08-03-07

Hoe nu?


Van Reybroeck

Hoe overkomt je zoiets? Hoe komt het zover dat je in een wat kaal ogende ruimte je hoofd op een typmachine legt en kwijnend in de richting van de fotograaf (de foto is van Stephan Vanfleteren) gaat liggen kijken? IJdel zijn we allemaal, maar toch ook een beetje kritisch ten aanzien van het resultaat, en zeker als schrijvers die er nog enigszins prat op gaan de aloude rol van de intellectueel te vertolken (zoals zeker Van Reybrouck met zijn tweewekelijkse opiniestukken in DM doet) zijn we ons toch ook hyperbewust van beeldvorming, dacht ik. Dus wat is er mis gegaan bij David Van Reybrouck dat hij zich op deze manier aan den volke wenst voor te doen — nog even afgezien van meer begrijpelijke, maar bij nalezing van het bijgeleverde interview (gisteren in DM) beslist te verwijderen uitglijers in het interview zelf, want voor je het weet staat er boven zo’n interview als kop: ‘Ik heb diep in mijn binnenkamer laten kijken.’ Misschien heeft hij het niet nagelezen? Misschien was het een ideetje van de eindredactie?

Maar op die typmachine is hij toch vrijwillig zijn hoofd gaan leggen, dat kan bijna niet anders. Zou hij werkelijk op een typmachine werken? Ik herinner me dat we bij yang van Van Reybrouck toch ooit een heus in Word aangeleverd artikel kregen. Toch, Dirk Leyman in het voor interviews onontbeerlijk geworden stukje sfeerschepping voorafgaand aan de weergave van het gesprek:

In zijn schrijfatelier in Anderlecht valt amper iets te merken van al die bedrijvigheid. De ruimte is van een weldadige en uitgepuurde kaalheid, die de geest schoonveegt. Hier is alles toegespitst op het ambacht dat de 36-jarige Van Reybrouck met een combinatie van doordachtheid en bezetenheid bedrijft. Een sierlijke Mercedesschrijfmachine staat uitnodigend op een klein metalen ambtenarenbureautje en bevat de aanzet tot een gedicht.

Nu ik toch bezig ben: wat is dit voor sfeerscheppende poespas? Waar gaat dit over? Wat wil Leyman met alle geweld omtrent Van Reybrouck communiceren — welke Schrijver zit hij hier te scheppen, ook al wordt hij daarbij flink geholpen door de auteur zelf die, zelfs als hij héél goed weet dat er een journalist op bezoek komt, ‘een aanzet tot een gedicht’ in zijn ‘sierlijke Mercedesschrijfmachine’ laat steken — een beetje alsof Van Reybrouck een meisje verwachtte waarop hij graag een bepaalde indruk wilde maken (snel, vuil ondergoed onder het bed schoppen, overhemd nonchalent tot op het borstbeen open, of nee, toch maar niet, en dan: een aanzet tot een gedicht in de schrijfmachine steken! — dat zal haar week maken!). Leyman zelf heeft, zij het, zo lijkt het, niet dan met de nodige moeite, nog ergens in zijn lyrische verslaggeving van omgevingsfactoren toch wat kritische opmerkingen bij wat deze Schrijver zojuist heeft afgescheiden, maar lijkt zich erbij neer te hebben gelegd dat gedegen literaire kritiek van minder belang is dan een sfeerschepping die aan de Schrijver de glans van romantische heroïek verleent.

Ah, nu zijn we er, zult u denken: de oude afgunst. Voor zover mijn irritatie over de in ijltempo al maar irrelevanter wordende literaire journalistiek die aan dit soort potsenmakerij de voorrang geeft, ook uitgelegd kan worden als de verongelijktheid van een auteur die dit soort eer niet te beurt valt — ja, waarom niet: afgunst. Ik zie in de pers boeken, boekjes, auteurs en auteurinnen de lucht ingeschreven worden op vaak volstrekt oneigenlijke gronden. En dat geldt, helaas, hier ook voor David Van Reybrouck. Ik heb het nu niet over Slagschaduw, dat ik uiteraard nog helemaal niet las (en dat in dit geheel zelfs tamelijk irrelevant lijkt te zijn) — maar De plaag was nou niet het soort meesterwerk dat Van Reybroucks huidige sterrenstatus ook maar één moment kan rechtvaardigen. Het was de aloude, overbekende reisliteratuur, zij het beslist met een aardige twist, geschreven door iemand die ontegenzeggelijk de pen kan hanteren, meermalen scherpzinnige dingen wist te zeggen, maar uiteindelijk nog maar aan het begin stond (en wat mij betreft — literair gesproken — nog steeds staat) van wat hij als schrijver zou kunnen worden. Het zou me, gezien hetgeen Van Reybrouck tot nu toe deed (en buiten wat toneelwerk is dat, alweer literair gesproken, niet zo heel veel), erg verbazen wanneer Slagschaduw het meesterwerk is waarvoor het nu al op voorhand, door het soort aandacht dat aan de auteur ervan wordt gegeven, wordt uitgekreten (waarmee ik overigens niet het omgekeerde wil beweren). Ik vrees eigenlijk dat deze overdreven aandacht er uiteindelijk toe leidt dat Van Reybrouck op een dag inderdaad zijn hoofd op de typmachine gaat leggen, want tegen je eigen beeldvorming kun je op een zeker moment niet meer opboksen.

Goed, afgunst, bon, voor mijn part, al noem ik het om allerlei redenen liever irritatie over de oneigenlijke benadering van literatuur die ten koste gaat van welke meer literaire benadering ook. Vooral dat laatste maakt het eerste voor mij onverteerbaar. En dat Van Reybrouck als één van de nieuwe stemmen waar ook ik, zij het zonder die hysterische bewondering op grond van één boek, het nodige van verwachtte — dat Van Reybrouck daar dapper aan meedoet maakt hem in ogen van de carrièristen misschien nog eens ten overvloede tot een held, maar is voor mij een bittere teleurstelling, en bovendien de zoveelste bijdrage aan de oplossing, de verdwijning van de literatuur in het publieke domein. Dat Van Reybrouck daar zelf meermalen tegen te hoop loopt maakt het des te wranger. Een jongen die een stuk of wat gedichten publiceerde in Het Liegend Konijn en vervolgens zonder zelfs nog maar een bundel te hebben gepubliceerd zonder blikken of blozen, als was hij alreeds een arrivé, het grote podium van de Nacht van de Poëzie beklimt; een jongen die blijkbaar, getuige ook ‘de aanzet tot een gedicht’ die bij persbezoek ostentatief in zijn schrijfmachine steekt, getuige het feit dat hij zijn gedichten dus op de schrijfmachine tikt en niet gewoon op de computer, zoals de rest van zijn teksten (ook dat is een signaal, immers), heel graag naast De Schrijver als De Dichter gezien wil worden, én er mee weg komt — zo’n jongen wordt ondanks zichzelf het boegbeeld van alles wat er mis is met de literatuur van dit moment (en dat bedoel ik letterlijk: volgende week is er weer een ander die die roi, al dan niet met zijn of haar volledige instemming, krijgt toebedeeld). En dat spijt mij zeer, want vergeleken bij sommige andere circusartiesten in het literaire bedrijf heb ik bij Van Reybrouck toch altijd het gevoel dat hij iemand is die eigenlijk aan de... enfin, aan de goede kant zou moeten staan.

Enige tijd terug schreef ik in DM, in de reeks ‘De dingen’, het volgende stuk. Zoals BB al eens tegen me zei: zulke stukken staan er dan toch ook in. Ja, dat wel, zulke stukken staan er ook in. Dat is zo, ja. Uiteraard.

HULDE AAN EEN WISSELBEKER

Schur

Het is hoog tijd dat de Karel Schurmansprijs nu eindelijk eens serieus wordt ingesteld. Er zijn natuurlijk al veel te veel literaire prijzen — vooral veel te veel verkeerde prijzen. Bijvoorbeeld prijzen waarvoor men eerst genomineerd wordt om ze vervolgens mis te lopen. Prijzen waarvoor men aanvankelijk zelfs geprenomineerd wordt (bloemen van de uitgever!) om uiteindelijk niet eens genomineerd te raken (boek in de ramsj). Er zijn lange en korte lijsten met kanshebbers en toekomstige afvallers (verliezers, zou Charles Ducal zeggen). Er zijn — o gruwel — publieksprijzen, waarbij kwantiteit en kwaliteit principieel met elkaar worden verward, want aan elkaar gelijk worden gesteld. Het feit dat ‘de meeste mensen’ iets ‘mooi’ of ‘goed’ of ‘leuk’ vinden (of de auteur in kwestie aardig, sexy, bloedmooi of botergeil), danwel dat bepaalde auteurs gratis stickers, viltstiften en andere spiegeltjes en kraaltjes aan de culturele inboorlingen hebben uitgedeeld in ruil voor hun stem, is in dit geval voldoende voor veel aandacht in de altijd brave, volgzame media voor wat dan plotseling het ‘beste’ gedicht of boek heet te zijn (maar het zelden of nooit is).

Natuurlijk was de Schurmansprijs die Yves Petry in 2001 eerst zelf instelde en vervolgens aan zichzelf toekende voor zijn tweede roman
Gods eigen muziek in de eerste plaats een goede grap, een plaagstoot in de richting van het prijzencircus en het nominatiecircuit, als men wil. In die zin was het natuurlijk ook meteen een kritische kanttekening bij het reilen en zeilen van de literatuur- en cultuurindustrie. Want men trapte er in. Wie bijgaande foto van de bij de prijs behorende trofee met een vergrootglas bekijkt, ziet in de glimmende goudkleurige kelk het vervormde, ik meen: grijnzende spiegelbeeld van de auteur achter zijn camera.

Een andere interpretatie is vanwege die, althans voor literaire prijzen, potsierlijk ogende (wissel?)beker haast niet mogelijk. U weet toch dat literaire prijzen meestal met een artistiek verantwoorde ‘sculptuur’ geleverd worden? Of met één of andere bronzen penning? Op zijn minst met een schoon gecalligrafeerde oorkonde? Nog nooit zagen wij Hugo Claus op het balkon van ’t Schoon Verdiep voor een wild enthousiaste menigte een Europacup-achtig kleinood omhoog houden — en als dat iemand had kunnen overkomen, is het Claus wel. Met zo’n beker aankomen, is op voorhand de draak steken met de literaire prijzenregen.

Maar behalve als een ludieke vorm van kritiek, met natuurlijk toch een serieuze, zeg maar cultuurkritische ondertoon, was de Karel Schumansprijs van meet af aan ook nog iets anders.

Ja, óók uitdrukking van een zekere verongelijktheid over het feit dat Petry met zijn boek door geen van de grote tombolaprijzen (Gouden Uil, Libris etc.) zelfs maar was opgemerkt (ook zijn vorig jaar verschenen
De achterblijver werd dit jaar door de jury van de Gouden Uil weer royaal over het hoofd gezien). Zijn hooghartige commentaar bij zijn zelfuitreiking — ‘het moest er eens van komen, voor iemand met mijn gaven’ — kan nog steeds als een staaltje van ironie worden uitgelegd, als hoogdravendheid met een grinnik, maar verwijst toch ook naar een innerlijke overtuiging die nauw aansluit bij wat Petry’s werk uitstraalt.

Petry is één van die nieuwe schrijvers die onomwonden op ‘het literaire’ gericht is (anderen zijn bijvoorbeeld Jeroen Theunissen of Peter Terrin). En dat ‘literaire’ begint met het besef dat stijl voor inhoud komt, dat hóé iets is geschreven allesbepalend is voor wát er uiteindelijk wordt gezegd. Petry herhaalde het recentelijk nog eens op de Volkskrantblog die hij een week lang, na het winnen van de BNG-literatuurprijs (en die bestaat wel), mocht bijhouden. De gedachte dat het in literatuur om ‘de inhoud’ zou gaan (een bijproduct van een journalistieke omgang met literatuur: de krant reduceert alles, en zeker literatuur, het liefst tot een boodschap, zelf maar al te vaak vergetend dat ook zij haar eigen boodschappen een allesbepalende vorm geeft) vond Petry getuigen ‘van een volslagen onbegrip van wat literatuur is en zijn moet.’ En hij voegde er aan toe: ‘Jawel, tolerante, ruimdenkende lezer: zijn moét.’

Het is niet verstandig zoiets te schrijven, al is het me uit het hart gegrepen. Het is onverstandig omdat de nadruk op stijl je in de ogen van velen — blijkbaar niet in de laatste plaats van juryleden — tot een schoonschrijver maakt, zo’n ivorentoren-onanist die geen ruk om de wereld geeft, een estheticist, een enkel-maar-papierkrabbelaar die op de rug van de eerlijke hardwerkende Vlaming zijn subsidies binnenhaalt.

Maar met schoonschrijverij in die zin heeft het weinig van doen.
De achterblijver kan bijvoorbeeld gemakkelijk wedijveren met de ophefmakende, inhoudelijk relevant genoemde laatste roman van Houellebecq, en wint het dan op heel veel punten. Omdat bij vergelijking blijkt dat Petry kan schrijven terwijl Houellebecq daarnaast nu juist vaak zo’n wat stumperige papierkrabbelaar blijkt te zijn. En als het enkel zou gaan om inhoud (er vallen op thematisch vlak enkele overeenkomsten tussen Mogelijkheid van een eiland en De achterblijver waar te nemen) heeft de scherpte en precisie van Petry’s formulering meer impact dan de in dit opzicht zoveel mindere Houellebecq.

‘Zonder stijl is er geen avontuur, niet voor de lezer en zeker niet voor de schrijver. Stijl is de manier waarop hij zich beweegt over een blanco land op zoek naar verborgen betekenissen,’ schreef Petry op de Volkskrantblog, en precies dat is de enige rechtvaardiging die literatuur voor haar eigen bestaan nodig heeft. Ze legt bloot wat in de journalistieke, de politieke, de alledaagse werkelijkheid van vandaag verborgen blijft, precies omdat ze de (daar vaak verborgen of verzwegen) vooronderstellingen die aan die werkelijkheden ten grondslag liggen terzijde heeft geschoven. Ze vindt de wereld zoals zij is opnieuw uit: als iets dat bij alles wat ogenschijnlijk gelijk bleef toch anders blijkt te zijn. Juist daarom is ze relevant: om de afstand die ze schept tot ons eigen, vaak niet nader overdachte concept van de realiteit, om de botsing of wrijving tussen de literaire en de alledaagse werkelijkheid. Het is door die afstand en in die botsing dat we ons pas bewust worden van onze eigen vooronderstellingen, van de beperktheid of willekeur ervan, of van de toevalligheid of intolerantie ervan.

Het ‘literaire’ van literatuur lijkt nauwelijks nog van tel als de prijzen worden verdeeld. Juryrapporten hebben het tegenwoordig veelvuldig over maatschappelijke relevantie of over de authenticiteit van verwoorde gevoelens, maar zelden over de gebruikte literaire middelen die voor de werkelijke relevantie en authenticiteit van een boek allesbepalend zijn. En daarom wordt het hoog tijd dat de Karel Schurmansprijs nu eindelijk eens serieus wordt ingesteld — inclusief die wisselbeker en met een vette geldprijs (er is geen reden om daar in neo-liberale tijden literair over te doen). Dat we hem voluit noemen: De Karel Schurmansprijs voor Literariteit. En Petry mag wat mij betreft na de grap in 2001 nu het plezier smaken die eerste echte Schurmansprijs daadwerkelijk in ontvangst te nemen. Al is dat aan de jury, natuurlijk.

14:28 Gepost door MR | Permalink | Commentaren (11) | Email dit |  Facebook

Commentaren

Mij ook het hart gegrepen. Het is opvallend dat de enige prijs die expliciet de literariteit (om dat mooie woord maar aan te houden) van een werk beoordeelt, de als flauw en studentikoos opgevatte prijs voor de beste en slechtste seksscène is.
Maatschappelijke relevantie als literair criterium? Ik ben er inmiddels toe geneigd te zeggen dat hoe maatsch. relevanter, hoe minder literair een werk is - ja, dat zou zelfs als wet geformuleerd kunnen worden.
Intussen valt me ook een treffende overeenkomst op tussen de passage over stijl en het volgende van mijn ouweheer, als ik die nog eens mag citeren:
'Stijl is niets anders dan inzicht in wat een situatie, reëel of verbeeld, van iemands artistieke vermogens mag vergen. Stijl vergt van iemand weerstand tegen de onmiddellijke emotie. Stijl schept daardoor afstand tussen de artistieke creatie en de natuur. Stijl geeft krachtens dit afstand scheppende vermogen alleen maar betekenis aan die kanten van de realiteit die niet van deze wereld zijn. (...) Alleen stijl kan ons doen geloven in de niet bestaande wereld van de artistieke schepping. Daarom moet men, bij A. Roland Holst bij voorbeeld, niet kijken in hoeverre de Keltische mythologie in zijn werk verwerkt is maar hoe ze daar functioneert. Immers: hoe gestileerder de stof, hoe persoonlijker. Maar hoe persoonlijker, hoe minder verbonden met de bron waaruit die stof werd geput. Hoe minder verbonden met die bron, hoe minder de taal die door die stijl werd omgekneed, ook naar zo'n bron verwijst. Men moet nu eindelijk maar eens in gaan zien dat niet een conceptie van de natuur (Keltische mythologie) of van het leven (Elysisch verlangen) zich meester maakt van een taal, maar dat de taal zich meester maakt van een wereld door die te creëren, en dat dat nooit anders is geweest. Sinds het optreden van Lucebert moet zulk inzicht niet moeilijk te verwerven zijn, vind ik. En om zeker te zijn van de werkelijkheid van zo'n wereld heeft men niets anders nodig dan een verbeeldingsvermogen dat de opbouw van die wereld als artistiek of niet artistiek doorziet.'

Gepost door: Rutger HCdG | 08-03-07

Reageren op dit commentaar

'Stijl is inzicht in wat een situatie van iemands artistieke vermogens mag vergen.' Rutger, het betoog van je 'ouweheer' is gegrondvest op deze zin. Ik kom er niet uit: wat mag een situatie van iemands artistieke vermogens nu precies vergen? En hoezo is stijl 'inzicht' hierin? Ik dacht dat stijl de 'manier [is] waarop iemand zich schriftelijk uitdrukt'.

Als iemand zich uitdrukt op een wijze die géén weerstand tegen 'de onmiddellijke emotie' laat zien (whatever that maybe) schrijft hij of zij dan in een non-stijl? Zonder stijl?

'Stijl schept daardoor afstand tussen de artistieke creatie en de natuur.' Volgens mij ligt hier de veronderstelling aan ten grondslag dat stijl afstand moet scheppen. Dat lijkt me niet juist. Die wet ken ik niet.

Het komt me voor dat het betoog van je 'ouweheer', dat jij kennelijk onderschrijft, uitgaat van een specifieke kijk op, verlangen naar, een bepaalde wijze van uitdrukken. En deze wijze komt, als ik het goed lees, in zekere mate overeen met de manier waarop Lucebert 'het' deed. Zeg maar de 'School van Lucebert'.

Dat vind ik jammer. Deze opstelling damt vrijheid, ruimte voor nieuwe stijlontwikkelingen in.

Marc, je zegt dat Houellebecq een 'stumperige papierkrabbelaar' is in vergelijking met Petry. Ook dat lijkt me een persoonlijk oordeel, zonder enige algemeen geldende onderbouwing (die ook niet te geven is, dunkt me). Ik stel daar tegenover dat ik het stumperige papiergekrabbel van Houellebecq een uiterst effectieve en fraaie wijze van uitdrukken vind, die geheel aansluit bij, in stijl is met, dat wat hij wil zeggen (inhoud). Ik vind Houellebecq interessanter dan Petry. Eveneens een zeer persoonlijk oordeel.

Het lijkt wel alsof in deze, zich in Nederland en Vlaanderen voortslepende, discussie het dogma leeft dat een inhoud die maatschappelijke betrokkenheid zou laten zien per definitie niet in een 'literaire stijl' zou kunnen worden geschreven. Ik maak hier bezwaar tegen.

Als Marc zegt dat stijl blootlegt 'wat in de journalistieke, de politieke, de alledaagse werkelijkheid van vandaag verborgen blijft, precies omdat ze de (daar vaak verborgen of verzwegen) vooronderstellingen die aan die werkelijkheden ten grondslag liggen terzijde heeft geschoven' dan vraag ik me af: 'wat' blijft er dan verborgen? Wat legt stijl dan precies bloot? Welke vooronderstellingen worden terzijde geschoven? En als er al iets verborgen zou blijven, komt dat dan omdat de 'journalistieke, politieke of alledaagse werkelijkheid' er geen belangstelling voor heeft of komt dat doordat hun stijl (want die hebben ze toch ook, zeg maar de journalistieke stijl) blootlegging niet mogelijk zou maken?

Deze hele inhoud/stijl discussie wordt m.i. nog altijd voor een belangrijk deel bepaald door het idee van onze voorouders dat deze wereld in bepaalde opzichten onbegrijpelijk, onverklaarbaar, mysterieus is. En dat alleen stijl tot dit mysterieuze zou kunnen doordringen. Helaas is de Nederlandstalige literatuur, en dan in het bijzonder de poëzie, nog doordrenkt van deze gedachte. Ooit opgeroepen door de romantische dichter/schrijver. Ik geloof daar niet in. Inzicht is niet een zaak van stijl of inhoud, maar een geslaagde combinatie van beide. En ieder voor zich maakt uit wat een geslaagde combinatie is.

Gepost door: Ton van 't Hof | 08-03-07

Reageren op dit commentaar

Ton,
Merkwaardig dat een betoog dat op mij zo'n logisch dwingende indruk maakt, toch nog zoveel ruimte voor misverstand laat. Stijl is natuurlijk iets meer dan de manier waarop iemand zich schriftelijk uitdrukt; het is de manier waarop iemand de wereld vormgeeft. Die vormgeving impliceert afstand tussen de onmiddellijke emotie en de weergave daarvan op, in ons geval, papier. In de literatuur gaat het om die weergave - daarom zei ik gisteren op de Contrabas ook dat het niet om nationalisme gaat, maar om de manier waarop er over wordt geschreven. Dat is geen school van Lucebert of van mijn vader, maar de erkenning van het eenvoudige feit dat het in literatuur om andere zaken gaat dan om inhoud, etc.

Gepost door: RHCdG | 09-03-07

Reageren op dit commentaar

O ja, Ton, en wat je vragen aan Marc betreft: wat hij schrijft heeft niks te maken met mysterie, maar alles met deconstructie. Antwoorden op je vragen vind je in elk leerboek over dat onderwerp.

Gepost door: RHCdG | 09-03-07

Reageren op dit commentaar

Houellebecq is geen groot stilist, maar wel een belangrijke schrijver.

Gepost door: Fred Papenhove | 09-03-07

Reageren op dit commentaar

Ton,

'Als Marc zegt dat stijl blootlegt 'wat in de journalistieke, de politieke, de alledaagse werkelijkheid van vandaag verborgen blijft' — maar dat zei ik niet. Ik zei dat literatuur dat doet. Het is inherent aan het medium waarbinnen literatuur besproken wordt, dat bijvoorbeeld een roman gereduceerd wordt. Rushdie, zo hebben talloze journalisten hem in interviews willen laten zeggen, schreef met zijn 'Shalimar' een pamflet tegen moslimterrorisme. Wat Rushdie daar zelf ook tegenin probeerde te brengen. Want zo eenduidig is dat boek niet op te vatten. Het tracht veeleer de dader te begrijpen (zoals bijvoorbeeld — het is maar een dwarsstraat — ook Aleksandar Tisma dat in 'De kapo' deed). Op die manier gaat Rushdies boek in tegen precies onze eerste impuls, ons ingegeven door een moraliteit die vrij algemeen verspreid is en die we min of meer vanzelfsprekend onderschrijven: dat moslimterrorisme altijd en overal verderfelijk is. Het boek wil ons uit onze vooroordelen lokken (d.w.z. maakt ons — idealiter — bewust van onze gewoonlijk ongereflecteerde oordelen en uitgangspunten), niet per se om het tegenovergestelde te beweren (dat zou in Rushdies geval nogal merkwaardig zijn), maar misschien om ons terug te voeren naar het punt waarop we in deze kwestie daadwerkelijk en dus bewust kiezen. Alleen zo leren we misschien het 'Kwaad' kennen: als iets dat veel geniepiger, want veel banaler is dan het in onze ongereflecteerde, gemakkelijke opvattingen over Goed en Kwaad lijkt te zijn. 'Iedereen kan een kampbeul zijn' is een frase die bepaalde intellectuelen in de mond bestorven ligt en daarmee veel van zijn werkelijke betekenis heeft verloren. Maar lees 'De kapo' van Tisma, die zijn verhaal zo heeft vorm gegeven dat je oprecht mededogen begint te voelen met... de kapo — en fluister dan die frase nog eens voor je heen. Dat kan literatuur doen, en alle grote kunst, denk ik (Hollywood heeft ons het scherpe onderscheid tussen goeden en kwaden ingegoten, maar een kleine Belgische film als 'Nue propriété' die ik laatst zag, kan tot eindeloze discussie leiden over wie de schuld heeft in een drama dat zich voltrekt. Door dat drama wil je een van de personages verantwoordelijk stellen — maar wie. Het is een kwestie van stijl dat de regisseur zelf niet kiest).

Stijl speelt bij dit alles een grote rol, omdat het precies dat bewustzijn van het 'hoe van het wat' vertegenwoordigt — en dat is allesbepalend voor hoe de wereld er voor ons uitziet. Met een taboe op maatschappelijke relevantie van literatuur heeft dat niks te maken. Het is eerder omgekeerd: iemand als Petry wordt vaak voor estheet uitgemaakt, iemand die de 'vorm' voor de 'inhoud' zou laten gaan. Iedereen die een beetje verstand heeft van schrijven weet dat dat onzin is: die vorm is voor de inhoud allesbepalend, en als het gaat om de posthumane filosofie zoals je die bij Houellebecq vindt én bij Petry, dan vind ik dat Petry die vaak veel beter over het voetlicht weet te krijgen, scherper weet te formuleren dan een in dit opzicht wat zompige Houellebecq. Aan het belang van H.'s boek doet dat niets af, al moet men dat ook niet overdrijven en heeft het toch erg veel van een reprise van Brave New World, bijvoorbeeld (ook Huxley was overigens een groter stilist dan H.). En vooral moet men inzake H. de hype niet met de literaire waarde van de werken verwarren.

Dat je dit alles afdoet met 'persoonlijke mening' is van een flauw soort scherpslijperij. Over literatuur kunnen we niets anders verkondigen dan persoonlijke meningen. Het gaat er om dat je de bereidheid moet hebben om dat persoonlijke als beginpunt te nemen voor een discussie over meer algemene principes, en niet als eindpunt, zoals tegenwoordig zo veel gebeurt. Je moet met andere woorden bereid zijn dat persoonlijke in de publieke ruimte als iets meer bovenpersoonlijks te verdedigen (of anders in die ruimte je mond houden).

Dat is analoog met het 'ik voel dat nu eenmaal zo' van sommige dichters (je refereert ook daar even aan). Dat is best, maar houd je werk dan binnenskamers. 'Gevoel' is alleen interessant in literatuur als het bij de lezer wordt opgewekt — en of het als zodanig bij de auteur bestaat is uiteindelijk van weinig belang. En een auteur die zich erop toelegt om specifiek zijn gevoel in zijn werk te communiceren, is een auteur die zich juist van zijn stijl heel bewust zal zijn — er is niks moeilijker dan het tot cliché verworden adagium van Kloos: 'de haarfijn precieze weergave van wat in het innerlijk des dichters leeft'. Men moet cliché's waarmaken, zei een andere dichter. Als het om gevoel gaat in poëzie komen veel dichters niet verder dan de cliché’s zelf, zonder ze wáár te maken, bedoel ik.

Overigens, je merkt het niet op, maar ik heb elders op deze weblog al eens een pleidooi gehouden voor een literaire kritiek die de maatschapppelijke relevantie van romans voorop stelt — en ik heb toen geloof ik beweerd dat zulks een kwestie van een eenvoudige keuze is. Daarmee bedoel ik dat niet alleen de werken die ostentatief maatschappelijk relevant willen zijn in die zin besproken moeten worden (en er blijft met sommige van die werken inderdaad een probleem, dat je zou kunnen omschrijven als het inmiddels ook al heel oude probleem van de zogenaamde 'tendensliteratuur' (enfin: de ‘socialistische’ Gorter versus de ‘sensitivistische’ Gorter)), maar ook literatuur die zogenaamd niks met de maatschappelijke werkelijkheid te maken zou hebben. Dat is dus precies de reden waarom ik in mijn krantenstuk Petry met Houellebecq vergeleek. Dat die laatste maatschappelijk relevante dingen schrijft, wil iedereen wel aannemen, maar, zoals gezegd: bij Petry heeft men het onmiddellijk over esthetiek. Ten onrechte.

Enfin, literatuur is geen krant, een schrijver geen journalist. De inzet is totaal anders. Het is daarom dat de literaire journalistiek voor mij een genre met haken en ogen is.

Dat intussen ieder voor zichzelf uitmaakt wat een geslaagde combinatie van stijl en inhoud is — dat is maar tot op zekere hoogte waar. Leni Riefensthal? Bij die esthetiek (stijl) worden we allemaal wat ongemakkelijk, toch? En de vraag of dat mag kun je, in het licht van de geschiedenis, toch niet meer beantwoorden met een 'anything goes'? Daar moet toch op zijn minst over gediscussieerd worden? Daar gaat het nu precies om: het 'anything goes' dat je hier belijdt is door en door vals en dreigt meermalen tot het tegenovergestelde te leiden van wat het uitdrukt: het veegt juist de inhoud van literatuur onder de mat, maakt van literatuur iets waarin je willekeurig wat kunt beweren omdat het toch op geen enkele manier met de werkelijkheid verbonden is. Als ik me ergens tegen verzet, dan wel daar tegen. Als ik dus, met andere woorden, belijdenispoëten naïef noem, neem ik hun werk zeer serieus…

Nog dit: ik word zelf altijd wat ongemakkelijk bij zwaar geschut als Tisma of Riefensthal — maar het lijkt in de alomtegenwoordige relativering van alles (behalve de markt) nog de enige manier om morele dilemma's te laten zien die in veel van het zogeheten 'debat' verzwegen blijven, en waarin juist literatuur een rol kan vervullen die de politiek, de journalistiek en al het andere dat bijdraagt aan ‘ons’ beeld van de als vanzelfsprekend ervaren alledaagse werkelijkheid niet kunnen vervullen.

Gepost door: MR | 09-03-07

Reageren op dit commentaar

Misschien nog even ter verduidelijking: ik bedoel uiteraard niet te zeggen dat literatuur geen maatschappelijke relevantie heeft of zou moeten hebben. Iedereen kan zich de woede van Multatuli wel voorstellen die zaken als uitbuiting en machtsmisbruik aan de orde stelt, en vervolgens te horen krijgt dat hij zo mooi kan schrijven. Maar dat is weer wat anders dan Joost Zwagerman die inderdaad van literatuur een soort journalistiek wil maken, of AFTh die, als ik het goed heb begrepen, Charles Manson als metafoor neemt voor Volkert vdG en Mohammed B: lyriek is de moeder der politiek, denk ik dan.
Wat ik bedoel is dat de maatschappelijke relevantie niet blijkt uit het onderwerp, maar uit de manier waarop dat onderwerp is vormgegeven - uit de stijl dus. Wat is de maatschappelijke relevantie van Van Dixhoorn, met zijn loodsdiensten en zijn bootjes? Dat is de manier waarop hij die wereld vormgeeft, de manier waarop zijn taal zich meester maakt van een wereld, die zelf steeds verder uit het zicht verdwijnt. Je zou kunnen zeggen dat VD zich steeds verder terugtrekt in een ivoren toren, maar het is juist die toren, die ons het meeste inzicht verschaft in hoe onze taal werkt, en hoe de wereld werkt die door die taal wordt geconstrueerd.

Gepost door: RHCdG | 09-03-07

Reageren op dit commentaar

Over Van Reybrouck U verwoordt exact wat ik dacht bij het lezen van het De Morgen-interview met Van Reybrouck. Wat een potsierlijke aanstellerij. Het literaire bedrijf doet soms erg veel moeite om iemand goed te vinden. Maar het wansmakelijke is dat de journalisten die daaraan meewerken hun gêne niet kunnen verbergen. Leyman moet in zijn artikel zijn kritische bemerkingen bij 'Slagschaduw' in enkele regels binnensmokkelen, als was de kritiek iets wat aan zijn gekunstelde bewondering ontsnapte, bijna par accident.
Hetzelfde gebeurt deze week in Humo. Mark Schaevers, die trouwens ook de boekpresentatie van Van Reybrouck verzorgde, slaagt erin de schrijver over bijna vijf volle bladzijden te interviewen en het maar in pakweg vier kolommen over het boek zelf te hebben. Daarom voelt het interview aan als de verplichting die zegt: we moeten van Van Reybrouck een schrijver máken. Door het over zowat alles behalve over het boek te hebben, kan Schaevers niet verbergen dat hij het boek eigenlijk niet smaakte. Is het dan niet zo dat de journalist nauwelijks respect heeft voor zijn lezer, voor de schrijver die hij interviewt en voor zichzelf als kritisch journalist?
Wie vandaag als fervent lezer de zogenaamd betere boekenbijlagen en tijdschriften volgt, komt steeds meer bedrogen uit. Mijn boekenkast staat vol met boeken die in de markt gewrongen werden, van schrijvers die gemáákt werden. Weinig van die boeken vond ik uiteindelijk sterk genoeg om uit te lezen.
Uiteindelijk zal deze carroussel van stemmingmakerij de literatuur niet vooruithelpen. Stel dat Van Reybrouck door de aandacht begint te geloven dat hij een groot en gearriveerd schrijver is. Zal hij dan als schrijver vooruitgang boeken, beter gaan schrijven? Ik denk het niet. Je zou al medelijden krijgen. Zo had ik destijds ook medelijden met Tom Naegels. Die zal na alle lof over 'Los' ook wel denken dat hij een meesterwerkje heeft geschreven.
En ja, Van Reybrouck leeft in de romantische traditie. In het Humo-interview begint hij bijna te huilen bij een citaat van Konrád over sterfelijkheid. Althans, hij zegt zélf dat de tranen hem in de ogen staan. Hoe ver ben je dan heen? Ik heb ook eens gelezen dat hij zichzelf als een onderwijzer beschouwt. Hij durfde nog net niet te schrijven dat hij het volk wil opvoeden. Uit zijn De Morgen-opiniestukken blijkt anders van wel...
Maar laat ik beklemtonen dat ik niet de schrijvers verantwoordelijk acht voor het beeld dat we van hen hebben, maar de journalisten die dat beeld aan hen ophangen. Het zou wel chique zijn als een schrijver op een dag de journalist terechtwijst. Maar dan moet je als schrijver wel erg soeverein zijn.

Gepost door: Paul VB | 09-03-07

Reageren op dit commentaar

Ter verduidelijking: stijl is wat literatuur onderscheid van het journalistieke of anderszins genre. Ik maak bezwaar tegen een volledige loskoppeling van stijl en inhoud. Ze zijn in mijn ogen onlosmakelijk met elkaar verbonden. Geen sprankelijk boek zonder stijl of zonder inhoud.

En nee, ik ben het niet eens met Fred P., die zegt dat Houellebecq geen groot stilist is. Mijn stelling is dat zijn stijl zich bijzonder goed verhoudt tot de inhoud. Ik ben van menig dat zijn boeken daarom ook zo aantrekkelijk zijn.

De vraag waar we wellicht voor staan is waarom Houellebecq beter verkoopt dan Petry. Is dat omdat Houellebecq scherper in de markt wordt/is gezet dan Petry of omdat Houellebecq aantrekkelijker is voor de gemiddelde lezer?

Voorts heb ik getracht een pleidooi te houden voor een klimaat waarin er ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen op het gebied van stijl. Want een gebrek aan ruimte is wat ik, wellicht ten gevolge van een misverstand, maar dan toch in het pleidoi van Marc en Rutger meende te herkennen.

Gepost door: Ton van 't Hof | 09-03-07

Reageren op dit commentaar

wat nu Laten we eerst allemaal 'Slagschaduw' lezen, en dan terugkomen. Akkoord wat betreft beeldvorming en prematuur ophemelen, maar we hebben het over de pers. Dan nog de Vlaamse. Zou u bedanken als De Morgen en Humo u opbelden met de vraag of een interview tot de mogelijkheden behoort?
En plus, interviews met auteurs van een nieuw boek, regisseurs van een nieuwe film, enz., bevatten sowieso weinig substantiële kritiek over het product zelf. Hoe vaak gebeurt het niet dat een auteur in een vlot interview, positief van toon et cetera, aan bod komt, maar dat de week daarop in hetzelfde blad diens product een negatieve recensie toebedeeld krijgt. Afwachten dus - de verwachtingen zijn er.
Een schrijver moet nog steeds zijn boeken verkopen, dat hoef ik hier niet te vertellen. Als wat beeldvorming daartoe bijdraagt, so what. De literatuurgeschiedenis heeft echt wel al grotere poseurs voortgebracht.

Gepost door: Vladimir | 10-03-07

Reageren op dit commentaar

Zeker, maar mij gaat het hier om het verdwijnen van de literaire kritiek ten gunste van dit soort kermis. Die kermis heeft altijd bestaan, daarover geen discussie, maar dan toch naast een meer gedegen literaire kritiek.

Ik schreef overigens al dat het in deze hele kwestie niet om 'Slagschaduw' ging — dat is het hem nu juist. En volgende week nog eens aandacht voor de nu inmiddels doodgeknuffelde Van Reybrouck? Het hele punt is dat een eventuele negatieve recensie geen enkel gewicht meer in de schaal legt (omgekeerd maken ook positieve recensies het verschil niet meer). Van Reybrouck is een groot schrijver. Punt. Wie waagt — nee niet eens: wie waagt om dat te betwijfelen, maar wie waagt daar toch het nodige voorbehoud bij te maken is een zeurpiet die het niet helemaal begrepen heeft. Voor mij is dat toch reden om iets meer te doen dan cynisch de schouders ophalen en 'so what' zeggen.

Gepost door: MR | 10-03-07

Reageren op dit commentaar

Post een commentaar

NB: commentaren worden gemodereerd op deze weblog