• Pin it!

    TV 2




    Live-uitzending Canvas



    Journaal VRT

    En De Zevende Dag op 30 maart.

  • Pin it!

    TV




    Uitgezonden op dinsdag 25 maart.

  • Pin it!

    1929-2008


    IMG_0477


  • Pin it!

    Parafernalia 2: Staartjes


    Zo langzamerhand wordt men dan toch wat nerveus. Men = ik. Er wordt me nu allerwegen gevraagd hoeveel kans ik denk te hebben De Gouden Uil te winnen. Twintig procent, zo antwoord ik naar waarheid maar met te weinig fantasie. Ik begrijp de vraag niet. Verwacht men (men = ... enfin, laten we zeggen ‘de’ journalist) dat ik in het openbaar analyses ga maken zoals die in de Humo van deze week? Die geeft mij, weliswaar (nee: uiteraard) ‘met de natte vinger’, tien procent kans. Die ‘natte vinger’ dient om aan te geven dat er hier van enige redelijkheid geen sprake is, dat het gaat om een inschatting van wat er zich in de jury afspeelt, overwegingen die daar zouden kunnen spelen. (Ik denk wel eens dat dát voor het publiek interessanter zou zijn dan de parade van genomineerden die over anderhalve week op tv vier minuten lang wat mogen gaan zeggen: een live-verslag van de juryberaadslaging, met een evaluatie achteraf onder leiding van Rik Torfs).

    Uiteraard kan ik zo’n inschatting zelf niet maken, ook al heb ik op grond van eigen jurylidmaatschappen wel een vaag idee omtrent het hoe en wat ervan. Maar vooral: ik wil het niet. Ik zou me zelf te zeer moeten objectiveren en over mezelf moeten praten alsof ik niet als mezelf besta. Hoewel ik als schrijver inmiddels het verlangen heb om Het grote uitstel achter me te laten en in die zin over dat boek helemaal niet in termen van ‘goed’, ‘beter’, ‘best’ wil nadenken (alles kan beter, en het ergste dat een auteur kan overkomen, is het gevoel dat hij niet meer aan het begin staat — vrij naar Pavese), kan ik natuurlijk, als mij de vraag wordt gesteld hoe ik mijn eigen kansen inschat, ook niet zeggen: laag. Al was het maar omdat zoiets ongeloofwaardig is, van te weinig zelfrespect en geloof in eigen kunnen getuigt om niet een pose te zijn.



    Om er enigszins aan te ontkomen, met H. deze week in Rome met haar zesdejaars tussen de ruïnes, maak ik er een erezaak van om iedere ochtend in het haar van mijn dochter een staartje te fabriceren dat het minstens uithoudt tot half vier, als ik haar weer van school oppik. Het is een zaak die mij volledig in beslag neemt en die mij ook op andere tijdstippen hoofdbrekens kost. De dochter in kwestie, bijna vier nu, bekijkt me met geamuseerde scepsis: dit gaat ‘m ook deze ochtend weer niet lukken, de sukkel. Als ik iets met een gekleurd elastiekje heb gefabriceerd, vraagt ze om de scheerspiegel. Die moet op groot. Ze kijkt kritisch. Kijkt naar mij. Zwijgt. Een haarspeldje erbij dan, zo probeer ik. Schouderophalen. ‘Die raak ik altijd kwijt’, zegt ze, geheel naar waarheid. Waarna ik nog eens overnieuw begin, dat gladde dunne venetiaans blonde haar nog eens zo probeer samen te pakken, het elastiekje er vervolgens twee, drie keer zo omheen te wurmen, dat er een zekere garantie is dat ze niet weer uit de schoolpoort komt met haar haar alle kanten op en vooral voor haar gezicht. Soms leidt dat tot een toefje haar dat niet meer bij haar hoofd lijkt te horen. Meestal tot iets dat na twee tellen van een zekere parmantige stevigheid, onmiddellijk naar beneden zakt. En de haarband kan ik niet vinden, natuurlijk. ‘Je kunt het niet,’ zegt ze, maar lacht bemoedigend. Er is een besef van macht over het stuntelende vaderwezen, dat ze sowieso al tot een weekmenu vol pretvoedsel heeft weten te verleiden (pizza, pannenkoek, frieten en pasta) terwijl haar moeder over de telefoon protesteert en wijst op kostbaar groenvoer in de groentela, dat nu een beetje ligt te verpieteren.

    Hoeveel kans heeft men eigenlijk als vader? Weinig. Heel weinig. Een gouden buil, meer zit er niet in, zelfs niet als men volleerd vlechtend en staarten makend de ochtend overleeft.



  • Pin it!

    The Devil in Miss Jones


    41XBD7YNAVL._BO2,204,203,200_PIsitb-dp-500-arrow,TopRight,45,-64_OU02_AA240_SH20_ 41OgGKtXkxL._AA240_


    Literatuur wordt met de dag ingewikkelder, schreef ik eerder. Laatst las ik hoe nu al voor de tweede keer in korte tijd een biografie een verzonnen verhaal blijkt te zijn. Kort geleden werd de biografie Surviving with Wolves van Misha Defonseca (eigenlijk: Monique De Waal) ontmaskerd als fictie. Dit keer gaat het om Love and Consequences van Margaret B. Jones, naar verluidt een verhaal over een blanke vrouw met Indiaanse roots die opgroeide bij een zwarte adoptiemoeder, aldus de berichtgeving in De Morgen.

    Bij zo’n opsomming heb ik meteen de neiging in de lach te schieten, omdat het er nog maar aan mankeert dat het hier om een blanke lesbische vrouw gaat, of om een blanke gehandicapte vrouw, of om... enfin, noem nog eens een gruwelijk verdrukte minderheid. Een dergelijke opeenstapeling (blank, Indiaanse roots, zwarte adoptiemoeder) is inderdaad voor niets anders geschikt dan de waarheid, zeker als je er nog aan toevoegt wat er in de New York Times over — nee, niet over het bóék, maar over ‘Ms. Jones’ zelf werd gezegd voordat het bedrog bekend werd:

    Her memoir is an intimate, visceral portrait of the gangland drug trade of Los Angeles as seen through the life of one household: a stern but loving black grandmother working two jobs; her two grandsons who quit school and became Bloods at ages 12 and 13; her two granddaughters, both born addicted to crack cocaine; and the author, a mixed-race white and Native American foster child who at age 8 came to live with them in their mostly black community. She ended up following her foster brothers into the gang, and it was only when a high school teacher urged her to apply to college that Ms. Jones even began to consider her future.

    Toe maar, ook nog een gang en drugs erbij, en dan die twee kleindochters, onschuldige bloedjes die al verslaafd geboren werden. Het is me wat. Wie zo’n leven in een roman verzint, wordt meteen weggehoond vanwege een te veel aan al te ostentatieve Bedoelingen, zelfs al geeft het een situatie weer die voor sommigen wel degelijk de realiteit is. Maar zelfs als een niet per se literair verhaal lijkt het al te veel van het goede.

    Misschien is dat laatste onderscheid wel overbodig. Het literaire hangt immers niet samen met het waar- en werkelijkheidsgehalte van het geschrevene, maar met de mate waarin de grondstof werd vorm gegeven met de bedoeling om waar- en werkelijkheid te genereren. De aanvankelijk voor waar gehouden levenswandel van Ms. Jones is mij, zo op het eerste gezicht, te ongeloofwaardig om aanspraken op welke waarheid dan ook maar te maken (al zou het boek zelf daar nog verandering in kunnen brengen). Dat ze ook daadwerkelijk niet waar bleek te zijn, is dan voor mij eigenlijk van ondergeschikt belang. Het omgekeerde geldt evenzeer.

    DevilInMissJonesCoverNatuurlijk kan men het Ms. Jones kwalijk nemen dat ze over het waar- en werkelijkheidsgehalte van haar verhaal, juist buiten het boek om, heeft gelogen (The Devil in Ms. Jones, zeg maar), al zijn er in deze postmodern te noemen tijden wel verzachtende omstandigheden: het verlangen naar ‘echtheid’ is na decennia van een enthousiast ontmaskerende vrolijke rebelsheid (© de babyboom- of ook wel protestgeneratie) in onze samenleving en vooral ook in de media zo virulent aanwezig, dat de enige manier om in de huidige cultuur nog ‘aan het woord’ te komen een beroep op de waar- en werkelijkheid van het gebodene lijkt te zijn. Iedere meer literaire auteur weet inmiddels dat nadruk op het autobiografische van zijn of haar roman hem of haar geen windeieren legt. Terwijl bij nadruk op het omgekeerde het verdomhoekje van de ‘fictie’ dreigt.

    Natuurlijk is er in extremis zoiets als het geval Binjamin Wilkomirski, en misschien moet de leugen over de echtheid ook ergens halt houden — de holocaust dient ook hier, als zo vaak, weer als laatste en ultieme toetssteen (al zijn de indrukwekkendste ‘getuigenissen’ over de holocaust wat mij betreft literair, maar dit terzijde). Maar een samenleving die niet om weet te gaan met wat haar eigen zucht naar individualistische vrijheid heeft opgeleverd — ieder zijn eigen verhaal c.q. fictie — moet iemand die een fictie als werkelijkheid opdient toch niet al te hard vallen, lijkt me. Of, als men in een geval als dit (om over een geval als Wilkomirski dan maar even te zwijgen) dan toch enige bedenkingen wil maken, dan moet men misschien de eigen zucht naar vrijheid nog eens op het rooster leggen?

    Intussen. Dat de uitgever het boek uit de handel heeft gehaald, wedijvert wat mij betreft qua schandaligheid minstens met het veronderstelde schandaal van Ms. Jones’ leugens. Het enige wat hier telt of kan tellen is de waar- en werkelijkheid die het boek zelf genereert.

  • Pin it!

    Parafernalia


    Hoe het werkt: ineens krijgt men dan een uitnodiging om aanwezig te zijn op het boekenbal in de Stadsschouwburg van Amsterdam. De laatste en enige keer dat ik daar was, was in 1988. Er staat nog ergens een glas in mijn kast dat je kreeg bij vertrek. Een groot glas. Iets voor een Leffe. Of een Grimbergen. Of een Hommelbier — de gevreesde drank uit Watou, het kunstdorp aan de Schreve. Sindsdien achtte(n) mijn uitgever(s) mij niet geschikt als kandidaat voor een van de door het CPNB toegestuurde kaartjes — als het zo al gaat. Hoe dan ook: geheel naar gewoonte vergat ik om de antwoordkaart zelfs maar in te vullen, terwijl die toch ook de mogelijkheid openliet om in te vullen dat ik niet zou komen omdat ik die dag ‘iets anders’ deed. Een wat vreemde optie, overigens. Bijna alsof je kon invullen: ‘Nee, ik kom niet, ik heb die dag wat beters te doen.’

    IMG_0475


    Ik heb die dag niet per se iets beters te doen, vermoed ik (ik stel werken niet in absolute zin boven ontspanning en er zijn weken dat ik voor het omgekeerde moet waken), maar deze vlootschouw van de literatuur heeft voor mij toch alleen zin wanneer ik vermoed er mensen te zullen tegenkomen met wie ik nog iets anders gemeenschappelijk heb dan het feit dat er literatuur wordt gefabriceerd. Op het Amsterdamse boekenbal zou ik me al snel een party crasher voelen — iemand die over de afrastering klom om ‘er bij’ te zijn, hoewel hij er nauwelijks mensen kent. Terwijl dergelijke samenscholingen alleen interessant worden wanneer de aanleiding er niet meer toe doet — of liever: wanneer elke aanleiding goed genoeg is om ergens samen te scholen. In die zin zegt een ‘boekenbal populaire’ in Antwerpen me meer dan een boekenbal in Amsterdam dat enkel genodigden toelaat. Niet zozeer vanwege het deurbeleid zelf, maar gewoon omdat ik inmiddels in Antwerpen meer mensen tegenkom met wie ik iets gemeenschappelijks heb. De Antwerpse boekenbeurs is natuurlijk op zichzelf genomen een bezoeking, maar van de opening moet ik toch ongeveer met nog minstens een halve fles in de ene en een bevingerd glas in de andere hand weggesleept worden, graaiend naar de laatste hapjes op vettig ogende schalen. Spijt volgt pas de volgende dag, als zelfs de Alka Selzer het laat afweten.

    Intussen vroeg radio 1 (voor het programma Moshi, op zondag 16 maart) mij om drie songs op te geven die iets over het boek (waarvan net de tweede druk verscheen (én, binnenkort, een e-bookversie beschikbaar zal zijn)) en over mijzelf zeiden. Dat gaat linea recta richting een puur autobiografische lezing van een en ander, zo lijkt het. Nu was het opgeven van drie nummers niet zo’n probleem; in het boek zelf staat een soundtrack immers, maar toch koos ik minstens twee nummers die me in staat stelden om het autobiografische weer in de richting van het meer algemene, bovenpersoonlijke te sturen. Ik heb de afgelopen weken al moeten antwoorden op prangende vragen van iemand die ergens in Nederland naar aanleiding van mijn boek op haar seksuele mores werd aangesproken (in de sfeer van de vette knipogen). Terwijl zij op geen enkele manier ‘model’ gestaan heeft voor iemand in het boek zelf. Mensen die zo lezen, kunnen alleen maar vaststellen dat ik een leugenaar ben, al gelooft merkwaardig genoeg dan weer niemand dat. De literatuur wordt met de dag ingewikkelder.

    Datzelfde radio 1 bezocht in de gedaante van een interviewster ook nog JT, met het verzoek iets over mijn persoon te lossen. De arme jongen had alleen ontstellend brave dingen over mij te melden. Nee, geen drugs. Geen drankprobleem. Vrouw en kind. Ja, hij heeft een auto ja, een nette Citroën of zoiets. Het leidde, schreef hij me, tot pijnlijke stiltes. Totdat hij dan maar gezegd had: ‘Het boek begint met een seksscène’. Waarna het gesprek toch nog wat was losgekomen. Benieuwd waar dat precies voor is. Straks is het een item in datzelfde programma waarin ik plaatjes mag draaien.

    Intussen jaagt Martin Walser mij de stuipen op het lijf. Een paar heel fijne citaten uit zijn Dood van een criticus:

    ‘Nu ter zake. De intellectuelen hoereren vandaag de dag net zo met de openbaarheid als voorheen met God. Wie dat voor een verwijt houdt, die weet niet wat God was en wat de openbaarheid is.’

    Hopla.
    En bij wijze van extra waarschuwing:

    ‘Weet u, u kunt iedere schrijver beoordelen naar de wijze waarop hij in het openbaar optreedt.’

    Dat laatste is een opluchting, al is het dan de dood in de pot voor de boekhandelaar. Het scheelt eindeloos veel lezen. En het moet gezegd: ik heb al een paar interviews achter de rug waarin de slotzin van de interviewer een monter: ‘dank u wel, ik zal het boek zeker gaan lezen’ was.