• Pin it!

    Kritiek


    criticus


    Opmerkelijk stuk in De Morgen vanochtend. Naar aanleiding van de dood van de theatercriticus Wim Van Gansbeke interviewt Jeroen De Preter de critici Wouter Hillaert en Frank Hellemans en theatermaker Guy Cassiers over de vraag of de gezaghebbende criticus en gezaghebbende meningen nog bestaan en nog kunnen bestaan. Die vragen zelf zijn bijna retorisch. ‘Misschien bestaan ze nog wel,’ stelt De Preter zelf, ‘al is het voor een criticus vandaag ongetwijfeld stukken moeilijker om gezaghebbend te zijn dan pakweg 20 jaar geleden. Door de algemene democratisering vigeert vandaag meer nog dan toen de opvatting dat alle meningen even belangrijk zijn. En dus wordt de bespreking van een nieuw toneelstuk op de televisie (en in sommige kranten) vandaag wel eens beperkt tot enkele reacties van toevallig aanwezige BV’s of de ervaringen van de gewone man.’

    Dat van die 20 jaar lijkt me voor althans Nederland wishful thinking; de hier geschetste onttakeling van de (vooral: literaire) kritiek lijkt me in Nederland al sinds eind jaren zeventig gaande — althans ik voel wel voor de cesuur die onder andere Jos Joosten ooit aanbracht: het stuk dat Kees Fens destijds in De Tijd schreef en waarin hij afscheid nam van de dagbladkritiek met alle argumenten die tot op de dag van vandaag hun geldigheid niet hebben verloren. Voor Vlaanderen moet die cesuur ongetwijfeld pas bij de dood van Herman De Coninck worden gelegd. Weliswaar bleef ook na zijn verscheiden in De Morgen zelf het betreurde Café des Arts nog enige tijd van hoog niveau — zoals in die dagen ook Standaard der Letteren voor mij, zeker ten opzichte van Cicero van De Volkskrant of De Republiek der Letteren van Vrij Nederland, een verademing was — maar daarna is het ook in Vlaanderen met de bijlagen toch... mag ik het zeggen?... bergaf gegaan: kortere stukjes, sterrensysteem, meer interviews, minder kritiek en meer signalement, en een grotere nadruk op wat ik bij gebrek aan beter dan maar het sociale aspect van de literaire wereld (of in dit verband beter: het literaire wereldje), of liever nog eigenlijk: life-style noem: hoe Hafid Bouazza omgaat met zijn drankprobleem en dergelijke — alleen van belang, lijkt me, voor zover zijn drankprobleem hem verleidt tot een gewrocht Nederlands waar men ten tijde van de opkomst van het sensitivisme (eind negentiende eeuw) al zo zijn vraagtekens bij plaatste; maar dat verband lijkt er niet te zijn.

    Kees-Fens_k HermandeConinck3


    Dat brengt me meteen bij een eerste kanttekening: die democratisering van de mening lijkt me maar een deel van het verhaal. Bij de uiterst zinvolle opmerkingen die de ondervraagde critici en theatermaker in dit stuk maken — bijvoorbeeld dat het water tussen academie en journalistiek te diep is geworden, maar ook: hoe de meer academische postmoderne kritiek uiteindelijk heeft meegewerkt aan de opheffing van de kritiek zelf door, zoals Hellemans het noemt, ‘acrobatische interpretaties’ die over alle hoofden heen gingen — bij alle zinvolle opmerkingen in dit stuk, wordt natuurlijk een minstens even relevante vraag niet echt gesteld: waarom beslissen bijlagenredacties niet gewoon om die meer serieuze kritiek weer in hun kolommen op te nemen? Ik zeg dat die vraag ‘natuurlijk’ niet gesteld wordt, omdat dan de rol die de journalistiek zélf speelt bij bijvoorbeeld het al maar dieper worden van het water tussen haar en de academie, maar ook meer algemeen: bij het verdwijnen van kritiek tout court, op de voorgrond treedt. Bovendien zou die vraag impliceren dat De Preter van mening is dat ook zijn eigen krant in dit opzicht zwaar te kort schiet — iets wat hij zich niet kan permitteren, of zelfs misschien ook wel helemaal niet vindt (‘sommige kranten’, schrijft hij, beperken zich tot de vox populi).

    Zelfkritiek blijft het zwakke punt van de journalistiek, zo lijkt het. Wat jammer is, juist omdat in deze gemediatiseerde tijden de journalistiek een geduchte machtsfactor is geworden en macht zich, wil ze niet cynisch of zelfs dictatoriaal worden, te allen tijde dient te legitimeren. Nu overheerst, lijkt het, vooral dat cynisme. Wie ooit voor bijlagen heeft gewerkt, weet dat het nauwelijks zin heeft om te vragen waarom een bepaald stuk zo kort moet, of waarom de eindredactie dit of dat heeft geschrapt. Het meest voorkomende argument is ‘de lezer’, maar wie dat is wordt nooit helemaal duidelijk: neemt men de studentenpopulatie tot uitgangspunt? De middelbare scholier? De in literatuur geïnteresseerde leek? Enkel zichzelf? En heeft men van al die lezers een duidelijk profiel?

    175px-Marijnissen2006De drie geïnterviewden in De Morgen pleiten eigenlijk allen op de een of andere manier, uiteraard zonder dat ze het precies zo formuleren of er aan te refereren (zo ze het al weten), voor wat Jan Marijnissen in Nederland al eens ‘het respect voor bepaalde elites’ heeft genoemd: voor de know-how die er in bepaalde kringen over bepaalde zaken is. (Een pleidooi voor elites — en dat voor een politicus die vaak populisme wordt verweten, als was hij de Hugo Chavez van de Lage Landen). Nu wordt het woord ‘respect’ in Nederland inmiddels te pas en te onpas gebruikt, en misschien is het al voldoende om hier over simpelweg ‘erkenning’ te spreken. Tegenwoordig zou ik me moeten schamen wanneer ik stel dat ik van literatuur wel enige kaas gegeten heb — meer dan de man of vrouw in de straat die naar zijn of haar mening wordt gevraagd, meer dan ook de geïnteresseerde leek en zeker meer dan een middelbare scholier. Ik kan zelfs wel uit de voeten met academische acrobatiek en heb niet al op voorhand de koudwatervrees voor diploma’s, zoals die in Nederland bij overigens ook zelf gediplomeerde besprekers leeft, al geloof ik nu niet onmiddellijk dat men dergelijke capriolen in de krant moet zetten. Er mag ook best wel enig water stromen tussen academie en journalistiek, zolang er maar bruggen worden geslagen (ik vind hier in Vlaanderen Rekto:verso een mooi voorbeeld van zo’n bruggenbouwer).

    De uitwassen van de democratisering lijken wat de dagbladkritiek betreft toch hand in hand te zijn gegaan met meer economische argumenten, iets wat in dit stuk niet werkelijk wordt genoemd. Bij de afwijzing van al het ‘elitaire’ (verzamelnaam, zo lijkt het, voor alles wat meer dan een minimale inspanning vereist) spelen niet zelden oplagecijfers een rol, of de veronderstelde effecten van versimpeling en popularisering op de verkoop. Ik heb de cijfers nooit gezien, maar heb bij diverse kranten horen zeggen dat de dag dat de literatuurbijlage er bij zat de verkoop toch wat hoger lag dan normaal. Ik weet niet of de huidige koers van de bijlagen tot een nog grotere meerverkoop heeft geleid. Ik hoor alleen maar in kringen waarin bijlagen voordien ijverig werden gespeld, dat men die bijlagen nauwelijks nog leest — er staat nog te weinig van waarde in.

    Het valt te hopen dat er over kritiek — niet alleen literatuurkritiek — eens een gesprek op gang komt, juist daar waar het nu niet meer wordt gevoerd: in de kranten. Natuurlijk komt het daar wel incidenteel aan de orde — zoals ook dit stuk zijn aanleiding heeft —, maar niet ten gronde. En ik blijf me afvragen wat een krant denkt te verliezen wanneer ze haar boekenbijlage weer in oude luister herstelt. Doet ze dat niet, dan kan ze er wat mij betreft veel beter mee ophouden in plaats van in de halfslachtigheid te vervallen die haar nu kenmerkt. Aan enkel windowdressing en lippendienst heeft immers niemand iets.

  • Pin it!

    Tijdschriften


    In het Cultureel Supplement van NRC schrijft de mij verder onbekende Karel Berkhout afgelopen vrijdag een opruiend stukje over de Nederlandse literaire tijdschriften: ‘Oprollen die bende’ heet het. Aanleiding zijn de cijfers die de subsidiërende instantie, het Nederlands Literair Productie en Vertalingen Fonds, kortweg: het Productiefonds, vrijgaf over abonneeaantallen. U dacht het al: dat valt niet mee. Ze variëren van 100 tot 700 per tijdschrift, en als ik er voor het gemak nu even van uit ga dat het altijd als het meest gerenommeerd beschouwde, of dan toch in ieder geval het oudste tijdschrift van Nederland — De Gids — er 700 heeft, dan is ook daar het aantal abonnees fors afgenomen (toen ik in de redactie van dat tijdschrift zat, schommelde het rond de 1200, herinner ik me nog).

    GidsnummerNatuurlijk is zoiets... enfin, als het dan toch moet: alarmerend. Ik zou kunnen zeggen dat het het zoveelste bewijs is dat literatuur uit het publieke domein wordt verdreven, maar dat kan te gemakkelijk verkeerd begrepen worden. Misschien is het een bewijs voor het verdwijnen van een bepaald soort aandacht voor literatuur.

    Om dat te constateren hadden we natuurlijk helemaal geen lijst van het Productiefonds nodig. De relatie tussen abonneeaantallen en relevantie van literaire tijdschriften is al decennia lang uit balans, omdat het literaire tijdschrift als fenomeen nu eenmaal niet is toegesneden, en ook nooit werkelijk toegesneden is geweest, op de eisen van de marktplaats alleen. In die zin is Berkhouts stukje tendentieus gepraat van iemand die mogelijk in de naïeve neoliberale veronderstelling leeft dat alleen wat verkoopt kwaliteit heeft en omgekeerd. Die relatie is bij literatuur nooit eenduidig vast te stellen, en bij literaire tijdschriften die zich niet per se op gevestigde waarden richten nog minder. Enkel naar de abonneeaantallen kijken om iets over de relevantie van literaire tijdschriften te zeggen, is daarom kortzichtig — al hoeft men er daarom zijn ogen niet voor te sluiten, natuurlijk.

    RasternummerMaar toch, ook als we niet naar de abonneeaantallen kijken, had je al kunnen vaststellen dat veel van de Nederlandse tijdschriften hun eigen relevantie nogal hebben ondergraven door, naar de mode van de tijd, sinds grofweg de jaren negentig hun eigen — duur woord — literair-ideologische basis te verloochenen. Zelfs een van oudsher als ‘literair links’ te boek staand tijdschrift als Raster deed er bij de verschijning van haar 100ste nummer alles aan om de eigen ideologische achtergrond weg te moffelen (zie: Ga ik weet niet waar, haal ik weet niet wat. Een keuze uit honderd x Raster (Amsterdam 2002)). Het valt moeilijk om vast te stellen waarin bijvoorbeeld De Revisor nog precies verschilt van, zeg maar Tirade. Uit wie ze publiceren valt het niet meer af te leiden. Schrijvers en dichters zijn in die zin de afgelopen decennia steeds meer middenstanders geworden die zich niet langer committeren aan een tijdschrift of een literaire ideologie (aan een tijdschrift met een literaire ideologie dus eigenlijk). Maar dat is het probleem niet. Het probleem is veeleer dat geen van de tijdschriften nog moeite doet om het werk van een bepaalde auteur binnen de krijtlijnen van het eigen tijdschrift te omkaderen. Men beroept zich ieder voor zich — ik zou zeggen: uiteraard — op ‘kwaliteit’, maar niemand maakt duidelijk op grond van welke vooronderstellingen bepaald werk of een bepaalde auteur dan wel kwaliteit zou hebben.

    Rasterboek


    Op een avond over het poëziebeleid van literaire tijdschriften in Perdu — alweer de nodige tijd geleden — heb ik al eens gezegd dat een dichter als Tonnus Oosterhoff, die zowel in Tirade als in De Revisor als in yang en ook nog elders publiceert, uiteindelijk natuurlijk eigenlijk enkel en alleen een yangdichter was. Ik chargeerde uiteraard, en ik heb een donkerbruin vermoeden dat Oosterhoff zelf daar nu niet echt op zat te wachten, maar, zei ik ook: ‘Het is niet Oosterhoff die bepaalt wie of wat hij als dichter is, dat doen wij (van yang) wel.’ Nog iets wat iedere dichter kopschuw zou kunnen maken, en opnieuw een overdrijving uiteraard, maar alleen maar om aan te geven dat bij yang ingezonden werk iedere keer aanleiding is om de balans op te maken — om die reden worden inzendingen ook altijd anoniem gelezen, zodat de redactie niet door reputaties of menselijke al te menselijke gevoelens van vriendschap of afkeer wordt gehinderd bij de beoordeling van werk. Ik voegde er destijds nog aan toe, richting Erik Menkveld van Tirade: ‘bij ons zou naast Oosterhoff nooit een Kopland komen te staan.’ Dat ontlokte Menkveld de vraag waarom het toch zo was dat een blad als yang klaarblijkelijk altijd met ge- en verboden moest werken. Waarom zou Kopland niet mogen? Die vraag was best te beantwoorden, maar mij ging het erom, zei ik, dat het omgekeerde — waarom Kopland wél? — in een tijdschrift als Tirade nooit aan de orde werd gesteld. Het meest gegeven antwoord bij elk tijdschrift luidt: kwaliteit. Maar dat is een lege doos als je niet uitlegt wat je daaronder verstaat.

    RevisornummerHet feit dat auteurs overal publiceren, dat clubtrouw al heel lang uit de literatuur verdwenen is, is niet het probleem. Het probleem is dat tijdschriften zich van elkaar niet meer op literair-ideologische gronden onderscheiden. De Revisor bijvoorbeeld heeft een korte tijd een opleving gehad — toen Jacob Groot, Kees ’t Hart en P.F. Thomése aan het roer stonden — maar is inmiddels weinig meer dan een instituut zonder ander project dan de voortzetting van haar eigen bestaan. Over De Gids, vooral door Berkhout geviseerd, kunnen we in dit opzicht zwijgen. Al moet je over beide tijdschriften zeggen dat er soms ineens interessante nummers of bijdragen te vinden zijn. Maar zijn die typisch voor een van beide bladen?

    Er valt dus iets te zeggen voor Berkhouts opruiende stukje? Nee, eigenlijk niet. Zoals gezegd gaat hij enkel uit van de logica van de markt, en hoezeer die ook onze alledaagse realiteit dicteert, zij kan nooit het belangrijkstre argument zijn om iets over literaire tijdschriften te zeggen. Verder stelt hij dat ‘het bestaansrecht van de tijdschriften er onder andere in gelegen [is] dat zij een podium bieden aan literaire talenten, schrijvers van spraakmakende essays en interessante onderzoekers’, om vervolgens vast te stellen dat ‘nieuwe auteurs op eigen kracht een uitgever’ vinden. Een onderzoek van het Vlaams Fonds voor de Letteren liet recentelijk zien dat het vinden van nieuw talent (want daar lijkt Berkhout op te duiden) voor sommige tijdschriften een hogere prioriteit heeft dan voor andere, en hoewel ik bij dergelijke onderzoeken altijd even de oren spits (waarom wordt dit onderzocht? wil de Vlaamse subsidiegever misschien van aantallen (succesvolle) debutanten een criterium maken bij de beoordeling van de tijdschriften?), toonde een en ander vooral aan dat verschillende tijdschriften in Vlaanderen verschillende projecten hebben. Ze zijn niet per se een doorgeefluik voor uitgeverijen.

    TweedeRondenummerBerkhout stelt voorts nog vast dat ‘de afgelopen jaren niet één verhaal gepubliceerd’ werd ‘dat een rol speelde in het maatschappelijke en culturele debat.’ Om dat laatste kracht bij te zetten verwijst hij naar een invloedrijk essay dat Joke Kool-Smit in de zestiger jaren publiceerde in (alweer) De Gids over ‘Het onbehagen van de vrouw’. ‘Nu zou de feministe Kool-Smit dat ongetwijfeld doen in bijvoorbeeld Vrij Nederland, de Volkskrant of NRC Handelsblad’, schrijft Berkhout. Ja, maar haar zou wel gevraagd worden om het een beetje te herschrijven toch, en wat korter te maken, en niet zo veel van die moeilijke woorden alstublieft.

    Berkhout lijkt niet te beseffen dat essays als die van Kool Smit vandaag de dag in de grote media nog weinig kans maken gepubliceerd te worden — onder verwijzing alweer naar diezelfde markt. Of nee, in de literaire tijdschriften, zo zegt hij zelf, staan alleen nog ‘onleesbare artikelen’. Hij heeft het voortdurend alleen over De Gids, dus ik neem aan dat hij in de eerste plaats op dat blad schiet. Ik lees dat blad (en nog negentien andere die ik als redactiesecretaris in huis krijg). Ik tref er weinig onleesbaars in aan. Het blad is me soms, zoals ik zei, wat te flets geworden. Alleen het seksnummer van De Gids had wel een paar mooie, pardon: ‘prachtige verhalen’, stelt Berkhout. Aha, op die fiets. Verder leest Berkhout graag De parelduiker en De tweede ronde. Enfin, de bladen mogen zelf iedere meer ideologische omkadering van hetgeen zij publiceren achterwege laten, het heeft mij er nog nooit van kunnen weerhouden desalniettemin de vooronderstellingen van die bladen te onderzoeken. Ik weet dus na deze ontboezemingen ongeveer wat voor lezer Berkhout is, en begrijp dus ook in welke richting hij zijn grote fusie (de bladen moesten maar eens fuseren, vindt hij) zou willen stuwen. De tweede ronde, begrijp me goed, ik ben op grond van algemeen culturele overwegingen blij dat het er is, maar het is beslist mijn blad niet. Sterker nog, het blad staat in veel diametraal tegenover wat ik van literatuur verwacht, en ik zou willen dat die tegenstelling zich eens vertaalde in een debat, zodat datgene wat door de alomtegenwoordige marktwerking wordt vernietigd, de diversifiëring van het literaire landschap, opnieuw in de openbare ruimte zijn plaats krijgt. Juist voor de instandhouding van de verscheidenheid zijn de subsidies bedoeld.

    Die openbaarheid zelf moet zich dan wel wat beter van zijn taak kwijten dan ze tot nu toe heeft gedaan. Het heeft iets absurds in de pers literaire tijdschriften hun marginaliteit te verwijten als de literaire pers zelf mede aan de basis van de marginalisering ligt. Er was een tijd dat boekenbijlagen als een serieuze concurrentie voor literaire tijdschriften konden gelden, althans voor zover het de literaire kritiek betrof — maar de boekenbijlagen zelf zijn nu grotendeels (niet allemaal en niet allemaal even rigoureus) enkel journalistiek medium geworden: ze brengen nieuws uit ‘de literaire wereld’ in de breedte, wat iets anders is dan kritische reflectie op literatuur. Daarvoor is zo’n bijlage te amorf, vaak. Anders gezegd: de bijlagen volgen grotendeels enkel nog de markt. Binnen een dergelijke context winnen juist literaire tijdschriften weer aan belang — althans: dat zouden ze kunnen doen als ze het maar eens inzagen. En ‘de’ krant zou zichzelf beter volledig bekennen tot de journalistiek, zoals ze dat ten aanzien van films en zelfs theater al vaak doet, en dan haar taak goed verrichten: over literaire tijdschriften berichten. Nog niet zo heel lang geleden waren er nog een paar helden die dat deden (lees: dat van hun bijlageredacteuren móchten doen). Ook die zijn verdwenen, opgeofferd aan een vage notie van leesbaarheid en een al even onduidelijke opvatting over wat interessant is.

  • Pin it!

    Biller


    biller-artikelDe veroordeling van Maxim Biller wegens "Verletzung der Persönlichkeitsrechte" is sowieso het einde van de sleutelroman, en misschien nog van meer. Biller zou in zijn roman Esra intieme details van zijn relatie met een vroegere geliefde zodanig hebben verwerkt dat er geen twijfel kon bestaan over de ware identiteit van zijn personages. Ook “intime, sexuelle Details” zouden door Biller in zijn roman zijn beschreven, en met name dat is voor David Hugendick in Die Zeit, reden om in te stemmen met het oordeel van de rechter dat hier de vrijheid van de kunst zijn grenzen bereikt heeft, ook al vindt hij de aan Biller opgelegde boete (50.000 euro) exorbitant.

    Intieme, seksuele details komen in veel boeken voor, maar er is toch eerst een lezer voor nodig om te roepen dat het om zijn of haar intimiteit gaat, lijkt me. En als ik als lezer mijn intimiteiten niet op straat zou willen gooien, dan zou ik er zelfs bij herkenning van een en ander zedig het zwijgen toe doen. Al is er hier een probleem: de ex-geliefde schijnt een bekende actrice te zijn — iemand die waarschijnlijk voortdurend in de veronderstelling verkeert, en door de roddelpers mogelijk ook in de waan wordt gehouden (een bekende actrice immers), dat haar leven sowieso geen intimiteit meer kent. Omdat ze ervan uitgaat dat iedereen haar kent, is haar herkenning van zichzelf in een personage onmiddellijk aanleiding om te veronderstellen dat dus iedereen het wel gezien zal hebben. Na de aanklacht in elk geval wel. Lezers van Billers boek (dat overigens al een tijdlang verboden is (daar heb ik, in fel contrast met het geval Brusselmans destijds, geen petities over gezien van onze plaatselijke intellectuelen)) weten nu zeker dat ze perfect op de hoogte zijn van het intieme seksleven van de actrice. Dergelijke wetenschap schijnt sommigen veel voldoening te schenken.

    Maar buiten de veronderstelde openbaarheid van het privéleven van de geviseerde persoon zelf, hebben we in de huidige literatuurbeschouwing natuurlijk te maken met een overdreven, haast ziekelijk te noemen aandacht voor het biografische. Een boek krijgt pas zijn waarde als de auteur het zelf heeft meegemaakt, zo lijkt het wel, waarbij lezers dan ook nog vaak de vergissing begaan om hun eigen identificatie met een personage als bewijs te zien voor het feit dat wat ze lazen ‘echt gebeurd’ zou zijn. Een auteur kan dat laatste eventueel als een compliment beschouwen, maar elke schrijver weet dat er tussen de historische werkelijkheid van een gebeuren en de beschrijving van dat gebeuren een niet te overbruggen kloof gaapt. Het is een cliché van jewelste dat twee ooggetuigen van hetzelfde voorval daarover twee verschillende verhalen zullen vertellen, maar als het om romans gaat lijkt men er klakkeloos van uit te gaan dat wat beschreven staat precies weergeeft ‘hoe het was’. Het stelt de veroordeling van de ‘cultuur van de letterlijkheid’ die moslims zo lichtgeraakt zou maken, in een wat ander daglicht. Blijkbaar is de verlichte westerse mens daar zelf ook nog niet helemaal overheen gegroeid.

    Het gaat me er hier niet om de vrijheid van de kunst tegen alles te verdedigen; er is geen vrijheid zonder beperking. Maar het gaat er wel om dat het werkelijke oordeel over schending van de privésfeer van een bekende actrice pas kan volgen na een literair oordeel over het boek in kwestie. Ging het Billler louter om beschadiging van zijn ex-geliefde? Is dat de enige betekenis van het boek? Is het dus met andere woorden eigenlijk alleen voor hemzelf bestemd — hoezeer ook geëtaleerd voor een redelijk groot lezerspubliek (Biller behoort tot de bekendere schrijvers van Duitsland)? Of zijn er in het boek elementen die maken dat het particuliere tot iets algemeens wordt? Door het boek te verbieden heeft de rechter in München anderen de mogelijkheid ontnomen om daarover te oordelen — een grove inbreuk op de vrijheid van lezen.

    Uit wat men over het boek kan lezen (bijvoorbeeld hier, blijkt wel de ironie van de aanklacht zelf. Ik maak uit een enkele bespreking op dat een personage in het boek (een schrijver) in conflict komt met zijn geliefde (een actrice) omdat hij een boek over hun liefde geschreven heeft…



  • Pin it!

    Zout


    a6ae_1


    De reactie die Dirk Leyman gisterennacht op mijn gebrom over onder meer zijn berichtgeving op deze site zette, is te aardig om niet nog even apart naar voren te halen (hij staat onder het vorige bericht). Ik citeer hem hier nogmaals volledig:

    13-02-2008, 01:50:06
    Literaire amnesie?



    Beste Inwijkeling,
    Dat u graag zout bovenhaalt om ze op bepaalde slakken te leggen, weten we intussen. En dat uw Gouden Uilnominatie u - naast hopelijk enige vreugde - daartoe ook nieuwe gelegenheden zou bieden, dat was theater zoals te voorzien en te verwachten was. "Zwijgen kan niet verbeterd worden" is in deze meestal een gepaste reactie, om een uw allicht bekende schrijver te parafraseren. Maar omdat het toch wat onkies is om net De Papieren Man literaire amnesie aan te wrijven, toch een wederwoord. Dat Thomése ooit de AKO-prijs won met Zuidland, ook al is dat 17 jaar geleden, zijn wij helemaal niet vergeten. Alleen is dat in het bericht waarbij de shortlist van de Gouden Uil wordt bekendgemaakt niet vermeld en minder relevant. Zo vermelden we ook niet welke prijzen Brouwers allemaal kreeg. Zo sommen we ook niet alle lauwerkransen voor A.F.Th op of dat Marjolijn Februari onlangs de Frans-Kellendonkprijs kreeg (zie http://papierenman.blogspot.com/2007/12/marjolijn-februari-krijgt-frans.html). Dat had allemaal ook gekund, maar we verkiezen onze berichten - uit de aard van het medium - toch enige beknoptheid te geven. De arme websitelezer heeft niet zo veel tijd meer, weet u wel, en moet nog zoveel andere blogs, sites, bijlages, recensies en hopelijk boeken lezen. En er misschien ook reacties op schrijven.Thomése leverde met Schaduwkind een aangrijpend requiem (u neemt er misschien - ter opfrissing van het door u doodverklaarde literaire geheugen - mijn recensie van Schaduwkind uit De Morgen van 19 november 2003 even bij) maar ook een boek dat in al zijn navrantheid wellicht zodanig buiten zijn 'oeuvre' ligt, dat de schrijver ook voor zijn andere boeken alsnog een 'doorbraak bij het grote publiek' verdient. Was de AKO-prijs indertijd een vliegende start voor de schrijverscarrière van Thomése, dan kunnen we niet zeggen dat hij ondertussen - zeker in Vlaanderen - de resonantie bij het grote publiek heeft bereikt van generatiegenoten als pakweg Connie Palmen, Thomas Rosenboom, Geerten Meijsing of Arthur Japin. En voor u iemand van slordigheid beticht: juryvoorzitster Ruth Joos werd maandag op Radio 1 danig opgejaagd, misschien daarom dat ze het juryrapport parafraseerde. Het interview is op de radio1-site nog eens rustig na te beluisteren, en daarin wordt wel degelijk over 'drie stilistische hoogtepunten' gesproken met betrekking tot Het grote uitstel. Dat moet dus op rekening komen van de juryvoorzitster. Slordig lezen heeft De Papieren Man hier alleszins niet gedaan, want aan het luisteren. Is de literatuur een land zonder geheugen geworden? In ieder geval probeert De Papieren Man vrijwel elke dag dat volgens u verdorde land te bevloeien. We wensen overigens nog vele goede schrijvers een doorbraak bij 'het grote publiek' toe. Tenzij ze dat zelf niet wensen, natuurlijk.
    De Papieren Man


    Wat meteen opvalt is de giftigheid van een en ander, waarbij ik me afvraag waar die vandaan komt. Toch niet omdat ik ooit wat kritische kanttekeningen plaatste bij de sfeerschepping in het interview met Van Reybrouck? Is hij zo lichtgeraakt? (En dan: het zou mij interesseren wanneer iemand die zich tot een dergelijke sfeerschepping laat verleiden en er wat kritische opmerkingen over krijgt, eens serieus zou reageren in plaats van verongelijkt achter de begonia’s te blijven zitten om bij de eerste de beste gelegenheid grof geschut boven te halen). Voorts vind ik het gebruik van de pluralis majestatis opmerkelijk, want ik neem aan dat het Wij dat mij hier toespreekt niet duidt op een collectief dat zich achter De papieren man schuil zou houden; op de site zelf is daar in ieder geval geen aanwijzing voor te vinden.

    Maar goed, ‘we’ weten dus wel dat ik graag zout bovenhaal om ze ‘op bepaalde slakken’ te leggen. Waarnaar hier precies verwezen wordt, is me niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk naar een zekere kritische ingesteldheid jegens het reilen en zeilen van het literaire bedrijf — iets wat me alleen maar gezond lijkt (uiteraard), maar waarvan Dirk Leyman blijkbaar niets moet hebben. Misschien omdat hij zich volledig identificeert met dat bedrijf?. Ik weet het niet. Ik begrijp ook de vileine ondertoon niet wanneer hij stelt dat mijn, zelfs door de door hem zo fel bewonderde Brouwers gedeelde bedenkingen bij de impact van de grote commerciële prijzen op de literatuur zelf, ‘theater’ waren ‘zoals te voorzien en te verwachten was.’ Waarna een zin volgt die je op twee manieren kunt uitleggen: als het advies aan mijn adres er voortaan het zwijgen toe te doen (dat zal niet gaan, vrees ik, of het politieke klimaat moet drastisch veranderen, dan is alles mogelijk natuurlijk); ofwel als mededeling dat hij over zijn eigen irritatie liever gezwegen zou hebben, maar zich niet kan inhouden. Er wil me overigens niet te binnen schieten van wie die zin over dat zwijgen zou kunnen zijn. Is het Kouwenaar misschien? Enfin.

    En moet ik, bij de gegeven toonhoogte, niet ook onmiddellijk in dat ‘om een uw allicht bekende schrijver te parafraseren’ een sneer lezen? Het is me uit diverse recensies van Leyman bekend dat hij niet veel op heeft met wat hij zelf ‘postmoderne literatuur’ noemt. Dat is natuurlijk zijn goed recht, al is me nog nooit duidelijk geworden wat hij daar precies onder verstaat, en is hij me vaak wat al te rap in de veronderstelling dat een boek dat ook maar een beetje afwijkt van het middle of the road-realisme zoals dat grosso modo sinds eind negentiende eeuw bestaat, geschreven zou zijn als de ‘invulling’ van de een of andere theorie over literatuur (de theorie is er in deze veronderstelling dus vóór het boek). Ook daarover zou ik graag eens van gedachten wisselen, want in deze redenering wordt steeds vergeten dat dat ‘realisme’ evengoed natuurlijk een ‘theorie’ is, net als de idee van ‘spontaneiteit’, ‘authenticiteit’ en nog zo wat cliché’s uit de romantische traditie waarin de literatuur (ook de postmoderne overigens) nog steeds staat en waarin Leyman blijkens zijn kritische praktijk wél gelooft (ik ook, maar dat terzijde). Dus: of ook die boeken zijn — in de door Leyman pejoratieve bedoelde zin — een invulling van een theorie, of we gaan er van uit dat het misschien interessant is om achteraf over die verschillende opvattingen over wat literatuur is of zou kunnen of zelfs moeten zijn (dat hangt van de sterkte van het geloof af dat een criticus of beschouwer of auteur huldigt) eens van gedachten te wisselen — wat me, ondanks alle bewijzen van het tegendeel vandaag de dag, nog steeds de werkelijke betekenis van literaire kritiek lijkt te zijn (waarmee ik dan eerder aan het Engelse ‘literary criticism’ denk dan het in onze contreien vaak zo benauwende recensiedom). Maar dit zullen ongetwijfeld de slakken zijn waarop ik zo graag zout leg. Al vind ik dan weer dat juist dit soort overwegingen het zout in de pap zijn. Laten we zeggen: dat is een kwestie van smaak.

    Hoe dat ook zij: refereren aan een auteur die ik ‘allicht’ ken en die zegt dat het zwijgen niet te verbeteren valt, zou je kunnen lezen als een poging me in te lijven bij auteurs met een voorkeur voor het ‘hermetische’, en dan ook onmiddellijk het ‘onleesbare’ en ‘moeilijke’ en (niet te vergeten) het ‘elitaire’, natuurlijk.

    Ik keer terug naar de reactie: misschien is het symptomatisch dat iemand die in de pluralis majestatis spreekt ook onmiddellijk meent dat de vaststelling dat de hedendaagse literatuur geen geheugen meer heeft, enkel en alleen op hem persoonlijk zou slaan? Al kan ik me dat door de manier waarop ik het formuleerde nog wel een beetje voorstellen. Het lijkt alsof ik uitsluitend hem tot voorbeeld wilde maken. Toch staat er na de opmerking over het gebrek aan geheugen in de literatuur dat zelfs Dirk Leyman vergeten lijkt te zijn dat… enzovoorts. Dat zou een meer welwillende en wat minder verongelijkte geest hebben kunnen opvatten als een compliment aan iemand die blijkens zijn activiteiten vooral chroniqueur van het sociale aspect van de literatuur wil zijn. Hij laat nu zien dat hij helemaal niet vergeten is dat Thomése wel wat voorstelt. Dan is hij het alleen in zijn stukje vergeten, en wekt het stukje zelf toch op dat moment (en voor meer dan dat moment dient zo’n stukje niet) de indruk dat Thomése een onbekende is (bij ‘het grote publiek’ dan altijd). Zou Leyman wel ooit beseffen hoezeer hij juist met zijn berichten bijdraagt aan beeldvorming? Je hoopt bijna van niet.

    Het ging er natuurlijk niet om bij iedereen uitgebreid prijzen te vermelden. En misschien valt het wat Thomése betreft inderdaad terug te voeren op een verschil tussen Nederland en Vlaanderen. Thomése behoort tot de bekendere schrijvers in Nederland, en dat behoort hij al zeventien jaar lang. Hij heeft een vanzelfsprekende toegang tot de belangrijkste Nederlandse kranten, verschijnt wel eens op tv (zelfs in zouteloze programma’s) en zal door besprekers niet snel overgeslagen worden als er een boek van hem verschijnt. Dat hij de bekendheid niet heeft van Palmen, Van Dis en andere coryfeeën die tot de usual suspects behoren iedere keer als er grote prijzen worden uitgedeeld, is wel waar, denk ik, maar dat is dan vooral omdat Thomése nooit heeft nagelaten om… op alle slakken zout te leggen. Hij heeft zich meermalen uiterst kritisch uitgelaten over het reilen en zeilen van het literaire bedrijf — en dat blijft toch lastig voor de goegemeente. Hij is toch wat dan heet ‘een moeilijke jongen’.

    Ook waar is dat het indrukwekkende Schaduwkind in zijn oeuvre een hoofdstuk apart is, en voor hem persoonlijk is het van een haast navrante ironie dat Schaduwkind vooral aansloeg omdat het ‘autobiografisch’ was — ‘echt gebeurd’. Dat is een criterium dat Thomése zelf te allen tijde voor literatuur verwerpt — en als Schaduwkind iets is, dan is het wel de uiterst aangrijpende vaststelling dat autobiografisch schrijven onmogelijk is juist waar men zijn hart op tafel zou willen leggen. In die zin is het boek wel een hoofdstuk apart, maar toch ook tegelijkertijd een hoofdstuk in zijn oeuvre. Het moet niet moeilijk zijn om een verband te vinden tussen Schaduwkind en Vladiwostok! bijvoorbeeld, al lijkt het grove, haast karikaturale cynisme van het laatste boek ver af te staan van de stamelingen van een vader die zijn kind verloor. Maar in beide werken gaat het om de waarden die Thomése te verdedigen heeft.

    Dan het slordig lezen van Leyman: ik heb die radiouitzending uiteindelijk ook opgespoord, en jawel, Ruth Joos zegt inderdaad dat mijn boek drie ‘stilistische hoogtepunten’ bevat — en zij is dus verantwoordelijk voor de verhaspeling van haar eigen juryrapport, en de verschuiving in het beeld dat zo van mijn boek werd opgeroepen (want een boek met slechts drie stilistische hoogtepunten is toch wat anders dan een boek met een ‘verblindende en swingende stijl’ dat tot driemaal toe naar een hoogtepunt wordt gestuwd). Ik excuseer me. Nee, werkelijk. Dirk Leyman, die zijn bericht tamelijk laat op zijn weblog postte, had zitten luisteren en niet zitten lezen. Dat kan, al had ik zelf de persmap met de juryverslagen al rond tien uur ‘s ochtends in mijn mail, en verklaart dit voor mij nog steeds niet waarom hij er voor koos de volgende dag in de krant de (inderdaad) door de journaliste van radio 1 opgejaagde Joos (het zij haar dus vergeven) te blijven citeren — met andere woorden, aan de door de omstandigheden veroorzaakte verspreking de voorkeur te geven boven de formulering in het toen toch in ieder geval voorhanden juryrapport.

    `Enfin, dit moet weer een voorbeeld zijn van die slakken waarover Leyman het heeft, want jezus waar maak ik me druk om? Maakt dat nu zoveel uit? Ach welnee, het was slechts een kleine kanttekening binnen een groter geheel, dat als zodanig helemaal niet over de heer Leyman gaat, maar over de wijze waarop zo’n grote commerciële literaire prijs ingrijpt in het bestaan van een auteur die het liefst zou willen doen alsof zijn neus bloedt, maar er desalniettemin, net als de meeste van zijn collega’s, veel meer door in beslag wordt genomen dan hij zelf zou willen. Tegelijkertijd is er het besef dat deze nominatie — waar ik, maak u geen zorgen meneer Leyman, oprecht blij mee ben — mij als een blijkbaar tot nu toe ‘volslagen onbekende’ op de een of andere kaart heeft gezet, zodat er iets dichterbij komt wat je als schrijver toch altijd het liefste wil: dat men je leest (niet evident in een tijd waarin een boek binnen korte tijd moet 'aanslaan', wil het niet binnen twee maanden spoorloos uit de rekken van elke boekhandel verdwenen zijn). Over wat het effect van zo’n prijs op het persoonlijke leven van een auteur is, heb ik tot nu toe alleen kunnen speculeren; ik maak dat nu mee. Dat is wennen.

    Tot slot: ik geloof dat de literatuur zelf momenteel nog net zo bloeit als tevoren; het is in mijn ogen alleen maar de literaire kritiek die in een diepe, diepe crisis zit. Van een ‘verdord land’ (waar haalt u die onzin nu toch vandaan?) is er in mijn ogen dan ook geen sprake.Volslagen onbekend of niet, mijn engagement met de literatuur duurt nu, louter professioneel gesproken, al zo'n twintig jaar, gaat van als moeilijk beschouwde dichtbundels via een paar romans en een essaybundel naar redacteurschappen van kleine en als groot beschouwde literaire tijdschriften, en behelst zelfs een op het — enfin, laten we zeggen: het wat grotere publiek gericht redacteurschap van een ooit groot literair festival in Nederland. Alles omdat mijn geloof in literatuur meer dan gemiddeld is, groot genoeg om haar te willen verdedigen tegen een ieder die het zout in de pap niet waard is.

  • Pin it!

    Gouden Uil


    200702141523120283_thumb


    Gisteren werd een wat vreemde dag. Het begon er al mee dat ik de nominaties voor de Gouden Uil niet verwacht had voor woensdag. Dat het op 11 februari bekend gemaakt zou worden, wist ik wel, maar in mijn hoofd viel 11 februari op woensdag. Ik viel dus uit de lucht toen de uitgever belde, vroeg hem — in dit land van zorgvuldig georkestreerde indiscreties — hoe hij nu al aan die informatie kwam, om vervolgens te vernemen dat het nu eenmaal al 11 februari was.

    Misschien had ik onbewust geprobeerd me te wapenen tegen wat bij al mijn zelfverklaarde realisme (geen lid van het ‘nominatiecircuit’, een ‘volslagen onbekende’, zoals Boekblad later die dag zou schrijven) toch een teleurstelling geweest zou zijn — dit keer nog wat meer zelfs dan drie jaar geleden, toen Touchdown ook op de longlist stond (ook van de Librisprijs toen; dat is nu niet het geval). De vermelding van Het grote uitstel in een eindejaarslijstje van De Morgen, het vrolijke stukje in Humo, de, zij het bescheiden, buzz rond het boek — het schiep verwachtingen. Ook al waren de verschenen recensies, althans in Vlaanderen niet meteen woest enthousiast en gaven die — op de stukken in Knack en Leeswolf na — vooral blijk van de nodige verwarring bij de besprekers, al dan niet te wijten aan het boek zelf. Al ben ik zelf eerder geneigd te zeggen dat die verwarring te danken was aan het boek (wie bijvoorbeeld de verteller in het boek een ‘voyeur op speed’ noemt, verraadt in mijn ogen eerder iets van zijn eigen vrijetijdsbesteding dan dat het een adequate weergave zou kunnen zijn van de gesteldheid van die verteller; al heb ik niks tegen op een dergelijke vorm van projectie). Maar voeg daarbij dat het boek door de panelleden van ‘Uitgelezen Vooruit’ werd verkozen om op 15 april te bespreken, en je gaat dan toch onwillekeurig denken — nee, je begint ondanks jezelf te hopen dat er deze keer net een beetje meer inzit dan een vermelding op de longlist. Hoop kost veel energie. Het is op voorhand een gevecht tegen de teleurstelling. Het houdt je ook geweldig van je werk.

    Toch ga ik niet brouweriaans zitten brommen (benieuwd of hij 29 maart aanwezig gaat zijn in Antwerpen) — veel zin heeft dat immers niet. Er is (Brouwers’ woorden van destijds) nu inderdaad ‘de verstikkende verplichting’ om mee te werken aan wat de reglementen van de prijs voorschrijven. Juist het feit dat het Boekblad mij een ‘volslagen onbekende’ noemt, geeft al aan hoezeer binnen de literatuur elke meer kritische houding jegens de prijzenmachine iets suïcidaals krijgt.schaduwkind Die kritiek kan alleen iemand van Brouwers’ statuur zich permitteren (of Grunberg, of Van der Heijden, of andere, door de pers ieder jaar weer op de lijstjes verwachte auteurs). De literatuur is een land zonder geheugen geworden. Dat Thomése ooit de AKO-literatuurprijs won, is zelfs papieren man Dirk Leyman alweer vergeten, blijkens zijn opmerking dat Thomése met Vladiwostok! klaar is ‘voor de doorbraak bij het grote publiek.’ Ook lijkt hij compleet vergeten te zijn welke commotie Thoméses Schaduwkind nog niet zo heel lang geleden bij dat ‘grote publiek’ veroorzaakte. (Maar, om dan toch even te brommen: Leyman leest dan ook wat slordig: in het juryrapport staat over Het grote uitstel te lezen: ‘Reugebrink stuwt zijn nostalgisch verhaal tot driemaal toe naar een flitsend hoogtepunt in een verblindende en swingende stijl.’ In Leymans weblogbijdrage (en vervolgens ook vanochtend in de krant) staat er dan: ‘in het boek van Reugebrink zitten volgens de jury “drie stilistische hoogtepunten”.’ Dat staat nergens, en zelfs de hier bij wijze van citaat opgevoerde woorden komen in het juryrapport niet voor.).

    Intussen merk ik dat ik beschaafd zou willen protesteren tegen de constatering dat er alleen maar Nederlanders voor de Gouden Uil genomineerd zijn. Niet dat ik het op feitelijke gronden kan ontkennen; ik leef hier nog steeds met een verblijfsvergunning, al heb ik de papieren voor mijn naturalisering tot Belg al enige tijd in huis (en mijn rijbewijs is na inruil Belgisch!) — het is maar dat voor mijn gevoel ik langzamerhand meer tot de Vlaamse dan tot de Nederlandse literatuur behoor. Meer dan een gevoel is dat niet. Het grote uitstel is natuurlijk een door en door Nederlands boek, over door en door Nederlandse toestanden — reden waarom ik er, door sommige lezers als volstrekt overbodig en zelfs irritant beschouwde aantekeningen aan toevoegde, vanuit een misschien verkeerde inschatting dat een Belgisch publiek niet zo een twee drie weet wie Van Agt ook alweer was, en Wiegel, en Den Uyl en enzovoorts (wat sommige Vlamingen dan weer een blijk vonden van typische Hollandse arrogantie en bevoogding). Maar kijk, mijn boek is van de vijf wel mooi het enige dat bij een Vlaamse uitgever werd gemaakt. Ik weet natuurlijk wel dat dat nu juist in Amsterdam (en trouwens ook onder Vlaamse schrijvers zelf) niet echt als een pre wordt beschouwd — integendeel zelfs —, maar kijk, in de huidige omstandigheid, als een toch maar mooi genomineerde, ‘volslagen onbekende’ ‘outsider’, geeft dat aan een en ander net dat cachet van de ‘underdog’ waarmee de ware Vlaming zich zo graag identificeert.

    120434_4896_1200495441803-mutsaers_koetsierherfst_100 Walser


    En nu weer verder lezen in Mutsaers, Buelens en Martin Walser, in wiens Dood van een criticus ik inmiddels voor de tweede keer begonnen ben.

  • Pin it!

    Onder ons


    getFirstPhoto


    Woensdagavond in Passa Porta het nieuwe boek van Geert Buelens ingeluid — een goed woord in dit verband. Rozalie Hirs en Mauro Pawlowski omlijstten het geheel met respectievelijk een tekst voorgedragen tegen de achtergrond van enig vogelgekwetter, opgenomen in onder meer een Pools oerbos, aldus de mededeling achteraf (wat iemand de opmerking ontlokte dat je godverdomme wel horen kon dat het hier om rabiaat katholiek gekwetter ging), en met door Pawlowski verzamelde geluidsfragmenten: opnamen van dadaïstische klankgedichten, Amerikaans jodelen, tot een Monty Python-achtig geheel verknipte opnames van kookwonder Jamie Oliver en ten slotte zelfs met een geïmproviseerde begeleiding bij een filmpje. Tijdens het gesprek tussen Sven Speybrouck en Geert zelf schoot me nogmaals te binnen wat ik eerder die dag ook al had zitten denken toen ik het interview met Geert in De Morgen las. Zowel in dat gesprek als in het interview legde G. er nogal de nadruk op dat alles in poëzie natuurlijk meedoet.

    Het is, gezien Geerts eigen geschiedenis, maar vooral: gezien het beeld dat er bij de buitenwacht van die geschiedenis bestaat — Buelens als Van Ostaijen-man, als dichter van poëzie die de directe uitdrukking van de emotie toch niet echt hoog in het vaandel heeft staan, bijvoorbeeld, als in-tel-lec-tu-eel vooral, en nog a-ca-de-mi-cus bovendien — opmerkelijk om hem hier ogenschijnlijk een ‘anything goes in poetry’ te horen formuleren. Speybrouck haalde niet voor niets Van Bastelaere’s uitspraak over ‘de leerstoel van de verzoenende poëziekritiek’ aan, om vervolgens te vragen of die leerstoel — volgens Van Bastelaere in Vlaanderen ‘vacant’ sinds de dood van Herman De Coninck — met dit boek nu werd ingevuld, iets wat G. overigens meteen ontkende. En het is ook zeer de vraag of het hier werkelijk om een ‘anything goes’ gaat.

    Ik moet natuurlijk voorzichtig zijn, want ik las het boek nog niet (al ken ik veel van de stukken die er in staan uiteraard al wel (ze stonden in yang bijvoorbeeld)), maar mijn eerste gedachte was dat dit benadrukken van het belang van alle soorten poëzie — los van G.’s eigen appreciatie voor deze of gene soort, zo herhaalde hij een paar keer — op zich iets te maken heeft met de wijze waarop de vernietigende werking van de markt een meer intern poeticale discussie in toenemende mate onmogelijk heeft gemaakt. De nadruk op — laten we het eenvoudig houden — postmoderne poëzie à la Van Bastelaere, een nadruk die ten koste gaat van de ‘biedermeier’-poëzie die ermee wordt aangevallen, is alleen dan vruchtbaar wanneer er een context is waarbinnen discussie over de verschillen mogelijk blijft. Die context lijkt er niet meer te zijn. Juist dat maakt dat je, zo stel ik me voor, een meer, bijna ‘didactisch’ te noemen uitgangspunt gaat hanteren zodra het over poëzie gaat. Voor zover dat inderdaad in een onderwijssituatie gebeurt, lijkt het me niet meer dan logisch dat je probeert om de staalkaart te tonen, en niet alleen wat er binnen bepaalde, meer of minder gestaalde kaders van een poëtica aan ‘werkelijk waardevolle’, of ‘interessante’ poëzie overblijft (al is ook in zo’n onderwijssituatie volledigheid bij lange niet aan de orde natuurlijk, en veronderstelt ‘het didactische’ evenzeer een poëtica (een canon, om het nog eens zo te zeggen), maar dat is een probleem apart). Maar de gedachte dat we misschien tot een dergelijk meer louter didactisch uitgangspunt gedwongen zijn vandaag de dag, stemt me toch weinig vrolijk. Een reactie van een ‘elitist’, zonder twijfel, iemand die het betreurt dat we niet meer ‘onder elkaar’ zijn, dat ‘de traditie’ is verkwanseld en in plaats van gemeengoed en uitgangspunt voor een wérkelijk, een écht gesprek (toe maar... toe maar...) iets is geworden dat je je gesprekspartners eerst moet bijbrengen

    Intussen: aan het ‘onder ons’ was er in Passa Porta geen gebrek. Iedereen was er. Wie er niet was, werd opgemerkt. Ik zag zowaar na zowat vier jaren Jan de Roder weer eens terug en hoorde hem meteen een verhaal vertellen dat ik eigenlijk onmiddellijk zou willen jatten om in een nieuwe roman te gebruiken. Sommige mensen lenen zich heel goed om in bepaalde aspecten als model te dienen voor een personage dat verder niet op hen lijkt. Verder maakte ik kennis met Ewoud Kieft, die ik omstandig heb bedankt voor zijn voortreffelijke recensie in NRC (en NRC Next) van een paar weken terug.

    cover 20074


    En alsof het niks is: ook het vierde nummer van 2007 van yang verscheen ondertussen, traditiegetrouw in januari. Mooi werk van Armantrout, klassiek modernisme (Faulkner zowaar) naast post-postmoderne ontheemding (Oleg Zobern), Samuel Vriezens stuk over Henk van der Waal dat al eerder op zijn weblog stond, maar dat voor ons meer dan de moeite waard was om nog eens in druk op te nemen. En een Eliot Weinberger die niet echt heel mals is voor Susan Sontag.