• Pin it!

    Ocharme

    Deze ochtend behaagde het Belgacom om dan eindelijk in het appartementsgebouw waar we nu verblijven kelderwaarts af te dalen, alwaar zich een telefooncentrale bevindt en dus eindelijk, na slechts 27 dagen wachten, de reguliere telefoon, maar vooral internet en email over te zetten van het nu grotendeels onttakelde huis naar hier. 27 dagen! Toen ons dat eind december werd meegedeeld, hebben we natuurlijk gesputterd — dat wil zeggen: H. heeft beleefd en bedeesd gesputterd; ik zou vast en zeker weer uit mijn kram geschoten zijn en zou waarschijnlijk eerst de dienstdoende telefonist en vervolgens de telefoonmaatschappij zelf enig onwelgevoeglijks toegewenst hebben, of dan toch minstens hebben gezegd dat het bepaald onprofessioneel oogt wanneer in deze tijden van een geliberaliseerde telefoonmarkt Belgacom zich blijft opstellen als overheidsinstelling met een gruwelijke ambtenarenmentaliteit. Want jawel — als het zo uitkomt mag ik graag de zegeningen van de vrije markt uitspelen tegen de oostblokmentaliteit van het Belgisch ambtenarencorps dat niet begrepen heeft hoezeer het einde van de geschiedenis ook aan hun verworven rechten een einde maakte, en zeker aan hun in meerdere opzichten ridicuul te noemen neiging om zich als ambtenaar de houding van een veldwachter Bromsnor aan te meten die de clientèle eens duchtig de oren wast. Ik doe dat natuurlijk alleen wanneer ik als klant en dus als koning behandeld wens te worden. Als we weer principieel gaan worden, ben ik... eh... vooruit: tégen de vrije markt.

    Dat laatste heeft natuurlijk minder met economische dan met bijvoorbeeld literaire overwegingen te maken, want zo rond ‘Gedichtendag’ (in mijn ogen nog steeds niet zo verschillend van onzinfenomenen als Valentijnsdag, de Kerstman en moeder- en vaderdagen: alleen bedoeld voor de middenstand) — zo rond ‘gedichtendag’, zei ik, wordt er weer allerwegen gestemd voor... wat? De beste bundel van 2006? Dergelijke competities blijven voor mij alleen maar bewijzen voor de toenemende angst (of het toenemend onvermogen) om onafhankelijk en kritisch te denken, voor een merkwaardig verlangen om toch vooral in het gareel te lopen van een denken dat volgzaamheid als ultieme deugd verkoopt, met altijd weer dat snufje schijnheiligheid dat in het ‘meeste stemmen gelden’ iets democratisch wenst te zien, in plaats van de uiting van plat consumentisme die het eigenlijk is. (Het gaat me natuurlijk niet om prijsbeest Pollet (wat krijgt hij eigenlijk? De Winkler Prins?); het gaat erom dat zijn bekroning niets heeft uit te staan met kwalitatieve overwegingen, ook al wordt het onmiddellijk wel zo verkocht.)

    100px-Anarchy-symbol.svg

    Enfin, het was natuurlijk niet zo dat ik bijna vier weken van internet en email verstoken was; ik moest er voor op de fiets; ik moest in een koud en kaal huis achter een bureautje gaan zitten, mijn in de outbox geplaatste mailtjes versturen en mijn spam en meer terzake doende berichten ontvangen, om daarna nog snel snel op internet iets dringends op te zoeken in verband met de werkzaamheden aan de roman, die overigens — ondanks de verhuizing, ondanks het uit elkaar schroeven van ooit zelf gemaakte boekenkasten, het voorzichtig opbreken van een plankenvloer die later weer opnieuw gelegd moet worden, het gesleep met dozen, het geworstel met hele lappen plastic die straks de achtergebleven spullen tegen opwaaiend stof moeten beschermen — flink is opgeschoten de laatste weken. Het ging met andere woorden alleen om zoiets banaals als comfort. Ocharme! En, vooruit dan: misschien ook om een met het internet verbonden manier van associëren — een nog andere betekenis van het woord ‘googelen’. Ik weet soms niet wat het is dat ik zoek — is het nu ‘anarchocommunisme’? ‘anarchopacifisme’? ‘anarchokapitalisme’? ‘anarchosyndicalisme’ misschien? Iets met ‘anarchisme’ in ieder geval, of misschien ook niet. Ik zoek links (zowel de ‘verbindingen’ als in de politieke betekenis van het woord) en vind daar dan weer andere dingen die me verder helpen in een richting die ik voordien nog niet had bedacht. En kijk, zolang blijf je niet in een kaal en koud huis zitten. Het moet allemaal niet ontaarden in werk natuurlijk.

    Woonkamer Burgstraat

    Enfin, het leed is geleden. En dat juist op gedichtendag. Als dat niet poëtisch is. Het tweekamerappartement in hartje centrum met schitterend uitzicht op de kerk van het Carmelietenklooster hier recht tegenover, met ramen van een metertje of drie hoog in een kamer van vier en een halve meter hoog met een plafonnetje met wat bescheiden stucwerk; dit appartement met een heuse conciërge en camerabewaking (want, zei die conciërge, hierachter is de Luxemburgstraat, en daar woont min volk dat we hier natuurlijk niet binnen willen hebben (begrijp: dat steelt als de raven, en ja, toegegeven: het lijken allemaal voormalige Balkanezen en huidige Bulgaren en Roemenen en andere zigeunerachtige types te zijn; nou, dan hoef ik zeker wel niks meer te zegggen, is het niet?)); dit appartement heeft hotelallures, ook al delen we dan met zijn drieën maar twee kamers en vraagt het om wat organisatie. En ja, mis ik natuurlijk toch de boekenkast. Want ik zou nu even in Elsschot willen kijken (Dirk Van Hulle had het er nog over in De Morgen van woensdag): die inleiding die hij schreef op Tsjip, over zichzelf als de reiziger die zijn gezin verlaat zodra hij gaat schrijven in zijn eigen werkvertrek. Precies die reiziger kan ik hier niet zijn; er is geen mogelijkheid me terug te trekken en daarmee te onttrekken aan gezinsgeluk en De Auteur uit te hangen. Ik heb geen andere keuze dan de kneuterigheid van het klein geluk. Of hoe literaire ambitie maar weer eens door de zelfgewilde, zelfgekozen werkelijkheid wordt gefnuikt, niet waar?

    Ocharme. Hoe zwaar toch dit alles...

  • Pin it!

    Dwalen


    Hoe selecteer je precies de boeken waarvan je nu nog niet weet dat je ze over een maand, twee, drie maanden of nog langere tijd nodig hebt? Je kunt op veel verschillende manieren schrijven, en hoe je het doet, ontdek je eigenlijk pas gaandeweg. Zeggen dat ik tijdens het schrijven ‘geen idee heb’ waar ‘het’ allemaal naar toe gaat, is een klein beetje aanstellerij — overdrijving dan toch. Ik heb wel degelijk iets in mijn hoofd, al is dat dan niet of nauwelijks uitgewerkt. Het is een soort dwalen binnen een zeker gebied, een afgegrensde ruimte waarvan je bij wijze van spreken ooit een plattegrond hebt gezien, die je je net niet meer voor de geest kunt halen. Gecontroleerd verdwalen, zo zou je ook kunnen zeggen. Gaandeweg voortdurend de weg kwijt zijn, zoals je in een stad verloren kunt lopen, maar wel weten dat je je in die stad bevindt. ‘Dromen met de ogen open,’ zoals iemand het ooit omschreef (wie ook alweer?).

    Maar dus niet in staat zijn om, staande voor je boekenkast — die aanstonds in dozen opgeslagen moet worden — te bepalen welke boeken je straks absoluut nodig zult hebben om op een zeker moment verder te kunnen. Ik denk dat ik bijvoorbeeld Suzanne Lilars Het paar nodig zal hebben, ‘Pleidooi voor een duurzame erotiek en voor de sacrale liefde’ — ooit in 1963 verschenen en om onduidelijke redenen pas in 1976 in het Nederlands vertaald. Ik heb dat in 1980 gelezen, zie ik, en ik weet nog ongeveer waarom precies. Ik moet, gezien de strepen en aantekeningen in de marge, toen al veel van de liefde geweten hebben. ‘Onzin!’ zie ik ergens staan, en elders vraag ik me af waarom binnen een sacrale liefdesband kuisheid en losheid van zeden als antipoden worden voorgesteld. Ik begrijp nu mijn eigen vraag niet. Of was er voor mij toen geen onderscheid tussen kuisheid en losheid? Van zeden? Zeden. Kuisheid. Wat een taalgebruik! Prachtig. Dat is te gebruiken, voel ik onmiddellijk. Dit is me zo volkomen vreemd en tegelijkertijd van een zodanige, mij dan wél weer vertrouwde ernst dat mijn personage er wel weg mee zal weten. Daar reken ik op.

    Paar

    Bon, Lilar in de ‘werkdoos’. Daar zou ook Zeggenschap van Damsté en Griffioen terecht moeten komen, zij het dat ik dat boek destijds heb weggedaan, dodelijk vermoeid van het eindeloze verband tussen ‘je wereldvisie’, ‘je visie op onderwijs’, ‘je visie op je vak’, ‘je visie op een specifiek deel van je vak’ — en dat alles keurig op elkaar afgestemd en dan uitgewerkt in lessenseries. Zo heb ik ooit een werkstuk van meer dan honderd pagina’s bij elkaar getypt (dit was voor het computertijdperk) waar de van hogerhand vereiste linkse maatschappijvisie doorklonk in de wijze waarop ik leerlingen onderwerp, persoonsvorm, naam- en werkwoordelijk gezegde dacht te gaan uitleggen. Mijn pogingen onder dat werkstuk uit te komen door al op voorhand met de aangestelde onderwijskundigen in discussie te gaan over hoe bepaalde, op zich niet verkeerde ideeën binnen de praktijk onmiddellijk absurd dreigden te worden, stuitten op een njet dat op zich niet geheel in overeenstemming was met het ‘democratisch leraarschap’ dat diezelfde onderwijskundigen predikten. Hen daar fijntjes of — mij kennende — minder fijntjes op wijzen, betekende dat elk volgend gesprek op kookpunt begon, en elk nog mondeling af te leggen tentamen vooral neerkwam op pogingen van de docent om mijn hovaardige ik een lesje te leren.

    Enfin, dat Zeggenschap ga ik zeker nog nodig hebben, maar dat moet van de bibliotheek gehaald. Dat kan ik natuurlijk met meer boeken doen, maar het gaat ook om het moment dat je al schrijvend ineens denkt: ah ja, dát boek — en dan naar je kast loopt en na even zoeken en een half uur bladeren wel of juist niet vindt wat je je meende te herinneren. Ook daarvoor kun je naar de bibliotheek — die in Gent (de openbare) behoort beslist tot de betere, en er is nog de universiteitsbibliotheek ook —, maar dan is er een hele dag om zeep voor het schrijven van misschien soms niet meer dan één zin, die later ook nog eens gemakkelijk zou kunnen sneuvelen. Er is natuurlijk en gelukkig het internet (hoe hebben we het ooit zonder gedaan?), maar dat is in veel gevallen niet genoeg.

    Het zou zoveel makkelijker zijn als ik schreef zoals ik weet dat veel anderen doen: om de lege plekken heen. Boek nodig? Boek niet voorhanden? Dan maar even verder met ‘het volgende’. Maar voor mij lijkt elke lege plek een onmisbare schakel die me verhindert verder te schrijven. Zo zat ik afgelopen zomer op het punt dat ik de tekst van ‘De internationale’ beslist nodig had. Internet had ik niet en internetcafé’s waren erg schaars in de landelijke omgeving waar ik zat. Mijn opvoeding was niet socialistisch genoeg en mijn eigen verleden vertoont geen partijpolitieke banden. En dat dat lied op zou duiken had ik niet voorzien. Toen ben ik dus maar Hegel gaan lezen in plaats van verder te werken. Zonder die tekst was het ritme gebroken — zoiets. En er stond iets in die tekst dat ik nodig had, waar ik op voort moest borduren. Dat wist ik dan weer wel. (Al was nu net datgene waarop ik later voortborduurde een regel die ik me nog wel woordelijk herinnerde...)

    Er zit niets anders op dan voor de komende verhuis mijn boeken zo handig en verstandig in te pakken en op te stapelen dat ik er straks, in volle verbouwing, redelijk gemakkelijk bij kan. Wat niet wegneemt dat ik nu met een bananendoos naast me aarzel bij elk boek — alsof daar nu nog tijd voor is! Ik heb de laatste dagen van het jaar gebruikt, enerzijds om yang af te werken, anderzijds om zo veel als mogelijk te schrijven. Nu is doorpakken het devies. Het moet hier leeg.

    IMG_0040