van een model waarin er (in de VS) van slechts tien boeken een miljoen of meer exemplaren worden verkocht, van rond de vierenzestig boeken tweehonderdvijftigduizend tot een half miljoen, en dan is er een lange, lange staart waarin van steeds meer boeken steeds minder worden verkocht. ‘Zoals dat gaat in visionaire boeken van zakelijke goeroes, zet Anderson de uitersten met cartoonachtige helderheid tegen elkaar af’, schrijft Van Weelden, om hier zijn handzame samenvatting maar even te gebruiken. ‘Aan de ene kant staat de logge, stomme, oude economie, die alleen in termen van schaarste denkt en er altijd op uit is iets te bedenken wat one size fits all is en automatisch concludeert dat als iets geen hit is, het een flop is en dus zonder waarde, en dat wat niet snel populair wordt, geen kwaliteit heeft. Aan de andere kant staan de nieuwe, slimme, volgens de logica van het internet denkende ondernemers, die doorhebben hoe je in nichemarkten vraag en aanbod op een nieuwe manier aan elkaar koppelt: niet door te proberen te voorspellen wie wat zal willen kopen (via contacten met scouts, redacteuren, inkopers, verkopers, adverteerders), maar door achteraf te kijken naar het gedrag van klanten zoals dat is af te lezen aan weblogs, de uitgewisselde lijsten favorieten, de besprekingen en aanbevelingen die klanten achterlaten en het verkennen van hun eigen omgevingen en contexten op het web. (…) Flikker de tussenpersonen eruit, dat is de slogan die ondernemers volgens de lange staart in het hoofd hebben.’

    Veel meer dan een poging om literatuur als handelswaar te redden binnen een onveranderlijk als dominant geponeerd marktdenken dat zelf weer wordt aangestuurd door een welbepaalde ideologie — veel meer dan dat is dit niet (waarbij recentelijk dan ook nog eens onderzoeken opdoken die de hele theorie op de helling zetten: de staart blijkt eerder gecoupeerd te worden dan Anderson beweert). Maar juist Van Weeldens eigen omschrijving van literatuur maakt duidelijk dat haar core business nu juist die ideologische vooronderstellingen zijn. Favorieten, besprekingen en aanbevelingen van klanten hebben tot nu toe op mij maar heel weinig indruk gemaakt, juist ook omdat een willekeurige consument vrijwel nooit verder komt dan zijn eigen, uiterst subjectieve, al dan niet ontwikkelde smaak, die meestal wordt geformuleerd binnen een context die het ‘voor elk wat wils’ dwingend oplegt, en zo elke serieuze discussie uitsluit. Het leidt in die zin tot nog verdere marginalisering.

    Of het een serieus tegenwicht kan bieden, een daadwerkelijk voldragen alternatief gaat worden, staat nog te bezien, maar al sinds 2007 wordt er achter de schermen getimmerd aan een website die de lacunes die de papieren boekenbijlagen hebben gelaten, zou willen opvullen. Het is een initiatief van een aantal literaire tijdschriften uit Nederland en Vlaanderen, waaronder Parmentier, de kringen rond het voormalige Raster, DW B, yang, Nieuwzuid — niet met de bedoeling om de respectievelijke redactionele lijnen op de voorgrond te plaatsen (bijna al die tijdschriften hebben of hadden hun eigen reviewafdeling waarin men de eigen visie op literatuur kon en kan uitdragen), maar om een boekenbijlage op het net te brengen — een bijlage waarin recensies zomaar 1500 of 2000 woorden kunnen bedragen, geschreven door professionele critici uit alle windrichtingen, critici die voor een deel ook nu nog in kranten schrijven, maar daar allang niet meer kwijt kunnen wat ze er kwijt zouden willen. De voorbereidingen voor die site zijn inmiddels ver gevorderd, in het stadium van geldschieters (want de recensenten moeten, min of meer, naar behoren betaald worden) en webdesign. De Reactor, zoals het heet, zou in die zin de blijkbaar eerder aan aandeelhouders dan aan kwaliteit verplichte kranten eindelijk van al die lastige boekenbijlagen kunnen verlossen. Ik hoop in ieder geval dat het een site wordt die ik wél weer graag lees, in plaats van de boekenbijlagen bij de kranten, waarbij ik me steeds weer afvraag voor wie die nu eigenlijk zijn bedoeld.

    En het zou ook een site kunnen zijn waarop de ‘stille schrijvers’ gewoon in hun stilte mogen berusten vanuit de gedachte dat hun boeken luid genoeg spreken. Om mijn verzuim in de krant dan nog enigszins goed te maken, ook al is het dan maar hier: David Nolens’ Stilte en melk voor iedereen doet dat ruimschoots.

  • Pin it!

    Koper & As


    radioboeken

  • Pin it!

    Het geluk van de prijs

    Verschenen in: Nieuwzuid # 32, jrg 8, 2008, pp. 42-53


    Op 29 maart 2008 won ik De Gouden Uil Literatuurprijs. Het was een mooie avond. Het live tv-programma waarin de uitreiking bekend werd gemaakt was, ondanks de minutieuze voorbereiding van alle betrokkenen, een farce zonder einde, en ik prees mij gelukkig er deel van uit te maken en er zelf niet naar te hoeven kijken. Het commandoapplaudisseren was een geheel nieuwe ervaring en ik hield de juffrouw die ons tot die activiteit dwong scherp in de gaten om op het juiste moment het geëiste enthousiasme te betonen. Ik had mij voorgenomen geen spelbreker te zijn. Niet de toeschouwer die in een theaterzaal na een werkelijk abominabele voorstelling blijft zitten zonder te applaudisseren, ook al staat de rest van de zaal — meer uit gewoonte dan uit werkelijke appreciatie voor het vertoonde — recht voor een staande ovatie. Niet de lezer die zuinig reageert op wat in letterland als alweer een sensatie zonder weerga aan de man wordt gebracht. Niet de schrijver die voor het oog van de camera sombere cultuurpessimistische analyses ten beste geeft over de deplorabele staat van onze spektakelbeschaving en de pletwals van het neoliberalisme en Q.E.D en godverdomme en enzovoort. Nee, ik deed lekker mee.

    Dat viel me overigens licht. Meespelen met het spel van De Gouden Uil (of van een van de andere groot genoemde commerciële literaire prijzen van de lage landen) is eenvoudig als je zeker meent te weten dat je geen kans maakt. Dat was in een aantal scheve beschouwingen in de kwaliteitskranten van Vlaanderen op voorhand een uitgemaakte zaak. De toon van die stukken was beschuldigend. Ik had een boek geschreven. Dat boek was genomineerd voor Vlaanderens grootste literatuurprijs. Beide zaken vielen mij behoorlijk aan te rekenen. Ik was immers ‘een volmaakt onbekende schrijver’. Wat verbeeldde ik me wel? Een beetje boeken schrijven en genomineerd worden — het moest verdomme niet gekker worden! Er waren hier wetten met voeten getreden, begreep ik. En ik mocht dan ook in geen geval winnen. De toon was zuur en benepen.

    Ik beschouw mijzelf als een realist. Ik beschouw mijzelf ook als een romanticus. Ik ben realistisch genoeg om te weten dat de romanticus in het huidige tijdsgewricht het onderspit delft, maar te romantisch om me daar bij neer te leggen. Zo schrijf ik vanuit ‘een existentiële behoefte’. Ik excuseer me daarvoor. Het zou nog te vergeven zijn als die ‘existentiële behoefte’ een pose was waarmee ik op een uitgekookte manier aan het schrijverschap de glans van een innerlijke noodzaak gaf. De behoefte als handigheid, als imago. ‘Het publiek’ wil immers dat bijvoorbeeld dichters gevoelige mensen zijn die in verzen hun emoties tot uitdrukking brengen, en dat romanschrijvers het in hun boeken vooral over hun eigen leven hebben. ‘Het publiek’ eist echtheid. (Ik schrijf ‘het publiek’, maar ik bedoel natuurlijk de constructie, zeg maar gerust: fabricatie van dat ‘publiek’ in de media). Maar ik vrees dat ik het meen. Het ene boek komt uit het andere voort en de eventuele ‘urgentie’ ervan beantwoordt niet meteen aan wat de journalistiek in dezen eist, al is het prettig als het een eens een keer met het ander samenvalt. Niets beter voor een schrijver dan wanneer een van zijn boeken gemakkelijk te reduceren valt tot wat de journalistiek net op die dag tot het meest relevante item heeft verklaard.

    Dat bedoel ik met realisme. Als een journalist (en als ik schrijf ‘journalist’ bedoel ik in de eerste plaats literair journalist) Het grote uitstel reduceert tot een afrekening met mei ’68, ga ik dat niet tegenspreken — zeker niet wanneer die opmerking wordt gemaakt op een moment dat overal wordt herdacht dat veertig jaar terug jongens en meisjes in de straten van Parijs barricades opwierpen en zo de inmiddels archetypisch geworden soixante-huitard in het leven riepen. Ik ben erg meegaand.

    Dat was ik ook toen mij in de aanloop naar het tv-programma duidelijk werd dat daarin een live interview zou plaatsvinden — ‘van vier minuten’, zei presentatrice Fien Sabbe, en ze verontschuldigde zich. Zo werkt het. Vier minuten een schrijver aan het woord laten, dat is voor de formatdenkers bij een meerwaardezender als Canvas waarschijnlijk al een ontoelaatbare kwelling; ‘het publiek’ zal wegzappen. Vier minuten aan het woord zijn binnen het opgelegde format is voor een schrijver een al even grote kwelling. Breedsprakig als wij zijn, zien we ons gedwongen tot oneliners, bon mots, kruidige sententies, waarin we enerzijds onszelf en ons werk danig dienen te relativeren, terwijl we anderzijds alle romantische clichés die rond het schrijverschap hangen zorgvuldig in ere moeten houden. Inspiratie, doorleefdheid, lijden, autobiografie. De dood en de belastingen. Geen sinecure. En om nu te vermijden dat ik de loop van het programma zou verstoren door tijdens die vier minuten te beginnen aan een van die hemeltergend aarzelende, zoekende, zich nu eens in deze dan weer in die richting begevende, haperende, zichzelf continu onderbrekende meervoudig samengestelde en over zichzelf struikelende volzinnen van mij, dat alles in een poging om er eindelijk achter te komen wat het eigenlijk precies was dat ik probeerde te zeggen — om te vermijden dat mijn schriftelijke natuur hardhandig zou botsen met de mij op dat moment volledig definiërende beeldcultuur en de presentatrice zich gedwongen zou zien mij te onderbreken (omdat de tijd verstreken was, omdat niemand er nog een touw aan vast kon knopen, omdat de regisseur in haar oortje stond te foeteren, omdat de applaussergeante achter de camera’s met haar vingers veelzeggende gebaren over haar keel maakte, allemaal zaken die ik overigens al wel eens in radiostudio’s heb meegemaakt) — om dat en nog andere dingen te vermijden, vroeg ik Fien Sabbe om vantevoren alles met mij door te lopen: een gesprek van ruim een half uur ten behoeve van vier minuten min of meer soepele televisie.

    Ik herhaal dat ik van goede wil ben. Niemand is er bij gebaat als een van de gasten in zo’n live-programma tegendraads gaat doen — wat welbeschouwd alleen in live-programma’s mogelijk is. Laten we het leuk houden. Het is maar een spel. Het Spel Van De Grote Literaire Prijs. Iedereen doet mee. Burgemeester van Antwerpen is er (die mij overigens niet feliciteerde). De minister van cultuur (die mij wel feliciteerde). Enkele politici (die buiten verkiezingstijd wel willen toegeven dat ze lezen, ‘de mensen’ vergeten dat wel weer). De incrowd die in praatprogramma’s optreedt als presentator en vervolgens als gast van weer een andere presentator die ze zelf eerst als gast in hun eigen praatprogramma hebben gehad. En de literaire pers is er ook, natuurlijk — tot het uiterste gespannen of hun kritische woorden jegens deze en gene onder de genomineerden en hun duidelijke voorkeur voor die of die winnaar die avond bewaarheid zullen worden. Dat geeft gezag.

    Dat laatste woord geeft al aan dat het spel niet onbelangrijk is. De Gouden Uil Literatuurprijs, of de Libris-prijs, de VSB Poëzieprijs of de AKO Literatuurprijs bewijzen alle dat het postmoderne adagium dat al onze werkelijkheden uiteindelijk maar ficties zijn, op zijn minst voor een deel zelf naar het rijk der fabelen verwezen moet worden. Binnen de fictie van onze werkelijkheid zijn zij de belangrijkste literaire prijzen van dit moment — belangrijker dan de P.C. Hooft- of Constantijn Huygensprijs, belangrijker dan de Bordewijk- of de Paul Snoekprijs, en zelfs belangrijker dan de Prijs der Nederlandse Letteren, om er willekeurig een paar te noemen. Het is vanuit weer een andere werkelijkheidsopvatting, bijvoorbeeld vanuit mijn eigen door allerlei romantische noties over literatuur aangestuurde werkelijkheidsopvatting, eenvoudig om daar de nodige kritische kanttekeningen bij te plaatsen en bijvoorbeeld te beweren dat een Huygensprijs mij op grond van de samenstelling van de jury meer gericht lijkt te zijn op het beoordelen van zuiver literaire kwaliteit dan de AKO of De Gouden Uil, waar er bij de samenstelling van de jury toch altijd op zijn minst de verdenking bestaat dat het commerciële belang van de geldschieters boven het literaire belang van het bekroonde boek gaat. Maar de werkelijkheid waarin ik leef, heeft daar anders over beslist. Of laat ik het dan toch weer zo zeggen: de tot ‘onze’ werkelijkheid verdichte fictie heeft daar anders over beslist. Want als iemand met romantische noties kun je in die werkelijkheid alleen standhouden wanneer je je er continu van bewust bent dat de schijn van absolute waarheid die zij heeft, uiteindelijk toch maar… fictie is, een eenvoudig te doorprikken illusie (het deconstructivisme is een uitloper van de romantiek). Als je dat voor jezelf vol kunt houden én je bent er tegelijkertijd van doordrongen dat jij het spel onmogelijk kunt winnen — en je kunt dat, gezien de ongeschreven, maar wel makkelijk te reconstrueren spelregels zelfs begrijpen: ‘een volmaakt onbekende schrijver’ immers, van wie al op voorhand vaststaat dat hij niet mediageniek is (al is er geen medium dat dat ooit werkelijk op de proef stelde; het is enkel beeldvorming) — dan stijg je gemakkelijk tot Olympische hoogten: deelnemen is belangrijker dan winnen. En alles wordt dan toch nog wat het steeds bedoeld was te zijn: amusant.
    [Al dien ik daaraan toe te voegen dat het gegeven dat men voor een nominatie van De Gouden Uil blijkbaar nominatiegeld krijgt (€ 1500; ik wist dat niet), dat er een hotel geregeld was én er een afterparty in het vooruitzicht was gesteld, wel meehielpen om van een prijsuitreiking waar men zelf meent geen enkele kans te maken, een gezellig avondje uit te maken].

    coverjg8_nr32-thumbnail


    Toen Marc Kregting in 2004 Zij zijn niet van Jeremia publiceerde, een af en toe kwalijk uit de bocht vliegend pamflet over het reilen en zeilen binnen de wereld van de literaire uitgeverijen, stond daarin een aantal pijnlijke waarheden. Eén daarvan was die over de status van een auteur binnen de pikorde van een uitgeverij. Er wordt aan auteurs een A, een B of nog een andere status toegekend, zo stelde hij. De gerealiseerde verkoop is hier een belangrijke factor (een bestsellerauteur heeft vanzelfsprekend een hogere status binnen het bedrijf dan een matig verkopende, laat staan een slecht verkopende auteur), maar daarnaast is een en ander ook afhankelijk van wat Kregting de charismatische, institutionele of wereldlijke consecratie van de auteur noemde. Daarvan is sprake wanneer de auteur ‘beroepshalve huist op plateaus op weg naar “de canon”’, bijvoorbeeld recensent is of wetenschapper, of kan gelden als ‘spin in het web, inclusief een smell of succes’ [sic]. Is er van dat alles geen sprake, dan is de auteur tweederangs, ‘welk epitheton uiteraard geen verband houdt met de kwaliteit van zijn teksten.’ (Kregting 2004:p. 30-31)

    Men kan op Kregtings pamflet de nodige kritiek hebben [ik heb die destijds geformuleerd in: ‘De ficties van de werkelijkheid’; in yang, jrg. 41, nr. 3, oktober 2005, p. 433-440.], maar om mijn eigen ervaringen als B-statusauteur kan ook ik niet heen. Van mijn respectievelijke Nederlandse uitgevers kreeg ik steevast te horen dat ik een fantastisch boek had geschreven, maar noch in de catalogus, noch op een andere wijze werd er voor het fantastische, nee ‘het beste dat ik in jaren gelezen heb’-boek ook maar enige moeite gedaan. De enige keer dat ik daar werkelijk protest tegen aantekende, was toen in 1998 mijn eerste roman Wild vlees verscheen. Het was, na twee dichtbundels, mijn derde publicatie bij De Bezige Bij — een uitgeverij die eind jaren negentig nog de nodige moeite had met de overschakeling van het idealistische coöperatiemodel (ook al functioneerde dat toen al jaren niet werkelijk meer) naar het geoliede concern dat het nu lijkt te zijn. Het literaire tijdschrift Parmentier, toen onder redactie van Marc Beerens, Jos Joosten, Ellen Krutwagen en Frank Tazelaar, maakte eind 1997 een nummer over theaterteksten en in het kader daarvan werd aan regisseur Jeroen Kriek van het theatergezelschap Growing Up in Public gevraagd om een literaire tekst te bewerken tot toneelstuk. De keuze viel op het op dat moment nog niet gepubliceerde Wild vlees. De uitvoering van de door Kriek bewerkte tekst vond plaats in december 1997, en hoe ik ook bad en smeekte, de uitgeverij was niet bereid om ervoor te zorgen dat er op die dag reeds een aantal boekjes aan de kassa van de schouwburg zou liggen. ‘De geplande datum van verschijnen is maart 1998’, zo kreeg ik te horen, en dat zij als uitgeverij gehouden waren aan hun afspraken met de boekhandel. De auteur was van secundair belang.

    Toen twee jaar later Marita de Sterck bij uitgeverij Querido een jeugdboek (voor 14+) uitgaf onder de titel Wild vlees en ik daarvan nog voor publicatie lucht had gekregen, vroeg ik de uitgever of hij protest wilde aantekenen bij Querido en zelfs moeite wilde doen om uitgever en De Sterck tot een andere titel te bewegen. Ik kreeg niet zozeer nul op rekest; ik hoorde helemaal niets. Voeg daarbij dat ik in één jaar tijd met drie verschillende redacteuren te maken kreeg van wie ik aan de laatste, nadat die het typoscript van mijn essaybundel De inwijkeling had gelezen, omstandig moest uitleggen wie Frans Kellendonk ook alweer was, en het is misschien te begrijpen dat ik het bij die uitgeverij voor gezien hield. Er is een grens aan de mate van vernedering die men nu eenmaal moet doorstaan als beslist is dat men een B-auteur is.

    Bij de overstap naar Meulenhoff maakte ik me echter omtrent mijn status niet de geringste illusies — al helemaal niet omdat het eerste boek dat ik er uitgaf ongelukkigerwijs de hierboven genoemde essaybundel was, en van boeken vol literaire essays wordt, zoals bekend, nog minder verkocht dan van boekjes vol gedichten. Ik beschouwde mijzelf toen al als behoorlijk gepokt en gemazeld in de wereld van het literaire bedrijf. Ik behoor sowieso niet tot het contingent schrijvers dat de uitgever belt als thuis het toiletpapier op is, of dat verwacht na afronding van een hoofdstuk door een wulpse stagiaire in een bad vol rozenblaadjes gedaan te worden om daarna met zachte doeken te worden af- en opgewreven. Ik wist dat ik me alleen op mijzelf kon verlaten — al klinkt dat onbedoeld misschien wat al te heroïsch Hector-Malot-Remi-Alleen-op-de-wereld-achtig. Er is natuurlijk altijd een aantal concrete lezers voor wie men, zeg maar, zijn boeken schrijft — vrienden, medeauteurs, bevriende medeauteurs en zelfs critici en — godbetert — bevriende critici die het boek ‘goed’ moeten vinden en wier eventuele kritiek door mij serieus gewikt en gewogen wordt, al was het maar omdat het kritiek is die discussie mogelijk maakt. Als zo’n discussie al plaatsvindt, is dat gewoonlijk echter niet in de openbaarheid, maar in de beslotenheid van huiskamers, e-mailverkeer of telefoongesprekken. De wereld merkt er niets van.

    Het komt er op neer dat men als tot B-status veroordeeld auteur die wereld moet vergeten, wil men ooit nog weer de moed vatten een nieuw boek te schrijven. Men moet vertrouwen hebben in de relevantie van het schrijven zelf op het moment dat men er zich weer aan overgeeft, ondanks de klaarblijkelijke irrelevantie van hetgeen men daarvoor geschreven heeft in de ‘echte’ wereld daarbuiten. Men moet de romantische droom in alle hevigheid tot zich toelaten en de gevoelde noodzaak tot het schrijven van iets nieuws zorgvuldig cultiveren. Het is een oefening in metafysisch denken. Men moet geloven. En voor zover die droom als ‘existentiële noodzaak’ wordt ervaren — hoezeer men vanuit de invalshoek van een op andere vooronderstellingen gebaseerde werkelijkheid daarmee ook een patheticus wordt —, gaat het hier om een… (men aarzelt het uit te spreken)… een kwestie van leven of dood. Het gaat om zingeving.

    Laat ik het zo zeggen: tijdens het schrijven van een boek word ik door mijn eigen oordelende blik minder gehinderd dan nu, nu me dat ‘leven of dood’ toch wat overdreven lijkt, in ieder geval pathetisch, en misschien zelfs ongepast. Maar dat komt ook omdat het me tot nu toe nog steeds is gelukt om tijdens het schrijven van een boek aan de definiërende en oordelende kracht van de werkelijkheid daarbuiten te ontsnappen. In het schemerduister van mijn werkvertrek groeit het boek uit tot literatuur van de bovenste plank en kan ik niet anders dan concluderen dat ik een onbetwiste topauteur ben — in ieder geval een auteur die veel plezier beleeft aan wat hij zelf schrijft en zo tot stand brengt. Om het anders te zeggen: tot nu toe schreef ik steeds boeken die ik zelf graag las. Meer kan men van zichzelf niet verwachten. Minder ook niet, trouwens.

    Bij het verschijnen van een nieuw boek geef ik daarom altijd een bescheiden feestje en treed ik even uit mijn schaduw van B-auteur. Ik word, op zijn minst, B+. Ik vraag onverdroten of het wellicht tot de mogelijkheden behoort dat de uitgever tijdens de festiviteiten voor de bitterballen zorgt. Meestal lukt dat. Op dat feestje, waarvoor iedereen in letterland (maar vooral cultuurchefs, als belangwekkend beschouwde critici van als belangwekkend beschouwde bijlagen en anderen wier positie garant staat voor aandacht in de media) van harte namens de uitgever wordt uitgenodigd, dagen dan alleen de vrienden op, de bevriende auteurs, de — godbetert — bevriende critici. Verder niemand. De drank vloeit rijkelijk. Ik ben al spoedig mijn eigen emanatie, mijn eigen wederkeer. Een topauteur ben ik, en iedereen speelt mee.

    De realiteit herneemt de dag daarop haar rechten. Het is de realiteit waarin de omloopsnelheid van boeken zo hoog is dat de mijne na twee maanden gewoonlijk alweer uit de boekhandel zijn verdwenen omdat ze gedurende die korte tijdspanne niet meteen met duizenden of zelfs maar honderden over de toonbank zijn gegaan. Het is een werkelijkheid waarin het boek meteen zijn eerste drastische metamorfose ondergaat: van literair werk tot een aantal dure centimeters op de boekenplank van de boekhandelaar. Van de eeuwige roem van De Literatuur naar bederfelijke waar met beperkte houdbaarheidsdatum. Het is een werkelijkheid waarin het boek, als men geluk heeft, wordt gerecenseerd, al wordt het in het geval van als B-auteurs ingeschaalde schrijvers bij de grote kranten meestal toevertrouwd aan net beginnende boekbesprekers en niet aan de ‘grote namen’ van de literaire kritiek. Soms is dat een zegen, al is niemand onder de indruk wanneer, laten we zeggen, ene Herman Knoblauch de nieuwste roman van ene Marc Reugebrink een meesterwerk heeft genoemd. En al helemaal niet wanneer dat ook nog eens gebeurt in de Dedemvaartse Courant. Het is de werkelijkheid waarin men al op voorhand en ongelezen tot een bepaalde groep behoort die in de literaire pers soms in sporttermen wordt omschreven (men behoort tot de ‘koplopers’ of de ‘achtervolgers’ bijvoorbeeld) en die in de meeste gevallen overeenstemt met de A- of B-status die men binnen de uitgeverij toch al toebedeeld kreeg. Het is een werkelijkheid volgens het kastensysteem. Of toch bijna.

    Zeggen dat dit alles na het feestje de avond daarvoor een teleurstelling is, is niet juist. Dat feestje zelf is er alleen om de overgang van de innerlijke noodzaak van het schrijven naar de realiteit van de publieke overbodigheid wat te vergemakkelijken. Het is een afscheidsfeestje. En die realiteit zelf vormt ook de enige legitimatie voor de zelfglorificatie van de avond daarvoor. Ik vind die realiteit affreus, vaak moreel verwerpelijk, ik kan me er ook niet bij neerleggen en blijf haar en haar vertegenwoordigers keer op keer met hun eigen bedenkelijke vooronderstellingen achtervolgen. Maar zelfs tijdens het hoogtepunt van de festiviteiten, in mijn ogenblikken van aapachtige borsttrommelarij en van de onbedwingbare lust om aanwezig vrouwvolk flink in de culturele bilpartij te knijpen onder verwijzing naar mijn eigen onverbeterlijke, elk ongeoorloofd gedrag excuserende romantische inborst en nog allerlei andere ballorigheid van dien — zelfs dan blijf ik er steeds van doordrongen dat die realiteit nu eenmaal als zodanig bestaat. Ik vergis me zelden of nooit in mijn eigen hoedanigheid.

    Die hoedanigheid, de door mij nu eenmaal te spelen rol in het circus der ijdelheden, deed me al voor het verschijnen — nee, zelfs nog voor het afronden van Het grote uitstel mijn uitgever bellen, Meulenhoff/Manteau dit keer (ik maakte een overstap die zelfs iedere Vlaamse auteur als een slechte career move zal beschouwen (over wat Nederlanders daarvan denken, kunnen we gevoeglijk zwijgen): die van een Nederlandse (lees: Amsterdamse) naar een toch in de eerste plaats Vlaamse (Antwerpse) uitgever; maar mijn realisme — sommigen zouden zeggen: defaitisme — deed me kiezen voor een redacteur in wiens kunnen ik veel vertrouwen had en wiens eigen realisme op mij als prettig en ongecompliceerd overkwam, in plaats van voor het vernederende going through the motions van valse beloftes en verzwegen dedain). Die uitgever had het niet alleen bestaan aan het nog niet afgeschreven boek in de aanbiedingscatalogus maar liefst vier pagina’s te wijden, maar bovendien stond onder een flatterend konterfeitsel van mijzelf in rood gedrukt de tekst: ‘Doorbraak van een meesterstilist!’ Hoe in hemels- of wiens naam dan ook had hij het in zijn hoofd gekregen over een boek dat nog niet eens af was, in termen van een ‘doorbraak’ te spreken, vroeg ik — niet echt verontwaardigd overigens. Dit was immers al deel van het spel dat nu eenmaal gespeeld moet worden. Het leek me een goede grap, waarvan ik alleen maar hoopte dat hij zich niet tegen mij zou keren. Zoals ik ook, lichtelijk geschokt in mijn eigen esthetisch gevoel, het later veelbesproken omslag geheel overliet aan lieden die nu eenmaal meer verstand hadden van zaken als verkoop, uitstraling en wat dies meer zij. Maar ik geloofde niet dat schaamteloze commercialiteit en brallige, bepaald voorbarige aanprijzingen mij dit keer boven de drempel van de zichtbaarheid zouden uittillen. Wel geloofde ik, opnieuw, in mijn eigen boek. Natuurlijk.

    meesterstilist


    En toen won ik dus op 29 maart 2008 tot mijn eigen niet geringe verbijstering De Gouden Uil Literatuurprijs. Ik liet, schreef en zei men in de pers, grote namen als die van Brouwers en Van der Heijden achter mij — nee, ik had beide grootmachten verslagen zelfs (over Marjolein Februari en Frans Thomése werd beschamend genoeg niets meer gezegd). Ik had de wedstrijd gewonnen. Ik was de keizer van het fruitcorso, de schutterskoning op de voorjaarskermis, prins Carnaval… Na de scheve, onwelwillende en soms ronduit kwaadaardige stukken in de Vlaamse kwaliteitskranten naar aanleiding van mijn absoluut schandalige nominatie, was het natuurlijk niet zo verrassend om te moeten merken dat met het wegkapen van het kleinood en de centen de zuurtegraad onder de literatuurrecensenten die verkeerd gegokt hadden nog wat verder steeg. Ik schreef al dat er met de juiste voorspelling veel gezag gemoeid is. Al meteen na de bekendmaking in het justitiepaleis van Antwerpen schijnt er achter de schermen en rondom de juryleden een kleine storm van verontwaardiging losgebarsten te zijn. Het fijne weet ik er ook niet van. Het literaire bedrijf leeft van geruchten. Men zou uit het feit dat een aantal maanden later het nog zittende deel van de jury, geheel tegen de gewoonte in, ontslagen en vervangen werd misschien kunnen afleiden dat ik voor iedereen, behalve voor de jury, ‘de verkeerde winnaar’ was — iets wat in de berichtgeving over de juryvervanging regelmatig werd gesuggereerd, maar uiteraard even hard werd ontkend door de betrokkenen.

    In die zin lijkt mij het winnen van De Gouden Uil niet zoveel veranderd te hebben aan mijn eigen situatie. Ik heb door het gekrakeel achteraf niet de illusie dat ik nu automatisch ben toegevoegd aan het rijtje, eindeloos gerecycleerde ‘grote’ namen. En aan de bewering dat ik een paar van die ‘grote’ namen verslagen zou hebben, heb ik geen boodschap. Niemand van die namen vraagt om de wedstrijd waartoe men wordt gedwongen door hoe het literaire bedrijf nu eenmaal reilt en zeilt. Het is brood & spelen met de auteurs in de rol van gladiatoren — met dezelfde wreedheid en achteloosheid als in de tijd van de Romeinen. We hebben het ermee te doen. Uiteindelijk moet men als auteur bestaan binnen wat nu eenmaal het geval is, ook al bestaat men voor zichzelf in de eerste plaats als iemand die tegen dat cynisme met elk boek opnieuw ten strijde trekt.

    Wat de prijs natuurlijk wel heeft veranderd — ondanks pogingen van de organisatoren achteraf wat van de glans weg te nemen — is dat ik op zijn minst zichtbaar ben geworden als auteur. Zichtbaar voor lezers die zich, begrijpelijkerwijs bij het vele wat er verschijnt, laten leiden door wat de poortwachters van de culturele media bereid zijn zichtbaar te maken, en die derhalve van mij nog nooit hadden gehoord. Dat komt tegemoet aan wat ik als auteur natuurlijk altijd heb gewild: gelezen worden. Ook bij die wens heb ik me nooit vergist in mijn eigen hoedanigheid — ik heb me nooit aangepast aan wat volgens blufprofeten van het boekbedrijf de mensen zouden wíllen lezen. Ik zou ook niet geweten hebben hoe dat moest. Ik heb mijn ding gedaan. Er is een jury geweest die dat ‘ding’ het beste vond van de driehonderd-in-de-tachtig boeken die dat jaar waren verschenen. Er waren andere jury’s denkbaar. Andere winnaars. Ook dat behoort tot het spel. Maar het was déze jury en mijn boek.

    Met overdreven bescheidenheid heeft dit alles intussen niets te maken. U kunt gerust zijn. Met cynisme, vreemd genoeg, al evenmin. Het geluk van de prijs bestaat erin dat heel even realiteit en romantiek samenkwamen in wat een mooie, en naarmate de avond vorderde, steeds hilarischer wordende gebeurtenis was. Ik voelde me zoals op mijn eigen afscheidfeestjes bij de verschijning van een nieuw boek: een topauteur. En ik schiet nog in de lach als ik me bedenk dat ik die avond, en ook nog de volgende dag — in tv-journaals in Nederland en Vlaanderen, op internet, bij ‘De zevende dag’, op de radio en nog elders — ook door de rest van de wereld even zo werd gezien. Men zou er romantisch van worden.

  • Pin it!

    Hotel


    HNF


    De commotie rond Hotel New Flandres neemt maar geen einde, vooral in Hollandse middens, zo valt me op. Over de vraag of Vlaanderen een apart literair systeem vormt, bekreunt men zich gewoonlijk boven de Moerdijk niet, en er wordt met veel dédain gereageerd op Vlaamse protesten wanneer een hoogleraar een literatuurgeschiedenis schrijft waaruit alle Vlamingen keurig worden geweerd (Ton Anbeek destijds). Maar o wee als die boerenkinkels daar in het zuiden de gewoonlijk door de noordelingen dichtgesmeten deur dan ook maar niet meer open doen (al eens geprobeerd een bij een Vlaamse uitgever verschenen boek in een Nederlandse boekhandel te krijgen?). Meteen moet dan het Vlaams Belang erbij gehaald worden. Zie Barnard. Zie ook Beurskens. Die laatste gaat nog wat verder op zijn weblog door ‘einzelgängers’ typerend te achten voor Vlaams taalgebruik (men zegt ‘einzelgänger’, zonder –s), en het in Nederland zeer ingeburgerde ‘een aantal die…’ op het conto van de Zuidnederlandse taalverkrachting te schrijven. Ach… Laten we zeggen dat het niveau van het Vlaamse onderwijs inderdaad wat aan het dalen is sinds men hier per se Nederland als stralend voorbeeld wil nemen voor zo ongeveer alles wat daar al decennialang verkeerd gaat — al blijft ook dan overeind dat een Vlaamse scholier die het ASO doorliep voorlopig nog steeds heel wat meer in zijn mars heeft dan een Nederlandse scholier die van een Atheneum komt. Bovendien, taalfouten als deze hebben meer te maken met het niveau van de boekverzorging bij de betreffende uitgever dan met het typisch Vlaamse ervan.

    Het is allemaal nogal overspannen, een kolfje naar de hand van sommige websites waar ressentiment voor kritiek doorgaat. Eigenlijk zouden we protest moeten aantekenen tegen elke bloemlezing die nationale poëzie niet ook onmiddellijk in een internationale context ziet. Nu lijkt het alsof er per se teruggekeerd moet worden naar de Groot Nederlandse Gedachte en daarmee de meubels gered zouden zijn. Natuurlijk is het onzinnig om bepaalde invloeden van noord op zuid en vice versa niet te verdisconteren vanwege juist de landsgrenzen, maar anderzijds: neem bijvoorbeeld de Vlaamse postmodernen, Van Bastelaere voorop. Waar in Nederland vind je een met die, eind jaren tachtig in Vlaanderen volop gevoerde discussie waarin er daadwerkelijk iets op het spel stond. Een vergelijking tussen de Maximalen en de jongens van Twist met ons legt een duidelijk verschil bloot dat zich mijns inziens alleen maar laat verklaren door juist het immense verschil tussen de literatuur van Nederland en die van Vlaanderen.

    Met het ‘pomo’-gevoel van de eersten deed de algehele vervlakking zijn intrede in de Nederlandse poëziegeschiedenis: het was een vorm van ont-ideologisering en depolitisering van de poëzie, zeer toegejuicht door de aanhangers van het ‘anything goes’. Het was het begin van de zelfgenoegzaamheid en van de veel gehoorde bewering dat de Nederlandse poëzie tot de beste van de wereld zou behoren. Dat achter het ‘anything goes’ wel degelijk selectiecriteria werkzaam bleven, er poëzie was die méér ‘anything goes’ was dan andere, werd zorgvuldig verzwegen. Het was de tijd waarin een op grond van de niet nader geëxpliciteerde luimen van de heer Komrij tot stand gekomen bloemlezing het tot canon kon schoppen, zozeer zelfs dat je als dichter alleen bestaansrecht had wanneer je daarin voorkwam. Ik bedoel: Komrij mag zijn luimen hebben, wat mij betreft, maar zijn boekwerk is niet representatief voor de Nederlandse en Vlaamse poëzie uit de afgelopen twee eeuwen.

    Kort en goed: als we eind jaren tachtig als ijkpunt nemen, dan is in die tijd de basis gelegd voor het einde van de poëzie als nog iets anders dan enkel het stadsdichterschap en de randversiering waartoe zij nu is gereduceerd. Dat de directe invloed van de poëzie op maatschappelijke gebeurtenissen in onze contreien nooit werkelijk groot is geweest, staat wel vast. Maar tot ongeveer eind jaren tachtig werd ze door dichters nog wel steeds geschreven vanuit de stellige overtuiging dat poëzie een bijdrage leverde aan, ging over onze werkelijkheid. Dat kon toen al betwijfeld worden (gelet op bewegingen als die van Zestig en Zeventig), maar met de Maximalen ging poëzie pas werkelijk alleen nog over (de geschiedenis van de) poëzie. Een nieuwe visie op de werkelijkheid hadden die jongens — maar hadden ook zij waartegen zij zich expliciet keerden — niet; ze wilden alleen maar dat de bestaande werkelijkheidsopvatting (en achteraf beschouwd valt die nog het beste te beschrijven als postmodern (de Vijftigers waren eerder postmodern dan modernistisch)) gerevitaliseerd werd. Maar tegelijkertijd spraken ze hun ongeloof in de mogelijkheid van een dergelijke revitalisering uit door hun eigen optreden te kwalificeren als louter pose.

    Het postmodernisme van Van Bastelaere en de zijnen was juist een poging af te rekenen met wat in Nederland pas na de jaren tachtig een feit werd: het soort ‘anything goes’ dat hier in Vlaanderen al enige tijd door Herman De Coninck werd vertegenwoordigd. Die zat hier op de ‘stoel van de verzoenende poëziekritiek’, zoals het heette (er zijn hier in Vlaanderen nog steeds mensen die met weemoed terugdenken aan het tijdperk De Coninck ). Poëzie moest gere-ideologiseerd worden (een lelijk woord, maar bon) wilde zij überhaupt als poëzie overleven. Het merkwaardigste blijf ik vinden dat bijvoorbeeld iemand als Van Bastelaere nooit werd aangevallen op specifiek zijn ideologie, maar altijd alleen op het feit dat hij van mening was dat poëzie ‘een wereldse inbedding’ heeft of diende te hebben. Dat hij van ‘Biedermeier-poëzie’ sprak, betekende niets anders dan dat hij de daarmee aangeduide poëzie identificeerde met een bepaalde werkelijkheidsopvatting. Dat die opvatting op zich verdedigbaar is, kwam bij de mensen die zich over Van Bastelaere opwonden nooit op. Het is niet zo moeilijk om in het optreden van Van Bastelaere, en in veel van zijn poëzie, de romantiek van de breuk te ontdekken — een koste wat het kost vasthouden aan een zekere destructiepoëtica die mij eind jaren tachtig eerlijk gezegd toch ook zijn langste tijd wel gehad leek te hebben. Alleen Jos Joosten geloofde daar nog werkelijk in — en nog, denk ik. Kritiek bleef, op zijn Adorno’s, vooral negatie — was nooit constructie. De in mijn ogen veel interessantere discussie die daaruit had kunnen voortkomen, is helaas nooit gevoerd.

    Hoe dan ook: Holland staat hier tegenover Vlaanderen als ontideologisering tegenover re-ideologisering, en als je de geschiedenis van beide landsdelen er dan bij betrekt, is het verschil nog duidelijker. Dat poëzie en werkelijkheid fel op elkaar betrokken zijn, is in een land waarin literatuur altijd deel is geweest van een emancipatiestrijd voor het Vlaams, veel duidelijker dan in een land waar men (zeker eind jaren tachtig) zo zelfgenoegzaam was geworden dat men meende dat Nederland ‘af’ was (ik heb daarover discussies gevoerd in de Gidsredactie destijds, waar ieder elan in de kiem werd gesmoord door in feite neoliberale verdedigers van het Nederland-is-af-gevoel).

    Om een lang verhaal kort te maken: het is altijd twijfelachtig wanneer Nederlanders zich in hun eigen grachtengordel opsluiten (grotendeels gebouwd door Vlamingen overigens, maar dit terzijde), of Vlamingen zich in hun eigen klei laten wegzakken — maar het is ook altijd heel goed te verdedigen. Dat Barnard misschien inmiddels tot het Vlaamse literaire systeem gerekend kan worden, net als binnen dat systeem werkzame Marokkaanse, Turkse, Afghaanse, Italiaanse, etc. dichters, lijkt me evident, maar het punt is dat door de opzet van de bloemlezing Barnard zeker niet in de vijfsterrencategorie terecht gekomen zou zijn: innoverend in de door de samenstellers bedoelde zin is het werk van Barnard niet. (Trouwens, waarom ziet niemand de ironie van dat sterrensysteem? Dat door kranten zogenaamd als service aan de lezers bedachte nivelleringsinstrument? Dát zouden deze kritische jongens serieus hebben ingezet?) Dat je vraagtekens kunt zetten bij een hiërarchie die het innoverendste werk het hoogste waardeert, geven de samenstellers zelf al aan (en ik gaf daartoe hierboven al een aanzet met mijn bedenkingen bij de romantiek van de breuk, die ook in deze bloemlezing weer volop wordt gecelebreerd). Punt is dat kritiek daarop een alternatief veronderstelt, op zijn minst een visie op literatuur die iets anders is dan het zelfgenoegzame ‘anything goes’. De kankerpitjes die zich nu zo tegen deze bloemlezing keren — en dat als vanouds weer vooral doen door persoonlijk te worden, met de focus op de persoon van Van Bastelaere (kwade genius, duivel in persoon en andere volgens het middeleeuws volkerenrecht tot stand gekomen kwalificaties; het valt nog mee dat niemand heeft gezegd dat die Van Bastelaere ‘wel kaal is hè!’) — zijn eigenlijk alleen maar begaan met hun eigen winkel, in ieder geval ofwel te lui, ofwel te zwak, of te lui én te zwak om met een welomschreven visie op poëzie te komen, op de verhouding tussen poëzie en werkelijkheid, de plaats die poëzie in de samenleving zou moeten bekleden, dat wat ze omtrent die samenleving tot uitdrukking zou moeten brengen of juist niet enzovoorts. Men zou zich voor minder van het hele genre afkeren.