• Pin it!

    Mobilhome


    Als we dan toch bezig zijn als opiniemaker van dienst deze week — schreef ik het stukje over Winkler Prins op verzoek, onderstaand stuk diende ik ongevraagd in en verscheen vandaag in De Morgen.

    screenshot_47.1


    ‘Onze beschaving heeft behoefte aan verhalen zoals ze behoefte heeft aan het wiel, vuur of glasvezeltechnologie’, aldus voormalig Paramountbaas David Kirkpatrick in De Morgen van 25 november. Omdat men bang is dat de ‘YouTubegeneratie’ bij verhalen zal afhaken vanwege een onvermogen zich langer dan vijf minuten te concentreren, is Kirkpatrick samen met het MIT een verhalenlaboratorium begonnen om het verhaal voor verdwijning te behoeden.

    Er is inderdaad reden tot bezorgdheid. Een benaming als ‘YouTubegeneratie’ geeft al aan waarom: een hele generatie vernoemen naar een verschijnsel dat nog geen vijf jaar bestaat, betekent dat de ‘incidentencultuur’ inmiddels ook hen in de greep heeft die haar willen bestrijden. Alles in onze hijgerige, op scoops en snelverkoop gerichte samenleving is gericht op de vernietiging van elke vorm van continuïteit.

    Het nieuwste boek van schrijver X staat los van zijn jarenlange oeuvre, alsof hij daarvoor nog nooit iets schreef. Het zou zo maar kunnen dat een nieuwe uitgave van Walschaps
    Houtekiet plotseling bejubeld wordt als een opmerkelijk debuut van een nieuw talent — want wie Walschap ook alweer was, dat zijn zelfs zij die niet tot de YouTubegeneratie behoren al grotendeels vergeten. Popsongs lijken door de huidige downloadcultuur zelfs los te staan van hun makers, en in ieder geval leiden de nieuwe mogelijkheden om muziek aan te schaffen tot de dood van het ‘album’: van een serie onderling samenhangende, door de artiest zo en niet anders samengevoegde songs.

    Al in de jaren zeventig zag Christopher Lasch in het ontbreken van ieder idee van historische continuïteit een van de ziekteverschijnselen van zijn tijd. Het maakte dat allerlei zaken die normaliter tot overgeërfde tradities behoorden deel gingen uitmaken van het voortgezet en hoger onderwijs — een gang van zaken die ook vandaag de dag nog steeds voortgaat (de leerkracht als psycholoog, voedingsconsulent, opticien en wat er zoal nog meer in zijn of haar richting wordt geschoven). "Het zal niet lang meer duren," schreef Lasch honend in zijn
    The Culture of Narcissism (1979), "of men zal op universiteiten gedwongen zijn cursussen aan te bieden in het strikken van veters."

    Het is al tot in den treure herhaald: de ‘grote verhalen’ zijn ten einde. Ieder zinnig mens zou daarop reageren door nu eindelijk, laten we zeggen: de Bijbel of de Koran te lezen zonder die druk van bovenaf die voorheen van het geschrevene op straffe van hel en eeuwige verdoemenis het voorgeschrevene maakte. Het zijn per slot van rekening prachtige boeken. Zelfs de spijswetten in de Bijbel (‘Al wat onder de dieren de klauw gespleten heeft, en herkauwt, zult gij eten’) zijn zonder dat wurgende moralisme dan te lezen als een misschien vroege voorloper van wat de aanhangers van biologische voeding vandaag de dag propageren, en eigenlijk zo gek nog niet. Een varken vreet echt alles, wist u dat? Zelfs kadavers. Om dan vervolgens zo’n beest op te eten — geef toe, dat heeft iets vunzigs. We hebben echter God of Allah niet nodig om dat vast te stellen.

    Het ‘einde van de grote verhalen’ is door velen opgevat als de afschaffing ervan, maar het enige wat eindigde was de claim van welk verhaal dan ook op absolute geldigheid. Bijbel en Koran werden op het niveau gebracht waarop de Griekse mythen al geruime tijd staan en waarmee iedere literator uit alle macht tracht te concurreren. Want ook de schrijvers, onder wie een bepaalde voorhoede zich lange tijd toelegde op juist ‘de verstoring van de verhaalillusie’, zijn tamelijk massaal teruggekeerd naar het vertellen van verhalen.

    Geen wonder. Met de afschaffing van de absolute waarheid ligt de weg naar de waarheid weer open. Want dat is toch wat we willen, ook de meest verstokte sceptici onder ons. Verhalen dienen om ons dat verlangen én de onmogelijkheid ervan nog eens te laten inzien: ze bieden ons beschutting tegen het onoverwinbare menselijke tekort zolang we ze lezen. Ze vormen met elkaar, en verwijzend naar elkaar, het bewijs van onze aanwezigheid.

    In die zin zijn verhalen onmisbaar, al lijkt me de behoefte aan verhalen niet hetzelfde als de behoefte aan het wiel, het vuur of, godbetert, de glasvezeltechnologie. Dat soort vergelijkingen hoort thuis in de wereld van het warenhuis, in de ge-atomiseerde samenleving waarin alles enkel als een van elke geschiedenis losgemaakt ‘product’ bestaat. Nee, de behoefte is ten diepste religieus. Het is de behoefte om in iets te geloven — al is het dan slechts voor de duur van het vertelsel zelf. Zonder dat lukt het niet eens meer om onszelf aan elkaar te denken tot ‘iemand’.

    Ironisch genoeg bekeerde David Kirkpatrick zich weer tot het christendom, en als een ‘born-again christian’ het verhaal voor de ondergang wil behoeden, blijft het oppassen natuurlijk. Voor je het weet is een verhaal dan weer voorschrift en plicht in plaats van een mobilhome voor onze twijfels.


  • Pin it!

    Betrouwbaarheid


    screenshot_46


    In: De Morgen, 22 november 2008

  • Pin it!

    Baeten Gronda Rev.


    Alsof ik het nog leren moest: na honderd-en-wat bladzijden niet voor je beurt spreken. Soms kan het wel, voor je beurt spreken, maar dan moet je de moed hebben het rond pagina 40 te doen, en meestal betekent spreken dan zwijgen: je legt een boek na die luttele bladzijden weg. Dat gaat niet meer wat worden. De arrogantie van de ervaring, van jaren recensentendom ook, die, als ze al niet de nieuwsgierigheid hebben aangetast, in ieder geval korte metten hebben gemaakt met de hoop dat het op pagina 41 beter wordt. Maar wie al op pagina honderd-en-nog-wat zit, weet dat wegleggen geen optie meer is. Dat is toegeven dat je tijd hebt verknoeid. Dat is bijna een erezaak. Men heeft dan toch iets gezien; er is iets geweest dat je door deed lezen. Wie in functie is, kan dat nog uitleggen als plicht: men is recensent, met moet over dit boek schrijven — moet, omdat Baeten Gronda op grond van gezoem (‘buzz’ heet dat) in de wandelgangen en alvast een optreden in De Laatste Show blijkbaar een van die gelukkigen is die meteen vanaf zijn debuut geschikt bevonden wordt voor toekomstige recyclage in de cultuurmachine. Maar ik was en ben niet in functie. Ik moest niks.

    Niet dat ik nu ga beweren dat Nemen wij dan samen afscheid van de liefde een absoluut meesterwerk of iets dergelijks is, maar het is in ieder geval uiteindelijk toch meer dan alweer een doorslagje van Catcher in the Rye, zoals ik eerder zei, of, veel erger (want Salingers roman is wel degelijk een pareltje), een boek dat in niets verschilt van de boeken van de Nederlandse Generatie Nix (die zelf weer doorslagjes van Couplands Generation X waren), of van het slechtste, eerste boek van Grunberg (al las ik diens laatste, fel bekritiseerde Onze oom nog niet). Grunberg (die van na zijn debuut), Coupland en zelfs Salinger mogen gerust als referentiepunten genoemd worden, maar Baeten Gronda heeft er in dit debuut wel wat mee gedaan — en dan gaat het niet om een doorslagje, maar eventueel om invloeden, al had hij het zelf in Knack over Russische klassieken als Toergenjev en Tolstoj.

    Baeten Gronda
    © Filip Claus


    Daar viel ook te lezen: ‘Ik lees boeken meer om de stijl dan om de afwikkeling van een geschiedenis’. Ook dat valt na lezing van zijn roman te begrijpen, al vergoedt dat de soms toch wel erg zouteloze puberale uithalen niet, hoezeer die ook bij het personage lijken te horen. Stilistisch gesproken vind ik het boek hier en daar onevenwichtig, en net even te vaak wint goedkoop effectbejag (waarbij cynisme voor humor door moet gaan) het van de diepere bedoelingen, waardoor je dan toch weer uitkomt bij dat inmiddels wat afgesleten typetje van de ‘ruwe bolster, blanke pit’-soort. Dat is niet echt nodig als je eenmaal begrepen hebt dat Max (de hoofdpersoon) in zijn muziekvoorkeuren al van metal naar de country van de gezusters Cox overstapte, en bovendien met zijn wat fatterige voorkeur voor polo’s van AirControl en zijn Thomas Pink overhemden en ander merkenfetisjisme ver af staat van het opstandige imago van de heavy metalfan.

    Meer dan in de stijl schuilt de kracht van dit boek in de compositie, denk ik toch. De keuze voor korte fragmenten, waarin de geschiedenis in brokken wordt opgediend, ongeveer zoals ze zich op een willekeurige dag naar aanleiding van voorvallen en –valletjes in het heden aandient, maakt dat de sympathie die men aan het slot van het boek dan toch voor Max voelt zowel verrassend is, als dieper dan men voor mogelijk had gehouden. Het is ook vooral die compositie die maakt dat ‘het grote’ waar het in dit boek in feite om gaat, grotendeels verzwegen blijft ¬— dat zweeft ergens tussen de brief van Max aan zijn vader, waarmee het boek opent, en de brief van de vader aan Max bijna aan het eind. En dat is precies zoals het moet, wat mij betreft, omdat waar ‘het grote’ daadwerkelijk benoemd zou zijn, het al snel een banaliteit zou blijken te zijn. Niemand is werkelijk in staat het drama van een ander na te voelen tenzij het hem zo wordt geserveerd dat het zijn drama wordt. En daar slaagt Baeten Gronda toch vrij aardig in. De constructie van het geheel (een deel ‘Eergisteren’, een tweede deel dat ‘Gisteren’ heet, en dan een derde deel waarvan de titel, natuurlijk, ‘Vandaag’ luidt) laat zich ook nog eens lezen als een poging uit te stellen wat uiteindelijk in de laatste regels van het boek een feit wordt, en dat door dat voortdurende uitstel (want achteraf gesproken weet je het eigenlijk vanaf de eerste bladzijde al) een grote lading krijgt.

    Kortom, Baeten Gronda’s debuut verdient meer dan het dedain dat ik er hier eerder voor over had. Waarvan acte.

  • Pin it!

    Zee


    16112008.1


    De commotie kon niet groter zijn, zo leek het wel, toen ik eenmaal tegen iemand van De Buren had gezegd dat ik een hartgrondige hekel aan de zee had. Het zal inderdaad wel zoiets zijn als een Zwitser die niet van bergen houdt — al denk ik dat de lage landen nog genoeg gebieden hebben waar de zee in geen velden of wegen te bekennen valt — iets wat met bergen in Zwitserland minder goed lukt. Als ik zie wat ‘de zee’ in een plaats als Oostende heeft aangericht, is er zelfs gegronde redenen om het strand tot verboden gebied te verklaren.

    leopold-ii-fotoIk was er afgelopen zondag om er mijn radioboek voor te lezen in Vrijstaat O, een zowat op het strand gebouwde lokaliteit die desalniettemin het tegendeel is van de ordinaire ‘strandtent’. Het lokaal maakt deel uit van een zuilengalerij aan weerszijden van een protserig monument voor Leopold II, en op die plek kan men zich met het badgebeuren nog enigszins verzoenen omdat men er geacht wordt te flaneren onder het genot van een sigaartje, aan de arm van hooggehakte dames die hun parasols frivool ronddraaien in hun vrije hand en zich het liefst niet in het zand wagen. Natuurlijk is die eeuw allang voorbij en ziet men, gezeten in Vrijstaat O, vooral in fluopakken gehulde joggers van een zekere leeftijd werken aan de verlaging van hun cholesterolgehalte — reden te meer om in dat etablissement zo snel mogelijk een keuken te installeren opdat men gezeten voor het raam de langssnellende trainingspakken de ogen kan uitsteken met wat in botersaus gebakken zeetongetjes.

    Niet dat ik een voorkeur heb voor een bepaald soort negentiende eeuw, en evenmin ben ik uit principe tegen moderne architectuur — maar het probleem in Oostende is natuurlijk dat vrijwel ieder gebouw de graaicultuur van projectontwikkelaars en plaatselijke overheden uitwasemt. Van architectuur is er in deze ‘koningin der badsteden’ feitelijk geen sprake meer — en ik moest denken aan een Fransman die ik ooit ergens in de buurt van Nantes op een camping tegenkwam en die bij het zien van mijn Belgische nummerplaat spontaan een tirade begon af te steken over de wijze waar ‘les Belges’ hun eigen kust naar de verdoemenis hadden geholpen. Een schandaal was het. Is het.

    438px-Oostende_Europacentrum_01


    Alleen daarom al: men zou een systeem moeten opzetten dat bij een bepaalde verwachte temperatuur en een bepaald aantal verwachte uren zonneschijn automatisch alle toegangswegen naar de Belgische kust afsluit. De volksverhuizing die op dergelijke dagen op gang komt, is mensonwaardig, als je het mij vraagt. De files beginnen op dergelijke dagen al ter hoogte van Gent. Tevens zou er een verbod moeten komen op nieuwsitems over de kust in de tv-journaals, waar immers altijd en eeuwig de middenstand, die flink heeft meegeholpen aan de verwoestijning van de Belgische kust, weer aan het woord moet komen — meestal om te klagen over De Tegenvallende Resultaten. Er klinkt altijd verongelijktheid door in de klaagzangen van ijsjesverkopers, strandstoelverhuurders, hoteluitbaters en restauranthouders als Het Publiek niet is komen opdraven in de mate waarin het verwacht — nee vereist is. Je ziet aan die smoelen dat het niet lang zal duren of ze richten zich met hun klachten tot de regering om vervolgens staatssteun te eisen.

    Om maar te zeggen: het is de onvermijdelijk met de kust verbonden ‘cultuur’ die me tegenstaat, nog even afgezien van het sterke argument van Van Ostaijens ‘sjimpansee’: er gaat écht veel te veel water in de zee. Na de eerste reserveopname afgelopen zondag (’s avonds volgde nog een opname met publiek), staande voor het raam van Vrijstaat O, kon ik alleen nog maar eens vaststellen dat de Noordzee vooral erg saai is, al probeerde iemand me nog mild te stemmen door te wijzen op de langsschuivende bootjes en door te zeggen dat op minder grauwe dagen de luchten boven zee natuurlijk erg spectaculair zijn. Dat laatste wil ik wel geloven, en weet ik natuurlijk ook uit eigen ervaring. Die luchten kunnen soms de kwaliteiten van een haard- of kampvuur aannemen, iets waarnaar men uren kan kijken. Maar ik kies dan toch liever voor zo’n vuurtje, alweer omdat de plekken aan de gehele Europese kust waar men ongehinderd naar de hemel kan staren door de neveneffecten van zowat elke kuststreek echt wel heel dun gezaaid zijn.

    Hoe dan ook, ik las Koper & As, mijn radioboek, voor tegen de achtergrond van een aan- en aanrollende zee. En tegen de achtergrond van die langssnellende trainingspakken dus, die soms voor wat extra animatie zorgden door dom naar binnen te gaan staan staren. In zijn inleiding op de voordracht, ’s avonds, van Sus Van Elzen en mijzelf stelde Dorian Van der Brempt dat de bijdragen voor de radioboeken steeds meer geschreven leken te worden met het oog op voordracht. Voor Sus Van Elzen en anderen kan ik niet spreken, alleen zeggen dat ik mijn teksten eigenlijk altijd met het oog op voordracht schrijf — zozeer zelfs dat problemen die sommigen zeggen te hebben met zinnen van mij in de meeste gevallen te herleiden zijn tot het feit dat ze die zinnen niet zien als zinnen die je moet uitspreken. Ongrammaticaliteit in mijn teksten heeft vrijwel altijd te maken met de toon van wat gezegd wordt, en nooit met de behoefte om te ontregelen. Boosheid, passie, ontroering, blijheid enzoverder zijn zaken die je in een geschreven tekst kunt benoemen (‘zei hij vrolijk’, ‘opperde zij mismoedig’), en helemaal zonder gaat het niet — maar je kunt ook proberen die gevoelens en temperaturen in de structuur van wat gezegd wordt te stoppen, in een zinsmelodie, in iets wat dan bijna een partituur wordt. In die zin is het jammer dat tekens zoals die in de muziek bestaan (de puntjes voor staccato, de boogjes voor het legato, ff voor forte, pp voor pianissimo, tekens voor crescendo en decrescendo etc.) in een literaire tekst meteen als uiterst experimenteel over zouden komen, of andere aanwijzingen (stil, fluisterend, met luide stem) te veel als toneelaanwijzingen. Maar tegelijkertijd is dat ook de uitdaging: de wetenschap dat de meeste mensen een tekst niet luidop voor zichzelf zullen gaan lezen (al doe ik het met andere auteurs wel regelmatig — en veel auteurs blijken dan opeens ontstellend saai: telkens in exact dezelfde zinsmelodie achter elkaar geschreven zinnetjes, zonder syncopen, zonder rimpeling of tegenmelodie). Weten dat mensen het meestal niet doen en dan toch zo schrijven dat het onzegbare surplus in iedere zin zijn bestemming bereikt. En natuurlijk geldt voor een tekst wat voor elke partituur geldt: de uitvoering is vrij — zowel luidop als in stilte.

    Enfin, dit kadert natuurlijk steeds binnen datgene waarvan een heleboel mensen nog steeds erg nerveus worden: dat vorm voor inhoud gaat, als het eropaan komt (dat de vorm inhoud is, zeggen de puristen). Die nervositeit heeft natuurlijk alles te maken met het misbruik dat in avant-gardistische kringen van dit principe is gemaakt — al was ook dat, historisch gesproken, noodzakelijk om een zeker bewustzijn te kweken dat de vorm de boodschap bepaalt. Je kunt je afvragen in hoeverre dat nu werkelijk is doorgedrongen, overigens. Velen merken niet eens hoezeer de toon de muziek maakt. En er bestaat ook nog zoiets als hyperbewustzijn van het gegeven zelf — en daar lijd ik dan wel eens aan. Ik weet dat ik bij sommige auteurs moet doorbijten om de saaiheid van hun zinnen op een gegeven moment te kunnen vergeten — zoals je in Burgess’ A Clockwork Orange na een pagina of 10-15 gewend bent aan het specifieke (in geen woordenboek terug te vinden) idioom dat de booswichten in dat boek onder elkaar gebruiken.

    clockwork_orange_book_cover


    Bij het Verborgen weefsel van Stefan Hertmans heb ik in ieder geval niet moeten doorbijten, al wilde ik af en toe wel iets tegen de hoofdpersoon Jelina roepen — bepaalde grofheden zelfs om haar te doen ontwaken uit een duizelende zelfreflexiviteit die het ware zoekt waar het meestal niet te vinden is — iets waar die extreme zelfreflexiviteit zelf al een symptoom van is. Tijdens het lezen over de passie en de pijn, over het verraad en de zuiverheid, kwam me vaak in de gedachten dat het hier om een vorm van automutilatie ging, zij het dan in een intellectualistische variant. Het hyperbewustzijn van de postmoderne mens die hem afsnijdt van zijn werkelijke aandriften en hem op voorhand tot toeschouwer en vooral beschouwer maakt van wat ook bij alle intellectuele luciditeit steeds het duistere blijft, niet zelden als het kwade uitgelegd. De remedie lijkt eenvoudig, en vanuit die remedie gedacht lijken alle kwellende gedachten waarmee Jelina in dit boek worstelt een vorm van superbe aanstellerij of, op zijn negentiende eeuws gezegd: hysterie — maar het punt is dat ieder nadenkend mens, in meer of mindere mate, niet aan dat hyperbewustzijn ontsnapt, zodat de veronderstelling dat er zoiets als ‘werkelijke aandriften’ bestaan zelf al uiterst problematisch wordt. De vrijheid die dat bewustzijn geschonken heeft, wordt, als alle vrijheden denk ik, duur betaald. Het tekort wordt er nooit door opgelost. En dat wordt in dit boek nog eens in al zijn scherpte aan het licht gebracht.

    VW


    Mooi in dit boek is ook dat de dichter, de essayist en de prozaïst Hertmans elkaar hier volledig vinden, waar ze in het verleden (in zijn proza) elkaar wel eens in de weg leken te zitten, vond ik toch. Men kan dit boek in zijn oeuvre nog het best vergelijken met Naar Merelbeke (1994), dat op eenzelfde manier in korte schetsen was opgebouwd en zo in de fragmenten het verhaal vertelde, en dat door die fragmenten zoveel meer wist aan te brengen dan enkel het gebeuren van het verhaal zelf. Een vergelijking brengt ook de verschillen aan het licht natuurlijk — om die kort samen te vatten: bij Naar Merelbeke zou ik het inderdaad over ‘fragmenten’ hebben; hier zijn het ‘scherven’. En waar in het eerste boek de ironie veel van het drama voor de afgrondelijkheid redt, is die hier niet meer te vinden — niet in de laatste plaats omdat ironie het middel bij uitstek is waarmee de postmodernist de afgrond in hemzelf altijd afdekt. Dat was hier niet de bedoeling. In die zin is dit een van Hertmans’ hardste boeken.

    GrondaDaarna begonnen in Paul Baeten Gronda’s al zeer bejubelde Nemen wij dan samen afscheid van de liefde. Ik heb het nog niet uit, maar ik vraag me na een bladzijde of 100 wel af of die jubel niet weer het gevolg is van onze ‘incidentencultuur’ — of is er nu werkelijk helemaal niemand die ziet dat dit de zoveelste variant is van Catcher in the Rye, met als typisch Nederlandse voorlopers Grunbergs slechtste boek, Blauwe maandagen en gelijksoortig werk van de zogenaamde generatie Nix uit de jaren negentig in Nederland (Giphart, Moens, Duyns)? Niks nieuws of bijzonders, zeker qua inhoud niet. En over stijl gesproken… Hier lijkt de persklaarmaker een aantal samengestelde zinnen gewoon in verschillende delen te hebben geknipt, komma’s in punten veranderd te hebben. Omdat het anders te moeilijk wordt. Voor u. De lezer. Die dat niet aankan. Ziet u? Ik bedoel: zoiets kan natuurlijk ook werken, maar niet als het een algemeen principe is. Maar bon, ondanks deze al wel heel erg grote voorbehouden — ik moet het nog uitlezen.

  • Pin it!

    Veld-Velter-Veldst


    nachten


    Op De Nachten in Antwerpen was het volgens de vaste bezoekers van dat evenement opvallend rustig. Ik begrijp dergelijke manifestaties sowieso niet: er gebeurt te veel tegelijk. De gelijktijdigheid van concerten en voordrachten heet cross over en dat schijnt tegenwoordig erg belangrijk te zijn. Alsof het een meerwaarde heeft dat men zich moet inspannen om een literaire voordracht te horen vanwege de bonkende bassen van een popgroep in de zaal ernaast. Cross over-festivals lijken vaak de literatuur te gebruiken ter legitimering van een bepaald ‘hoog-cultureel’ profiel dat ze zich willen aanmeten (alsof ze zelf de popmuziek te min vinden). Van een werkelijk overvloeien van het een in het ander is er natuurlijk geen sprake. De nadruk ligt ook op muziek (bekijk de foto’s die er gemaakt zijn van de beide avonden: alleen Tom Naegels vertegenwoordigt het schrijversgilde). Erg is dat niet, overigens. Maar het maakt dat De Nachten al tijden minder bijzonder zijn dan ze zich voordoen — en misschien dat het publiek (dat al jaren meer voor de muziek komt dan voor de schrijvers — al is het, vond ik, voor die schrijvers erg gul in zijn appreciatie) daarom deze keer weg bleef, want iets werkelijk groots stond er, begreep ik van kenners, niet op het programma. Zelfs Mauro Pawlowski redt dat niet in zijn eentje — want op zo’n avond is hij toch iets anders dan de gitarist van het succesvolle dEUS

    Zelf was ik, na een soort meet & greet met een aantal scholieren in het kader van De Inktaap aan het begin van de avond, pas tegen middernacht aan de beurt om mijn ‘oplossing van een wereldprobleem in 22 minuten’ in de mij slechts toegestane 12 minuten over het voetlicht te brengen. Ik zong tussendoor een beetje Van het Groenewoud en de eerste regels van het Belgisch Volkslied, dat ik, moet ik bekennen, aartslelijk vind, en ik meende aan de zaal te merken dat pas gaandeweg de ironie van het hele ding begon door te dringen — wat ook min of meer mijn bedoeling was bij het maken van het tekstje. Een beetje verwarring over de mogelijke ernst van hetgeen ik te berde bracht, mocht er wel zijn.

    Dat tekstje bezorgde me inderdaad de nodige hoofdpijn, zoals ik het (eigenlijk twee dagen) eerder in (het pas op vrijdag uitgezonden) Mezzo tegenover Ruth Joos formuleerde (de bedoeling was om op donderdag live in het programma te verschijnen, maar ik zat vast in de Brusselse tunnels — in ieder geval één wereldprobleem dat door mij niet opgelost kon worden). Zo’n idee om schrijvers wereldproblemen op te laten lossen is op zich niet onaardig, ook al gezien de claim van veel schrijvers dat literatuur in en voor onze samenleving relevant zou zijn. Maar tegelijkertijd is het weer een van die formats die je op voorhand als schrijver onteigenen. Soms is dat gezond, pakt het goed uit, komt men er als schrijver zelf verder mee — maar in dit geval was ik toch liever ‘mezelf’ gebleven. Als schrijver.

    screenshot_42


    Dat mocht in ieder geval wel in een klein zaaltje aan het begin van de avond, waar een kleine, schat ik, 60 scholieren mij als enige van de drie voor de Inktaap genomineerde auteurs voorgeschoteld kregen, dit alles begeleid door een olijk ogende presentator met een onduidelijk mutsje op die in zijn inleiding al meteen de toon zette door te stellen dat de aanwezigen nog even met die ‘vervelende literatuur’ geconfronteerd werden, maar daarna naar hartelust De Nachten mochten bezoeken. Dank u. De leerlingen zelf leken het overigens niet zo heel vervelend te vinden. Ik las een klein stukje (de eerste bladzijde van het boek) voor, zei toen met een al te vette knipoog dat ik de tweede bladzijde niet durfde te lezen, om er na nog wat vragen, natuurlijk toch toe gedwongen te worden door presentator en publiek. Eén van de vragen van de presentator was ook nog wie ik vond dat er moest winnen. Ja, wie had hij gedacht? Aan opgelegde bescheidenheid doe ik niet.

    Tussen beide optredens door bevond ik me backstage, zoals dat heet, en liep er een oude bekende tegen het lijf, werd door een cartoonist aangezien voor een uit de gevangenis ontsnapte schilder en werd nog door een duo geïnterviewd dat de website van ‘Iets met boeken’ verzorgt (de video staat er nog niet op, zag ik). Ze vroegen mij onder andere waarom ik niet op de lijst met beoogde auteurs voorkwam. Dat ik het niet weet. Ja maar, als in Vlaanderen woonachtige, prijswinnende Hollander hoorde ik toch absoluut thuis in een programma dat telkens een Vlaming én een Hollander interviewt? Misschien. Maar ik sta niet op die lijst, dus… Het was lollig en lodderig tegelijk, misschien ook omdat de interviewer de sterke indruk wekte die avond al meer gedronken te hebben dan de politie betamelijk acht — al zei hij zelf dat het verschil tussen wel en niet drinken in zijn geval nauwelijks merkbaar was.

    wouterdeprez9789085421641De dag nadien wederom de boekenbeurs, om te signeren, maar vooral ook om Wouter Deprez te interviewen. Zijn voorstelling — Eelt — zag ik een aantal weken terug, en de dag voordien had ik tijdens het wachten backstage zijn boek (met de tekst van de voorstelling) ook nog eens gelezen. Het werd een, naar mijn gevoel, prettig gesprek over vaders, vadermoord, intimiteit, moralisme, narcisme en nog wat –ismen, met steeds een zeer persoonlijke toets. Waarna ik van op de eerste rij ‘stardom’ mocht aanschouwen: de drommen mensen die een boekje lieten signeren, schoolmeisjes die Deprez papiertjes voorhielden voor een persoonlijke boodschap en een handtekening, mensen die met hem op de foto wilden. Fascinerend wel. Mooi ook, die glans in de ogen van sommigen, terwijl anderen dan weer die typisch amicale toon aansloegen die velen zich menen te kunnen permitteren tegenover iemand die ze ‘kennen’ van tv. Men moet daar toch maar mee om weten te gaan — en Deprez doet dat zonder zichtbare moeite.

    Wat ondertussen ook nog af moest, dat was de tekst voor het radioboek, dat ik op de mij gebruikelijke manier breed smerend was begonnen, me al spoedig realiserend dat het ‘boek’ niet veel meer mocht worden dan een kort verhaal, wilde het passen binnen het… format van de radioboeken. Ook dat moest de zevende ingeleverd.

    Cover.2008.3.small


    Bij dat alles zou men vergeten dat yang intussen ook nog verscheen. Het nieuwe nummer heeft een dossier dat ‘Aan de randen van de romantiek’ gedoopt werd — inmiddels wat onfris becommentarieerd door Drukselman Johan Velter, wiens pas door mij ontdekte site een voor mij onverwachte, zodanig hoge zuurtegraad heeft dat het hem als medewerker van de Gentse bibliotheek bijna tot een gevaar voor de aanwezige collectie maakt. Hij hakt nogal in op de bijdrage die Koen Van Baelen in yang over Safranski’s Romantik schreef, maar daar blijkt iets achter te zitten wat ik niet helemaal kan achterhalen — een conflict dat Velter blijkbaar heeft met De Leeswolf, waarvan Van Baelen redacteur is. Zijn bezwaren tegen het stuk worden op de site zelf in een commentaar van Erik De Smedt al grotendeels ontkracht, maar aan de enggeestigheid van een en ander doet dat weinig af. Nadat hij het artikel van Van Baelen ‘arrogant en dom’ heeft genoemd, vervolgt hij:

    Wat is hier gebeurd? Koen Van Baelen is redacteur van het tijdschrift ‘De leeswolf’. Marc Reugebrink krijgt een faveurke van ‘De leeswolf’ en dus mag de redacteur in het tijdschrift van Reugebrink publiceren. Kleine wereld? Incest? Krampachtige poging Bourdieu gelijk te geven? Niets van dit alles. Petit bourgeois, petit esprit.

    Kleine wereld inderdaad. Nog veel kleiner, meneer Velter, dan u kunt vermoeden. Koen Van Baelen leerde ik kennen tijdens een verhuizing van Rokus Hofstede, een — vind ik toch — begenadigd vertaler uit het Frans die ik (inwijkelingen onder elkaar) al langer kende. Hofstede verhuisde van het ene huis in mijn straat naar een ander huis in mijn straat. Het is een schande dat wij zo dicht bij elkaar wonen, meneer Velter, ik weet het. Maar goed, al tijdens die verhuizing, ik zwoegend onder een koffer vol kinderspeelgoed, Van Baelen worstelend met een wasrek vol lakens, vroeg de laatste aan mij of ik voor De Leeswolf niet een lezing over literaire kritiek wilde verzorgen vanwege hun tienjarig bestaan. Ik zei toe. Er werd vooraf in Antwerpen nog geluncht met de hele redactie, en tijdens die lunch liet ik vallen best voor De Leeswolf stukken te willen maken. Ik geef toe dat zoiets volstrekt ongeoorloofd is. Mijn contact bij dat blad werd, min of meer vanzelfsprekend vanwege de korte voorgeschiedenis, Koen Van Baelen. Het is bij de beesten af, inderdaad.

    Enfin, meneer Velter, hoe gaat zoiets, men leert elkaar kennen, men praat eens wat bij een paar flesjes wijn, men vindt elkaar op bepaalde punten, en tja, als dan mijn tijdschrift (ik maak dat namelijk al jaren helemaal alléén…) op een zeker moment naar een auteur voor een bepaald artikel zoekt, dan kan het heel goed zijn dat men uitkomt bij iemand die men… kent. Iemand van wie men denkt dat het misschien goed zou zijn als hij of zij zich over het onderwerp in kwestie boog. In die zin is yang al heel lang een broeinest van nepotisme, zoals alle tijdschriften dat zijn, of, als het daar om gaat, ook alle boekenbeurzen en –beursjes, zoals u wellicht weet. Wij noemen dat ‘een netwerk’ — een lelijk woord misschien, maar het dekt de lading. Zonder zoiets functioneert in de wereld van de literatuur, en trouwens ook buiten de wereld van de literatuur, niets.

    Het lijkt een goedkope omdraaiing, maar het is niet vaak dat de beschuldiging van kleingeestigheid me voort lijkt te komen uit de bewustzijnsvernauwing van iemanddie met alles en iedereen in de wereld wil afrekenen vanuit een verongelijktheid waarvan alleen hijzelf de ware oorzaken kent. Ik heb nog steeds de grootste waardering voor de bestrevingen van Druksel, ook nu de boekenbeurs met die naam verdwenen is, al vermoed ik dat het mij zeer kwalijk genomen zal worden wanneer ik bij het al te grote (avant-garde)purisme van zijn bezieler zo de nodige vraagtekens heb. Voor dergelijke puristen riekt dat onmiddellijk naar uitverkoop en ander bij een dan plotsklaps erg simplistisch wereldbeeld behorend zwart-wit denken.

    En overigens, meneer Velter, u kunt menen dat ik ‘eigenaardige opvattingen over aantallen’ heb, zoals u schrijft — het zojuist verschenen nummer van yang is echter niet 2008.4, maar 2008.3 … Laten we het wel exact houden, alstublieft.

  • Pin it!

    Boekenbeurs


    Het zou me niet meer mogen verbazen: de verslaving van de meesten aan het overbekende. Hier in Vlaanderen heerst de overtuiging dat Hollanders vrekkig zijn, en die overtuiging werd vroeger onder meer bevestigd door de gewoonte die Nederlanders hadden om op vakantie zakken aardappels, ingeblikt vlees en blikken groenten mee te zeulen naar het oord van bestemming. Met zuinigheid had dat echter minder van doen dan met het verregaande onvermogen om zich aan het werkelijk andere aan te passen — op het gebied van voedsel samen te vatten als: ‘huu, die olijfolie…’, waarbij dan met de hand vage bewegingen ter hoogte van de buikstreek werden gemaakt. Inmiddels is de pizza, zijn olijfolie en courgette in omgekeerde richting de grens overgestoken en hebben derhalve veel van hun vreemdheid verloren. Ik denk niet dat er nu nog veel (desalniettemin overbeladen) caravans zijn die volgestouwd zijn met inheems, Hollands voedsel.

    biografie_fotoMaar aan het onvermogen om zich werkelijk te verplaatsen doet dat niet veel af. Jaren geleden schreef de Nederlandse Portugees Rentes de Carvalho nog in zijn veelgekochte boek over Portugal dat Hollandse dames er rekening mee moesten houden dat de plaatselijke bevolking van Portugal niet echt zat te wachten op de monokini, en derhalve in de pronte ontbloting van borsten niet onmiddellijk een teken van emancipatie en dus beschaving zag. En er is zoiets als de all-in-formule op hete, tropische eilanden ver, ver weg, waarbij toeristen het resort waar ze verblijven nooit verlaten — een soort luxueuze versie van Center Parks, zo stel ik me voor, waar ‘alles is’.

    Op de boekenbeurs zie je hetzelfde gedrag. Onbegrijpelijk dat bij een dergelijke diversiteit aan titels, genres en wat dies meer zij, de meeste mensen in elk van de ‘niches’, zoals dat tegenwoordig schijnt te moeten heten*, telkens weer het overbekende, het tot vervelens toe herhaalde, het al overal tot in den treure uitvergrote en duizendmaal geëchode kiezen boven wat zo’n boekenbeurs eventueel aan nieuwigheden te bieden heeft. Of nee, misschien is dat niet zo onbegrijpelijk als je weet dat de media als enige doorgeefluik dat nog enige orde in de chaos lijkt te scheppen (en daarmee onherroepelijk een hiërarchie aanbrengt), zelf steeds weer afvliegen op het overbekende. Paul d’Hoore is tegenwoordig iedere avond op het journaal; reden om ook op de boekenbeurs met een camera op hem af te gaan. Aspe kent iedereen, dus laten we hem vooral voor de lens halen. Het blijft wonderlijk hoe ‘het nieuws’ altijd met het oude op de proppen komt, en hoe als het om cultuur gaat vooral datgene het nieuws haalt wat het vooral niet is.

    marcreugebrink
    © Bert, de 16-jarige Boekenbeursfotograaf.

    Ja, ik geef toe, ik heb zelf alweer een middag voor Jan Joker als signerend auteur op de boekenbeurs gezeten — mij troostend met de gedachte dat Rudi Vranckx die middag maar twee boekjes meer signeerde dan ik. Niet dat ik me daar niet op instel, maar halverwege de ‘signeersessie’ bekruipt je toch het gevoel dat je thuis had kunnen zitten werken in plaats van een Aanwezige Auteur te zijn die ook nog eens veel van het langstrekkend publiek een soort schuldgevoel geeft, zo meende ik te kunnen opmaken. Velen lopen op die typische stuurs-Vlaamse wijze langs de tafeltjes: ze kijken vooral en zeer nadrukkelijk níet. Anderen die wat argelozer zo’n gang met signerende auteurs zijn ingeslagen, kijken beschaamd naar hun tenen zodra ze je in het oog krijgen. En als na een uurtje de ballorigheid in mij weer eens de overhand krijgt en ik alle mensen begin aan te spreken die ook maar een half oog op mijn boekje hebben laten vallen, blijkt helemaal in welk lastig parket ze zich bevinden. Schuld schuld schuld. Want vaak zijn ze wel op weg om Goedele’s grote vagina boek, of hoe heet het, door de schrijfster te laten signeren, en zo’n ‘echte’ schrijver lijkt simpelweg door zijn aanwezigheid het besef aan te brengen dat zoiets misschien toch lichtjes banaal is (al zie ik niet goed waarom; een boek over vagina’s lijkt mij aan heel veel wezenlijks in het leven tegemoet te komen).

    9789002223136


    Schrijvers en schuld. Het zal iets te maken hebben met de toegenomen scholingsgraad van de totale bevolking dat meer en meer mensen die geconfronteerd worden met een schrijver, zich onmiddellijk beginnen uit te putten in verontschuldigingen. Dat ze u niet kennen. Dat ze minder lezen dan ze zouden willen. Dat het ‘eigenlijk’ een schande is. Ik mag dat graag beamen. Wie mij met een slecht geweten afkomt en met halve schuldbekentenissen, moet dan ook maar helemaal schuldig zijn. Het is een van de zeldzame momenten waarop je je realiseert dat ‘literatuur’ — als verschijnsel, als (ooit) deel van het curriculum — nog steeds een bepaald gezag vertegenwoordigt, en op dergelijke momenten mag ik daar graag van genieten, al gaat het dan om leedvermaak. Maar het vormt natuurlijk ook de achtergrond van de schrijvershaat, van de afkeer van de intellectueel in het algemeen. Iemand die anderen dóór er te zijn, ook al doet hij weinig anders dán er zijn, een slecht geweten bezorgt, krijgt niet zelden het verwijt dat hij arrogant of elitair is. Sommigen vinden het al een schandaal dat je een boek geschreven hebt. Meneer denkt zeker dat-ie beter is dan de rest, hm?

    Ondanks het feit dat ik van het gevoel beter te zijn dan anderen niet meer dan gemiddeld last heb — maar er in ieder geval niet van beschuldigd wens te worden wanneer ik de, ook door de media zelf als louter (low-culture) amusement gepresenteerde items volmaakt oninteressant zeg te vinden (als een loodgieter bij literatuur de schouders op mag halen, dan mag ik dat bij hetgeen hij in breed culturele zin belangwekkend vindt) — blijft de boekenbeurs toch een behoorlijke kwelling. Het wankele evenwicht tussen wat ik mijn romantische inborst noem en de realiteit van alledag, die aan die ‘romantiek’ geen boodschap heeft, is op zo’n boekenbeurs volledig weg. Men bevindt er zich vrijwel uitsluitend aan de kant van die ‘realiteit’, waarbinnen men dat is wat men voor zichzelf niet kan zijn: een product. Het leidt tot een afkeer van het vak als geheel.

    ‘Ga dan niet.’

    Ja, nee, maar… kijk, het is natuurlijk wel de realiteit waarbinnen ik besta. En hoezeer ik binnen die realiteit zelf hoogstens besta binnen zo’n ‘niche’, ik kan me er niet straffeloos aan onttrekken. En eigenlijk wil ik dat ook niet.

    jaguar_cfx_03_01_072004-Jaguar-XJ8-1280x960


    Intussen heeft men bedacht dat ook de schrijvers dan toch ten dele schadeloos gesteld dienen te worden voor het hen aangedane leed — en wel door elke met de auto arriverende scribent op zijn minst de voorsmaak van het ware sterrendom te geven. Men parkeert — opzettelijk ver van de Expo — in een lommerrijke omgeving zijn (in mijn geval) gedeukte auto om daar over te stappen in een van de nieuwste modellen Jaguar, compleet met een chauffeur in uniform. Die chauffeert mij gezwind richting hoofdingang van de boekenbeurs, alwaar een rode loper me de weg wijst. Er dient gezegd dat ook ‘normale’ mensen, mensen die géén auteur zijn, brutaalweg over deze rode loper binnenstappen, en het gevoel van ongehoorde luxe verdwijnt eigenlijk ook op het moment dat men het portier van de auto met een onbeschrijflijk en onwaarschijnlijk beschaafd plofje achter zich dicht hoort vallen. De toch min of meer verwachte hysterie, het flitsen van camera’s, toejuichingen, bedes om handtekeningen en ondergoed — niets van dat alles. Men is weer zichzelf met een rugzakje en een debiel kaartje om zijn nek waar op staat: ‘Signerend Auteur (+ parking)’. Men kan bij mij parkeren.

    Wel weer mooi om dan even met Jef Geeraerts in zo’n jag te zitten. Hanna en ik escorteerden hem de avond van de vooropening terug naar Gent. Hij begon meteen over cilinders (acht? twaalf? bestaat er zoiets?), vroeg aan de chauffeur of het een 4-liter was misschien, die beaamde. Hij kon ook moeiteloos een aantal modellen opnoemen. ‘Mijn vader had een garage,’ zei hij later, gezeten in een lawaaiige 2-liter diesel Citroën Berlingo met gedeukt zijportier. In zo’n vehikel doorpraten over auto’s bleek niet goed mogelijk…

    RUG200810300376_

    © Arlette Stubbe


    ______________________
    *)= Vroeger was ‘niche’ een pejoratieve term die werd gebruikt om de economische onaantrekkelijkheid van een bepaald soort boeken te omschrijven, en daarmee hun onwenselijkheid binnen het grotere geheel van de markt; tegenwoordig lijkt het woord eerder als toverwoord ingezet te worden: de ‘niches’ legitimeren marktfundamentalisten binnen het boekbedrijf om zich van hun eventuele culturele verantwoordelijkheid nu volledig ontslagen te achten. Want zijn 'niches' niet het gedroomde excuus om de huidige praktijk van verschraling en monoculturele roofbouw voort te zetten? Wie niet met de grote stroom mee kan, heeft immers zijn eigen ‘niche’? Die mag niet klagen? In een hoek getrapt, maar hé… hij heeft tenminste een hoek hè!