• Pin it!

    Work in progress (2)


    original-1


    Het blijft een vreemd bedrijf — het literaire bedrijf. Ik leg de schuld bij degenen die ons de hoogromantische ideeën over het schrijverschap hebben bijgebracht. Het heeft ons totaal niet voorbereid op de zakelijkheid van de wereld waarbinnen literatuur zijn plaats moet krijgen. En zelfs niet op de formulieren en voorwaarden van de instanties die in het leven werden geroepen om de zakelijkheid van die wereld iets te verzachten voor de gevoelige schrijverszieltjes die calculeren zo niet ronduit barbaars, dan wel ver beneden hun stand achten. Ik reken er mijzelf toe — tot die zelfbenoemde aristocratie van navel- of in-de-verte-staarders, tot degenen die hun ongeschiktheid voor wat de samenleving vraagt, nee: eist, het ultieme bewijs van hun stand vinden. Heimelijk natuurlijk. Dat wel.

    Dat ik kan foeteren op wat ‘men’ tot de topliteratuur van deze tijd meent te moeten uitroepen — het behoeft verder geen commentaar. Maar ik kan soms ook erg geïrriteerd raken door de formulieren waarin mij naar werkplannen en voortgang van de werkzaamheden wordt gevraagd. Ik behoor, zo zou ik telkens op die formulieren willen zetten, tot het type schrijver dat géén uitgewerkt plan heeft als hij ergens aan begint, alleen een vaag idee dat gaandeweg concreter wordt, of zelfs kan veranderen. Ik behoor tot het type bij wie de vorm aan de inhoud vooraf gaat en die in die zin heeft te volgen wat de geschreven tekst me dicteert. Reden waarom ik zelfs een strikt autobiografisch begonnen verhaal nooit tot een waarheidsgetrouw einde zou weten te brengen. En voor zoiets, zo wil ik dan wel eens in de beslotenheid van mijn werkvertrek min of meer luidop tegen niemand in het bijzonder zeggen: en voor een dergelijke opvatting van het schrijverschap is blijkbaar geen plaats.

    Daarop zou dan de gebruikelijke tirade kunnen volgen over de teloorgang van onze cultuur enzovoort enzoverder, waarbij elk voorbeeld om het eigen gelijk te bewijzen goed is. (Zo zag ik, ik denk eergisteren het programma ‘Dit was het nieuws’, of ‘Dat was het nieuws’, of ‘Dit is het nieuws’ — enfin, de Nederlandse versie van wat al sinds jaar en dag op de BBC ‘Have I Got News For You’ heet. Het kan uiterst geestig zijn, ook het Nederlandse programma. Maar afgelopen zaterdag, met Adriaan van Dis als één van de gasten, hoorde ik de stand-up comedian Raoul Heertje een mij verbijsterende opmerkingen maken over de te lange zinnen in Van Dis’ laatste roman. Hij begreep er helemaal niks meer van, zij hij met het bekje van een verongelijkte peuter die zijn snoep niet krijgt. Het publiek lachen natuurlijk. Van Dis kwam daar met zijn altijd wat meisjesachtig ogende verontwaardiging tegen in het geweer door te beweren dat hij helemaal geen lange zinnen schreef, terwijl hij natuurlijk het havoklantje Raoul Heertje onmiddellijk met een zin met minstens vijf bijzinnen op zijn nummer had moeten zetten.)
    (Nog erger: iemand vertelde me een bijeenkomst van Vlaamse vertalers en Nederlandse uitgevers bijgewoond te hebben, en op de vraag van één van de vertalers wat de Nederlandse uitgevers dan precies van hen verwachtten, kwam als antwoord dat iedere buitennissigheid beter vermeden werd. Daarmee werd vast ieder gallicisme, germanisme en ander barabarisme bedoeld waarmee het Vlaams gewoonlijk gekruid is, maar ook een doodgewoon woord als ‘venster’ vonden de Holanders al heel erg buitengaats; men gebruikte maar beter ‘raam’. Men zou die heerschappen toch aan iets buitennissigs opknopen, niet waar?).

    Het alternatief voor de formulieren — om even terug te keren naar waar het me om begonnen was — heet natuurlijk: vertrouwen. Schrijvers als ik, die hun boeken niet op voorhand kunnen plannen, die werken vanuit wat er zich onder hun handen vormt, willen eigenlijk op hun woord geloofd worden wanneer zij de bevoegde instanties vertellen dat het wel goed zal komen: ‘gelooft u mij toch.’

    Tegenover mensen die wat dichterbij staan, kan het nog iets grappigs hebben wanneer je — inmiddels zelf wijzer geworden en dus al op voorhand zelf grinnikend — op hun vraag waarover je boek gaat, antwoordt dat je niet het flauwste idee hebt. Of, als het werk wat is gevorderd: dat je geen idee hebt waarheen het uiteindelijk zal gaan. Wat ook niet helemaal klopt, omdat van alle dingen die althans ik gewoonlijk wél weet als ik aan iets begin, het eindpunt me wel ongeveer voor ogen... schemert. Maar als eindpunt kan het dan soms weer een sta-in-de-weg zijn, omdat de weg er naar toe zulke bochten neemt, dat het steeds onwaarschijnlijker wordt dat je er ooit nog zult geraken.

    Zoiets kan ook voor jezelf gemakkelijk tot wanhoop worden. Ik heb bijvoorbeeld nu net een aantal weken achter de rug van zwemmen zonder ook maar ergens land in zicht. Ik schreef op een dag een mooie passage van iets meer dan 3000 woorden. Een vruchtbare dag. Maar in de dagen en weken die volgden schreef ik de volgende pakweg 2000 woorden telkens opnieuw en telkens anders. En dat alles omdat de tekst na alle — denk ik toch — gerechtvaardigde uitweidingen nu om een einde vroeg, alsof al die aftakkingen, mis- en omleidingen er nu om vroegen toch althans van iets de aftakking te zijn, alsjeblieft. En ik wist het niet, terwijl ik doorschreef, weggooide, doorschreef en nog eens weg gooide en dan toch weer hernam. Ik plunderde het internet. Ik herinnerde me de boeken in de onbereikbare dozen in ons nog steeds niet weer opgebouwde huis — de boeken die ik natuurlijk had móéten meenemen, in plaats van het rijtje dat ik dacht nodig te zullen hebben toen we hier in januari naar toe verhuisden. Maar dat waren zelf allemaalafleidingen en uitvluchten.

    Intussen drong zich de afgelopen tijd de zakelijke kant van het schrijverschap nog eens met kracht op, want eigenlijk moest er nu een flaptekst, in ieder geval een catalogustekst komen, en het omslag en... jawel, auteursfoto’s. Eén en al ongemakkelijkheid in het naar hier, naar daar kijken, in het zus en zo kijken, en dan de genadeloze blik van H., die vindt dat ik op de ene foto wel heel erg mijn best doe om op een schrijver te lijken, en op een ander lijkt het alsof ik kramp heb, zo deelt ze me mee. Ik heb de keuze van een en ander dan maar overgelaten aan de uitgever en zijn, zo schreef hij, ‘hoogst professionele testpanel’ (de secretaresse? zijn dochter?) Alsook het omslag, waarop PJ, die ik het stuurde, alvast met een welgemeend ‘jakkes’ reageerde. Het is geen omslagje voor estheten, kunstliefhebbers of mensen met een meer dan gemiddeld ontwikkeld gevoel voor schoonheid. Hoewel... Het op het beoogde omslag getoonde bebroekte achterwerk bezit een zekere schoonheid, toch wel. Als het dat is. Als je zoiets zo noemt, bedoel ik. Maar het is het artistieke een eindje voorbij, zo mag je denk ik wel zeggen. Ik houd het hier nog even achter tot het definitief vastligt.

    Het... het productieschema, zo vermoed ik dat het heet... dwong me over het boek na te denken als een afgerond geheel, terwijl het nog een open zenuw was. Het enige wat je natuurlijk kunt doen, is doorschrijven, blijven wegstrepen, blijven hernemen. En juist vorige week lag het ineens voor de hand, was het onbegrijpelijk dat ik niet vanaf de eerste zin had gezien waar het boek natuurlijk moest eindigen — al bracht dat zo zijn eigen paniek met zich mee. Ik moest, ik moet onverwijld naar Berlijn om er iets op te zoeken wat in mijn herinnering niet scherp meer is, iets wat op zich niet meer in het huidige Berlijn te vinden is (mijn herinneringen dateren van, ik denk 1986, 1987, al gaat het me niet om mijn eigen herinneringen), maar wat op sommige plekken als geschiedenis nog wordt bewaard — en ook daarbuiten zijn er nog sporen. Enfin, zelf geen wandelaar zijnde: er zal gewandeld moeten worden, misschien om een straatje te vinden waar ik nooit was, maar dat het perfecte decor vormt voor wat er in het boek nog moet volgen.

    De vlucht is inmiddels besproken, onderdak geregeld, openbaar vervoer uitgezocht, adressen genoteerd, en met nog een beetje inlezen de komende dagen moet het lukken om daar over krap twee weken op eindelijk eens een efficiënte wijze dat te vinden wat ik zoek.

    En met die opluchting nadert dan weer de spijt dat ik het boek blijkbaar nu echt aan het afronden ben. Want hoezeer aanvankelijk en ook nog geruime tijd daarna zonder een duidelijk richtpunt — het schrijven is toch uiteindelijk het organiseren van een parallelle wereld waarin zelfs de bevestiging van de eigen machteloosheid tegenover... laten we zeggen: tegenover Het Lot je het gevoel geeft dat je het in eigen hand hebt.

  • Pin it!

    Temperamenten


    deromasfeerbeeld14


    Alweer meer dan ruim een week geleden op het ‘boekenbal populair’ in De Roma in Antwerpen geweest en er gesproken met onder andere David Van Reybrouck over voordehandliggende en minder voordehandliggende zaken. Aldaar gekapitteld door iemand die meende dat mijn bijdrage over mevrouw Yra van Dijk er beslist over was, ook al had ik dan overschot van gelijk, zei hij. Waarom er over? wilde ik weten. ‘Mevrouw Van Dijk!’ was het antwoord dat alles moest verklaren. Mijn onbegrip was vervolgens natuurlijk gespeeld, al blijft het merkwaardig dat een consequent gebruik van de beleefdheidsvorm als buitengewoon beledigend wordt ervaren. Zozeer dat geheel uit het oog verloren werd dat ik mevrouw Yra van Dijk verder in dat stuk nergens werkelijk beledig, alleen kapittel over het feit dat ze in de krant onverdroten leugens verkondigt. Dat ze als blijkbaar nijvere lezeres van dit log nog steeds niet het fatsoen heeft gehad zich daarvoor te excuseren, doet me geloven dat al mijn beleefdheid inderdaad vergeefse moeite was.

    Maar bon, ik begrijp het wel. Veel meer nog dan in het Hollands moeras is het hier in Vlaanderen de toon die de muziek maakt — een hardnekkig restant van een in se katholieke mentaliteit die de kerk graag in het midden houdt en liever niet zegt waar het op staat. Ik weet overigens niet wat beter is: het meer omzwachteld spreken waarbij niemand werkelijk voor het hoofd gestoten wordt zodat er altijd en overal achterdeurtjes blijven (het is wat mij hier altijd aangeraden wordt, omdat de bijval die ik in wandelgangen pleeg te krijgen, op meer openbare plekken ineens verkeert in een opmerkelijk stilzwijgen), of het zogenaamd meer robuuste en recht voor zijn raap spreken waarachter je dan weer de ‘rechthaberei’ van de oude protestant kunt ontdekken (en die wordt mij vaak onder de neus gewreven). Wat is erger: de pastoor of de dominee? Het is treurig, en het is ook hard voor al die zichzelf als buitengewoon tolerant en vooral niet-moralistisch presenterende anything goes-moralisten, al dan niet met een hang naar Gesundes Volksempfinden, maar daartussen hebben we blijkbaar te kiezen in deze contreien. En voor mijn Vlaamse vrienden kies ik blijkbaar vaak verkeerd (alsof er niet zoiets bestaat als temperament). Om het dan maar met Luther te zeggen: Hier stehe ich, ich kann nicht anders. Gott helfe mir. Amen! En dan maar hopen dat er enkelen zijn die het over de argumenten willen hebben, ondanks misschien het gebrek aan de aloude CVP-slimheid in de wijze waarop ze worden gebracht.

    Misschien komt het omdat in dit opzicht alles in de eerste plaats ‘politiek’ is, en pas daarna ‘waar’ of ‘onwaar’ in de meer ouderwetse, en misschien moet je zeggen obsoleet geworden zin van het woord. Ik sprak er afgelopen weekend nog met een andere vriend over in verband met de nakende verkiezingen hier in België. Het ging over Groen! en over hun onbegrip van de politiek; het ging over rekensommetjes waarover ik op deze plek — toen in verband met de gemeenteraadsverkiezingen — al heb beweerd dat je ze niet moest maken, zij het in het volle besef dat mijn idee van ‘de sereniteit van het kieshokje’ wellicht wat al te naïef was. De redenering was dat een stem voor Groen! een stem voor Leterme was (zoals tijdens de gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen een stem voor Groen! er één voor het VB was, zei men), en dat je je kaarten op de SPa moest zetten om althans die tsjeef van de macht te houden. Men moest, vond hij, pragmatisch zijn als het om politiek ging — in ieder geval niet zuiver ideologisch (laat staan: ideologisch zuiver). En hij heeft waarschijnlijk gelijk — al verkrijg ik het maar niet over mijn hart hem dat zonder meer te geven. Er is een hardnekkige rest die gevrijwaard wil blijven van dit soort denken. Romantiek, ongetwijfeld. Stem de violen... (Het is mij overigens niet toegestaan federaal te stemmen. Wel mag ik hier belastingen betalen, maar voor mij is het taxation without representation — ik twijfel nog of ik dit een falen van de democratie moet noemen; het is namelijk ingewikkelder dan dat).

    Intussen had ik het met D. na opruiming van enige spinnenwebben op dat bal in Antwerpen eerst nog uitgebreid over de cultuurmachine waarin je hoe dan ook, zonder er werkelijk zelf veel aan te kunnen verhelpen, verhakkeld wordt. Ook daarover had ik al eens met een ander gesproken die wat dat aangaat het klappen van de zweep kent: ‘Als ik,’ had die me gezegd, ‘tijdens een interview mijn trui uittrek omdat ik het warm heb, en de fotograaf maakt precies op dat moment een foto — hoe sta ik dan in de krant?’ Dat is natuurlijk zo, al blijft er toch een verschil met een foto waarop je je hoofd op een typmachine legt, of je laat fotograferen met een koeienhart op je hagelwitte T-shirt, om eens een ander willekeurig voorbeeld te geven. Ik moet in dit verband ook nog wel eens denken aan de foto’s die een andere auteur vroeger achterop zijn boeken zette: half weggedoken achter iets, of met alleen een enkel oog zichtbaar. Het effect daarvan was omgekeerd aan wat hij beoogde: geposeerder dan zo was moeilijk denkbaar.

    Maar natuurlijk heb ik boter op mijn hoofd. Meulenhoff liet een jaartje of drie terug een fotograaf een massa auteursfoto’s maken — en ook die fotograaf was in de eerste plaats een kunstartiest. Ik herinner me naar het oude gebouw van Standaarduitgeverij aan de Belgiëlei in Antwerpen te zijn gereden. Het was bloedheet en in een volledig verduisterde, benauwde ruimte net onder het platte dak werd mij gezegd zus of zo te kijken, vooral niet lachen alstublieft — enfin, mij werd verzocht vooral geen poging te doen om op mezelf te lijken (wat bij fotograferen sowieso al altijd neerkomt op een poging zo afgebeeld te worden als je zelf meent dat je er uitziet; voor de meesten onder ons onbegonnen werk en ook meestal een verloren zaak). Het ging niet om mij. Het ging om de fotograaf. Om zijn oog, zijn ‘handschrift’, zou je bij een schilder zeggen. Dan krijg je dit:

    Auteur.1


    Natuurlijk straalt bovenstaande prent ook nogal ‘iets’ uit, zou ik zo zeggen, en natuurlijk kun je ook dat vervolgens met mij, dat is: met mijn persoon in verband gaan brengen — en er zijn vast mensen die daar wel weg mee weten (anders wil ik op verzoek zélf wel een voorzetje geven...). Het voordeel van zo’n foto is dat ik op feestjes over het algemeen dan weer geweldig mee blijk te vallen — niet zozeer qua uiterlijk, maar qua humeur (blijkt mij althans in de wandelgangen...).

    Enfin, na de cultuurmachine kregen we het natuurlijk toch gewoon over datgene waarover het van meet af aan moest gaan: zijn boek, en vooral over het slappe koord waarop hij met deze roman probeert te lopen. Er bestaat geen riskanter genre dan de elegie, denk ik wel eens, en ook geen mooier wanneer de poging slaagt. En ook hier hangt het slagen ervan voor een niet gering deel samen met temperament — van de auteur natuurlijk, maar zeker ook van de lezer. Ik probeerde het tijdens ons gesprek nog over de boeg van de techniek te gooien, maar hij zei dat als het enkel een kwestie van techniek was er op dit punt iets te leren en te verbeteren viel, terwijl dat nu juist niet geval is. Hij heeft misschien gelijk; tot op zekere hoogte dan. Je bent vaak een blinde die tastend zijn weg zoekt — en die dus ook, om een dichter aan te halen, met een blinde mol geweldig de mist in kan gaan. De helderste formulering die ik daar ooit over las, komt nog steeds van Kouwenaar: dat het er in deze gevallen om gaat clichés waar te maken — en dat is veel moeilijker dan ze al op voorhand uit de weg gaan.

    Ik vertelde hem over Kees ’t Harts recensie in De groene (hij had hem nog niet gezien). Behalve dat het een typisch Kees-stuk was — met veel terzijdes in de trant van: ‘zo kan die wel weer’ en ‘De kunstenaar weer eens geschetst als bevlogen genie, soms zou ik daar wel graag van af willen’ — staat er aan het einde ineens een zin die mij trof, omdat ik bij lezing, zeker aanvankelijk, dezelfde neiging had. ’t Hart schreef: ‘Ik merk dat ik dit boek zwaarder begin af te vallen dan nodig is.’ Zo staat er in mijn exemplaar in potlood al op de eerste pagina dat de zinnen die daar steeds met ‘hoe’ beginnen het proza meteen ‘onverdraaglijk po-we-ties’ maken, weetjewel, en als er dan op die eerste pagina ook nog een duif tegen een raam vliegt (nadat die eerst door een ‘roetzwarte kraai’ is opgejaagd), dan ben ik over het algemeen geneigd zo’n boek snel weg te leggen. Dit ligt er meteen bij het begin zo immens dik bovenop dat het zijn doel volledig voorbijschiet.

    En die neiging te dik te smeren blijft mij als lezer verderop in het boek voortdurend hinderen: ‘Maar nu die rust voorgoed is aangebroken, voel ik elke minuut van de dag de verraderlijke golfslag van de herinnering en een permanente onderstroom van woelende wraakzuchtige lust’ — de cursiveringen zijn hier uiteraard van mij. Het zijn dit soort al te aangedikte, pathetische formuleringen die maken dat je in het boek begint op te tellen en bij elk hoopje in een hoek gewaaide bladeren, bij neerstortende regen, bij weer eens ‘onpeilbare weemoed’ geïrriteerder raakt over wat je dan van de weeromstuit steeds meer een soort... nou ja een soort, zeg maar jankproza begint te vinden. Voeg daarbij de ook door Van Dijk al opgemerkte neiging tot tegelspreuken en je noteert met je potloodje bij één van die spreuken een vet Q.E.D., zoals ik het deed bij deze sententie: ‘De diepste emoties van het moment zijn vaak de kitsch van morgen.’ Voilà! Ik zou zeggen: als je dat dan wéét, zorg dan dat het niet in kitsch ontaardt.

    Maar als gezegd: dat is slechts een optelsom van enkel het storende, pathetische, verstikkend onverdragelijk gevoelig poëtische in deze roman — een pathetiek die nergens enige relativering kent, nergens even wordt opgeheven, al was het maar door bijvoorbeeld op metaniveau even te laten merken dat je ook zelf wel weet dat dit er wel heel erg over is allemaal (een truc die me me weer doet afvragen of er niet toch meer techniek mee gemoeid is dan D. lief is?) Voor mij mislukt Slagschaduw — ik ben geneigd te zeggen: tot ín de zo bezien al te heftige titel — in wat het te gretig bij mij wil bewerkstelligen. En nu even geheel en al afgezien van de intenties van de auteur, de innerlijke noodzaak voor een boek als dit, die ik wel zie zelfs al zou ik niet weten wie David Van Reybrouck is. Daarvoor geldt trouwens het aloude reviaanse adagium: ‘echt gebeurd is geen excuus.’ Voor de pathetiek in het boek heb je de persoon van de schrijver overigens ook niet echt nodig; ze is volledig te verklaren aan de hand van de psychologie van de hoofdpersoon: een intellectueel die alles wil controleren en zich met de onmacht van zijn verdriet geen raad weet; de ‘tegelspreuken’ zijn zo bezien een wanhopige poging te controleren wat hem al is ontsnapt, en dat verklaart mede de overvloed van dikke woorden (de onvolkomenheid van de eigen uitspraken wordt al op voorhand gecounterd door er nog een schepje bovenop te doen). Maar zo geformuleerd klinkt dat bijna als een excuus voor wat desalniettemin meestentijds de tenen doet krommen. Ik bedoel: een boek over bijvoorbeeld verveling is niet geslaagd als het zelf vervelend is. (En of die intellectueel min of meer samenvalt met de auteur van vlees en bloed is, zo schreef ik al eerder, voor mij niet zo relevant in dit geheel).

    Maar het boek kent ook een andere kant, die wat lichter is — daar waar Van Reybrouck meer in de geest van de tijd relativistisch en ineens opmerkelijk vlot en grimlachend schrijft over het reilen en zeilen van het krantenbedrijf, bijvoorbeeld — en er zijn meer passages in het boek waarin hij loskomt uit de zware klei die hem meestal aan de grond houdt (de passages die meer aansluiten bij wat hij in De plaag met verve deed: hier is dat het zoeken naar het model voor het standbeeld van Gabrielle Petit). Het boek zit gewoon ook goed in elkaar, en in die passages laat Van Reybrouck zien dat hij als schrijver het nodige in zijn mars heeft. (Overigens zei hij in ons gesprek dat juist die passages over het krantenbedrijf hemzelf wat ‘te makkelijk’ waren — wat ik wel begrijp, maar ook op dat punt denk ik dat hij zich misschien vergist: werkelijk goed over het ironisch-cynische persmilieutje schrijven is minder makkelijk dan het lijkt; de kunst is namelijk om zelf niet het in die kringen inderdaad wat al te gemakkelijke cultuurrelativistische toontje aan te slaan).

    De bottom line blijft echter toch het temperament — van de auteur, van de lezer. Op zich is een boek waarin een poging wordt gedaan om een ‘Erfahrung nach dem Diktat der Dinge’ te maken, zoals Sloterdijk dat ooit noemde, waarin getracht wordt te ontkomen aan het ‘Glasperlenspiel’ waartoe een op een bepaalde manier begrepen postmodernisme ons tegenwoordig veroordeeld lijkt te hebben — op zich is zo’n boek voor mij altijd minstens interessant. Ik schreef daar al eerder over: Theunissen, Terrin, Petry, zelfs Verbeke, en ook Van Reybrouck — het zijn allemaal, de één met meer slagen om de arm dan de ander, wat je ‘zinzoekers’ kunt noemen. Zinzoekers zónder nostalgisch te willen zijn. Ze verlangen niet terug naar iets, want wat ze verlangen hebben ze zelf nooit gekend; hoogstens hebben ze erover gehoord. Ze leven vooral gewoon hun menselijk tekort uit, om het zo maar te zeggen, hun verlangen naar transcendentie, kun je ook zeggen, een transcendentie die elke mogelijkheid op legitimering kwijt is. Ik noem dat altijd de spanningsboog tussen enerzijds volstrek cynisme en anderzijds die dus onverdragelijke pathetiek. De noodzakelijke spreidstand voor de literatuur van vandaag de dag, denk ik. Hoewel de werkelijke mainstream van die literatuur vandaag de dag nog steeds bestaat uit werken waarin men wil laten zien dat ‘de waarheid’ niet bestaat. Nou, daar kijken wij niet meer van op. En ja: de identiteit is een fictie, authenticiteit bestaat niet — toe maar, hopla, doe er nog maar een paar bij. (Wat dat aangaat was het interessant om het juryrapport van de Gouden Uil te beluisteren; lange tijd waren de door de voorzitster gebruikte termen en begrippen om de toen nog onbekende winnaar te beschrijven van toepassing op alle genomineerden: ‘een boek waar je niet vrolijker van wordt, maar waar je af en toe toch wrang om moet glimlachen’, ‘een wereld zonder houvast. Een wereld van nu. Rauw, rechtdoor en zonder aarzelen’ enzovoorts enzoverder). Maar daar dwars tegenin — bijvoorbeeld door rouw, door rauw verdriet — de noodzaak voelen het unieke en authentieke toch te vinden, dat is, hoezeer het ook kan mislukken, altijd interessant (omdát het kan mislukken, denk ik).