• Pin it!

    Hoe nu?


    Van Reybroeck

    Hoe overkomt je zoiets? Hoe komt het zover dat je in een wat kaal ogende ruimte je hoofd op een typmachine legt en kwijnend in de richting van de fotograaf (de foto is van Stephan Vanfleteren) gaat liggen kijken? IJdel zijn we allemaal, maar toch ook een beetje kritisch ten aanzien van het resultaat, en zeker als schrijvers die er nog enigszins prat op gaan de aloude rol van de intellectueel te vertolken (zoals zeker Van Reybrouck met zijn tweewekelijkse opiniestukken in DM doet) zijn we ons toch ook hyperbewust van beeldvorming, dacht ik. Dus wat is er mis gegaan bij David Van Reybrouck dat hij zich op deze manier aan den volke wenst voor te doen — nog even afgezien van meer begrijpelijke, maar bij nalezing van het bijgeleverde interview (gisteren in DM) beslist te verwijderen uitglijers in het interview zelf, want voor je het weet staat er boven zo’n interview als kop: ‘Ik heb diep in mijn binnenkamer laten kijken.’ Misschien heeft hij het niet nagelezen? Misschien was het een ideetje van de eindredactie?

    Maar op die typmachine is hij toch vrijwillig zijn hoofd gaan leggen, dat kan bijna niet anders. Zou hij werkelijk op een typmachine werken? Ik herinner me dat we bij yang van Van Reybrouck toch ooit een heus in Word aangeleverd artikel kregen. Toch, Dirk Leyman in het voor interviews onontbeerlijk geworden stukje sfeerschepping voorafgaand aan de weergave van het gesprek:

    In zijn schrijfatelier in Anderlecht valt amper iets te merken van al die bedrijvigheid. De ruimte is van een weldadige en uitgepuurde kaalheid, die de geest schoonveegt. Hier is alles toegespitst op het ambacht dat de 36-jarige Van Reybrouck met een combinatie van doordachtheid en bezetenheid bedrijft. Een sierlijke Mercedesschrijfmachine staat uitnodigend op een klein metalen ambtenarenbureautje en bevat de aanzet tot een gedicht.

    Nu ik toch bezig ben: wat is dit voor sfeerscheppende poespas? Waar gaat dit over? Wat wil Leyman met alle geweld omtrent Van Reybrouck communiceren — welke Schrijver zit hij hier te scheppen, ook al wordt hij daarbij flink geholpen door de auteur zelf die, zelfs als hij héél goed weet dat er een journalist op bezoek komt, ‘een aanzet tot een gedicht’ in zijn ‘sierlijke Mercedesschrijfmachine’ laat steken — een beetje alsof Van Reybrouck een meisje verwachtte waarop hij graag een bepaalde indruk wilde maken (snel, vuil ondergoed onder het bed schoppen, overhemd nonchalent tot op het borstbeen open, of nee, toch maar niet, en dan: een aanzet tot een gedicht in de schrijfmachine steken! — dat zal haar week maken!). Leyman zelf heeft, zij het, zo lijkt het, niet dan met de nodige moeite, nog ergens in zijn lyrische verslaggeving van omgevingsfactoren toch wat kritische opmerkingen bij wat deze Schrijver zojuist heeft afgescheiden, maar lijkt zich erbij neer te hebben gelegd dat gedegen literaire kritiek van minder belang is dan een sfeerschepping die aan de Schrijver de glans van romantische heroïek verleent.

    Ah, nu zijn we er, zult u denken: de oude afgunst. Voor zover mijn irritatie over de in ijltempo al maar irrelevanter wordende literaire journalistiek die aan dit soort potsenmakerij de voorrang geeft, ook uitgelegd kan worden als de verongelijktheid van een auteur die dit soort eer niet te beurt valt — ja, waarom niet: afgunst. Ik zie in de pers boeken, boekjes, auteurs en auteurinnen de lucht ingeschreven worden op vaak volstrekt oneigenlijke gronden. En dat geldt, helaas, hier ook voor David Van Reybrouck. Ik heb het nu niet over Slagschaduw, dat ik uiteraard nog helemaal niet las (en dat in dit geheel zelfs tamelijk irrelevant lijkt te zijn) — maar De plaag was nou niet het soort meesterwerk dat Van Reybroucks huidige sterrenstatus ook maar één moment kan rechtvaardigen. Het was de aloude, overbekende reisliteratuur, zij het beslist met een aardige twist, geschreven door iemand die ontegenzeggelijk de pen kan hanteren, meermalen scherpzinnige dingen wist te zeggen, maar uiteindelijk nog maar aan het begin stond (en wat mij betreft — literair gesproken — nog steeds staat) van wat hij als schrijver zou kunnen worden. Het zou me, gezien hetgeen Van Reybrouck tot nu toe deed (en buiten wat toneelwerk is dat, alweer literair gesproken, niet zo heel veel), erg verbazen wanneer Slagschaduw het meesterwerk is waarvoor het nu al op voorhand, door het soort aandacht dat aan de auteur ervan wordt gegeven, wordt uitgekreten (waarmee ik overigens niet het omgekeerde wil beweren). Ik vrees eigenlijk dat deze overdreven aandacht er uiteindelijk toe leidt dat Van Reybrouck op een dag inderdaad zijn hoofd op de typmachine gaat leggen, want tegen je eigen beeldvorming kun je op een zeker moment niet meer opboksen.

    Goed, afgunst, bon, voor mijn part, al noem ik het om allerlei redenen liever irritatie over de oneigenlijke benadering van literatuur die ten koste gaat van welke meer literaire benadering ook. Vooral dat laatste maakt het eerste voor mij onverteerbaar. En dat Van Reybrouck als één van de nieuwe stemmen waar ook ik, zij het zonder die hysterische bewondering op grond van één boek, het nodige van verwachtte — dat Van Reybrouck daar dapper aan meedoet maakt hem in ogen van de carrièristen misschien nog eens ten overvloede tot een held, maar is voor mij een bittere teleurstelling, en bovendien de zoveelste bijdrage aan de oplossing, de verdwijning van de literatuur in het publieke domein. Dat Van Reybrouck daar zelf meermalen tegen te hoop loopt maakt het des te wranger. Een jongen die een stuk of wat gedichten publiceerde in Het Liegend Konijn en vervolgens zonder zelfs nog maar een bundel te hebben gepubliceerd zonder blikken of blozen, als was hij alreeds een arrivé, het grote podium van de Nacht van de Poëzie beklimt; een jongen die blijkbaar, getuige ook ‘de aanzet tot een gedicht’ die bij persbezoek ostentatief in zijn schrijfmachine steekt, getuige het feit dat hij zijn gedichten dus op de schrijfmachine tikt en niet gewoon op de computer, zoals de rest van zijn teksten (ook dat is een signaal, immers), heel graag naast De Schrijver als De Dichter gezien wil worden, én er mee weg komt — zo’n jongen wordt ondanks zichzelf het boegbeeld van alles wat er mis is met de literatuur van dit moment (en dat bedoel ik letterlijk: volgende week is er weer een ander die die roi, al dan niet met zijn of haar volledige instemming, krijgt toebedeeld). En dat spijt mij zeer, want vergeleken bij sommige andere circusartiesten in het literaire bedrijf heb ik bij Van Reybrouck toch altijd het gevoel dat hij iemand is die eigenlijk aan de... enfin, aan de goede kant zou moeten staan.

    Enige tijd terug schreef ik in DM, in de reeks ‘De dingen’, het volgende stuk. Zoals BB al eens tegen me zei: zulke stukken staan er dan toch ook in. Ja, dat wel, zulke stukken staan er ook in. Dat is zo, ja. Uiteraard.

    HULDE AAN EEN WISSELBEKER

    Schur

    Het is hoog tijd dat de Karel Schurmansprijs nu eindelijk eens serieus wordt ingesteld. Er zijn natuurlijk al veel te veel literaire prijzen — vooral veel te veel verkeerde prijzen. Bijvoorbeeld prijzen waarvoor men eerst genomineerd wordt om ze vervolgens mis te lopen. Prijzen waarvoor men aanvankelijk zelfs geprenomineerd wordt (bloemen van de uitgever!) om uiteindelijk niet eens genomineerd te raken (boek in de ramsj). Er zijn lange en korte lijsten met kanshebbers en toekomstige afvallers (verliezers, zou Charles Ducal zeggen). Er zijn — o gruwel — publieksprijzen, waarbij kwantiteit en kwaliteit principieel met elkaar worden verward, want aan elkaar gelijk worden gesteld. Het feit dat ‘de meeste mensen’ iets ‘mooi’ of ‘goed’ of ‘leuk’ vinden (of de auteur in kwestie aardig, sexy, bloedmooi of botergeil), danwel dat bepaalde auteurs gratis stickers, viltstiften en andere spiegeltjes en kraaltjes aan de culturele inboorlingen hebben uitgedeeld in ruil voor hun stem, is in dit geval voldoende voor veel aandacht in de altijd brave, volgzame media voor wat dan plotseling het ‘beste’ gedicht of boek heet te zijn (maar het zelden of nooit is).

    Natuurlijk was de Schurmansprijs die Yves Petry in 2001 eerst zelf instelde en vervolgens aan zichzelf toekende voor zijn tweede roman
    Gods eigen muziek in de eerste plaats een goede grap, een plaagstoot in de richting van het prijzencircus en het nominatiecircuit, als men wil. In die zin was het natuurlijk ook meteen een kritische kanttekening bij het reilen en zeilen van de literatuur- en cultuurindustrie. Want men trapte er in. Wie bijgaande foto van de bij de prijs behorende trofee met een vergrootglas bekijkt, ziet in de glimmende goudkleurige kelk het vervormde, ik meen: grijnzende spiegelbeeld van de auteur achter zijn camera.

    Een andere interpretatie is vanwege die, althans voor literaire prijzen, potsierlijk ogende (wissel?)beker haast niet mogelijk. U weet toch dat literaire prijzen meestal met een artistiek verantwoorde ‘sculptuur’ geleverd worden? Of met één of andere bronzen penning? Op zijn minst met een schoon gecalligrafeerde oorkonde? Nog nooit zagen wij Hugo Claus op het balkon van ’t Schoon Verdiep voor een wild enthousiaste menigte een Europacup-achtig kleinood omhoog houden — en als dat iemand had kunnen overkomen, is het Claus wel. Met zo’n beker aankomen, is op voorhand de draak steken met de literaire prijzenregen.

    Maar behalve als een ludieke vorm van kritiek, met natuurlijk toch een serieuze, zeg maar cultuurkritische ondertoon, was de Karel Schumansprijs van meet af aan ook nog iets anders.

    Ja, óók uitdrukking van een zekere verongelijktheid over het feit dat Petry met zijn boek door geen van de grote tombolaprijzen (Gouden Uil, Libris etc.) zelfs maar was opgemerkt (ook zijn vorig jaar verschenen
    De achterblijver werd dit jaar door de jury van de Gouden Uil weer royaal over het hoofd gezien). Zijn hooghartige commentaar bij zijn zelfuitreiking — ‘het moest er eens van komen, voor iemand met mijn gaven’ — kan nog steeds als een staaltje van ironie worden uitgelegd, als hoogdravendheid met een grinnik, maar verwijst toch ook naar een innerlijke overtuiging die nauw aansluit bij wat Petry’s werk uitstraalt.

    Petry is één van die nieuwe schrijvers die onomwonden op ‘het literaire’ gericht is (anderen zijn bijvoorbeeld Jeroen Theunissen of Peter Terrin). En dat ‘literaire’ begint met het besef dat stijl voor inhoud komt, dat hóé iets is geschreven allesbepalend is voor wát er uiteindelijk wordt gezegd. Petry herhaalde het recentelijk nog eens op de Volkskrantblog die hij een week lang, na het winnen van de BNG-literatuurprijs (en die bestaat wel), mocht bijhouden. De gedachte dat het in literatuur om ‘de inhoud’ zou gaan (een bijproduct van een journalistieke omgang met literatuur: de krant reduceert alles, en zeker literatuur, het liefst tot een boodschap, zelf maar al te vaak vergetend dat ook zij haar eigen boodschappen een allesbepalende vorm geeft) vond Petry getuigen ‘van een volslagen onbegrip van wat literatuur is en zijn moet.’ En hij voegde er aan toe: ‘Jawel, tolerante, ruimdenkende lezer: zijn moét.’

    Het is niet verstandig zoiets te schrijven, al is het me uit het hart gegrepen. Het is onverstandig omdat de nadruk op stijl je in de ogen van velen — blijkbaar niet in de laatste plaats van juryleden — tot een schoonschrijver maakt, zo’n ivorentoren-onanist die geen ruk om de wereld geeft, een estheticist, een enkel-maar-papierkrabbelaar die op de rug van de eerlijke hardwerkende Vlaming zijn subsidies binnenhaalt.

    Maar met schoonschrijverij in die zin heeft het weinig van doen.
    De achterblijver kan bijvoorbeeld gemakkelijk wedijveren met de ophefmakende, inhoudelijk relevant genoemde laatste roman van Houellebecq, en wint het dan op heel veel punten. Omdat bij vergelijking blijkt dat Petry kan schrijven terwijl Houellebecq daarnaast nu juist vaak zo’n wat stumperige papierkrabbelaar blijkt te zijn. En als het enkel zou gaan om inhoud (er vallen op thematisch vlak enkele overeenkomsten tussen Mogelijkheid van een eiland en De achterblijver waar te nemen) heeft de scherpte en precisie van Petry’s formulering meer impact dan de in dit opzicht zoveel mindere Houellebecq.

    ‘Zonder stijl is er geen avontuur, niet voor de lezer en zeker niet voor de schrijver. Stijl is de manier waarop hij zich beweegt over een blanco land op zoek naar verborgen betekenissen,’ schreef Petry op de Volkskrantblog, en precies dat is de enige rechtvaardiging die literatuur voor haar eigen bestaan nodig heeft. Ze legt bloot wat in de journalistieke, de politieke, de alledaagse werkelijkheid van vandaag verborgen blijft, precies omdat ze de (daar vaak verborgen of verzwegen) vooronderstellingen die aan die werkelijkheden ten grondslag liggen terzijde heeft geschoven. Ze vindt de wereld zoals zij is opnieuw uit: als iets dat bij alles wat ogenschijnlijk gelijk bleef toch anders blijkt te zijn. Juist daarom is ze relevant: om de afstand die ze schept tot ons eigen, vaak niet nader overdachte concept van de realiteit, om de botsing of wrijving tussen de literaire en de alledaagse werkelijkheid. Het is door die afstand en in die botsing dat we ons pas bewust worden van onze eigen vooronderstellingen, van de beperktheid of willekeur ervan, of van de toevalligheid of intolerantie ervan.

    Het ‘literaire’ van literatuur lijkt nauwelijks nog van tel als de prijzen worden verdeeld. Juryrapporten hebben het tegenwoordig veelvuldig over maatschappelijke relevantie of over de authenticiteit van verwoorde gevoelens, maar zelden over de gebruikte literaire middelen die voor de werkelijke relevantie en authenticiteit van een boek allesbepalend zijn. En daarom wordt het hoog tijd dat de Karel Schurmansprijs nu eindelijk eens serieus wordt ingesteld — inclusief die wisselbeker en met een vette geldprijs (er is geen reden om daar in neo-liberale tijden literair over te doen). Dat we hem voluit noemen: De Karel Schurmansprijs voor Literariteit. En Petry mag wat mij betreft na de grap in 2001 nu het plezier smaken die eerste echte Schurmansprijs daadwerkelijk in ontvangst te nemen. Al is dat aan de jury, natuurlijk.

  • Pin it!

    Renouveau (2)


    ‘Als wij (en onze literatuur) voorbij zijn, zouden we dat besef dan niet moeten meenemen in wat we doen en nog zullen willen schrijven? Of deden en doen we dat al?’ vroeg mij Huub Beurskens naar aanleiding van mijn opmerkingen op 1 februari over ons literatuurbegrip en de verbondenheid met de (voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbije?) Romantiek. Het gaat daarbij denk ik eerder om de context waarbinnen teksten worden gerecipieerd, dan om die waarbinnen ze worden gemaakt. Iedere zichzelf respecterende schrijver heeft nog steeds die met de Romantische beginselen verbonden idee van een missie — de gedachte dat hij de wereld iets te vertellen heeft en dat zijn werk op een bepaalde, laten we zeggen: literaire wijze, aan die wereld, of aan het beeld van die wereld bijdraagt. De grote discussies binnen de literatuur zoals we die kennen gingen niet alleen over de vraag of je bijvoorbeeld de eerste persoon enkelvoud nog wel in poëzie kon gebruiken, maar vooral over wat het gebruik daarvan impliceerde voor het beeld van de werkelijkheid dat je creëerde.

    Het is natuurlijk wat kort door de bocht allemaal, maar het (vooral westerse) idee van literatuur heeft altijd gesteund op de gedachte dat het ging om afbeelding van de werkelijkheid. Voor zover die niet betwijfeld werd, ging het om principes waarmee die onbetwijfelbare werkelijkheid kon worden afgebeeld (een poëtica was een leerboek, een handboek bijna, waaruit je de kneepjes van het vak kon leren; misschien dat de huidige schrijversvakschool naar dat idee is teruggekeerd?) Maar juist dat verandert in en met de Romantiek (de schrijversvakschool is preromantisch? crypto-(neo)classicistisch?). Die overgang is op vele manieren beschreven, metaforisch als die van literatuur als spiegel naar literatuur als lamp, als de overgang van afbeelding naar projectie dus, van eenvoudige weergave naar bewuste constructie, en — om een in de specifiek Nederlandse literatuur erg beladen begrippenpaar te gebruiken — als die van afbeelding naar verbeelding (voor wie zich het gesteggel daarover nog herinnert, althans). Etcetera. Je kunt ook zeggen: sinds de Romantiek is literatuur expliciet ideologisch geladen — wat vooral betekent: dat er sindsdien expliciet met dat bewustzijn naar wordt gekeken.

    X_768-8_M199 lamp150-15

    De toekenning van kwaliteit aan een tekst is sindsdien dan ook altijd meer dan enkel de vaststelling dat de auteur in kwestie een goede zin kon produceren, of een goed, volgens bepaalde principes opgebouwd verhaal kon vertellen, enzovoorts. Het ging ook om wat hij uitdrukte, om de ideologische implicaties van zijn fictie (of zijn gedichten). Als Beurskens op een zeker moment zijn Charme schrijft (1988) kun je dat lange gedicht opvatten als een wending in zijn werk (al hoeft dat niet per se), en het is er één die implicaties heeft voor het in dat werk tot uitdrukking gebrachte wereldbeeld. Niet dat dat nou zo schokkend verandert, maar het maakt verschil of je achter zijn gedichten vooral Gottfried Benn ziet opduiken of vooral Gerard Manley Hopkins — niet alleen vanwege het uitgebeende van de één en de overvolheid van de ander, niet alleen vanwege het stijlaspect derhalve, maar ook vanwege wat één en ander impliceert voor de wereld die zo gestalte krijgt. (Enfin: vorm is inhoud).

    180px-Gottfried_Benn_by_Tobias_Falberg_26-11-05 Resize of charme 180px-GerardManleyHopkins

    Waar het mij nu om gaat, is dat de context waarbinnen er momenteel naar literatuur wordt gekeken precies dit ideologische aspect van literatuur overboord heeft gezet. Of liever: dat aspect lijkt niet langer bepalend voor de vaststelling van kwaliteit. Het is, alweer, vast en zeker te kort door de bocht om nu te zegggen dat voor de kwaliteit van een werk de kwantiteit bepalend is geworden. Het wordt vaak genoeg gesuggereerd (in de trant van: de kritiek sabelde het neer, maar zo-en-zoveel duizenden (tienduizenden, honderdduizenden) kochten het boek, en dus…), maar het is iets wat je maar beter niet hardop zegt op gevaar van culturele uitsluiting.

    dayVan een werkelijke reactie op wat je het einde van de Romantiek kunt noemen (en nogmaals: van alles wat je daaronder kunt rekenen: modernisme, avant-garde, postmodernisme), zie ik in de literatuur (althans: aan de schrijf-, de perceptiekant ervan) nog niet zo heel veel — of het moeten de escapades van bijvoorbeeld een Kenneth Goldsmith zijn — in de laatste yang ‘een mimetisch dichter’ genoemd, maar je zou hem ook met gemak de grote overschrijver kunnen noemen (ook in yang: een fragment uit Day, een werk dat bestaat uit de pagina voor pagina overgeschreven New York Times die op 11 september 2001 verscheen — en dus géén nieuws van 9/11 zelf bevat). In het interview dat Sarah Posman met hem had (hier in het Engels op Goldsmith’s eigen site) stelt hij onder meer dat het in de toekomst machines zijn die zullen schrijven, en dat er nood is aan goede machineoperatoren.

    De taak van schrijvers is het onderhoud van machines. Het is hun verantwoordelijkheid dat de machines goed presteren. Het is aan ons de programma’s te schrijven die uiteindelijk zelf zullen leren schrijven. Van zodra de machines goed draaien kunnen we ze hun ding laten doen en iets anders zoeken om ons mee bezig te houden. Maar dat is toekomstmuziek en er is nog genoeg onderhoud te doen tussen dan en nu.

    Dat is afzien van authenticiteit, representatie en alle andere met literatuur verbonden grote kwesties. Het is, zou je kunnen zeggen, een soort volautomatische gedigitaliseerde schrijversvakschool, ongeveer op de wijze van de Postmodernisme Generator
    Toch zie je ook bij Goldsmith dat zijn afrekening met de twintigste eeuwse literatuur en daarvoor zelf in het teken blijft staan van het Romantische literatuurbegrip, inclusief het actie-reactie-patroon dat de literatuurgeschiedschrijving sinds de Romantiek heeft beheerst. ‘Ik reken mezelf tot de eerste generatie vernieuwende schrijvers na het modernisme,’ schrijft hij (Language Poetry ziet hij namelijk — ik denk: terecht — ‘als de laatste opstoot van modernisme’),

    en stel vast dat er ons een grote uitdaging te wachten staat: wat moeten we doen met de nalatenschap van de twintigste eeuw, de vernieling en vernietiging van de taal? Moeten we de taal steeds maar verder blijven vergruizelen of is het tijd voor een andere aanpak? Ik vind dat we de taal opnieuw als een geheel moeten gaan zien – syntactisch en grammaticaal intact – zonder hierbij de barstjes in het opgelapte linguïstieke vaatwerk te negeren. Hiervoor is er nood aan een tegendraadse strategie: vervreemding en stuurloosheid in de plaats van vernieling. Het onsaaie saaie, oncreatief schrijven, en waardeloze taal zijn stuk voor stuk methodes die de stuurloosheid bevorderen opdat we onze normatieve relatie met de taal zouden herzien.

    ‘Het onsaaie saaie’, ‘het onsaaie oncreatieve’, je zou hier zelfs kunnen denken: het bij uitstek creatieve oncreatieve — het duidt op een behoefte aan vooruitgang die typisch is voor alle binnen het romantisch paradigma geschreven literatuur. Zoals ‘ready-mades’ (want zo oud is Goldsmith’s idee dan ook wel weer) altijd de — hoe heet dat deftig? de museale context nodig hebben om interessant én kunst te worden.

    De afrekening met het romantisch paradigma waaruit ons literatuurbegrip voortkomt trekt met andere woorden nog steeds een zware wissel op dat paradigma zelf (alsof we ‘literatuur’ inderdaad niet buiten die context om kunnen denken) — en voor zover dat paradigma aan de receptiekant steeds meer wijkt voor platte marktwerking, kun je alleen maar zeggen dat de triomf van het laatste de feitelijke afschaffing van het eerste betekent.

    Of we moeten gokken op zoiets vaags als ‘de menselijke natuur’ (die dan weer door anderen allang als een eveneens historische constructie is ontmaskerd) en die natuur hardnekkig blijven omschrijven als verbonden met een scherp ervaren tekort — een tekort dat verhalen noodzakelijk maakt. Dat is natuurlijk romantisch, al te romantisch — maar laten we hopen dat Sennett gelijk heeft: die voorspelt in De cultuur van het nieuwe kapitalisme dat ons economisch systeem vanwege de flagrante ongelijkheid die het creëert onvermijdelijk op een crash afstevent. Al is 'hoop' hier een wat raar woord als ik me de realiteit van zo'n crash probeer voor te stellen. En vermoed ik bovendien dat als die crash daar is, literatuur voorlopig even echt van de agenda verdwenen zal zijn.

    200px-NewCapitalism