• Pin it!

    Left of left


    Bij de deelnemers én organisatoren van het debat afgelopen 15 mei in De Vooruit overheerste teleurstelling over de opkomst: na het barbecueweer van de afgelopen weken was er net die avond een zondvloed die delen van Ledeberg en de Brugse Poort onder water gezet zou hebben. Het debat was gratis toegankelijk; niemand die zijn geld verloor door niet op te komen dagen vanwege het neergutsende water die avond. Dus moesten we het doen met ongeveer tachtig mensen — terwijl er normaliter voor dergelijke debatten drie- tot vijfhonderd mensen op komt dagen, zei men.

    Maar was het alleen het weer, zo vroeg ik me samen met Peter Van den Eede (niet de acteur, maar een programmamaker van De Vooruit) nadien af. De avond daarvoor, toen het meer specifiek over mei ’68 ging, waren er ook maar ongeveer honderd mensen geweest. En dat er dan op een debat over ‘what’s left of he left’ nog minder komen, zou je ook als een impliciet antwoord kunnen lezen op die vraag zelf: wat er over is van links? Tachtig man publiek waar je er drie- tot vijfhonderd verwacht.

    Niet dat ik veel van het weinige publiek heb gezien; ik kwam twee keer op van de zijkant om een flink fragment uit Het grote uitstel te lezen en als ik opkeek van het boek — wat men al lezend toch geregeld doet om niet een in zichzelf gekeerde mummelende schriftgeleerde te lijken — keek ik in de felle lampen. Communicatie met onzichtbare anderen — wat is schrijven anders? Maar mijn positie terzijde van het podium maakte ook dat ik het debat maar met moeite kon volgen; alle geluid ging richting zaal, en behalve Yves Desmet, zag ik de andere deelnemers (Frank Vandenbroucke, Bart De Wever, Paul Kalma en Anne Provoost) vrijwel allemaal op de rug, zodat ook liplezen moeilijk werd.
    (Zie echter het verslag op Indymedia).

    503px-Thatcher-loc


    De neiging om de erfenis van links te minimaliseren was er natuurlijk vooral bij Bart De Wever, wiens hele houding een soort weerzin uitstraalde tegen alles wat er die avond zelfs maar gezegd kón worden, al kon ook hij er natuurlijk niet helemaal omheen dat het doorgeschoten individualisme waarvoor links verantwoordelijk gesteld zou kunnen worden, minstens evenzeer zijn wortels heeft in het thatcherisme uit de jaren tachtig — Thatcher die immers alleen het individu en geen enkele gemeenschap erkende (‘there’s no society’). Maar het aloude ‘overal hetzelfde liedje, ’t is de schuld van ’t kapitaal’ weigerden (de Nederlandse) PvdA-er Kalma en SPa-er Vandenbroucke natuurlijk ook aan te heffen. En dat kwam neer op instemming met de ‘ontideologisering’ van het socialisme zoals die overal in Europa plaats heeft gevonden (Schröder, Blair, Kok) — wat natuurlijk niet werkelijk een ontideologisering was, maar een zich toewenden naar het liberalisme. Bij de gezetenen in de politiek was er ook niet werkelijk een neiging om tot een soort re-ideologisering te besluiten, al blijkt de Nederlandse PvdA zich de laatste tijd ernstig te beraden op de te varen koers, en doet uiteraard ook de in de oppositie gedwongen SPa aan ‘herbronning’.

    Maar dat het, zeg maar: klassiek links-socialistische verhaal een beetje naïef overkomt vandaag de dag, moet zelfs ik onderschrijven. Ik denk dan niet meteen aan de Erik de Bruyns van deze wereld, zelfs niet aan SP.a-rood of Vonk, ook al komen die qua retoriek toch soms al weer heel dicht in de buurt bij wat tegenwoordig al te simplistisch klinkt. Evenmin denk ik aan Jan Marijnissen en zíjn SP, waarover Frank Vandenbroucke een beetje laatdunkend deed, zozeer dat PvdA-er Kalma zich zelfs geroepen voelde de Nederlandse SP wat te verdedigen (de SP had een programma dat erg leek op dat van de PvdA 25 jaar geleden, zei hij, en regeringsdeelname voor die partij leek hem noch onmogelijk noch ongewenst). Maar als ik het over naïviteit heb, denk ik eerder aan het krantje dat ik afgelopen week in mijn bus vond, De nieuwe Vooruit heet dat, en het is een publicatie van de Linkse Socialistische Partij.

    Nieuwe vooruit.1


    Niet dat ze geen punt hebben wanneer ze vaststellen dat er naast de economische juichverhalen daadwerkelijke armoede in bijvoorbeeld Gent is, en dat het er in dat opzicht bepaald niet beter op is geworden. En ze hebben gelijk wanneer ze stellen dat er toch iets mis is wanneer De Post, een bedrijf dat na privatisering — ooit opgebouwd met ‘ons belastinggeld’, zo heet het (al evenmin onterecht) — nu 100 miljoen winst maakt, het aantal postkantoren in Gent van 26 in 2006 naar 7 nu terugbrengt. En ja, het ís ronduit een schande dat een nieuw gerechtsgebouw in Gent, dat begroot was op 80 miljoen, bij oplevering 159 miljoen blijkt te kosten en uiteindelijk zelfs 264 miljoen zal kosten omdat men die 159 niet in één keer in de begroting wil inschrijven en dus een privé-investeerder heeft gevonden als eigenaar die het gebouw gedurende 36 jaar aan de overheid zal verhuren — tegen een lekker prijsje, blijkbaar. Het is maar dat het krantje alleen onvrede en onvrede en nog eens onvrede bevat, alleen gekat op ‘het’ bestuur dat in elk opzicht ondeugdelijk is — en om die som te maken schuwt men de nodige retoriek niet. Zo wordt becijferd dat er bij de stad Gent 325.000 euro bespaard wordt door de keuken van het stedelijk onderwijs te sluiten en de bereiding van maaltijden voor crèches en peutertuinen voortaan uit te besteden aan privébedrijven. Bij sociale en studentenrestaurants zou dit al eerder gebeurd zijn en de prijzen zouden enorm zijn gestegen. Dan volgt een optelsom van de inkomens van de burgemeester en schepenen van Gent: 963.000 euro, ‘drie keer de opbrengst van de geprivatiseerde stadskeuken’, zo heet het dan. Hier haak ik af. Dat privatisering van openbare diensten een ramp is, weten we óók al sinds Thatcher dat met onder andere de spoorwegen in Groot-Brittannië deed en het aantal spoorwegongevallen er dramatisch steeg omdat veiligheid nu eenmaal investeringen eist die de winst kleiner maken. En sinds de privatisering lijkt er geen trein nog op tijd te rijden. Dat privatisering meermalen tot prijsstijgingen leidt, weten we inmiddels ook, wat de Europese Commissie daarover ook zegt. Maar om daarvoor nu het Gentse stadsbestuur zwart te maken… Op dit punt moet men toch iets verder reiken, lijkt me. Dit is kritiek verwarren met negativisme, en het creëert uiteindelijk alleen een soort anti-politieke stemming die, zo weten we toch ook, mensen er niet zozeer toe aanzet om links van links te gaan stemmen, maar rechts van rechts.

    Naamloos-1klein


    Ook dat laatste is al uit en te na geanalyseerd: links heeft geen alternatief meer in de aanbieding, niet alleen omdat de socialisten feitelijk en op zijn best links-liberalen zijn geworden, maar ook omdat wat dan onmiddellijk ‘extreem links’ heet, niet verder komt dan de oude slogans, wat aan hun pamfletten en krantjes iets laat negentiende, vroeg twintigste eeuws geeft. Links lijkt vooral van zijn samenhang beroofd te zijn, van een groter kader. (Links?) engagement is er bij jongere generaties nog best te vinden, alleen is het ook dan veel meer een onderdeel van de zapcultuur. Men zet zich in voor het regenwoud, om maar wat te noemen, maar het verband met de rampzalige effecten van de privatisering van vroegere overheidsinstellingen is voor hen niet vanzelfsprekend. Je zou misschien zelfs kunnen zeggen dat engagement voor zoiets als het behoud van het regenwoud gedepolitiseerd is — althans in hoe het wordt ervaren.

    In die zin had je misschien meer publiek binnen gekregen wanneer je het niet zozeer over ‘links’ in al zijn abstracte veelvuldigheid had gehad, maar over iets veel concreters dat niet op het eerste gezicht met ‘links’ of ‘rechts’ in de oorspronkelijke zin te benoemen valt. Een paar weken geleden alweer stuurde JT mij een smeekbede om vooral op te komen dagen bij een avondje dat hij had belegd over e strijd van de Mapuche in Patagonië. Hij was daar vorig jaar geweest, had er kennis gemaakt met onder andere Moira Millan, die woont

    in de gemeenschap Pillan Mahuiza (Heilige berg). De voorbije jaren voerde zij onder andere met succes campagnes tegen het megaproject van de Canadese goudmijnfirma Meridian Gold, dat dreigde de levenskwaliteit in het naburige stadje Esquel voorgoed te vernielen, en tegen de agressie van multinational Benetton, met 900.000 hectare de belangrijkste grootgrondbezitter van Patagonië en niet bepaald een persoonlijke vriend van de Mapuche. Op dit moment wordt haar eigen gemeenschap met de bouw van zes stuwdammen op de rivier Carrenleufu echter bedreigd door een nog director en nijpender probleem. Als de plannen om 11.000 hectare onder water te zetten realiteit worden, betekent dit een onherstelbaar verlies van haar grond, woonplaats en spiritualiteit,,

    aldus de meegeleverde folder. JT vroeg me dringend te komen, want hij verwachtte vijf man of zo. Maar we zaten er geheel onverwacht met een stuk of dertig te luisteren naar gruwelijk onrecht op een plek die bij reizigers en romantici vaak mooie dromen oproept — Patagonië. Dat zijn niet overweldigend veel mensen natuurlijk, maar veel meer dan je bij zoiets volstrekt uitheems had kunnen verwachten (volstrekt uitheems omdat het de media niet haalt — en zonder camera’s en microfoons lijkt niets te bestaan, zo weten ook terroristen: een camera- en geluidsman maken tegenwoordig deel uit van zelfmoordcommando’s, las ik laatst).

    Mapuche MoiraMillan


    Derek Walcott sloot dan weer gisterenavond in Passa Porta in Brussel niet uit dat politici minder rampzalige beslissingen zouden nemen wanneer ze wat meer waren grootgebracht met poëzie. Daar valt meteen een hoop tegenin te brengen. Ik schreef afgelopen week een stukje over de toneelschrijver Joseph Goebbels in De Morgen (14 mei), en stelde onder andere:

    Zelfs met de beste bedoelingen blijft het een merkwaardig verschijnsel: een literair schrijver die politicus wordt. Mario Vargas Llosa schreef ooit De vis in het water (1994) waarin hij zijn wedervaren als presidentskandidaat van Peru te boek stelde. In 1990 trad hij in het krijt tegen Alberto Fujimori, die de verkiezingen uiteindelijk zou winnen (en die nu terechtstaat voor onder meer corruptie). Llosa beschrijft prachtig de onverenigbaarheid van de schrijver en de politicus, van de man aan de zijlijn en de man van de daad. Het is juist door de positie terzijde dat een geëngageerd schrijver als Llosa in de verleiding komt het terrein van de politiek te betreden: hij ziet helder wat er zou moeten gebeuren. Maar eenmaal verwikkeld in de strijd om de kiezer blijkt het optillen en kussen van baby’s belangrijker dan de intellectuele nuance, en uiteindelijk wordt geen middel geschuwd om dat ene doel te bereiken: macht.

    Misschien moet Llosa blij zijn dat het hem niet lukte; hij heeft het ook nooit opnieuw geprobeerd. De voorbeelden van schrijvers die het wél tot politicus schopten, zijn afschrikwekkend. Neem Karadžić. Een dichter als volksmenner — al minstens sinds Shelleys “The poet is the unacknowledged legislator of the world” zijn er velen die er van dromen, en aan pretenties in dat kamp is er geen gebrek. Dichters zijn vaak de minst ruimhartige mensen van de wereld, omdat ze door de aard van hun werkzaamheden geloven dat wat ze zeggen sowieso pregnanter, essentiëler, dieper of hoger is, en bijgevolg meer waarheid bevat. Het is altijd oppassen geblazen als zulke types naar de megafoon grijpen.

    Er zijn natuurlijk politici met literaire ambities, maar die worden nooit volbloed dichter of schrijver; de literatuur is hoogstens een bijbaan, meestal een hobby voor de derde leeftijd. De weg van de politieke actie naar de dichterlijke contemplatie verloopt gladjes. Het is omgekeerd dat het mis loopt. De surrealisten haakten destijds aan bij de communisten en kregen met Stalin een figuur waar zelfs zij niet op bedacht waren. Futuristen droegen het fascisme een warm hart toe.


    Walcott voegde daar wel aan toe dat die omgang met poëzie onder andere een (zelf)kritische leergang moest zijn, althans zo kon je afleiden uit wat hij zei over de studenten die hij zelf begeleid heeft bij het schrijven van poëzie. En natuurlijk gaat het bij omgang met poëzie minder over ‘het gevoel’ (over de diepte en hoogte ervan), dan om vormbewustzijn, om hoe woorden de werkelijkheid sturen — en ja, daar zou menig politicus iets van kunnen leren, inderdaad, nog iets anders dan het talent voor manipulatie en volksmennerij, bedoel ik.

    De avond met Walcott eindigde uiteindelijk in klein en goed gezelschap in Hotel Métropole, met het eten van garnaalkroketjes en aardbeientaart met roomijs, en met Walcotts verbazing over het feit dat de door hem bestelde icetea uit een flesje kwam en vol suiker zat. De status van hotel Métropole wettigde de verwachting dat men hier iets anders geserveerd zou hebben dan een petfles…

  • Pin it!

    Intellectueel van dienst


    Vandaag (gisteren eigenlijk, gezien het uur) tot mijn schrik bevorderd tot ‘intellectueel van dienst’. Zoiets doet men altijd zelf natuurlijk. Er wordt gebeld. Iemand van Studio Brussel. Had ik al gehoord dat Geert Wilders Nederland en Vlaanderen wilde samenvoegen? Nee, maar met een schuine blik op een nog niet gelezen De Morgen zag ik al onmiddellijk het stukje van Hugo Camps dat daar blijkbaar over ging. Of ik daar niet wat over te zeggen had, wilde Studio Brussel weten. Ja, nou ja, eigenlijk had ik daar wel wat over te zeggen ja.

    stubru_logo


    Vorige week of daaromtrent had ik al eens gesproken met een redacteur van het programma ‘Buitenhof’, alwaar men het ‘met het oog op de situatie in België’ nog eens over Holland-België wilde hebben, ook naar aanleiding van een interview met Etienne Vermeersch dat in NRC had gestaan.

    De Situatie…

    Vermeersch_etienne_Vermeersch betreurde het erg dat Nederland en Vlaanderen zo uit elkaar aan het drijven waren. Hij betreurde het in het geheel niet dat Vlaanderen en Wallonië uit elkaar aan het drijven waren. Merkwaardig genoeg concludeerde hij voor het eerste dat het dus nodig was nader tot elkaar te komen, terwijl hij het tweede eigenlijk wel prima vond. Enfin, de man is zo’n beetje de woordvoerder van de Gravensteengroep — van zelfverklaard weldenkend links met toch het soort separatistische neigingen dat je gewoonlijk alleen in het extreem rechtse kamp aantreft. In het verlengde daarvan overwoog ‘Buitenhof’ mij als ‘ervaringsdeskundige’ uit te nodigen in hun programma (wat uiteindelijk niet gebeurde). Als ‘ervaringsdeskundige’ heb ik een wat ander verhaal.

    Graven2
    Gravensteen, Gent


    Enfin, het lange gesprek met de redacteur van ‘Buitenhof’ maakte dat ik misschien wat al te snel zei dat StuBru mij vanochtend tussen half twaalf en twaalf gerust voor wat commentaar mocht bellen. Zo wordt men — op grond van de Gouden Uil natuurlijk — ‘intellectueel van dienst’.

    Dat is altijd nog minder erg dan ‘uithangbord voor alle gelegenheden’ natuurlijk. Dat werd ik namelijk op 30 april, toen ik gebeld werd door Radio 2 Oost-Vlaanderen die mij graag eens — als ‘ervaringsdeskundige’ alweer — in de studio wilde hebben om iets te zeggen over koninginnedag: hoe of dat nu was, als Nederlander in België, 30 april enzo. En o ja, er was ook iemand uitgenodigd (een Vlaming) die speciaal voor koninginnedag — hou je vast! — oranje advocaat had gefabriceerd. En hij noemde dat — maak nu de stoelriemen maar helemaal vast… — hij noemde dat Maxikaatje… ‘Naar prinses Maxima, weet u wel,’ zo werd mij nog ter informatie meegegeven. Ah… prinses Maxima… juist ja…

    DV00023


    Enfin, de bedoeling was dat ik in het programma iets van dat (oorspronkelijk toch) ‘vrouwendrankje’ proefde en dan nog iets over koninginnedag ging zeggen. Voor de goede orde: dit werd mij alweer alleen maar gevraagd omdat ik de Gouden Uil heb gewonnen. Voor een nog betere orde: ik hoef aan dergelijke dingen natuurlijk helemaal niet mee te doen. Maar ik blijk tegenwoordig op ieder verzoek ‘ja’ te zeggen, zelfs al zegt dan de presentator tegen me: 1) dat hij mijn boek niet heeft gelezen (ach nee); 2) dat ze bij radio 2 Oost-Vlaanderen niet zo veel aan literatuur doen (ach nee?), of eigenlijk: nooit (ach so). Dat geeft ook niks. Niet ieder radiostation hoeft aan literatuur te doen, vind ik. Misschien is het in het licht van die desinteresse voor literatuur dan een beetje merkwaardig om tóch een schrijver uit te nodigen, maar anderzijds: als die allemaal de nog merkwaardiger reflex hebben die ik vertoon — waarom dan niet eigenlijk? Goed, zo wordt men dus gewillig uithangbord (‘De Gouden Uil sponsort Maxikaatje) — en dat zonder ook maar de geringste financiële tegenprestatie. In de wereld waarin ik me op die manier begeef, heet zoiets gewoon oliedom.

    600px-Eierlikör


    Hoe dan ook, op StuBru wilde ik wel iets zeggen over de nieuwste variant op het verlangen naar het Groot Dietse Rijk. Uiteraard begon ik met te zeggen dat ik er niet echt voor was en dat ik niet voor niets naar hier was verhuisd. Waar moet ik heen als ze Vlaanderen bij Nederland gaan aanhechten? Wallonië, denk ik, Dimitri Verhulst achterna. Maar het merkwaardigste van Wilders’ ideetje is natuurlijk weer dat ene achterliggende argument dat ook Vermeersch gebruikt: overeenstemming in cultuur, verwantschap op basis van vooral de gemeenschappelijke taal. Laten we vaststellen dat de heer Wilders er tot op heden nog steeds niet in is geslaagd om de Nederlandse culturele identiteit op een voor iedereen bevredigende wijze te omschrijven; veel verder dan zijn eigen islamofobe houding komt hij niet — een angst in de vorm van afkeer die zoiets als een ‘Nederlandse moslim’ voor hem tot iets onoorbaars maakt — iets onvoorstelbaars vooral. Maar daarmee natuurlijk nog geen definitie van ‘de’ Nederlander oplevert (over Maxima gesproken: de beste meid had gelijk toen ze beweerde dat ze ‘de’ Nederlander nog niet was tegengekomen; de heisa die daarover is ontstaan, begrijp ik tot op de dag van vandaag niet; het lijkt mij eerder een compliment). Laat staan dat er in die zin iets zinnigs over een gemeenschappelijkheid tussen Nederland en Vlaanderen te zeggen valt.

    Dat idee van culturele gemeenzaamheid tussen Vlaanderen en Nederland gebruikte dus ook Vermeersch — niet alleen in dat interview in NRC, maar ook in het programma ‘Buitenhof’ van afgelopen zondag, waar hij, de onvermijdelijke Derk Jan Eppink, en verder nog Maya Detiège en Jan Schinkelshoek te gast waren. Het was eigenlijk maar goed dat ik als ‘ervaringsdeskundige’, of als ‘intellectueel van dienst’ daar níét bij zat. De heer Vermeersch wist voor de culturele gemeenschappelijkheid van Nederland en Vlaanderen niets anders aan te dragen dan dat hij in Nederland altijd zeer goed ontvangen was. Tiens. Blijkbaar nooit iets gemerkt van het diep ingesleten paternalisme van de Hollander tegenover de Vlaming? Ja, toch wel, hij vond het wel heel erg dat Flikken in Nederland op tv ondertiteld werd, want in die politieserie sprak iedereen toch gewoon Nederlands. Waarom er op dat moment niemand in het programma opmerkte dat een Nederlands, maar met Gronings accent sprekende ‘stadjer’ in het NOS-journaal óók ondertiteld wordt — het is me een raadsel (ik zou, had ik aangezeten, vast een paar zinnetjes in een dergelijk accent te berde hebben gebracht). Dat niemand in het verlengde daarvan opmerkte dat als Nederlanders ergens slecht in zijn, het wel de omgang is met diversiteit, dat een haast calvinistische ‘normaliteit’ op elk gebied in Nederland de dienst uitmaakt — dat is dan minder verbazingwekkend. Het is precies dat door calvinisme gevoede consensusdenken van de Nederlander — dat in de jaren zeventig bijvoorbeeld maakte dat iedereen vanzelfsprekend links was (je keek wel uit om toen ‘rechts’ te zijn…) — dat maakt dat er tussen Nederland en Vlaanderen dan weliswaar geen taalgrens loopt, maar er wel een culturele kloof van jewelste bestaat.

    Natuurlijk reutelde Eppink weer zijn ‘it’s the economy, stupid’-verhaaltje af; de markt de markt de markt zou wel voor de gelijkheid gelijkheid gelijkheid zorgen. Ik word een beetje moe van dat soort potentaten, die diepgaande culturele verschillen willen oplossen door alles te onderwerpen aan een allesnivellerende markt, en in één adem door beweren dat ze alle ideologismen voorbij zijn — niet beseffend hoeveel onbehagen die gelijkschakeling door de markt creëert, en welke desastreuze gevolgen dat weer kan hebben. Mensen met zoveel zelfverblinding kan men maar beter niet in tv-programma’s laten opdraven, vind ik.

    En trouwens, zelfs als we het langs economische weg proberen (en daarvoor hoeft Vlaanderen niet meteen bij Nederland getrokken worden), blijkt de arrogantie van Holland tegenover wat ongetwijfeld een nieuw wingewest zou worden. De havens van Rotterdam en Antwerpen? (Die van Gent en Zeebrugge kwamen in het verhaal al meteen helemaal niet meer voor, waarschijnlijk omdat men boven de Moerdijk niet eens wéét dat het ook zeehavens zijn). Noem mij één reden waarom er nu al niet verregaand samengewerkt en vooral verdeeld zou kunnen worden. Het gebeurt niet, of toch nauwelijks. En als Antwerpen in Hollandse handen komt (want zo zal het gaan: het is Vlaanderen dat bij Nederland komt in dit scenario; niet andersom) — als de haven van Antwerpen in Hollandse handen komt, wordt het op z’n hoogst een dépendance van Het Grote(re) Rotterdam. Dossiers als ‘De IJzeren Rijn’ of de uitdieping van de Westerschelde zijn eindeloos getraineerd door Nederland, en de afspraken aangaande de hogesnelheidslijn komen ze in Nederland niet na. Om over ‘het’ culturele maar te zwijgen. In Nederland heeft men het nu al heel moeilijk om zich iets cultureels buiten de benauwenis van de Amsterdamse grachtengordel voor te stellen, waar men zijn eigen provincialisme maar blijft verwarren met wat men er zelf voor heel erg kosmopolitisch houdt.

    Voor de meeste Hollanders die een aanhechting van Vlaanderen bepleiten, zal het misschien een gruwel zijn om te horen — maar in cultureel opzicht heeft Nederland veel meer gemeen met Duitsland dan met Vlaanderen. In Duitsland heeft men ongeveer even veel verachting voor de Nederlanders als de Nederlanders voor de Belgen, ook al bedoelen ze het evenmin echt kwaad (dat zou ik namelijk van de Nederlanders niet willen beweren). ‘Fluten,’ zeggen de Duitsers als Nederland weer eens de moraalridder uithangt (‘laten onderlopen’), al zeggen ze dat met het oog op die altijd en eeuwige Tweede Wereldoorlog en de verplichting tot schuldbelijdenis natuurlijk niet zo heel luid (ze zeggen het onder elkaar, zo heb ik van Duitse vrienden begrepen) — al hoop ik altijd nog eens dat Martin Walser (hij zou het wel durven) een roman over Nederland schrijft waarin hij de hypocrisie van de Hollanders ten aanzien van hun eigen oorlogsverleden eens aan de kaak stelt. En de Nederlander voelt voor de Duitser ongeveer evenveel haat als de Vlaming voor de Nederlander.

    Ik had het er gisteren nog over met een vriend, bij een ondergaand zonnetje in het groen rond Brussel: hoezeer je de verschillen tussen Nederland en België zou kunnen benoemen als een tegenstelling tussen protestantisme en katholicisme (ik deed dit ook, vluchtig, in De inwijkeling (het boek) al eens). ‘Jij bent bijvoorbeeld voor mij een echte protestant,’ zei hij op een zeker moment tegen mij. Ik beaamde. Niet omdat ik ook maar met een splinter religie ben grootgebracht of vroeger ook maar ooit voet in een kerk gezet heb — niets van dat alles. Maar juist door te verkassen naar dit land — niet als toerist, maar als immigrant — ben ik me van een diepgaand verschil bewust geworden dat ook voor mij het handigst te verklaren valt door terug te grijpen op het verschil in geloof. Er is mij in Nederland iets met de paplepel ingegoten dat maakt dat ik, nog voor ik erover na kon denken, een idee over ‘normaliteit’ heb meegekregen dat sterk verschilt van wat iemand die hier geboren is met de paplepel ingegeven heeft gekregen (het is wat me… enfin… ‘inspireerde’ tot mijn 0110-gedicht destijds) — een ander gevoel van Heimat, zoals Jean Améry dat noemde. Uiteraard vormen begrippen als ‘katholiek’ en ‘protestant’ maar het begin van een daaronder schuilend verschil in denken, in omgang met ‘waarheid’ enzovoorts.

    Dat er op dit moment in de Belgische politiek een aantal knoeiers bezig is met uiterst bedenkelijke agenda’s, en dat één van de pistes vast en zeker de ‘onafhankelijkheid’ van dit kleine stukje vervuilde grond is, laat onverlet dat er — misschien voor een deel wel juist ín dat geknoei — een België bestaat dat incompatibel is met de poldermoraal van de Nederlander.

    En Hugo Camps kan wat betreft Etienne Vermeersch wel eens gelijk hebben. Hij stelde ongeveer dat Vermeersch het in Nederland zocht omdat je hoe dan ook als ‘grootste intellectueel’ van enkel Vlaanderen (zoals Knack hem geloof ik heeft genoemd, op basis van televoting ongetwijfeld) toch een beetje een modderfiguur slaat. Het is een beetje als het winnen van De Gouden Uier, de meest prestigieuze literaire prijs van Tietjerkstradeel en omstreken. Uitbreiding van je publiek met nog eens 16 miljoen — dat zet zoden aan de dijk. Camps is natuurlijk, zoals altijd, heerlijk villein… — de meest Hollandse onder de Vlaamse columnisten (al zal hij ook de meest Vlaamse onder Hollandse columnisten zijn). Hij heeft allang gedaan waarnaar Vermeersch vooralsnog tevergeefs hengelt, zo kun je ook zeggen: zijn territorium uitgebreid tot de ganse lage landen.

    Intussen: 15 mei, donderdag: debat in De Vooruit over What’s left of the left
    .
    BEELD_-_DE_HETE_LENTE_lowres-large

  • Pin it!

    Radio


    Gisterenavond doorgebracht op wat bedriegelijk veel leek op een volledig verlaten Mediapark in Hilversum — alsof de kleine studio waar ik samen met Wim Brands en de technicus Ans Beentjes zat, het enige vertrek was waar er nog mensen waren. Een zolderkamer in de nacht. Je vergeet dat het radio is. Twee uur lang gepraat over Het grote uitstel en de jaren tachtig. Dat kan dan toch ook nog. Daarna terug door het donker, of liever het semi-donker van de A27, want de Belgische snelweg begint wat dat aangaat al bij Utrecht: een continu verlichte weg. Het liefst was ik na zoiets, waarschijnlijk vanuit eenzelfde gevoel van romantiek en nostalgie als dat waarover het in het gesprek ook geregeld ging, over geheel duistere wegen naar huis gereden, zoals ik dat vroeger altijd deed vanuit Amsterdam terug naar Groningen. Niets dan de koplampen. Duister rondom. Hoe later hoe beter. Iets op de radio. Maar ook daarvan kwam niets terecht; de reis van België naar Nederland en vice versa wordt altijd gekenmerkt door het wegvallen van radiostations en de noodzaak nieuwe te zoeken. Dus maar meegedweild met Beirut, waarvan ik ook een aantal nummers meegenomen had naar de studio, met dank aan H’s zussen, die me met klem aanraadden daar eens naar te luisteren — wat Wim Brands dan weer verleidde tot een kleine hommage aan de huidige, zo pragmatische generatie, die met zoveel meer behendigheid dan 'wij' ooit (daar heb je dat juist voor... 'ons' zo problematische wij weer) weten te schakelen tussen het een en het ander, tussen nabij en veraf.



    Zo bereikt men Gent met een 'vergeet, vergeet waar ons zwak hart om schreit, lach en stoot glazen stuk tegen elkander'-gevoel.

  • Pin it!

    politiek en literatuur


    Politici die lezen — het blijft een wonderlijk fenomeen. Niet dat ze lezen natuurlijk, maar dat ze er voor uitkomen. Tot nader order blijft lezen een intellectuele bezigheid, en wie stemmen wil vergaren kan zich beter niet al te intellectueel voordoen. Sinds De vis in het water van Mario Vargas Llosa (1993) ben ik er van overtuigd dat het ambt van politicus en literatuur onverenigbaar zijn — en ik roep Karadžić, Goebbels, maar ook Vaclav Havel hier als aanvullend bewijs in (het verband tussen genocide en literair bevlogen politici zou ik namelijk niet meteen willen suggereren). De mare gaat dat Steve Stevaert een verwoed lezer is. Nooit iets van gemerkt toen hij nog stemmenkanon speelde; hij gaf toen eerder de indruk niets met dat soort intellectueel vermaak van doen te willen hebben. Zelfs het socialisme was voor hem destijds vooral een kwestie van gezelligheid.

    affiche 280408


    Afgelopen maandag (28 april) zat ik in ieder geval met een politicus, Renaat Landuyt, én een popmuzikant, Stijn Meuris (die modereerde), in gerieflijke zeteltjes op het podium van het Vlaams-Nederlands huis ‘deBuren’, en tijdens het gesprek viel me op dat Landuyt literatuur las (of misschien moet ik zeggen: nóg las) op een manier die binnen de literatuur zelf steeds meer op de achtergrond is geraakt: als teksten met een sociale, politieke betekenis. Daar gaat nog iets aan vooraf: de gedachte dat literatuur kennis overbrengt — en misschien zelfs, al hebben we het daar in het geheel niet over gehad, dat je van literatuur een beter mens zou kunnen worden. Uiteraard hebben we het over dat laatste niet gehad, want er is geen mens die dát nog voor zijn rekening zou willen nemen, hoezeer het dan ook bij iedere discussie over nut en noodzaak van literatuur nog steeds altijd op de achtergrond meespeelt. Landuyt had het zelf over het lezen als een manier om zich te ‘herbronnen’ — met een knipoog naar het feit dat hij nu in de oppositie zit en het geen verkiezingsjaar is, althans nóg niet.

    Belezen_en_goedgekeurd (1)


    Het expliciete verband tussen literatuur en politiek & samenleving maakte dat wat Landuyt te zeggen had vermoedelijk interessanter was dan wat een aantal willekeurige schrijvers onderling ter tafel had weten te brengen. Natuurlijk dreigt bij een te grote nadruk op dat verband reductie van juist het ‘literaire’ van literatuur — en het viel me bijvoorbeeld op dat Landuyt het einde van mijn boek tamelijk eenduidig las als iets positiefs. Hij had in Het grote uitstel min of meer zijn eigen ontwikkeling terug gezien (hij is van 1959) en dus veel herkend in het boek. Ik geloof dat ik het weer eens nodig vond ook die avond te zeggen dat dat einde ook op een heel andere manier gelezen zou kunnen worden, en ik had er dan nog aan toe kunnen voegen dat de Val van de Muur uiteindelijk de opmaat was voor het neoliberalisme dat ook het socialisme van de SPa behoorlijk heeft aangevreten. Dat laatste zei ik, geloof ik, niet. Maar de al te eenduidige, positieve lezing van dat einde diende toch wat bijgesteld. Zoals ik altijd bezwaar blijk te maken wanneer sommigen beweren dat Het grote uitstel een duidelijke afrekening is met het gedachtengoed van mei ’68. (Ik ben niet voor de vergoddelijking van de auteursintentie, maar als… laten we zeggen: als lezer van mijn eigen boek kan ik me dan toch soms niet inhouden).

    Het alleraardigst vond ik dat Landuyt in zijn lijstje voorkeursboeken (uiteraard een keuze uit een veel langere lijst) De sirkelbewoners (1970) van Sybren Polet had opgenomen — een boek dat hem de veelkantigheid van de werkelijkheid had laten zien, zei hij, en hoe er moeiteloos van het een naar het ander overgegaan kon worden. Hij beaamde de door mij nog eens in herinnering gebrachte emancipatoire bedoelingen van dit wel ‘ander proza’ genoemde werk van Polet: dat hier duidelijk werd gemaakt hoezeer elke voorstelling van de werkelijkheid ‘maar een constructie’ is en geen objectief gegeven. Op zich een bewustzijn dat verlammend kan werken, en misschien ook verlammend gewerkt heeft, maar dat natuurlijk ook het idee van een ‘maakbare samenleving’ impliceert — iets wat Landuyt na aan het hart ligt, denk ik toch.

    extra_63550_01


    Het was zo aardig dat juist dít boek er bij zat, omdat gewoonlijk wanneer ‘ander proza’ ter sprake komt er al wegwerpgebaren worden gemaakt nog voordat het gesprek op gang is gekomen. ‘Onleesbaar’, ‘theoretisch’ en allerlei andere negatieve oordelen staan een gewone waardering in de weg — en hoewel ook ik nu dertig jaar later de nodige bedenkingen bij dat soort literatuur heb (die overigens in meer hedendaagse varianten nog steeds volop wordt geschreven met nog onverminderd dezelfde kritische, emancipatoire bedoelingen), blijf ik het wel serieus nemen. Het is een schoolvoorbeeld van hoe literatuur politieke dimensies kan hebben. Dat ik die dimensies liever opspoor waar ze minder evident zijn, waar de kritische bedoelingen er minder dik bovenop liggen — in literatuur die minder didactisch is, om het zo maar te zeggen — is een kwestie van smaak, misschien. Al laat ook die zich vertalen in meer literair-politieke motieven, die weer teruggaan op bepaalde overtuigingen betreffende de werkelijkheidswaarde van onze voorstellingen.

    Ik merk dat ik hier nog een onderscheid moet maken tussen een meer politieke lezing van literatuur (iets wat in het reservaat van de laaglandse letteren vrijwel niet meer voorkomt) en een partijpolitieke lezing van literatuur. Het is denk ik op dat laatste punt dat literatuur en politiek onverenigbaar worden (of blijven). Polets Sirkelbewoners is geen vlugschrift van de socialistische beweging, maar de appreciatie ervoor, de herkenning van hetgeen er in staat, kan er voor zorgen dat iemand voor het socialisme kiest. Dat hetzelfde boek misschien evengoed een neoliberaal tot zíjn geloof zou kunnen brengen, sluit ik overigens niet bij voorbaat uit. Het zou volledig tegen de intenties van dit soort literatuur ingaan, natuurlijk, maar die doen op een zeker niveau niet langer terzake. Des te belangrijker om het gesprek over literatuur, over haar specifiek politieke relevantie náást of tegelijkertijd mét haar relevantie voor het nadenken over ‘de menselijke staat’ in het algemeen, te blijven voeren.

    Er waren in deBuren weinig mensen, té weinig eigenlijk, terwijl juist dit soort programma’s het vacuüm kan opvullen dat bijvoorbeeld boekenbijlagen hebben laten ontstaan. Over een medium als tv zwijg ik verder maar. Eerder deze week stond er in de krant dat Canvas de samenwerking met juist deBuren had opgezegd, omdat die laatste, als beoogd partner, te veel wantrouwen aan de dag had gelegd bij de voorbereidingen op een nieuw ‘boekenprogramma’ op tv, in te vullen door Canvas én de VPRO. De beoogde Vlaamse presentator, Jan Leyers, stuitte op verzet, en ik kan me zo voorstellen dat als deBuren zich wat nader verdiept in de figuur van Leon Verdonschot, de beoogde Nederlandse presentator, dat verzet niet echt zal afnemen (al geldt voor tv-persoonlijkheden soms hetzelfde als voor politici: ze kunnen soms verrassend erudiet blijken) Dan: van een literatuurprogramma was het dus al een boekenprogramma geworden — en dat opent de mogelijkheid om naast, waarschijnlijk uitsluitend de ‘grote namen’ uit de literatuur ook aandacht te besteden aan 352ste druk van SOS Piet — aan ‘wat de mensen willen’, zogezegd. Geen wonder in een bedrijf waarin 100.000 kijkers naar één programma reden is voor ernstig crisisberaad.