• Pin it!

    'De' poëzie


    Inmiddels is er weer allerwegen over ‘de’ poëzie nagedacht — door David Van Reybrouck in de eerste Hugo Clausproloog bijvoorbeeld, en door Dirk van Bastelaere en Piet Joostens in een chatsessie georganiseerd door het Poëziecentrum. De eerste tekst wekte de meeste verbazing. Ik heb er inmiddels al met D. over gecorrespondeerd, maar helemaal kwamen we er onderling niet uit. Toen ik de tekst las, kreeg ik even het gevoel alsof ik een doorslagje van een tekst van wijlen de Maximalen voor me had — iets uit eind jaren tachtig in ieder geval. Met dit verschil dat waar iemand als Joost Zwagerman destijds volop namen noemde van dichters die in de ban gedaan moesten worden, er in de tekst van David geen enkele naam voorkomt van dichters die volgens hem verantwoordelijk zijn voor de ‘anorexia’ waar de hedendaagse poëzie aan zou lijden. Hij schrijft:

    Poëzie mag niet langer verhalend zijn, niet langer anekdotisch of didactisch (waarom niet? dat weet geen mens), niet langer verontwaardigd of verdrietig, blijmoedig al helemaal niet, niet langer humoristisch ook (of het moet ironisch zijn, de humor voor lafaards), niet langer helder want dat is verdacht, of begrijpelijk want dat is verraad (aan wie? ook dat weet geen mens). Poëzie mag niet langer vertrouwen op de taal, poëzie zal prevelen in de schemering of zal niet zijn. Ons gestamel mag bovendien allerminst een woordje uitleg krijgen, zeker niet van onszelf, want wij zijn sjamanen, doorgaans direct in contact met het hogere, stotterend weliswaar, maar niettemin, en liefst ook niet van een ander, geen voorwoord, geen achterflaptekst die iets zinnigs zegt en al helemaal geen foto van onszelf, het moet allemaal voor zich spreken, ook als het niet wil spreken, en als iemand dat toch doet in zijn plek, voorzichtig, aftastend, schoorvoetend, reageren wij schouderophalend en verongelijkt, want dan is de poëzie geprofaniseerd, gedesacraliseerd en dus gebanaliseerd en dát, dat mag zéker niet. En waarom? Dat weet, nog steeds, geen mens.

    Resize of charmeNiet langer verhalend? Huub Beurskens schreef al in 1988 Charme en heeft ook daarna in meerdere bundels nog langere gedichten geschreven die je verhalend zou kunnen noemen. Hans Tentije beoefende het genre van het prozagedicht en waaiert gewoonlijk breed uit. H.C. ten Berge kon en kan geweldig uitpakken op dit punt. Van Bastelaere laat in zijn laatste bundel zien dat anti-lyriek niet per se uitsluitend theoretiserend is, maar ook verhalend kan zijn, als het dan toch zo heten moet. Lucas Hüsgen kan breed smeren. Stefan Hertmans kan het en deed het. Han van der Vegt. Miguel Declercq.Aap(1) Bindervoet (in kwatrijnen in Aap bijvoorbeeld, maar toch... daar wordt verteld, verhaald). En wat moeten we met Hulp van Meuleman aan? Is dat niet één lang gedicht, eigenlijk? Ik zwijg dan nog over Duinker of ’t Hart, twee dichters die Van Reybrouck wel noemt en die hij dús positief beoordeelt. Evenals Ter Balkt natuurlijk. Misschien zijn sommige dichters in dit rijtje hem te oud (al lijkt me dat geen argument), en zeker is dit nog maar wat ik nu zo even verzin; als ik voor mijn kast ga staan vind ik er nog tallozen meer die poëzie niet alleen maar zien als een vorm van kortebaanschaatsen (zij het dan ook niet alleen als een medium om verhalen te vertellen). Het raakt kortom kant noch wal.

    OpgewektDat geldt ook voor ‘anekdotisch’, ‘verontwaardigd’, ‘verdrietig’, ‘blijmoedig’, ‘humoristisch’, ‘helder’ en ‘begrijpelijk’ — allemaal zaken die volgens Van Reybrouck in de poëzie niet meer mogen of kunnen of zelfs niet meer voorkomen. Er ligt hier al tijden een bundel van Remco Ekkers op mijn tafel — Opgewekte en nuttige gedichten — die dat allemaal tegelijk is, om maar wat te noemen. Over het ‘begrijpelijke’ versus ‘het onbegrijpelijke’ gaat het nu al zowat een hele eeuw en het is geneuzel dat totaal geen zoden aan de dijk zet omdat het ver, ver naast de kwestie is. En iets kan ‘helder’ én ‘onbegrijpelijk’ zijn, zo zou Van Reybrouck toch moeten weten als hij, zoals hij schrijft, iemand als Kouwenaar een warm hart toedraagt, en Faverey, die ook niet zelden onbegrijpelijk helder kon zijn. Het enige dat in zijn rijtje veronderstelde taboes enigszins hout snijdt is ‘didactisch’. Het is waar: in de Nederlandstalige poëzie is men er als de dood voor om belerend uit de hoek te komen (hoewel... De aardse komedie van Pieter Boskma?) — en wellicht niet alleen in de Nederlandstalige poëzie, maar ook in proza allerwegen. Dat heeft minder met de aan het genre opgelegde beperkingen te maken, dan met zoiets als tijdgeest. En zie, een Franse dichter als Philip Beck houdt zich dan toch weer — op een heel dwarse manier, dat wel — met het didactisch gedicht bezig.

    Wie is toch die ‘wij’ uit naam waarvan hij spreekt? Met de klacht dat er op poëzie te weinig wordt gereflecteerd, wil ik nog wel instemmen — hoewel we ook dat niet moeten overdrijven: er is in Vlaanderen verdorie een heel, behoorlijk gesubsidieerd Poëziecentrum dat zich daarmee bezig houdt; met de recensies in dag- en weekbladen is het droevig gesteld, maar ze verschijnen dan toch nog sporadisch (en dat is gegeven het cynisme bij die bladen al heel wat, en vergeleken bij de toestand in de diverse buitenlanden zelfs uitzonderlijk), en er zijn hele, meer specialistische tijdschriften die er vol van staan (Awater, Poëziekrant). Flapteksten lees ik nog genoeg; foto’s van dichters — ik kan ze niet meer zien. Vanuit welke wereld heeft Van Reybrouck deze tekst toch geschreven?

    max


    Maar, zoals gezegd, het allerbevreemdendst vind ik nog wel dat ik hier een tekst lijk te lezen die eerder thuishoort in de jaren tachtig van de vorige eeuw, die nog maar eens op de inmiddels gebruikelijke wijze datgene formuleert wat volgens de meeste schrijvers over poëzie toch al minstens sinds begin jaren negentig het geval is: het zogenaamde anything goes — zogenaamd, omdat ook bij Van Reybrouck achter het open vizier de uitsluitingsmechanismen werkzaam zijn: alles mag, behalve dat waartegen hij zich afzet. Twintig jaar geleden heette dat ‘academisch’, ‘bloedeloos’, ‘saai’ — nu gaat het om ‘droge borrelnootjes, doorgaans geschreven en vacuüm verpakt aangeboden door neerlandici die veel te veel poëzie hebben bestudeerd in plaats van zich er aan te bezatten.’ Om veel meer dan een herhaling van hetgeen twintig jaar geleden met veel polemische bombarie werd gezegd, gaat het hier niet. Het ware nog interessant geweest als Van Reybrouck had beweerd dat ‘Maximaal’ dus definitief mislukt is — als hij zelf het bruggetje naar de geschiedenis had geslagen. Maar het lijkt er toch eerder op dat Van Reybrouck zich te zeer heeft bezat om nog verder te lezen; zijn proloog is een hartekreet van iemand die totaal niet op de hoogte lijkt te zijn. Dat vind ik nogal pijnlijk, voor hem, en voor de organisatie van de VSB poëzieprijs. Tegen bijna iedere zin uit zijn stuk valt iets in te brengen, simpelweg door te wijzen op wat hij over het hoofd ziet, niet weet of niet wil weten.

    dirk piet


    Om eens didactisch te worden: praten over poëzie is een kwestie van de juiste beginsituatie. Die is in de chatsessie tussen Joostens en Van Bastelaere in ieder geval een totaal andere dan die in de lezing van Van Reybrouck. Wie dit gesprek ‘ijl’ zou willen noemen, geeft alleen maar aan vanuit een andere beginsituatie te vertrekken. Hier zijn twee redacteuren van twee verschillende, in se avant-gardistisch angehauchte literaire tijdschriften (Nieuwzuid en yang) doende om voorbij de impasse te geraken waarin de avant-garde terecht is gekomen, voor een deel vanwege haar eigen dynamiek overigens. coverjg7_nr28-thumbnailTussen chocola en sigaretten (het ‘lijntje’ waarnaar Joostens aan het slot zegt te smachten lijkt me een staaltje van ‘poëtische vrijheid’ te zijn), en met een zichzelf censurerend programma dat het Nederlandse woordje ‘kunt’ weergeeft als ‘****’, want je **** nooit weten of er niet een slecht spellende Engelstalige aan het woord is die de kwade bedoeling heeft het woordje cunt aan den volke kond te doen (**** te doen? Slecht spellende Nederlandstaligen bestaan er ook, namelijk) — tussen dat soort parafernalia door hebben beiden het over de noodzaak van de internationale context (inderdaad grotendeels afwezig in het laaglandse poëziediscours van de laatste decennia, de spreekwoordelijke uitzonderingen daargelaten), de inbedding van poëzie in kunstencentra om onderzoek te bevorderen en tegelijkertijd de poging om buiten de instituties (die kunstencentra toch ook zijn) te blijven. Het gaat over Beck, Stubbe, Richter, D’haen, het stadsdichterschap (‘hoe kun je het nu als dichter met enig historisch besef (van de moderniteit dan wel) verantwoorden dat je voor een stadsbestuur verzen gaat schrijven’) — kort en goed: het gaat vaak over de mogelijkheden om aan elke vorm van instrumentalisering van poëzie te ontkomen. Beiden praten zich voortdurend een weg naar ‘het buiten’ om ten opzichte van ‘de’ poëzie een zekere mate van autonomie te bereiken.

    ‘Ik wil dat kunst mij niet vanzelfsprekend vindt, zodat ik haar niet vanzelfsprekend kan vinden’, stelt Van Bastelaere. ‘Je moet dus voortdurend zien te ontsnappen uit je vanzelfsprekendheid,’ stelt Joostens ter aanvulling, waarop Van Bastelaere weer: ‘Vanzelfsprekendheid betekent: de codes en de cultuur kennen en als uitgangspunt aannemen’ — ‘om ze te kunnen perverteren’ vult Joostens aan. Daarin volgen beiden nog onverminderd de weg van de moderniteit, vervoegen ze zich nog eens bij de ‘traditie van de breuk’ die, zo zou je daar bij kunnen aantekenen, tot nu toe vooral heeft laten zien dat ‘het buiten’ een fantasma is. Daar valt overigens heel mooi werk mee te maken, zo weten we, maar je kunt je natuurlijk ook afvragen of dat gezochte ‘buiten’ inmiddels niet het centrum uitmaakt van de poëzie zelf. Het middenveld van de Nederlandse poëzie bestaat eerder uit postmodern ogende (met het 'onpresenteerbare' flirtende) poëzie (á la Bruinja, De Jong, Moors, Cox, Hamel en anderen) dan uit wat voordien meer vanzelfsprekend ‘traditioneel’ genoemd werd.

    ‘Ik wantrouw gedichten die per se op gedichten willen lijken,’ zo stelt Joostens ook nog, en binnen de redactie van yang wil zich juist nog wel eens een discussie ontspinnen over gedichten die, bijvoorbeeld in mijn ogen, per se niet op gedichten willen lijken en dan, alweer in mijn ogen, verzanden in een vruchteloze gemaniëreerdheid die het op dat punt soms zelfs aflegt tegen... laten we voor de vorm zeggen: tegen een goed gebeeldhouwd sonnet. Ik speel hier vaak de, wat je zou kunnen noemen: ‘conservatieve kaart’ uit. Ik zou hier trouwens niet op voorhand willen kiezen — het gesprek (soms: het geharrewar) daarover is mij te dierbaar, en de onbeslistheid ook. Misschien is dat wat Van Bastelaere met ‘onderzoek’ bedoelt?

  • Pin it!

    Bloot (Boon nog eens)

     

    so292_FenFem1ok



    In een mail naar aanleiding van mijn verslag van Zogezegd in Gent schreef Gie Van den Berghe mij nog dat hij die avond misschien inderdaad wat meer op zijn tenen getrapt was dan voor het verloop van het gesprek handig was. Er was aan zijn verschijnen daar het nodige vooraf gegaan — niet in de laatste plaats het verzoek om vroeger op de avond deel te mogen nemen aan de estafette. Het was inderdaad wat merkwaardig dat G. niet aanzat bij bijvoorbeeld Piryns en Van den Broeck, want qua generatie behoort ook Gie eerder bij de mei ’68-ers zelf dan bijvoorbeeld ik, die daar wel tussen zat. Nu moest hij pas tegen tienen opdraven en was vermoeid geweest. En prikkelbaar. Bovendien was er vooraf blijkbaar nog het nodige gezegd over Boons Feminatheek, die elders in het gebouw foto voor foto aan den volke werd getoond, behalve één, of zelfs meerdere kistjes met foto’s van al te jonge meisjes. Niet helemaal onterecht had Gie vooraf gesteld dat er hier sprake was van hypocrisie: dat in Gent met een ogenschijnlijk weids gebaar getoond werd wat in Antwerpen niet mogelijk was, maar dat verzwegen werd dat er ook in Gent feitelijk sprake was van censuur. Er werd ons enkel getoond wat de wet ons toestond om te zien. Er bleven echter de kistjes die ‘aanstootgevend voor de goede zeden’ genoemd konden worden. En daarover kon of mocht tijdens die avond blijkbaar niet gediscussieerd worden.

    b05407f7-d5ae-4059-bfeb-29821cab8ade



    Die ‘goede zeden’ behoren natuurlijk onderwerp van discussie te zijn, en niet letter van de wet die men blindelings volgt. Ook in Borgloon zag een burgemeester zich genoodzaakt een deel van een tentoonstelling te censureren (op een wel heel ouderwetse manier: het afplakken van tepels en geslachtsdelen), omdat ‘iemand’ had geklaagd over het klaarblijkelijk zedeloze karakter ervan. De burgemeester in kwestie legde later op tv uit (in het programma Phara) dat hij het natuurlijk tot een rechtszaak had kunnen laten komen, maar dat hij voor de op dat moment meest eenvoudige oplossing had gekozen. En om aan te geven dat de gemeente Borgloon niet preuts was (en hijzelf nog wel het allerminst), werd in het kader van weer iets heel anders (‘het mooiste dorp van Vlaanderen’) een promotiefilmpje vertoont met de burgemeester van Borgloon én ‘mè blowt ein’ (om het min of meer fonetisch, maar waarschijnlijk toch verkeerd weer te geven):



    Er zijn er die in reactie op de censuur in Borgloon en op die van Boons Feminatheek een andere discussie trachten op te starten: in hoeverre plaatjes als die van Boon, of Playboy-achtige foto’s zoals die in Borgloon, wel ‘kunst’ genoemd mogen worden. Rubens plakken we niet af, om het even kort samen te vatten, en niemand die in dartele cherubijntjes kinderporno ontwaart. Ik moet zeggen dat de plaatjes van Boon die ik in Gent zag me weinig meer leken te zijn dan een onschuldige hobby van een beroemde schrijver waarover men in zijn tijd misschien de wenkbrauwen heeft gefronst, maar die in... ‘onze’ (?) tijd toch eigenlijk geen voorwerp van discussie meer zouden moeten en mogen zijn. De vraag naar het artistieke gehalte van een en ander komt hier bij mij evenmin op als bij een willekeurige verzameling van sigarenbandjes.

    Ik weet trouwens dat ik me vergis wanneer ik denk dat blote juffrouwen in onze tijd geen voorwerp van discussie meer zouden zijn. De tijd dat rond de Groningse Hoornseplas bijna geen studente te vinden was die niet, geheel bevrijd van bijna alles, topless zwom of lag te zonnen, om nog te zwijgen van het ‘schiereilandje’ vol nudisten dat ongeveer in het midden van dit recreatiepark lag (zodat je bij bepaalde friettenten tussen hopeloos gezwengel, schone welving en bedenkelijke verzakking stond te wachten op je frietje — overigens zonder dat iemand ook maar ergens een probleem mee leek te hebben, danwel zijn eetlust bedorven achtte) — die tijd is blijkbaar allang weer voorbij. Ik kan het natuurlijk bij de Hoornseplas niet checken (hoewel...), en ik heb de afgelopen jaren verder ook te weinig recreatieplassen bezocht om de omslag bewust meegemaakt te hebben, maar men zou toch voorzichtig van een nieuw soort preutsheid kunnen spreken. Alweer iets wat een verworvenheid leek destijds (een 'bevrijding' dan toch), maar bij nader inzien een modegril geweest kan zijn (en ook over de vraag of het werkelijk een verworvenheid wás, kan men dan vervolgens discussiëren: als modegril ging er ook een zekere dwang van uit: bloot als conformisme, kortom, als aanpassing aan de eisen van de markt, uiteindelijk, want is mode iets anders dan markt?).

    28Manet
    Kunst (Jeff Koons)

    lpb2
    Geen kunst (Feminatheek



    Hoe dat ook zij, het lijkt me niet aangewezen om de discussie over ‘goede zeden’ af te buigen naar de vraag of het getoonde ‘kunst’ is of niet — alsof die zeden voor de kunst plotseling anders gedefinieerd zouden moeten of zelfs maar kunnen worden. In die zin wens je bijna dat de verontwaardigde burger uit Borgloon bij diverse musea een klacht indient wegens het vele bloot dat er te zien is. Het kunstargument blijft een zwakte in de redenering van degenen die zich opwerpen als verdedigers van de vrijheid. Het wekt op zijn minst de suggestie dat men buiten die artistieke context instemt met wetteksten over ‘goede zeden’ en de inbreuk daarop. Overigens is die context natuurlijk alles als het over de vraag naar kunst gaat. Als we het kunst noemen, is het dat.

    Maar uitgaande van het gegeven van de Feminatheek zelf — kunst of geen kunst, in ieder geval de verzamelwoede van een groot auteur — zou het Anne Provoost gesierd hebben als ze de schijn van moed die het in het openbaar tonen van de prentjes na de weigering van Antwerpen kreeg, had omgezet in werkelijke moed door ook de verboden kistjes te laten openen en aan het (wellicht geschandaliseerde) publiek te tonen. Ik ken geen vager begrip dan ‘goede zeden’, en door wat er voor doorgaat, voel ik mij op mijn beurt soms wel eens geschoffeerd. Hoewel voor mij dus de hele schijnvertoning van die Feminatheek gerust achterwege had kunnen blijven — zelden iets zo gewoons gezien dat met zoveel poeha tot iets bijzonders werd opgeklopt. Ik blijf nu eenmaal iemand — de vergelijking is wat roestig, maar toch — die eerder geshockeerd is door geweld dan door erotiek en seks.

    Wat me er aan doet denken: op ‘Uitgelezen’, vorige week dinsdag in Gent, bekende Freya Van den Bossche mijn boek gelezen te hebben tijdens discussies over de begroting in de Gentse gemeenteraad (of in de een of andere commissie, geloof ik). Waarop Anna Luyten, die zich te Gent materialiseerde en niet te Aalst (zie hier), meteen een passage uit Het grote uitstel begon voor te lezen, een van de passages die waarschijnlijk de jury destijds deed besluiten het woord ‘vunzig’ te gebruiken in haar rapport. Hoe, wilde Luyten weten, had Van den Bossche daar precies gezeten in die commissie? Met welk gezicht? En met welke consequenties voor de stadsbegroting, zo dacht ik er, toch wat bezorgd, achteraan.

    Hierbij overigens een beeldverslag:

  • Pin it!

    Wolven & Welpen

    wolf_2008_2


    Toen ik gisterenavond in het Elzenveld te Antwerpen op een avond van Leeswolf/Leeswelp mijn lezing over literaire kritiek gaf, wist ik dat ik te weinig tijd had gehad om die naar behoren voor te bereiden. De lezing had een bewerking moeten zijn van een artikel dat ik inmiddels voor de komende yang over literaire kritiek geschreven had — maar door allerlei omstandigheden was de tijd om dat naar behoren te doen te kort. Ik vertaalde citaten, schoof er hier en daar een meer verhelderende zin tussen, herformuleerde een paar... eh... ‘spaghettizinnen’ tot, laten we zeggen, het meer handzame formaat van de penne rigate, maar aan één ding kwam ik niet toe: aan wat ik, niet helemaal correct, mijn ‘methode Flaubert’ noem. Flaubert zelf hanteerde, naar verluidt, de ‘brulmethode’: telkens wanneer hij een pagina had geschreven las hij die, heen en weer lopend door zijn schrijfvertrek, schreeuwend aan zichzelf voor. Als de tekst die mishandeling doorstond, was het een goede tekst. Ik zie van dat schreeuwen af — ik woon in een rijtjeshuis per slot van rekening —, maar het mezelf hardop voorlezen van passages behoort tot de vaste routine (iets wat ik veel lezers aanraadt als ze zeggen aanvankelijk moeite te hebben met Het grote uitstel: die lange, door sommigen verdoemde, door anderen juist zeer gewaardeerde zinnen, hebben meer met spreektaal te maken dan met de ambitie Proust naar de kroon te steken). Misschien is het een restant van de dichter in mij, die onwillekeurig op klank en ritme blijft letten, op haperingen, herhalingen, motiefjes.


    spaghetti pijlen penne rigate


    Voor een lezing is dit ‘hardop lezen’ natuurlijk nog belangrijker dan voor een roman — en juist daarvoor had ik gisterenmiddag geen tijd meer. Zodat ik dus voor een zaal vol recensenten van Leeswolf/Leeswelp stond en zelf bij het lezen voor het eerst hóórde dat sommige zinnen domweg ‘te dicht’ waren om te volgen, zeker na een aperitiefje en in het vooruitzicht van scampi’s in een jasje, saté’tjes, vismousse-achtige amuse gueule en nog meer alcoholhoudende dranken. Daarbij was wat ik te zeggen had — ik zou bijna zeggen: uiteraard zo eenvoudig niet. Want om een beetje te gaan schimpen op wat er in de bijlagen nog van specifiek literaire kritiek overschiet — het is te gemakkelijk, maar het zet geen zoden aan de dijk. En dus had ik gekozen voor de poging de huidige situatie van de literaire kritiek wat in een context te plaatsen — te verbinden met het wel ‘emancipatoir’, maar ook ‘ontmaskerend’ of ‘ontvoogdend’ genoemde denken dat de twintigste eeuw gedomineerd heeft en dat volgens sommige commentatoren is uitgelopen op wat dan in al zijn vaagheid ‘postmodernisme’ wordt genoemd — in ieder geval tot een verregaande ‘democratisering’ van het esthetische oordeel. Enfin, ik ga daar hier nu niet verder op in — de inleiding waarvan de lezing van gisterenavond de bewerking had moeten zijn, staat begin mei op de site van yang en ik zal eens kijken of ik voor de site van Leeswolf/Leeswelp nog iets anders kan doen dan enkel de doorverwijzing naar deyangsite.

    Na mij sprak Bart Van Loo een weldadige feestrede uit, waarin hij hoofdredacteur Jen De Groeve opriep De Leeswolf en De Leeswelp in de vaart der volkeren op te stoten. Hij constateerde dat vroeger bij kranten als De Morgen en bij Standaard der Letteren nieuwe recensenten binnendruppelden die voordien in De Leeswolf hadden geschreven, terwijl de stroom nu eerder omgekeerd is, waarbij het belangrijkste argument de aandacht voor het boek zelf blijkt te zijn — iets waarvoor in de officiële bijlagen, zo kun je op basis van deze gegevens concluderen, geen plaats meer is. Gezien de status waarmee recensenten meestal worden bedacht (‘sla hem dood, de hond, hij is een recensent!’), ben je geneigd te zeggen: de ratten verlaten het zinkende (literaire krantenbijlage-)schip. Hoe dat ook zij: De Leeswolf doet nog volop wat de bijlagen om mij nog steeds niet geheel duidelijke redenen meer en meer achterwege laten. In die zin verdient het blad meer aandacht dan het weet te genereren. Ik schat dat er van zo’n blad makkelijk 10.000 verkocht zouden kunnen worden — al voeg ik daar onmiddellijk aan toe dat ik van de markt de ballen verstand heb.

    Na de lezingen en de receptie, nog voordat ik met de meegereden Rokus Hofstede weer huiswaarts keerde, eerst nog cafébezoek — een bluescafé in de buurt van de Leopoldsplaats. ‘Het lijkt hier wel dertig jaar geleden!’ zei Willem van Zadelhoff tegen mij, en tot mijn schrik antwoordde ik: ‘Ja, is het niet geweldig?’ Maar dertig jaar geleden... ach...

    why dont cha 1976-77
    Omstreeks 1976

    Overigens, dinsdag 15 april: Uitgelezen in De Vooruit in Gent.

  • Pin it!

    Wij, zogezegd


    20080405_zogezegd2_sm
    foto © Jan. M. Meier


    Of Zogezegd in Gent vrijdagavond een succes was, kan ik moeilijk beoordelen; ik was bijna de volle drie uur, deels op het podium, deels achter de schermen (waar een tv-scherm stond) aanwezig bij het debat over engagement en literatuur, om de keur aan onderwerpen maar even handzaam samen te vatten. Ik vroeg me af hoe de stoelendans op het publiek overgekomen kon zijn, want zowel sprekers als moderatoren wisselden steeds. Ik had zelf de indruk dat het de dynamiek van het gesprek niet altijd ten goede kwam omdat sommige gesprekken min of meer werden afgebroken wanneer er weer een wisseling van de wacht plaats diende te vinden. Op voorhand vond ik het wel een goed concept, juist vanwege die steeds wisselende samenstellingen. Het eerste deel van het debat zat, na een meer sociologische plaatsbepaling van mei ’68, toch ook een beetje in de nostalgische sfeer, met vooral Walter van den Broeck en ook moderator Piet Piryns in de rol van ooggetuigen, en het was goed dat die op een gegeven moment plaats inruimden voor anderen. Maar door steeds andere deelnemers verliep het gesprek zelf toch in horten en stoten, was mijn indruk.

    9_6
    foto © Jan M. Meier


    Wat vooral vastgesteld kon worden, was dat mei ’68 natuurlijk een mythe was — zoals onder andere Gie van den Berghe (een beetje te veel op de toon van iemand die verwacht dat hij wel weer in het ongelijk gesteld zou worden, vond ik toch) het op een zeker moment verwoordde. Rond die tijd was hij een telegrafist, stelde hij, en van alle opwinding die er rond mei ’68 geweest zou zijn, had hij, net als andere, niet in academische of culturele kringen verkerende, zeg voor het gemak nu maar even: ‘gewone’ mensen maar bitter weinig gemerkt. Maar uit het hele debat zelf kon je toch ook opmaken hoezeer mythes hun eigen werkelijkheid creëren, zozeer dat de historische werkelijkheid er door op de achtergrond raakt. Het feit dat het deze avond en ook later en elders nog veelvuldig in de herinnering geroepen wordt, verleent aan het gebeuren zelf de status van een historische gebeurtenis, een sleutelmoment in de geschiedenis (waarmee overigens niet gezegd wil zijn dat de relativering van Van den Berghe overbodig was — integendeel).

    68poster 2


    In ieder geval behoren de steekwoorden die bij deze ‘babyboom’- of ‘protest’generatie altijd opduiken tot de intellectuele bagage van de generaties die daarna kwamen, zeker tot de mijne. En misschien niet eens alleen tot de intellectuele bagage, maar zelfs tot onze totale beleving. Toen ik van die generatie tijdens het debat kort een schets gaf, het had over ‘ons’ ‘te laat’, over de ‘lost generation’, niet in de laatste plaats ook vanwege de economische crisis van 1975 -1985, zei Piet Piryns spottend: ‘ach, wat zielig, meneer’. Zoiets kun je typerend noemen voor het akelige en zo langzamerhand behoorlijk cynische gelijk van zijn generatie waarmee wij eigenlijk tot op de dag van vandaag... ‘worstelen’ is een te groot woord, misschien, maar toch in ieder geval: waarmee wij continu in discussie zijn. Voor ons was de geproclameerde vrijheid minder een bevrijding dan een dure plicht; ze ging aan elke, reeds door de babyboomers ontmaskerde waarheden vooraf, maar ze leerde ons niets over de wereld. Sterker nog: ze ontrok de wereld aan ons zicht.

    Maar kanttekeningen plaatsen bij het linkse discours bracht je — hoe onterecht ook — onmiddellijk in het rechtse, het conservatieve kamp — en eigenlijk is dat nog tot op de dag van vandaag het geval. Het was jammer dat Tom Naegels en Piryns niet samen op het toneel zaten, want Tom stelde op een zeker moment een wel heel principiële vraag: waarom iemand als Claus applaus oogste (nog steeds) wanneer hij over de Sint Pietersbasiliek in Rome zei dat ze dat gebouw maar moesten ‘dynamiteren’, en Wilders voor fascist wordt uitgemaakt wanneer hij zegt dat de Koran verbrand moet worden. Is er hier een verschil in ‘rechthaberei’? Ik denk het niet, eerlijk gezegd. En ik had Piryns daar wel eens antwoord op willen horen geven. Of zou dan blijken dat hij het op grond van de analogie eigenlijk met Wilders eens had moeten zijn? De islam is net zo achterlijk als het christendom? Weg met de religie?

    Maar dat verschuift de vraag alleen maar — al geloof ik dat de babyboomers zelf aan die verschuiving niet of nauwelijks zijn toegekomen. Zo gefixeerd op bevrijding van het oude (politiek ironisch genoeg dan ook nog eens uitgelopen op een liberalisering waarmee een groot deel van de eigen idealen werd verkwanseld), zozeer overtuigd van wat daarmee werd gewonnen, hebben ze zich niet of nauwelijks gebogen over de vraag uit naam van welke waarheid ze die van anderen aan de kaak stelden.

    poster 3


    Ik formuleer het nu een beetje te veel in termen van ‘zij’ en ‘wij’, zo weet ik. Uiteraard ben ik binnen die cultuur van de bevrijding en het bevrijd zijn opgegroeid (dat is het nu juist!) — en ik heb al eens eerder gezegd dat het mij verbijstert dat vrouwen in het zakenleven nog steeds zo’n 25% minder verdienen dan mannen, dat mijn homoseksuele vrienden niet kussend over straat kunnen en ik wel, dat het milieu zo grandioos naar de kloten wordt geholpen op grond van nog steeds dezelfde schijntegenstelling tussen economie en ecologie. Dat is een verbijstering die ook alleen maar voort kan komen vanuit het valse gevoel van een totale overwinning van het vrijheids- en gelijkheidsdenken. Maar geconfronteerd met Turkse jongens hier in de straat, die mij onmiddellijk beginnen uit te leggen hoe zij leven en waarom ze dit doen en dat niet doen en zus denken en zo denken — word ik zelf nu meer dan ooit geconfronteerd met wat ook ik min of meer overwonnen dacht te hebben: mijn vooronderstellingen en ook vooroordelen. Dat ‘grote verhalen’ niet meer bestaan, dat elke werkelijkheid in die zin een ‘fictie’ is geworden, laat onverlet dat die ‘ficties’ onze dagelijkse werkelijkheid uitmaken. Wij — wij blanke, West-Europeanen uit de middenklasse — wij kunnen ons, voor zover we intellectueel zindelijk zijn, nog onmogelijk beroepen op de eeuwigheidswaarde van onze waarheden, maar daarom bestaan die waarheden voor ons wel degelijk in hun historiciteit. De ontmaskering van grote waarheden heeft niet gemaakt dat wij onze ethische waarden willen overlaten aan de volstrekte willekeur van elk individu afzonderlijk, toch? Enfin, we doen het in ieder geval niet (in tegenstelling tot de esthetische waarden, die op dezelfde manier onderuit zijn gehaald en hebben geleid tot een volstrekte willekeur in de esthetische oordelen — maar dat is een heel andere kwestie).

    aui_camus_a_32370200px-SartreLOC1964In die zin, zei ook Abdelkader Benali, meende ook Tom Naegels, en ik geloof dat zelfs Peter Verhelst daar al in een eerder stadium mee instemde, zitten we nu misschien op een scharniermoment. Hoewel zelfs Sartre het al ruimschoots vóór ’68 over ‘de verschrikkelijke vrijheid’ had en iemand als Camus al begin jaren vijftig in zijn L’Homme révolté voor het ‘Griekse maatgevoel’ opteerde, is die vrijheid zelf sinds ’68 nog nooit zo op een grotere schaal serieus onderdeel van onze reflectie geweest als nu: als het beginpunt van ons zoeken naar waarheid in plaats van als het eindpunt van de ontmaskering ervan.

    Aan een boventijdelijk project heeft denk ik niemand behoefte. Ik zou het in ieder geval niet met mijn scepsis kunnen rijmen. Misschien ligt de werkelijke uitdaging inderdaad wel in de aanvaarding van onze historiciteit, van onze halfheid (tegenover elke als zodanig geproclameerde heelheid), de onzuiverheid van het menszijn zelf die in ons tijdsgewricht zijn eigen, tijdelijke waarheden genereert — niet als eeuwige wetten, maar evenmin (als reactie op de onmogelijkheid van een dergelijk rigide absolutisme) als strikt individuele meningen en meninkjes. Het komt neer op het zoeken naar een ‘wij’ dat stand houdt zolang we nog ademen.

    68poster4

  • Pin it!

    Pogingen om te landen


    486_thumb


    Het valt waarachtig niet mee om tussen het knallen van de champagnekurken door weer het evenwicht te vinden dat werken mogelijk maakt — hoezeer dat nu ook nodig is. Ik merk dat de mij aanvankelijk werkelijk verbijsterende bekendmaking van de Gouden Uil mijn, zeg maar Twentse mentaliteit weer wakker roept. Een rechtgeaarde Twentenaar zou als hij prijswinnaar was geworden en gevraagd werd naar zijn mentale toestand bijvoorbeeld antwoorden: ‘Het kon slechter.’ Dan zwijg ik nog over wat een Groninger zou doen. En soms moet ik mij dan ook gedegen rekenschap geven van het enthousiasme waarmee ik gefeliciteerd word, om het vervolgens een beetje in mijn eigen reactie betrekken. Anders zou ik — volstrekt onbedoeld — al te onderkoeld overkomen. Wat ik ook helemaal niet ben. Iets in mij staat te juichen dat het een aard heeft. Eerlijk gezegd verkeer ik nog wat in de waas die ontstaat in de mix van het het nog steeds niet aflatende ongeloof en feestelijk alcoholmisbruik. Ik schreef al aan Harold Polis van Meulenhoff/Manteau dat ik wachtte op het moment dat ik wakker zou worden op de modderige vloer van het justitiepaleis in Antwerpen om me dan en daar te realiseren dat het allemaal niet waar is.

    Voordien was er door zo ongeveer iedereen die er wat over te zeggen had met zoveel stelligheid beweerd dat ik geen kans maakte (en volgens sommigen was dat maar beter ook), dat ik van lieverlede geheel relaxed het justitiepaleis betrad. Het interviewtje met Fien Sabbe had ik van tevoren telefonisch doorgepraat, dus ik wist wel ongeveer wat er zou komen (al kwam er dan toch nog wat anders), en verder verheugde ik me op de afterparty in de Monty. Die kwam er ook, maar ik was er in een andere dan de verwachte hoedanigheid. En geheel onverwacht waren er van elders na de bekendmaking van de prijs nog wat vrienden in de auto gestapt om mee te feesten.
    En dat feesten wil niet zo goed ophouden nu...

    AnneProvoost__c__Pieter_Bleuz_-medium
    © Pieter Bleuz
    Anne Provoost

    Maar toch. Er moeten dringend kniebuigingen gedaan worden. Morgenavond is er het marathondebat in De Vooruit in Gent in het kader van Zogezegd in Gent (met Anne Provoost als curator), en dat vraagt toch om enige bezinning vooraf. Het gaat, met een dubbel vraagteken, om: ¿De verbeelding aan de macht?, en daarmee gaat het verwoed om de vraag naar de erfenis van mei ’68, die een vraag is naar vrijheid, individu, solidariteit, democratie en democratisering, engagement en consumentisme, het nieuwe en het vernieuwende, utopie en dystopie, aanhankelijkheid en verwijt, kritische houding en niet kritische instemming, postmoderne ‘negativiteit’ versus postmodern welbehagen, enzovoorts. Grote vragen, derhalve, door een keur, in steeds wisselende samenstelling op het podium verschijnende auteurs, journalisten enzovoort te bespreken. Ik heb het gevoel dat ik voordien toch nog even in retraite moet om me op de gesprekken voor te bereiden, hoezeer ook al deze post-’68-vragen precies zijn toegesneden op mensen van juist mijn generatie — van hen die net te laat kwamen om van die protestgeneratie deel uit te maken, en te vroeg om al pragmatisch te zijn.

    annawebannaweb.2annaweb.1annaweb.2annaweb

    Daarna ga ik me op zaterdag in ons favoriete cafeetje nog eens samen met Jeroen Theunissen afvragen hoe zich de wonderbaarlijke verdubbeling van Anna Luyten op 15 april zal voltrekken — een gebeurtenis van jewelste, lijkt me toch. Anna zal zowel aanwezig zijn op de prijsuitreiking van de prijs voor proza van de provincie Oost-Vlaanderen aan Jeroen in Aalst, als terzelfdertijd op Uitgelezen in De Vooruit in Gent, alwaar onder meer... enfin Het grote uitstel besproken zal worden, iets waar ik graag bij wil zijn, zodat ik de prijsuitreiking ga missen. Dat spijt me wel. Er is (te) weinig gerucht gegeven aan die prijs, en dat lijkt me toch niet terecht. Het einde is en blijft een van de belangrijkere nieuwe boeken van een van de belangrijkere nieuwe stemmen in de Nederlandse literatuur. Bevooroordeeld? Ja, dat zal best, al heb ik onder mijn vrienden (en vooral voormalige vrienden) de twijfelachtige reputatie de vriendschap niet te laten meewegen bij mijn oordeel over hun literatuur. (Ik verwacht omgekeerd hetzelfde, maar vrees nu toch dat men mij wel eens spaart).

    theunissen-9085420598

    Volgende week moet dan werk gemaakt worden van ongenode gasten: in de eiken balken van het oude, uit 1850 of daaromtrent stammende deel van ons juist verbouwde huis, hebben zich klopkevertjes genesteld. Een jolige medewerker van de gezondheidsdienst te Gent, aan wie wij een jampotje met drie door ons gevangen kevertjes hadden overhandigd voor nader onderzoek, wist me te melden dat het natuurlijk niet de kevertjes zelf waren die een probleem vormden, maar wel hun larven. Die zitten in de balken. ‘U kunt twee dingen doen’, zei de man. ‘U kunt besluiten dat u dit wel leuk vindt en uw balken laten opeten. Of u kunt contact opnemen met...’. Dat het klopkevertjes zijn verklaart veel: we zijn ze op het spoor gekomen door een tikkend geluid. Ik dacht eerst nog dat het de pennen in een pennenbakje waren die door trilling van de langsrijdende bussen tegen de zijkant tikten. Of dat mijn beschaafd klikkende Apple-muis uit zichzelf doende was. Maar, zo meldde de medewerker ook nog, ‘het gaat hier om het baltsgedrag van de mannetjes, die inderdaad een tikkend of "kloppend" geluidje maken om de vrouwtjes te lokken'. Liefde derhalve... Daar moet paal en perk aan gesteld worden. Het ondermijnt alles.

    klopkever