• Pin it!

    Toekenning


    Alweer bijna twee weken terug schreef ik in De Morgen naar aanleiding van de dood van Solzjenitsyn het volgende:

    Solzhenitsyn


    Alles wijst erop dat Aleksandr Solzjenitsyn niet echt een groot schrijver was. De Nobelprijs (1970) kreeg hij weliswaar nog voordat zijn bekendste werk — De Goelag Archipel (1973) — verscheen, maar leek toen al meer op politieke gronden dan op grond van literaire kwaliteiten toegekend te worden. Solzjenitsyn schreef een soort houterig negentiende eeuws realisme dat het op geen stukken na haalde bij het werk van auteurs waarmee hij desondanks toch vaak werd vergeleken: Dostojewski en Tolstoi.

    Maar bij de beoordeling van Solzjenitsyn gaat het nooit om de pince-nez van de literatuur, maar altijd om het vergrootglas van de politiek. Zijn eerste novelle werd gepubliceerd in het door het politbureau gecontroleerde blad
    Noviy Mir met de uitdrukkelijke toestemming van de toenmalige partijleider Chroesjtsjov. Die kon het geschrift goed gebruiken om de misdaden van Stalin nog eens aan de kaak te stellen, en zo zichzelf te profileren. En dat De Goelag Archipel vooral een boek is dat iedereen kent maar bijna niemand volledig las (het laatste deel ervan is in Nederlandse vertaling zelfs lange tijd onvindbaar geweest, ook al zou dat in 1976 zijn gepubliceerd) — het spreekt wel voor zich. Het was van meet af aan, ook ongelezen, een historisch document dat min of meer bewees dat het communisme misdadig was.

    Niet dat die laatste beschuldiging iets nieuws was. Al in de jaren dertig viel André Gide van zijn communistische geloof nadat hij door de Sowjetautoriteiten was uitgenodigd voor een rondreis en hij met eigen ogen de praktijk van het communisme zag. In
    Retour de L'U.R.S.S. (1936) maakte hij er korte metten mee, en dat op een moment dat in de debatten tussen intellectuelen een keuze tegen het communisme bijna gelijk stond aan een keuze voor het fascisme (waarvan Gide uiteraard niets moest hebben). En Sartre en Camus kwamen met elkaar in botsing naar aanleiding van Camus’ grote reserves bij het communisme in diens L’homme révolté (1951) — met name als het ging over de noodzaak geweld te gebruiken om de revolutionaire doelstellingen te bereiken. Voor Sartre zouden een paar miljoen doden niet te veel zijn geweest voor de goede zaak.

    Dat
    De Goelag Archipel desalniettemin zoveel opzien baarde, had natuurlijk alles te maken met de Koude Oorlog. Het is er denk ik niet eens zo ver naast om te stellen dat sinds dat boek intellectueel links zijn heil elders begon te zoeken: niet langer in de aansluiting bij de een of andere politieke beweging, maar in een veel vager conglomeraat van politiekcorrecte opvattingen waarin ‘vrijheid’ en ‘mensenrechten’ de kernwoorden waren. Solzjenitsyn werd één van die verdrukte schrijvers die sindsdien door westerse intellectuelen met karrenvrachten zijn opgediept uit landen waar de vrijheid van meningsuiting niet bestond. De Breyten Breytenbachs en Václav Havels van de wereld.

    Ik wil daar niet flauw over doen (de PEN is het Amnesty International van de letteren), maar kan me tegelijkertijd niet aan de indruk onttrekken dat deze dissidenten op zijn minst ook dienden om westerse schrijvers het gevoel te geven dat er in hun eígen werk nog iets op het spel stond. De vrijheid aan deze kant van de Berlijnse Muur was immers allang uitgelopen op de willekeur van welke mening of opvatting dan ook maar. Men kon schrijven wat men wilde. En als het ging om het onrecht dat desalniettemin in onze westerse beschaving volop aanwezig bleef, voelde men zich gegijzeld door de mislukkingen uit het verleden om daar verandering in te brengen (fascisme en communisme, Pound en Bréton, Marinetti en Malraux). Dissidenten waren een pleister op die wonde; ze bevestigden niet alleen de vrijheid die we zonder hen nauwelijks nog ervoeren, maar ze leken vooral een levend bewijs van de kracht van literatuur in de samenleving.

    Die kracht heeft literatuur vandaag de dag alleen nog als ze door deze of gene politieke stroming wordt gerecupereerd, of wanneer een andere cultuur dan de onze de literatuur serieuzer neemt dan wij het zelf gewoon zijn te doen, en er banvloeken over uitspreekt of schrijvers treft met een
    fatwa. De literatuur zelf lijkt echter datgene wat haar minstens sinds de romantiek definieert — haar utopische, en daarmee potentieel politieke karakter — aan de wind prijsgegeven te hebben. Of preciezer: schrijvers definiëren hun idee over vrijheid niet langer ten opzichte van de wereld, waardoor de vrijheid ín die wereld feitelijk neerkomt op de geplogenheden van de markt. Die stelt paal en perk aan wat je als schrijver nog kunt schrijven — lees: verkocht krijgt, lees: uitgegeven krijgt. Die censureert ook. Ik ben bijna geneigd te zeggen: die creëert een gelijkvormigheid waarbij vergeleken het socialistisch realisme van Stalin nog een wonder van verscheidenheid was.

    Men moet niet overdrijven, natuurlijk. Maar de schrijverswereld zou gebaat zijn bij… laten we zeggen: vijf minuten politieke moed. Misschien kan men beginnen door Solzjenitsyn wat minder te bewieroken als dissident en hem wat meer te bestrijden als de rabiate nationalist, antidemocraat en orthodox christen die hij was. Niet om Stalin goed te praten, maar vanuit de ook politiek te begrijpen overtuiging dat Solzjenitsyn ondanks zijn slachtofferschap waarden en opvattingen vertegenwoordigde die in het verleden juist tot goelags en concentratiekampen hebben geleid.


    In: De Morgen, 9 augustus 2008

    Men moet niet overdrijven inderdaad, maar na de consternatie over wat de aanpassing van het reglement voor De Gouden Uil Literatuurprijs heette te zijn, komen we wat deze prijs betreft dan toch heel erg dicht in de buurt van de door een mediacratie gedicteerde literatuur — en daarvoor geldt wat ook Tom Naegels desgevraagd al stelde en wat voor hem al vele anderen op andere gebieden (zij het ook al op het gebied van de literatuur) vaststelden: recyclage van steeds dezelfde bekende namen, verschraling van het aanbod, monocultuur.

    Uit naam waarvan dat allemaal gebeurt, blijft altijd enigszins onduidelijk. Men heeft het over de pakweg 380 boeken die de jury afgelopen jaar moest doorworstelen, en dat dat er te veel zijn. Het is misschien één reden (al vind ik dat voor het Nederlands taalgebied, ondanks het forse aantal inzendingen, eigenlijk niet eens opgaan), maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat er nog andere motieven zijn. Dit jaar won ‘een volmaakt onbekende’ auteur de Gouden Uil, en de Libris zat het ook al niet mee: een ‘volmaakt onbekende’ mevrouw met ook nog eens een — och hemel! — verhalenbundel. Hoe zet men zoiets in de markt?

    d_hooijer_freddy_ri_126288a


    En dan, hád ik er nou nog maar als Colin Farrel uitgezien (De Pers stelde met buitengewone opmerkingsgave dat zulks niet het geval was, al vergat die krant dan weer te vermelden dat ik ook niet lijk op Brad Pitt, Jude Law, zelfs niet op George Clooney en al lang niet meer op David Bowie);foto_2598_-colin-farrell en hád D. Hooijer nu maar iets meer van een huppelkutje gehad: was het maar jong en hip en dus ook zonder de literaire zandzakjes aan de luchtballon gemakkelijk te verkopen geweest — dan was het niet eens zo erg geweest dat een… eh… misschien ‘te literaire’ (?) roman en — godbetert, het blíjft doodjammer natuurlijk — een verhalenbundel met de pot gingen lopen.

    In die zin heeft de organisatie het nog niet zo slecht gezien: de jury vormt het grootste probleem in de hele keten; die heeft de neiging literaire waardeoordelen over de gelezen boeken uit te spreken, terwijl die er in dit hele circus natuurlijk eigenlijk helemaal niet meer toe doen. Dát is eigenlijk wat de uitgevers nog eens wordt voorgehouden: stuur ons geen literatuur maar een makkelijk te vermarkten package, en laat ons dan het spél van de literatuur nog eens spelen. Het publiek, uit wier naam we dit allemaal doen, weet toch niet beter. Het gaat om de aantrekkelijkheid voor de media. In een dergelijke constellatie zou Harold Polis inderdaad mijn boek niet hebben ingezonden voor de prijs, zoals hij in de krant zei — want het is evident dat het merendeel van de schrijvers dan gewoon géén kans maakt. Ik heb dat de dag daarna ten overstaan van De Morgen een realistische inschatting van Polis genoemd. Ik ken mijn plaats.

    Intussen: ik heb gewoon een boek geschreven en tijdens het schrijven heb ik me geen moment bezig gehouden met de competitie waarin ik nadien noodgedwongen moest meespelen. Het is ook mijn schuld niet dat ik die prijs gewonnen heb, al krijg ik soms die indruk en verwijten sommigen het me zelfs openlijk. Ik weet natuurlijk ook wel dat het pleiten voor meer bewustzijn van het utopische en daarmee tegelijkertijd politieke aspect van literatuur iets is uit de achterhoede, zoniet: uit het verleden. Nog maar een paar dagen geleden in Maastricht hoorde ik iemand vertellen over een vriend die ook schreef, nu twee of misschien al drie boeken had uitgebracht maar er ernstig over nadacht er mee op te houden: hij verkocht hoogstens 1500 exemplaren. Dan kan men maar beter iets anders gaan doen. Ik weet kortom ook wel dat literatuur niet langer het stralende middelpunt van het culturele bestel is, van invloed op het debat in de publieke ruimte; en ik weet dat de suggestie in zowel kranten als in tv-programma’s als bij de organisaties achter de grote, commerciële prijzen dat literatuur nog steeds wél belangrijk zou zijn, niet meer is dan een pathetisch schaamlapje dat het grote nivelleren moet verhullen waarbij de markt gebaat is. Het cynisme tiert welig.

    Maar soms moet men niet realistisch willen zijn. Dat is: moet men de realiteit niet zo uit handen willen geven aan hen die haar toekennen. Zonder het geloof in de werkelijkheid die de literatuur zelf voortbrengt, en zonder het vertrouwen dat die werkelijkheid zich op enigerlei wijze (kritisch of juist niet) verhoudt tot de ficties waarmee onze alledaagse werkelijkheid zich tot de enige échte werkelijkheid uitroept, heeft literatuur inderdaad geen zin. Maar aan dat geloof is, lijkt me, geen gebrek. Aan de bestrijders ervan ook niet, want diversiteit en tegenspraak zijn in het huidige culturele klimaat eigenlijk ongewenst.

  • Pin it!

    Dath & Lindgren


    870_dath_dietmarLindgren pers


    Natuurlijk vliegt Dietmar Dath in Waffenwetter uiteindelijk uit de bocht, en dat in een boek waarvan je bijna zeker weet dat dat nu juist de bedoeling is (waardoor er dus van ‘uit de bocht vliegen’ feitelijk geen sprake is). En bij ieder boek dat ik van Torgny Lindgren lees, denk ik steeds weer: waarom kreeg deze man de Nobelprijs nog niet? Omdat hij Zweed is? (Dat denk ik niet: er zijn al een stuk of zeven Zweedse winnaars). Het ultieme recept las ik recentelijk (het is uit 2002, vertaling 2005) en het is in al zijn — als je dat zo zeggen kunt — rijke kaalheid of kale rijkdom weer adembenemend.

    Over fictie en werkelijkheid hebben wel meer schrijvers geschreven, bijvoorbeeld Cees Nooteboom, maar diens Een lied van schijn en wezen is naast dit boek van Lindgren stug, onhandig en een zelfs beetje kinderachtig in zijn ‘spielerei’. Of eerder: te weinig intelligent. Bernlef, geciteerd op het omslag, stelt: ‘Lindgren is de García Márquez van het Noorden’ — en daar valt wat voor te zeggen; maar zijn werk lijkt me meer verwant met dat van Pavese. Die zinnen. De haast mythische kracht die hij ze mee weet te geven. De suggestie dat je zowel iets precieus als juist iets robuusts aan het lezen bent.

    Cover 2008.2


    Fictie en werkelijkheid staan ook zeker op het menu van Dath. Een stuk ervan werd door Erik de Smedt vertaald in de laatste yang, nadat eerst al Inge Arteel ons, samen met nog ander nieuw Duits werk, de suggestie aan de hand deed. Ik twijfelde eerst wat. Dath schrijft zijn proza zonder hoofdletters (zij het wel met interpunctie) — en dus ook zonder de in het Duits gebruikelijke hoofdletters. Dat went snel, waardoor de vraag opkomt: waarom dan zo duidelijk tegen de regels zondigen? Datzelfde geldt voor de vaak merkwaardige afbrekingen in de grotendeels uit — op een geheimzinnige wijze genummerde — fragmenten opgebouwde hoofdstukken. Dat verraadt al op voorhand heel veel Bedoeling. Ook voor die afbrekingen geldt namelijk dat het snel went, al blijft het effect daarvan wél steeds werkzaam. Ik zou het zelf wat meer hebben gedoseerd, denk ik, en niet in vrijwel elk fragment hebben toegepast, maar de plotsklaps afgebroken zinnen (die men soms zelf moeiteloos kan aanvullen en die op andere momenten echt open blijven) hebben hier niet het ‘vervreemdingseffect’ dat je min of meer als bedoeling verwacht, maar helpen juist om je te identificeren met het hoofdpersonage: de negentienjarige Claudia Starik.

    lispeeldriftHet maakt haar geloofwaardiger nog dan Juli Zehs Ada uit Speeldrift, al houdt die geloofwaardigheid meer verband met mijn eigen vooronderstellingen dan met de bedoelingen van de auteur, denk ik. Ik vind Claudia geloofwaardiger omdat ze zoekende is, terwijl Ada nooit meer loskomt van het spel waartoe alles is verworden, en daar ook niet werkelijk naar lijkt te verlangen. Ik ‘geloof’ Zehs personage dus daadwerkelijk niet — ongeveer zoals al het posthumanistische denken voor mij toch vooral theoretische constructie blijft: als zodanig boeiend, maar dat dan toch weer alleen als ik de praktische consequenties ervan er weer bij betrek en de onhoudbaarheid van dat denken meen te kunnen vaststellen, de… eh… ongeloofwaardigheid ervan.

    Dat Dath vervolgens toch nog een grote, fantasmagorische deconstructie op touw zet waarin alles weer op de helling komt te staan en het hele boek begint… enfin: in míjn ogen begint af te glijden naar een soort fantasy, een vaag magisch-mythisch geheel waarin de genoemde Claudia onder andere zichzelf in twee andere gedaanten tegenkomt, — dat dus zijn boek ‘uit de bocht vliegt’, doet aan de kracht en ook niet zelden de humor van de eerste deel (157 van de in het totaal 288 bladzijden) niets af. En uiteraard is de ontsporing, zoals gezegd, geheel in lijn met wat het boek vertelt.

    41916


    Kort gezegd: Claudia Starik is een hoogintelligente scholiere, op het punt om af te studeren aan het gymnasium. Ze kan met haar eigen ouders niet goed overweg, verblijft veel bij haar grootvader, een oude communist die, ondanks het communisme, een fortuin heeft vergaard met de verkoop van dingen ‘die de mensen ook echt nodig hadden’. Hij is goed thuis in de marxistisch-leninistische leer en in de voorschriften van de communistische partij, zaken waarover hij het voortdurend met zijn kleindochter heeft. Maar hij is ook iemand die een samenzwering op het spoor lijkt te zijn aangaande een Amerikaans onderzoeksproject in Alaska dat HAARP heet.

    hcWat dat precies allemaal inhoudt, weet ik zelfs na raadpleging van allerlei sites niet — in tegenstelling tot Dath, die ook van fysica het nodige schijnt af te weten — maar het komt er op neer dat de ionosfeer voorwerp van onderzoek is en dat men probeert om allerlei processen in die ionosfeer zowel te begrijpen als te simuleren en te controleren, bijvoorbeeld omdat ze van invloed zouden kunnen zijn op communicatie- en beveiligingssystemen. Het zal dat ‘controleren’ zijn, én het feit dat het hier niet gaat om een project van enkel wereldvreemde wetenschappers (een gevaar op zich trouwens), maar om een samenwerkingsverband van ‘United States Air Force, the Navy, the University of Alaska and Defense Advanced Research Projects Agency (DARPA)’, dat er rondom dit antennepark een macht aan samenzweringstheorieën is ontstaan. Die heeft Dath dus niet verzonnen; ze liggen voor het oprapen. De Amerikaanse regering zou dit project gebruiken voor klimaatcontrole en zou zo de tsunami in 2004 hebben veroorzaakt. Die kwam namelijk precies op het moment dat de getroffen landen in de regio enorme economische opgang maakten, begrijpt u wel? De aardbeving in Bam, in Iran — precies één jaar na die tsunami… Dat kan geen toeval zijn. Enzovoort enzoverder. Tot en met de suggestie dat HAARP in staat zou zijn om de denkprocessen van mensen te controleren.

    Met name dat laatste komt Dath goed van pas. Het communisme, de bijbel, Shakespeare’s King Lear — het zijn maar een paar wereldvisies die in dit boek op de achtergrond spelen en die op de jonge Claudia hun invloed uitoefenen. Het zijn, net als HAARP, systemen die ons in een bepaalde richting dwingen en waaraan we nooit blijken te kunnen ontsnappen, die ons zus of zo definiëren als wie we (moeten) zijn. Wie denkt dat ‘onze’ Verlichting en de vrijheid van ‘ons’ individualisme (‘onze’ vrijheid dus) daaraan een einde heeft gemaakt, is roerend naïef. Iets wat Claudia met al haar intelligentie in zekere zin ook is. Niet omdat ze denkt erboven of -buiten te kunnen staan, maar omdat ze tussen al deze verschillende zingevingssystemen voelt te moeten kiezen. HAARP lijkt in dit verband op een zeker moment zelfs zoiets als een zingevingsmachine: als de ‘hoogfrequentegolfantennetralies’ die ons denken steeds weer in de richting van een ons definiërende Betekenis stuurt. De vernietiging van HAARP die aan het bepaald apocalyptische eind van het boek al dan niet plaatsvindt (helemaal duidelijk was me dat niet), maken van de door de autoriteiten opgejaagde Claudia dan ook zoiets als de ‘final girl’ — niet ongelijk Hegels ‘laatste mens’ wellicht. Maar als beeld voor een zekere onverzettelijkheid jegens de definities die ons door anderen wordt opgelegd, is het steeds dubbelzinnig. Staande tegenover zwaarbewapende lieden in helikopters, schrijft Claudia: ‘ich werde lernen, ich werd mitspielen, ich bin wie die männer in den hubschräubern oder ich werd wie sie, werd wie SIE, es ist einfach.’

    Lindgren


    Mooi aan deze benadering van de kwestie fictie-werkelijkheid vind ik de, overigens vanzelfsprekende gedachte dat werkelijkheid geproduceerd wordt, dat ze er niet zomaar is (en dan bijvoorbeeld in literatuur ‘weergegeven’ kan worden). En datzelfde doet ook Lindgren in Het ultieme recept, maar dan met een lichtheid en een fijnzinnige humor die van Dath ineens een wel heel erg serieuze radicaal maakt. Lindgrens boek begint met een brief die een hoofdredacteur van een krant aan een van zijn correspondenten schrijft. Die correspondent heeft jarenlang vanuit de uithoek van het land waar hij leeft berichten aan de krant gestuurd, en de hoofdredacteur is er nu achtergekomen dat ze van A tot Z verzonnen waren: ‘Het wekenlange dramatische gevecht om een eland uit het Höbäckmoeras te redden heeft nooit plaatsgevonden. Het schoolgebouw in Avaberg dat drie jaar geleden afbrandde, heeft nooit bestaan. Een vreemd hemellichaam “met schitterende corona” heeft zich nimmer boven uw horizon vertoond. Er is in uw omgeving nooit een kalkoenfokkerij geweest waar een berin heeft huisgehouden. Ook is er nooit een fabriek gesticht voor de productie van vitaminenhaarwater. Enzovoort. De personen die u geboren hebt laten worden, verjaardagen hebt laten vieren, huwelijken hebt laten aangaan en in sommige gevallen ook hebt laten overlijden, hebben nooit op aarde geleefd. Bij nader inzien komt het mij wonderlijk voor, om niet te zeggen opmerkelijk, dat u zelf bestaat.’

    De reactie van de correspondent is opmerkelijk: hij houdt met schrijven op tot de hoofdredacteur overleden is, wat achteraf bezien ruim vijftig jaar duurt (waarna hij, inmiddels 107, weer begint te schrijven). Maar in gedachten antwoordt hij de hoofdredacteur wél, en in zijn antwoord vind je preciezer dan waar ook wat het hart uitmaakt van literatuur én van ‘onze’ werkelijkheid. ‘U schijnt te bedoelen dat mijn berichtjes en reportages zijn ontsproten aan mijn verbeelding en aan mijn begeerte naar lonende fantasieën’, schrijft hij.
    ’U stelt fantasie tegenover waarheid alsof die twee onverenigbaar zijn, ja, alsof ze met elkaar in strijd zouden zijn, alsof de fantasie niet een product van de werkelijkheid is. U schrijft over de waarheid alsof die een van uw vele eigendommen is, alsof u erover beschikt zoals u over de clichéafdeling, de zetterij en de drukpers beschikt. Simpel uitgedrukt: u hebt de wezenlijke aard van de waarheid niet begrepen. Sta mij toe de grote filosoof Bernard Bolzano te citeren:
    De waarheid op zichzelf heeft geen werkelijk bestaan, dat wil zeggen is niet iets wat bestaat als iets werkelijks op welke plaats dan ook of op welk tijdstip dan ook of op welke andere manier dan ook. Weliswaar hebben bekende maar ook slechts gedachte waarheden een werkelijk bestaan in een bepaalde tijd in het bewustzijn van het denkende en wetende wezen. Zij bestaan namelijk als bepaalde gedachten die op een zeker tijdstip zijn opgetreden en op een ander tijdstip zijn opgehouden. De waarheden zelf die stof vormen voor deze gedachten, dus de waarheden op zichzelf, kan men echter geen bestaan toeschrijven.
    (…) Een krant is een geestelijk verschijnsel. Al het geestelijke is individueel en werkzaam, simpelweg levend, het is bewustzijn en tegelijkertijd voorwerp van bewustzijn. Het bestaan van de geest is: zichzelf tot voorwerp hebben. De geest bestaat, zoals Kierkegaard zegt, dromend in de mens. Verantwoordelijkheid dragen voor een krant is verantwoordelijk zijn voor het geestelijke, het diep menselijke.’

    Uiteraard vindt deze correspondent dat de hoofdredacteur die verantwoordelijkheid niet neemt. En uiteraard ben ik meteen op zoek gegaan naar die Bernard Bolzano — want in dit boek ben je je werkelijkheid niet zeker (maar hij bestaat wel degelijk) en elke zin waarin een bepaalde voorstelling van zaken wordt gegeven is van meet af aan met een waas van verzinsel omgeven. ‘De’ werkelijkheid lost op zoals de ingrediënten voor balkenbrij dat doen, een gerecht waarover het in dit boek veelvuldig gaat. Maar tegelijkertijd ontstaat zo ook een werkelijkheid die je niet meer af kunt serveren als ‘enkel maar een romanwerkelijkheid’ (hoezeer het dat tegelijkertijd ook is en blijft). In dat spanningsveld weet Lindgren ‘het’ leven op te roepen, ‘zoals het is’. Het opmerkelijkste van het boek vond ik namelijk dat zijn hoofdpersonen eigenlijk nooit fundamenteel twijfelen aan hun gelijk, ook al gebeurt dan het één en ander dat de personages niet hadden verwacht, zoals ze zeggen, en ook al zijn voor ‘ons’ veel van hun waarheden ronduit humoristisch (niet zelden gaat het om het equivalent van bakerpraatjes). Niet in die humor op zich, maar wel in de feitelijkheid die de werkelijkheid voor de romanpersonages heeft, zag ik de link met Pavese, waarin de wereld ook altijd dat kant en klare heeft, dat onwrikbare ‘zo is het’ dat voortkomt uit juist het loslaten van de kant-en-klare definities die voorhanden zijn. Er is geen strijd met de dominante werkelijkheidsopvatting omdat die op voorhand als ook maar een verzinsel is geklassificeerd. Bij grote auteurs levert dat nooit ‘bevrijding’ op, maar gewoonweg een nieuwe, een andere werkelijkheid die evenzeer als die van de krant aanspraak maakt op geldigheid.