• Pin it!

    Publiek


    screenshot_41


    Natuurlijk leeft een krant voor een deel van georganiseerde tegenstellingen. In De Standaard is men een reeksje begonnen dat ‘De ontdekking van de lezer’ heet, dit in het kader van de boekenbeurs in Antwerpen, die vanavond… eh… ‘voorgeopend’ wordt. Op basis van een stuk dat ik eerder schreef over de prachtige grap die Yves Petry ooit uithaalde met de Karel Schurmanprijs, vroeg De Standaard mij mijn rol op te nemen als tegenstander van het fenomeen van de publieksprijs. Mijn mogelijke ‘tegenstander’ zou misschien wel Daniël Dullers van de Gouden Uil zijn. Want die had als marketingdirecteur van Standaard Boekhandel natuurlijk zíjn rol te spelen als voorvechter van het fenomeen in kwestie. Maar blijkbaar liet hij het afweten. In zijn plaats verdedigde Marc Verstappen, directeur van Villanella (organisator van De Nachten, De Gouden Uil en De Inktaap) de publieksprijs.

    Ik had er kortweg dit over geschreven:

    Het lijkt het toppunt van democratie, zo’n publieksprijs, maar wat wordt er eigenlijk bekroond? In het beste geval de selectie van een jury die op basis van haar eigen vooronderstellingen een aantal werken nomineerde, zoals bij De Gouden Uil. Aan de daadwerkelijke keuze van het publiek gaat dan al een keuze vooraf die meestal bij de bekendmaking van de publieksprijs zorgvuldig wordt verzwegen. De vox populi is dan slechts de megafoon van wat een select gezelschap op voorhand heeft beslist. Erg is dat niet, maar de beeldvorming rond zo’n prijs (‘de mening van het publiek’ ) is dan op zijn minst misleidend.

    Vaak is er bij publieksprijzen geen jury te ontwaren en worden we geconfronteerd met een lijstje dat is opgesteld door nobele onbekenden die het goed met ons en met de literatuur zouden menen. In die lijstjes gaat het meestal om de
    usual suspects: om de bekende (goedverkopende) namen die voor de zoveelste keer worden gerecycleerd. Dat is bijna het tegendeel van de democratie die door publieksprijzen gewaarborgd zou zijn. De keuze voor steeds dezelfde ‘grote’ namen leidt uiteindelijk tot een ontoelaatbare verschraling waarmee alleen het kortetermijndenken van marktfundamentalisten in het boekbedrijf gediend is en die een werkelijke vrije keuze onmogelijk maakt.

    Literatuur is kunst en zoals voor alle kunst geldt: een zekere kundigheid is daarvoor noodzakelijk. Geheel ten onrechte en met alle verdachtmakingen van dien noemt men dat ‘elitair’, maar in feite gaat het om weloverwogen, op basis van leeservaring en smaakontwikkeling van de juryleden gebaseerde opvattingen, die idealiter altijd aanspreekbaar zijn op de door hun gehanteerde vooronderstellingen bij de toekenning van kwaliteit aan dit of dat boek. Bij de Koningin Elisabethwedstrijd zit er in de jury ook niemand die het qua smaak nooit verder bracht dan André Rieux (of dat vergelijkenderwijs voor de nieuw samengestelde jury van De Gouden Uil het komende jaar ook nog zo is, durf ik niet te voorspellen).

    De ook in de pers veelgehoorde bewering dat kennis van zaken elitair is, biedt een sombere kijk op het democratisch gehalte van onze samenleving. Wanneer dat ook nog eens wordt weggepoetst met publieksprijzen die in werkelijkheid de agenda van managers vertolken, die zich noch ethisch, noch esthetisch verantwoorden of verantwoordelijk achten, moeten we misschien toch eens gaan nadenken — met z’n allen.


    Verstappen geeft in zijn bijdrage (niet zelf geschreven, maar neerslag van een interviewtje, zo blijkt uit alles) aan het slot — waarschijnlijk door de interviewster geconfronteerd met delen van mijn tekstje — toe dat ‘het publiek niet helemaal vrij’ is bij de meeste publieksprijzen, en dat bij De Gouden Uil de jury ‘een handje helpt’ door een preselectie te maken. ‘Maar,’ vervolgt hij, ‘blijkbaar doen we [we? Verstappen zit toch niet in die jury?] dat op een geloofwaardige manier: jaarlijks stemmen er zo’n tienduizend lezers op een boek uit die shortlist.’ Chapeau, maar dit bevestigt alleen maar wat ik beweer. Het wat paternalistische ‘handje helpen’ staat in schril contrast met de suggestie over de geloofwaardigheid — alsof er ook maar een mogelijkheid zou zijn dat mensen aan zo’n publieksprijs niet mee zouden doen op grond van het feit dat zij de preselectie niet de moeite waard vinden. Niemand heeft een zodanig overzicht dat hij of zij tot een dergelijke vaststelling zou kunnen komen. Mensen vinden het waarschijnlijk leuk om mee te doen aan zo’n publieksprijs, maar met de geloofwaardigheid van de preselectie heeft dat niets te maken.

    69645


    Toegeven dat ‘het publiek niet helemaal vrij is’ zet ook andere opmerkingen in Verstappens bijdrage op losse schroeven. Zo noemt hij het verrassend dat Peter Verhelsts Memoires van een luipaard ooit (in 2002) de publieksprijs won, omdat Verhelst toen — ‘vriendelijk uitgedrukt’, zegt Verstappen — ‘nog niet meer dan een cultschrijver was.’ Dat is natuurlijk onzin: Verhelst had twee jaar daarvoor De Gouden Uil gewonnen met Tongkat, een feit dat hem enorm opstuwde in de vaart der volkeren, zodat je je serieus kunt afvragen of hij in 2002 nog wel zo’n ‘cultschrijver’ was (of een ‘cultschrijver’ per se minder publiek trekt, vraag ik me overigens af). In ieder geval is hij sinds die Gouden Uil binnen, zeker de Vlaamse literatuur een vaste waarde. En wie zaten er in 2000 in de jury, wie in 2002? Jury’s werden toen nog niet meteen na gedane arbeid weggestuurd, maar bleven meestal een aantal jaren zitten (Anna Luyten was van 2000 tot 2006 voorzitster, bijvoorbeeld). Mogelijk dat zij die Tongkat bekroonden ook Memoires van een luipaard meer dan de moeite waard vonden. Zoiets is niet verrassend, maar logisch en consistent.

    Hoe je het ook wendt of keert: een publieksprijs is altijd een schijnvertoning. De enige prijs die in dit opzicht niet schijnheilig schermt met democratie maar onomwonden haar commerciële vooronderstellingen prijsgeeft, is (of was) Het Gouden Ezelsoor — een prijs voor het best-verkopende debuut*. Daar kwam volgens mij geen ‘preselectie’ aan te pas, daarbij golden alleen kassabonnetjes. Dat neemt natuurlijk het plezier van het wedstrijdelement weg, maar in ieder geval rekent het af met de in zekere zin bedenkelijke suggestie dat het het publiek is dat vrij kiest. Die vrijheid is hier een ander woord voor gebondenheid, zoals de Deutsche Demokratische Republik natuurlijk niet democratisch was en er onder die benaming het tegendeel schuilging. Een prijs voor het best verkopende boek rekent ook af met de al even schijnheilige suggestie dat het om literaire kwaliteit gaat. Die kun je alleen toekennen op grond van bepaalde vooronderstellingen over wat goede literatuur is, vooronderstellingen die zelf weer verbonden zijn met de geschiedenis van de literatuur en de daarbinnen figerende opvattingen.

    _________________
    *)= Een andere, bedenk ik me nu, was de publieksprijs van Rottend staal en De Contrabas, een initiatief dat strandde 'omdat enkele dichters en kiezers voor te veel overlast zorgden. Die overlast – stemfraudepogingen, handelen tegen de geest van de verkiezing in, dreigementen – kostte ons in januari 2005 en januari 2006 veel tijd en energie. We hebben geen zin om voor de derde maal als politieagent te moeten optreden', aldus de organisatoren — wat op zijn minst de suggestie wekt dat het publiek én de deelnemers het niet zonder enige vorm van bevoogding kunnen stellen. Maar het uitstekende aan die publieksprijs was de uitputtende lijst van deelnemers — een lijst bundels die vaak het aantal voor de VSB Poëzieprijs ingestuurde bundels nog overtrof.

  • Pin it!

    Atheïsme


    Merkwaardige opmerking vandaag in De Morgen: in een interview van Bert Bultinck met Rachida Lamrabet en Nadia Dala zegt de laatste: ‘Tegenwoordig is het atheïsme de nieuwe religie van het Westen. En het is een zeer intolerante religie.’ Ze heeft kort daarvoor een onderscheid proberen te maken tussen ‘het instituut en het geloof an sich’. Ik neem aan dat ze dat ‘atheïsme als religie’ dan schaart onder ‘het geloof an sich’, want van werkelijk atheïstische instituties vergelijkbaar met wat kerk of moskee voor het christelijke geloof of de islam an sich zijn, is bij het atheïsme geen sprake.

    Dat er hier flink met de eierklutser begrippen en concepten door elkaar worden gehaald op een manier die nu niet meteen bevorderlijk is voor welke uitwisseling van gedachten dan ook maar, is evident. En dat atheïsme ‘nieuw’ noemen, geeft blijk van verregaande onbekendheid met de (westerse) geschiedenis van de moderniteit. Waar het Dala waarschijnlijk om te doen is, is de omkering: het is het geloof (‘an sich’) dat hier de tolerante rol krijgt toebedeeld, terwijl het atheïsme de rol van grote onderdrukker wordt toegeschreven. De religieuzen zijn het slachtoffer van de secularisering — om niet te zeggen: de martelaren van hun geloof.

    Zoiets kan men alleen zo formuleren wanneer men zelf nog geheel ingebakerd is door een welbepaalde religie — waarvan in alle gevallen ‘het geloof an sich’ een afsplitsing zal zijn. De verschillen tussen bijvoorbeeld katholieken en protestanten liggen niet in dat ‘geloof an sich’, maar in wat de instituties als beleving van dat geloof met de paplepel ingeven, danwel voorschrijven; datzelfde geldt voor het verschil tussen een gelovige die Nederlands Hervormd is en een die tot de Gereformeerde Kerk behoort (voor zover dat verschil op institutioneel niveau in Nederland nu nog bestaat). Dat heeft elkaar in verschillende gradaties al meermalen naar het leven gestaan, om over de eeuwenoude controverse tussen islam en christendom maar helemaal te zwijgen. Zelfs een atheïst als ik, opgegroeid in een land dat al zeker sinds de Synode van Dordrecht (1618-1619) en de Statenvertaling van de bijbel in 1637 in taal en gebruiken zoiets als een eigen identiteit heeft ontwikkeld (hoe onmogelijk het ook dan blijft daar in zijn algemeenheid iets zinnigs over te zeggen) — zelfs een atheïst als ik beleeft zijn eigen seculariteit anders dan een atheïst die opgroeide in, laten we zeggen, de bloemekeswijk in Gent. Als het moet gaan over intolerantie dan acht ik een Hollandse godloochenaar in zijn loochening nog altijd wat strenger (zal ik zeggen: ‘rechter’?) in de leer dan een Vlaming die zijn kloten vaagt aan den Heere. Die laatste doet dat toch altijd met een, voor iemand van boven de Moerdijk, wat al te vage katholieke wazigheid — als iemand voor wie het niet bestaan van god en goden nu niet onmiddellijk een halszaak is (helden van het Vlaamse verzet tegen de kerk niet te na gesproken, uiteraard).

    Ik wil zeker niet zo ver gaan als wijlen de heer Fortuyn, die de islam ‘achterlijk’ noemde — een uitspraak die alleen enig gewicht kan krijgen als men ook bereid is het christendom als iets volkomen achterlijks voor te stellen, en laten we de andere wereldreligies er dan ook meteen bij doen (die moed had deze relnicht niet). Ik begrijp dat men in religieuze kringen ‘atheïsme’ gelijkstelt met een bepaalde, extreme vorm van ‘nihilisme’ — maar ik vind de bijbel en andere boeken die onze oorsprong en ons einde op een andere manier vertellen dan de wetenschap dat doet, bepaald geen achterlijke boeken, althans voor zover ze niet louter in instrumentele zin worden beschouwd. (Dat is wat ik op de nieuwe bijbelvertaling tegen heb: dat het verhevene dat in de bijbel aan de orde komt, het extreme, het duistere ook, alles wat van de eerste Statenvertaling een literair werk zonder weerga maakte, zo is teruggebracht tot de banaliteit van het alledaagse taalgebruik, dat het geschrevene alleen nog kan dienen voor de kleine, ‘heldere’ waarheden waaraan we ons zouden moeten houden). De moderniteit is een worsteling met het metafysisch surplus dat zelfs de grootste agnost blijft achtervolgen, omdat het inherent is aan de condition humaine. Een postmodernist als Lyotard bleef bij alle negaties toch steeds pleiten voor de gerichtheid op het ongrijpbare, op dat wat bijvoorbeeld de bijbel in een oudere vertaling voor mij nog steeds eerder evoceert dan afdekt, op dat wat ook literatuur van oudsher tracht bloot te leggen en waarvoor in onze burgerlijk genoemde samenleving nooit enige andere plaats werd ingeruimd dan die van de kunst (en zelfs dat tegenwoordig niet meer).

    Zo bezien is wat Dala ‘atheïstisch’ noemt misschien eerder de westerse burgerlijke samenleving, waarbinnen de institutie religie zelf altijd is gebruikt om de orde te bestendigen, zo niet als institutie aan de basis ervan lag. Het is een samenleving waaruit het duistere, het hoge, het onzegbare, het menselijk tekort altijd zorgvuldig is geweerd of juist in geïnstitutionaliseerde vorm, als religie, werd gereguleerd en feitelijk onderdrukt. Het is een samenleving waarin secularisering als vanzelf de misschien enige vorm aannam die zij kon krijgen: die van het laisser-faire van marktmechanismen. Wie dat laatste een nieuwe religie wil noemen, spreekt nog steeds in metaforen, maar zegt in ieder geval iets wat ik kan begrijpen.

    Ik stel hier het religieuze natuurlijk nogal gelijk aan het literaire, en de (maatschappelijke) relevantie van literatuur voor een samenleving — juist voor een geseculariseeerde samenleving als de onze — is dan ook dat ze de verhalen vertelt die ons zowel bewust maken van onze menselijke conditie als (misschien) verzoenen met de absolute onvermijdelijkheid van het tekort. Ze toont een deel van de werkelijkheid waaraan de wetenschap niet kan raken (die de grootste claim heeft op wat onze werkelijkheid heet, maar die op het vlak van de ervaringswerkelijkheid toch minder in de melk te brokken heeft), en waarmee de politiek niet uit de voeten kan (hoezeer politici zelf er ook door worden geleid en gestuurd). Ze herleidt de in zekere zin noodzakelijke abstracties (zonder een zekere vorm van abstrahering van het particuliere in het algemene is er geen samenleving mogelijk) weer tot het persoonlijke en is zo, in inderdaad haast bijbelse zin, een herinnering aan onze grandeur en onze misère.

    Zo bezien zou het wel eens zo kunnen zijn dat men voor de werkelijke beleving van het religieuze eerst atheïst moet zijn. Intolerantie begint daar waar dat religieuze wordt geweerd — en dat is, ironisch genoeg, vooral binnen de instituties die dat religieuze zeggen te vertegenwoordigen. De daaruit afgeleide eigen beleving, het ‘geloof an sich’, staat zo bezien helemaal niet tegenover dat atheïsme, maar ernaast.

  • Pin it!

    Werken in uitvoering


    De afgelopen weken een tekstproducent geweest, of me toch zo gevoeld — een met liefde gemaakte speech (hieronder), een met amecht geschreven essay (voor yang), een met veel plezier geschreven recensie (voor De Leeswolf; over Gaston Franssens Gerrit Kouwenaar en de politiek van het lezen én over de nieuwste bloemlezing uit Kouwenaars werk, Vallende stilte), vervolgens nog een, nu met villein plezier geschreven essay (voor Nieuw Zuid), tussendoor werkend aan het radioboek dat deze maand nog af moet. Intussen geïnterviewd prijsbeest in wereldstad Eeklo, en gisteren nog eens hier in Gent, in ‘De Paarse Zetel’. Voorgelezen in Den Haag op de prozaversie van ‘Dichter aan huis’, waar de bewoner van het huis waar ik te gast was me wist te vertellen dat ik eigenlijk een paar huizen verderop had zullen zitten (daar zat nu Kees ’t Hart), maar dat de bewoners van dat pand bezwaar hadden tegen al die smerige seks in mijn boek. Ik hoopte vervolgens dat Kees daar ten huize vooral de eerste pagina’s van Blauw Curaçao zou voorlezen (wat hij niet gedaan had, vertelde hij me later). Daarnaast voor het fantastisch leuke programma van Koen Fillet, zondagavond van elf tot twaalf op Radio 1, aan de hand van de door hem bedachte thema’s naar nummers gezocht en tekstjes ingesproken — iets wat ik zo vaak mogelijk wil blijven doen.

    6646-p vvi9789021434537


    Als dit zo doorgaat, blijft er van mijn heilige principe van het lummelen weinig meer over, van het ‘niets doen’, dat bestaat uit ongericht lezen van stukken romans, halve studies over de meest uiteenlopende onderwerpen waarover ik het in mijn kop heb gehaald dat ik er dringend iets van af moet weten, dit allemaal met het oog op wat er later aan de schrijftafel verricht moet worden. Meestal blijft dat residu. Stel je voor: voor Het grote uitstel ploeterde ik zelfs in het oeuvre van Hegel, waarvan gelukkig nog maar een enkel zinnetje in dat boek getuigt. En wat ik ter voorbereiding van Touchdown (toen ik nog niet wist dat het dat boek zou worden dat ik ging schrijven) allemaal over ruimtevaart heb gelezen, grenst aan het puberale. Gelukkig is het einde van een en ander in zicht, al heb ik mezelf voorgenomen om in de bibliotheek van Merelbeke, halfweg december, een soort theatrale uitvoering van Het grote uitstel te geven — hopelijk niet al te zeer van het ‘tussen de schuifdeuren’-niveau. Voorlezen, muziek, beeld, zang bij krukkig gitaarspel — en dat alles zonder technicus en met één laptopje. Hoe dat allemaal moet… En o ja, ‘De Nachten’ zijn er ook nog…

    IMG_7441


    Maar alweer enkele weken geleden, op 4 oktober, leidde ik, samen met mijn ‘vaste’ medefeestspreker Bart Van Loo (wij mochten ook al schitteren op een avond die door De Leeswolf / De Leeswelp was belegd), het nieuwe boek van Willem van Zadelhoff in, Vuur stelen. Dat deed ik ongeveer zo:

    Dames en heren,

    Misschien heeft iedereen dit: als je aan je eigen jeugd terugdenkt, hebben de herinneringen iets unieks, alsof jij de enige was die precies dit overkwam en die precies zo in de tijd stond. Nou ja, jij, en de mensen om je heen, klasgenoten, vrienden… En misschien duurt het ook wel tot de gezegende leeftijd waarop eindelijk de nostalgie intreedt, het moment waarop men besluit na jaren van schouderophalen bij alweer een uitnodiging tóch maar eens naar zo’n schoolreünie toe te gaan, het moment waarop blijkbaar programmamakers op tv ook jouw leeftijd hebben bereikt en met vertedering over Ad Visser en Toppop beginnen, over Puchs en Kreidlers, over bellbottoms en geborduurde jeans — misschien, bedoel ik, moet men de voor mensen van mijn leeftijd onwaarschijnlijke vijftig jaar naderen (een getal dat niks maar dan ook niks met ons te maken heeft) voordat men eindelijk begrijpt dat geen enkele herinnering werkelijk uniek is; voordat men eindelijk doorheeft dat men tot een
    gemeenschap behoort, met in zekere zin, ondanks alle ontzuiling en globalisering, toch gemeenschappelijke herinneringen, en zelfs gemeenschappelijke… eh… waarden, zal ik maar zeggen. Zeker voor wie in de kunst verzeild raakte — de beeldende of de literaire, dat maakt niet uit — heeft de suggestie dat we iets aan het maken zijn dat eventueel herkenbaar is, altijd de bijsmaak van verraad, zozeer is onze generatie, die van Willem, die van mij, opgegroeid met het idee dat in het contrair zijn onze vrijheid en onze waardigheid besloten liggen. Al het andere is toegeving, uitverkoop, kuddegedrag en dus, op zijn zachtst gezegd: laakbaar. Het individualisme, en de daarmee gegeven noodzaak uniek te zijn, is onze gesel en onze god — al schrijven we dat laatste woord dan natuurlijk wel met een kleine letter: uit protest, als bewijs van onze onafhankelijkheid, en misschien nog een heel klein beetje uit verlangen om, voor zover nog mogelijk, te blijven shockeren.

    Geen wonder dus dat ik in
    Vuur stelen het nodige herkende — niet zozeer in het directe verhaal dat in het boek verteld wordt, maar vooral in wat de personages drijft, in de specifieke herinneringen die worden opgehaald — herinneringen aan een toneelschool dan ook nog. Dat was toentertijd maar één stap verwijderd van zoiets als de Sociale Academie — waar, zo werd gefluisterd, studenten de hele dag in kussens lagen en elkaar aan het eind van elk semester zelf evalueerden — en het kwam ook akelig dicht in de buurt van willekeurig welke kunstacademie — waar studenten, tot weinig anders in staat, de grootste rotzooi produceerden, maar toch met vlag en wimpel slaagden omdat ‘het proces’ dat hen tot die rotzooi gebracht had zo goed was geweest. Men mislukte er met brille. Die herkenning van een wereld levert ook in Vuur stelen een pijnlijke waarheid op: dat al het gezever over onze individualistische onafhankelijkheid en kritische zin of onze kritische onafhankelijkheid en individuele zin niet eens van onszelf afkomstig was.

    Want rekent u even mee? Ik ben er niet voor om boeken geheel autobiografisch te lezen, maar het hoofdpersonage uit het boek, alsmede zijn directe tegenspeler, is, net als de auteur, geboren in 1958 en zou dit jaar vijftig worden. Dat betekent dat zij
    niet tot de mei ’68-ers behoren van wie al die linksigheid uit hun (en ook mijn) jeugd afkomstig is, alle ideeën over kritische zin, opstand tegen het gezag, het belang van het individu en alles waarmee de mei ’68-generatie, ook wel de Protestgeneratie genoemd, ons, vooral Willem en mij, heeft opgezadeld, godverdomme.

    9789085421450


    Het waren
    docenten, de hufters die verdomme betaald werden om ons te leren hoe de wereld in elkaar zat — zij waren het die dingen tegen ons zeiden als die welke in deze roman op pagina 169 staan: ‘Jullie zitten op een toneelschool,’ zeiden ze, ‘Jullie denken dat jullie toneel moeten maken.’ Maar het moge duidelijk zijn dat toneel maken wel het laatste was wat je op een toneelschool diende te doen, niet waar? Nééé, daar moesten we dringend van af, van het toneel. Zoals we in de kunstacademie van de kunst verlost moesten worden. En in literatuur van de literatuur natuurlijk. En in het algemeen moesten we van de bourgeois verlost worden, van die klaarblijkelijke onmens, die door het kapitalisme volgevreten potverteerder die overigens al enige eeuwen kunst, toneel en literatuur schraagde maar er blijkbaar het volk enkel zoet mee had gehouden. Tegen de muur ermee. Die kant moest het op, begrijpt u wel?

    En in toneel zelf moest het dan om vervreemding gaan, hè, zoals Bertold Brecht die voorstond, weet je wel. ‘Identificatie leidt tot verlamming,’ lees je elders in het boek. Nee, we moeten de toeschouwers ‘lachspiegels’ voorhouden, want dan ging je identificatie tegen, niet waar? Dan maakte je hen bewust van de fictieve constructie die elk toneel, maar dus ook het toneel van de alledaagse werkelijkheid in feite was. Snapt u ‘m? Dan kreeg die toeschouwer inzicht in hoe hij dagdagelijks bij de neus werd genomen. Door die bourgeois natuurlijk! Wat had u dan gedacht! En door de kapitalist, als dat al niet hetzelfde is. Het toneel liet hem zien dat alles toneel was en dat er, zoals bij alle toneel, door iemand aan de touwtjes werd getrokken. Voelt u ‘m? En daar moesten we dringend van af. We moesten, kortom, allemaal kleine Prometheusjes worden, begrijpt u wel?

    Prometheus: de man die het vuur van de goden stal en voor straf aan een rots in, ik meen, de Kaukasus werd geketend waar iedere dag een adelaar aan zijn lever pikte, een lever die ook iedere dag weer aangroeide. Prometheus die in de literatuur als de verpersoonlijking van het individualisme en de daarmee verbonden, daaraan inherente bevrijdingsdrang wordt gezien. Prometheus, over wie het steeds maar gaat in
    Vuur stelen — meer precies over Prometheus geboeid, een tragedie van Aischylos, uit vier, vijf eeuwen voor Christus, een tragedie die hoofdpersoon Bob Moreno vroeger op het toneel zou brengen met in de hoofdrol Hugo Maris, een latere televisiester.

    Maar Hugo Maris haakt af. Hij kan de rol niet spelen, misschien omdat hij datgene beseft waarvan dit hele boek doordrongen is: dat hij géén Prometheus is, dat het prometheïsche waarmee hij en de rest van zijn generatie is grootgeworden zelf het schoolvoorbeeld is van een toneelmatige werkelijkheid, van iets dat niet ‘echt’ lijkt, maar ‘bedacht’, iets waarin hij onmogelijk kan geloven. Er wordt in het boek geregeld aan dit gevoel van onechtheid gerefereerd, zij het zonder precies dat woord te gebruiken. Als het niet zo ironisch was, zou je moeten zeggen: de hoofdpersonen in het verhaal lijden aan vervreemding. Die maakt hen niet kritisch en zelfstandig, zoals de theorie voorschrijft, die brengt hen niet terug bij het ware zelf dat onder het ‘valse bewustzijn’ verscholen zou zitten, zoals de marxisten dat noemden, — nee, die vervreemding maakt hen daadwerkelijk ontheemd. ‘Links zijn, dat ging nog, maar de theorie…,’ zo heet het ergens. En elders: ‘Ik onderga alles’. Weer op een andere plek: ‘Voor hem was het allemaal spel. Niets nam hij serieus, ook het leven niet.’De relativering van de waarheid gaat voor deze generatie aan de formulering van waarheden vooraf; de relativiteit van elke werkelijkheid aan de ervaring ervan. Ons leven is een ‘Glasperlenspiel’, zoals de Duitse filosoof Peter Sloterdijk het ooit noemde, een theater dat we als theater doorzien, waar geen werkelijk
    Anders-zijn meer tegenover staat. Prometheus geboeid inderdaad, vastgeketend aan een verlangen naar het daadwerkelijke andere dat we tegelijkertijd menen te doorzien en zo onmogelijk maken. In die zin zijn wij niet geketend omdat we het vuur hebben gestolen, maar juist omdat het ons al op voorhand zelf ontstolen werd. Nóg een keer Sloterdijk: ‘Wir sind aufgeklärt, wir sind apathisch’.

    De nostalgie die ik voel bij het lezen van ook dit boek weer (al is het geenszins de bedoeling van dit boek om nostalgisch te zijn) is niets anders dan het paradoxale verlangen nog één keer te kunnen geloven in de waarheid van wat onze grootste fictie blijkt te zijn geweest: het, achteraf, naïeve geloof in onze toentertijd nooit betwijfelde, maar veeleer vanzelfsprekende, bijna natuurlijke kritische, zelfbewuste houding — het zalige gevoel ook dat links de plaats had ingenomen van wat in het Christendom Het Goede heette, ook al wisten wij evenmin als de gemiddelde Christen hoe of waarom. En ook omdat het verlangen naar de betere wereld die links toen voor ogen stond niemand van deze generatie onberoerd heeft gelaten — we zijn ofwel als gevolg ervan gruwelijk cynisch geworden ofwel tot snikkens toe nostalgisch, en soms, niet zelden, allebei tegelijk.

    Ook die dubbelheid zit in dit boek. Niet dat
    Vuur stelen precies hierover gaat. En zeker niet uitsluitend. Er wordt nog een heel ander verhaal verteld, maar dat kunt u gemakkelijk zelf lezen. Maar het is wel precies deze onzegbare, in zichzelf verwarde cynische nostalgie die ook aan dat verhaal zijn tragiek geeft — die de tragiek is van onze generatie, van een Prometheus zonder lucifers, een tragiek ook die we nauwelijks uitgelegd krijgen — aan anderen niet, aan onszelf nog wel het minst. Alleen in literatuur, misschien, kunnen we er iets van laten zien, en laat Willem er in dit boek iets van zien. Met een laatste paradox: de brechtiaanse vervreemding waarover het in de gesprekken in dit boek steeds gaat, wordt hier gepaard aan de inleving zoals de oude Grieken die voorstonden: het op- en ondergaan in de lotgevallen van de held van een tragedie, een identificatie voor de duur van het spel, een volledig samenvallen met de fictie zolang die duurde — waarna men gelouterd het theater verliet. Ik wens u bij lezing van dit boek hetzelfde toe.

    9789085420910


    Intussen verscheen ook de nieuwe roman van Jeroen Theunissen, ingeleid door Annelies Verbeke. Een vorm van vermoeidheid is, zo werd die avond gezegd, Jeroens beste boek tot nu toe. Een schrijver kan niet anders dan dat tegen zichzelf zeggen, maar als lezer kan ik het beamen. Ik kan het bijna niet anders dan psychologiserend benaderen, niet zozeer om aan schedellichting van de auteur te doen (daarvoor is geen enkele roman werkelijk geschikt), maar het schrikwekkende van dit boek is de terloopsheid waarmee ons volkomen ingepamperde bestaan, een zeker soort gelukkige tevredenheid, te gronde wordt gericht. Dat te gronde richten is op zich iets wat je verwacht, maar het is die terloopsheid die de destructieve tendens in zelfs de grootste burger — nee, in de burger in onszelf — op een huiveringwekkende manier voelbaar maakt. In je auto zitten en denken: nu rijd ik door, weg, geen idee waarheen, maar ik ga (en het dan niet doen, toch de afslag nemen, toch je straat indraaien met een vaag gevoel van schuld en zelfmedelijden). Het diepe verlangen naar de ander in het zelf — een fantasma waarschijnlijk, maar bij tijd en wijle reëel genoeg. Daarover gaat het boek. Onder andere.

    En, dat is het punt denk ik, daarin sluit het aan bij wat ik heb leren zien als misschien wel typisch voor mensen van Jeroens generatie (laten we zeggen: geboortejaar 1975 en later). Enfin, oppassen voor generalisaties, maar wat voor ‘mijn’ generatie geldt — ons onthand zijn, onze late woede tegen de grote bevrijders van mei ’68 die geweigerd hebben ons een wereld uit te leggen terwijl ze ons tegelijkertijd met de plicht van het idealisme opzadelde — geldt nog dubbel zo hard voor een generatie later, de generatie waarin pragmatisme allang ons hopeloze idealisme heeft afgelost. Dat pragmatisme levert een soort gelukzaligheid op, en als er al een drang is daar uit te breken, kent ze geen object. In een ‘betere wereld’ valt op voorhand niet te geloven, of in welke legitimatie voor het te gronde richten van het alledaagse bestaan dan ook maar. Er wordt niet eens de vergissing gemaakt van gestelde (eventueel revolutionaire) doelen; er is geen enkele reden. Dat maakt Een vorm van vermoeidheid gitzwart. Ik had steeds de neiging de hoofdpersoon — Horacio Gnade — elke vorm van genade te onthouden en hem af te rekenen op zijn volstrekte immorele gedrag,maar werd steeds gestuit door het besef dat hij veeleer a-moreel is.

    vvi9789021434575


    Nu wacht me eerst de nieuwe bundel van Bart Meuleman, omdat ik ziek werd. ‘als mens ben ik compleet ontgaan’, lees ik. Nee, dit wordt alweer geen vrolijke eeuw, als je het mij vraagt.