• Pin it!

    Links


    M-E


    Vandaag pas het stuk van Bert Bultinck kunnen lezen over drie boeken waarin de crisis van links aan de orde komt: Zwagermans pamflet De schaamte voor links, What’s left van Nick Cohen, en dan, eigenlijk minder over links zelf, maar, zoals B. stelt, relevant voor het dolende links van vandaag, De cultuur van het nieuwe kapitalisme. De krant werd door ‘technische problemen’ bij de Gentse posterijen gisteren niet bezorgd.

    Een en ander valt voor mij heel goed op zijn plaats, niet alleen omdat ik me al tijden... zorgen maak over links (dat klinkt een beetje truttig), maar ook omdat mijn nu bijna afgeronde roman speelt in de jaren 1976-1989. Dat zou net voor de ondergang van links zijn zoals Cohen die ziet. Die neemt de eerste Golfoorlog als ijkpunt. Ik de Val van de Muur en het mislukken van het project van Das Neue Forum, dat een poging was om de in de DDR geheel ontaarde socialistische ideologie opnieuw te definiëren. Iedereen, of vrijwel iedereen is het inmiddels vergeten, maar op de beroemd geworden Montagsdemonstrationen in Leipzig (aanvankelijk nog enthousiast uit elkaar geknupppeld door de oproerpolitie, maar al spoedig zo groot geworden dat een heel leger nodig was om het volk te verspreiden (al werd er ook toen nog, na juni 1989, vaak aan een ‘Chinese’ oplossing gedacht — het Tiananmenplein in Beijing: schieten derhalve)) — vrijwel iedereen is vergeten dat er op die demonstraties niet alleen geroepen werd: Wir sind das Volk (thans nog populair in uitsluitend rechts-extreme kringen), maar ook: Wir bleiben hier — een duidelijke boodschap aan allen die toen al in groten getale via Hongarije de DDR verlieten. De idee van een socialistische staat, zij het dan niet langer een heilsstaat (heilsstaten, of staten van volkeren die op een andere manier menen uitverkoren te zijn, kunnen inderdaad alleen met prikkeldraad en muren overleven), liet de kritische intellectuelen in Oost-Duitsland niet los, hoezeer ook juist zij degenen waren die protesteerden tegen wat toen al veertig jaar lang de dagelijkse werkelijkheid was. Het mislukken van hun initiatief (omdat, zou één van hen later zeggen, ze niet begrepen haden dat het om macht ging; dat ze bedrijven hadden moeten bezetten, sleutelposities hadden moeten innemen, strijdkrachten achter zich hadden moeten krijgen in plaats van in de typische ‘Duitse intellectuelenval’ te trappen: blijven discussiëren) — de mislukking zette de deur open voor wat je het huidige triomfalisme van rechts kunt noemen.

    Ik heb de Val van de Muur nooit als een overwinning van de westerse vrijheid op de tirannie van het oosten kunnen zien. Misschien omdat ik die vrijheid zelf altijd als iets uiterst problematisch heb ervaren. Ze werd voor mensen van mijn generatie gedefinieerd tegenover een onvrijheid die alleen in theorie bestond. Ook al was het juist die vrijheid die me toestond om in het kapitalisme vervolgens zoiets als een tirannie te zien. Ik heb me al meermalen (bijvoorbeeld hier) afgevraagd of mijn toenmalige linksigheid niet een modeverschijnsel was (of leeftijd; ik heb een, laten we zeggen rechtse oom die in het feit dat ik een huis kocht nog steeds het ultieme bewijs ziet dat ik over mijn eigen linksheid heengegroeid ben). Is de mens niet van nature rechts? Ik bedoel dan vooral: ook ik (men mag alleen met ‘de’ mens schermen als men er ook zichzelf onder verstaat)? Ik bezie met argusogen mijn toenemende conservatisme, ben in mijn eigen buurt allang veranderd in het type dat lege blikjes opraapt, 'de jeugd' streng toespreekt als ze die blikjes maar wat van zich afgooien, en die tekeer gaat tegen de één of andere onverlaat die tegen een gevel staat te pissen (ook al is het de mijne niet). Dat laatste (dat gaat inderdaad veel te ver) vind ik zelf minder erg dan het eerste. In mijn beleving is het nog niet zo heel lang geleden (al is het dan in werkelijkheid meer dan twintig jaar) dat ik me als student samen met een vriend vrolijk maakte over wat wij ‘de buurtburgemeester’ noemden: een wat grijzende man die zich, vonden wij, opwond over de geringste zaken. Een fatsoensrakkertje.

    (Die vriend, intussen, kwam ik na lange tijd weer tegen en hoorde ik de instelling van ghetto’s voor ‘buitenlanders’ bepleiten, al noemde hij het niet zo; de totale incompatibiliteit van ‘onze’ en ‘hun’ mentaliteit — en dat gaat dan in eerste instantie over het feit dat zijn nog jonge kinderen om zeven uur, half acht naar bed gaan, maar niet kunnen slapen omdat Marokkaanse, Turkse etc. leeftijdsgenootjes nog tot half elf, elf uur ’s avonds op straat lopen te schreeuwen — die totale onverenigbaarheid van ‘hun’ en ‘onze’ vooronderstellingen liet wat hem betreft alleen segregatie als oplossing over).

    ‘Re-ideologisering’, zo luidt mijn verlangen. Ik heb het daar al vaker over gehad — zij het vaak in de eerste plaats op het gebied van de literatuur. De voor mij vanzelfsprekende verbinding tussen de gang van zaken in literatuur en die daarbuiten, gaat veel mensen te ver, merk ik vaak. Maar de weerstand tegen die gelijkschakeling heeft alles te maken met een ideologische keuze waarvan men zich meestal niet meer bewust is: met de loskoppeling op voorhand van literatuur en samenleving. Die scheiding blijf ik weigeren. Ik geloof niet in de scheiding van fictie en werkelijkheid. Alles is een kwestie van formulering. Er bestaat buiten de door ons aan de werkelijkheid gegeven vorm geen andere, geen echte werkelijkheid. Op zich is dat het postmoderne adagium dat alles fictie is. Maar de opluchting die de eerste generatie postmodernisten daarbij misschien heeft ervaren (de ontmaskeraars van de grote waarheden van weleer) ken ik niet en heb ik ook nooit gekend. Ik heb wat dat betreft altijd, van meet af aan, aan het andere einde van het spectrum gezeten: dat ficties de neiging hebben hun eigen werkelijkheid te worden. Die overtuiging is de opmaat voor die ‘re-ideologisering’. Alleen op die manier ben je je voortdurend bewust van de werkelijkheidswaarde van woorden, van de realiteit die door die woorden geschapen wordt. En de strijd om die werkelijkheid mag nooit worden opgegeven.

    Dat is nu juist wat er wél is gebeurd sinds... nou ja, minstens sinds 1989. En voor zover het zoeken naar vooronderstellingen achter dat wat gezegd wordt, naar de praktische consequenties van ogenschijnlijke of toch als zodanig gepresenteerde vanzelfsprekendheden ‘links’ is, is het met links zo goed als gedaan.

    Ik moet nu inens weer denken aan het boek dat Dick Pels in 2005 publiceerde, Een zwak voor Nederland, een boek dat probeerde om de leegheid van links te vervangen door een nieuw project. Ik schreef er vorig jaar over voor Ons Erfdeel. Ik haal het hier nog eens aan:

    VAN DE KWAAL EN DE GENEZING
    Dick Pels,
    Een zwak voor Nederland. Ideeën voor een nieuwe politiek. Anthos, Amsterdam 2005.

    dyn003_original_241_380_jpeg__02ce7200d4a9bea8df537f77c4d2ad14In een bepaald opzicht is
    Een zwak voor Nederland van Dick Pels een verademing, ongeveer op dezelfde manier als destijds zijn in Trouw verschenen Progressief Manifest dat was (10-1-2004). ‘Het moet nu maar eens afgelopen zijn met die onuitstaanbare leegte van links. En met het leedvermaak hierover van rechts,’ zo begon dat manifest, waarvan Een zwak voor Nederland als de uitwerking mag gelden. Pels trok van leer tegen de nieuw-rechtse arrogantie die zich sinds (vooral) de moord op Fortuyn en meer recent die op Van Gogh in en buiten de politiek manifesteerde en trachtte een nieuw beginselprogramma voor links te formuleren.

    Dat was een opluchting, want het bedremmeld zwijgen van de oorspronkelijk progressieve partijen in Nederland, van de links-intellectuelen in het algemeen (een woord dat al sinds enige tijd opeens
    geen pleonasme meer is), was zowel pijnlijk als beklemmend, vooral omdat het triomfalisme van een aantal rechtse politici en rechts-intellectuelen proto-fascistische trekjes vertoonde (en vertoont) en zonder weerwerk dreigde te blijven.

    Tegenover het eng-nationalistische discours ter rechterzijde staat het progressieve denken voor een immense uitdaging. Er wordt immers een rechtstreeks verband gesuggereerd tussen de ‘werdegang’ van de Nederlandse natie en het linkse gedachtengoed dat decennialang de dienst uitgemaakt zou hebben — ten tijde van de moord op Fortuyn krachtig samengevat in de
    oneliner: ‘de kogel kwam van links.’ Dat de moordenaar een milieuactivist was en milieuactivisten links zijn, is één ding; de uitspraak had op meer betrekking dan enkel de dader. En je zou kunnen zeggen: was Fortuyn niet het slachtoffer van die kogel geworden, het is een uitspraak die hij zelf had kunnen doen; in ieder geval schoot hij zelf zonder ophouden met scherp op alles wat links was.

    Dat er in de Nederlandse samenleving de afgelopen decennia iets verkeerd is gelopen, daarover lijkt iedereen het wel eens te zijn — en de, door velen nog steeds als juist erg
    on-Nederlands beschouwde roep om een herstel van, vooral, Nederlandse normen en waarden geeft aan dat de oorzaken daarvoor worden gezocht bij het klassiek linkse gedachtengoed, in ieder geval bij altijd als progressief aangemerkte waarden als tolerantie, relativering, individualisering, nivellering van verschillen, multiculturaliteit etcetera. Ze worden voorgesteld als een ontaarding van zoiets als een Nederlandse volksgeest, een meer vastomlijnde identiteit die daadwerkelijk zou bestaan.

    Daarmee bevinden we ons op het gladde ijs waarop ook Pels zich van lieverlede staande moet proberen te houden. Zeggen dat zoiets als een vastomlijnde identiteit een in zekere zin ridicuul concept is in een sterk geglobaliseerde wereld, is nog maar eens al diegenen die zich ertoe aangetrokken voelen reduceren tot achterlijk, provinciaal volk dat niet meer met zijn tijd mee is — en daarmee versterk je het nu ook in Nederland aanwezige sentiment dat men in Vlaanderen al langer kent: de verongelijktheid, de verzuring van een in feite rot verwende burger die Vlaams Belang stemt als de gemeente niet onmiddellijk een losliggende stoeptegel voor zijn deur komt vervangen.

    Pels is met andere woorden zelf gedwongen tot een vorm van essentialisme om dat van rechts van repliek te kunnen dienen. En daarmee is de strijd om het ware Nederlanderschap ook in zijn boek het werkelijke onderwerp geworden — zij het tegen heug en meug. Pels zelf poneert namelijk bij herhaling (en het boek herhaalt veel, een beetje te veel) dat het hem te doen is om een anti-essentialistische benadering: ‘De Nederlandse natie bestaat niet buiten de verhalen die erover worden verteld, de emoties die erover worden gevoeld en de dagelijkse handelingen die erin worden geïnvesteerd,’ stelt hij. ‘Nederland’ (of welke natie dan ook maar) moet als het ware elke dag opnieuw worden uitgevonden en gedefinieerd. En als Pels dan, door zijn tegenstanders min of meer gedwongen (al ziet hij dat zelf waarschijnlijk niet zo), toch met een concept van Nederlanderschap tevoorschijn moet komen, dan bestaat dat uit, wat hij noemt, een ‘zwakke identiteit’. ‘De kracht van het Nederlandse volkskarakter schuilt juist in een relatieve “karakterzwakte”, die wordt gevoed door bescheidenheid over onze nationale waarden en verworvenheden, en daardoor ruimte biedt aan een permanent meningsverschil over wat die waarden en verworvenheden zijn.’

    De vraag die hier opkomt, is of Pels op deze manier niet de kwaal bestrijdt met de oorzaken ervan. En bovendien: vergist hij zich hier niet? De gedachte dat het om een relatieve ‘karakterzwakte’ zou gaan, lijkt immers een herhaling te zijn van datgene wat Hollanders decennialang deed zeggen dat Nederland een ‘gidsland’ was. In de woorden van Paul Scheffer: ‘We slaan onszelf op de borst omdat we denken er geen te hebben.’ In die zin heeft er onder de vooral door Nederlanders zelf veelgeroemde tolerantie altijd een arrogantie gescholen die wérkelijke tolerantie onmogelijk maakte — en men hoefde alleen maar ten zuiden of ten oosten de grens over te wippen om bij monde van Vlamingen of Duitsers de bevestiging te krijgen van deze ‘typisch Hollandse’ verwatenheid (al hoeft men er niet eens het land voor uit: de moeizame verhouding tussen de Hollandse Randstad en de ‘provincie’ — de rest van Nederland — spreekt hier al boekdelen).

    In feite herformuleert Pels in dit boek — dat een beetje misleidend de ondertitel ‘ideeën voor een
    nieuwe politiek’ meekreeg — de aloude, als progressief beschouwde opvattingen over de samenleving, zij het dat de traditionele linkse allergie voor het marktdenken is afgelegd. ‘We zijn allemaal liberalen geworden,’ zo stelt hij wat ondeugend, om vervolgens een sociaal-liberalisme of –individualisme te bepleiten dat op een iets andere manier dan toch een rem zet op ongebreidelde marktwerking en ongebreidelde vrijheid voor het individu. Het is een beetje oude wijn in nieuwe zakken.

    Voor de goede orde: die oude wijn lijkt mij te prefereren boven het bocht dat nieuw-rechts schenkt, maar de grote vraag is of deze herformulering van linkse waarden dit keer wél rekening houdt met wat oud-links vergat. Nederland is een consensusland, zo stelde dezelfde Paul Scheffer ooit, en de ‘progressieve’ signatuur die het zichzelf toeschreef is grotendeels het gevolg van de noodzaak om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen. In die zin was het anti-essentialisme in Nederland altijd al een vorm van essentialisme en niet gediend van wérkelijke tegenspraak.

    Dat dreigt ook een beetje in Pels’ boek, bijvoorbeeld wanneer hij stelt ‘dat de vaste onderdelen van een integrale definitie van de Nederlandse natie (taal, territorium, cultuur, historisch erfgoed) ten opzichte van elkaar aan het schuiven zijn gegaan, en ook inwendig steeds sterker fragmenteren’ — en vervolgens elke poging tot behoud van het Nederlands, of tot het onderwijzen van een meer nationale geschiedenis naar de vuilnisbak verwijst. Hier komt de relativering van, misschien, onhoudbaar geworden waarheden voor de formulering van die waarheden zelf. En juist dat is het ideale recept gebleken voor eenduidige, stevige ‘waarheden’ van nieuw-rechtse nationalisten die de door al die relativeringen (en, niet te vergeten, een daar op afgestemd onderwijs) ontheemd geraakte burger weer een thuis geven.

    Op zich is
    Een zwak voor Nederland een op dit moment hoogst noodzakelijk boek, al was het maar om een halt toe te roepen aan het soms halsloze triomfalisme van nieuw-rechts, maar Pels weet de valkuilen niet te vermijden die nu juist hebben gemaakt dat nieuw-rechts zoveel, vriend en vijand verbijsterend succes heeft. Nederland is een fictie. Natuurlijk. Zoals alles. Maar juist dat maakt in deze post-postmoderne tijden dat bepaalde ficties de kracht van werkelijkheid krijgen — en wie dat onderschat of verwaarloost door te blijven hameren op het fictionele karakter van al onze onderscheidingen, maakt zijns ondanks de weg vrij voor hen die van geen relativering meer willen weten.

    De vraag die voor mij persoonlijk op dit moment van belang is, is of de hoofdpersoon van Het grote uitstel niet eigenlijk tot de laatste soort behoort. Ik heb hem nu in Berlijn, waar hij hijgend door de straten rent op zoek naar waar ‘het’ gebeurt. Ik ben zelf heel benieuwd wat hij daarvan verwacht.

    METurm

    'Beim nächsten Mal wird Alles besser'


    En zelf — het is een schande, maar toch — zelf betrapte ik me op wat je ‘winterverlangen’ zou kunnen noemen. Niet vanwege het weer, maar vanwege Poetins dreigement om Bush’s plannen in voormalige Oostbloklanden een antirakettenschild te plaatsen, te beantwoorden met de opvoering van de bewapening. Ik heb daar bij geknikt: de wereld wordt weer wat ze was, moet ik gedacht hebben, met een vreemd, en uiteraard afkeurenswaardig gevoel van opperste conservatieve tevredenheid.

  • Pin it!

    Berlijn


    Brandenburger Tor


    Op het vliegveld voor mijn vertrek naar Berlijn vorige week maandag kocht ik om in de stemming te komen alvast een Frankfurter Allgemeine, en ik had het gevoel dat ik meteen met mijn neus in de boter viel. In deze grijze, door zijn immense formaat onhandelbare krant (zeker in een vliegtuig), in dit nieuwsvehikel dat nooit een prijs voor fijne, leuke vormgeving zal winnen, stond die maandag een lange ‘Gastbeitrag’ van Kurt Beck, voorzitter van de Duitse SPD, over het, zoals hij het noemt: neoliberalisme van de CDU van Merkel, waarmee de SPD overigens een coalitie vormt. Hij trekt ten strijde tegen de, volgens hem, kunstmatige tegenstelling tussen staat en vrijheid die door de CDU beleden wordt:

    {6A7B7582-23A0-4155-8874-551B00381C31}PictureEs gibt soziale Gegensätze, die eine Mehrheit der Menschen in Deutschland beunruhigen. Aber ein künstlicher Gegensatz ist der zwischen Staat und Freiheit. Der Entwurf zum neuen Grundsatzprogramm der CDU gibt sich alle Mühe, so samtweich zu formulieren, dass er keinen mehr verschreckt. Doch der Staat, das bleibt, soll um der Freiheit willen immer weiter zusammenschrumpfen. Erstaunlich, wie wenig praktische politische Erfahrung der Traum vom Schrumpfstaat enthält. Würde die Union sich selbst beim Wort nehmen, müsste sie konsequenterweise auch weniger Bildung, weniger Investitionen und weniger Rechtssicherheit fordern. Über solche Folgen schweigt sie. Deshalb hängt ihr Neoliberalismus in der Luft. Er ist Ideologie ohne Erdung. Er hat den Menschen, die für ihre Kinder gute öffentliche Schulen wollen, nichts zu sagen, und er geht über die hinweg, die vom Rechtsstaat nicht nur den Schutz des Eigentums, sondern gleichermaßen den Schutz vor Willkür in der Wirtschaft und vor Diskriminierung am Arbeitsplatz erwarten.
    Wo das Recht auf dem Rückzug ist, tritt nicht die Freiheit auf den Platz, sondern das Privileg. Das weiß jeder, der die Härte erlebt hat, ohne Begünstigung seinen Weg zu gehen. Wer seine Zukunft durch eigene Anstrengung erst gewinnen muss, der spürt, welches Gewicht die Forderung nach gleichen Rechten hat. Nicht Besitz darf den Ausschlag geben, sondern die immer neue Chance des Erwerbs, nicht Ort oder Status der Geburt dürfen entscheiden, sondern allein die immer offene Perspektive eines tätigen Lebens. Von „Chancen“ spricht heute fast jeder. Aber die volle Bedeutung des Wortes und die Verpflichtung, die mit der Chancengleichheit verbunden ist, muss man sich schon klarmachen. Denn um dieses Versprechen einzulösen, brauchen wir eine starke und energische Politik, die in der Lage ist, die sozialen Barrieren der Herkunft zu überwinden und neue Risiken, neue Formen der Ausgrenzung mit neuen Chancen und Sicherheiten zu beantworten. Dafür brauchen wir einen vorsorgenden Sozialstaat, der stärker als bisher die Ursachen sozialer Probleme angeht, anstatt nur die Symptome zu kurieren.


    Linkse praatjes naar oud model, zo zou je nu kunnen zeggen, en uiteraard de volgende dag aanleiding voor veel, vanwege de bestaande coalitie, voorzichtig, maar toch tegelijk ook duidelijk afwijzend commentaar van CDU-kopstukken en zelfs enkele SPD-ers.

    Het stuk viel me natuurlijk op na de uiterst bleke verkiezingscampagne in België de week daarvoor, en omdat ik er onwillekeurig een misschien bij uitstek Duitse neiging in bespeurde om zaken bij de wortel aan te pakken en man en paard te noemen. Niet alleen het gestechel over een minimumloon dat vorige week in de Bundestag de agenda beheerste, maar daarachter en daaroverheen naar de ideologische grondslagen verwijzen — ik zie het in België niet gebeuren, en in Nederland al evenmin.

    En dat dan groot aangekondigd op de voorpagina van de FAZ, en breed, breder, breedst uitgemeten op pagina 10 van het eerste katern. Een essay van een voorzitter van een politieke partij...

    Daarna wordt er naar aanleiding van zo’n essay natuurlijk ook in Duitsland het gebruikelijke spelletje ping-pong gespeeld, en uit nog heel andere dan enkel nobele motieven valt zeer goed te begrijpen waarom Beck met een dergelijk essay op de proppen kwam. Hij heeft aan de linkerzijde concurrentie gekregen van de verstoten oude partijmakker Lafontaine, die is samengegaan met de PDS van Gysi, een partij die, voor wie het zich nog herinnert, voortkwam uit de oude Oost-Duitse SED. Net als overal elders in Europa is de zich nog steeds als socialistisch afficherende SPD allang met goed fatsoen geen linkse partij meer te noemen. Schröders ‘Neue Mitte’ was net als Blairs ‘New Labour’ of Wim Koks polder-PvdA een verloochening van de socialistische ideologie (die laatste nam er zelfs met zoveel woorden letterlijk afstand van). Dat is ook waar de Vlaamse SPa ernstig aan lijdt, misschien wel juist omdat er in Vlaanderen op links geen werkelijk alternatief voorhanden is (zoals nu in Nederland de SP en in Duitsland dus sinds vrijdag de fusiepartij ‘Die Linke’). Groen! weet zich in Vlaanderen maar niet als een overtuigende politieke partij te verkopen. Ze blijft toch steeds een soort nobele ngo. Ze zegt wel graag deel te willen hebben aan de macht, maar haar optreden lijkt een angst te verbergen om de daartoe noodzakelijke spelletjes te spelen. De kopstukken druipen van Goede Bedoelingen die hen verhinderen om die met desnoods het tegendeel daarvan te verwezenlijken. Hun gelijk is voorlopig moreel (daarover bestaat bij mij geen twijfel), maar dat is nog lang geen politiek gelijk. Maar de Spa ligt, ook naar eigen zeggen, al heel lang ‘midden in het bed’ en heeft als zodanig niks werkelijk anders te bieden dan de liberale VLD, die op haar beurt pogingen onderneemt om naar dat ‘midden’ op te schuiven. (Enfin, ik mocht niet stemmen, vorige week zondag, vanwege mijn Nederlanderschap. Ik zei het al eerder: ik mag wél belasting betalen, maar niet meebeslissen over wat er met dat geld gebeurt. Tenzij ik Belg word).

    Genoeg daarover. Het ging me om een door mij meteen als weldadig ervaren breedsprakigheid in de Duitse gazetten. Uiteraard niet in alle. Ik hoef alleen Bild maar te noemen. Maar de kranten die zichzelf als kritische media serieus nemen in Duitsland hebben niet de neiging om concessies te doen aan dat deel van de pers waarvan ze zich terzelfdertijd willen blijven onderscheiden. Uiteraard is er een klein verschil tussen (hoeveel is het?) 80 miljoen Duitsers en bijvoorbeeld 10 miljoen Vlamingen of 16 miljoen Nederlanders. Men kan zich in Duitsland met een kleiner percentage lezers tevreden stellen om toch een (naar Vlaamse en ook Nederlandse begrippen) monsteroplage te hebben.

    Berlijn intussen is een stad waarin ‘het einde van de geschiedenis’ een historisch fenomeen is geworden. Toen ik er eind jaren tachtig was, nog voor de Val van de Muur, vond ik het kapitalisme op de Kurfürstendamm lichtelijk hysterisch, dat wil zeggen: excessief, overdreven, karikaturaal zelfs. Ik bracht het in verband met de daar nu eenmaal op zijn scherpst ervaren Oost-West-tegenstelling uit die jaren. Nu is het er echter nog tien keer erger. En uiteraard niet alleen daar. Ook de Alexanderplatz, na 18 jaar nog steeds, of alweer één grote bouwput, doet zijn uiterste best vooral op nog enkel een winkelcentrum te lijken.

    Gedenkstätte Mauer


    Voorts lijkt de stad, althans voor zover ze haar officiële gezicht toont, van zins om elke neiging tot ‘Ostalgie’ als iets uiterst verdachts voor te stellen. De herinneringen aan De Muur staan uiteraard allemaal in het teken van het schrikbewind van de voormalige socialistische heilsstaat, en de enkele wachttoren die er bij wijze van monument tussen inmiddels nieuw opgetrokken appartementsgebouwen nog staat, lijkt herinneringen te moeten oproepen aan een concentratiekamp, zoals ook de Gedenkstätte Berliner Mauer, waar een keurig uitgesneden stukje Muur met Todesstreifen vanaf een hoogte aan de overkant van de straat gefotografeerd kan worden, voornamelijk in het teken staat van afschuw — een soort voorgeprogrammeerde verontwaardiging.

    Het gaat me er uiteraard niet om de DDR te rehabiliteren; het gaat er om dat men in Berlijn soms doende lijkt om in de herinnering aan de deling de DDR zelf ongedaan te maken. Nee, dat zeg ik niet goed: het is meer alsof men de herdenking aanwendt om het vergeten te bevorderen. Of nog weer anders gezegd: de realiteit van die deling wordt er overal herleidt tot historisch feit compleet met de ‘juiste’ interpretaties — terwijl die deling zelf alleen werkelijk betekenis heeft in de realiteit van de ervaring.

    Zo kan men natuurlijk geen geschiedenisonderwijs geven (of überhaupt met zijn verleden omgaan) en bij de Gedenkstätte wemelde het uiteraard van de, overigens als overal elders altijd verveeld ogende schoolklassen die de trappen werden opgejaagd om er door een baardig leraarstype uitgelegd te krijgen wat daar aan de overkant van de straat nu precies te zien was. Dat maakte op de meesten nauwelijks indruk, al kun je bezwaarlijk collectief in een bus gejaagde pubers representatief noemen, natuurlijk. Maar er valt in dit opzicht meer te verwachten van de kunst, denk ik. Zowel het luchtige Goodbye Lenin van Wolfgang Becker als het meer recente Das Leben der Anderen (Florian Henckel von Donnersmarck)img-1 zijn films die aan de feiten een andere kleur geven en die zo menigmaal de ‘juistheid’ van de officiële interpretaties ondergraven. En bijvoorbeeld de nog maar juist overleden Wolfgang Hilbig was iemand die in en door zijn werk als geen ander voelbaar wist te maken wat de ervaring van de geschiedenis inhield. Zijn ’Ich’ is voor mij nog steeds één van de hoogtepunten van ‘Wende’-literatuur, omdat hij, net als toen nog de jonge Durs Grünbein, de vrijheid van het Westen al op voorhand problematiseerde (in ’Ich’ wordt de Oost-Duitse samenleving in postmoderne termen beschreven, en hij laat zo niet alleen de werkelijkheid van de Stasi-staat, maar ook de praktische consequenties van het postmodernisme zien waarmee het Westen op dat moment dweepte). Alleen zo kan er de nabijheid ontstaan die ‘historische gebeurtenissen’ van node hebben om gebeurtenissen te blijven en niet alleen historie te zijn.

    MuurMuur kerkhof


    Zelf zocht ik in Berlijn vooral naar die lange strook langs de Muur die Todesstreifen werd genoemd, en er zijn ondanks de bouwwoede van de afgelopen jaren nog verrassend veel van die braakliggende stukjes — Berlijnminnaar Armando zou zeggen: ‘schuldig landschap’ te vinden, hoe bijna landelijk ze er soms ook uitzien. Ik ben, tot mijn leedwezen, om de meeste musea heengelopen, al kon ik vanwege stukgelopen voeten niet om de tentoonstelling in het Hamburger Bahnhof heen: Schmerz heette die, met in ieder geval een indrukwekkend videowerk van Bill Viola, een in deze context plotseling erg voorspelbaar ogend drieluik van Bacon (over wie H. me ooit eens zei dat Bacon ‘te lekker’ en ‘te glad’ schilderde om de met zijn werk altijd in verband gebrachte pijn en afschuw waar te kunnen maken; ik ben er nu eens met mijn neus op gaan staan, en hij heeft een punt), en verder toch ook veel flauwekulkunst die het vooral moet hebben van de context, maar niet van zichzelf (Kassel schijnt er momenteel ook weer mee vol te staan, las ik in Die Zeit). Ik heb er ook nog even tussen Kiefers loden boeken vertoefd en ben nog door een zaaltje Beuys gestrompeld. Dan nog hinkepinkend op een trip down memory lane vanwege een verdieping schilderkunst uit de jaren tachtig: Rainer Fetting, Helmut Middendorf, Keith Haring, en nog andere ‘Neue Wilden’ (Baselitz, Penck, etc.) En dan beseffen dat hier nog steeds je hart ligt…

    Maar voor het overige geen musea; enkel stad. Eindeloze straten langs hier en daar resten Muur. En ik was het vergeten, maar grote stukken van Berlijn lijken op... laten we zeggen op Apeldoorn: lelijke blokken tussen weelderig groen. In de winter moet het in die wijken grimmig zijn, grimmiger dan in Kreuzberg, de oorspronkelijke (West-Berlijnse) Turkse wijk, zeg maar, waar ik verbleef. Ook hier opvallend veel groen (maar waarschijnlijk ben ik te gewend geraakt aan Belgische steden, en viel het me daarom zo op), maar de huizen waren minder lelijk dan in bijvoorbeeld de wijk Wedding, al gaat het ook in Kreuzberg in alle gevallen om blokken: appartementsgebouwen, niet zelden met nog een achterhuis. Maar ze zijn ouder, en daardoor... gemoedelijker? Het heeft iets van vergane glorie, en die is altijd nog glorieuzer dan de nieuwbouw zonder geschiedenis. Dit is in de winter te verdragen. Maar als in Wedding de bladeren van de bomen vallen, blijven er alleen vierkante flatgebouwen over, gebouwen die tamelijk dicht op elkaar staan ook nog.

    Berlijn is ook nog steeds de stad van excessieve graffiti — wat me (aangestoken door het symbool en de daarbij horende blikvernauwing) niets anders lijkt te kunnen zijn dan een uitloper van ‘die Mauerkunst’ die hier en daar nog gecelebreerd wordt (nog los van de gecertificeerde stukjes muur die je in plastic zakjes voor idiote prijzen kunt kopen (een stukje ter grootte van een kiezelsteen kost al gauw 5 euro — mét certificaat, dat dan weer wel); elders liggen op braakliggende stukjes land dan nog her en der stukken Muur geheel gratis onder bosjes verscholen). De trams, bussen en metrostellen worden grondig schoongemaakt, maar tijdens de schoonmaak wordt blijkbaar een deel van de ruiten mee afgeschraapt. Wat je dan krijgt is transparante graffiti: alles blijft leesbaar, maar is kleurloos geworden.

    En dan was er nog die oude dame die op een zeker moment naast mij kwam zitten in de metro. Ik schoof een stukje op. Zo dik was ze niet, zei ze, en stak van wal. Ik heb een mateloze bewondering voor mensen die in vijf minuten hun hele levensverhaal zo in grote lijnen kunnen vertellen dat je nog tien keer op dezelfde metrolijn heen en weer zou willen rijden om alle details te vernemen. Ze was eigenlijk nog nooit uit Berlijn weggeweest: niet voor, niet tijdens, niet na de oorlog. Toen ik haar vertelde dat ik Nederlander was, begon ze over haar liefde voor tulpen, en dat ze altijd al eens naar Nederland had gewild. Het zou daar zo ‘sauber’ zijn. Ik besloot meedogenloos te zijn en zei: ‘Das war einmal.’ Waarop ze wijs glimlachend en tegelijk wat mistroostig naar de punten van haar schoenen keek. Dat men toch kan dromen, zei ze.

    stufe