• Pin it!

    Ontvreemd


    De eerste reacties op een boek waarmee je geruime tijd bezig bent geweest, hebben toch onwillekeurig iets van ontvreemding. In de vragen die je krijgt, in de commentaren die worden gegeven, klinken kwesties door die je zelf niet zo en zeker niet in die mate hebben bezig gehouden, maar die mensen moeiteloos terugvinden in wat je schreef. Misschien dat er daarom ook vaak gevraagd wordt naar wat ík bedoeld zou kunnen hebben. Maar ik merk nu al dat ik de neiging heb om door anderen aan mij toegeschreven bedoelingen te herhalen — omdat ik ze aannemelijk vind, of handzaam, eenvoudiger verwoord dan het gestamel waarin ik zelf zou vervallen; omdat ze een context scheppen voor de roman waarop ik zelf niet durfde te rekenen, of waaraan ik simpelweg tijdens het schrijven niet heb gedacht. Die van een zekere ‘relevantie’, van een zeker ‘realisme’, van een ‘politieke betekenis’; de context van de naïeve passie, de overgave en bevlogenheid, het enthousiasme waarvoor in onze tijd geen plek meer zou zijn en die, zo niet regelrecht tenenkrommend pathetisch, dan toch op zijn minst wat beschamend is. Het is maar een kleine greep uit wat ik sinds afgelopen donderdag hoorde.

    Ik noem het ‘ontvreemding’, maar in feite zijn het eisen van de buitenwereld om mee te werken aan de totstandkoming van een betekenis (of van meerdere betekenissen), terwijl de betekenis voor mij, zelfs maanden na afronding, nog steeds grotendeels in de wording van de tekst ligt. Alsof ik nu nog zou kunnen ingrijpen in de in se gesloten wereld van het geschreven verhaal — of die wereld opnieuw zou kunnen openen. De ervaring leert dat dat gevoel altijd een tijdje aanhoudt en dat pas met het verdwijnen ervan er ruimte ontstaat voor iets anders.

    Ergens in de zomer zei iemand na mijn mededeling dat de roman af was, dat hij jaloers was. Hij begon net op streek te komen met de zijne, en was nog lang niet op het punt dat afronding in zicht was. Maar als vandaag weer iemand anders me een fragment uit zijn nieuwe roman mailt, ben ik het die de jaloezie voel. Ik voel me ineens buitengeworpen, zou willen overborrelen van ideeën om al morgen een nieuw boek op de rails te kunnen zetten, me... te verliezen, denk ik dat het eenvoudigweg is, me kwijt te raken in wat pas door het zelf te scheppen een verdwijnpunt wordt. Maar ik weet dat als ik morgen achter de computer zou kruipen, ik onmiddellijk Rega, de hoofdpersoon van Het grote uitstel, voor me zou zien. En dan nu ook nog in een specifieke betekenis die hij voordien niet voor me had: als een personage dat ik nu doorzie, maar tijdens het schrijven zelf nog niet helemaal begreep.

    Die betekenis van ‘de anderen’ is zowel bevrijdend als beklemmend, merk ik. Ik heb tijdens het schrijven enorm geworsteld met een hardnekkig in het boek opduikende ik-verteller. Wat deed die daar? Hij leek wel bij de beschreven gebeurtenissen aanwezig, maar dat blijkt dan op andere plakken weer niet zo te zijn. Ik heb lang gedacht dat het de ouder geworden Rega was, een ik die op zichzelf terugkijkt, en in een bepaald stadium van het schrijven had ik ook de intentie ik en Rega bij elkaar te brengen. Maar ik zag ervan af. Het leek me naar het einde toe steeds onwaarschijnlijker dat Rega ooit het bewustzijn van die ik kon hebben, zelfs niet als hij jaren ouder was — al heb ik het dan nog een goeie, kort daarna weggesmeten 20 pagina’s geprobeerd. Om dan maar te besluiten dat ik het niet kon oplossen en god zegene de greep en mijn tijd zal het wel duren en enzovoorts...

    Tijdens de presentatie in Gent gaf JT in zijn voordracht een perfect logische uitleg voor de aanwezigheid van die ik-verteller. Een andere vriend vroeg vandaag wat ik toch steeds zat te emmeren over die ik-verteller; hem leek het volkomen logisch. En nu ik die uitleg op zak heb, snap ik mijn eigen onbegrip ook niet zo heel goed meer, maar — en daar gaat het me hier nu even om — tegelijkertijd heb ik alweer het gevoel dat me iets is ontroofd. Dat kan dan niets anders zijn dan een (tijdens het schrijven bij tijd en wijle) martelende twijfel. En ik ben dan wel weer zo romantisch om te geloven dat het precies die twijfel is geweest die de zaken in de roman op spanning heeft gehouden. Had ik geweten wat JT zaterdag zei — ik bedoel: had ik het precies zo, in zijn woorden geweten — dan denk ik dat ik er niet mee verder had gekund.

    Enfin, voorlopig bevind ik me tussen twee stoelen — een goed moment om naast verplichtingen me maar eens verder te storten op het weliswaar allang weer betrokken verbouwde huis, maar zonder dat daar nu alles al in orde is. De houten vloer hebben we kruipend van de ene naar de andere kant van de ruimte gelegd weten te krijgen, ingeolied, gepolierd, en nog eens en nog eens. Er wacht nog schilderwerk, een boekenkast, en tot die tijd worden er nog talloze dozen van de ene naar de andere plek gesleept.

    9028421017.1 9046800466.2


    En er wordt gelezen natuurlijk. Blader nu veel (eindelijk) in Bernard Wesselings vorig jaar verschenen Focus, en was begonnen in een alom bejubelde roman van Pascal Mercier (Nachttrein naar Lissabon). Dat laatste boek heb ik maar even terzijde gelegd omdat iedere keer wanneer ik er weer in las het me buitengewoon saai en taai leek — iets wat ik wijt aan de explicietheid van een en ander. Alsof Mercier deze roman schreef als een invuloefening van iets wat hij eerder en elders bedacht. Het avontuur dat literatuur kan zijn, is in dit boek niet te vinden, lijkt me; het lijkt plaatsgevonden te hebben in het hoofd van de auteur voordat hij begon te schrijven. Wat overblijft is een handvol als diepzinnigheid bedoelde diepzinnigheden over wat op de achterflap geloof ik ‘de kern van het leven’ heet. En kijk, bladerend in Focus denk ik dat Wesseling juist daarover een prachtig snijdend gedicht zou kunnen maken...

  • Pin it!

    Presentaties


    Twee presentaties deze week: één op 18 oktober in Amsterdam, om 17.00 uur in Atheneum; één op de 20ste in Gent, om 16.00 uur, in De Limerick (zie hieronder). Waarmee Het grote uitstel in beide gevallen officieel tot aperitiefje is verklaard: tot de grote honger misschien.

    Het boek zelf (ik aarzel niet meer) ziet er fraai uit, schuune, zoals ze hier zeggen, al meldde mijn uitgever dat de Duitsers in Frankfurt een beetje schrokken van dat broekje en wat dat hoogstwaarschijnlijk voor de inhoud zou betekenen. Misschien daar dan het driekwart stofomslag maar weglaten (want de titel en auteursnaam staan op de groene kaft gedrukt; de billen op het stofomslag)? Iemand grijnsde al dat het katholicisme nu toch echt vat op me begon te krijgen: zonder dat stofomslag kon ik er dan toch nog mee onder de burgers komen. Wie weet. Misschien is het wel besmettelijk.

    Uitnodiging Het grote uitstel.klein

  • Pin it!

    Mieke Telkamp


    Inmiddels het eerste interview achter de rug — een aangenaam, soms prettig verwarrend gesprek, met veel Grote Woorden en zwaaiende armen en met één groot vraagteken boven alles: Waarheen leidt de weg? Ik hief nog net Mieke Telkamp niet aan. Ik benijd de interviewer — Herman Jacobs — niet: wordt uit al die alle richtingen op vliegende, vaak maar half afgemaakte gedachten, soms onderbroken door weer andere gedachten, invallen, bijzinnen, een anekdote!, een totaal niet terzake doend terzijde — wordt uit dat alles maar eens wijs. Er stond iets tussen ons in dat me een digitaal kleinood leek, met een beschuldigend rood lichtje op mij gericht. We bevonden ons ergens tussen wereldverzaking en de stichting van ‘een nieuw helder geloof’, al dan niet langs bergwanden omlaag stortend, om een knorrige dichter te citeren. Tussen anti-politiek en politieke ‘aksie’, tussen het verlangen onverlet gelaten te worden en de onmogelijkheid om dingen met rust te laten.

    omslagvladiwostok


    Intussen zat ik met af en toe flarden Vladiwostok! van Thomése in mijn hoofd, waarin de wereld van de politiek wel op een heel saillante wijze in beeld wordt gebracht, op de meest platte testosteron-gedreven manier, en geschreven in zo’n enorm tempo dat hetgeen dat aanvankelijk nog enigszins het gemoed schokt, al snel maakt dat je alleen nog murw geslagen doorleest in wat desalniettemin toch nog van kwaad tot erger gaat. Incest? De suggestie maakt aanvankelijk nog wat onrustig, maar wat later denk je al: enfin, laat het dan maar gebeuren, hebben we dat ook weer achter ons (al gebeurt het niet). Dit gaat over mensen die ik niet begrijp, tot op het punt dat ik alleen nog minachting voor hen kan voelen. Mensen voor wie alles alleen maar een gelegenheid is, een opportuniteit, al is niet geheel duidelijk waartoe al die gelegenheden dan precies dienen, waar ze heen leiden (Telkamp alweer). Macht, zeker, maar waartoe? Om zichzelfs wille, zo lijkt het. Want veel meer dan de botte bevrediging van wat zich aandient, voor wat het eigen geslacht weer eens dik en zwaar doet worden in de eigen broek, zoals het meer dan eens beschreven staat — veel meer dan dat is het niet. Ideeën zijn slechts de vehikels om van A naar B te geraken, en de precieze inhoud ervan doet niet terzake, want eenmaal bij B aangeland wordt die B gewoon de volgende A die naar B wil. Het binaire alfabet. Er is geen omega — en ja, Fons Nieuwenhuijs en Hans Portielje bestaan alleen voor zichzelf als de illusie dat ze ook werkelijk alfamannetjes zijn stand houdt.

    Dat Thomése op deze manier ten strijde trekt tegen een mentaliteit die hij al veel vaker heeft aangevallen — ook in het kleine wereldje van de literatuur zelf — hoeft niet betwijfeld te worden. En misschien doet hij dat een beetje al te heftig, zodat de murwheid van de lezer soms dreigt om te slaan in een milde verveling zonder dat de afstotelijkheid van een en ander er ook maar een greintje minder door wordt. Je nagels zitten vijlen bij zoiets — dat is noch mijn bedoeling noch die van Thomése geweest, lijkt me.

    Zover komt het gelukkig ook niet, want dat is dan toch weer aardig om te zien, vind ik: dat Thomése bij zijn maar al te duidelijke aanklacht tegen de verworden wereld van politiek en media een duivels plezier schept in het neerzetten van die wereld. Dit boek is met duidelijk taalplezier geschreven, met Thomése’s gebruikelijke stijlgevoel, al wordt dat hier dan voornamelijk ingezet om de hijgerige, haast monosyllabische wereld van politiek en media — waarin zelfs wolligheid zich in de vorm van een slogan aandient — neer te zetten. Een enkele zin maakt zich dan ineens op thomésiaanse wijze weldadig breed.

    Maar misschien was een tikje mededogen voor de schofterige hoofdrolspelers beter geweest — louter... tactisch gesproken? Juist om ze beter te kunnen afmaken, bedoel ik. Om niet vanuit de eigen, en onbetwijfelbaar hogere moraal, in louter moralisme te vervallen? Bij dit soort schrijven dreigt altijd het al te gemakkelijke scoren, natuurlijk, de ridiculisering door het gebruik van hyperbolen — zélfs als die hyperbolen vrij nauwkeurig de werkelijkheid beschrijven waarover het gaat. Grofheid is ook een vorm van joligheid, zoals kroegjool vaak grofbesnaard is.

    1160819622.71861Je vraagt je wel af in hoeverre Thomése de ironie in dit boek opdrijft door op de achterflap een aanprijzing uit de mond van Matthijs van Nieuwkerk op te nemen — dat hij ‘een van de aardigste en leukste schrijvers uit de Nederlandse literatuur’ is. ‘Aardig’ en ‘leuk’ uit de mond van niet alleen een charmante, vlotte babbelaar, maar van een mediaman die spreekt als wilde hij twintig woorden in slechts tien zeggen — het lijkt me iets waarvan Thomése zelf nu niet echt een hoge pet op heeft. Naar ‘het’ publiek toe (waarvan niemand weet hoe het eruit ziet al schermt iedere uitgever, hoofdredacteur en mediaman ermee) is het desalniettemin handig om juist Van Nieuwkerk te citeren en niet prof dr Van Geneughten Vreemd die desalniettemin de zinvolste dingen over het oeuvre van Thomése zou weten te zeggen.

    Hieraan zat ik dus af en toe te denken tijdens het interview. Waarschijnlijk omdat ook bij Thomése, achter de woede die hem in dit boek heeft gedreven, de vraag naar het waarheen opdoemt. De plek van de utopie in een anti-utopische tijd. Het verzet tegen de wereld zoals ze is, omdat de wereld zoals ze is altijd de wereld is zoals ze wordt voorgesteld. Waar blijft de... ‘begeerte’, zou Hegel zeggen, het verlangen naar het andere dat ons verlost?

  • Pin it!

    Themsche


    Vandaag in de krant staat nog eens ten overvloede dat iedere burger het recht heeft op juridische bijstand (en onschuldig is totdat er een vonnis is geveld) — maar laten we er geen doekjes om winden: in de verslaggeving van het proces tegen Hans Van Themsche is het oordeel al ruimschoots geveld. Er wordt geen enkele poging gedaan de dader (hij heeft immers bekend) in ieder geval nog de ruimte te geven voor een, in zijn geval sowieso wankele verdediging van zijn daden. Het recht op spijt is hem in ieder geval ontnomen. Niet alleen hechten de nabestaanden van de slachtoffers geen geloof aan zijn publieke excuses, ook de verslaggever (in dit geval Sue Somers in DM) trekt openlijk in twijfel dat Van Themsche spijt zou kunnen hebben. Daarvoor, zo is de suggestie, acteert hij te slecht. Ik citeer:

    Het prikje van de voorzitter was voldoende om Hans Van Themsche uit zijn evenwicht te halen. Gedurende zijn hele verhoor was hij zich bewust geweest van zijn antwoorden. Getimed, bedacht, rijk van taal. Maar de onverwachte wending die de voorzitter voor het einde van het verhoor bewaarde, had Van Themsche niet zien aankomen. Weg was het zelfvertrouwen waarmee hij anderhalf uur had gesproken. Weg de overtuiging waarmee hij zorgvuldig het beeld van de getormenteerde puber had opgehangen. Want eigenlijk is ook hij een slachtoffer, zo moest de jury begrijpen

    Persoonlijk vind ik dat er binnen het Belgisch rechtssysteem geen straf bestaat die hoog genoeg is voor een figuur als Van Themsche, voor zover ik althans mijn eigen geloof volg. Eerdere uitspraken van de jongeman in kwestie hebben voor mij zonneklaar gemaakt dat het een racist van de ergste soort is, en dat zijn motieven ook alleen op die manier verklaard kunnen en zouden mogen worden. Dat betekent: ik wil niks anders horen dan wat ik zelf op voorhand heb vastgesteld dat het geval is. Ik zou dan ook niets dan het waarschijnlijk collectieve, primitieve wraakgevoel moeten koesteren dat ook uit de smalende, honende woorden van Somers spreekt — en misschien voel ik dat ook wel, sta ik met de andere middeleeuwse boeren op het plein en gooi rot fruit, gooi groenten en wie weet zelfs excrementen in de richting van de op de kar binnengereden duivelse onverlaat, die ik niet alleen publiekelijk onthoofd wil zien, maar vooraf ook nog flink geradbraakt, gevierendeeld en minstens twintig keer ten onder wil zien gaan.

    Maar ik vind niet dat de krant er zo over mag schrijven, eigenlijk. Zoals ik het ook wat twijfelachtig vind dat men op de voorpagina een door de nabestaanden vrijgegeven foto van de kleine Luna en haar oppas Niangadou Oulematou publiceert. Bij het vrijgeven van die foto’s kan ik me van alles voorstellen, want het gierende onrecht, de nooit te dichten wonden, de tot in de eigen eeuwigheid volstrekt onaanvaardbare ongerechtigheid die hier is geschied, zoekt in zijn onmacht naar elke beschikbare mogelijkheid om er anderen deelgenoot van te maken — ook al lost het voor de nabestaanden persoonlijk nauwelijks iets op, brengt het hoogstens even verlichting. Maar de vraag blijft of een krant die zich zo met de slachtoffers identificeert haar eigen geloofwaardigheid niet te grabbel gooit — om over het altijd op de loer liggende commerciële effect van dergelijke foto’s maar te zwijgen. Waarmee ik niet per se bedoel dat men in een ook op de redactie van DM ongetwijfeld welig tierend, en, naar men zegt, in de huidige conjunctuur noodzakelijk cynisme met de publicatie van een dergelijke foto daadwerkelijk gemikt heeft op meerverkoop, maar dat er altijd anderen zijn die in dit geval erg gemakkelijk met precies dat verwijt op de proppen zouden kunnen komen: de ‘linkse’ pers die zich bedient van Bild-manieren.

    Dat er elders in de krant kanttekeningen worden geplaatst bij de pogingen van de advocaten om op procedurele gronden het proces ongeldig te laten verklaren, is alweer te begrijpen, maar de haat tegen de advocaten die uit sommige van die commentaren spreekt, is onterecht en voor het voortbestaan van de rechtsstaat ook gevaarlijk. Het probleem blijft dat het recht uit naam van de rechtvaardigheid altijd het algemene boven het particuliere moet laten gelden — en dat dat in onderhavig geval, maar ook in heel veel andere, minder ernstige gevallen, zweemt naar... onrechtvaardigheid.

  • Pin it!

    Persklaar


    Gisterenavond bij vrienden nog eens mild zitten schelden op de persklaarmaker van Het grote uitstel vanwege het feit dat hij of zij in de oorspronkelijke tekst nogal wat zinnen had vereenvoudigd, waarschijnlijk vanuit de vooronderstelling dat ‘de’ lezer ze anders niet zou kunnen volgen, of gewoonweg omdat het vandaag de dag om de een of andere ándere reden niet meer mag (zoals twee keer ‘andere’ achter elkaar in een zin niet mag). Een zinsnede als: ‘het talrijk opgekomen, in de kleine ruimte samengeperste publiek’ wordt dan in handen van zo'n persklaarmaker steevast: het talrijk opgekomen publiek dat in de kleine ruimte was samengeperst. ‘Alsof de oorspronkelijke zin in de opeenhoping van woorden niet precies dat samengeperste tot uitdrukking brengt,’ opperde mijn gastheer meteen. Het moest mij niet verbazen — hij is classicus —, maar ik was toch aangenaam verrast. Natuurlijk ziet een classicus zoiets meteen, hoewel, zegt H. mij, er sinds de jaren negentig ook in de vertalingen uit het Grieks en Latijn de neiging is opgedoken om vooral niet de zinsconstructie van het origineel te volgen, maar een lekker behapbare Cicero voor te schotelen, of een makkelijk weg te slikken Homerus.

    Natuurlijk heb ik in de roman bijna alles weer hersteld in zijn oorspronkelijke vorm — bijna, want geheel zinloos was de al te strenge en meermalen al te versimpelende lezing van de persklaarmaker natuurlijk niet. Later werd mij nog eens gevraagd: ‘daar en daar staat “verzwonden” — weet je dat wel zeker’? In dit geval hoefde ik er niet over na te denken: dat germanisme staat daar geheel op zijn plaats. Zoals ook een enkele meer bijbelse wending (Nederlands uit de statenvertaling) ‘met opzet’ is gebruikt. Ik gebruik aanhalingstekens omdat idealiter alles in een roman natuurlijk ‘met opzet’ is gedaan.

    Al ontsnapt er dan tegelijkertijd het nodige. JT, al weer enige tijd terug uit Argentinië, presenteerde mij een lezing die me op een paar punten nogal verraste — in die zin dat ik niet denk over voldoende intelligentie te beschikken om het ooit zo bedoeld te kunnen hebben, maar wel over genoeg ijdelheid om het graag zo bedoeld te wíllen hebben, natuurlijk. Dat zijn de prettige verrassingen. Minder prettig waren de verrassingen die enkele mensen me bezorgden, die klaarblijkelijk al met het boek bezig zijn. In buitengewoon attente mails hadden ze het over drukfouten — maar het woord drukfout was in een enkel geval een heel welwillende manier om de dommigheden te benoemen die door vooral mijn eigen schuld zijn blijven staan (al kan ik die natuurlijk nu ook villein op het conto van de persklaarmaker schuiven...). Het boek is al in druk, dus mijn immer zonnige uitgever stelde dat die fouten dan ‘voor de tweede druk’ waren.

    McINTYREIntussen vertaalde ik voor het komende nummer van yang een gedicht van naar het schijnt een van de slechtste dichters van de moderne westerse literatuurgeschiedenis: James McIntyre — ook wel de ‘cheese poet’ genoemd. Geen sinecure, moet ik zeggen. Vooral niet omdat natuurlijk te verwachten viel dat een kaasdichter veelvuldig rijmt op het woord ‘kaas’, en welk online-rijmwoordenboek ik er ook op nasloeg: erg veel mogelijkheden waren er niet. Daarbij was natuurlijk ook het metrum van belang, waardoor ’t soms ’t gewrochte niet g’heel ontloopt, om het zo maar te zeggen — maar ik voel me gedekt door het feit dat het hier officieel om een slechte dichter gaat. Op hetzelfde moment heb ik zitten studeren in het verzamelde dichtwerk van Bob van Daalen — middenstandspoëzie die aan zichzelf ontstijgt in juist de wijze waarop ze nooit ook maar in de buurt komt van wat echte poëzie wil lijken. Ook dit voor het komende yang-nummer.

    Het contrast met Juli Zeh kon bijna niet groter zijn. elephant1Tijdens het lezen van haar Speeldrift vroeg ik me af of deze roman door de goegemeente nu ooit een ‘relevante roman’ is genoemd. Er zijn in commentaren wel pogingen gedaan het boek in verband te brengen met drama’s als die in Erfurt destijds, of met Columbine — maar Zeh zelf lijkt dat te hebben willen ondervangen door het drama in Erfurt zelf in het boek op te voeren, en er haar hoofdpersoon alleen over te laten opmerken dat ze verbaasd is dat de mensen niet dankbaarder waren bij het horen van wat er daar op het Gutenberg Gymnasium gebeurd is: dankbaar dat het niet veel vaker gebeurde. Het fysieke geweld waar Speeldrift op uitloopt is vergeleken bij die moordpartijen (nog het meest indrukwekkend in een kunstwerk gegoten door Gus Van Sant, vind ik — in Elephant) natuurlijk verwaarloosbaar, maar het boek gaat ook niet om het fysieke, maar om het morele geweld. Het staat in de traditie van Dostojewski’s Misdaad en straf, al schermt het zelf meer met Musils Mann ohne Eigenschaften, en komt ook Meursault uit Camus’ De vreemdeling nog langs. Maar met het boek van Dostojewski heeft het gemeen dat het tracht een gedachtenexperiment in de praktijk van de romanwerkelijkheid uit te werken. Het boek is bij wijlen té filosofisch geworden, al is het dan vaak weer zo goed geschreven dat je toch de neiging krijgt bepaalde, inmiddels overbekende waarheden te noteren en op bijvoorbeeld bruiloften en partijen als aforismen rond te strooien. Maar het boek heeft hier en daar iets stroefs in de poging vooral één bepaalde stelling te verduidelijken, ook al omdat het soms wat al te wijdlopig knap is allemaal. De personages komen niet helemaal los van het onderliggende essay waarvan ze de uitwerking zijn — zelfs Ada niet.

    Maar wat een zinnen, vaak. Daar heeft een persklaarmaker vast een hele kluif aan gehad. En vervolgens Zeh om alles weer terug te veranderen in wat het moest zijn en moest blijven. Je voelt de juridische achtergrond van Zeh in haar eigen taalgebruik — niet zozeer omdat ze spreekt in ambtelijke wetteksten, maar omdat ze beseft dat rechtspreken een kwestie is van het opvullen van de leemte tussen de begane feiten en het vertelde verhaal daarover — en daar vloeien enkele mooie observaties uit voort. Waarheid en geloof worden aan elkaar gekoppeld — niet geloof in de zin van: geloof in God, maar geloof in de waarheid van de waarheid. Men wordt veroordeeld of vrijgesproken op grond van zinsconstructies en woordvolgordes (ik merk het ook zelf nu mijn kleine auto-ongeval inmiddels in de juridische sfeer is beland). Dat die persklaarmakers daar eens aan denken, in het vervolg.