• Pin it!

    Renouveau (1)


    Het hoefde niet werkelijk meer bewezen te worden: mijn ongeschiktheid voor louter fysieke arbeid — al dient ook slopen met overleg te gebeuren, wil je niet bijvoorbeeld een dak op je hoofd krijgen. Soms staan er her en der van die huizen te koop waarvan je denkt: als ik handig was... Al gaat daar nog iets aan vooraf: als ik de mentaliteit zou hebben... Ik ben geen mens voor renovaties. Ik wil over een huis niet al te veel na moeten denken. Eigenlijk ben ik een prototypische huurder: iemand die maandelijks zijn aflaat betaalt om bij bijvoorbeeld een lekkende dakgoot van de verhuurder te eisen dat hij voor komt rijden en repareert (en als hij niet komt, betaal je de huur gewoon niet; dan zijn ze er zo). ‘Huren is in feite geld weggooien,’ zo hoor ik vaak, maar helemaal waar is dat niet. Je koopt voor dat geld net iets meer dan enkel woonruimte. Je koopt een zekere mate van onverantwoordelijkheid — een schaars goed.

    IMG_0083

    Dat zelfs de met de spreekwoordelijke baksteen in zijn maag geboren Belg naar iets dergelijks verlangt, blijkt wanneer je een van hem gekocht huis eens tot op de naakte muren afbreekt. Dat ons huis typisch Belgisch was in zijn stukje-bij-beetje aan de oorspronkelijke woning toegevoegde koterijen wisten we natuurlijk al (twee samengetrokken, lage, omstreeks 1850 gebouwde arbeiderswoninkjes met elk een vloeroppervlak van niet meer dan 6 bij 5 en daarachter een ‘blafte’ (zoals ze in Gent zeggen) van een achterbouw die omstreeks 1970 zijn huidige omvang bereikt moet hebben), maar dat het noodzakelijke onderhoud eraan bestaan moet hebben uit het wegmoffelen van gebreken kwamen we pas nu te weten. Onder een plafond nog een, in abominabele staat verkerend plafond, waaronder de zwart van schimmel en vocht ogende, vaak kromgetrokken of ernstig doorgezakte spaanplaten onder het platte dak tevoorschijn kwamen. Gipsplaten voor gescheurd pleisterwerk. IJlings aangebrachte badkamertegels op een ellendig verzakte muur. Een inpandige regenpijp. Over de electriciteit zwijgt men beter: her en der in vochtigheid tussen beide plafonds los liggende draden die soms met de hand aan elkaar waren verbonden zonder zelfs maar een kroonsteentje ertussen. Dat we een jaar of zes geleden bij het betrekken van het pand al draden tegen waren gekomen waarop stroom stond zonder dat duidelijk was waar die vandaan kwam en ook zonder de mogelijkheid die stroom uit te schakelen, had ons al enigszins voorbereid op een rampzalige toestand, maar de werkelijkheid sloeg zoals gewoonlijk alles.

    De architect die eens poolshoogte kwam nemen, zei dat wat dat aanging niets hem meer verbaasde. Vroeger gerenoveerde huizen kregen blijkbaar alleen een cosmetische behandeling. De Belg koopt graag een huis; het liefst nog bouwt hij een nieuw huis (met een tuin, in een min of meer landelijk ogende omgeving, zodat hij de boer in zichzelf de vrije loop kan laten — vandaar dat de open ruimte in dit land, of dan toch ten minste in het Vlaamse deel, zo goed als verdwenen is: overal misbaksels van nieuwbouw, of, erger nog: van wat een jaar of dertig geleden voor nieuwbouw doorging (chalets en onzin met torentjes, pompeuze zuiltjes of anderszins geheel misplaatste versieringen)) — maar na koop of bouw treedt de eeuwigheid in, die nog wel een gipsplaat verdraagt, maar geen renovatie ten gronde meer. Men bricoleert, zoals dat zo mooi heet, zich naar de dood.

    Zelfs daarvoor heb ik geen talent, en hoewel ik, als het erop aankomt, beslist een aantal dagen achter elkaar flink kan doorpakken — met name als er boekenkasten gemaakt moeten worden — daarna is het ophangen van een haakje voor de handdoeken me al te veel. Tijdverspilling. Een huis is er, en daarmee basta. Het is een houding waarmee ik de afgelopen jaren mijn voordeel heb gedaan: ze maakte aangenaam blind voor de ontoelaatbaar verkrotte delen waardoor ik bijvoorbeeld naar mijn werkvertrek moest lopen. Ook stapte ik moeiteloos want gedachtenloos over de dweilen die permanent voor de deur van dat vertrek lagen om binnenkomend hemelwater op te vangen.

    Maar nu staat het grootste deel van het huis erbij zoals het in al zijn naaktheid is: niet best. Met buitenmuren waardoor je vrolijk het licht ziet binnenvallen en die iets weg hebben van schots en scheef gestapelde stenen zonder cement ertussen; met ergens zelfs een strook zonder muur: enkel wat plastic schrootjes aan de buitenkant (en de daar weer voor geplaatste, inmiddels door mij verwijderde spaanplaten) scheiden binnen van buiten. Global warming heeft ons tot op heden gered van de bevriezingsdood.

    Nu kunnen de bouwers komen.

  • Pin it!

    Binnenkamers / buitengaats


    Even tussendoor: vorig weekend was er in de Permekebibliotheek in Antwerpen maar weer eens het jaarlijkse Literaire Tijdschriften Forum van het Vlaams Fonds voor de Letteren — een samenscholing van de door dat Fonds gesubsidieerde tijdschriften waar over van alles, maar toch vooral, zo blijkt iedere keer weer, over de vergroting van het leespubliek wordt gesproken, over acties die men zou kunnen ondernemen, over fratsen die men zou kunnen uithalen om ‘het’ publiek aan het literaire tijdschift te krijgen (het enige wat volgens mij in dat opzicht nog niet is geprobeerd, is het aanwerven van ‘hostessen’ die we, schaars gekleed, bijvoorbeeld met niet meer dan een sandwichbord met daarop de namen van de tijdschriften (en eventueel met een leuke woordspeling als ‘literaire tietschriften’), de straat opsturen om abonnees te werven). In die zin verschilt dat Forum niet zo heel veel van de samenkomsten van CeLT, de overkoepelende organisatie voor culturele en literaire tijdschriften die meer specifiek instaat voor promotie en distributie van de bij haar aangesloten tijdschriften.

    Dit jaar echter lag er een heuse lezersenquête ter tafel, een enquête die in meer dan 10.000 exemplaren door het Fonds was verspreid en waarop 549 reacties kwamen, plus nog 77 die via het internet binnenkwamen. Het kan nooit kwaad om eens te kijken wie, niet zozeer onze lezers zijn, maar wie de ijverige lezers zijn die ook nog de moeite wilden nemen om een enquêteformulier in te vullen. Eerlijk gezegd: zo’n lezer van literaire tijdschriften zou ik niet zijn. Als document voor intern gebruik valt er met zo’n lezersenquête misschien iets aan te vangen, zij het ook weer niet zo heel erg veel, leek mij al op voorhand. Het document was ook zeker niet bedoeld als aansporing om het eigen redactionele beleid op de resultaten af te stemmen — als marktonderzoek, zeg maar. De algemene conclusies waren daarvoor ook te nietszeggend. ‘De’ lezers zouden graag meer essays zien, zo luidde bijvoorbeeld één van de conclusies. Tegelijkertijd werd als belangrijkste functie van het literaire tijdschrift ‘het introduceren van nieuw talent’ genoemd. Nieuw essayistisch talent, dan zeker? Of wordt hier dan toch veeleer primair werk bedoeld? Ik vermoed het. En dat moet dan wat minder in ‘fragmenten’ aangeboden worden, want daarvan zouden er te veel in de literaire tijdschriften staan. Dus de lezer wil dat wij complete boekwerken van nieuw talent publiceren?

    Ik chargeer natuurlijk. Elk tijdschrift kon met de gegevens doen wat het goed achtte (en in yang hoeven beslist niet meer essays te staan, maar er zouden bijvoorbeeld wel — ook een algemene wens van de respondenten — wat meer reviews in kunnen staan). In die zin was het een zinvolle operatie.

    Wat minder zinvol, en zelfs kortzichtig, is dat het Fonds meende dat deze enquête ook in de pers gebracht moest worden. Dat getuigt van een naïviteit die ik niet verwacht had. Het viel op voorhand te verwachten dat zowel in DM, als nu in DSL, vooral het feit naar voren gehaald zou worden dat de gemiddelde leeftijd van een lezer van een literair tijdschrift 48 jaar is. Althans zo staat het in de kranten. Correct zou zijn om te stellen dat het de gemiddelde leeftijd van de respondenten van de enquête is. Maar die nuance is voor de krant al een stap te ver. De conclusie die getrokken wordt, ligt natuurlijk voor de hand: literaire tijdschriften bereiken de jeugd niet. En wat dat betekent laat de immer jong en dynamische, zich enkel op dagversheid beroepende gazet (welke dan ook maar) natuurlijk in het midden.

    Wat een flauwekul. Toen ik 20 was las ik misschien drie of vier tijdschriften, maar ik had geen geld om me ook maar op één te abonneren. In het nu gevoerde onderzoek draagt zo’n twintigjarige tijdschriftlezende literatuurliefhebber dus niet bij aan de daling van de gemiddelde leeftijd. Pas rond mijn dertigste nam ik schoorvoetend een abonnement, maar het liefst maakte ik ook toen nog gebruik van de bibliotheek. Bovendien, als je kijkt wat er aan ongevraagde inzendingen bij bijvoorbeeld yang binnenkomt, spreken we over een gemiddelde leeftijd van rond de dertig. Uiteraard zitten er onder die inzenders mensen die hun werk naar elk tijdschrift toesturen, vaak zonder te weten om welk tijdschrift het gaat — maar de mensen die het wel weten zijn beslist ver beneden de veertig. Zijn dat abonnees? Bibliotheekgebruikers? Boekhandelbladeraars? (Al lijkt me dat sterk: het dédain van de boekhandel voor literaire tijdschriften is allang niet meer te meten, ondanks alles wat met name CeLT in dit opzicht in het verleden al verzonnen heeft — behalve die hostessen dan (ik moet het op de volgende ledenvergadering toch eens voorstellen...)).

    Om uitspraken te doen over de gemiddelde leeftijd van de literaire tijdschriftlezer moet een totaal ander onderzoek gevoerd worden dan nu door het Fonds is gedaan (er moet bijvoorbeeld eens naar het gebruik van die tijdschriften in bibliotheken gekeken worden, wat daar weer niet bijgehouden wordt, omdat het bij literaire tijdschriften niet om ontleningen gaat, en enkel die worden geregistreerd). Voor wie zoiets werkelijk belangrijk vindt, dan ook nog. De marktgerichte kranten vinden het in ieder geval van eminent belang en in een klimaat dat kwantiteit meermalen een kwestie van kwaliteit acht, leidt dat onmiddellijk tot stigmatisering van ‘het’ literaire tijdschrift. Het Fonds had zich dat op zijn minst moeten realiseren voordat het een document dat beperkt in interne kring te gebruiken valt in de openbaarheid bracht.

    (Anderzijds, zoals een eminent en nooit voor één gat te vangen redacteur van het prachtblad Nieuwzuid opmerkte: er is natuurlijk geen grotere groeimarkt dan die van de 50-plussers...)

  • Pin it!

    Leve de Romantiek


    Prijswinnaars krijgen recht van spreken, maar ze oefenen het zelden uit, toch niet zoals Charles Ducal het gisteren deed in De Morgen. Hij heeft wat bedenkingen bij de aan hem toegekende Herman de Coninckprijs, bij elke prijs die werkt met nominaties zelfs, en ten slotte ook nog bij Gedichtendag. ‘Gedichtendag (...) en de publieksprijs in het bijzonder,’ schrijft hij over dat laatste, ‘vertrekken van een hopeloos uitgangspunt. Dat poëzie voer is voor velen. Dat is het niet en precies daarom moet elk “doen alsof” verzanden in holle rituelen en absurde schijnvertoningen. (...) Poëzie is geen spektakel, geen sensatie en dus geen interessant product voor de media die zich op talloos vele miljoenen richten.’

    Natuurlijk ben ik geneigd hem gelijk te geven, in het volle besef dat ik daarmee tegelijk ook een poëzieopvatting huldig, één die ‘poëzie’ definieert in het verlengde van een — au fond — binnen het romantisch paradigma geschreven poëziegeschiedenis. En de vraag die je je (met vele anderen) zou kunnen stellen is of dat paradigma niet inmiddels zelf is bijgezet in het columbarium van de geschiedenis. Is de literatuur zoals wij haar kennen (kenden) niet gewoon voorbij? Zijn zij die er nog op, laten we zeggen: Ducal-achtige manieren aan doen niet inmiddels relicten geworden?

    1

    Laten we vaststellen dat er in wat vandaag de dag ‘de literatuur’ heet in ieder geval met man en macht aan wordt gewerkt om de schijn hoog te houden dat literatuur ook nu nog steeds begrepen wordt in dat romantische kader — hoezeer ook anders dan in vroeger tijden, hoezeer misschien ook vertrekkend uit een al dan niet expliciet geformuleerde poëtica (ook bij diegenen die ‘poëtica’ een vies woord vinden en elke reflectie op hun eigen uitgangspunten weigeren). Ik merkte het al op: die publieksprijs van Rottend Staal en De Contrabas wekt de suggestie de beste bundel van het afgelopen jaar te bekronen, maar andere criteria dan ‘de meeste stemmen’ van een heterogeen, niet gespecificeerd publiek met onduidelijke vooronderstellingen aangaande kwaliteit (als die er al zijn), zijn er niet. Met kwaliteit heeft het niets te maken.

    Je kunt zeggen — en ik ben geneigd dat te doen — dat literaire kwaliteit als zodanig niet bestaat; het is iets wat we toekennen aan bepaalde teksten. Over die toekenning is, zolang de literatuur bestaat zoals wij haar vandaag de dag nog kennen, altijd veel onenigheid geweest. En terecht. De ‘richtingenstrijd’ waaraan volgens velen in de jaren negentig van de vorige eeuw een eind gekomen zou zijn, was in werkelijkheid de ruggengraat van het literatuurbegrip zoals we dat eeuwenlang hebben gekend. Maar juist de vaststelling dat de tijd van de (eenzijdige) bewegingen voorbij is (gelukkig, zucht men), verduistert de criteria op grond waarvan iets ‘het beste’ wordt genoemd, en verhindert zo ook elke vorm van serieuze kritiek. Wat democratisch lijkt — meeste stemmen gelden — is op die manier bijna het tegenovergestelde van democratie. Zeker wanneer je in acht neemt dat het sinds de jaren negentig in het literaire centrum beleden ‘anything goes’ niet voor alles blijkt te gelden en er nog steeds even hard met uitsluitingsmechanismen wordt gewerkt als in de literair gesproken meest gepolariseerde tijden.

    trukije_53

    Ducal geeft in zijn stuk een mooie omschrijving van wat er in een jury gebeurt wanneer hij stelt dat er voor ‘de beste fruitboer’ gekozen moet worden uit een appelboer, een citrusman, een perzikenvrouw enzovoorts. ‘Wie wint? De smaak van de jury natuurlijk, of beter: de grootste gemene deler van de smaken van de jury. Moet je om te kunnen winnen uitstekend fruit kweken? Natuurlijk wel, maar je moet ook een flinke portie geluk hebben, met name dat die grootste gemene deler meer naar jouw citroenen neigt dan naar de appelen van je buurman. Is daar iets op tegen? Neen, juryleden kunnen hun eigen smaak nu eenmaal niet thuislaten.’ Dit is echter te allen tijde te prefereren boven zoiets dwaas als een publieksprijs (en het is pas werkelijk perfect wanneer de jury haar afwegingen ook nog eens binnenskamers zou houden en er niet en plein public getuigenis van zou afleggen middels nominaties, waarop persberichten volgen, fotosessies, filmpjes bij de laatste kanshebbers thuis en andere vaak tenenkrommende nonsens waaraan de huidige conjunctuur in medialetterland een auteur soms dwingt mee te doen).

    Op iedere prijstoekenning valt natuurlijk iets af te dingen zolang je bereid bent om te blijven discussiëren over de vooronderstellingen op basis waarvan een jury die daartoe in staat geacht mag worden de kwaliteit van deze of gene bundel met een prijs beloont. Soms volstaat het om naar de samenstelling van een jury te kijken om een redelijke inschatting te kunnen maken over welke poëzie waarschijnlijk in aanmerking komt. Als het om bijna eeuwige juryleden gaat — zoals bij de Jan Campertprijzen het geval is — kan naar buiten toe natuurlijk gemakkelijk de indruk ontstaan dat het altijd maar weer dezelfde soort, of zelfs dezelfde dichters en schrijvers zijn die met het geld gaan lopen (en met de vetleren medaille, de erepenning, de oorkonde op handgeschept papier niet te vergeten, het speciaal voor de gelegenheid vervaardigde kunstwerk door de plaatselijke coryfee). En voor de VSB-prijs geldt dan bijvoorbeeld weer dat de organiserende instantie — uit angst? uit ook al een verkeerde opvatting over de democratisering van de smaak tot zouteloze pap voor velen? — de jury samenstelt uit zulke uiteenlopende figuren (van volstrekte nitwits tot en met zwaar academisch fronsende heerschappen) dat unanimiteit meestal betekent dat er een consensuskandidaat wordt verkozen (ook in zo’n jury zou ik zeggen: leve de onenigheid).

    Maar er is altijd een juryrapport dat de toekenning legitimeert en dat zelf bloot staat, of zou moeten staan, aan kritiek. Ook daarover lees je eigenlijk nooit meer iets. De juryrapporten worden als persberichten opgevat door de media die beweren dat ze de literatuur verslaan — terwijl volledige publicatie ervan een (literair-)journalistieke plicht zou moeten zijn. Alleen zo houd je een literatuur gaande die nu alleen in naam blijft flirten met datgene waarmee het vanuit een slecht geweten tegenover de waarheid — die misschien neerkomt op niet meer dan plat marktdenken, op consumentisme — heeft afgerekend, blijft flirten met 'kwaliteit', met 'grote', 'grotere' en 'grootste' schrijvers, terwijl de vooronderstellingen die tot dergelijke vaststellingen leiden op de meest akelige en geniepige manier worden weggemoffeld.

    Als het zo moet, wens ik soms wel eens dat het met elk restant van de Romantiek in althans het openbare leven dan ook maar gedaan moet zijn. We proclameren niet langer ‘het einde van de literatuur’ — zoals menig avantgardist ooit deed — maar we schaffen de literatuur af (het ‘einde van de literatuur’ werd altijd in de context van het literaire zelf geformuleerd, en leek zelf een literaire bedoeling te hebben). Dan is het misschien eindelijk eens duidelijk. We kunnen hier in Vlaanderen de bevoegdheden van Bert Anciaux eindelijk beperken tot het uitbreiden van de mogelijkheden voor mensen die het leuk vinden om hun auto te ‘tunen’. En voor de nieuwe regering in Nederland is er meteen een kleine meevaller. Klein natuurlijk, want ook Nederland geeft een belachelijk en schandelijk klein deel van haar budget aan cultuur.

    Enfin, dat zijn mijn meest sombere dagen, natuurlijk. Vaker ben ik strijdbaarder en... jawel: romantischer.

    Wanderer_above_the_Sea_of_Fog_HSE